deze blog is sinds het einde van 2021 niet meer actief: voor alle reportages in de toekomst, ga naar:
https://ernstguelcher.blogspot.com/ en zoek met trefwoord.
deze blog is sinds het einde van 2021 niet meer actief: voor alle reportages in de toekomst, ga naar:
https://ernstguelcher.blogspot.com/ en zoek met trefwoord.
Juli 2021
Ernst Gülcher
contact : ernst.guelcher (at) telenet.be
Op zoek naar het pokdaligste (!) natuurreservaat(je) in ons land? Dan kun je terecht aan de springputten in het Meerdaalwoud. Dit is oorlogserfgoed. Pak de kaart van het bos er maar even bij en zoek te voet je weg naar de kruising tussen Prosperdreef en Walendreef op het grondgebied van de gemeente Oud-Heverlee.
Vlak achter een Miradal-paaltje, een grote beuk een picknictafel en twee metalen ‘shelters’ is het terrein bezaaid met (dikwijls diepe) putten, de een na de ander, zo ver als je kan kijken tussen de bomen en hier en daar staat er water in. Over de geschiedenis van deze merkwaardige zaak vind ik tegenwoordig niet zoveel meer en zeker niet op het internet. Gelukkig heb ik een kopie vastgekregen van een gedetailleerd verslag uit 2007 van de hand van Joseph Verbist, en wat daarin staat te lezen maakt grotendeels deel uit van wat ik hierna vertel, zij het dat je bij zijn tekst moet zijn voor veel meer details over de werkwijze.
Onmiddellijk na het staken van de vijandelijkheden groeven Britse militairen een hele serie stockeerplaatsen langs de Kromme Dreef en maakten ze een tweetal diepe putten om de obussen te doen ontploffen om er van af te geraken. Die stockeerplaatsen zijn er nog en vooral in de winter goed te zien.
Al snel werd de aanvoer te groot en nog in 1944 viel de keuze op een door de Duitsers kaalgekapt terrein ten noordoosten van de kruising van de Walendreef en de Prosperdreef in de ‘Omheining van de Vergerée’. Dat terrein was eigendom van het Ministerie van Landbouw en werd aan Defensie overgedragen. Sindsdien heet dit stuk ‘Omheining van de Put’.
Langs de noordzijde van de Walendreef werd vanaf de Naamsesteenweg een smalle spoorweg aangelegd die doorliep tot in het midden van het nieuwe vernietigingsterrein. Op het terrein werden langs beide zijden van het spoor drie putten gemaakt, waarin munitie opgestapeld en met grond overdekt werd.
Langs de Walendreef kwamen twee schuilplaatsen. Ze werden gebouwd met metalen golfplaten en bedekt met grond. Aan de dreef werden ze afgeschermd door een wand van met zand gevulde munitiekisten.
De schuilplaatsen bestaan nog steeds, de wanden ervan werden einde jaren 70 verwijderd.
De munitie werd aangevoerd op vrachtwagens die dan op de Naamsesteenweg werden overgeladen op de spoorwagonnetjes die door de ontmijners tot aan de putten werden geduwd. In de periode 1944-1945 kwamen er op verzoek van het Amerikaanse ontmijningsteam van de basissen van Beauvechain en Melsbroek twee putten bij.om niet-ontplofte Duitse bommen rond en op de vliegvelden onschadelijk te maken
Op een luchtfoto uit 1948 zijn 6 putten goed herkenbaar. Het spoortje werd al snel niet meer gebruikt omdat de aangevoerde munitie te zwaar werd om over te laden (er waren obussen bij van 500 kg) en lange wachttijden ontstonden voor het verkeer en de trams op de Naamsesteenweg.
De munitie werd tweemaal per dag tot ontploffing gebracht vanaf een plek achter een dikke boom aan de overzijde van de Prosperdreef. Blijkbaar moest je als ontmijner maar niet al te dik zijn. De ontploffingen gingen tot 12 meter diep en eenmaal per jaar werd het terrein door bulldozers geëffend. Met de spade werden nieuwe putten gegraven, op het laatste waren dat er wel zeventig, de ene al wat groter en dieper dan de andere.
Het werk was primitief en gevaarlijk. In feite is het een wonder dat er in de loop van de tijd aan de putten ‘slechts’ twee ongelukken zijn gebeurd. Op 15 januari 1946 ontplofte een zware 128mm granaat en daarbij vielen er twee doden, de soldaten Gerard Marchand en Marcel Vandermotten. Twee andere soldaten, August Berges en Fernand Carmois werden gewond. Op 29 augustus 1961 ontplofte er munitie bij het lossen van een vrachtwagen en maakte een eind aan het leven va de soldaten Armand Andries en Edmond Nuyts. Twee andere soldaten werden gewond: Louis Van Hauw en Désiré van Hove.
Om hen te gedenken staat er een monument aan de ingang van het militair Kwartier Meerdaal aan de Naamsesteenweg. Tot in 2004 stond het aan de ingang van de Walendreef maar bij de inrichting van het Ecoduct werd het verplaatst. Op het monument zijn de namen van de gedode slachtoffers gebeiteld zoals hierboven genoemd (bij J.Verbist luiden de namen een beetje anders).
Het ministerie van Defensie gebruikte dit terrein tot in de zestiger jaren. Tot in je jaren vijftig werden alle dagen grote hoeveelheden vernietigd in reeksen van twee ontploffingen, telkens op het einde van de voormiddag en de namiddag. Daarna gebeurde het nog om de twee of vier weken. Elke keer werd de Naamsesteenweg afgesloten, niet alleen voor de auto’s maar ook voor de tram. Hoeveel munitie er in totaal is vernietigd is nooit bekend gemaakt (misschien ook niet geweten) maar het moeten duizenden tonnen springstof geweest zijn.
Met het veranderen van de tijden kwamen er alsmaar meer klachten over de overlast (bij de ontploffingen rinkelden de ruiten tot in het centrum van Leuven en soms vlogen ze aan scherven) en bovendien moest er voortdurend wacht gehouden worden om dieven van lokale koper- en andere metaalverzamelaars uit het gebied weg te houden (de ‘Roemenen’ van toen).
Toen er dan ook nog grondig verschil van mening opdook tussen de diverse belanghebbende ministeries wie de aanvoerweg in het Meerdaalwoud moest onderhouden, droeg Defensie in maart 1967 het hele bijna cirkelvormige gebied met een doorsnede van ongeveer 150 meter en een oppervlakte van twee hectare over aan de overheidsdienst Waters en Bossen. De stilte in het bos keerde daarmee terug maar wat er overbleef leek in geen enkel opzicht nog op een bos.
Op een luchtfoto van 1969 ziet het springputtenterrein er uit als een maanlandschap. Op een andere foto in 1972 zie je dat er in bijna alle putten water staat en dat er hier en daar al berkjes en wilgjes beginnen te groeien terwijl een eerste plantendek de omgeving aarzelend groen begint te kleuren. Een tiental jaren trok het terrein heel wat biologen en botanici aan die tot hun verbazing ontdekten dat er in en rond de putten niet alleen heel veel soorten planten wilden groeien maar ook allerlei soorten die je elders in deze bosomgeving met zure bodem of zelfs in heel Vlaanderen niet snel zal vinden.
De oorzaak van die bijzondere begroeiing is de combinatie van water met al de uit de putten opgeworpen chemisch vervuilde leem- en kalkachtige grond. Meer details over alle inventarissen die toen zijn gemaakt vind je in het boek Miradal in het hoofdstuk ‘De Planten in de Springputten’ (pagina 216-218, geschreven door André Cresens).
Rond 1976 was de pret alweer afgelopen omdat de bomen en struiken het overnamen. Nadien werden die nog enkele keren weggekapt door vrijwilligers bij de scouts maar dat stopte in 1982 nadat bleek dat er zich in de putten hier en daar nog niet ontplofte munitie bevond. Het terrein werd afgesloten en tot officieus reservaat verklaard en sindsdien hebben de bomen en struiken het overgenomen en weten alleen de kenners nog in het voorjaar de lentebloeiers te vinden voordat de bladeren aan de bomen komen.
Het beheerplan over het Meerdaalwoud van 2007 wijdt enkele pagina’s aan het gebied. Daarin vind je dat de putten, – ondertussen poelen geworden – erg geschikt zijn voor zeldzaam geworden amfibieën zoals salamanders: “de ‘Springputten’ vormen anno 2000 nog één van de interessantste plaatsen met zeer veel groene kikker en met de 4 salamandersoorten (kleine water-, kam-, vinpoot- en Alpenwatersalamander)”.
Maar het Meerdaalwoud bevat in die tijd ook een tamelijke groot volkje van de heel zeldzame vuursalamander en blijkbaar moet een groot deel daarvan zich in de Springputten hebben gevestigd. Ondertussen zijn we alweer 15 jaar verder en hoe de toestand nu is kan ik niet beoordelen. Na een excursie een tiental jaren geleden heb ik er niets meer over gehoord. Op zich zegt dat niets want het monitoren van zeldzame soorten (in dit geval door Natuurpunt) gebeurt om begrijpelijke reden in alle stilte en op ‘Waarnemingen’ zul je de locatie niet vinden.
Ik hoop dat een van degenen die het weten het tegendeel kunnen bevestigen maar ik vrees dat de vuursalamanders het slachtoffer geworden zijn van de gevreesde agressieve schimmelziekte Batrachochytrium salamandrivorans (Bs). Maar gezien de ontoegankelijkheid en de duisternis over en rondom de poelen denk ik ook dat de biotopwaarde voor amfibiën ook verloren is gegaan, al was het maar omdat er geen enkele open plek met een beetje zon meer is.
Na lang aandringen en veel discussie hebben bij de historische ontsluiting van het Meerdaalwoud de bosbeheerders de Springputten als te ontsluiten erfgoedrelict vrijgegeven en in de in 2013 gepubliceerde Miradalbrochure laten opnemen met bijbehorend paaltje en zelfs een paadje tussen de twee shelters.
Maar ik heb de indruk dat er niemand meer komt maar misschien is dat ook wel goed. Voor natuurliefhebbers is het een goede plek om te zien hoe een bos zich ontwikkelt tot een gemengd ‘oerbos’ als het totaal aan zichzelf wordt overgelaten. Al wat een bos te bieden heeft kun je hier vinden aan mossen, dood hout, zwammen, schimmels en voorjaarsbloeiers. Zelfs als je er in zou willen – wat niet aan te raden is want niet goed voor de natuur en wellicht nog altijd onveilig om in zo’n put af te dalen (er is echter nooit een ongeluk gebeurd) – houden al het kriskras door elkaar levende en dode hout en de bramen je wel tegen.
In de zomer wandel je er voorbij zonder iets te zien, in de winter kan je de putten tegenwoordig wel goed zien vanaf de Walendreef. En het hele jaar kan je natuurlijk je picknick opeten aan de monumentale tafel onder de al even eerbiedwaardige beuk aan de Walendreef en je de ietwat cynische vraag stellen of oorlog tussen mensen en volkeren nu wél of toch niet goed voor de natuur is. Op voorwaarde natuurlijk dat je achteraf je zakje ook graag weer meeneemt want menselijke afval in een bos heeft alleen maar slechte kanten …
+++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++
+++
https://www.natuurpunt.be/pagina/vuursalamander
+++
Universiteitsbibliotheek Gent Zoekresultaten
https://lib.ugent.be › catalog
Floristische en fytosociologische studie van de “Springputten” in Meerdaalwoud. Maria Dewit Submitted in 1979 in Leuven. Dienstverlening · Dienstverlening.
+++
Hans Baeté en anderen; Miradal Erfgoed in Heverleebos en Meerdaalwoud, Davidsfonds Leuven2009, ISBN 978-90-5826-642-8
+++
Springputten Meerdaalwoud. Zeer uitgebreide tekst uit 2007 (ook met de in deze tekst vermelde foto’s) geschreven door Joseph Verbist (maar waar deze gepubliceerd werd weet ik nog niet)
![]() |
| bron voor beide plattegronden: artikel Joseph Verbist |
Trefwoorden: Meerdaalwoud, springputten, tweede wereldoorlog, munitie, natuurreservaat, defensie, erfgoed, salamander,
juli 2021
Ernst Gülcher
contact: ernst.guelcher (at) telenet.be



Neem de kaart er maar weer bij en ga eens op stap in het natuurgebied Papenbroek. Bij Natuurpunt lees ik dat het een gebied is van ergens tussen de 10 en de 50 ha dat ligt in de Begijnebeekvallei. Die vallei is het eerste gedeelte van de Hagelandse vallei en wordt omsloten door min of meer evenwijdig lopende heuvelruggen met intrigerende namen zoals Blakenberg en Luienberg. Op die heuvelruggen is het ook mooi wandelen hoewel je er wel het lawaai van de veel te drukke ‘Staatsbaan’ of N2 Leuvensesteenweg tussen Bekkevoort en Diest moet bijnemen, zeker als je die hier of daar wil oversteken.

Het reservaat zelf ligt juist te oosten de Zandstraat in Assent, een deelgemeente .van Bekkevoort. Het is een tamelijk smalle strook rechts van de Begijnebeek en op de kaart lijkt het niet erg toegankelijk. Maar op het terrein zal je al snel merken dat er wel degelijk een aantal leuke wandelpaadjes zijn voor natuurliefhebbers die goed ter been zijn en op zoek zijn naar een wat ruigere natuurbeleving. Je er een mooie aangeduide luswandeling in en rond maken maar je kan ook helemaal door en dan weer terug.
Natuurpunt: “Het Papenbroek bestaat uit een aaneenschakeling van natte graslanden, ruigten, bos en kleine waterpartijen. De bloemrijke laagveenhooilanden van weleer worden opnieuw in ere hersteld. Het Papenbroek herbergt veel zeldzame en bedreigde soorten. … In 1253 behoorde het Papenbroek toe aan de abdij van Sint-Truiden. De paters of ‘papen’ hadden het voor het zeggen in het gebied, vandaar ook de naam. Centraal in het Papenbroek ontspringt een bekoorlijk watertje, de Gele Gracht, gevoed door helder kwelwater. De naam ‘Gele Gracht’ wordt in oude documenten ‘Geilengracht’ genoemd. Het woord ‘geil’ stond vroeger namelijk voor ‘vruchtbaar’ of ‘welig’.”

Op de Ferrariskaart van 1777 zie ik op de plaats van die gracht de naam ‘Beverbeek’ staan, dus misschien heeft het daarmee ook wel te maken. De Bevermolen die ook op die kaart staat is er niet meer.
Het natuurreservaat Papenbroek maakt tegenwoordig geheel of gedeeltelijk deel uit van de gemeente Bekkevoort maar samen met het dorpje Papenbroek en de Begijnebeek was het eeuwenlang een deel van Diest. Als je op de kaart kijkt zie je dat de vallei ten zuidenwesten van die stad ligt. De reden ken ik niet maar op de kaart van nu is de beek aangeduid als ‘Winterbeek’ terwijl hij op alle oude kaarten de naam Begijnenbeek draagt.
In de beschrijving op de inventaris va onroerend erfgoed lees ik dat hij “behoort tot het Demerbekken (en) maakt mogelijk deel uit van een voormalige fossiele vallei die zou kunnen doorgetrokken worden naar het westen langs de vallei van de Winge. Sommige auteurs zien hierin een voormalige Demerbedding”. Als dat laatste waar is denk ik dat in de oude tijd het water in de vallei in de richting van Werchter moet zijn gestroomd terwijl het vandaag de dag richting Diest gaat. Wie weet daar meer over?

Om in Diest ter hoogte van de Saspoort aan de Demer te geraken maakt de Begijnenbeek samen met de Gele Gracht een grote lus om de noord van de Kloosterberg, een heuvel van zo’n 50m boven de zeespiegel die daar door de zee als duin is achtergelaten in het ‘Diestiaanse’ tijdperk, dat wil zeggen zo’n 4 tot 10 miljoen jaar geleden. Op oude kaarten zoals die van Villaret (1745) zie je dat de hellingen van de vallei nog grotendeels bebost zijn zoals het ‘Bois du Prince d’Orange’ aan de noordkant en het ‘Bois de Nebauris’ aan de zuidkant maar op de kaart van 1873 is er al heel veel omgezet in akkers met holle wegen naar de vallei. Op de kaart van nu zijn er nog nauwelijks bomen te zien maar wel veel huizen en autowegen. Richting Kloosterberg is er alleen nog een bosje overgebleven dat recent is ingericht als het ‘bosreservaat Gasthuisbos’.
De beek zelf is op de oude kaarten nog een lint met talloze kronkels maar na de Tweede Wereldoorlog is hij bijna volledig rechtgetrokken. Dat dit allemaal samen mede de oorzaak is van overstromingen in de afgelopen jaren hebben de bewoners in de vallei moeten ervaren maar daar kom ik nog op terug.

In de vallei van de Begijnenbeek zelf “vinden we een nog grotendeels oorspronkelijk beemdenlandschap met sporadisch nog perceelsrandbegroeiing. Het Papenbroek is een waardevol natuurgebied.”. Jammer genoeg sta je aan de ingang van het gebied in Assent aan de Zandstraat wel ook aan de voordeur van een in de jaren zeventig aangelegde ambachtszone die ter plaatse het grootste deel van de vallei in een betonzone verandert. Misschien kan die nog eens verhuizen om de historische natuur-eenheid te herstellen?
Het gebied is dankzij het zorgvuldig natuur- en maaibeheer van Natuurpunt-Bekkevoort in zo’n 30 jaar veranderd van een verruigte wildernis van oude turfputten en door de boeren verlaten natte hooilanden, nadien beplant met snelgroeiende populieren, uitgegroeid tot een topnatuurparel met allerlei bloemrijke zeldzame planten die er in het verleden waren en na een lange periode van afwezigheid door verstoring nu de een na de ander weer tevoorschijn komen.

De fotogenieke weiden waar je als bezoeker doorstapt zijn zogenoemde ‘blauwgraslanden’. Volgens Wikipedia is zo’n weide een “associatie uit de klasse van de matig voedselrijke graslanden, een bijzonder soortenrijke plantengemeenschap van schraal nat grasland dat voorkomt op voedselarme, natte gronden, overwegend in beekdalen en laagvenen. De bodem mag noch te voedselrijk, noch te zuur zijn…. Tot het begin van de twintigste eeuw vond men in de laagveengebieden van de Lage landen grote oppervlakten blauwgrasland, alsook in (de randen van) de beekdalen van regio’s met een zandige ondergrond. …. Schattingen over de oppervlakte blauwgrasland in Vlaanderen lopen op tot duizenden hectare…. Door de ‘kwaliteitsverbetering’ van landbouwgronden tijdens de 20e eeuw, waaronder het gebruik van kunstmest, verlaging van de grondwaterstand en verzuring is er nog maar heel weinig bewaard gebleven van dit vegetatietype”.
Het herstel van dit soort natuur vergt jarenlang geduldig maaien en afvoeren. Het resultaat mag er zijn en het klopt wat op de website van Natuurpunt-Bekkevoort staat dat de bloemrijke laagveenhooilanden die al 25 jaar in beheer zijn een “ware streling voor het oog zijn”. Die worden alle jaren tweemaal gemaaid en het maaisel wordt gehooid of afgevoerd. Daarbij worden blijkbaar ook zwarte Schotse hebridean-schapen ingezet maar die zijn nu nog niet te zien.want de schapen waar ik foto’s van post zijn wit maar van welke soort ze zijn weet ik niet.

De hoofdzaak is dat alles zo kort en opgeruimd mogelijk de winter in gaat. Daarnaast wordt ook de opslag van wilgen bestreden om verbossing te voorkomen en de vroegere turfputten opengemaakt om te kunnen dienen als poelen voor amfibiën en watergebonden insecten. Omdat het een drassig en dus kwetsbaar landschap is kunnen er geen zware machines gebruikt worden en moet er veel met de hand gebeuren: “elke eerste zaterdag komen vrijwilligers hun handen uit de mouwen steken. In het kader van het project educatief natuurbeheer in Vlaams-Brabant, komen ook de Bekkevoortse scholen regelmatig helpen.” Op de website vind je de agenda met de aangekondigde werkdagen. Ik denk dat ik nog lang niet alles van dit natuurgebied gezien heb en er dus wel weer binnenkort een bezoek ga brengen.
Tegelijkertijd moet natuurlijk ook verhinderd worden dat milieuvervuiling het gebied binnendringt en de bodem aantast.

In de tijd dat de beek nog meanderde diende de vallei als opvangbekken bij zware regen, vooral tijdens de winter, maar omdat het water proper was konden de boeren het meekomende slib gebruiken om hun landjes vruchtbaar te maken zonder dat de natuur verstoord werd. Maar in onze tijd veroorzaken zulke overstromingen zeer grote schade.
Het reservaat werd in 1989 al eens onder water gezet door een ongewenste overstroming van de Begijnenbeek en bijna 20 jaar later was het opnieuw raak. Tijdens een zwaar onweer op 4 juni 2018 werd het hele reservaat herschapen tot een modderpoel waardoor tot ellende van Natuurpunt Bekkevoort jarenlang natuurbeheer op één dag vernietigd werd “door vervuild slib van de hoger gelegen akkers” maar ook door vervuild water uit de overgelopen rioleringen die niet voldoende op de waterzuivering zijn aangesloten. Tegelijkertijd stonden ook in de stad Diest hele straten onder water.

Als natuurbeheerder van graslanden met orchideeën is dat om wanhopig te worden want dat water zit vol met veel te voedselrijke en giftige landbouwresten en met huishoudelijk afval uit de nog niet voldoende aangesloten rioleringen. Maar tegelijkertijd is die beek in het verleden zodanig gekanaliseerd (rechtgetrokken en verdiept) dat ook in de stad Diest straten en kelders blank komen te staan omdat het water niet kan uitvloeien. Blijkbaar is het probleem niet nieuw want ik lees in een aankondiging in juni 2017 bij de Vlaamse Milieumaatschappij (VMM) dat ze dan al werken hebben uitgevoerd aan de beek en dat ze nog twee extra gecontroleerde overstromingsgebieden gaan aanleggen die begin 2018 moeten klaar zijn.
Ik ben het allemaal al eens ter plaatse gaan bekijken. Als ik het goed begrijp komt het er op neer dat men op de splitsing tussen de Begijnenbeek en de Leugenbeek ten zuiden van Diest en ten noorden van het natuurreservaat het water wil verhinderen om rechtstreeks naar de stad te stromen (via de Begijnenbeek west van de Kloosterberg) maar het wil afleiden naar het natuurgebied Webbekom (via de Leugebeek oost van de Kloosterberg).
Op de kaart zie je op die splitsing aan het eind van de Neerveldweg (grondgebied gemeente Diest) een ‘verdeelcentrum’ met de naam K7. Om een en ander op een ecologisch verantwoorde manier aan te pakken worden niet alleen schuiven en dijken aangelegd maar ook de oude loop van de Begijnenbeek in ere hersteld door die minder diep te maken en er opnieuw bochten in aan te leggen.

We zijn nu 2021 en of al die werken al voltooid zijn weet ik niet zeker. Ik lees bij VMM dat “de goede ecologische toestand van de waterloop ten laatste in 2027 moet worden gehaald”. Alleszins zijn er blijkbaar sinds 2018 geen overstromingen meer geweest.maar tegelijkertijd lees ik dat we “door de klimaatverandering … allicht … moeten leren accepteren dat wateroverlast op bepaalde momenten onvermijdelijk zal zijn”.
Begin juli 2021 stonden veel straten in Vlaams- en Waals Brabant weer onder modderwater maar of Diest ook getroffen is heb ik niet gezien. In elk gevam; plan je huis of bedrijf maar niet in overstromingsgebied zou ik zeggen. De overstroomde wijk in Diest was eind vorige eeuw nog een waterbergend moerasdeel van de vallei dus wie daar gebouwd heeft oogst de moeilijkheden die in die tijd gezaaid werden. Daar komt bij dat als gevolg van de klimaatverandering de heftigheid van zulke onweders eerder zal toe- dan afnemen.afgewisseld door lange perioden van overmatige droogte wat al evenmin goed is voor de natuur en de levende wezens die het daarvan moeten hebben.

Voor het natuurbeheer zoals in het Papenbroek is het uiteraard van vitaal belang dat de agrarische en rioleringsvervuiling worden aangepakt maar blijkbaar is vooral het eerste nog altijd erg problematisch. Die doos van Pandora doe ik een andere keer nog wel open.
Op foto’s van Natuurpunt-Bekkevoort gezien zie je de tot aan de rand gevulde Begijnenbeek die hier en daar al aan het overlopen is maar uiteindelijk zijn de beheerder er met de schrik afgekomen en is een ramp deze keer uitgebleven.
Conservator Fredric Gabrys meldt dat hij denkt “dat 2018 voorlopig de laatste keer was met modder en massa water in het papenbroek. Bepaalde delen zie je dit nog met veel brandnetel en distels maar dit beperkt zich grotendeels tot het eerste perceel vanaf de Zandstraat. De overige percelen zijn nog ok, weliswaar betekenen die overstromingen met voedselrijk water en slib weer dat we een 10 jaar terug in de tijd worden geslingerd met beheren, dus terug verder verschralen. De percelen verder ten zuiden, ten zuiden van de Gele gracht blijven normaal altijd gespaard van overstromingen. Behalve die keer in sep 1998”.

De kanttekening is dat het niet zeker is of de beheerders gewoon geluk hebben gehad of dat dit het positief resultaat is van de waterbeheersingsmaatregelen die de Vlaamse Milieu Maatschappij de afgelopen jaren heeft genomen om overstromingen te vermijden door de ecologie van de waterloop te verbeteren en door het water te verhinderen in grote massa’s naar de meest zuidelijke woonwijk van de stad Diest te stromen door het af te leiden naar het natuurgebied Webbekom.
Op mijn vraag naar de toestand in ‘zijn’ gebied antwoordt beheerder Bert Vandebosch: “Nu eerder geluk gehad…Te veel water hou je toch nooit tegen. Je kan er wel voor zorgen dat het zo proper mogelijk is en dan is er nog heel veel werk aan de Begijnenbeek en omliggend landschap….. er zijn zeer nuttige werken geweest maar dat ligt stroomafwaarts van het Papenbroek en heeft dus beperkte impact voor ons. Maar water vind ik niet zo erg zolang er geen sediment en mest van de akkers en rioolwater bij zit. In samenwerking met VMM hoopt men in de toekomst wel terug meanders te herstellen in het Papenbroek om nog meer water te bergen en langzaamaan wordt de vuilvracht van de beek gehaald. Ook stroomopwaarts ter hoogte van het industriepark wordt de vallei gedeeltelijk terug afgegraven en gesaneerd.”

Na al de wateroverlastfoto’s van de laatste tijd ben ik meer dan benieuwd hoe het staat met de tegenmaatregelen op onze waterlopen en – gebruik makend van de gelegenheid – ben ik maar eens een kijkje gaan nemen aan dat eerder in deze reportage genoemde ‘verdeelpunt K7’ ten noorden van het Papenbroek op de plek waar de Leugebeek zich van de Begijnenbeek afsplitst en ten oosten van de Kloosterheuvel richting natuurgebied Webbekom gaat. Ik toon je enkele foto’s van dit bouwwerk, mooi vind ik het niet maar nuttig is het wel denk ik.
Dankzij K7 is de vallei van de Begijnenbeek en de Leugebeek tussen het Papenbroek in Bekkevoort en de woonwijk van Poelst in Diest bij het wolkbreuken van deze week niet onder water komen te staan.
Je kan zien dat het water nog een flink stuk hoger heeft gestaan maar dat het binnen de bedding van beide beken en ook van die van de Gele Gracht gebleven is (die naam staat niet meer op de kaart van nu). Door het ophalen of neerlaten van de stuwen aan het verdeelcentrum wordt met de hulp van de elektriciteit van de torenhoge windmolens in de omgeving de waterstand in de beken geregeld.

Op dit ogenblik staat het water stroomafwaarts in de Begijnenbeek west een stuk hoger dan dat in de Leugebeek naar het oosten. Maar de hoogte van de stuw bepaalt ook het peil van het water stroomopwaarts en met dat niveau is de beek tot een meter onder de rand gevuld maar het zou dus nog hoger kunnen.
De brede waterplas is wel een enorm verschil met het diepliggende gootje van een paar dagen geleden van voor het onweer waarin nauwelijks enig stroompje te zien was. De oever is flink drassig maar met rubberbotten kom je er goed langs. Voor wandelaars zijn er zelfs knooppunten voorzien en bij een bosje kom je een bord tegen dat je waarschuwt tegen buizerds. De stad meldt zich door een reusachtige Carrefour supermarkt aan de Reustraat ter hoogte van de Romblokstraat maar tenzij je daar je boodschappen wilt doen kan je mooi groen verder langs de beek richting Provinciaal Centrum Halve Maan hoewel je dan wel tussen de huizen terecht komt.

Wat mij opvalt is dat het water ferm stroomt maar dat de velden niet overmatig veel tekenen vertonen van erosie. Om het slib vast te houden zijn er op veel plaatsen bloemstroken voorzien waarop ik zelfs korenbloemen zie staan. Tot mijn spijt kom je vanaf hier niet langs de beek naar het natuurgebied Papenbroek zelf. Aan het oude Piëta-kapelletje aan de Neerveldstraat gaat er wel een pad maar dat loopt dood op privéweiden en boomgaarden, een beetje eikenbos en heel wat wildernis. Ik vermoed dat in de komende jaren dit landschap ook wel in natuurbeheer zal worden genomen en dat zou ik een goede zaak vinden. Om je heel dat ingewikkelde watersysteem van de Begijnenbeek en Leugenbeek rondom de Kloosterberg ten zuiden van Diest te laten zien heb ik een kaart bijgevoegd gebaseerd op die van Googlemaps. Daar zie je wel dat je als voetganger hier gemakkelijk in moeilijkheden kan komen als de de bruggetjes niet weet zijn.

+++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++
https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/135082
Kloosterberg en vallei van Begijnenbeek
+++
https://www.natuurpunt.be/afdelingen/natuurpunt-bekkevoort
+++
https://nl.wikipedia.org/wiki/Blauwgrasland
+++
https://www.hln.be/bekkevoort/zware-ravage-in-papenbroek~a422a074/

+++
Juni 2017 – Overstromingsgebieden en beekherstel voor de …
https://www.integraalwaterbeleid.be › in-de-kijker › ov…
+++
https://www.robtv.be/nieuws/overstromingen-in-wijk-van-poels-in-diest-voorgoed-verleden-tijd-79230
+++
Bijkomende maatregelen aan Begijnenbeek en Leugebeek …
https://holahageland.net › 2019/12/04 › bijkomende-m…

trefwoorden: Bekkevoort, Assent, Begijnenbeek, Leugebeek, Diest, Papenbroek, Natuurpunt, blauwgrasland, natuurbeheer, wateroverlast,
juli 2018
Ernst Gülcher
contact: ernst.guelcher (at) telenet.be


De Watermolen van Rotselaar op de Dijle, in de erfgoedinventaris als Maalderij Van Doren vermeld, is van het turbinetype maar dat was niet altijd zo. De oudste vermelding gaat terug tot 1217, jaar waarin Heer Arnolf II van Rotselaar sterft en zijn bezittingen nalaat aan zijn oudste zoon Arnolf III. In die tijd telt het dorp vier watermolens waaronder de onze die dan staat op het eilandje dat nu nog bestaat.
Door huwelijken komt hij in bezit van de hertogen van Aarschot; achtereenvolgens de families De Croÿ en D’Arenberg. In het Arenbergarchief in Leuven zie je de molen aan de overkant van de Dijle op een 16de -eeuwse pentekening (1544) van het Middeleeuwse Rotselaar. Het is dan een uit hout opgetrokken constructie met een vlechtwerk van leem en stro tussen de balken. Het oudste stenen gebouw, de nog bestaande molenaarswoning, dateert uit 1573. Op een mooie pre-kadastrale kaart in het Arenbergarchief waarop alle hertogelijke eigendommen in Rotselaar te zien zijn, zie je de molen staan. De muren zijn van baksteen, het dak is gedekt met natuurleien en de fundering is van plaatselijke Diestiaanse ijzerzandsteen.

De molen zelf, het nog bestaand witgekalkt gebouw met de hijsinstallatie, dateert uit 1664: hij vervangt het vakwerkgebouw dat op het moleneiland stond en dat tijdens de godsdienstoorlogen vernield is. Pas in dat jaar vindt de Spaansgezinde hertog de politieke en economische situatie terug geschikt om te investeren in de Molen van Rotselaar. Het bouwwerk wordt de op 2 na grootste molen van de Nederlanden met twee, een tijdlang zelfs drie raderen.
Er wordt niet alleen graan van boeren uit de omgeving vermalen, maar ook graan dat via de Dijle vanuit Antwerpen wordt aangevoerd. De Dijle is immers bevaarbaar voor vrachtschepen zij het dat die langs de molen via een sluis moeten passeren (als ik het goed zie op de kaart). Samen met de nieuwe molen wordt door de Brusselse bouwmeester Hanecart in 1662 ook een nieuwe sluis op de Dijle ontworpen waarvan de stenen wanden en het landhoofd nog altijd bestaan.

De watermolen van Rotselaar is het begin van de 18de eeuw al een voor die tijd groot bedrijf dat in de honderd jaar nadien gestadig groter wordt. Aanplakbiljetten van rond 1735 spreken over drie maalkoppels (‘drij paer stenen’) waarop koren, tarwe en mout gemalen wordt, dat laatste voor de plaatselijke bierbrouwerij. Na de aanleg van de Leuvense Vaart in 1752 komen de vrachtschepen voortaan rechtstreeks van Antwerpen naar Leuven en niet meer via de Dijle langs Rotselaar. Omdat alle in Antwerpen gekochte graan vanaf dan met paard en wagen uit Wijgmaal gehaald moet worden wordt in 1777 de nu nog bestaande paardenstal met knechtenverblijf gebouwd. Maar blijkbaar heeft dat geen schadelijke invloed op het molenbedrijf want enkele jaren later zijn er zelfs vier maalkoppels in plaats van drie.
Op de Ferrariskaart van 1777 staat de molen er duidelijk op. De molen werkt verder maar krijgt onder de Franse bezetting en in de periode daarna blijkbaar toch met problemen te kampen.

Rapporten van 1840 spreken over de slechte staat van de gebouwen. De molen heeft het statuut van ‘loonmolen’ wat betekent dat er alleen gemalen wordt op vraag van de boeren en blijkbaar gaat dat achteruit. Daar komt bij dat alleen inlands graan verwerkt wordt. In later tijd wordt het molenbedrijf een handelsnijverheid waarin de molenaar zelf het graan gaat kopen en de bloem aan de bakkers verkoopt.
In die vooruitstrevende zienswijze komt rond 1840 de familie Van Doren als pachter van de hertog van Arenberg op de Molen van Rotselaar en brengt deze van het ambachtelijke naar het industriële tijdperk. Bekend geworden als ‘Maalderij Van Doren’ schakelt de molen in die tijd over van het ambachtelijke naar het industriële tijdperk. Rond 1870 wordt een nieuwe schuur gebouwd langs de Molenstraat tegen de paardenstal om meer opslagruimte te scheppen.
Rond 1880 wordt de molenmachinerie, tot dan bestaand uit de vier stenen maalstoelen, uitgebreid met een paar cilindermolens. Zulke machines bevatten metalen cilinders die met een verschillende snelheid tegen elkaar indraaien. Tussen de cilinders wordt het graan geplet en uit elkaar getrokken.

In het erfgoeddossier lees ik dat deze maalmethode het “warm malen” genoemd wordt omdat door de grotere snelheid en wrijving dan bij het malen met stenen de temperatuur stijgt. Het resultaat is dat je wel snel een heel fijne witte bloem krijgt maar dat de kwaliteit daarvan iets minder is dan die bij het ‘koud malen’.
Deze vorm van industrieel malen met cilinders is in die tijd nog een zeldzaamheid maar het maakt de molen erg bekend in de streek en de wijde omgeving want zelfs de boeren van tegen de Nederlandse grens brengen hun koren naar Rotselaar vanwege die fijne witte bloem. In het dossier lees ik ook dat de geïnstalleerde machines ondertussen niet nieuw waren maar tweedehands gekocht bij de industriële molen ‘Remy’ in Wijgmaal. Tegelijkertijd wordt ook werk gemaakt van vergaande automatisatie van het maalprocedé met ‘plansichters’, dat zijn automatisch op en neer gaande zeven om de verschillende delen van het graan te scheiden, en ‘elevatoren’, dat zijn jakobsladders waarlangs het meel in bakjes automatisch naar boven kan worden getransporteerd samen met het luiwerk dat dient om met waterkracht zware zakken op te hijsen.

Tot 1902 wordt de molen nog altijd aangedreven door twee raderen groot genoeg om het verval van 2,5m. te benutten maar dan legt het provinciebestuur na grote overstromingen op de Dijle vergaande aanpassing op aan alle moleneigenaars van hun stuwen en sluizen. De hertogin van Arenberg wil de kosten niet dragen en verkoopt de molen aan haar pachter Victor van Doren. Die renoveert de stuwen, vervangt de raderen door een turbine en bouwt de hoge silo. Vanaf 1907 doet ook de elektriciteitsopwekking zijn intrede.
De watermolen van Rotselaar wordt sinds 1902 dus niet meer aangedreven door raderen maar door de in de nieuwe silo geïnstalleerd hypermoderne turbine ‘Phenix’ nr.40 van de Franse onderneming Schneider-Jacquet met een gegarandeerd rendement van 80%.
Met een debiet van 3500 liter water per seconde en een verval van 2,1m levert dat een productie op van 245 zakken elk met 100kg afgewerkt graan per 24 uur en dat is meer dan tweemaal zoveel als tevoren met de raderen.

Sinds 2007 wordt de turbine ook gebruikt om elektriciteit op te wekken door middel van een alternator. Bij een voltage van 230-240 volt kan gemiddeld 50 tot 60 kilowatt stroom geleverd worden. Die stroom is nodig om de molen van verlichting te voorzien opdat er voortaan met een drieploegenstelsel 6 op 7 dagen de klok rond kan gemalen worden. Met het surplus worden op voorstel van de molenaar – dan ook plaatselijk gemeentesecretaris – de beide bruggen over de Dijle van elektrische lantaarns voorzien, iets wat in die tijd nog nergens anders gebeurt.
De vijf verdiepingen hoge stevig gebouwde silo heeft een capaciteit van 60 ton en is een grote trechtervormige kuip die in zes compartimenten verdeeld is om de te stockeren soorten graan te bevatten. Dat wordt aangevoerd door de boeren of door de molenarbeiders. De molen is niet uitgerust om graan in bulk te lossen maar toch koopt de molenaar ook grotere partijen aan die dan door een vervoerbedrijf in zakken worden aangebracht.

De zakken worden gelijkvloers geleegd in een trechtervormige houten bak en vandaar met een ‘bakjeslift’ (elevator) naar het juiste compartiment gevoerd. Meer details over het hele maalprocedé vind je in het erfgoeddossier evenals een uitleg over alle noodzakelijke verbouwingen en over problemen die veroorzaakt worden door het trillen van de turbine.
In de dertiger jaren wordt nog een loods bijgebouwd en een kantoorgebouw op de binnenkoer en in 1950 worden de gietijzeren schoepen van de turbine vernieuwd. Maar toch is al voor de Tweede Wereldoorlog duidelijk dat de molen met zijn verouderend machinepark en de te krappe behuizing het zal moeten afleggen tegen de grote maalderijen in het Leuvense zoals Remy in Wijgmaal, Hungaria, Van Orshoven en de Leuvense Dijlemolens. In 1968 maalt de molen voor het laatst, het maalcontingent wordt verkocht, de machines verzegeld en alle drijfriemen verwijderd. In 1973 overlijdt de laatste bewoonster en vanaf dan staat alles leeg en raakt in verval door het oprukken van de natuur en het gebruikelijke klein en groot vandalisme. Vooral dat laatste leidt tot razendsnel verval. De website van de molen toont een serie foto’s over de toestand van 1974 van de hand van fotograaf Jan de Vijver.

Vanaf 1976 dringen plaatselijke bewoners aan op bescherming als monument. Bij wijze van eerste stap kan afbraak en verkaveling van het terrein juist worden verhinderd doordat in het gewestplan de site wordt ingekleurd als natuurgebied. De eigenaar zet het geheel dan maar te koop en hoopt kennelijk nog altijd op een goede afbraakprijs want er zitten heel wat bakstenen en metalen in en op de affiche lees je dat de maalderij een massa waardevol hout en eiken balken bevat. Er komen toch geen kopers opdagen, ik vermoed omdat verkaveling tot nieuwbouw onmogelijk is geworden.
Na tien jaar leegstand wordt op 22 juni 1983 de Molen van Rotselaar definitief beschermd als industrieel-archeologisch waardevol monument en de omgeving als dorpsgezicht. Twee jaar later slaagt de Leuvense VZW ‘TSAP’ (’t Samen Anders Proberen) er in om het geld te verzamelen om de molen aan te kopen.

De leden willen er komen wonen en werken op een soortgelijke manier zoals dat ook het geval is in de Dijlemolens in Leuven. Dit is het begin van het woon- en werkproject Molen van Rotselaar.
Architect Rob Geys en zijn mensen gaan aan de slag om alles op te meten en plannen te maken. Omdat op verschillende plaatsen de gebouwen dreigen in te storten worden met een eerste overheidssteun in 1987 de eerste instandhoudingswerken uitgevoerd om erger te beletten. Toch is nog de algehele instorting nodig van de oude houten schuur voordat de restauratie echt kan beginnen nadat de toenmalig minister van Monumentenzorg het eerste subsidiedossier ondertekent op voorwaarde dat het aantal woonheden van 4 naar 8 zal worden gebracht.

Maar zoals dikwijls het geval is in restauratiedossiers blijkt de ligging in natuurgebied niet alleen de redding te zijn tegen verkaveling maar ook het begin van een lange en moeilijke weg om in dat gebied de nodige grote woon- en bedrijfswerken te mogen ondernemen. De molenwebsite wijdt daar maar één paragraaf aan maar ik vermoed (weet zeker) dat er toch heel wat mensen van velerlei slag en besluitvaardigheid om de vergadertafel hebben moeten zitten om samen een zeer gedetailleerd restauratie- en beheerplan te bestuderen en uiteindelijk er hun medewerking aan te geven..
Op de website van de Molen van Rotselaar lees je hoe na een leegstand van 10 jaar en het instorten van de antieke houten schuur in 1987 de echte restauratie begint. Over hoeveel miljoenen franken, euro’s en arbeidsuren en slapeloze nachten het in deze eerste fase allemaal gekost heeft wordt niet veel gezegd: “met eigen middelen en overheidssubsidie en over een periode van meer dan tien jaar wordt het molencomplex omgevormd tot een eigentijds woon- en werkproject waarin in 9 wooneenheden een dertigtal mensen hun plaats gevonden hebben”.
In 1991 wordt de molenaarswoning grondig gerestaureerd door het Herselts gespecialiseerde bedrijf Memibo.

Zowel voorbereiding (zoals het opruimen en kuisen) als afwerking wordt door de eigenaars echter zelf gedaan met de hulp van dikwijls jonge vrijwilligers die daarvoor zelfs uit Letland komen afzakken. Het jaar daarna pakt het bedrijf ook de paardenstal met knechtenverblijf aan, het bakhuis en het gebouw van de turbine. Gebouw na gebouw wordt onder handen genomen en in het kader van de bewuste beslissing om oud en modern en de achtereenvolgende bouwstijlen samen te brengen wordt ook het ronde torengebouw op de binnenplaats gebouwd.
In het licht van mijn ervaringen met restauratie- en bestemmingsproblemen bij erfgoed-monumenten, zeker als die in natuurgebied liggen waar volgens de wet niet gebouwd mag worden vind ik de watermolen van Rotselaar een wel bijzonder geslaagd project waarvan ik verwacht dat het op veel andere plaatsen navolging zal vinden.

In 1994 wordt de oude turbine gedemonteerd en gereviseerd en in 1995 opnieuw ingebouwd met tandwielkast en generator. De turbine heeft een vermogen van 100PK en levert ongeveer 500.000 KWh groene stroom per jaar ofwel zoveel als het gemiddeld verbruik van zo’n 140 Vlaamse huishoudens. Om de capaciteit te bereiken wordt in 1995 ook de oude 17de -eeuwse sluis vervangen door een dubbele klepstuw met vier schuiven. Op de in 2012 nieuw aangelegde ‘bypass’ (de vistrap) wordt ook zo’n stuw gezet en daar wijd ik nog een afzonderlijke bijdrage aan. Sindsdien wordt het water opgestuwd tot op een verval van 2,40 meter (het ‘pegelpeil’) en is de molen tot een moderne elektriciteitscentrale omgebouwd.

Dat is het begin van de groene stroom coöperatie Ecopower met maatschappelijke zetel in Rotselaar waar je aandelen van kan kopen. In 2006 begint de restauratie en gedeeltelijke vernieuwing van het in 1996 gedemonteerde en in depot gezette machinepark en sinds 2010 staat alles er weer zoals vroeger: 7 cilinderwalsstoelen en 3 steenkoppels. Onder leiding van Memibo is dit immense specialistenwerk grotendeels gedaan door Fons Verbeeck uit Rotselaar en Jan Lambrechts uit Hoeselt). Voor deze fase trekt Vlaams minister Dirk Van Mechelen in 2008 een premie uit van bijna 237.000 euro. Als kers op de taart krijgt de molen in 2013 het embleem van ‘Actieve Molen’ van het Molenforum Vlaanderen.
Als ik het goed begrepen heb zou in de Watermolen van Rotselaar sinds 2010 weer zowat dezelfde hoeveelheid graan verwerkt moeten kunnen worden als in 1902 na de installering van de turbine. In die tijd staat de capaciteit op 245 zakken elk met 100kg afgewerkt graan per 24 uur of wel 24.500 kg per etmaal. Daar kan je heel wat broden mee bakken denk ik dan. In werkelijkheid wordt er echter nauwelijks gemalen en dient heel de installatie bijna uitsluitend om bezoekers te tonen hoe het er vroeger aan toeging. De molen is geen werkende maalderij maar een museum.

Er wordt wel alle donderdagen brood gebakken in de houtoven in het bakhuis maar het meel komt van andere molens in de omgeving. Op rondleidingen wordt soms een beetje gemalen maar met een klein losstaand boerengemaal met mini molenstenen. De belangrijkste reden is dat het produktieprocedé dat duizend jaar lang beproefd en goed was, in onze tijd door specialisten in ‘Brussel’ en ‘Europa’ niet meer aanvaard wordt door de wetgeving op de voedselveiligheid. Blijkbaar gaat het vooral om de hygiëne waarbij onder meer etenswaren niet meer in een houten machinerie mogen worden verwerkt. Alleen voor puur demonstratieve doeleinden mag er bij wijze van ‘uitzondering’ gemalen worden maar dan mag het gebakken brood niet worden verkocht.
Bovendien leidt onregelmatig gebruik van de stenen en andere machines tot overdreven schoonmaakproblemen.

Ik heb dit verhaal ook al gehoord van molenaars in andere molens en als het waar is vind het geen goede zaak. Zo verspillen we menselijke inspanningen, gepassioneerde inzet, professionele kennis en ook een massa geld want je hoeft toch niet een heel machinepark volledig te restaureren als je er daarna alleen maar mag naar kijken? Tegelijkertijd zie ik toch ook wel veel molenaars malen op contract, bij monumentendagen, open deurdagen en andere gelegenheden. Volgens mij is er dus nog een uitdaging voor de toekomst: hoe kan deze molen en alle andere molens die al gerestaureerd zijn of worden, opnieuw op ambachtelijke (kleinschalig) wijze voor ons hoogwaardig dagelijks brood zorgen? Voor de rest is heel dit project natuurlijk een fantastisch verhaal. De molen produceert groene stroom en is het centrum van Ecopower. Op de website vind je alle informatie over talloze sociale en culturele activiteiten en wat er daar allemaal zo bij komt kijken. Binnenkort is het opnieuw molenfeesten en ik denk dat het de moeite waard is om dan een bezoekje aan de molen te brengen. Ik kom hier zeker nog terug.

De Watermolen van Rotselaar speelt een zeer belangrijke rol voor de waterzuivering. De Dijle heeft in Rotselaar een stroomsnelheid van ongeveer 5 kubieke meter per seconde. Tussen Leuven en Rotselaar daalt de rivier van 12m40 naar 10m00 op een afstand van slechts enkele kilometers. In de molen merken ze dat de Leuvenaars hun rivier al eeuwenlang beschouwen als de geregelde vuilnisdienst want ze gooien er nogal wat in zoals plastic flessen, glas, blik, meubilair, matrassen, Tv’s, ijskasten en diepvriezers. Op een jaar tijd spoelen er ook meer dan 2000 dierenlijken aan van ratten, katten, honden, kippen, konijnen, schapen, geiten, kalveren en zakken met slachtafval. Twee keer haalden ze er ook al een mensenlichaam boven. Dat mag absoluut niet in de turbine komen en om het water proper te maken moet het er gewoon allemaal uitgehaald worden. Er spoelt ook veel hout aan, zowel gezaagd als met de wind in de rivier gevallen al dan niet met hulp van de oprukkende bevers maar daarmee voorziet de molen zich tenminste van gratis brandhout. En dan is er natuurlijk ook al het natuurlijk materiaal zoals takken, bladeren en kroos. Met een grote machine wordt alle dagen 500 kg zwerfvuil opgehaald en dat is alle vijf weken een container vol. Na moeizaam onderhandelen wordt die container weggehaald door en op kosten van de Vlaamse Overheid maar al het ophalen en sorteren wordt door Ecopower gedaan en betaald.
Daarnaast is er een oplossing gevonden voor de migratie van de vissen. Vissen moeten de rivier op en af kunnen en bij molens is dat een probleem als er geen omleidingskanaal ofwel een vistrap is. Naarmate ons water weer properder wordt komt er weer vis op en om die reden legt de Vlaamse Overheid (Vlaamse Milieu Maatschappij) in 2011/12 een vierhonderd meter lange waterbedding rond de molen aan ter vervanging van de eeuwenoude Leibeek die enkele decennia geleden in een buis is gestoken en dus niet meer als vistrap kan dienen. Veel molenaars – vooral op kleine waterwegen – hebben bezwaren tegen zulke vistrappen omdat al dat afgeleide water ten koste gaat van het debiet bij hun molen. De oplossing daarvoor is om aan de vistrap een stuw te plaatsen die gesloten kan worden als de molen te weinig water heeft om te kunnen werken. Het is een mooie vistrap geworden met een natuurlijk uitzicht maar naar mijn goesting is er ter hoogte van de molen zelf te veel beton en koel staal gebruikt zodat het nogal afsteekt tegen de oude gebouwen. Daar zal wel een goede reden voor zijn maar ik houd meer van het gebruik van natuurlijke materialen in zulke omstandigheden. Maar er staan ondertussen ook veel bloeiende planten en zelfs druivenstruiken tegen en dat doet ook al goed.

+++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++
https://www.molenvanrotselaar.be/
+++
https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/200216
(o.m.: technische beschrijving plus inventaris van het machinepark)
+++
http://www.molenechos.org/molen.php?AdvSearch=497
(hier ook veel literatuurverwijzingen)
+++
zie ook: http://ernstguelcher.blogspot.com/ met trefwoorden, watermolen, rotselaar, erfgoed, arenberg, geschiedenis
+++
Molen van Rotselaar
een rondleiding door de molen
+++
https://www.samenhuizen.be/de-molen-van-rotselaar
+++
https://www.ecopower.be/over-ecopower/onze-investeringen/kleine-waterkracht-rotselaar

Trefwoorden: watermolen, energie, elektriciteit, dijle, rotselaar, arenberg, vistrap,
juni 2021
Ernst Gülcher
contact: ernst.guelcher (at) telenet.be

Ik denk dat er weinig voetwegen in Vlaanderen zijn die al een eigen Facebookpagina hebben maar.die van de ‘Vrienden van de Ezelsweg’ in Herent is zeker een.van de meest actieve die ik al gezien heb. Het gaat over een verhaal dat helaas in onze soms ongastvrije op privé-eigendom gerichte streken al te vaak voorkomt. Een eigenaar sluit op eigen gezag om persoonlijke redenen een veel gebruikt en al heel oud wandelpad over zijn grote terrein af met borden ‘verboden toegang’, hekwerk en prikkeldraad en de wandelaars.moeten maar zien hoe ze op een andere manier rond dat terrein heen komen.
Het verschijnsel is van alle tijden maar jammer genoeg worden er meer en meer voetwegen op die manier ontoegankelijk gemaakt en het lijkt er op dat sinds de uitbraak van de COVID-pandemie met het stijgend aantal mensen op zoek naar natuurbeleving, meer en meer eigenaars op deze manier reageren.

Maar tegelijkertijd blijkt dat de wandelaars van nu zich niet altijd meer zo gemakkelijk laten doen en vinnig reageren op de afschaffing van hun geliefde wandeltraject en er zelfs een zaak voor de vrederechter voor over hebben om hun gelijk te halen.
Haal de kaart er even bij en dan zie je dat de Ezelsweg een heel mooie en oude holle weg is aan de oostkant van de woonwijk Schoonzicht in Winksele (Herent) .Die wijk was tot in de jaren zeventig nog deel van het Bertembos en toen kon dat nog maar dat is een ander verhaal. Via de Ezelsweg kan je via dat Bertembos een hele mooie natuurwandeling om die wijk heen maken waarbij je – tot mijn verrassing – nauwelijks huizen ziet. Via die Ezelsweg kan je ook vanuit die wijk onmiddellijk aansluiten op het wandelfietspad richting Leuven-Gasthuisberg en de stad zelf.
Als de Ezelsweg afgesloten wordt kan dat allemaal niet meer en moeten de bewoners (en andere bezoekers) verder maar via de drukke Brusselsesteenweg aan de noordkant zien hoe ze zich verplaatsen. Reden genoeg om mijn en jouw aandacht te trekken en omdat ik graag als voetganger op verkenning ga heb ik op de bijgevoegde kaart het trajectje uitgezet om rond Schoonzicht te wandelen door een heel mooi stuk van Bertembos dat ik zelf nog niet kende.

Hoe oud is die Ezelsweg en waar komen de ezels vandaan?.De Ezelsweg in Herent (Winkele) is volgens mij de oudste holle weg in die omgeving. Op de Villaretkaart van 1745 en de Ferrariskaart van 1777 staat hij er overduidelijk op maar ik vermoed dat er veel oudere kaarten zijn waar je hem ook kan vinden. Hij ligt aan de zuid-west kant van de IJzerenberg. Die heuvel dankt zijn naam aan het feit dat de ondergrond bestaat uit ijzerzandsteen. In feit is dat ook het geval voor het iets verderop gelegen Bertembos. In Bertembos zijn ook holle wegen en sommige daarvan zijn veroorzaakt door vroegere ontginningen van die steen.
Of er ooit een ontginning van ijzerzandsteen is geweest op de IJzerenberg weet ik nog niet. Het zou geprobeerd zijn wordt mij verteld maar nooit een succes geworden. Tegelijkertijd lees ik dat in 1365 de stad Leuven ijzerzandsteen liet aanvoeren vanaf de Rosselbergh (Roeselberg) in Herent voor de fundering van de tweede stadsmuur.

Op de kaart zie je dat IJzerenberg, Mollekensberg en Rosselberg één geheel vormen en ik heb een kaart gevonden waarop vindplaatsen van ijzerzandsteen in die omgeving staan aangeduid. Dat zegt uiteraard allemaal niets over de ouderdom van de Ezelsweg maar omdat hij zo diep is durf ik te vermoeden ik dat hij toen al in gebruik was. Voeg hier aan toe dat Winksele als dorp al in verschillende documenten vermeld wordt vanaf 1133, dan is de Ezelsweg wellicht al zo’n duizend jaar oud.
Er is geen reden om aan te nemen dat hij al die tijd niet door velen gebruikt werd en wellicht – maar dat is een pure veronderstelling – hebben onze voorouders daarbij ezels als lastdieren gebruikt en heeft hij daaraan zijn naam te danken. Op de Villaretkaart is er in die tijd nog bijna niets aan bebouwing en honderd jaar later is dat op de kaart Vandermaelen (1846) en de NGI-kaart van 1873 nog altijd zo. Op die laatste staat de Ezelsweg wel opperduidelijk aangegeven.onderaan het ‘Montagne de Fer’.

Ik doe een beroep op lezers met kennis van de plaatselijke geschiedenis om mijn beweringen te weerleggen of aan te vullen want de ouderdom van een publiek toegankelijk voetpad is belangrijk voor de vraag of je een oeroude verbinding voor je privé-van-nu naar je toe kan trekken en afsluiten voor dat publiek.
De Ezelsweg is een holle weg die waarschijnlijk al zo’n duizend jaar oud is en al die tijd gebruikt is door wie – al dan niet per ezel – van Winksele naar Terbank moest gaan of wie op de IJzerenberg iets moest doen. Sinds de jaren 70 wordt hij door de bewoners van de wijk Schoonzicht gebruikt om een luswandeling te maken door het aan hun huizen grenzende Bertembos.
Van wie er al die tijd de eigenaar van was maakte niemand ooit een probleem. Dat veranderde in 1991 toen de heer Victor Spaes en zijn echtgenote een groot deel van de IJzerenberg, tot dan eigendom van de heer Bruylants, aankochten om er een kunstpark van te maken. Of de Ezelsweg onder aan de helling geheel of gedeeltelijk bij die aankoop was inbegrepen is nog altijd officieel niet uitgemaakt.

Volgens de nieuwe eigenaar staat het zo in zijn plannen maar om de echte waarheid te achterhalen is nader kadastraal onderzoek nodig.
Op zich lijkt het al vreemd dat een zo oude openbare en overduidelijk weg zomaar verkocht zou kunnen worden maar blijkbaar heeft niemand daar in die tijd vragen bij gesteld. In elk geval, de berg werd aan de kant van de Brusselse Steenweg 129 van het huis van de vroegere burgemeester van een toegang voorzien om kunst-tentoonstellingen en soortgelijke evenementen te kunnen organiseren die tegen betaling van een entreegeld bezocht kunnen worden. Bij die gelegenheid kan de bezoeker de kunstwerken ook aankopen.
De nieuwe eigenaar had natuurlijk kunnen weten dat dit aan de kant van de openbare holle weg problemen zou kunnen opleveren maar blijkbaar bleven die de eerste twintig jaar uit, vooral omdat vanaf de Ezelsweg de tenstoongestelde voorwerpen niet te zien waren en onbereikbaar omdat er geen verbinding was naar de hoger gelegen helemaal beboste helling.

In 2016 liet de eigenaar wel een hek zetten aan de ingang aan het fietspad met het doel om mountainbikers te weren.
De eerste tentoonstelling ging door in 2009 (begrijp ik uit de website van de organisatoren) maar in 2018 besloot de nieuwe generatie (Bruno) Spaes echter de zaken ambitieuzer, en professioneel-zakelijker aan te pakken door het oprichten van een VZW IJzerenberg en door de aankoop van enkele percelen aan de overzijde van de Ezelsweg met het doel om ook aan die kant kunstvoorwerpen ten toon te stellen die ook duidelijk vanaf het pad te zien zijn.
Dat was een ferme uitbreiding en sindsdien is het dan ook mis gegaan. In 2019 werd het wegje voor de eerste keer al eens tussen mei en oktober afgesloten. Een groot buurtprotest werd beantwoord met de belofte dat het ‘tijdelijk’ zou zijn.
In 1920 bleef het stil maar dat was omdat vanwege de COVID-crisis er geen tentoonstellingen doorgingen. Wel probeerde de eigenaar van het kunstenpark ‘zijn’ holle weg ontoegankelijk te maken door hem (gelijk de boeren dat op ruwe wijze doen) op te vullen met boomstammen en andere obstakels. Dat was niet verstandig want passanten maakten er prompt sporen omheen en het houtwerk werd door plaatselijke bewoners opzij gelegd.

Ondertussen was er toch door de ‘Vrienden van de Ezelsweg’ een rechtszaak opgestart voor de vrederechter.
Dan zou je verwachten dat tot die tijd alles blijft zoals het is (zo is de wet bij juridische betwistingen) maar in mei 2021 stonden er plotseling aan de twee kanten afgesloten ijzeren poorten afgezoomd met prikkeldraad en strenge verbodsborden. Dat leidde tot publieke aandacht maar ook tot een heftige reactie van kwade onbekenden waarbij vooral het prikkeldraad het moest ontgelden om de weg weer open te maken; de hekken zelf werden niet beschadigd (interessante vraag in moeilijke tijden: ben je een vandaal als je een onwettig geplaatste barrière op je weg openmaakt?).
Sindsdien kan je er weer door en hebben het buurtcomité en/of de gemeente ook fraaie borden gezet om de zaak uit te leggen en om tot een redelijk compromis op te roepen.

Zo’n compromis is natuurlijk niet moeilijk als iedereen van goede wil is. Als de eigenaar aanvaardt dat op de historische holle weg op zijn terrein een erfdienstbaarheid van openbare doorgang rust (dat is heel gebruikelijk) kan het buurtcomité aanvaarden om over die weg een ‘peterschap’ te aanvaarden van onderhoud en toezicht.
De verbinding vanaf de holle weg naar de kunstwerken kan worden afgesloten en de kunstwerken zelf kunnen worden verborgen achter hagen van bosrozen of andere mooi maar stekelig ondoordringbaar struikgewas (overigens is er langs dat pad nog nooit een kunstwerk beschadigd dus je moet de gevaarkans niet opdrijven om je gelijk te bepleiten).
En langs de holle weg kunnen borden gezet worden om de aandacht te trekken van mensen die ook het erboven gelegen park zouden willen bezoeken langs de officiële toegang (en de catalogus aankopen). En als de eigenaar dan ergens over de holle weg een mooie Chinese boogbrug laat zetten om van de ene kant van zijn park naar de andere kant te komen zou toch iedereen tevreden moeten zijn.


En dan kan de eigenaar alle bewoners van Schoonzicht eens uitnodigen op een verzoenings-open deur dag in zijn park in plaats van de zaak uit te vechten met eindeloze rechtszaken waarbij dure advokaten elkaar met juridische haarkloverijen proberen af te troeven om hun ‘eigen gelijk’ binnen te rijven waarbij er vooral verliezers zullen zijn en het kunstpark zeker imago-schade zal oplopen.
Ik vind de koppige houding van de eigenaar in schril contrast staan met het alom geprezen privé-kunstpark van het Whitehouse van Salve Mater in Lovenjoel en ik vind het ook raar dat noch op de facebookpagina, noch op de website van de IJzerenberg er ook maar iets over deze controverse gezegd wordt. Ik vermoed dat de kunstenaars er ook niets over te horen krijgen en ik vraag mij ook af of het in die publiciteit vaak genoemde Museum M wel voldoende geïnformeerd is.
Voor de volledigheid besluit ik deze reportage met een bijdrage over het deel van het Bertembos waar deze wandeling langs gaat. Voor de Schoonzichtlluswandeling moet de Ezelsweg open blijven. Bertembos is een geliefde natuurplek om op stap te gaan vanuit Bertem, Leuven maar ook vanuit de gemeente Herent (Winksele). Ook al om die reden is het Ezelsweggetje een veel gebruikte holle weg.


Dit is zeker zo sinds in de jaren zestig van de vorige eeuw het er aan grenzend deel van Bertembos verkaveld werd tot een villawijk die we sindsdien kennen als ‘Schoonzicht’. Gedane feiten maken geen keer en tegenwoordig is het eeuwenoude boscomplex tegen zo’n ingreep beschermd. Als dat deel van Bertembos tot de gemeente Bertem zou hebben behoord was het waarschijnlijk ook niet gebeurd maar dit perceel ligt juist aan de kant van wat sinds 1977 de gemeente Herent is maar toen nog bij Leuven hoorde.
Tot die tijd bleef Bertembos-Eikenbos-Grevenbos sinds de middeleeuwen min of meer bewaard in de vorm die we vandaag kennen met uitzondering van 18de en 19de eeuwse veranderingen zoals de aanleg van de Bosstraat en nog wat ontbossing aan de kant van de Augustijnerhoeve.
De nieuwe wijk ligt op het vroegere bosperceel ‘Korenmonster’ en ondanks de huizen is de omgeving er nog opvallend landelijk. In het omringende bos staan volgens mij een paar van de oudste bomen van Bertembos. Op je wandeling komen we aan de westkant vanaf de statige dreef met de naam ‘Armenlosweg’ langs de ‘Warotweg’ (op de kaart ook aangeduid als voetweg 66). Het zijn namen waarvan ik nog altijd de betekenis zoek (wie helpt?).

Je gaat daar bovenlangs en uiteindelijk over een diepe vallei die deze wandeling bijzonder aantrekkelijk maakt, ook omdat je daar bomen passeert met bijzondere vergroeiingen. Een ervan – een enorme boskers – heeft de grootse maserknol die ik ooit gezien heb en zou om die reden best de meest kostbare boom van het bos kunnen zijn. Maserknollen zijn hun gewicht in goud waard om te gebruiken als kunstfineer voor kostbare siermeubelen. Maar beter is uiteraard om de boom gewoon te laten staan in de natuur hoewel hij er niet meer zo levend uitziet vrees ik. Ik kom ook nog een reusachtige berkenzwam tegen maar voor de bosanemonen zal ik vroeg in het volgend jaar moeten terugkomen.
De huizen zijn dikwijls dichtbij maar je ziet ze nauwelijks. Op het einde staan de akkers kleurig afgezoomd met margrieten en tenslotte kom ik ook nog een weide met schapen tegen. Dit deel van Bertembos kende ik nog niet maar het is best de moeite waard.

Daarmee rond ik deze reportage alweer even af maar ik beloof om er nog op terug te komen want het gaat tamelijk spannend worden begrijp ik van allerlei berichten op de facebookpagina van de ‘Vrienden van de Ezelsweg’.
+++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++
https://www.facebook.com/EzelswegHerent
IJZERENBERG VZW STAATSBLAD PUBLICATIES en …
www.staatsbladmonitor.be › bedrijfsfiche
12-03-2018
+++
http://heemkundeherent.be/erfgoed-2/
+++

+++
Populaire trage weg dwars door domein kunstencentrum …
www.nieuwsblad.be › cnt › dmf20210506_93873971
6 mei 2021 — De populaire trage weg Ezelsweg in Winksele is sinds afgelopen … de trage weg bevindt zich namelijk op privé-eigendom van IJzerenberg.
+++
https://www.vrt.be/vrtnws/nl/2021/05/06/buurtweg-herent/
Buurtprotest tegen afgesloten trage weg in Herent: “Moet ook op privé-domein toegankelijk blijven”
+++
+++
https://opstapinhetlandvandedijleendedemer.home.blog/?s=bertembos
+++
https://ernstguelcher.blogspot.com/ – zoek op trefwoord Bertembos
+++
https://nl.wikipedia.org/wiki/Warrelknoest (maserknol)

Trefwoorden: Ezelsweg, Herent, Winksele, Schoonzicht, Bertembos, IJzerenberg, toegankelijkheid, voetweg, holle weg,
Juni 2021
Ernst Gülcher
contact: ernst.guelcher@telenet.be


Voor een verkenning van het Pertseveld in de vallei van de Jordaan vertrek je best vanaf de watermolen aan de Mene in Hoksem. Het dorp is sinds 1977 samen met Meldert deel van Hoegaarden. Tot die tijd heette het nog Hoxem en hoorde het gedeeltelijk bij het aan de andere kant van de E40 gelegen Kumtich maar die gemeente werd aan Tienen toegevoegd. Midden in het dorp prijkt de Sint Evangelist kerk samen met de pastorie als beschermd monument. De historische maar weer helemaal in bedrijf zijnde watermolen is ook waardenvol erfgoed en over zijn zeer merkwaardige geschiedenis schreef ik al een aantal bijdragen (zie de link). Met een beetje zoeken vind je aan beide kanten van de molen een weggetje dat je naar de bovenloop van de Mene brengt (zie de kaart).

Zodra je de huizen achter je laat ben ben je onmiddellijk en onmiskenbaar in Natuurpunt-gebied, dat wil zeggen zolang dat je in de laagte van de vallei blijft want zodra je hoger op de helling komt is alles één groot modern grootschalig boerenlandschap van akkers van graan en mais en – in toenemende mate – wel erg grote prozaische voorraadschuren. Klimop ertegen en populieren er rond zou al veel goed doen aan het zicht en de natuur.
Liefhebbers van lange staptochten kunnen van hier helemaal naar Meldert en terug via een bewegwijzerde grote lus die gedeeltelijk vlak langs de rivier gaat door het reservaat maar die aan de overkant een wel erg grote omweg om de noord maakt om via Babelom en de Carolushoeve terug in Hoksem te komen. Er ligt nog een op Atlas van de Buurwegen in 1840 geregistreerde veldweg tussen de Carolushoeve en de Oude Molen aan de Molenbeek maar sinds de boer die ondergeploegd heeft is hij aan het gezicht onttrokken.

Op de tweede kaart toon ik je nog een luswandeling van 6,5km. In deze bijdrage houd ik het bij een kortere lus (4,5km) waarbij we zo dicht mogelijk bij de Jordaanbeek blijven en de er boven gelegen helling met de naam Pertseveld opzoeken. De paden zijn niet verhard maar wel geriefelijk en ook niet al te drassig, vooral omdat je bijna nergens echt in het moerasgebied kan binnendringen Wat ik ook wel een beetje jammer vind want wat heb je aan al dat moois als je er nauwelijks bij kan komen? Gelukkig organiseert beheerder Natuurpunt Velpe-Mene regelmatig gegidste excursies in het gebied.
Pak de wandelkaart er maar bij en dan zie de hoe belangrijk het Pertseveld in Hoksem (Hoegaarden) is voor de natuuronwikkeling in de vallei van de Jordaan en de Mene. Het landschap tussen en op de hellingen van deze twee beken is één groot relief met moerassige weiden, ruigten, broekbossen maar ook droge akkers en een bodem met kalkstenen die hier en daar ook aan de oppervlakte komen. Op de Villaretkaart van 1745 zie je een valleilandschap met kleine weideperceeltjes langs de waterloop met daarboven grotere akkers. Honderd jaar later zie je op de kaart van 1873 nog altijd datzelfde landschap. Nog eens honderd jaar later – we zijn dan in de jaren 90 van de vorige eeuw, ziet het landschap er op de kaart nog altijd hetzelfde uit maar op het terrein heeft de traditionele akkerbouw wel plaats gemaakt voor de machinale landmethoden van nu met toepassing van chemicaliën om de gewassen te doen groeien, aantastingen te voorkomen en ‘onkruid’ te weren.

Maar ondertussen wordt de gemeente Hoegaarden zich volop bewust van de waarde van dit gebied. In een gemeentelijk ‘Tekstboek’ in maart 2012 vind ik de volgende passage: “China en het natuurgebied van Pertseveld. De landbouwgebieden vormen samen met de natuurgebieden de dragers van de open ruimte. De landelijkheid en het open ruimtekarakter staan in de nederzettingsstructuur voorop. Van verstedelijkingsdruk vanuit het stedelijke gebied Tienen of manifeste industriële uitbreidingen in de ruimte rondom de E40 is in Hoegaarden hoegenaamd geen sprake. De aanwezige bedrijvigheid situeert zich in hoofdzaak aansluitend bij de kern van Hoegaarden en staat deels in relatie met de activiteiten van de brouwerij Hoegaarden. Het bedrijventerrein Bleyveld werd aangelegd om de lokale bedrijvigheid (ambachtelijke bedrijven en KMO) ruimte te bieden zich verder binnen de gemeente te laten ontwikkelen. De groengebieden op het gemeentelijke grondgebied komen verspreid binnen de beekvalleien voor.

De voornaamste gebieden zijn Meldertbos, bosgebied Keverlo, het parkgebied van China en het natuurgebied van Pertseveld. Binnen de landbouwgebieden komt nog een aanzienlijk aantal aan kleine landschapselementen voor zoals knotbomen, holle wegen, struwelen en graften“.
Tegen die tijd zijn grote delen van de vallei al in beheer bij Natuurpunt. Het Pertseveld zelf wordt door Natuurpunt Velpe Mene rond het jaar 2000 aangekocht en als akkereservaat ingericht als deel van het project ‘Graan voor Gorzen’. Ondertussen kom na de ruilverkaveling van Hoegaarden die van Willebringen op gang en daar ga ik het hierna even over hebben.

Met de Vlaamse Landmaatschappij als coördinator is sinds het begin van deze eeuw de ‘ruilverkaveling Willebringen’ op gang getrokken als een “geïntegreerd en modern Vlaams plattelandsproject waarbij landbouwverbeteringen gecombineerd worden met de ontwikkeling van natuurgebieden, kleine landschapselementen, erfgoedcomponenten, waterbeheersing, infrastructuur, landelijk wonen en werken” . Het gaat om een grondige herinrichting van de open en landschappelijk gebleven ruimte op het grondgebied van de gemeenten Bierbeek, Boutersem, Tienen en Hoegaarden ter hoogte van de taalgrens, in totaal zo’n 2600ha.
Het spreekt vanzelf dat voor zo’n project er heel wat komt kijken en dat er ook een hele reeks belanghebbenden mee rond de voorbereidingstafel zitten zoals de gemeentebesturen, de boeren maar ook de natuurorganisaties waarvan Natuurpunt de belangrijkste en aktiefste is.

Voor Natuurpunt staan de mogelijkheden op het spel om een hele reeks natuurgebieden uit te bouwen zoals Mene-Jordaan-Willebringenbos-Pertseveld (Willebringen, Meldert en Hoksem), Zegelberg-Wijttebroek- Menevallei (Kumtich en Oorbeek), Snoekengracht-Vondelbeek-Kop van Koutemveld (Vertrijk), Aardgat (Tienen), Molensteen-Velpevallei-Hazeberg (Bierbeek), Meldertbos-Moeras Keulen- Molenbeek (Meldert). In 2011 werd op ministerieel niveau het ruilverkavelingsplan goedgekeurd, in 2013 werden de bestuursorganen voor dat plan opgericht, de jaren daarna worden gekenmerkt door heftige discussie, voorbereiding en gaan er hier en daar werken van start.
Uiteindelijk ligt er sinds 2019 een zeer gedetailleerd door alle betrokkenen aanvaard gedetailleerd ‘structuurplan’ op tafel en zou de echte uitvoering moeten beginnen. Daarbij heeft Natuurpunt, vooral door erg hard te werken in zijn officieel toch maar bescheiden rol als ‘neutrale adviesinstantie’, een uitbreiding van natuurontwikkeling kunnen bereiken voor in totaal 129ha.

Of dat allemaal naar tevredenheid op lokaal vlak zal gerealiseerd worden is altijd meer dan een beetje onzeker want blijkbaar verlopen de onderhandelingen nadien niet erg bevredigend maar alleszins is het erg belangrijk voor de vallei van de Jordaan en de Mene tussen Meldert en Hoksem en voor het Pertseveld en omgeving in het bijzonder.
Het Pertseveld maakt deel uit van de 129ha die de afdeling Velpe-Mene van Natuurpunt toegewezen krijgt in de vallei van de Molenbeek in Hoksem bij de uitvoering van de ruilverkaveling Willebringen. Dat lijkt veel maar het is natuurlijk toch maar een klein deel van de in totaal 2.578 hectare van het hele verkavelingsplan. Bovendien gaat het om gronden waar de boeren van nu niet zoveel mee aankunnen op de hellende valleiflanken van de Jordaan en de Mene en nog enkele beken die daarin uitmonden.

Met de woorden van conservator Pieter Abts: “Het zijn veelal moerassige graslanden of akkers … De nu nog door landbouwers bewerkte percelen zijn agrarisch van minder waarde. Er zit veel kalk en zelfs gobertingenkalksteen in de grond en er is ook veel erosie op de hellende flanken. De beherende boeren kregen elders landbouwpercelen toegewezen. Er was geen bezwaar van boeren om het gebied een bestemming te geven voor natuurontwikkeling. Op de valleiflanken en in de vallei zelf zijn hier en daar al percelen ingenomen door Natuurpunt voor natuurontwikkeling. “Je treft er moerassige en soortenrijke graslanden en broekbossen aan …Typische orchideeën en hondskruid groeien er weer. Elders tref je die nog maar zelden aan. De percelen natuur zijn snippers tussen graslanden en akkers. Het structuurplan biedt de mogelijkheid ze met mekaar te verbinden tot één groot natuurgebied in het Pertseveld met aan de rand het Willebringenbos en de Zegelberg.”

De Zegelberg ligt boven de Mene juist aan de andere kant van de E40. en ik zal in die streek nog eens dringend op verkenning gaan. Op de kaart zie je dathet resultaat is dat heel het valleigebied tussen Hoegaarden, Meldert en Hoksem nu één groot samenhangend natuurcomplex is geworden met naast het Pertseveld de natuurreservaten Rosdel, Meldertbos en de Jordaan. En als je ten zuiden van Meldert de taalgrens over steekt bij L’Ecluse en de Schoorbroekbeek stroomopwaarts volgt naar de Ferme de Wahenge zie je snel dat Natagora daar ook actief is om de natuur te bevorderen.en daarin wel kan slagen op voorwaarde dat dit deel van de vallei niet volgebouwd wordt.
Wat er nu bij de uitvoering van de ruilverkaveling al allemaal door Natuurpunt beheerd wordt en wat nog niet vind ik moeilijk om op de kaart precies aan te wijzen. Natuurpunt doet dikwijls een beetje geheimzinnig over de preciese grenzen van haar grondbezit. Dat is heel begrijpelijk want er wordt voortdurend gezocht naar mogelijkheden om die grenzen uit te breiden en daar komt veel geduld, tact en in stilte onderhandelen bij kijken waarbij discretie ook nodig is om geen ongewenste concurrentie (zoals paardenliefhebbers en jagers) aan te trekken.

Maar op het terrein zie je het verschil overduidelijk tussen de grootschalige kale maisakkers, wuivende graanvelden en eindeloze richels met aardappelplanten en zeeën van suikerbieten aan de kant van de landbouw en met houtkanten afgezoomde bloemrijke en soortenrijke weiden afgewisseld met kleine akkertjes aan de kant van de natuur.
Nu we met de onweders van de laatste dagen weer aan alle kanten modderwater over de straten en in de kelders zien stromen geven we er ons rekenschap van dat die manier van natuurbeleid niet alleen goed is voor de biodiversiteit maar ook dient om massale erosie tegen te gaan in de vorm van leem die van de kale grond tussen de gewassen van de helling wordt meegesleurd en de beken en grachten doet overstromen door dichtslibbing en die ook de rioleringen sneller verstopt dan dat de gemeentediensten ze kunnen leeghalen. Bovendien komen met die leem ook behoorlijk wat plantverdelgers en sproeistoffen tegen insecten en andere ongezonde stoffen mee wat niet bevorderlijk is voor de kwaliteit van het drinkwater en ook de plantenwereld bederft. Om dit te voorkomen heeft een landschap structuur nodig dat grond en water ‘buffert’ en in de Jordaanvallei zie je op stap op de boven elkaar liggende plateaus met graften heel goed hoe zoiets er dient uit te zien.

En hoe breder die buffer is hoe beter en dat er op de duur meer nodig is dan alleen de hellingen van de smalle vallei kan je ook voorstellen. Ook het niet-betonneren van veldwegen hoort daarbij want elke verharding in het landschap doet het slibverzadigde water met sneller wegstromen naar plaatsen waar je het niet wilt hebben.
Op de helling zie je dat de weiden van Natuurpunt niet allemaal in een keer kort gemaaid worden maar dat er overal cirkels en vierkanten zijn waar het lange gras nog staat. Dat dient om alle planten te behouden die het moeten hebben van de bloei om zich voort te planten maar ook om vogels, vlinders en andere insecten de kans te geven zich te handhaven.

Om het uitsterven van akkervogels tegen te gaan ontwikkelt Natuurpunt Velpe-Mene op het Pertseveld sinds 2002 het project ‘graan voor gorzen’ en om die reden worden kleine perceeltjes ingezaaid met graan en zelfs mais. Daarover zal ik het in een latere bijdrage nog wel eens hebben.
Om dit hoofdstuk af te sluiten nog dit voor wie zich afvraagt hoe het Pertseveld aan zijn naam komt. Naar verluidt zouden de hellingen hier in het verleden beplant geweest zijn met druivenstruiken en werden die in opdracht van de Heren van Meldert tot wijn geperst. Wie daarover meer weet is erg welkom om er mee voor de dag te komen.

+++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++
https://www.natuurpunt.be/afdelingen/natuurpunt-velpe-mene
+++
https://ernstguelcher.blogspot.com/ zoek op trefwoord Hoksem en/of watermolen
+++
Parochiekerk Sint-Jan | Inventaris Onroerend Erfgoed
https://inventaris.onroerenderfgoed.be › …
+++
https://www.vlm.be/nl/projecten/vlm-projecten/willebringen

+++
Plan-Milieueffectrapport Ruilverkaveling Willebringen Niet …
https://mer.lne.be › uploads › merntech283
+++
uur van de waarheid – Natuurpunt Oost-Brabant
http://www.natuurpuntoostbrabant.be › docs › PDF
+++

http://www.velpe-mene.be/nbhoegaarden.htm
+++
+++

Trefwoorden: Pertseveld, Jordaan, Hoksem, Mene, Molenbeek, Hoegaarden, Natuurpunt Velpe-Mene, Willebringen, ruilverkaveling, natuurbeheer, erosiebestrijding,
mei 2021
Ernst Gülcher
contact: ernst.guelcher@telenet.be

De streek van Court St.Etienne in Waals Brabant ten zuiden van Ottignies biedt heel veel mogelijkheden om tochten te ondernemen op zoek naar mooie natuur en indrukwekkend erfgoed. Zoals je op de bijgevoegde kaart kan zien neem ik op deze luswandeling van ongeveer 6 km lengte als vertrekpunt de gratis parkeerplaats onder aan de afrit van de N25 naar Beaurieux. Ik ga onder het viaduct over de Orne door en sla dan rechtsaf het bospad in. Op de kaart heet het bos Bois de Lausau maar het is beter bekend als het ‘Bois de la Quenique’ omdat er prehistorische grafheuvels gevonden zijn en die gaan we ook zien.
Het bos zelf is privé-bezit zoals alle bossen in de streek. Het is echter niet rechtstreeks van de familie Boël maar van de aanverwante familie Goblet-d’Alviella. Dat wil zeggen dat er zoals altijd veel paden zijn maar slechts enkele waar je als gewone sterveling langs mag en de weg wijst zich dus eigenlijk vanzelf. Na een kwartiertje stappen boven het moerasvalleitje in het geluid van de autoweg stijgen we linksaf het bos in op weg naar die grafheuvels.

Vandaar dalen we af naar Court St.Etienne en komen aan het Parc Goblet opnieuw aan de Orne. In dat park komt dat riviertje aan op la Thyle maar jammer genoeg kunnen we daar niet bij want hoewel de eigenaar van het park de burgemeester van het stadje is houdt hij zijn mooie domein voor het publiek gesloten. Van hier kan je langs de voormalige watermolen rechtstreeks terug naar Beaurieux. In feite zou er hier een heel mooi voetpad langs de Orne kunnen zijn maar aangezien dat er niet is moet je een eindje langs de smalle autoweg en dan kan je het fietspad volgen.
Op deze wandeling zoek ik echter Chemin 24 op die recht naar het zuiden gaat, passeert langs het Chateau de Beau Regard en dan kruist met Chemin 9 (de Nivelles). Via die laatste steken we de N25 over en gaan dan via de Chemin nr.12 noordwaarts richting Beaurieux (al die ‘chemins’ en ‘sentiers’ staan op de kaart aangegeven). Onderweg komen we de ‘pierre qui tourne’ tegen maar daar ga ik nog meer over vertellen.

In Beaurieux raad ik je absoluut aan om de Ferme en de Moulin te bezoeken. Over beiden maakte ik al enkele reportages (zie de link). Alles bij elkaar is dit een gemakkelijke wandeling met enkele hellingen, veel afwisseling en ondanks de nabijheid van de snelweg nog tamelijk rustig.
Court St.Etienne – bois des Queniques. Als je het niet weet zie je ze niet maar langs je pad staan tussen de dennenbomen tientallen prehistorische grafheuvels uit de ‘Nieuwe Steentijd’ (2600 – 1600 voor onze jaartelling), het Bronzen tijdperk (1600-650), de eerste IJzertijd (de ‘Hallstatt-cultuur van 800 – 400) en de tweede IJzertijd (de Kelten – la Tène, 450 – 51). Sinds het einde van de 18de eeuw is er op deze plek al van alles opgegraven waarbij er heel veel vernietigd en geplunderd is.

Zelfs sinds het begin in de 20ste eeuw van systematische archeologische opzoekingen op initiatief van Graaf Eugène Goblet d’Alviella is er door het gebruik van onaangepaste graaftechnieken en vooral door een overgrote focus op voorwerpen zonder belangstelling voor de cultuur waarin ze pasten, te weinig kennis van deze vroege beschavingen verzameld. Maar de vele in die tijd en nadien ontdekte voorwerpen zoals vuurstenen bijlen, pijlpunten, krabbers, sierraden, wapens, harnassen, paardentuigen en gebakken aardenwerk worden nu nog altijd bewaard in het Koninklijk Museum voor Kunst en Geschiedenis in Brussel.
Al die voorwerpen dienden om de overledenen te vergezellen naar het hiernamaals. Men heeft in de omgeving van de Ferme Rouge langs de Rue de la Quenique omvangrijke velden gevonden met netjes gerangschikte urnen met gecremeerde menselijke resten zo’n veertig centimeter onder het maaiveld waarbij de grafheuvels soms dienden voor de hele nederzetting en dan weer om vooral de leidende klasse bij te zetten. Het moeten omvangrijke nederzettingen zijn geweest waarbij de culturen – van pro-keltisch tot keltisch en van vreedzaam boerenvolk tot een volk van krijgslieden – in elkaar overliepen totdat ze rond het begin van de jaartelling door de Romeinen werden weggevaagd.

Ondanks uitvoerig eigentijds onderzoek weet men er blijkbaar eigenlijk nog altijd niet heel veel van behalve dat de streek heel geschikt is om zich te vestigen vanwege zijn steile en zanderige hellingen, verre uitzichten maar ook door de aanwezigheid van vruchtbare leemplateaus en diepe beekvalleien waar de mensen hun water konden halen. Omdat je op het terrein er niets van ziet stel ik voor dat de gemeente hier eens een geillustreerd infobord zou zetten.
Over de betekenis van het woord Quenique vertelt Le Patrimoine Stéphanois ons dat “La Quenique doit provenir du mot dialectal « quinique » qui signifie « caillou » (steen). Il proviendrait soit de la présence de cailloux dans les sables formant le sous-sol du plateau ou de celle de nombreux outils de silex, vestiges des tribus paléolithiques et néolithiques qui l’ont occupé”.
Vanaf de grafheuvelsite op het hoge plateau gaan we door een diepe holle weg naar beneden in de richting van het stadscentrum. Hier komen drie rivieren samen, la Dyle, la Thyle en de Orne. Wellicht haalden de mensen van vroeger hier hun water en gingen ze daarvoor langs onze holle weg, wie zal het zeggen? Hier moet ooit nog een kapelletje gestaan hebben hoewel het op geen oude kaart staat aangegeven. Maar meer dan enkele resten is er niet meer van te zien.

Verscholen in het bos van de familie Goblet schemeren hellingafwaarts mooie vijvers en de contouren van een kasteel maar daar kunnen we niet naar toe.
Beneden aan de helling komen we uit op de Rue de la Tienne en even verder aan een hek met daarachter een dreef met monumentale moerascipressen. Aan onze rechterkant staat een hoge en lang muur met daarachter het parc Goblet. In dat park komen de Orne en La Thyle samen zegt de kaart maar dat is onbereikbaar buiten ons zicht.

Voor één keer pak ik Wikipedia er eens bij: “De bewezen stamreeks begint met Albert Jean Goblet die in 1719 in Avesnelles overleed en wiens dochter op 28 oktober 1668 werd gedoopt, eerste vermelding van dit geslacht. Op 21 april 1838 werd Albert Goblet (1790-1873) door koningin Maria II van Portugal verheven tot graaf d’Alviella, nadat hij als buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister van België aan het Hof te Lissabon in 1837 naar Portugal was getrokken om de koningin van raad te voorzien. Op 20 november 1838 werd hij ingelijfd in de Belgische adel onder de naam Goblet d’Alviella met de titel van graaf voor alle mannelijke afstammelingen. Hij werd de stamvader van de Belgische adellijke familie Goblet d’Alviella die ministers en andere bestuurders voortbracht. Door het huwelijk van zijn achterkleinzoon Félix met Eva Boël (1883-1956), dochter van senator Gustave Boël, ging de familie tot de rijkste families van België behoren met veel grond in Court-Saint-Étienne waar een afstammeling burgemeester is.”
Voor mij niet gelaten tijdens de boswandeling maar eigenlijk begrijp ik niet dat je als gekozen burgemeester (Michel Goblet d’Alviella) vandaag de dag nog alle bossen en parken in je gemeente als afgesloten privéterrein van je familie beschouwt en je zowat tienduizend mogelijke kiezers het moeten stellen met een paar wandelpaden er tussen door.

Hierna steken we aan de Moulin d’Haut de Orne over en gaan zuidwaarts richting Château Beau Regard. Vanuit het Bois de la Quenique zijn we aangekomen aan de achterkant van het Parc Goblet en staan we nu aan de brug over de Orne aan de Rue de Beaurieux. Het opvallende witgegeschilderde gebouw aan de oever is de voormalige Moulin d’Haut. Het niet zo’n heel oude watermolen. Ik vind hem na enig zoekwerk voor de eerste keer op de ‘Carte du Dépôt de La Guerre’ van 1865 en volgens Molenechos is het een korenmolen geweest van voor 1880 met een bovenslag waterrad. Het rad is er niet meer maar het molenhuis zie je nog altijd boven de rivier. De binneninstallatie is verwijderd, het gebouw is niet beschermd, er is geen molenaar en het is niet toegankelijk tenzij je je auto er wil laten repareren want het is nu een garage. Daarvoor was het blijkbaar een tijd in gebruik als het gemeentelijk slachthuis.

Aan de overkant van de rivier staat ook nog de hoeve die er ooit bijhoorde maar ik begrijp dat die zal worden afgebroken om plaats te maken voor woningen. De bomen op het perceel zijn al gekapt. Heel blij word ik daar niet van en dus ga ik maar snel verder naar het zuiden langs een mooie groene holle veldweg (Chemin 24). Het mooie rose landhuis aan de rechterkant bevindt zich op het domein de Beauregard en om er meer over te weten kom ik al weer terecht bij de familie Boël: “Cette luxueuse demeure entourée d’un parc de 8 hectares est également située à Court-Saint-Etienne, pas loin du Chenoy. Elle est habitée aujourd’hui par Jacques Boël, son propriétaire. Jusqu’en 1975, elle l’était par son père Max (1901-1975) qui, ingénieur agronome et forestier, était le super-régisseur du Chenoy” (zie de link).
Op de kaart van 1989 zie je de contouren van het mooie domein zeer duidelijk. Maar zoals overal in deze streek is het voor de gewone sterveling-natuurliefhebber afgesloten met grote hekken en dus gaan we maar verder. Bij de kruising met de Chemin de Nivelles gaan we naar links richting van het geluid van de N25.

Na het tunneltje onder de weg komen we door een mooie holle weg terecht aan een beetje merkwaardige wand van kleine stenen met daartussen op de grond een grote zandsteen met een bord erbij dat je vertelt dat deze steen ronddraait als tijdens de kerstnacht in de kerktoren van Court St.Etienne de klok van twaalf slaat. Hoe oud dit verhaal is, of iemand de steen ooit heeft zien draaien en waarom dat nu precies gebeurt met kerstmis kan ik nergens vinden maar enig opzoekingswerk leert dat blijkbaar op veel plaatsen in Wallonië en Frankrijk eenzelfde verhaal de ronde doet, zeker als er toeristen in de buurt zijn.
De archeologen zijn het er ook nog niet helemaal over eens maar het lijkt toch waarschijnlijk dat deze brok van vier ton, na door de natuur te zijn achtergelaten door water of ijs, in de oude tijden door onze voorouders in de oude steentijd naar hier gebracht werd (op rollende boomstammen) als een dolmen of megaliet om rechtopgezet op een bijbehorende kleinere steen rituele plechtigheden te houden. Dat zou kunnen passen in het vermoeden dat deze holle weg al van heel oude datum is, zeker al lang voordat er nog maar iemand gehoord had van kerstnachten en zo en de kerkklokken ook nog niet waren uitgevonden. Een lezer vertelt me trouwens dat hij uit ervaring weet dat je vanaf de steen Court St.Etienne niet kan zien en de klokken niet hoort. Maar aangezien stenen toch geen ogen en oren hebben kan dat niet echt een probleem zijn denk ik.

Wel is het zo dat eind december de dagen weer langer beginnen te worden en dat is sinds de oudste tijden altijd overal gevierd in onze streken. Ik vind er niets over maar ik veronderstel dat deze wisseling van het seizoen wellicht de aanleiding is voor de mythe van het draaien van de steen hoewel ik ook een verhaal vind over de aanwezigheid van een schat onder zo’n steen die alleen gezien kan worden tijdens het draaien (maar als je die dan probeert te kapen krijg je de steen op je hoofd). De steen lag blijkbaar vroeger op de akker boven de weg en de huidige opstelling dateert van 2017. Op oude foto’s ziet ‘La Pierre qui Tourne’ (en Wallon ‘el pîre qui toûne’) er wel veel natuurlijker uit, nu vind ik het nogal kaal en weinig fotogeniek en het infobord maakt je niets wijzer.
Een lezer uit Mont Saint Guibert stelt zich de vraag hoe de druïden van vroeger precies wisten waar ze zo’n vanop afstand aangevoerde loodzware heilige steen rechtop wilden zetten en komt voor de dag met de theorie van Ernst Hartmann en Manfred Curry.

Volgens hen wordt deze besluitvorming bepaald door een aanvoelen van botsingen tussen de elektromagnetische golven van onze planeet aarde op bijzondere ondergrondse plekken waaraan dan door de ouden mythische eigenschappen werden toegekend. De theorie heeft fanatieke aanhangers maar stuit op evenzoveel sceptisme bij moderne wetenschappers die echter het tegendeel ook niet kunnen bewijzen noch een betere verklaring hebben kunnen geven in deze zaak die in het stenen tijdperk toch van vitaal belang moet zijn geweest. Overigens zijn veel van de latere tempels, kerken en kruisbeelden gebouwd op plekken waar zulke stenen stonden dus er moet toch iets van ‘vibratie’ te merken zijn geweest.
We laten het stenen tijdperk met rust en vervolgen onze weg naar het mooie dorp Beaurieux met zijn middeleeuwse ‘ferme’ en ‘moulin’ en nog een handvol bezienswaardigheden. Om die te leren kennen verwijs ik je echter naar de reportage die ik hierover al eerder maakte (zie de link bij deze tekst).

+++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++
http://www.patrimoine-stephanois.be/wp/
+++
http://www.patrimoine-stephanois.be/wp/les-promenades-2/
+++
Nécropoles celtes – Le Patrimoine stéphanois
http://www.patrimoine-stephanois.be › …

+++
+++
http://vandervaart-verschoof.com/archeology/findsfriday/court-st-etienne-la-ferme-rouge-tombelle-4/
+++
Mariën, M.-E., 1958, 142. Trouvailles du Champ d’Urnes et des Tombelles hallstattiennes de Court-SaintEtienne (Monographies d’Archéologie Nationale 1), Brussels: Musées Royaux d’Art et d’Histoire.
+++
https://www.molenechos.org/molen.php?nummer=1346 Moulin d’Haut

http://www.frerealbert.be/fortunes/boel/le-patrimoine-immobilier-des-bol/
+++
La Pierre-qui-tourne ou « el pîre qui toûne » – Le Patrimoine …
http://www.patrimoine-stephanois.be › …
+++
https://fr.wikipedia.org/wiki/R%C3%A9seau_Hartmann
Réseau Hartmann – Bienvenue dans le monde des Pierres
https://www.lithomaria.eu › reseau-…
+++
https://www.blogger.com/ zoek op trefwoord: beaurieux, court st.etienne

Trefwoorden:
Court St.Etienne, Beaurieux, moulin, moulin d’haut, château beauregard, boël, goblet d’alviella, tombelles, bois de la quenique, la pierre qui tourne,
mei 2021
Ernst GÜLCHER
contact: ernst.guelcher (at) telenet.be

In Leuven-Heverlee kent iedereen uiteraard de Abdij van Park maar wist je dat die abdij – en zekers de vijvers ervan – zowat de achtertuin zou kunnen zijn van een statig maar tussen alle huizen niet voldoende opvallend oud gebouw aan de Oude Geldenaaksebaan nummer 85 op minder dan honderd meter rechts van de Leeuwenpoort aan de Molenbeek? ‘Den Inghel’ was in 1102 de oudste brouwerij in het gehucht Vinckenbosch in de streek van Leuven.
Dat gehucht – tegenwoordig een nogal drukke stadswijk – was in die tijd nog lang geen deel van de stad en de abdij bestond ook nog niet. Over die vroege geschiedenis vind ik niet veel behalve dat de brouwerij onafhankelijk was van de latere abdij maar ook van de heren van Heverlee tot in de tijd van de Hertog van Arenberg. Eigenlijk wist ik niet dat dit kon in die tijd.

In 1584 brandt hij af met de rest van het gehucht – in die tijd waren de gebouwen in Vinckenbosch van hout – en hoe hij er tot die tijd kan hebben uitgezien weten we alleen van een oude figuratieve kaart van 1617 waar het gebouw is afgebeeld maar er wel uitziet als met bakstenen gezet.
Volgens ‘Leuven van Weleer’ wordt hij “in 1672 terug opgebouwd door abt Libeer de Paepe, deze keer als brouwerij van de Parkabdij. De voorheen onafhankelijke brouwer was vanaf dan pachter … Het bruine en blonde Parkbier wordt nog steeds in licentie gebrouwen (in Ierland) en is te koop bij de Aldi”.
Op de Villaretkaart van 1745 en andere kaarten zie je de brouwerij overduidelijk aangeduid op zijn huidige plek en wat mij opvalt is dat in die jaren het landschap nog erg landelijk geweest moet zijn met een kronkelende beek, heel weinig omgevingsbebouwing en de drukke stad nog altijd op flinke afstand. In die tijd is het geheel opperduidelijk een deel van het Parkdomein.
Als je heel goed kijkt zie je het jaartal 1672 nog ingebeiteld boven de boogpoort op het binnenhof en ook heel duidelijk onder de poort onder het ronde venster met het wapen van Leuven tussen de hoge vensters aan de straat.

In dat jaar werd en wordt nog altijd de brouwerij omringd door 17de eeuwse gebouwen zoals de voormalige wasserij van de Parkabdij op de hoek van de Abdijdreef en het voormalige Sint-Jorishof aan de overkant (nu de Sint-Norbertusschool tot en met Garage Albert). Over de oorsprong van de naam Ingel’ of ‘Engel’ (al dan niet met een ‘h’ ertussen) heb ik nog niets gevonden.
Over de oudste geschiedenis van Den Inghel blijkt toch iets meer bekend te zijn dan wat blijkt uit de publieke informatie. In de voorbereiding van de restauratie hebben de huidige eigenaar Bart Viaene en zijn echtgenote een zeer degelijke archeologische studie laten maken die hoofzakelijk technisch is maar toch een tipje van de sluier oplicht.

Op grond van nooit gepubliceerde gegevens van de voormalige archivaris van de Parkabdij Felix Maes zou er zeker in 1303 al een ‘broucamme’ gestaan hebben met ene Walter van Lier als brouwer. Die groeide later uit tot herberg “de Enghel”. Brouwerij en herberg waren samen met het omringende gehucht Vinckenbos en de nabijgelegen pachthoeve van de abdij vele jaren het onderwerp van processen tussen de Parkabdij die de heerlijkheid Vinckenbos bezat, de heren van Heverlee en de stad Leuven.
Die strijd eindigde rond 1584 toen het hele gehucht met inbegrip van de brouwerij afbrandde in het geweld van de opstand van de Nederlanden tegen Spanje. Pas na het einde van de tachtigjarige oorlog kon de wederopbouw beginnen.
In 1643 liet abt Jan Maes de ruïne van de abdijhoeve afbreken maar pas dertig jaar later zag onder abt Libert De Paepe bovenop de blijkbaar bewaarde kelders van de oude Camme de nieuwe brouwerij het licht.

Vanaf daar put ik opnieuw uit ‘Leuven Weleer’: “Het bierbrouwen in pacht duurde niet lang, en Den Inghel kreeg dan ook alras verschillende functies: postkoetshalte (zoals ook De Keizer op de Tervuursesteenweg, De Oude Kantine aan het Arenbergkasteel en De Mol op de Tiensesteenweg), hotel voor het laag volk en het vrouwvolk dat niet mocht overnachten in de abdij als de stadspoorten gesloten waren, kazerne, huis van de rentmeester van de hertog van Arenberg, hospitaal voor trekpaarden, coöperatieve bakkerij Perfecta, viskwekerij/vijverwerken gebroeders Basiel en Antoon Bellefroid, studentenkoten en – de laatste twintig jaar – uiteindelijk voor het eerst: woon-erf.”
Den Inghel aan de Geldenaaksebaan in Heverlee werd gebouwd als fabriek en is zeer lang in gebruik gebleven voor industriële doeleinden waarbij de woonfunctie duidelijk secundair was. De site is pas sinds halverwege de 20ste eeuw in gebruik en gerestaureerd als een privé-woonst.

Over dat industriële verleden vind ik eigenlijk bijzonder weinig details terug maar ik denk dat dit aan het internet ligt of dat er nog altijd van alles verborgen is in druk uitgegeven teksten en in ongeopende archieven (bijvoorbeeld die van de stad Leuven en van de hertog van Arenberg).
In Leuven Weleer staat een mooie foto van 1913 met de zaakvoerders, de koetsen en de paarden van Volksbakkerij Perfecta die in die tijd in het gebouw gevestigd was. Hoofdstuk III van een recente studie over de ontwikkeling van de voedingshandel in Leuven tijdens tweede helft van de 19de eeuw vertelt dat de bakkerij en vooral de droge voedingssector in totaal in tussen 1860 en 1910 opmerkelijk toenamen.

Auteur Wim Lefrebvre haalt uitvoerig een boek of artikel aan van ‘Hermans – La Boulangerie à Louvain’ waarin staat dat vanwege het toenemende aantal inwoners en door de kleinschaligheid er in 1904 zes broodfabrieken in bedrijf zijn, twee nogal groot (‘de Proletaar’ van de socialisten en ‘het Volksgeluk’ van burgemeester Vanderkelen) en vier wat kleiner. De bakkerij Perfecta stamt ongeveer uit die tijd (maar het preciese jaartal ontbreekt) en of deze bakkerij bij die zes gerekend wordt weet de auteur niet.
Over het reilen en zeilen van deze bakkerij vind ik alleen enkele zaken in de hieronder vermelde ‘Archeologische studie’ van 1993: Perfecta is voor WO-I gesticht als een samenwerkende maatschappij en “Henri Everaerts, bijgenaamd ‘Hanke Perfecta’ (Henke?), nam er het beheer waar. Men beschikte over moderne machines, zoals de kneedmachine … om massaal brood, koeken en wafels te bakken. Toch ging de zaak omstreeks 1929 over de kop”.
De eigenaar woonde in het gebouw en heeft zeer belangrijke verbouwingen doorgevoerd, vooral aan de achterzijde om zijn grote machine te plaatsen en heeft daar ook een apart ovengebouw laten zetten. Veel (alles?) daarvan is teniet gedaan door restauratie in 1936 (Bellefroid-periode) en de archeologische studie wijdt hier grote aandacht aan.

Op oude foto’s zie je echter nog goed hoe het er in die tijd uitzag. Die foto’s werden door de heer H.Uytterhoeven aan eigenaar Bart Viaene gegeven en met zijn toestemming (dank!) laat ik ze je in deze bijdrage allemaal zien. Hierna vertel ik over de viskweek en de onder puin bedolven kweekbassins.
Den Inghel in Heverlee trok na de faling van de volksbakkerij Perfecta in 1929 de aandacht van de familie Bellefroid. Over hen ga ik het in een volgende reportage nog eens hebben want in het Leuvense en ver daarbuiten staan zij bekend als kwekers van zoet watervis en waren ze bijna overal in dit deel van de Dijlevallei de eigenaars en dikwijls ook de aanleggers van de vijvers.
Rechts van de dreef valt het begin van de eerste abdijvijver op. De eerste en de tweede vijver dateren uit de 14de eeuw, de derde en de vierde werden eind 17de eeuw gegraven op initiatief van abt Filip van Tuycom.

De uitgestrekte vijvers (ongeveer 13 ha) voorzagen de kanunniken tijdens de talrijke vastendagen van de nodige zoetwatervis. In de 19de en de 20ste eeuw verhuurde Park de vijvers aan viskwekers. Vandaag wordt het vijvergebied met zijn talrijke natuurlijke bronnen gebruikt voor waterwinning.
Om de vis te ‘oogsten’ moesten de vijvers periodiek drooggelegd worden om de spartelende dieren in de modder bijeen te rapen. Het moet hard labeur geweest zijn, vooral in de winter als het vroor. Vis – vooral karpers – werd opgekweekt in ‘vivaria’ – dat zijn bassins en daarna uitgezet in de grote vijvers. Op oude kaarten zie je zulke bassins nog naast de eerste grote vijver ten zuiden van de kapeldreef maar tot 1800 ook heel duidelijk op een sindsdien verdwenen zijarm van de Molenbeek naar de ‘Kapelbeemd’, dat is het afgesloten bosje links van de kapeldreef tegen de spoorweg, nu aangeduid als ‘kwelwatergebied Abdij van Park’.

De gebroeders Antoon en Baziel Bellefroid kochten Den Inghel in 1933 om het gebouw te restaureren tot een deftig woonhuis en op de vijvers een viskwekerij op te zetten (of ze die huurden of kochten weet ik nog niet). Ze braken de bakkerij af en maakten de veranderingen aan de achtergevel ongedaan.
Bart Viaene: “De familie Wellens-Bellefroid baatte de karperkwekerij nog uit tot aan de val van het IJzeren Gordijn, toen Polen en Tjecho-Slovakije de markt voor zoetwatervis veroverden. Die markt was echter al fel gedecimeerd in de tweede wereldoorlog : de grootste afnemers van karper waren immers de joden! Onder de verflagen van de achterdeur van “Den Inghel” kwam bij schilderwerken de ingekraste tekst tevoorschijn : <slecht leesbare naam> : JUDE!” waaruit kan worden afgeleid dat het leveren aan de Joodse gemeenschap door de Duitse bezettende macht niet werd gewaardeerd maar of het echt tot moeilijkheden heeft geleid weet ik niet.
De koppen van Baziel en Antoon staan (mét Lakense pet) gebeeldhouwd onder de sier-schoorsteenmantel in het gebouw. In Heverlee herinnert men zich nog dat je voor speciale gelegenheden aan Basiel Bellefroid mocht vragen om een een half uurtje op de vijver te roeien.


Jammer genoeg zijn echter ondank fel lokaal protest de door de Bellefroids aangelegde vivaria verdwenen onder het asfalt van de bezoekersparking. Op de NGI kaart van 1989 zijn ze te zien en samen met het moerasbosje in de Kapelbeemd maken ze dan al deel uit van het statuut van beschermd landschap rond de Parkabdij.
Het voorstel van bewoners van de Geldenaaksebaan – ook sterk verontrust om nog eens meer auto’s in toch al veel te drukke straat – om de zone tot een eigentijds natuurbelevingsgebiedje te hervormen en die parking aan de leggen op de nabijgelegen Philipssite (met de brug over het spoor) stuitte op een veto van de Lodge, de uitbater van de gerestaureerde watermolen. Met een speciaal RUP is de Leibeek verlegd, de historische waterregeling opgebroken en zijn de bassins opgevuld met bouwpuin. Om overstromingen tegen te gaan zou er tegenwoordig veel meer water uit de vijvers gewonnen worden dan vroeger waardoor het landschap dan ook ferm droger geworden is dan voorheen (zeggen mensen die het kunnen weten in de omgeving).

Den Inghel is sinds 1994 officieel beschermd als monument. Het erfgoeddossier bevat een minieme beschrijving maar (nog?) geen info over geschiedenis wat jammer is omdat uiteraard sinds de (her) bouw in 1672 de omgeving wel heel erg veranderd is. Die bescherming omvat het hoofdgebouw met inbegrip van de oude paardenstallingen die ook al dateren uit de tijd van Abt De Paepe. Dankzij lezer Jan Hollevoet kan ik je een figuratieve kaart laten zien van 1617 waarop je Den Inghel en omgeving ziet staan. Merk op dat het dus gaat om een beeld uit de tijd dat het gebouw en de rest van Vinckenbos afbrandde en wederopbouw nog niet in zicht. Nog een kaart, maar dan uit 1769 toont de hele site waarbij Den Inghel duidelijk een deel is van het Parkdomein en je ook de vivaria (visvijver) in de kapelbeemd opperduidelijk ziet.
Bij de bescherming van een privéwoning als monument zijn er onvermijdelijk discussies over de restauratie, de herbestemming en het bewaren van de authenticiteit (nog afgezien van de vraag wie dat allemaal gaat betalen). Juist toen Bart Viaene en zijn huisgenoten het gebouw aangekocht hadden kregen ze te horen dat het als monument beschermd zou worden en dat ze er dus niets meer aan mochten doen zonder uitdrukkelijke toestemming.

Gelukkig was het gebouw al een woonhuis geworden dus er kon niet meer geëist worden dat het een industriële vestiging zou blijven. De vernieuwing van de vensters zorgde voor enige problemen maar dankzij de vastberadenheid en de inspanningen van de bewoners/eigenaars en met de hulp van de zeer uitvoerige archeologische nota van 1993 is een en ander toch in orde gekomen.
Ik denk dat het de moeite waard zou zijn als de mensen van de wijk ter gelegenheid van een Open Monumentendag ook eens hun licht zouden mogen opsteken over wat ik beschouw als een supergeslaagde, zeer authentieke met privé-middelen ondernomen restauratie van een eeuwenoude site tot een eigentijdse eersteklaswoning die geschikt is voor co-housing.
Een en ander met uitzondering van de enorme zolder die nooit voor iets anders gebruikt is dan voor het bewaren van de grondstoffen (bloem) en er geen toestemming gegeven is om die te herbestemmen en dienovereenkomstig in te richten. Dat is ongebruikelijk want er zijn talloze beschermde monumenten waar die zolders met veel respect zijn heringericht. En eigenlijk is dat wel nodig want al dat schitterende houtwerk staat nu onbeschermd (onverwarmd) bloot aan de buitenlucht en dat is er op de duur niet goed voor en erg slecht als er eens een te laat ontdekt lekje is.

Ik vind dat je zo’n zolder tenminste van buiten onder de dakpannen zou moeten kunnen isoleren en dan van binnen kunnen verwarmen en aangenaam maken zonder ook maar iets aan het eikenhouten binnenwerk te veranderen. Maar dan moet je natuurlijk eerst wel toestemming krijgen om zo’n grote ruimte voor iets zinvols te gebruiken.
En zo blijft er altijd nog wel iets te doen. Voorbijgangers hebben dat niet altijd in de gaten en komen soms met gemakkelijke kritiek maar uit ervaring weet ik ook dat restaureren één zaak is maar dat het onderhouden in de goede staat een werk is van alle jaren dat nooit stopt en altijd weer heel veel aandacht en geld kost. Met dank aan Bart Viaene en zijn huisgenoten die deze inspanning dan toch al meer dan dertig jaar op zich nemen.

+++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++
https://heverlee.weleer.be/geldenaakse-baan/1679
Wim Lefebvre – De ontwikkeling van de voedingshandel in Leuven tijdens de …
http://www.ethesis.net › leuven › leuven_hfst_3
+++

Abdij van ’t Park…ing!? – PDF Gratis download – DocPlayer.nl
https://docplayer.nl › 10845919-Abdij-van-t-park-ing
+++
https://www.nieuwsblad.be/cnt/gtteknml
Buurt wil geen parking op kweekvijver
+++
Abdij van Park – Je ziet er vandaag de dag enkel nog …
https://www.facebook.com › AbdijvanPark › posts › je-zi…
+++
Kwistig met kennis – Erfgoedcel Leuven
https://www.erfgoedcelleuven.be › getfile › bestand

+++
+++
https://inventaris.onroerenderfgoed.be/aanduidingsobjecten/1826
+++
https://inventaris.onroerenderfgoed.be/aanduidingsobjecten/42067
+++

+++
Reeks van kaarten en oude foto’s

trefwoorden: den inghel, bart viaene, perfecta, bellefroid, heverlee, abdij van park, bakkerij, brouwerij, viskweek, erfgoed,
April 2021
Ernst Gülcher
contact: ernst.guelcher (at) telenet.be

Pak de kaart van Jodoigne er even bij (zie de afbeelding in het album) en ga op zoek naar het dorpje Saint-Remy-Geest. In een eerdere reportage met de titel ‘op stap in het land van de Gobertange – op verkenning in Melin en Saint-Remy-Geest’ (zie de link) vertelde ik al iets over le Moulin de Gen(ne)ville. Die vind je op het riviertje Le Chebais aan de Rue du Moulin de Genville ten oosten van Saint Remy Geest op weg naar de brug over de Grande Gette in Sainte-Marie Geest. Vlak ten noorden van de molen zie je op de OSM kaart een soort van blinde vlek maar op zijn topografische voorganger van 1989 staat er een ‘pompage’ aangeduid en een ‘réserve naturelle’ en ook een beek met de naam La Trislaine. Die beek ontspringt in het reservaat en komt een beetje verder uit op de Grande Gette. Op de Villaretkaart van 1745 ziet het gebiedje er uit als een verzameling van hooilandjes die van elkaar gescheiden zijn met hagen of rijen wilgen. En als je op die kaart kijkt naar al het gekronkel van de waterstroompjes in de omgeving weet je meteen dat het er in die tijd ferm moerassig was net als in de andere gedeelten van dit valleigebied en dat er voor de boeren van toen en in latere tijden van mechanisatie niet veel mee te beginnen was.

Om die reden zal het gespaard gebleven zijn van de grootschalige intensieve akkerontwikkeling die kenmerkend is voor de hele streek van de beroemde Gobertangekalksteen. Maar terwijl de rest van de vallei in onze tijd is omgevormd tot weiden voor paarden en schapen, tot visvijvers met chalêts, bosjes van populieren en naaldbomen en zelfs hier en daar de grond is opgehoogd om er huizen te kunnen zetten, is dit kleine stukje door de eeuwen heen toch min of meer moeras gebleven. Om die reden is het al in 1976 een ‘Réserve Naturelle et Ornithologique’ (RNOB) en wordt nu beheerd door NATAGORA (de Waalse tegenhanger van Natuurpunt). Het gebiedje is ook opgenomen op de lijst van ‘Sites de Grand Intérêt Biologique’. Wie ‘het kleine niet eert is het grote niet weert’ zullen we maar zeggen want in totaal gaat het maar om een natuurterreintje van iets meer dan 1,5 hectare waarvan het grootste deel pas in 2012 kon worden aangekocht.

Maar “malgré son isolement, le site héberge une biodiversité assez remarquable avec notamment près de 180 espèces de plantes supérieures et plus de 90 espèces d’oiseaux » lees ik in de officiële beschrijving van het reservaat en dat is ruim voldoende om er eens op verkenning te gaan.
De ingang van het natuurreservaat Les Marais de Genneville in Saint Remy Geest (Jodoigne) is helemaal aan het einde van de Mont à Lumay, een charmant straatje met enkele boerenhuizen tussen bomen in de weiden. Naast het reservaat is een comfortabel fietspad dat aansluit op de RAVeL L 142 tussen Zétrud-Lumay en Sainte Marie Geest. Het infobord met de voorstelling van de site aan de ingang vertelt je dat ‘Arcadis aide le plus petit rongeur d’Europe à devenir grand’. Het gaat om de kwetsbare ‘Rat des moissons’ (Micromys minutus), een dwergmuis die amper 6 gram weegt en daarmee het kleinste knaagdier van Europa is. Dit diertje houdt van rietlandjes (roselières) en grasruigtes (mégaphorbiaies) waartussen het nesten maakt en kan zich handhaven op voorwaarde dat er éénmaal per jaar gemaaid wordt.

Door de huidige industriële landbouwmethoden is de soort bedreigd maar hier in deze natuur-oase leeft blijkbaar een tamelijk grote kolonie tussen het opgestapelde maaisel. Hoewel de site desondanks niets eens onder het Europese Natura-2000 beschermingsstatuut valt en pas in 2019 als een echt natuurreservaat erkend is bruist hij van biodiversiteit “avec notamment près de 180 espèces de plantes supérieures et plus de 90 espèces d’oiseaux. Le bruant des roseaux (Emberiza schoeniclus), la bouscarle de Cetti (Cettia cetti), l’hypolaïs ictérine (Hippolais icterina) sont quelques-unes des espèces de l’avifaune peu commune qui fréquentent l’endroit durant la période de nidification, tandis que, durant l’hiver, on peut y contacter la bécassine des marais (Gallinago gallinago) ou le râle d’eau (Rallus aquaticus)’’, ook de houtsnip (Bécasse de Bois) en wintertaling (Sarcelle d’hiver) voelen zich hier thuis. Daarnaast leven er uiteraard ook zeer veel insecten, waaronder kevers, vlinders, libellen en wilde bijen.

Het moeraslandschapje ondervindt wel nadelen van de droogte van de laatste jaren en omdat er een grondwater-oppompstation vlak aan grenst, maar vertoont toch alle kenmerken van natte graslanden met een uitbundige begroeiing, meidoornhagen, een rij oude knotwilgen, een moerassig elzenbosje en massa’s schots en scheef over elkaar heen groeiende en vallende wilgen. Bij mijn bezoek in de winter was er nog niet veel van te zien maar in de informatie van Natagora lees ik dat in de lente het hier bol staat van de dotterbloemen. En hoewel ik niet denk dat het water van het beekje La Trislaine nog door de dorpelingen als drinkwater gebruikt wordt, groeien er waterplanten in zoals waterkers (cresson de fontaine) en watermunt (la menthe aquatique). Er zijn geen paadjes in het gebied en in de broedtijd zijn mensen met hun grote voeten en honden er uiteraard niet welkom maar als je de ploeg van vrijwilligers voor het beheer zou willen versterken ben je hoogst welkom begrijp ik.

Het zou wel fijn zijn als in de komende jaren de aangrenzende terreintjes ook binnen het natuurreservaat komen te liggen want op het ogenblik staat er zelfs nog een bosje van naaldbomen en dat past helemaal niet in deze natuur-omgeving. Dan kunnen ook de ongastvrije afsluitingen en verbodsborden (privé, access interdit) bij de buren worden weggeruimd.
Le Marais de Pré Saint-Jean juist ten oosten van het centrum van Jodoigne vind je aan het einde van een straatje met de idyllische naam ‘Allée des Ormes’ iets ten zuiden van de Rue de Piétrain. Ik ben er een kijkje gaan nemen op aanraden van conservator Hervé Paques van Natagora die me vertelde dat het een nieuw natuurreservaatje is van het type ‘natte ruigte’ (‘zone humide’) met een oppervlakte van 6,5 hectare en dat is toch al weer wat meer dan de 1,5 hectare van Les Marais de Genneville. Le Ruisseau Saint-Jean kronkelt hier op de Villaretkaart van 1745 en op de kaart Vandermaelen van 1846 door een volledig onbebouwd moerasgebied. Hij komt in Jodoigne uit in La Grande Gette. Waar hij precies ontspringt is me niet helemaal duidelijk maar hij maakt enkele honderden meters naar het zuiden een haakse bocht naar rechts op een plek of gehuchtje met de naam Molembals St.Job en Grunendael en gaat dan verder naar Huppaye waar op de oude kaart enkele keren het woord ‘font’ staat.

Op één plek is er een rechtgetrokken stuk wat duidt op de aanwezigheid van een watermolen en verder zijn er op het traject nauwelijks huizen te zien. Op de Open Street Map van vandaag is de beek nauwelijks meer te zien. Alleen aan de Ferme de Baron/Le Grand Château ten westen van Huppaye is er nog een open stuk, bijna al de rest lijkt volledig te zijn ingebuisd om bebouwing toe te laten. Bijna, want aan die Allée des Ormes en nog iets verder tot aan de RAVel L 125 is er ook nog een strookje voor de natuur overgebleven met zelfs nog wat (privé-)bos. Toen ik er aankwam moest ik wel even slikken want niet alleen dat er geen ‘Ormes’ (iepen) te zien zijn maar je staat daar midden in en bovenop een gloednieuw industrieterrein dat heel de vallei lijkt te vullen met covid-ontvolkte blokkige gebouwen. Om in het reservaat te komen moest ik een steile helling afklauteren achter het laatste gebouw en paadjes zijn er nergens te zien.

Rechts kijk je op een tamelijk recente woonwijk op de plaats waar op de kaart van 1969 nog de ‘Villa des Ormes’ staat, maar links zijn er gelukkig nog open weiden. Tussen die beiden strekt zich een wildernis uit die niet toegankelijk lijkt en het ook niet is zodra de bramen en de brandnetels uitlopen. Als je er gaat kijken, trek je best hoge waterdichte laarzen aan want dat van die ‘natte ruigte’ moet je volstrekt ernstig nemen als je er ook maar een beetje in wilt doordringen om foto’s te maken. Op het internet vind ik dat het pas sinds 2020 officieel een reservaat is waarover na een jarenlang conflict over ‘le contournement de Jodoigne’ de gemeente Jodoigne met Natagora tot overeenstemming is gekomen waarbij de natuurvereniging een beheer-concessie gekregen heeft voor een periode van 30 jaar. Daarover zal ik het misschien nog hebben (de info is gesluierd) maar je krijgt alvast enkele foto’s, zelfs een van een ree die zich hier beter lijkt thuis te voelen dan de mensen. Ik hou wel van dit soort ongetemde natuur maar ik denk dat ik bijna de enige ben want waarom anders hebben we er nog maar zo weinig van?

Onderaan de helling van het opgehoogde industrieterrein aan de Allée des Ormes strompel ik zo goed en zo kwaad als het gaat door een moerassige wildernis waar de bramen naar me grijpen, omgevallen bomen in de weg liggen en ik ieder ogenblik diep in de nattigheid zou kunnen wegzinken. Dat laatste blijkt in de praktijk nogal mee te vallen omdat de bedding van de beek bij nader inzien niet in het reservaat is maar aan de westrand. Ik ken de geschiedenis van het eens zo mooie valleitje van de Ruisseau du Pré Saint-Jean nog niet goed maar ik lees dat dankzij NATAGORA nog maar in juni vorig jaar besloten is om dit stukje toe te voegen aan de lijst van officieel door het Vlaams gewest erkende ‘sites de grand intérêt biologique’. Op de website van die sites vind ik er nog geen beschrijving van maar dat zal wel komen.

Voor hetzelfde geld was het helemaal verdwenen onder het metershoge puin onder het zich uitbreidende industrieterrein want ik vermoed dat dit toch wel de bedoeling zal zijn geweest van de gemeente Jodoigne die jaren geleden de gronden in de vallei heeft aangekocht. Ik weet nog niet genoeg wat de natuurvereniging met het terrein gaat doen maar de uitdaging is levensgroot en het zal heel wat inspanningen vragen denk ik ‘om er iets moois van te maken’. Ik lees dat het de bedoeling is om de biodiversiteit te verhogen en om het toegankelijk te maken voor educatieve doeleinden. Ik heb nog geen inventaris gezien van wat er hier allemaal groeit en bloeit maar ik denk dat het wat dat betreft wel goed zit en nog snel zal verbeteren als er maaibeheer wordt ingesteld en de woekerplanten zoals de bramen worden beteugeld. Dat laatste zal wel niet eenvoudig zijn want zo te zien is het grond- en beekwater veel te voedselrijk om goed te zijn en daar zal de natuurvereniging niet veel aan kunnen veranderen. Hier en daar kom je ook wel wat bouwafval tegen en dat zal opgeruimd moeten worden. Er staat zelfs nog de ruïne van een oud huis of châlet van een vroegere bewoner – een lezer vertelt mij ooit het clubhuis van de plaatselijke scouts – midden tussen de bomen.

Op die plek is er ook een ooit door een van de bewoners gegraven visvijver die ik in zijn verlatenheid heel mooi en natuurlijk vind. Ik hoop dat die niet wordt gedempt maar omgezet in een kweekplek voor kikkers en salamanders. Ik hoop ook dat men niet te veel van de bomen er zal willen afhalen want die geven het gebiedje een heel bijzonder sfeer, ook al omdat ze schots en scheef door en over elkaar groeien zoals dat gebruikelijk is in een moerasbos.
De erkenning van het natuurreservaat Pré Saint-Jean in Jodoigne is het resultaat van harde onderhandelingen tussen de gemeente en NATAGORA en is een leerzame les over de spanning tussen mens en natuur. Neem de kaart er maar bij en dan zie je dat zoals alle steden Jodoigne tegen de zich altijd maar opdringende koning auto kampt. Het stadscentrum dateert uit een tijd dat dit vervoermiddel nog nauwelijks gebruikt werd en alle grote wegen elkaar zowat aan de kerk kruisten.

Niet alleen dat er nog voortdurend in en rond de stad nieuwe gebouwen en dus auto’s bijkomen maar ook moet al het doorgaand verkeer dwars door het centrum via de loodrecht op elkaar staande assen tussen N240 Chaussée de Wavre-Hannut en N29 Chaussée de Tirlemont-Charleroi. Ik lees dat “ Il suffit de venir au centre-ville aux heures de pointe, on voit que tout est bloqué. Evidemment, il y aura toujours des véhicules puisque Jodoigne est une ville scolaire, il y a 5.000 élèves qui viennent tous les jours ici. Mais les 2.000 camions en transit et les véhicules qui vont vers Wavre ou vers Hannut pourront éviter le centre, de même que les personnes qui viennent de la Chaussée de Charleroi” (reportage RTBF, zie de link). Sinds 1979 ligt er een plan op tafel voor een ‘contournement’ waarbij juist ten zuiden van het centrum een ringweg wordt aangelegd van de N240-N29-N240 met uiteindelijk ook een nieuwe verbinding richting Tienen. Voor het tracé kijk je best even op de bijgevoegde afbeelding.

De straatnamen staan daar niet bij maar je ziet dat – zoals bijna altijd bij dit soort door ingenieurs op de tekentafel uitgezette plannen – de nieuwe weg dwars door enkele groene zones is getekend. Een eerste etappe van uitvoering tussen de N240 (Waver) en de N29 (Charleroi) dwars door het natuurreservaatje ‘le marais du faubourg Saint-Médard’ ten zuiden van de Ferme/Château du Stampia had al lang voltooid moeten zijn. Ik heb dit reservaatje nog niet bezocht maar het is ondanks zijn omvang van slechts 14,5 hectare een bij wet erkende en beschermde ‘Site de Grand Intérêt Biologique’ en om zijn biodiversiteit beroemd bij alle natuurliefhebbers in de regio. Het plan heeft om die reden geleid tot een jarenlange politieke en juridische strijd tussen de overheid en de natuurverenigingen waarbij Natagora met ferme steun van de plaatselijke publieke opinie in 2017 heel het dossier heeft aangespannen bij de Raad van State met de eis om de vergunning van het Waals Gewest voor het project te vernietigen. Voor de ecologische en juridische details verwijs ik je naar de eerste drie links onder deze tekst maar hierna geef ik er toch al een samenvatting van.

Jodoigne – het Marais Saint-Jean en het geplande ‘contournement’. Er is vinnig over gestreden maar er is een compromis bereikt tussen Natagora en de gemeente. Zoals ik al schreef bracht de natuurvereniging het conflict in 2017 voor de Raad Van State. Voor zover ik de juridische argumentatie goed begrijp gaat in een notendop om het volgende. De bescherming van wettig erkende natuurreservaten is vastgelegd in verschillende internationale en nationale wetten zoals Le loi sur la Conservation de la Nature. Uit die wetten blijkt dat de gemeente verplicht is om in geval van projecten met mogelijke aantasting van die reservaten verplicht is om zich rekenschap te geven van de ecologische gevolgen met het doel om die te voorkomen of minstens te beperken. Natagora verwijt de gemeente dat die zelfs geen studie heeft laten maken van de ecologische gevolgen (évaluation des incidences) voor de kwetsbare flora en fauna in de natuurgebieden waar die weg moet komen (Marais faubourg de Medard en Marais Pré Saint-Jean) noch op de aantasting van peil en de stromingen van de water in die gebieden.

Op de bescherming wordt geen beperking aanvaard tenzij er zeer uitdrukkelijk een afwijking (derogatie) wordt toegestaan. Zo’n afwijking kan alleen worden toegestaan als de gemeente zou bewijzen dat ze alle mogelijkheden heeft onderzocht die zouden kunnen dienen om de impact van de nieuwe ring te beperken met inbegrip van onderzoek naar alle mogelijke alternatieven en als zou blijken dat die alternatieven allemaal totaal onmogelijk zouden zijn: “Comme stipulé à l’article 5 de la Loi sur la Conservation de la nature : « …la dérogation ne peut être accordée qu’à condition qu’il n’existe pas d’autre solution satisfaisante… » . Ook op het vlak van de alternatieven heeft de gemeente niets onderzocht, laat staan opgenomen om uit te voeren. Bovendien brengt Natagora naar voren dat de geplande ring zelfs geen oplossing zal bieden voor de verkeersproblemen in de binnenstad zelf: “Nous regrettons le manque de prise en compte des autres mesures qui pourraient soulager le centreville de ses embouteillages. Il n’est pas question d’interdire les poids lourds sur ces axes, ni d’améliorer les transports publics, les parkings extérieurs, le co-voiturage, les bus scolaires, etc. Sans oublier la mobilité douce, piétons et vélos. Car le contournement ne résoudra pas tout. Une grande partie du trafic se rend dans les écoles et les commerces du centre-ville”.
De gerechtelijke procedure had jaren kunnen duren en omdat de natuuropvattingen ook in de wijdere samenleving aan het veranderen zijn is de kans groot dat Natagora de zaak had kunnen winnen en de gemeente haar hele procedure opnieuw zou mogen beginnen.

Zover is het niet gekomen want in 2018 maakten de partijen bekend dat ze een compromis hadden gevonden waarin de natuurvereniging zich niet langer gerechtelijk tegen de aanleg zou verzetten in ruil voor een drietal toegevingen vanwege de gemeente. In 2020 is over dit compromis een conventie gesloten. 1) Het traject door de marais Faubourg du Medard blijft ongewijzigd maar de wateroppervlakten aan beide kanten blijven met elkaar verbonden. Er zullen ook drie amfibietunnels worden aangelegd; 2) Ter hoogte van Zétrud-Remy wordt een boer tot de orde geroepen die een natuurgebied van 6 hectare illegaal in een maisveld heeft veranderd 3) Het Marais Pré Saint-Jean wordt erkend als reservaat en Natagora krijgt een concessie van 30 jaar voor het beheer en zal in ruil natuureducatieve activiteiten ontwikkelen. In het kader van deze tekst is natuurlijk vooral punt 3 van belang.
We zullen zien hoe het in de komende jaren verder zal verlopen, zeker wanneer men konkreet aan dit deel van het traject zal gaan werken. Ik veroorloof mij om een balletje op te gooien om inplaats van een autoweg op die plek daar een fietspad aan te leggen want dat zou perfect aansluiten op de noord-zuid RAVel-L142.

++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++
+++
https://www.natagora.be/reserves/marais-de-genneville
+++
http://biodiversite.wallonie.be/fr/159-marais-de-genneville.html?IDC=1881&IDD=251660860

+++
+++
Dwergmuis – Wikipedia https://nl.wikipedia.org › wiki › Dwergmuis De dwergmuis (Micromys minutus) (ook oogstmuis genoemd) is een knaagdier dat voorkomt in Europa en Azië. Het is het kleinste knaagdier van Europa.
+++
+++
+++

+++
https://brabantwallon.natagora.be/decouvrez-nos-projets/pole-vigilance/contournement-de-jodoigne
+++

+++
+++
+++
https://brabantwallon.natagora.be/decouvrez-nos-projets/pole-vigilance/contournement-de-jodoigne
+++
http://biodiversite.wallonie.be/nl/2907-marais-du-faubourg-saint-medard.html?IDD=251659955&IDC=1881 (marais du Faubourg du Medard)

trefwoorden:
jodoigne, natagora, marais de genville, marais pré saint jean, contournement,
Mei 2021
Ernst Gülcher
contact: ernst.guelcher (at) telenet.be

De vijver van Pécrot (Gréz-Doiceau) aan la Petite Marbaise vlak langs de spoorlijn tussen Leuven en Ottignies is één van die plekken in onze streek waar ik altijd weer naar terug ga. Ik heb er al veel over geschreven omdat ik het een mooie maar ook uitdagende combinatie vindt tussen de inspanningen van een plaatselijke visclub en de natuurorganisaties.
Ik dacht dat ik er al veel over wist maar dankzij enkele vrienden uit de omgeving (dank aan Béatrice Denis) weet ik nu dat er door de ASBL PECROT DEMAIN ENSEMBLE al even geleden een mooi boek gemaakt is met tekst en foto’s over de geschiedenis van de vijver met de titel LA FABULEUSE HISTOIRE DE L’ETANG DE PECROT. Ondertussen staat het geheel ook op het internet en dankzij de inspanningen van Marie-Christine & Jean-François Misonne van GELURA (zie de link) kan je het allemaal zelf lezen bij je thuis of met behulp van een app op de bordjes die sinds enige tijd langs de oevers van de vijver en de vallei zijn neergezet.

Dat verhaalt begint zo : ‘’ En 1952, Monsieur Bellefroid (pisciculteur) demande l’autorisation de créer un étang à Pécrot. En effet, à ce moment, toute la vallée de la Dyle (Gastuche, Archennes, Pécrot et Weert-Saint-Georges) est dédiée à la reproduction de poissons. La Marbaise passait à cette époque au milieu du terrain actuel de l’étang. Un chemin de promenade la longeait d’ailleurs. Mr Bellefroid fera dévier la rivière estimant qu’il y avait suffisamment de sources pour alimenter l’étang. Vous pouvez encore voir cette déviation de nos jours. Lorsque vous prenez le sentier vers l’étang (en suivant les panneaux fléchés), la Marbaise est à votre droite. Au bout ce sentier, en passant le petit pont, vous constaterez que la Marbaise fait un coude vers la gauche. Elle ne rejoindra à aucun moment l’étang.”
Je kan dat inderdaad op oude kaarten nog zien. De familie Bellefroid is sindsdien uit het zicht verdwenen maar de vissen zijn gebleven en het natuurbeheer heeft zich ook ontwikkeld. Hierna vertel ik meer over deze spannende geschiedenis.

De vijver – lees ik in het verhaal ‘LA FABULEUSE HISTOIRE DE L’ETANG DE PECROT’ in Pecrot Ensemble Demain – wordt door de heer Bellefroid zo’n twintig jaar uitgebaat als visvijver maar na een grote droogte in 1976 heeft hij er genoeg van en overtuigt de gemeente Gréz-Doiceau om de site aan te kopen.
Vier later vraagt en krijgt de VZW Amis du Parc de la Dyle de toestemming om er de natuur te beheren en twee jaar daarna, we zijn dan 1882, krijgen een twintigtal vissers toestemming om hun sport op de vijver uit te oefenen.

Eind jaren 80 is het water nergens meer dieper dan 30 cm. Om hem opnieuw interessant te maken voor de visvangst moet hij worden uitgediept tot 1,5 meter, een dure ingreep (750.000 fr) waarvoor “le collège communal marque son accord à condition que le comité des pêcheurs participe à hauteur de 50.000 francs par an pendant 9 ans, le reste étant pris en charge par la commune. Ce contrat a été parfaitement tenu par le comité des pêcheurs qui comptait alors une bonne soixantaine de membres. Les berges furent nettoyées”.
In de jaren daarna moeten opnieuw grote kosten gemaakt worden om de verdroging tegen te gaan maar ook om een heel aantal bomen aan weerskanten van de vijver te vellen. In de winter van 1997/98 spant de natuurvereniging zich samen met de vissers in om de natuur van het eiland in de vijver te verbeteren en nadien worden ook de nog overblijvende populieren langs de vijver verwijderd en de oevers zo ingericht dat ze voor de vissers aantrekkelijk zijn.

Tegen die tijd zwemmen er toch heel wat soorten vissen rond zoals.
· Ziverkarper – Carpe amour blanc et argenté (Hypophthalmichthys molitrix)
· Lederkarper – Carpe Cuir (Cyprinus carpio carpio)
· Gewone karper – Carpe Commune (Cyprinus carpio)
· Spiegelkarper – Carpe Miroir (Cyprinus carpio carpio)
· Blankvoorn – Gardons (Rutilus rutilus)
· Ruisvoorn – Rotengle (Scardinius erythrophthalmus)
· Winde – Ide mélanote (Leuciscus idus)
· Zeelt – Tanche (Tinca tinca)
· Kroeskarper – Carassins (Carassius carassius)
· Brasem – Brèmes (Abramis brama)
· Snoek – Brochet (Esox lucius)
· Snoekbaars – Sandre (Sander lucioperca)
· Paling – Anguille (Anguilla anguilla)
· Baars – Perche (Perca Fluviatilis)

Of die er allemaal spontaan komen of worden uitgezet en wat de verhouding daartussen is weet ik nog niet. Veel van die vissen kunnen een verbazende omvang bereiken maar om ze in klaargemaakte vorm te willen proeven moet je in een restaurant zijn want op de L’Etang de Pécrot worden ze wel opgehaald maar ook weer terug in het water gezet om de te vermijden dat de visstand vermindert.
Nauwelijks is het natuurinrichtingswerk gedaan of er dient zich een nieuwe fase aan. Overeenkomstig de nieuwe Europese regelgeving op de verbetering van de waterkwaliteit zet de Région Wallonne zich vanaf eind 2000 in om aan de oostkant van de vijver van Pécrot buizen in te graven om het huishoudelijk afvalwater af te voeren. Op aandringen van Oscar Maricq van het Département Nature et Forêts (DNF) wordt bij die gelegenheid – ook al weer tegen hoge kosten – een ‘monnik’ geplaatst om het waterpeil te regelen en de uitstroom van vissen te vermijden. De visclub moet ook een nieuw toiletgebouw zetten om zich op de riolering aan te sluiten.

De aanleg van het rioleringssysteem levert massa’s aarde op. Om enorme hoge afvoerkosten te voorkomenen wordt de grond ter plaatse gebruikt om de fragiele oevers aan beide zijden van het water te vergroten en te verstevigen. Om arbeidskosten te besparen worden de werken uitgevoerd door de leden van de visclub zelf. Een deel van het hout wordt afgevoerd aan de plaatselijke boer maar met grote massa’s houtsnippers van wilgen – afkomstig van onderhoudswerken en aangevoerd door de gemeentearbeiders – worden de oevers ‘ontmodderd’. Reeksen in de grond geslagen oeverpaaltjes – eveneens van wilg – zorgen voor stabilisatie.
Aan de kant van de Rue Cyrille Bauwens (langs het spoor) worden ook nog dure stabilisatiewerken uitgevoerd om het afglijden naar het water bij regen te verhinderen.
Wie vandaag terugkijkt op de veel te droge zomers van de laatste jaren kan het zich niet voorstellen maar in 2010 komt heel de omgeving van de vijver onder water te staan. In het boekje ‘La Fabuleuse Histoire de l’Etang de Pécrot’ zie je spectaculaire foto’s van een tot een bergstroom aangezwollen kolkende Marbaise en de ondergelopen visclub. Maar blijkbaar heeft dat toch geen grote schade opgeleverd want ik lees daar toch niets over.

In onze tijd vestigen de bevers zich in het riviertje. Dat is kennelijk een delicate materie want het boekje zegt daarover niet zo heel veel konkreets. Wie mijn teksten van de afgelopen jaren gevolgd heeft kent mijn bewondering voor de beheersystemen met horizontale buizen die de gemeente Gréz-Doiceau (?) jarenlang in de beek heeft geplaatst om deze nijvere dieren met hun dammen het water te laten stabiliseren maar ook om te voorkomen dat ze het waterpeil altijd maar verder verhogen.
Voor zover ik weet hebben ze voor de vijver nooit een probleem opgeleverd – integendeel denk ik want de zomers zijn inderdaad veel te droog als gevolg van de opwarming van het klimaat en bovendien eten bevers geen vis – maar blijkbaar houden enkele boeren in de omgeving niet van ze en tot mijn pijnlijke verbazing zijn al die installatie weggehaald en de dammen ook.

Aangezien bevers beschermde dieren zijn en de vallei valt onder de Europese regelgeving op natuurbehoud vind ik dat niet kunnen dus ik verwacht dat er een ferme oplossing wordt uitgewerkt in het voordeel van de bevers.
In het boekje ‘La Fabuleuse Histoire de l’Etang de Pécrot’ van de ASBL PECROT DEMAIN ENSEMBLE vind je helemaal op het einde twee hele mooie kaarten over wat toch een van de belangrijkste zaken in dit vis- en natuurverhaal is : het grotendeels ondergrondse systeem van de waterzuivering.
Wat je er van ziet zijn aan de kant van Florival het grote zuiveringsstation en naast de brug over de Dijle een pompstation om het gezuiverde water aan de rivier terug te geven. Maar aan de kant van Pécrot staat er ook een onopvallend gebouwtje aan het begin van La Petite Marbaise en op de kaart zie je dat dit moet dienen om al het huishoudelijk afvalwater van de huizen rond de vijver met een persleiding op te pompen naar het stroomopwaarts gelegen zuiveringsstation.

Voor meer gegevens zou je terecht moeten kunnen op de website van de Société Publique de Gestion de l’Eau (SPGE) http://www.spge.be/fr/index.html?IDC=1. Maar ik vind daar niets over Gréz-Doiceau dus dat zal nog even moeten wachten.
Een van de vissers vertelde me dat het waterpeil van de vijver gevaar loopt door het stroomopwaarts oppompen (captage) van (drink)water maar daar heb ik nog geen bijzonderheden over gevonden.
Daarmee ben ik zo ongeveer rond met dit reeksje. Om het karakter van deze unieke vijver te handhaven is een maximale samenwerking tussen de vissers, de natuurliefhebbers en de gemeente nodig en ik neem aan dit hier ook wel goed verloopt.
Als buitenstaander waag ik me toch aan een paar ‘knelpunten’ die volgens mij gemakkelijk te verhelpen zijn.
Dat van de bevers heb ik al genoemd. Het tweede punt is het beheer over het unieke veldje van dotterbloemen (en andere voorjaarsbloeiers) op het moerasje aan de ingang. Iemand (?) heeft daar hout op gestapeld en een grote hoeveelheid maaisel op gestort. Daar kan dat veldje absoluut niet tegen en dat kan je ook zien. Dat zou dringend moeten worden weggehaald of een tiental meters verplaatst.

Het laatste knelpunt betreft de beschoeiing langs de oevers zoals die gemaakt is tijdens de werken vorig jaar. Het ziet er wel mooi recht uit maar zo’n ‘muur’ van loodrechte planken verhindert de migratie van amfibieën en zal zelfs moeilijkheden opleveren voor (jonge) watervogels denk ik. Hier en daar zullen er dus openingen (of zoiets) gemaakt moeten worden om de natuur een handje te helpen maar dat kan toch geen probleem zijn. Ik heb al vermeld dat men voor die versteviging in het verleden levende wilgentakken in de grond plaatste en dat ziet er toch veel natuurlijker uit (en biedt ook mogelijkheden voor schaduw).
Ik kom hier graag en uit de reacties te zien geldt dat ook voor anderen in onze streek. Dat leidt natuurlijk ook tot heel wat meer bezoekers dan in het verleden en vissers en natuurliefhebbers zijn het er kennelijk roerend over eens dat dit niet mag leiden tot het verstoren van de rust en de natuur. Op je mountainbike mag je in elk geval het gebied niet in zo te zien aan de grote borden die op veel plaatsen zijn opgehangen. Feestvierders zijn ook niet welkom met uitzondering van het traditionele jaarlijkse evenement van de visclub.

+++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++
+++
http://www.pecrot.be/1952-a-1985/
+++

+++
http://biodiversite.wallonie.be/fr/262-etang-de-pecrot.html?IDD=251659108&IDC=1881
+++
+++
https://www.facebook.com/P%C3%A9crot-Demain-Ensemble-asbl-1801514173496967
Zie ook:
+++
https://ernstguelcher.blogspot.com/2020/09/letang-de-pecrot-grez-doiceau.html (frans)

Trefwoorden : L’Etang de Pécrot, natuurbeheer, vis, brochet de la dyle, les amis du parc de la dyle, pécrot demain ensemble,
Ernst Gülcher
April 2021
Contact : ernst.guelcher (at) telenet.be

Beauvechain – la Ferme de la Grande Grayette aan de Rue des Anges 67. Ik heb nogal vaak last met mijn computer maar soms ben ik dankbaar omdat hij mijn geheugen veel beter weet vast te houden dan mijn verwarde hersenen.
Van deze monumentale historische vierkantshoeve helemaal op de uiterste oostrand van de gemeente Beauvechain op de grens van het voormalige oorlogsvliegveld Les Burettes (zie de link naar mijn reportage) heb ik al eens een keer uitvoerig foto’s mogen maken in november 2014 ter gelegenheid van de 52ste Fêtes de Saint Martin. Ik kwam daar terecht vanwege de magnifieke beelden-tentoonstelling van onze Leuvense Gerdi Fonk en de gedichten van Joost Tresignie uit Bierbeek.

Die foto’s zijn onder de titel ‘fluidum tussen vorm, vormeloosheid en poezie’ allemaal nog terug te vinden op Facebook (zie de link). Bij die gelegenheid heb ik ook de hoeve zelf al een beetje in beeld gebracht.
Kort geleden ben ik terug geweest om kennis maken met de bewoners van nu en ik heb gezien dat er veel veranderd is maar eigenlijk zijn de gebouwen nog helemaal hetzelfde wat ik in onze tijd van supersnelle en dikwijls stresserende veranderingen best wel eens leuk vind. Sinds enkele jaren wordt de hoeve gekoesterd door een groep van jonge mensen die er aan werken om er een paradijsje van de biologische tuinbouw van te maken en tegelijkertijd allerlei culturele activiteiten organiseren hoewel die laatste wel tijdelijk een beetje stil lijken te liggen vanwege de corona-crisis.
Een van hen, Lucia Ab Out, reageerde op mijn reportage over Tourinnes-la-Grosse met de vraag of er iemand weet wat de oorsprong en betekenis is van de naam Grayette en omdat ik hou van zulke vragen heb ik aangeboden om te helpen zoeken en tegelijkertijd nog eens werk te maken van het verhaal over de geschiedenis van deze hoeve die teruggaat tot de vroege middeleeuwen.
Op de Ferrariskaart van 1777 en de Villaretkaart van 1745 staat de hoeve aangeduid als Cense de la Graette. Op die kaarten zie je ook het grote plateau ‘les Burettes’ en de Arbre de Ermelinde aan de ‘Grand Chemin’ tussen Beauvechain en Meldert.

De hoeve maakt deel uit van de enclave van het (voormalige) Prinsbisdom Luik binnen het Hertogdom Brabant en op de kaart zie je grens op enkele honderden meters ten oosten van de hoeve. Honderd jaar later staat hij op de kaart Vandermaelen van 1846 aangeduid als ‘Ferme de la Grande Gregette’ samen met (in dezelfde straat) la ‘Ferme de la Petite Gregette’.
Op mijn vraag van gisteren naar gegevens over zijn geschiedenis hebben al enkele vrienden in Beauvechain heel behulpzaam gereageerd met als gevolg dat ik nu beschik over de pagina’s over deze hoeve in het boek ‘Les sentiers de l’histoire à Beauvechain et environs’ van Joseph Schayes.
Ik moet het allemaal nog eens goed lezen maar is waarschijnlijk dat hij er al was rond 1200 als bezit van de Abdij van Gembloux. Hij wordt voor de eerst genoemd in 1474 als ‘Cense del Gret’ (pachthof Gret). In 1720 wordt hij verkocht aan ‘Le Grand Collège de Louvain’. Zoals zoveel hoeves in de streek is hij in de jaren daarvoor grotendeels verwoest door de plunderingen van de troepen die deze streek uitkozen om er hun godsdienst- en andere oorlogen op uit te vechten.

Een lezer vertelt dat Schayes een legende aanhaalt over een ‘onderaardse gang’ van de hoeve naar een plek die volgens J.Schayes in zijn boek ‘Tourinnes Beauvechain terres d’enclave de la Principauté de Liège en Brabant’ op een oud plan (dat ik niet heb) zou zijn aangeduid als ‘La cense d’Aulne’. Op mijn kaarten vind ik dat niet maar het zou een beetje naar het zuiden zijn ter hoogte van de Ruisseau de la Néthen. Zoek er maar niet naar want die tunnel bestaat niet meer. Dit soort ‘legendes’ verwijst naar het feit dat bewoners van hoeves, kastelen en abdijen altijd nood hadden aan een geheime snelle vluchtweg in geval van nood.
De universiteit bouwt alles weer op waaronder de grote boogpoort waarop een steen is ingemetseld met het jaartal 1734. De overige gebouwen zijn ook die tijd of van later datum. Er moet een heel grote schuur geweest zijn maar die is rond 1860 afgebroken. In 1776 wordt het goed verkocht aan Jean-Guillaume van Hamme.
In de 19de eeuw staat de hoeve bekend als ‘la Ferme Nélis’. Guillaume Nélis wordt hier geboren op 18 maart 1803 en ontwikkelt zich als een van de meest geniale industriëlen van het nieuwe België als de grondlegger van het latere ‘imperium Solvay’.

Het moet een heel grote hoeve geweest zijn want in 1680 bedraagt het grondbezit 76 bunders en honderd jaar later loopt dat op tot bijna 100 bunders. Een bunder is juist iets meer dan een hectare.
Over de oorsprong van de naam weten we nog niets zeker. De hoeve ligt aan de rand van een zeer grote vlakte met een ondergrond van zand en een vruchtbare toplaag van leemstof. Dat is een uitstekende basis om granen te verbouwen en uiteraard moeten die na de oogst onder dak worden opgeslagen. Totdat er iemand komt met een betere uitleg houd ik het er op dat ‘gre(t)’ of ‘gri(et) een vroege vorm is van ‘gra(in)’. De uitgang ‘in’ wijst op ‘huis (heim) om op te slaan’ en dat is later ‘grange’ geworden. Het naamsdeel ‘ette’ wijst ook op ‘verzamelen’. Alles bij elkaar heb je dan een Graette: een plek om het graan te bewaren. Wie biedt een waarschijnlijker scenario (graag!)?
Beauvechain, la Ferme de la Grayette. Soms (dikwijls) kom ik heel onverwacht terecht op opmerkelijke zaken. Zoals gezegd staat de hoeve begin 1800 bekend als ‘la Ferme Nélis’. De boer in kwestie is in 1796 Jean-Joseph Nélis die – gehuwd met Marie Catherine Constance Van Hamme – op zeer dynamische wijze de hoeve weer tot bloei brengt, de gronden ervan aanzienlijk uitbreidt en ook la Ferme des Burettes opricht, iets verderop.
Maar het is hun vijfde kind, Guillaume Joseph Nélis die in 1803 op de hoeve geboren wordt die zich zal ontwikkelen tot – dixit Ernest Solvay in hoogst eigen persoon in 1883 – een van de meest geniale industriëlen van het nieuwe België als de grondlegger van het latere ‘imperium Solvay’.

Over hem schrijft Schayes het volgende: “Guillaume fit ses études de médecins à l’Université de Bruxelles et s’installa comme médecin à Wavre. En 1837, il entra comme communautaire dans les Papeteries de Gastuche et cette société porte le nom de ‘Mathieu Nélis et Cie’. Elle a depuis pris une expansion continue. Aimant l’entreprise, en 1863, il fut un des commanditaires-fondateurs du procédé de fabrication de la soude à l’ammoniaque dit procédé Solvay qui exigea des années de recherche avant d’arriver au stade industriel, à tel point que Ernest et Alfred Solvay et leurs parentées de même que les bailleurs de fonds les Pirmez, Nélis, Lambert furent mis à rude épreuve. Leur tenacité et leur foi dans l’avenir les récompensa. En quelques années la fortune leur sourit par la rapide expansion des usines Solvay. Déjà en 1875, Guillaume Nélis fit un don de 200.000 fr à la Commission des Hospices de Jodoigne en vue de créer ‘L’orphelinat Nélis’ également pour les orphelins de Beauvechain. Plus tard, en 1893, il fit construire un hospice à Beauvechain qu’il dota d’un capital de 120.000 fr dont l’intérêt suffisait à assurer l’entretien, mais fut insuffisant pour le tenir ouvert après la guerre 1914-18. Entretemps, il acheta quantité de terres sur la campagne de Beauvechain et racheta la ferme des Burettes …

Il fut élu représentant de l’arrondissement de Nivelles. Il habitait Virginal-Samme où il fut bourgmestre et avait son château. Il avait épousé Thérèse Kumps mais ils n’eurent pas d’enfants. Il mourut à Bruxelles le 19.4.1896 laisant une importante fortune à ses neveux et nièces. Il fonda deux bourses d’études destinées aux étudiants du Canton de Jodoigne et de préférence aux descendants de sa famille. Ce fut un homme animé de profonds sentiments”. Joseph Toirdoir voegt er in een eigen studie aan toe: “Il fut un véritable self-made man. On estime que sa fortune dépassait très largement les 3 millions de francs. A savoir 600 millions de francs d’aujourd’hui.” Zoveel geld zullen de bewoners van de hoeve vast nooit bij elkaar zien maar toch werken ze aan een bij hen passende mooie eigentijdse toekomst.
Ik keer terug naar de tijd van nu. Van de grote vierkantshoeve met bijna 100 bunders grond in de tijd van de familie Nélis staan de gebouwen nog fier overeind maar de grond die er bij hoort is nog maar twee hectares. Zoals zoveel vierkantshoeves is het duidelijk geen klassieke hoeve meer die gerund wordt door een dynamische boer, laat staan een boer van nu met enorme machines met alles wat daarbij te pas komt.
Sinds enkele jaren heeft zich hier een groep van een zestal jonge mensen gevestigd die op hun manier een geheel nieuwe duurzame herbestemming aan de hoeve willen geven maar met de opbrengst van die bestemming er tegelijkertijd ook wel geheel of gedeeltelijk van moeten kunnen rondkomen.

Omdat het nog winter was als ik er was en ook vanwege de Covid-crisis heb ik ze er zelfs tijdens mijn bezoek er nog niet echt over kunnen aanspreken en ben ik even aangewezen op wat ik er zag en wat ik op het internet vind. Het is duidelijk een project van ‘cohousing’ met bewoners die investeren in een gezamenlijk project op de hoeve, daar ook eigen projecten ontwikkelen en die daarnaast ook een (halftijds) job hebben om te kunnen overleven.
In een bericht in mei 2017 lees ik dat zij – ‘Xavier, Delphine, Vincent, Adeline, Camille et Simon (et Capucine), alias les p’tits gras’ – op zoek zijn naar iemand die aan hun project wil deelnemen. Hun project: ‘Nous vivons dans une (ancienne) ferme située à Beauvechain et nous avons un grand potager, un élevage de chèvres (et une fromagerie), une grange pour stocker du foin et organiser des fêtes, un four à pain, des ateliers, des poules, des chiens, un chat, des souris et une jolie vue sur la campagne…’.

En een beetje verder in dezelfde zin: ‘Sur les deux hectares de terrain qui entourent la ferme, une partie a été mise en culture fruitière et légumière et une autre partie servira de pâturage pour les chèvres. La Grande Grayette est avant tout un lieu d’expérimentation, de partage de connaissances et d’apprentissage autour de l’agriculture et de la réappropriation de son alimentation.’
Het bericht dateert van 3 jaar geleden en ik heb van de week kennis gemaakt met een (de?) nieuwe bewoonster. Mijn gastvrouw Lucia is helemaal uit Zuid-Italië gekomen om zich hier te vestigen. De geiten, de honden en de kat heb ik niet gezien maar wel kippen en eenden en een boomgaard. Voor de groententeelt ligt alles gereed.
Ik denk dat de op de hoeve geboren beroemde mede-oprichter van het Solvay-imperium er zijn ogen zou bij opentrekken maar de tijden veranderen en niet iedereen is nog geïnteresseerd in dikke aandelenportefeuilles en een kasteel om je levensdagen in te besluiten.

Ik lees ook dat er op 28 september open deur dagen gepland zijn maar dat op 28 juni de boerderij ook haar deuren opent met een markt van lokale producten, een ‘repas maison’ en activiteiten voor groot en klein. Blijkbaar vinden zulke evenementen er alle jaren plaats maar gezien de Covid en ook omdat de website niet helemaal duidelijk is over het jaartal moet je wel even nakijken of het inderdaad allemaal doorgaat voordat je er heen gaat denk ik. Ik vind ook info over muzikale en andere culturele activiteiten (jazz) maar ook daar ontbreken konkrete gegevens over toekomstige evenementen vooralsnog. Ik zou zeggen, ga er nu zelf maar eens een kijkje nemen want binnenkort staan de bloemen rond de hoeve open en dan ga ik er zelf ook terug.

++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++
+++
https://ernstguelcher.blogspot.com/ – trefwoorden: burettes, tourinnes
(ferme de la Grande Grayette)
+++


Tarlier & Wauters: Retranscription: Commune de Beauvechain
http://www.echarp.be › twcjod16
+++
PORTRAIT DE GUILLAUME NELIS SOLVAY DOIT … – LeSoir.be
+++

Les sentiers de l’histoire à Beauvechain et environs (Joseph …
https://nl.bibliomania.be › item › les…
door Joseph SchayesPaperback / 212 bladzijden / uitgave 1990
taal (talen) : frans
uitgever : Nauwelaerts Editions Historiques
https://nl.bibliomania.be › item › les…
+++
https://www.kisskissbankbank.com/fr/projects/des-chevres-pour-faire-du-fromage
+++
https://www.jazzinbelgium.com/venue/ferme-de-la-grande-grayette
+++
https://gowork.fr/grayette-les-mees
+++
https://beauvechain.blogs.sudinfo.be/archive/2019/07/17/la-grayette-en-fete-283436.html

trefwoorden: Beauvechain, Ferme de la Grande Grayette, Guillaume Nélis, Solvay,
Voorjaar 2021
Ernst Gülcher
Contact: Ernst.Guelcher (at) telenet.be
Ter inleiding bij een mooie luswandeling in Tourinnes-la-Grosse

Dit is ter inleiding van mijn verkenning van een wandeling in Beauvechain, vooral in Tourinnes-La-Grosse en Mille. Ik vertrek op de Place Saint Martin waar ik niet alleen aandacht besteed aan het plein, de kerk, het kanon, de pastorie en het cultureel en parochiaal centrum maar ook aan het er achter gelegen oude voetbalterrein, nu een speelterrein voor jongeren en een parking met nogal krachtige muurschilderingen. In de kerk bewonder je ook de keramiek van Max Vanderlinden. Vandaar neem ik de Ruelle Collin en de Ruelle Sainte Barbe naar de Chapelle du Rond Chêne. Dat is een gekasseide veldweg met grootse uitzichten over het landschap maar ook met een afslag naar een fantastisch diepe holle weg die al héél oud moet zijn en aangeeft dat in de Romeinse tijd, in de middeleeuwen en nog lang daarna de mensen hier langs passeerden en zich minder waagden in de laaggelegen en dikwijls moerassige valleien. Vanaf de kapel du Rond Chêne – ooit een oord voor de melaatsen – ga ik naar La Chapelle Saint Corneille. Dat kan via het de Rue Jules Coisman door het gehucht Mille maar ik neem een paar veldwegen door het boerenlandschap ten noorden ervan. Aan de mooi gerestaureerde kapel St.Corneille staat ook de in ruïneuze staat verkerende hoeve vierkanthoeve Vercammen. De kerk en de kapellen waar we langs komen zijn erg bekend en ik heb er al veel over geschreven (zie de links) maar eigenlijk is de aanleiding van deze tocht de voormalige watermolen Wuyts (officieel le Moulin Crèvecoeur) op de kruising tussen de Rue du Grand Brou en de Rue du Moulin vlak bij het dorp.

Die aanleiding is het verhaal van Els Coremans uit Oud-Heverlee dat haar voorouders, de molenaarsfamilie Wuyts veel molens bezaten waaronder de Moedermeulen in Gelrode, een windmolen in St.Pieters Rode, de afgebroken windmolen van Bierbeek en dus ook Le Moulin Crèvecoeur op La Néthen in Tourinnes-la-Grosse. Het was mij al opgevallen dat de stiel van molenaar voorbehouden is aan families maar het grote gebouw aan de ingang van het dorp (vlakbij de camping) had ik zelfs nog niet herkend als een voormalige watermolen en dus besteed ik er op deze wandeling ruim aandacht aan. Het is een heel mooie tocht langs oude huizen en schitterende uitzichten in het boerenland van Beauvechain met zijn twee heel kleine beken, Le Ruisseau de La Néthen en de Mille en met zijn vriendelijke bewoners want bijna iedereen die je tegenkomt is best bereid om een praatje te maken en dat is ook wel leuk hoewel ik mijn oren goed moet openzetten want het plaatselijk dialect is hier nog de leidende melodie. Op de in het album bijgevoegde kaart zie je het traject en in totaal zou het toch niet langer zijn dan 6 km. Er zijn daar veel veldwegen dus wie wil kan de tocht naar wens inkorten of langer maken.
Tourinnes-la-Grosse
Tourinnes-la-Grosse in het dal van het riviertje ‘La Nethen’ is – volgens Wikipedia – sinds 1977 een deelgemeente van Beauvechain in Waals Brabant juist over de taalgrens. In het Vlaams zou het ‘Deurne’ heten maar dat zegt natuurlijk niemand en in het Waals ‘El Grosse Tourenne’ (en wie zegt dat nog?). ‘Deurne’ zou kunnen komen van het Germaanse woord ‘thurina’: ‘braamstruik’ of ‘doornenhaag’. ‘La Grosse’ is aan Tourinnes in de 19de eeuw toegevoegd vanwege de imposante omvang van de toren van de ‘Eglise Saint Martin’, een van de oudste kerken in onze streek.

Samen met Beauvechain maakt Tourinnes tot aan het einde van de 10de eeuw deel uit van het kleine graafschap Brunerode. Gravin Alpayde van Hoegaarden schenkt beide dorpen (en omgeving) aan de Luikse Bisschop Notger en zo worden zij in de middeleeuwen een enclave van het prinsbisdom Luik in het hertogdom Brabant. Dat is tegen de zin van de hertogen die ettelijke keren en soms met geweld proberen om de enclave ten eigen bate op te doeken met telkens flink wat akelige gevolgen voor de dorpelingen. In 1635 valt het Frans-Hollandse leger de streek binnen en zowat heel de rest van die eeuw is een tijdperk van grote verpaupering en vernieling als gevolg van de strijd tussen de grootmachten van die tijd (net als heel de rest van de grote omgeving trouwens, het is overal hetzelfde verhaal). Het scheepskanon aan de kerk dateert wel van enkele eeuwen later en wie kan al vertellen waarom dat er staat? Tijdens de Franse revolutie worden ze samengevoegd tot één gemeente om vervolgens in 1841 opnieuw gescheiden te worden. De plaatselijke Eglise Saint-Martin is een van de oudste kerken in onze streken en een van de weinig die nog dateert van het Karolingische tijdperk. Het schip wordt gebouwd in de 10de eeuw en het koor omstreeks 1250. De opvallende massieve maar niet erg hoge donjon-toren is van dezelfde periode maar een precieze bouwperiode heb ik nog niet kunnen vinden (wie helpt?). Gelegen bovenop een heuvel domineren de kerk en de omliggende historische gebouwen heel de omgeving (met soms merkwaardige effecten) en als er even niet veel auto’s op het dorpsplein staan kan je gemakkelijk verbeelden te zijn verplaatst naar een eeuwenoud verleden. Ik vind het heel jammer dat de mensen hier hun auto niet op de parking achter de kerk zetten want nu is het moeilijk om stijlvolle foto’s te nemen. Tot ver in de omgeving is het dorp bekend om zijn ‘fêtes de la Saint-Martin’ die alle jaren plaatsvinden in de maand november met theater- en muziekvoorstellingen tentoonstellingen bij honderden mensen in het dorp zelf en de omliggende dorpen.

Sinds 1946 en nog eens extra in 2002 is heel het centrum beschermd als uitzonderlijk monument en gezien de absurde bouwwoede van de mensen van nu in onze regio is dat maar goed ook. Ik begrijp dat er sinds enkele jaren heftig plaatselijk protest is tegen plannen om achter de oude ‘vicarie’ het veld voor de schapen vol te bouwen (wie weet daar meer over? Zie de link). Met de auto kun je de kerk bereiken maar te voet kom je er best langs de stenen trap die vertrekt aan het café Relais St. Martin aan de Rue de Beauvechain 56, 1320 Tourinnes-la-Grosse. Overigens is niet alles nostalgie in dit dorp, op de parkeerplaats achter de kerk vind je zeer eigentijdse muurschilderingen die – mooi of aartslelijk is een kwestie van smaak – getuigen van de kunstzinnige aanwezigheid van een erg eigentijdse generatie. En midden op het plein staat naast de oude waterpomp een voor de toekomst geplante opvolger van de door beschadiging van de wortels gesneuvelde ‘marronnier’ met een wel heel eigentijds gedicht van Julos Beaucarne.
L’Eglise Saint-Martin
De ‘Eglise Saint-Martin’ in Tourinnes-la-Grosse kan je van bijna overal zien in de vallei van het riviertje ‘la Nethen’ en hij is gemakkelijk te herkennen aan zijn wel heel dikke toren. De voordeur is in beginsel altijd open want de kerk is een ‘Eglise Ouverte’. De laatste keer dat ik kwam foto’s nemen was er juist een heel muzikaal koor aan het oefenen en er worden dikwijls concerten gegeven. Het interieur is opvallend sober en ademt om die reden een enorme rust uit. Sedert de bouw in de vroege middeleeuwen is heel de streek voortdurend geteisterd door onlusten maar de kerk heeft dat allemaal weten te overleven.

Voor zover ik kan nagaan is er alleen in 1640 een grote brand geweest waarna vooral de zijbeuken opnieuw moesten worden opgetrokken. Of bij die gelegenheid de toren ook door de arbeid van plaatselijke metselaars zijn dikke vorm gekregen heeft en sindsdien ‘la Grosse’ aan de dorpsnaam is toegevoegd is een verhaal waarvoor ik bevestiging zoek. Door de eeuwen heen zijn er wel een aantal verbouwingen en aanpassingen doorgevoerd maar in 1954 is onder leiding van Professor R. Lemaire bij een grote restauratiecampagne het gebouw opnieuw in zijn oorspronkelijke toestand gebracht. Als gevolg daarvan ziet alles er uit alsof het nog maar net gebouwd is, zeker de binnenzijde aan het imposante gewelfde metselwerk van de toren en de houten constructies in het middenschip. Achter de kerk sta je binnen de muren van de eeuwenoude begraafplaats waar alles ook zo goed als in perfecte staat wordt gehouden en het onderhoud op ecologische wijze gebeurt. De mooie brandschilderingen in de ramen staan symbool voor het feit dat Saint-Martin in zijn tijd opkomt voor de armen. Saint-Martin (Sint-Maarten) wordt rond het jaar 316 geboren in Tours waar hij later ook bisschop wordt en is een van de populairste middeleeuwse heiligen. Zijn sterf- en feestdag valt op 11 november en zijn leven staat in het teken van de liefdadigheid nadat hij als jong Romeins soldaat (de helft van) zijn mantel afstaat aan een blinde bedelaar. Als heilige is Sint-Maarten vooral belangrijk voor de boeren en zijn feestdag was vroeger de datum waarop de oogst binnengehaald moest zijn en het vee op stal ging. Op 11 november werden grote Sint-Maartensvuren ontstoken. Ironisch genoeg gaat dit gebruik terug op een Germaans feest ter ere van Wodan (maar dat geldt voor bijna alle christelijke feesten denk ik). De dorpelingen brachten dankoffers en brandden reinigende vuren om de vruchtbaarheid van het land en vee te bevorderen. Op die dag werden ganzen geslacht. Dat laatste gaat terug op de overlevering dat Saint-Martin zich niet waardig genoeg vond voor het ambt van bisschop en zich in een ganzenhok verstopte toen als zijn aanhangers hem komen ophalen om hem in Tours op de troon te doen zetelen. Maar omdat die dieren altijd veel laweit maken tegen verstoorders, werd zijn schuilplaats ontdekt en kon hij zijn roeping niet ontgaan. Ik denk niet dat ganzen zich ooit zullen laten bekeren en nederig zijn ze zeker niet, maar als je bewaking nodig hebt kan ik ze aanbevelen. Even iets rechtzetten: het kanon aan de voordeur is géén luchtafweer maar een Duits scheepskanon uit de eerste wereldoorlog dat als oorlogstrofee door Graaf de Hemricourt de Grunne aan de dorpelingen werd geschonken uit dank voor hun gastvrij onthaal tussen 1914 en -18.

Max van der Linden
Ben ik oneerbiedig door te stellen dat de echte heilige van Tourinnes la Grosse, Nodebais en de gemeente Beauvechain niet Saint-Martin is maar – naast Julos Beaucarne – Max van der Linden? Geboren in Nodebais op 1 juni 1922 op de familiehoeve d’Agbiermont en eveneens daar overleden op 25 november 1999, heeft hij met zijn persoonlijkheid en met zijn keramiek een enorm en blijvend stempel gedrukt op zowat de hele wijde omgeving. In zowat iedere kapel en kerk en in en aan talloze andere gebouwen in Beauvechain en buurgemeenten kom je zijn werken tegen en ik heb aan dit album een kaart toegevoegd met een typische ‘max-van-der-linden-wandeling’. Het eerste wat mij telkens opvalt is dat ze altijd zowel erg gedetailleerd-herkenbaar zijn als gebaseerd op de heel gewone zaken die er in het leven van mensen toe doen: het dagelijks leven op het platteland, de familie, de muziek, geboorte, huwelijk en dood, de hoop op beterschap en solidariteit en de angst voor eenzaamheid en chaotische verandering maar dat alles doordrongen van een diepe christelijke spiritualiteit die altijd weer leidt naar een onverwoestbaar optimistische kijk.

Als mens is Max van der Linden zijn hele leven bewonderd door zijn vermogen om mensen bij elkaar te brengen en als zodanig is het logisch dat hij beschouwd wordt als de grondlegger en bezieler van de jaarlijkse Fêtes de la Saint-Martin (met in 2019 de 54ste editie). Tot in 2015 waren de meeste van zijn werken te bewonderen in zijn atelier in de Ferme D’Agbiermont maar na de verbouwing in meerdere woningen van de hoeve konden zij daar niet langer blijven en door het groot publiek bekeken worden. De VZW “Max van der Linden” die het werk beheert sloot in 2018 een overeenkomst met de gemeente Beauvechain en de plaatselijke kerkfabriek. Als gevolg daarvan zijn heel veel wereldse werken van de kunstenaar nu te zien in de zaal Vert Galant in het gemeentehuis van Beauvechain terwijl de meeste sacrale stukken te bewonderen zijn in de kerk Saint-Martin in Tourinnes la Grosse. Enkele werken zijn nog op de hoeve (zoals “La Maison de mes Amis) en niet vrij toegankelijk maar of daarvoor nog altijd een oplossing gezocht wordt weet ik niet. Er is een speciale website http://www.maxvanderlinden.be/ maar daar heb je niets aan omdat die al vele jaren op non-actief gezet is en volgens mij beter opgeheven zou worden als hij niet gedeblokkeerd kan worden. Als er iemand is die nog eens kan vertellen waar en hoe je info kan vinden over de betekenis van de afzonderlijke werken van de kunstenaar (of over het verhaal waarin ze passen), vooral die in de kerk, ben ik zeer dankbaar.

La Rue de la Bruyère
Tourinnes-La-Grosse. Om vanaf L’Eglise Saint Martin naar La Chapelle du Rond Chêne te gaan, volg ik vanaf het parochiale centrum ‘Le Beau Vignet’ (vroeger de pastorie), de begraafplaats, de beschilderde elektriciteitskast en het kruisbeeld op de hoek de kasseien van de Rue de la Bruyère Saint Martin in noordelijke richting. Op het plein staat nog de oude pomp van 1861 en ik vraag me af hoe diep die wel gaat om hier op de heuvel water op te halen. Sinds wanneer beschikt men hier over een eigentijdse waterleiding? De naam van de straat zie je op de kaart op veel plaatsen in het dorpscentrum en hij stelt me voor een raadsel want een ‘heideachtig landschap’ is hier nergens te zien maar wellicht was het hier in de oude tijd wel veel droger dan nu. In deze straat staan veel huizen op de erfgoedlijst waarvan we er op deze wandeling drie passeren. De oude ‘vicarie’ naast het kerkhof dateert uit het einde de 18e, begin 19e eeuw. Het is een statig maar een beetje vervallen gebouw, half verborgen achter zijn indrukwekkende omheiningsmuur maar er zijn grote restauratiewerken aan de gang en ik ben benieuwd wat daarvan het resultaat gaat zijn. Daarnaast staat een al even statig woonhuis, dat uit dezelfde tijd stamt en oorspronkelijk een boerderij was. Nu is het een privé-woning en kantoor en met stevige hekken afgesloten. Een beetje verderop staat een in dit dorp nogal uit de toom vallende grote begin 20ste eeuwse villa die je onmiddellijk herkent als een typisch doktershuis. Wie er nu woont weet ik niet maar het was lang de praktijk van dorpsdokter Duchesne lees ik in het erfgoeddossier. Ik kom altijd weer onder de indruk van de indrukwekkende rij monumentale bomen die aan de rechterkant staan aan de rand van de schapenweide. Ik dacht aan eiken maar een lezer zegt dat het lindes zijn.

Zoals ik al eerder verteld heb is het die wei die de projectontwikkelaars graag nog zouden willen volbouwen tegen het protest van de plaatselijke bevolking in. Zo’n project gaat inderdaad wel heel erg in tegen het landelijke erfgoedkarakter van dit dorpscentrum dus ik reken er op dat het niet doorgaat. Is er iemand die de laatste stand van zaken kan vertellen? Op de hoek van de weide slaan we rechtsaf de Ruelle Collin in en dan staan we onmiddellijk helemaal buiten de bebouwing tussen de akkers. Hierna volg ik vanaf hier de Ruelle Sainte Barbe om een heel eind verder buiten het dorp uit te komen bij la Chapelle du Rond Chêne. Dat die kapel zo ver verwijderd staat van het centrum is geen toeval maar aan dat verhaal kom ik nog toe.
Ruelle Sainte Barbe
Op deze etappe van onze verkenningstocht in Tourinnes-la-Grosse (Beauvechain) stappen we langs de Ruelle Sainte Barbe richting la Chapelle du Rond Chêne. Over die kapel kom ik nog uitgebreid te spreken. Je bent hier aan de zuidkant van het Meerdaalwoud op het plateau dat je op oude kaarten aangeduid ziet als de Keiberg (zie de link naar mijn reportage over de keiberg). Die keien zijn daar miljoenen jaren geleden achtergelaten door de grote rivieren van toen en ze bezorgen de boeren last bij het ploegen. Die boeren zijn hier tot mijn verwondering duidelijk nog van de zeer onecologische grootschalige industriële stempel want er zijn nauwelijks bomen te zien, geen enkele heg en op de akkers spelen mais, suikerbieten en aardappelen de hoofdrol. Naast de veldwegen is zelfs geen stukje groen overgelaten om te vermijden dat het slib van de akkers er op terecht komt en richting dorp vloeit.

Zeldzame planten moet je hier dus niet verwachten en of er veel soorten dieren in dit landschap kunnen overleven betwijfel ik, ook al omdat het jagersgilde in deze streken nog wel erg opvallend actief is. De weg is hier en daar hol en op één plaats is er een indrukwekkende diepte geplaveid met kasseien. Dat duidt op zeer grote ouderdom en als je op de kaart kijkt zal je zien dat in de oude tijden de verbindingen vanuit Leuven met Jodoigne en Tienen hier over dit plateau gingen. In het verhaal over de Chapelle du Rond Chêne kom ik daar nog op terug. Ik hoop dat iemand van de streek me nog eens kan vertellen waarom deze veldweg genoemd is naar de heilige Barbara van Nicomedia. Deze schone Kleinaziatische dame leefde volgens de overlevering zo rond het jaar 300. Haar heidense pappa Dioscurus sloot haar op in een toren om haar te vrijwaren tegen de jonge mannen in de omgeving. Om haar helemaal aan de openbaarheid te onttrekken kreeg ze een eigen badhuis met twee ramen. Maar omdat ze zich in het geheim tot het christendom bekeerde vroeg ze om een derde raam om de heilige drievuldigheid te eren. Haar boze vader folterde haar vanwege die bekering maar als bij wonder genazen al haar letsels in de nacht. Wikipedia: “Uiteindelijk onthoofdde hij haar eigenhandig, maar werd daarop zelf door de bliksem dodelijk getroffen”. Blijkbaar gebeurde dat op 4 december want op die datum wordt ze als heilige gevierd door een hele reeks van uitoefenaars van gevaarlijk beroepen zoals brandweerlieden, geniesoldaten en wapensmeden, infanteriesoldaten en artilleristen, mijnwerkers, dakdekkers, bouwvakkers, steenhouwers, metaalgieters, telegrafisten maar ook van boeren, beiaardiers, hoedenmakers, gevangenen, stervenden en tenslotte ook van jonge meisjes. Op onze veldweg lijkt alleen haar bescherming van boeren en andere passanten tegen bliksem en storm van mogelijk belang te zijn want in die omstandigheden kan het op dit kale plateau wel gevaarlijk zijn denk ik.

La chapelle du Rond Chêne
Vanuit Tourinnes-la Grosse ben ik via la Ruelle Sainte Barbe aangekomen bij La Chapelle Du Rond Chêne helemaal op het einde van de Rue du Coulot op de kruising met de Rue du Stocquoi in het Waalsbrabantse dorpje Mille (deel van Hamme-Mille, Beauvechain). Daar staat zowat aan de bron en waterbekken van de Ruisseau ‘Le Mille een robuust maar sober gebouwde kapel met de naam ‘Chapelle Notre Dame du Rond-Chêne’. Over die kapel heb ik al veel geschreven, de laatste keer nog maar kort geleden in mijn verhaal over de wandeling op de Keiberg en het zuiden van het Meerdaalwoud (zie de link). Voor aandachtige lezers heb ik even weinig nieuws maar toch enkele vragen. Binnen lees je dat er hier al een kapel stond in 1358 en dat in die tijd op de kruising een dikke eik (Chesne) gestaan moet hebben. Het huidige gebouw in (ooit witte maar nu vuildonkere) Gobertange kalkzandsteen in klassieke stijl dateert van 1768 en dat staat ook (met enige moeite) te lezen in een steen in de boog boven de voordeur. Niet voor niets betekent ‘le Culot’ zoveel als ‘helemaal aan de rand’ want vanaf de 15de tot de 18de eeuw mochten de elders verdreven lepralijders uit het dorp hier hun geloof komen belijden vanuit hun ‘gesloten centrum’ met de naam ‘Cortil des Lattes’ (een met een schutting omheind terreintje) dat hier ergens in de buurt was (waarschijnlijk ten noordoosten van de kapel, maar het staat niet op de topografische kaarten die ik heb). Later werd deze kapel samen met de nabijgelegen ‘Chapelle de Saint-Corneille’ een belangrijk passeerpunt voor pelgrims.

Ter ere van de Heilige Maagd wordt er nog altijd elke zondag in de maand mei een rozenhoedje gebeden en op 15 augustus is er een hoogmis. Het oorspronkelijke Mariabeeld is in 1978 gestolen dus wat er nu staat is een kopie. De kapel wordt duidelijk in ere gehouden door de buurtbewoners want er staan bloemen en een harmonium. Sinds 1994 is hij beschermd als monument. Waarom veel van de ruitjes al jaren lang gebroken zijn en wanneer ook de binnenkant weer eens gerestaureerd wordt en aan de buitenkant het wit van de gobertange weer tevoorschijn zal worden gehaald zal worden weet ik niet. Waar de eik naar toe is me ook een raadsel. Er staan wel twee esdoorns en op een foto van 2014 staat er nog derde maar die is sindsdien gesneuveld. Zo’n mooie eeuwenoude kapel verdient wel een staanplaats in een kring van robuuste eiken om de al dan niet devote voorbijganger de weg te wijzen. Ik stel voor dat er twee jonge eikjes geplant worden zodat die groot zijn tegen de tijd dat de esdoorns het laten afweten. Kan er niet iemand van het dorp een initiatief in die richting nemen? Maar dan zou de kapel ook wel op en iets groter stukje eigen terrein mogen staan want zoals het nu is lijkt hij wel erg slachtoffer te zijn van de behoefte aan akkergrond.
La ferme d’Evrard
Ik blijf nog even staan aan la Chapelle du Rond Chêne in Beauvechain. Enkele honderden meters verder staat nog de in de 18de eeuw gebouwde vierkantshoeve ‘Ferme du Rond-Chêne’ maar of dat nu hetzelfde is als de vroegere ‘Ferme de Stakenborg’ die al in 1356 vernoemd wordt, moet ik nog uitvinden.

Op de kaart Vandermaelen van 1856 zie ik wel op die plek “Château Sainte Barbe” en dat verwijst ook naar een versterkte woning. De kapel ligt aan de bron van de Ruisseau de Mille op de grens tussen het Hertogdom Brabant en het Prinsbisdom Luik waarvan Beauvechain in die tijd nog altijd een kleine enclave is (Parti du Pays de Liège). Heeft de Chemin Sainte Barbe zijn naam aan het château te danken of andersom? Zoals ik al vertelde beschermt deze heilige wel de soldaten maar blijkbaar niet de smokkelaars en ik vang geruchten op dat de enclave in die tijd juist voor hen een paradijs was tenzij je betrapt werd en dan wel in de misère kon belanden. Wie meer weet over al deze raadsels mag het graag zeggen Rond de kapel vind je infoborden over het belang van de ‘arbres isolés’ op het kruispunt van holle wegen in een open boerenlandschap en over het belang van die wegen voor de natuur. En als troost voor iedereen die altijd opnieuw problemen heeft met de juiste naam (ik verwar die met de ‘Chapelle au Chêneau’ in Longueville): op die kaart staat heel uitdrukkelijk ‘Chapelle du Rond Chêsne’. Als je aan de kapel de vriendelijke herdershond (Lara) tegenkomt geef hem dan een aaitje want daar houdt hij van. Hij is helaas wel erg oud geworden en hoort en ziet niet meer zo goed. Zijn baas is Paul Evrard van de hoeve die naast de kapel staat. Paul is ver over de tachtig en altijd in voor een praatje. Hij weet alles over deze streek en ik denk dat alle akkers rond de kapel van hem zijn. Zijn hoeve zie ik pas voor het eerst op de NGI-kaart van 1969. Een laatste raadsel: op oude kaarten, voor de eerste keer op die van Vandermaelen van 1846 zie ik dat het eigenlijk de streek iets ten noorden van La Chapelle Du Rond Chêne is die ‘misère’ heet en niet het gehucht zelf. Aan de Rue Mollendaal staan op die kaart twee hoeves aangeduid als Ferme de la Petite Misère en Ferme de la Grande Misère.

Vanaf de kapel zie je beide hoeves staan. Het is van hier een heel mooi uitzicht die kant uit want aan de Rue de Mollendael (met kasseien) is er nog geen lintbebouwing en dat is zeldzaam tegenwoordig. Er is wel een aanvraag om nieuwe stallen te mogen bouwen dus ik vrees dat er verandering op komst is. Het woord ‘misère’ tref je in Waals-Brabant dikwijls aan op plaatsen waar in de oude tijd de oogsten gemakkelijk mislukten door droogte, vorst of een teveel aan water of waar er voortdurend plunderende troepen voorbij kwamen. Toch denk ik dat ‘la Misère’ aan La Chapelle du Rond Chêne vooral slaat op de leprozenkolonie en het ‘cortil des lattes’ waarbinnen die zieken moesten blijven. Op het infobord zie je waar dat cortil geweest moet zijn.
La Mille et ces inondations
Beauvechain. Om van la Chapelle du Rond-Chêne naar la Chapelle Saint-Corneille te stappen zijn er twee mogelijkheden. Neem de kaart (in het fotoalbum) er maar bij en dan zie je dat de eerste en kortste gaat langs la Ruisseau de Mille en dan via de Rue Jules Coisman rechtstreeks naar de kapel. Langs die straat staan nog wel enkele oude boerderijen maar nieuwe huizen en de auto’s nemen het straatbeeld over en om die reden neem ik liever enkele veldwegen iets noordelijker, de Rue de Stocquoy, Rue(elle) Jules Coisman en de Ruelle Simon dwars door het akkerland. Vlakbij la Chapelle du Rond Chêne sta je echter in de Rue du Culot aan een tamelijk nieuw uitziend ‘bassin d’orage’ en daar wil ik het even over hebben. Dat bekken maakt me nieuwgierig want de bron van het kleine beekje Le Mille is op deze plek dus hoe kan je daar nu al wateroverlast verwachten?

In de infofolder van het Contrat de Rivière Dyle-Gette lees ik dat de naam van het gehucht en het beekje Mille afstammen van de combinatie van het oude Frankische woord ‘haima’ dat ‘woning’ betekent en het Germaanse woord ‘Melna’ dat staat voor ‘fijn zand’. Dus de mensen wonen hier op een ondergrond van fijn zand en geologisch is dat volstrekt juist want het hele plateau bestaat uit oud zeezand met een toplaag van fijne leemstof. Op de Villaretkaart van 1745 zie je dat er alleen aan de rechterkant van het stroompje enkele hoeves zijn en verder overal weiden. Boven de bron was er in die tijd nog wel een en ander aan bos. Op de kaarten van vandaag zie dat de oevers aan beide kant helemaal volgebouwd zijn en het bos is nergens meer te bekennen. Bij heftige regenval kan het water niet anders dan tussen de gekanaliseerde smalle en dikwijls gebetonneerde kanten op grote snelheid naar beneden stromen en dat doet het dan ook. Er zijn elk jaar overstromingen op de laagste punten en met de klimaatverandering hebben die eerder de neiging om te verergeren dan te verbeteren. Hier en daar zijn er nog wel plekken om het teveel aan water op natuurlijke wijze over de weiden te laten uitvloeien maar als ik de berichten goed begrijp zien de overheden als belangrijkste oplossing om op een aantal plaatsen ‘bassins d’orage’ aan te leggen en die aan de bron van de Mille is daar blijkbaar een van de eerste van hoewel het denk ik tot 2017 geduurd heeft om plannen van 1998 te voltooien. Dergelijke bassins kosten veel om aan te leggen en stuiten bijna altijd op onteigeningsproblemen met de omwonenden. Bovendien is het niet alleen water dat meekomt bij onweer maar ook erg veel achtergelaten afval en slib van de hoger gelegen akkers. Dat slib komt ook terecht in de ondergrondse rioleringssystemen en dat zorgt voor extra moeilijkheden. De installatie waarvan ik je enkele foto’s toon is in feite bedoeld om vooral dat slib tegen te houden en moet dus ook regelmatig gereinigd worden.

Maar als ik zie dat de hellingen van de omringende akkers overal nog zeker tien meter hoger liggen dan de beekbedding en dan ook zie hoe de akkers geploegd worden denk ik dat de strijd tegen de erosie hier nog lang niet gewonnen is.
De Keiberg
Beauvechain – Tourinnes-La-Grosse. Ik ben op weg van La Chapelle du Rond Chêne naar La Chapelle Saint-Corneille. Ik kies er voor om niet via de lintbebouwing in het gehucht Mille te gaan maar via enkele veldwegen iets noordelijker, de Rue de Stocquoy, Rue(elle) Jules Coisman en de Ruelle Simon dwars door het akkerland. Een deel van dit traject heb ik al beschreven in mijn reportage over de Keiberg en het bosreservaat ‘le Renissart’ (zie de link). Het is een (naar mijn goesting veel te) open akker-landschap dat veel aan aantrekkelijkheid voor mens en dier zou winnen als de boer van de verderop gelegen Ferme des Biches zich zou laten overhalen om groen- en bloemstroken langs het pad aan te leggen, hagen te laten groeien zoals in de oude tijd en rijen bomen zou hebben langs de randen van zijn grote percelen met hier en daar een echte hoogstamboomgaard. Ik vind het moeilijk om te begrijpen waarom moderne bedrijfsgerichte boeren van nu zoals op deze plek dat niet doen want het gaat om de aanleg van zogenoemde ‘kleine landschapselementen’ en je hoeft er zelfs helemaal niet je grootschalige aanpak voor te wijzigen naar kleinschalige biologische landbouw. Voor aanleg en onderhoud krijg je premies (nog afgezien dat er tegenwoordig heel wat natuurorganisaties zijn met vrijwilligers om een handje toe te steken). Ik vrees dat het gebruik van grote hoeveelheden insecten- en onkruidverdelgers op dit plateau wel nogal zware gevolgen heeft voor de waterkwaliteit van het kleine riviertje Le Mille waarover ik het gisteren heb gehad.

Zeldzame planten kom je hier niet tegen maar gelukkig wel hier en daar bloempjes die erg goed tegen grote hoeveelheden stikstof kunnen en zelfs als bemesters worden gezaaid. Reeën zie je wel uit de verte (nooit dichtbij want daarvoor wordt er teveel gejaagd) maar hazen zie ik nooit meer in deze omgeving, die worden systematisch afgeschoten. Zwarte kraaien zie je hier massaal en in de zomer kan je veldleeuweriken spotten. Veel andere soorten zie ik hier niet. Mais, suikerbieten en andere veevoedergewassen zijn toonaangevend naast aardappelen en af en toe vlas. Dat laatste kleurt de akkers tijdens de bloei wel heel mooi blauw. In mijn Keiberg-reportage vertel ik ook over onze voorouders die hier woonden en werkten in het stenen tijdperk en over de meteoriet die in 1863 in deze omgeving ergens ‘op de straatstenen’ is ingeslagen. Het ging om een brok van 14,5 kilo en dat moet een flinke knal gegeven hebben. Het waren echter niet die van de Rue de Culot maar van de Chemin de Ramiers een beetje verderop richting Beauvechain.
La Chapelle Saint-Corneille
La Chapelle Saint Corneille staat op het grondgebied van Beauvechain. Maar als je niet door de mand wil vallen als vreemdeling moet je wel weten dat de mooie holle weg ‘La Ruelle de la Chapelle Saint-Cornélis’ behoort tot het gehucht Mille. Neem de kaart er even bij en dan zie je dat je er als voetganger komt vanaf het domein Valduc in Hamme-Mille of vanuit het Meerdaalwoud langs de Milsebaan langs de Ferme des Biches. Lang voor de bouw van de kapel moet hier in de Romeinse tijd de weg naar Tienen gelopen hebben die in het Meerdaalwoud bekend staat als de ‘Tiense Groef’ maar daar zie je nu niets meer van.

De Milsebaan is ook zeer oud. Die gaat dwars door het Meerdaalwoud en dan langs het kerkhof en de kerk van Blanden richting Leuven waar je hem opnieuw tegenkomt als holle weg ter hoogte van het Parkveld. Langs deze weg gingen de edelen, de kooplieden en de pelgrims. Hij is een belangrijke verbinding totdat in 1757 de steenweg tussen Namen en Leuven wordt aangelegd. De kapel wordt in 1460 gebouwd door Heer Willem van Bierbeek en zijn echtgenote Elisabeth de Berchimont en is sindsdien meermaals gerenoveerd. Op de Villaretkaart van 1745 zie je hem staan maar de naam zie ik pas op de op de kaart Vandermaelen van 1854. Hij staat op de kruising met de Rue Jules Coisman (gefusilleerd vrijheidstrijder) en is gewijd aan de heilige Cornelis die het tot Paus bracht maar toch in de woelige tijden van toen in 253 aan zijn einde kwam door onthoofding of ontbering. Cornelius betekent ‘zo sterk als een hoorn’ en op het platteland wordt hij vereerd als de beschermheilige voor de grote en kleine dieren met horens maar ook tegen epilepsie (de Corneliusziekte), krampen en zenuw- en oorkwalen. In Brabant noemt de volksmond hem ook Sint Knillis en zijn gedenkdag is op 16 september. Elk jaar gaat in Mille op initiatief van alle omliggende parochies op de 4de zondag na Pasen een kleurrijke processie uit om Sint Corneille te vieren en op andere zondagen worden de deuren geopend zodat je de binnenzijde kunt bewonderen. De keramiekwerken in de kapel zijn duidelijk van de hand van eigentijds devoot kunstenaar Max van der Linden. Sinds 1990 is de kapel beschermd als monument. Aan de kapel kan je onder een enorme linde op een bankje je dagelijkse beslommeringen even opzij zetten. Of die linde ook beschermd is weet ik niet maar ik hoop van wel.

Hof Ter Cammen
De gemeente Beauvechain is bekend om zijn mooie oude Brabantse vierkantshoeves. De bekendste en grootste daarvan zijn la Ferme de Grayette en de Ferme de Wahenges maar er zijn er veel meer tot in het centrum van het dorp en de verschillende deelgemeenten zoals Tourinnes-la-Grosse en Nodebais. Hoeveel er zijn in Hamme-Mille zou ik niet precies weten (wie helpt?). Een ervan staat recht tegenover la Chapelle Saint Corneille: het Hof ter Cammen. In het erfgoeddossier lees ik dat de hoeve gebouwd wordt in 1665 en dat er in 17de en 18de eeuw belangrijke verbouwingen zijn geweest. Wie hem gebouwd heeft wordt niet vermeld en over de eigenaar(s) vind ik ook niets. Het was een pachthoeve (métairie) maar waarom hij zo heet blijft duister. Werd er bier gebrouwen (het woord ‘Cammen’ wijst daarop), werd er vlas ‘gekamd’ of heeft het te maken met de manier van bouwen van de topgevel in het schuurdak (een houten ‘kamstructuur’ opgevuld met kalk)? Wie er meer over weet mag het graag zeggen. Sinds het jaar 2000 (?) is de hoeve ‘inscrit comme monument’ op de Waalse inventaris van waardenvol bouwkundig erfgoed. Maar terwijl la Chapelle Saint Corneille in zeer goede staat verkeert is de boerderij er uiterst slecht aan toe. Blijkbaar waren de gebouwen in de 17de en 18de eeuw nog helemaal in orde en zelfs op een oude foto van 1981 ziet het hoofdgebouw er nog in redelijk goede staat uit. Ik heb lang gedacht dat er niemand meer woont maar dat is blijkbaar nog wel het geval. De troosteloze staat van de hoeve getuigt van de noodzaak om na bescherming als monument ook toe te zien op restauratie en daarvoor ook de nodige publieke middelen te verschaffen. Op een foto die ik vijf jaar geleden nam zie je dat het dak van de schuur naar beneden hangt en diezelfde foto kan je vandaag ook nemen, zij het dat alles nog verder vervallen is.

Daar staat tegenover dat je nog kan zien dat in vroeger tijden de mesthoop en de drinkwaterput en pomp op dergelijke hoeves zich gebroederlijk naast elkaar op de binnenplaats bevonden. Die schilderachtige maar niet erg gezonde toestand wordt meestal na eigentijdse restauratie al dan niet decoratief weggewerkt door de nieuwe eigenaars-van-nu (niet-boeren) die liever geen onhygiënische toestanden recht aan hun voordeur hebben. Van de traditionele notelaar die op dergelijke plekken werd geplant om de insecten weg te houden is op deze plek dan weer niets meer te bespeuren. Ik pleit ervoor dat de diensten verantwoordelijk voor de erfgoedbescherming wat meer initiatief zouden tonen om te vermijden dat Hof ter Cammen binnenkort alleen nog op foto’s te zien is. Misschien kan de gemeente er ook eens wat aandacht aan besteden? het zou toch wel leuk zijn als hoeve en kapel samen voor de komende generaties bewaard blijven en eventueel zelfs met een gezamenlijke bestemming. Wie heeft een oplossing?
Le moulin Crèvecoeur – Wuyts
Ik kom toe aan het laatste aandachtspunt in deze luswandeling in Tourinnes-la-Grosse en zoals beloofd gaat deze over de voormalige watermolen Crèvecoeur (Wuyts) op de kruising tussen de Rue de Grand Brou en Rue du Moulin juist aan de ingang van het dorp vanuit Hamme-Mille. Vanaf het pleintje met de kasseien en op de Open Streep Map is de tot een smalle goot gekanaliseerde Le Ruisseau de la Néthen nauwelijks meer te zien maar dat is wel nog het geval op de NGI-kaart van 1989.

De molen zelf zie ik voor de eerste keer aangeduid op de Villaretkaart van 1745 dus die kan best heel veel ouder zijn. In de databank van Molenechos wordt hij beschreven als een bovenslagrad watermolen om koren te malen en dat betekent dat er in die tijd ter plekke een groot verval moet zijn geweest wat je op de oude kaart kan vermoeden omdat stroomopwaarts La Néthen dan al rechtgelegd is om te kunnen stuwen terwijl de beek stroomafwaarts nog in vele kronkels verder stroomt. In 1884 en 1901 werd hij nog flink vergroot. In 1907 kwam er een petroleummotor gevolgd door een armgasmoter (‘gaz pauvre’) in 1920 maar in die tijd werd er ook nog gemalen met waterkracht. Waarom hij de naam draagt van ‘moulin Crèvecoeur’ weet ik niet want bij de eigenaars-molenaars vanaf 1834 vind ik alleen de naam van de plaatselijke familie Maisin en Wuyts. Hubert Joseph Napoléon Wuyts-Sallets – molenaar te Haasrode – koopt de molen in 1932 en ik denk dat Joseph Evarist Anastasia Wuyts-Steeno vanaf 1950 de laatste molenaar was want hij wordt aangeduid als ‘molenaar te Tourinnes-la-Grosse’. Wanneer hij er mee opgehouden is weet ik niet maar sindsdien is het bovenslagrad en binnenwerk verwijderd en het grote bakstenen gebouw omgebouwd tot privéwoning met verscheidene appartementen. Als je het weet herken je het gebouw wel als een voormalige molen maar ik moet eerlijk toegeven dat ik er al vele jaren passeer en maar pas sinds kort weet dat het vroeger een molen was en wel dankzij Els Coremans, telg van een bekende molenaarsfamilie (Vertessens) die in het verleden goed bevriend was en nog is met de familie Wuyts en we samen eens een kijkje zijn gaan nemen. Dankzij een heel oude maar nog springlevende en heel vriendelijke dame in het huis tegenover de molen weten we nu dat ‘Wuyts’ in Tourinnes-La-Grosse wordt uitgesproken als ‘Wiets’ en dat hij als zodanig nog leeft in de herinnering.

Met Els ga ik binnenkort nog andere molens bezoeken je gaat er nog van horen. Le Ruisseau de la Néthen is maar heel kleine beek. Ik heb even geteld hoeveel watermolens er gebouwd zijn en ik kom tot zes (!): Sint-Joris Weert (Molens Vanden Bempt), Néthen (domein Savenel), Hamme-Mille (Les Claines), Hamme-Mille (Valduc), Tourinnes-la-Grosse (Crèvecoeur-Wuyts) en Beauvechain (Moulin de Robermont). Ze zijn er nog allemaal maar alleen die in Sint Joris Weert is nog in bedrijf. In die van Valduc zijn alle installaties er nog maar de nieuwe eigenaar houdt niet van bezoekers op zijn domein en heeft alles ferm afgesloten wat ik helemaal niet meer van deze tijd vind. De molen in Tourinnes is niet echt beschermd maar hij staat wel ‘inscrit comme monument’ in de Waalse inventaris van het waardenvol bouwkundig erfgoed. Einde van het verhaal op deze tocht.
+++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++
http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/recherche/recherche (Place Saint Martin, Rue de la Bruyère Saint-Martin, Rue de La Haye – Tourinnes-la-Grosse)
+++
http://tourinnes-lotissement.org/ NON au lotissement à côté de l’église de Tourinnes-la-Grosse tourinnes-lotissement.org (Réagissez au permis d’urbanisation introduit pour un lotissement de 17 maisons dans le coeur du village de Tourinnes-la-Grosse)!

+++
Over de Eglise St.Martin’ met een beschrijving van het interieur:
Inventaire du patrimoine culturel immobilier
spw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/…/25005-INV-0060-02
+++
Saint-Martin : https://nl.wikipedia.org/wiki/Martinus_van_Tours
+++
Max van der Linden – Fêtes de la Saint-Martin tourinnes.be/oeuvres-max-van-der-linden-nl/?lang=nl
+++
+++

http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/fiche/index?sortCol=2&sortDir=asc&start=0&nbElemPage=10&filtre=&codeInt=25005-INV-0062-02 (Parochiaal centrum, Place Saint-Martin 1)
+++
http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/fiche/index?sortCol=2&sortDir=asc&start=0&nbElemPage=10&filtre=&codeInt=25005-INV-0180-01 (doktershuis Duchesne)
+++
(Rue de la Bruyère Saint-Martin 25)
+++
http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/fiche/index?sortCol=2&sortDir=asc&start=0&nbElemPage=10&filtre=&codeInt=25005-INV-0084-02 (ancienne vicairie, Rue de la Bruyère – Saint Martin)
+++

https://nl.wikipedia.org/wiki/Barbara_van_Nicomedi%C3%AB
+++
http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_thema/index.php/dossier/viewpdf/BC_PAT/25005-CLT-0004-01/?printpdf=true (la Chapelle du Rond Chêne)
+++
http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/fiche/index?sortCol=2&sortDir=asc&start=0&nbElemPage=10&filtre=&codeInt=25005-INV-0061-02 (la Chapelle du Rond Chêne)
+++
http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_thema/index.php/dossier/viewpdf/BC_PAT/25005-CLT-0004-01/?printpdf=true (la Chapelle du Rond Chêne)
+++

Pieter Evers
(intérieur de la Chapelle du Rond Chêne)
+++
+++
https://www.tijd.be/dossiers/nergens-zonder-weg/nergens-zonder-weg-in-tourinnes-la-grosse/10232185.html (ferme Evrard)
+++
La Nethen – Protégeons notre rivière ! www.crdg.eu
+++

Expropriations contre les inondations – La Libre www.lalibre.be › Régions › Brabant
+++
«Marre d’être inondés depuis vingt ans» (Beauvechain) www.lavenir.net › cnt › marre-d-etr..
+++
Beauvechain Le deuxième des trois bassins d’orage … www.lesoir.be › art › beauvechain-l…
+++
Beauvechain : “On en a marre des inondations” – DH Les … www.dhnet.be › … › Brabant wallon
+++

COMMUNE DE BEAUVECHAIN www.beauvechain.be › form_pcdn_bilan_actions
+++
BEAUVECHAIN Enquête publique à Hamme-Mille Le bassin … www.lesoir.be › art › beauvechain-e…
+++
Beauvechain : “On en a marre des inondations” – DH Les … www.dhnet.be › … › Brabant wallon
++++
http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/pdf/fiche/25005-INV-0023-02?fbclid=IwAR2mPmzOT1x6xEoOAToHeUpyVA79GRrvjAqO4mM8EQ4RlVUC8Q8jHX712Tw (Chapelle Saint-Corneille)
+++

http://www.hesbayebrabanconne.be/sites/default/files/b2_promenade_dame_et_mlin.pdf
+++
http://walloniebelgietoerisme.be/nl/content/processie-saint-corneille
+++
https://www.destinationbw.be/fr/procession-saint-corneille-hamme-mille-1
+++
http://www.heiligen.net/heiligen/09/16/09-16-0253-cornelius.php
+++
http://spw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/pdf/fiche/25005-INV-0024-02 (hof ter cammen)
+++
Molenechos: https://www.molenechos.org/molen.php?nummer=2153 (moulin Crèvecoeur-Wuyts)

+++
http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/fiche/index?sortCol=2&sortDir=asc&start=0&nbElemPage=10&filtre=&codeInt=25005-INV-0194-01 (moulin Crèvecoeur-Wuyts)
+++
https://opstapinhetlandvandedijleendedemer.home.blog/2020/12/13/verkenning-over-de-keiberg-ten-zuiden-van-het-meerdaalwoud-mollendaalbos-van-la-chapelle-du-rond-chene-in-tourinnes-naar-het-bosreservaat-le-renissart-en-dan-terug-via-brise-tout-de-rachierhoeve-en-d/ +++ https://www.lpi.usra.edu/meteor/metbull.php?code=24038&fbclid=IwAR0fHkkcGz77fX2cWzoucM5zemw_csVq1jyQiZmdK0MDHe9kQb_VYpecf1w
trefwoorden :
beauvechain, tourinnes, chapelle du rond chêne, chapelle saint-corneille, saint-martin, bierbeek, waterwandeling, brunerode, église, max van der linden, nodebais, chapelle gosin, keramiek, keiberg, mille, culot, hof ter cammen, moulin wuyts, crèvecoeur, evrard,

Voorjaar 2021
Ernst Gülcher
Contact: ernst.guelcher (at) telenet.be

Sla naar rechts af vanaf de Tiensesteenweg uit de richting Leuven ter hoogte van Lovenjoel (Bierbeek) en dan sta je enkele honderden meters verder bij de Sint Lambertus kerk aan de ingang van het vroegere domein van de familie de Spoelberch. Drie jaar geleden maakte ik hier al eens een reportage over maar nu de sneeuwklokjes in bloei staan kom ik terug. De smeedijzeren wapenschilden en andere delen van de poort aan de ingang van de dreef naar het landhuis zijn zo’n twintig jaar geleden gestolen, of de poort er zelf nog is weet ik eigenlijk niet (wie wel?), maar de Molenbeek stroomt nog altijd in het midden van het ‘Groot Park’ zoals dat al eeuwen het geval is. Aan de rechterkant staat een hele verzameling massieve gebouwen met een torentje dat er boven uitsteekt. In 1915 schonken de erfgenamen van de adellijke familie heel dit gebied van 35 hectare aan de Katholieke Universiteit Leuven. Die verpachtte het aan de Zusters van Liefde van Gent om er de psychiatrische kliniek Salve Mater op te bouwen. De eerste gebouwen van die toen ultramoderne kliniek werd in 1927 plechtig geopend door koningin Elisabeth. Na een bewogen bestaan waarin sinds de jaren 1980 het park langzaam in verval raakt, verlaten de laatste patiënten de kliniek in 2007 en sindsdien staan de gebouwen lang grotendeels leeg (maar nooit helemaal!). In 2004 wordt maakt de universiteit duidelijk dat zij de zorg voor het domein wenst af te staan en na veel discussie wordt het park in delen opgesplitst om te verkopen. Het gebouwencomplex wordt sindsdien omgebouwd tot een residentieel park met appartementen en enkele kantoren en na jaren verbouwen is een en ander opgeleverd en in gebruik.

Onder het torentje van de kerk van het vroegere klooster moet er nu een gedeeld privé-zwembad zijn voor de bewoners die blijkbaar met grote belangstelling intekenden op het renovatieproject. Het vallei-deel naast de Molenbeek komt rond de eeuwwisseling voor een klein deel in het bezit van Natuurpunt en voor een veel groter gedeelte – waarin ook het 18de eeuwse landhuis – in handen van Leuvenaar Bert Verlinden en zijn echtgenote Elly Kog. In 1994 is heel het Groot Park samen met het nabijgelegen kloosterpark van Ave Regina beschermd als dorpsgezicht en cultuur-historisch landschap. Dankzij die bescherming, maar vooral door de natuurbelangstelling van de nieuwe beheerders zijn de natuurwaarden van dit stukje vallei bewaard gebleven samen met het (gespaarde) gedeelte van de) verzameling monumentale bomen die de familie de Spoelberch in hun tijd liet aanplanten.
Hier en daar in het Groot Park van Salve Mater in Lovenjoel kom je pijlen tegen naar het ‘Whitehouse’ maar eigenlijk kun je het sneeuwwitte gebouw niet missen want het hele park is zo aangelegd dat je vanuit het in 1750 gebouwde landhuis ‘van Plaisanterie’ alles kunt zien. Sinds 1999 is deze voormalige buitenresidentie van de familie De Spoelberch een prachtig gerestaureerde privéwoning maar sinds 2014 ook een in heel Leuven en omstreken bekende kunstgalerij.

Dankzij de toegewijde eigenaars is het park publiek toegankelijk op voorwaarde dat bezoekers niet al te dicht bij de woning komen, op de paadjes blijven en de bomen met rust laten. De oevers van de beek – natte lemige gronden en een aantal kalkminnende venige bronzones – zijn waarschijnlijk een tijdlang parkgazons geweest maar worden thans als soorten- en bloemrijke hooilanden beheerd zoals in de oude tijd. De bomen zijn al vele tientallen jaren beroemd. Zowel Jan-Hendrik-Jozef de Spoelberch (1766-1838) als zijn zoon Maximiliaan-Antoon-Theodoor (1802-1873) hadden grote belangstelling voor dendrologie. In de loop van de 19de eeuw werden talrijke, vaak zeldzame soorten en variëteiten aangeplant, een collectievorming die tot circa 1870 intensief werd voortgezet. In 1894 wordt in het Bulletin de la Société Centrale Forestière de Belgique een gewone moerascipres (Taxodium distichum) vermeld, toen al met een stamomtrek van 308 centimeter. Die boom bevindt zich nu nog vlakbij het kasteel en de omtrek is ondanks een recente blikseminslag aangegroeid tot 463 centimeter. In die tijd worden 350 soorten ‘houtachtigen’ geteld waarvan er in 1990 nog 120 over zijn. Het Groot Park van Lovenjoel mag beschouwd worden als een van de belangrijkste dendrologische collecties van België. Op mijn foto’s van mei 2017 zie ik dat ik hier in een later seizoen moet zijn om de volle pracht van die bomen te kunnen bewonderen. Wel denk ik dat er in de afgelopen jaren toch enkele gesneuveld zijn want er liggen boomstammen, al dan niet in stukken gezaagd. Bomen hebben van nature wel een lang leven maar toch niet voor de eeuwigheid en dus moet je er regelmatig nieuwe aanplanten.

Behalve enkele vazen en een ijskelder met paviljoentje trekt vooral de rond 1836 door plaatselijk smid Van Schoonbeeck vervaardigde ‘Chinese’ boogbrug over de Molenbeek de aandacht. Het is een zeer fotogeniek roestig geval dat volgens het erfgoeddossier ooit gerestaureerd zal worden maar voorlopig waag je je er beter niet op denk ik want elke stap kan er een teveel zijn. Over de betekenis van die bruggen heb ik een romantisch Chinees sprookje gevonden en dat gaat als volgt.
De Chinese brug in het Groot Park in Lovenjoel is daar in opdracht van de kasteelheer van toen, naar ik aanneem Burggraaf Maximiliaan-Antoon-Theodoor De Spoelberch gezet rond 1836 door plaatselijk smid Van Schoonbeeck. Zo’n brug was toen de mode die tijd in van die deftige parken en je vindt ze nog op veel plaatsen waar een beetje romantiek in de lucht hangt. In afwachting van restauratie mag je de fotogenieke maar sterk geroeste brug niet betreden en zul je het moeten doen met het Chinees sprookje over de koeherder en het weefstertje dat ik op het internet vond op een Nederlandse website (zie de link). Lang geleden dwaalde een arme herder met zijn kudde rond in een verafgelegen dal aan een bergrivier. Terwijl hij onder een dikke boom uitrustte hoorde hij stemmen van lieftallige meisjes die in de rivier aan het baden waren. Hij ging er op af en kon het niet laten om de kleren van een van de meisjes te pikken en zich daarmee achter een boom te verstoppen. Wat hij niet wist was dat hij aan het loeren was naar de zeven bloedmooie dochters van de Jadekeizer, de Heerser van de hemelen en dat hij zich meester had gemaakt van het gewaad van de jongste van de zusters die beroemd was om haar weefkunst van wolkenbrokaat voor haar vader.

Na hun bad kleedden de prinsessen zich weer aan behalve de jongste want die vond haar kleren niet meer terug. Tenslotte zat ze wenend aan het water. Toen kwam de herder tevoorschijn en gaf de kleren terug op voorwaarde dat zij met hem zou trouwen. Heel netjes was die handelwijze niet maar in die tijd was in de liefde blijkbaar nog alles geoorloofd. Het weefmeisje kon niet anders dan toestemmen. De bruiloft vond plaats en ze werden zowaar allebei heel erg gelukkig. In hun geluk vergat de herder echter om nog aan zijn koeien te denken en de prinses raakte haar weefstoel helemaal niet meer aan. Ze speelden de hele dag alleen nog maar met elkaar. Dat ging dus mis want vanuit de hemel had vader Jadekeizer alles zien gebeuren en in zijn misnoegdheid zond hij een bode naar de prinses met de opdracht voor de levering van wolkenbrokaat. Omdat zijn wens niet werd opgevolgd zette hij het bruidspaar aan de hemelse rivier met de herder aan de ene kant en het weefstertje aan de andere oever. Door de breedte van het water konden ze elkaar niet meer zien, laat staan dat ze ooit nog bij elkaar zouden kunnen komen. Hun verdriet was zo groot dat de eksters medelijden met het echtpaar kregen. Op de zevende dag van de zevende maand kwamen ze allemaal aangevlogen, legden hun vleugels over elkaar en vormden zo een lange boogbrug over de hemelse rivier. Over deze brug konden de koeherder en het weefstertje naar elkaar toekomen voor een ontmoeting halverwege op het hoogste punt: “vanaf dat moment herhaalt zich elk jaar op de avond van de zevende dag van de zevende maand hetzelfde tafereel: de eksters vormen een brug voor het liefdespaar. Op warme zomeravonden zien we aan de hemel nog de Melkweg met de hemelse rivier; aan de éne kant de koeherder en aan de andere het weefstertje.” Nu weet je waarom zo’n brug ook ‘Eksterbrug’ genoemd wordt.

Wikipedia: ‘Hoewel eksters bijna altijd als slecht worden gezien in Europa, worden de vogels in Korea aanzien als de vogel van voorspoed, een brenger van een zekere toekomst en een voorteken van geluk. Ook in China is de ekster een teken van een goed lot’. Ik hou wel van eksters. Overigens vind je deze bruggen ook in Japan.
Aan de lage en enigszins uitgeholde vorm van het landschap met een “eilandje” met een beuk er op, maar ook aan de vegetatie (riet) kan je vermoeden dat er aan de Molenbeek in het Groot Park in het verleden een vijver moet zijn geweest. Dat wordt bevestigd door de Ferrariskaart van ca 1775 (blad 112, Hougarde). Je ziet daar één grote vijver rechts van het dan gloednieuwe ‘Chateau de Sp(o)elberg, nog twee kleine vijvers er juist boven en nog enkele gebouwen zoals een hoeve een watermolen. De vijvers en de hoeve zijn er niet meer maar de molen staat er nog altijd en is zelfs in 1994 als monument beschermd onder de naam Heystmolen. Vande watermolen van Lovenjoel is al sprake in 1354. In 1747 kwam hij in het bezit van de familie de Spoelberch. Het huidige molenhuis draagt het jaartal 1749 en dat is dus waarschijnlijk het jaar waarin het gebouwd werd. De molen kwam daarna in handen van achtereenvolgens de Zusters van Liefde en de KUL. De molen bleef in bedrijf tot in 1896 om graan en boekweit te malen. Bijna een eeuw later werd hij in 1989 als bijna-bouwval verkocht aan een privépersoon die het geheel renoveerde tot woning. Als je niet weet dat dit ooit een molen was kun je het nauwelijks zien want alle inrichting en bovenslagraderen zijn verwijderd en ook de aftakking van de Molenbeek naar de molenvijver is verdwenen. Hierna steek ik over naar het ‘Klein Park’.

Vanaf het Groot Park en de kerk van Lovenjoel zie je er niets van vanwege de grote gebouwen die er voor staan maar daarachter ligt richting Tiense Steenweg nog een tamelijk groot parkgebied met de naam ‘Klein Park’. In het erfgoeddossier lees ik dat vandaag het park gedomineerd wordt ‘door het Medisch Pedagogisch Instituut Ave Regina, gelegen tussen het Hof ten Poele, later Felixhof, en de dorpskerk. Net voor de Tweede Wereldoorlog werd gestart met de bouw ervan. De instelling is uitgegroeid tot een zorg- en begeleidingscentrum voor jongeren en volwassenen. De centrale toegangsweg van de instelling loopt uit op het U-vormige Felixhof, gelegen ten oosten van de instelling.’ De familie Spoelberch kocht het dorp Lovenjoel in 1649 en hun domein strekte zich uit over het Groot Park, het Klein Park en de kerk er tussenin. In die tijd bestaat dat Klein Park met een oppervlakte van 11 hectare nog uit akkers en hooilanden en het kasteel was nog een van de vierkantshoeve Hof ten Poele afstammend landhuis met de naam ‘Château de Lovenjoul’ met een dreef naar de huidige Tiensesteenweg. Nogmaals het erfgoeddossier: ‘Op het einde van de 18de eeuw was de aanleg zelf beperkt tot de omgeving van het kasteel: er was toen een moestuin, een grote en een kleine vijver en een boomgaard; een kleine laan verbond het kasteel met de kerk. Het park werd pas aangelegd in de periode 1807-1810 in een vroege landschappelijke stijl met een tot vijvers opgestuwde beek; een cascade met waterspuwers is nog aanwezig. Omstreeks 1860 liet de toenmalige eigenaar Felix Xavier de Spoelberch (1808-1868) belangrijke aanplantingen uitvoeren waarvan diverse oude en zeldzame bomen bleven bewaard. Ook de groentekelder die bewaard bleef ten zuidoosten van het kasteel zou gebouwd zijn door Felix de Spoelberch.

Hij was de broer van Maximiliaan de Spoelberch, die op dat ogenblik eigenaar was van het Groot Park. Een laatste fase in de aanleg van het park dateert uit het einde van de 19de eeuw, toen het bezit was van Karel de Spoelberch; ook hij liet een generatie parkbomen aanplanten; de meest opmerkelijke realisatie uit die periode is echter de beplanting van de huidige Dreef met zwarte walnotelaars.’ Wie het park zoals ik voor een eerste keer bezoekt zal merken dat van die mooie beschrijving tegenwoordig nog nauwelijks iets te zien is. Na de nog wel statige voorhof van het kasteel wandel je langs smalle paadjes door een best wel mooi boslandschap waar behalve de Molenbeek nog wel enkele natte plekken zijn maar een vijver zal je er tevergeefs zoeken. Het kan zijn dat op moerassige plekken in het voorjaar heel wat voorjaarsbloeiers te zien zijn maar als geheel is het park vooral een vrolijk speelbos geworden met hutten en andere zelfgebouwde constructies. Wel staan er veel sneeuwklokjes in bloei. Of er nog zeldzame bomen zijn kan ik in dit seizoen niet goed zien maar er liggen wel veel dikke stammen tegen de grond.
Het fijne van het Klein Park – Ave Regina in Lovenjoel is natuurlijk dat anders dan veel voormalige kasteelparken het publiek toegankelijk is en bovendien erg rustig, ik denk vooral omdat het voor passanten niet zo duidelijk is dat er achter de grote gebouwen van het instituut en het kasteel nog een plezierige natuur-omgeving is. In het park zelf hoor je wel het geluid van de veel te drukke Tiensesteenweg die er vlak aan de noordkant langsgaat. Op de kaart zie ik dat je zonder problemen kunt doorsteken naar het Koebos van Natuurpunt aan de andere kant van de baan.

Aan de zuidkant zou je de Kerselarenlaan moeten kunnen oversteken om in het Bruulbos te komen maar blijkbaar gaat dat niet omdat er een pad afgesloten is en moet je eerst een eind langs de drukke baan stappen wat ik minder interessant vind. Het park is als erfgoedlandschap beschermd sinds 2004 en wordt naar ik begrijp beheerd door de eigenaars want op een bordje staat dat Ave Regina VZW de ‘verantwoordelijke uitbater’ is. Of er een beheerplan is weet ik nog niet maar kennelijk is het niet de bedoeling om het erfgoedkarakter te bewaren of in ere te herstellen. In de tijd van de familie Spoelberch zijn er heel wat bijzondere bomen aangeplant. In 1991 waren er daarvan nog een hele reeks over (zie het erfgoeddossier en de studie van Roger Deneef) waaronder een mammoetboom, een plataan, een varenbeuk, verschillende soorten beuken, een ginkgo biloba en een bonte Engelse iep maar of die er nu nog zijn heb ik nog niet kunnen ontdekken. In tegenstelling tot het Groot Park is in het Klein Park in de vorige eeuw heel wat productiebos aangelegd met Amerikaanse eiken en naaldhout. Voor de bouw van het instituut is overwogen om het neer te zetten in het park zelf. Uiteindelijk is het aan de voorkant van het kasteel Felixhof gebouwd maar om het laag gelegen terrein bouwrijp te maken zijn wel grote hoeveelheden bouwpuin aangevoerd. In 1955 werd op voorstel van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen een rij van majestueuze rode beuken ‘één der mooiste beukencomplexen van het land’ langs de Stationsstraat beschermd maar een halve eeuw later zijn ze bijna allemaal verdwenen door aantasting van de reuzenzwam.

Ik lees in het erfgoeddossier dat er een en ander aan monumentaal ‘tuinmeubilair’ geweest moet zijn, onder meer ‘een dubbele arduinen drempel geflankeerd door twee stèles met elk twee waterspuwende bronzen leeuwenkoppen, een medaillon met een sierlijk bas-reliëf van brons of terracotta en een boogvormige opening onderaan’ aan de overstort van de vijver naar de Molenbeek. Daarvan zou nog het een en ander moeten over zijn maar door het gebruik van beton in onze tijd ‘zijn de oorspronkelijke vormen en materialen niet meer zichtbaar’. In het park is de enige brug over de Molenbeek die ik gezien heb een betonnen plaat die niets romantisch heeft. Als ik de houten boswachter was van wie er een beeld in het bos staat bij het ontmoetingsbord zou ik toch er voor pleiten om in de komen jaren de verwaarlozing stop te zetten en naast het aanbrengen van educatieve natuurelementen de erfgoedwaarden van het park te herwaarderen. Zo moeilijk kan dat nu toch ook weer niet zijn zou ik denken.

+++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++
Over het Groot Park:
https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/300760
+++
https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/127005
+++
http://www.thewhitehousegallery.be
https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/200196
(de Heystmolen)
+++
Roger Deneef ea – Historische tuinen en parken van Vlaanderen – Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap – Brussel 2004 (ISBN 90-403-0196-4) – p.67-76

Over het Klein Park:
+++
https://inventaris.onroerenderfgoed.be/themas/16557
+++
https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/300774
+++
https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/215123
+++
DENEEF R. (redactie) 2004: Historische tuinen en parken van Vlaanderen, Bierbeek, Boutersem, Glabbeek, Oud-Heverlee, M&L Cahier 9, 76-83.

Een Chinees ekstersprookje:
http://www.ekstersenzo.nl/cultuur_sprookjes-china/
Chinees sprookje
| De koeherder en het weefstertje |
| (Chinees sprookje, vertaald uit het Engels/Duits door Peter van Nies) |
+++
https://nl.dreamstime.com/redactionele-fotografie-de-eksterbrug-image54366292
+++
http://www.ekstersenzo.nl/cultuur_sprookjes-china/


trefwoorden: Lovenjoel, Groot Park Salve Mater, Klein Park Ave Regina, Spoelberch, Whitehouse, China, eksterbrug, Heyst, watermolen,
april 2021
Ernst Gülcher
contact: ernst.guelcher (at) telenet.be

Gréz-Doiceau vormt samen met Beauvechain een heel mooi wandelgebied juist over de taalgrens aan de zuidkant van het Meerdaalwoud. En als je dan nog verder naar het zuiden gaat kom je in de streek van Chaumont-Gistoux en Jodoigne. Wie in Vlaanderen een beetje genoeg heeft van de drukte en de platgetrappelde paden in onze veel te schaarse natuurgebieden en op zoek is naar een plek om een beetje rustig van de mooie natuur en erfgoed te genieten en ook openstaat voor een ‘bonjour’ en een praatje met de erg vriendelijke bewoners, kan ik heel de streek bijzonder aanbevelen. Zoals overal in Brabant biedt de Toeristische Dienst van Gréz-Doceau een aantal wandeltrajecten aan in het centrum en in de deelgemeenten en in overleg heb ik beloofd om die eens af te stappen om foto’s te nemen en die te voorzien van een beetje meer inhoudelijk commentaar dan dat er nu bijstaat en met telkens een overzichtelijk plannetje om je de weg te wijzen.
Haal de kaart er even bij en dan zie je dat het grondgebied van deze gemeente zo’n 55 km² bestrijkt en sinds de fusie van 1977 naast het centrum bestaat uit de deelgemeenten of gehuchten Néthen, Gastuche, Archennes, Florival, Pécrot, Bossut-Gottechain, Biez, Hèze en Cocrou. Hier en daar sta je boven op het plateau maar meestal ben je op stap in de dalen van de grote en kleine rivieren en beken die allemaal op weg zijn naar La Dyle: Le Train, Le Piétrebais, Le Pisselet, Le Lembais, Le Glabais, Le Ruisseau de Hèze, maar ook Le Ruisseau de La Néthen en La Grande et la Petite Marbaise. De streek is al heel lang ontgonnen door de landbouw maar er is toch nog wel wat bos ten vinden, meestal in handen van adellijke families en om die reden dikwijls nog niet toegankelijk (dikwijls bezet door jagers): Bois de Laurensart, Bois de Beausart, Bois de Bercuit. Maar aan de noordkant sluit de gemeente aan op het Meerdaalwoud dat met uitzondering van het domein van Savenel volledig toegankelijk is.

Helaas zijn de twee tramlijnen (le vicinal) door de gemeente (lijn Leuven-Jodoigne en Jodoigne-Wavre) verloren gegaan maar in de vallei van La Dyle kom je via de vier treinstations Pécrot, Florival, Archennes en Gastuche onmiddellijk in topnatuurgebied en je hebt dus echt geen auto nodig om daarvan te profiteren. Echte autostrades zijn er hier niet dus dat is ook mooi meegenomen.
Net als in Vlaanderen wordt wel veel nieuwbouw gezet en dikwijls op de mooiste hellingen. Dat veroorzaakt asfaltering van paden, de bouw van sportterreinen, het aanbrengen van schuttingen en anti-inbraakborden (‘les voisins veillent’) en het lawaai van bladblazers, bosmaaiers, maaimachines, heggescharen en kettingzagen maar anderzijds is de tuincultuur in Waals-Brabant een stuk natuurvriendelijker dan aan de andere kant van de taalgrens en het respect voor oude huizen en gevels is best wel groot.
In deze reportage ga ik vanaf de Place Communale in het centrum van Grez-Doiceau langs de Train met een ommetje langs het Château naar het zuiden naar het gehucht Morsaint. Daar steek ik de rivier over en maak de tamelijk steile klim naar ‘de butte’ van Biez met zijn mooie Eglie Saint Martin die je van overal in de omgeving ziet. Daarna daal ik af en steek via een smal paadje tussen de voormalige Moulin de Pir®oir en het Château opnieuw de rivier over terug naar het punt van vertrek. Deze wandeling gaat langs comfortabele paden en is maar zo’n 4 km lang maar er zit dus wel een steil stuk in. Als je dat wilt vermijden kan je ook onderlangs de kerk in Biez de Chemin de Vicinal volgen maar dan mis je de mooie vergezichten.

We vertrekken op la Place Ernest Dubois tussen de Eglise Saint-Georges en de pastorie, beiden geklasseerd als erfgoed-monument. Als er zich iets minder auto’s zouden langs wringen op weg langs de N240 van Waver naar Jodoigne zou je hier best ook heel je vrije dag kunnen doorbrengen want zowat ieder gebouw op dit plein en in de omgeving staat op de Waalse lijst van bouwkundig en cultureel erfgoed en er zijn ook enkele café’s die er gezellig uitzien. Dat dit mooie plein niet al lang parkeervrij (en bordenvrij) gemaakt is vind ik jammer want ik zie op de kaart een publieke parking ietsje verderop. Fietsen doen ze hier kennelijk niet aan want er is er zelfs geen één te zien. Zelfs de monumentale zomerlinde op het plein is door auto’s ingesloten. Hij doet het nochtans goed denk ik maar hij staat niet op de erfgoedlijst. Of hij daar ooit geplant is als ‘vrijheidsboom’ of om welke andere reden kom ik niet te weten maar het lijkt wel eker te zijn dat hij er voor 1930 als een tijd stond.
Het monumentale neoklassieke gemeentehuis op de hoek met de Rue de jodoigne is gebouwd in 1885 met onder meer de plaatselijke ‘calcaire grésieux’. Iets verder op deze wandeling komen we nog een oude steengroeve tegen. De pastorie er naast dateert uit de 18de eeuw en de Romaanse kerk op het plein is in 1782 gebouwd door de Abdij van Valduc in Hamme-Mille als de opvolger van zijn 12de eeuwse voorganger. In de brochure van de toeristische dienst lees ik dat: ‘L’intérieur, mérite l’attention de par son maître-autel, ses stalles du XVIIe siècle, son grand Christ du XIIIe et sa chaire de vérité du XVIIe. Vous pourrez également y admirer une lignée de Sainte Anne gothique, des statues de Saint Roch et de Saint Nicolas (XVIIe) et des céramiques de Max vander Linden ainsi que de très belles boiseries et un banc de communion. Elle fut jadis le centre de pélerinage dédié à Saint Marcoul (tableau et statue)’.

Het is het de moeite waard om een rondje om de kerk te stappen. Diep beneden je zie je de rivier stromen in een opgemetselde bedding tussen steile grauwe muren van oude nogal haveloze deels begroeide gebouwen. Volgens de kaart Vander Maelen van 1845 kijk je hier op een molen en een brouwerij. In de directe omgeving staan er nog vier brouwerijen aangeduid. Hoeveel daarvan nog in gebruik is weet ik nog niet, om er meer van te zien moet je aan Rue Lambermont zijn maar je moet wel erg lang zijn om over de omheiningen te kijken. Het prozaische anti-overstromingsmuurtje langs de kade vertelt je dat deze problematiek een wat minder toeristisch hoofdstuk vormt in ons verhaal over Le Train. Ik kom daar nog op terug.
Ik volg even de aanwijzing van de touristische dienst: « Passez devant l’église pour déboucher dans la rue de la Barre et tournez à gauche. Au coin se trouve une maison du XVIIIe siècle, dite maison espagnole, qui a gardé son aspect d’origine. Dans la rue de la Barre (No 7, 8, 9) se trouvent de belles maisons villageoises du XVIIIe siècle. Juste avant le pont, prenez le chemin à droite qui suit la rivière dit quai Saint Michel. Une allé d’aubépines rend cette partie du parcours très agréable. » Aan de overkant staat nog een bijzonder monumentale boom (zomerlinde) bij een heel mooi statig wit huis (Avenue Compte Jean Dumonceau 1). Even verder staat een al even monumentale treurwilg.
De rivier is op dit stuk helemaal gekanaliseerd hoewel de oevers wel afgeschuind en groen zijn. Het water is helder. Ik lees dat de waterkwaliteit varieert van ‘goed’ tot ‘slecht’ en over het algemeen ‘gemiddeld’ is. Op de door de Contrat-de Rivière-Dyle-Gette gepresenteerde kaartjes kan ik niet zien of en waar er waterzuiveringsstations zijn maar blijkbaar zijn er de laatste jaren wel op een aantal plaatsen collectoren geplaatst om het rioolwater op te vangen. Sinds de natuurwaarden beter worden beschermd, zwemt er in toenemende mate weer vis in het water zoals donderpad, baars, stekelbaars en – ondersteund door een programma van herintroductie – ook weer forel. Er wordt dan ook uitgebreid gevist maar zo te zien aan de borden niet zonder vergunning van de plaatselijke visautoriteiten.

Speciaal voor de vissers zijn de autoriteiten in Grez-Doiceau al enkele tientallen jaren geleden begonnen met het aanleggen van rotsachtige ‘drempels’ in de rivier ter hoogte van de aansluiting van de Piétrebais op de Train en sinds 2016 worden die ook op andere stukken aangebracht met de steun van de Provincie Waals-Brabant. Wie goed kijkt zal zien dat de rotsblokken zo zijn geplaatst dat het water aan de oevers vertraagd wordt terwijl de snelstroom midden door de rivier gaat. Daarmee dienen de stenen ook als middel om erosie tegen te gaan en zorgen ze voor zuurstof in het water. Ik vind het mooi gedaan omdat het de rivier een natuurlijker uiterlijk geeft ondanks de rechtgetrokken bedding.
Le Train in Gréz-Doiceau ziet er uit als een onschuldig riviertje maar als je even op het internet zoekt naar het verband met ‘inondation’ krijg je een waslijst van rampenmeldingen wanneer na een zwaar onweer het water weer eens in de straten staat. Een systematisch overzicht heb ik nog niet gevonden maar het is duidelijk dat na een grote ramp in het jaar 2002 (misschien ook al eerder) tot en met 2020 zowat ieder jaar en dikwijls in de zomer er groot alarm is, dramatische verhalen en foto’s gepubliceerd worden en er maatregelen en plannen worden aangekondigd om toekomstig ongemak te voorkomen.
De stenen drempels in de rivierbedding worden blijkbaar op veel plaatsen gelegd sinds 2016, ik lees dat er ook veel werk gemaakt wordt van het onderhoud van de oevers en het ruimen van slib, afval en bomen en andere obstakels die in de rivier terecht komen. Er wordt ook opgetreden tegen lieden die nog altijd hun brandstoftanks en andere vuiligheden op de rivier lozen. Daarnaast worden telkens plannen voorgesteld om opvangbekkens aan te leggen op laag gelegen plekken maar die vergen zeer grote investeringen, houden al te dikwijls geen rekening met de natuur-ecologische opvattingen van deze tijd, geven geen garantie op voldoende werking en stuiten op groot verzet van de plaatselijke bevolking, zowel natuurliefhebbers als boeren. Is dit een probleem van onze tijd of was het er al in de middeleeuwen? In de historische databank van Echarp (Tarliers en Wauters) vind ik er niets over en oudere mensen vertellen dat in hun tijd er geen overstromingen waren.

Op de Villaret-kaart van 1745 zie je Le Train en al zijn zijrivieren in talloze kronkels door de vallei gaan. Alleen op plekken waar er molens zijn is de waterloop stroomopwaarts over een korte afstand rechtgetrokken om te kunnen stuwen. Honderd jaar later is die toestand op de kaart Van Der Maelen nog altijd zo. De kronkels vertragen de stroomsnelheid en als het debiet toch te groot werd kon het teveel over de weiden en de moerassen in de vallei wegvloeien zolang dit nodig was. Op eigentijdse kaarten zie ik nog wel kronkels maar er zijn ook op veel plaatsen verdwenen doordat de bedding rechtgetrokken is, hetzij om het land te kunnen bewerken, hetzij om huizen te bouwen en wegen aan te leggen. Dit is bijvoorbeeld het geval ter hoogte van Bonlez, juist ten zuiden van het centrum van Gréz-Doiceau. Ook op de Piétrebais hebben veel kronkels plaatsgemaakt voor woningen en wegen. De Piétrebais komt in een rechte goot aan op Le Train aan de Pont d’Arcole juist voordat de rivier het stadscentrum bereikt. Het water wordt dus gewoon veel te snel afgevoerd en stropt aan de eerstvolgende ‘flessenhals’
Het probleem wordt verergerd door de toenemende ‘verharding’, lees nieuwbouw, asfaltering, betegeling en betonnering door huizen en wegen en door de veranderende klimaatomstandigheden (die laatste zorgen op hun beurt ook voor het tegendeel: de verdroging doordat de regen wegblijft). De oplossing lijkt toch te zijn om de vallei terug te geven aan de rivier, de bochten weer aan te leggen, de oevers af te schuinen en vooral alles te doen om de ‘natuur-van-toen’ weer te herstellen en voor die aanpak zijn er ondertussen heel wat goede voorbeelden voor wie ze weet te vinden.

Gréz-Doiceau aan Le Train. Vanuit het centrum staan we nu op le Pont d’Arcole op de plek waar het riviertje Le Piétrebais uitmondt in Le Train. De brug dankt blijkbaar zijn naam aan een inwoner van het dorp met de naam Thiry en in 1872 staat hij nog aangeduid als “le pont du Noir Trou” en dat zou betekenen dat er toen een sluisje was. Het zou de oudste brug zijn in het dorp waarlangs de oude weg tussen Jodoigne en Waver passeerde. Dat moet dan toch heel lang geleden zijn want op mijn oude kaarten (Villaret 1745) ziet het er zo niet uit (hoewel je je het oude tracé wel kan voorstellen).
De kasseien op het pleintje komen waarschijnlijk uit de nabijgelegen steengroeve richting Morsaint waar we nog zullen langskomen. Langs de Avenue Comte Jean Dumonceau kom je bij het Château van Gréz. Jean-Baptiste Dumonceau, graaf van Bergendael speelde een belangrijke rol als maarschalk van de Hollandse troepen in de tijd van Napoléon en hij en/of zijn erfgenamen waren in die tijd de eigenaars.
Het kasteel is volgens de gemeentelijke toeristische dienst “sans conteste le monument le plus important de la vallée du Train. Situé le long du Piétrebais dont les eaux alimentent ses douves le château fut habité par les seigneurs de Grez dont la première lignée pourrait remonter à la fin du Xe siècle. Le donjon trapu et garni de meurtrières est le seul vestige de l’époque féodale. Ses murs ont une épaisseur de 1,45 m à la base et il ne reçut sa toiture qu’au XVIe siècle. A côté se situe l’entrée primitive du domaine où l’on accédait par un pont-levis. Sa grande porte cochère surmontée d’une magnifique pointe de pignon à volutes de style Renaissance est remarquable. Dans la maçonnerie son gravés les armes des van den Berghe et des Liminghe. La seule tour ronde subsistante est un colombier remarquable avec 500 boulins et son échelle tournante intérieure. Le château, rectangulaire et limité à l’origine par quatre tours d’angle a subi d’importantes modifications au XIXe siècle. Il est actuellement séparé en deux habitations distinctes (propriétés privées) ».

Sinds de vroegste middeleeuwen was hier de burcht van zeer hooggeplaatste heersers over de omgeving en ook na de verbouwing tot het complex dat je nu ziet in de 19de eeuw is het de eigendom gebleven van voorname families. In de tiende eeuw is Grez een klein graafschap met graven waarvan er tenminste één (Werner de Greis) beroemd is geworden als een geducht strijder in de eerste kruistocht met de bestorming van de stad Jerusalem onder Godfried van Bouillon. Nadien lijkt het er op dat de hertog van Brabant de macht van de leden van dit ridder-geslacht iets heeft willen beperken door hen niet meer als ‘graaf’ te vermelden en ook door in het kader van het Charter van Kortenberg in 1372 met de burgers van het nabijgelegen dorp een pact te sluiten over een zekere zelfstandigheid. Om alles te weten over deze ingewikkelde geschiedenis verwijs ik je naar de link van Echarp onder deze bijdrage. De naam van die burcht en seigneurie in de documenten van de Hertog van Brabant – Greis, nadien Grez – wijst er op dat er al in die tijd kalksteen-groeven waren.
Wie het nu bezit weet ik nog niet. Jammer genoeg zie je er niet veel van want de privé-bewoners van nu hebben kennelijk niet graag in hun erfgoed geïnteresseerde voorbijgangers aan of op hun terrein en hebben – zoals dikwijls het geval is – het domein omringd met een dichte begroeiing. Toen ik laatst even iets naderbij kwam om toestemming te vragen om toch een foto te maken werd ik vanuit de verte meteen bestraffend aangeroepen door een dame die juist uit haar auto stapte. Om er meer over te weten is het dus waarschijnlijk wachten op een gunstige gelegenheid zoals een open monumentendag denk ik. Of is er iemand in Gréz-Doiceau die een introductie kan bezorgen bij de kasteelbewoners?

Vanaf de Pont d’Arcole volgen we het pad naar het zuiden richting Morsaint langs de rivier. Dankzij Thierry Spreutel weten we ondertussen dat de brug zijn naam dankt aan een buurtbewoner Thiry en dat hij nog in 1872 de naam droeg van ‘le pont du Noir Trou’. Dat zou er dan weer op wijzen dat er in die tijd nog een sluisjes was. Het is een heel mooi natuurtraject. Langs de kasseien van de Quai Saint-Michel staan mooie huisjes. Bij een ervan kijkt een geit ons nieuwsgierig aan. In de oude tijd moet hier nog een aan het kasteel toebehorende ‘fabrique des cloux’ (ijzeren nagels, later nog motoren) gestaan hebben aan een klein groevetje zie ik op de oude kaarten. De kasseien maken plaats voor een veldweg die op de kaart ‘chemin des Prés Sains’ heet. De gezonde weiden zijn nu akkers geworden maar zo te zien niet van een biologische hoeve. Jammer genoeg staat er ook een helemaal niet bij het natuurlijke landschap passende gloednieuwe megastal. Op de geploegde helling daarachter staat een groot gebouw omgeven door mooie bomen waaronder een monumentale kastanje: het vroegere hospice van Pery (zie de link naar het erfgoeddossier), nu een verzorgingscentrum voor bejaarden. Aan een brugje gaat aan de overkant het ‘Sentier de la Bar’ – dat is voor de terugweg. Onmiddellijk daarna staat verborgen achter een dichte begroeiing aan de overkant de watermolen ‘Franc Moulin’ die nu een niet toegankelijke privéwoning is. De informatie over die molen is een beetje verwarrend maar als ik het goed begrepen heb gaat het over de vroegere ban-molen van Grez die al heel oud is. Hij was voor de helft van de Hertog van Brabant en voor de andere helft van de Seigneur de Grez (Piétrebais). De huidige gebouwen van de molen zouden dateren van 1773 en later. In het erfgoeddossier vind je een mooie foto maar vanaf het pad zie je er bijna niets van.

Op een van mijn foto’s zie je hem van een afstand aan de overkant van de rivier. In Molenechos vind ik de molen wel onder deze naam maar op een andere plek (Rue de la Barre) en met een er niet op lijkende foto maar het kan zijn dat er verwarring is doordat er in deze omgeving sinds de oudste tijden veel molens hebben gestaan. De rivier is hier en daar toegankelijk vanwege de plekjes met borden van de visclub. In een bosje een beetje verder zie je als ‘privé’ aangeduide vijvers en als je goed kijkt kan je al vermoeden dat het gaat om een vroegere steengroeve. Op de kaart Vandermaelen van 1846 staat deze plek aangeduid als ‘carrière des pierres à paver’. Dus waarschijnlijk zijn de kasseien op het pad nog uit die tijd. Of de stenen in de muur van de donjon van het Château uit deze groeve zijn gehaald weet ik niet maar hij moet al heel oud zijn. De productie van kasseien begon hier in het begin van de 19de eeuw en ik lees dat de groeve toen al heel lang verlaten was. Het gewonnen materiaal bestaat uit ‘quartzite gedinien’, gevormd door kalkachtige afzettingen (vissen, schelpen) in de warme zee tijdens het zeer boeiende geologisch tijdperk van het ‘devoon’ zo’n 400 miljoen jaar geleden. Nadien bedekt met dikke lagen zand zijn die afzettingen door de druk chemisch omgevormd tot rotsachtige harde kalk-houdende bleekgrijze, blauwige, soms groenachtige of witte harde zandsteen. In de oude tijd werd dit met de hand gewonnen en weggevoerd maar naarmate de groeve dieper werd moesten er paarden aan te pas komen en kon men ook het water niet meer met emmers de baas. In 1839 sloot de eigenaar een overeenkomst met de molenaar van de molen van Pirroir (of Piroir, aan de Rue de Basse Biez) om het water weg te pompen maar in 1856 was het er mee gedaan. De ondertussen alweer verdwenen (en/of gerecupereerde) kasseien van de weg tussen Waver en Jodoigne kwamen voor een groot deel van hier lees ik (details in Echarp, zie de link). Ik denk dat in die tijd het landschap er hier heel wat minder idyllisch moet hebben uitgezien dan nu en of het toen echt zo ‘gezond’ was betwijfel ik een beetje.

Boven op de helling aan de overkant zie je hoog op de heuvel de l’Eglise Saint Martin van Biez maar daar komen we nog wel. Het dal wordt breder en in de weiden staat een rij indrukwekkende wilgen. Langs de rivier grazen de koeien en paarden in de weiden. Op het einde staat op het einde van de winter een groot stuk onder water maar het pad blijft droog en is zelfs niet modderig.
Vandaar kun je rechtdoor naar het zuiden langs het heel mooie ‘Sentier de Bonlez’ maar dat valt een beetje tegen omdat je aan het einde terecht komt aan de Rue de Bonlez, een smalle maar toch beetje te drukke autoweg waar je niet meer afgeraakt tot aan het helemaal afgesloten en onzichtbare Château de Bonlez waar je dan links kan om ook al weer tussen de auto’s terug naar Gréz-Doiceau te komen.
Van de belangrijkste historische bezienswaardigheid in deze omgeving is helaas niets meer te zien. Ik lees in Echarp: “Ce qui est plus important et incontestable, c’est la précieuse trouvaille faite, vers 1860, au Champ de Présenne, près de Morsain, à 1,300 m. S. de l’église paroissiale, à l’est du grand chemin conduisant à Bonlez, dans un terrain appartenant à M. Rouchaux. Il y eut là, évidemment, une villa romaine. » Onder de leiding van de toenmalige eigenaar van le Château de Gréz, Graaf Du Monceau werd een zeer grote ruïne blootgelegd van 16 bij 6 meter met beschilderde muren van verscheidene kamers en zuilen en een oven. Het veld ligt aan de rechterkant van ons pad maar de ruïne heeft men achteraf maar weer begraven om de boerenactiviteit te kunnen voortzetten. Waar het precies is weet ik nog niet, zelfs vanuit de lucht is er niets te zien tussen de ploegsporen en het gras.

Echarp : « les nombreux débris trouvés en cette occasion servirent aux fondations des nouveaux bâtiments de la ferme Rouchaux, à Morsain; M. Du Monceau a toutefois conservé : deux grandes tuiles, de 35 c. sur 53; deux grandes dalles, de 40 c. sur 26; trois carreaux, de 22 c. de diamètre, du genre de ceux qui, par leur superposition, formaient des piliers; trois rondelles en terre cuite, dont 2 de 29 c. et 1 de 25 c. de diamètre, rondelles qui formaient des colonnettes; de larges briques épaisses de 2 c., d’autres débris de maçonnerie, le fragment de pierre meulière mentionné plus haut, neuf échantillons de peintures murales etc.». Wellicht bevinden die zich nog op het kasteel. De Ferme de Morsaint (ik denk dat het nu een manege is) staat een beetje verder op de Rue de Bonlez 6 en is ingeschreven op de Waalse inventaris van het bouwkundig erfgoed (zie de link voor de technische beschrijving). Ik heb er echter nog geen foto van.
De naam Morsaint heeft voor een keertje niets te maken met een heilige maar verwijst naar een plaatselijke chef met de naam Morc(h)e die hier rond het jaar 1000 zijn ‘heim’ ofwel ‘hain’ of huis zou hebben gehad. Hij was een van de vele ‘fiefs’ in de streek van Gréz en we weten van hem omdat rond het jaar 1000 de echtgenote van Graaf Werner van Grez verschillende huizen (manses) afstond aan de Abdij van Gembloux waarvan twee in Morceshem tegen een jaarlijkse belasting van ’10 sous de Louvain et 4 poules’. Zijn opvolgers worden opnieuw genoemd in 1530 maar dan heten ze al ‘de Morchain’, nadien vervormd tot ‘Morsain(t)’. Naar het zuiden richting Bonlez kom je in de Rue de Royenne maar waar die naam vandaan komt weet ik nog niet. Op de kaart zie je op deze plek ook de naam ‘Basse-Biez’ maar waar nu precies de grenzen zijn kan ik niet zien.

Op deze tocht gaan we richting (haute)-Biez en l’Eglise Saint Martin. Over Biez als dorp vind ik niet direct zo heel veel informatie. De naam betekent Berk en dat zou rond 1200 naar ‘berg’ verwijzen en niet naar de boom. Ik lees dat rond 1200 Biez nog toebehoorde aan Guillaume de Piétrebais die een vazal was van het Prinsbisdom Luik maar dat het honderd jaar later in handen kwam van Ridder Rodolphe de Greis (Grez) en het daarmee deel uitmaakte van het hertogdom Brabant. Sinds 1977 is het dorp officieel deelgemeente van de fusiegemeente Gréz-Doiceau.
Op de Villaret-kaart van 1746 staan er nog maar heel weinig huizen op en rond de beroemde ‘butte van Biez’ en honderd jaar later zijn het er nog altijd niet veel. Ook vandaag is – anders dan in zusterdorp Hèze – de bebouwing bescheiden maar daar lijkt verandering in te komen want het is duidelijk dat de belangstelling om villa’s met uitzicht op de vallei te bouwen flink groot is. In de Rue de Beau Site zie ik plakkaten van bezorgde buurtbewoners over geplande bouwprojecten en vlak onder de historische kerk is een weelderige villa gebouwd die zowel het zicht op de kerk als dat op het dal ferm belemmert. Voor het ogenblik kan je vanaf de helling tussen de huizen nog wel in het dal kijken maar als de bebouwing toeneemt en de nieuwe bewoners hun tuinen afsluiten met hagen en schuttingen (zoals de gewoonte is) gaat die mogelijkheid verloren. En bovendien kijk je dan vanaf de rivier niet meer op een groene natuurhelling maar op gebouwen, een aspect van landschapsverandering dat naast ontbossing en grondverharding bij het afleveren van bouwvergunningen systematisch over het hoofd gezien wordt.

Dwars door het dorp liep vroeger de buurttram waarvan nu nog de ‘Chemin de Vicinal’ over is die ik op een afzonderlijke verkenningstocht in de verf zal zetten. In de tijd van en voorafgaand aan die tram waren de dorpsbewoners heel wat minder welgesteld dan tegenwoordig want ik lees dat rond 1852 100 van de 650 dorpelingen, onder wie de meeste leden van de plaatselijke protestantse gemeenschap wegens de armoede naar de Verenigde Staten emigreerden samen met honderden lotgenoten uit Gréz. Hun afstammelingen zouden vandaag nog in de staat Wisconsin terug te vinden zijn als deel van een actieve Belgische kolonie. Aan de ingang van de Rue Royenne staat een bordje ‘Musée 40-45’ maar waar het is weet ik nog niet en op het internet vind ik er niets over.
De Eglise Saint Martin is onbetwist het hoogtepunt van deze verkenningstocht in Biez. Neem de kaart er even bij en dan zie je dat je vanaf de honderd meter hoge heuvel (butte) uitkijkt over de gehele omgeving zoals Morsaint, le Bercuit, le Centry, Archennes, Gréz, Bossut en Cocrou. Bij helder weer zou je zelfs de zuidrand van het Meerdaalwoud moeten kunnen zien.
In het erfgoeddossier lees ik het volgende: “Bien campé au sommet de la colline, édifice de style classique construit en brique et calcaire gréseux en 1772 (soubassement, base de la tour, encadrement des baies et des trous de boulin, chaînages d’angle, corniche) et restauré à la fin du 19e siècle. Tour ouest semi-engagée entre deux annexes courbes; nef unique de deux travées, et, dans un même volume rétréci en arrondis, choeur d’une travée droite suivi d’un chevet en abside. Sacristies aux nord-est et sud-est. Remontée en 1893, tour de trois niveaux séparés par des bandeaux. Rez-de-chaussée en moellons assisés et pierre de taille, dont le noyau provient de l’église précédente. » In 2010 zijn er opnieuw uitvoerige restauratiewerken gedaan waarbij schilderingen in de linker muur zijn blootgelegd die in de tijd van de Franse revolutie voor de veiligheid waren verborgen.

Sinds wanneer er hier al een kerk staat weet ik nog niet maar ik vermoed al in de 12de eeuw. De parochiale registers van Biez beginnen op 14 februari 1616 en ik begrijp dat ook de inwoners van Hèze hier de mis bijwonen maar dat die van Morsaint en andere dorpen in de omgeving officieel naar de Eglise Saint-Georges in Grez-Doiceau zouden moeten. Maar op de website www.egliseinfo.be lees ik dan weer dat de kerk nu tot de pastorale eenheid van Dion behoort. Gods wegen zijn ondoorgrondelijk en de kerkgeschiedenis is ook al niet rechtlijnig zullen we maar zeggen. Ik ben er nog niet binnen geweest want het is jammer genoeg niet een ‘Eglise Ouverte’ maar het interieur moet erg mooi zijn. Op het kerkplein binnen de muren heeft het oude kerkhof blijkbaar wel plaats moeten maken voor een parking maar de poort en de oude bomen zijn gebleven. Rond de kerk zie je nog verscheidene 18de en 19de eeuwse grafstenen, waarvan één voor Grégorius Van Dormaal, pastoor in Biez en overleden in 1789. Juist buiten het bereik van onze wandeling vind je op nr.17 in de Rue de Beau Site nog de pastorie en op nummer 12 een eveneens als erfgoed beschermde hoeve. Op nummer 30 sta je voor het vroegere 19de eeuwse gemeentehuis en dorpsschool. Het is nu ‘la maison de quartier de la butte de Biez’ en wordt samen met de mooie boekenkast beheerd door de VZW ‘les amis de la Butte de Biez asbl’.
We zijn toe aan de laatste etappe in onze rondtocht vanuit Grez langs Le Train naar Morsaint en Biez. Ik kijk nog even bij het kruisbeeld op nummer 38 van de Rue du Beau Site. Het komt van het kerkhof in Audergem en staat hier sinds 1952 onder een vrijheidslinde. Vanaf de kerk nemen we een heel klein hol paadje naar beneden met de naam ‘Chemin de la Bar’. Het komt beneden uit op de ‘Chemin Vicinal’, ofwel de bedding van de vroegere tram

Even verder rechtdoor staan we op de Rue de Basse Biez recht tegenover de gebouwen van de voormalige Moulin de Pir(r)oir. De deur is potdicht want het is nu een ontoegankelijke privéwoning maar hij wordt al genoemd in het jaar 1312. In die tijd was het een korenmolen met een onderslagrad boven Le Train. De molenaar moest in die tijd een cijns betalen aan het Kapittel van Cambrai (Kamerijk) en een jaarlijkse vergoeding van 10 mudden graan aan de prior van Basse Wavre op voorwaarde dat die iedere zondag een hoogmis zou zingen. Wikipedia: “In Vlaanderen was één mud gelijk aan 6 zakken (= 12 halsters = 24 veertellen = 48 meukens = 96 achtelingen = 384 pinten = 218 liter).” In de 19de eeuw kwamen de molenaars-eigenaars van de familie Devroye. In 1934 eeuw neemt de familie Bogaerts het over. In 1829 wordt op de andere oever een hennepbreek-watermolen opgericht.
De huidige gebouwen stammen vooral uit de 19de eeuw. In 1914 wordt het gebouwencomplex vergroot. In die tijd wordt er ook elektriciteit opgewekt maar dat stopte al kort na de eerste wereldoorlog. Ik vermoed dat in die tijd ook het onderslagrad vervangen werd door een gietijzeren turbine. Die is nog aanwezig samen met een deel van de binneninstallatie. Alles zou in goede staat zijn en de molen is ‘inscrit comme monument’ op de Waalse Inventaire du Patrimoine Culturale. In 1944 is de molen nog eens vergroot maar in die tijd werd er gemalen met een elektrische motor en niet op waterkracht. De laatste molenaar was Jean Ghislain Bogaerts en ik begrijp dat sinds 1980 de molen niet meer maalt. Het erfgoeddossier : « Dans un pré à l’ouest, vanne de régulation du ruisseau posée sur piliers de pierre bleue ». Die heb ik nog niet gezien.
Vanaf de molen volgen we even de straatweg richting Gréz-Doiceau totdat we linksaf een klein paadje met een wel erg grote schutting kunnen volgen naar een bruggetje over de rivier waarna we naar rechts gaan terug naar het vertrekpunt. Einde van deze tocht.


+++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++
village Grez-Doiceau – Tourisme Grez-Doiceau
www.otl-grez-doiceau.be/villGrezHistoireFr.php
+++
http://www.otl-grez-doiceau.be/promFr.php (nos promenades)
+++
http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/recherche/recherche
(via zoekopdracht: alle erfgoedgebouwen op de Place Dubois)
+++
Place E. Dubois 2, GREZ-DOICEAU (Grez-Doiceau)
+++

+++
http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/fiche/index?sortCol=2&sortDir=asc&start=0&nbElemPage=10&filtre=&codeInt=25037-INV-0036-02 (l’Eglise Saint-Georges)
+++
http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/recherche/recherche (Rue de la Barre, Rue Henri Bruneau, Rue Fontaine, Quai Saint Michel))
+++
(‘Spaanse’ hoekwoning Quai Saint-Michel 6)
+++
(Avenue Compte Jean Dumonceau 1 – aan de brug)

+++
http://www.crdyle-gette.be/site/etat-des-lieux-qualite/733-le-train-a-grez-doiceau.html
+++
+++
http://www.echarp.be/twcwav20.php
+++
Grez-Doiceau – Décision de principe du conseil pour …
www.lesoir.be › art › %2Fgrez-doic…
28 aug. 2003 — Le conseil communal de Grez–Doiceau de mardi a pris la décision de principe de … Cette décision intervient un an après les terribles inondations des 27 et 28 … Ils ne concernent ni le Train, ni le Piétrebais, mais des affluents.
Grez-Doiceau – Décision de principe du conseil pour aménager trois bassins d’orage ou zones inondables

+++
Se protéger contre les risques d’inondation par ruissellement …
www.grez-doiceau.be › actualites
Site de Grez–Doiceau … Avec elles, revient le risque d’inondations boueuses lors des premiers orages … Check-list INONDATION (Je suis inondé, que faire ?)
00
+++
+++
http://sybilledecoster-bauchau.com/grez-doiceau-ma-commune/
+++

+++
La province de Brabant wallon retire sa demande de permis …
www.rtbf.be › info › regions › detai…
+++
La lutte contre les inondations continue à Court-Saint-Etienne …
lacapitale-brabant-wallon.sudinfo.be › …
27 jan. 2019 — les communes de Grez–Doiceau et de Court-St-Etienne, les assureurs et les riverains.
+++
https://prezi.com/mzdajdb8bbtl/lutte-contre-les-inondations-a-grez-doiceau/
La Belgique touchée par les inondations: Les pompiers …
www.lalibre.be › belgique › la-belgi…
24 jun. 2016 — … Dans l’entité de Grez–Doiceau, la chaussée de Jodoigne ainsi que les ..
+++.
Le cours d’eau du Train pollué aux hydrocarbures à Grez …
www.rtl.be › … › Régions › Brabant
10 sep. 2020 — Cette fois, c’est le Train à Grez Doiceau qui est impacté. Une fuite s’est produite dans une ancienne citerne à mazout proche.

+++
Inondations, orages, mini-tornade: la nuit a été mouvementée …
www.lesoir.be › article › 2020-08-14
14 aug. 2020 — Dans la région de Wavre, Grez–Doiceau et Ottignies/Louvain-la-Neuve, les services de secours ont aussi …
+++
Grez-Doiceau en zone inondable (Grez-Doiceau) – Lavenir.net
24 aug. 2010 — La Région wallonne recense les zones à risque d’inondation. Grez–Doiceau n’en manque pas, avec le Train.
+++
(le Château)
+++
(Avenue Comte J. Dumonceau 1, GREZ-DOICEAU (Grez-Doiceau))

+++
+++
http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/fiche/index?sortCol=2&sortDir=asc&start=0&nbElemPage=10&filtre=&codeInt=25037-INV-0055-02 (hospice aan de Rue des Béguinages)

+++
http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/fiche/index?sortCol=2&sortDir=asc&start=0&nbElemPage=10&filtre=&codeInt=25037-INV-0235-01 (watermolen ‚ Le Franc Moulin)
+++
https://www.molenechos.org/molen.php?nummer=1335
(watermolen, le Franc Moulin)
+++
http://www.geolsed.ulg.ac.be/geolwal/geolwal.htm
(Une introduction à la-GEOLOGIE de la WALLONIE)
+++
https://nl.wikipedia.org/wiki/Devoon
+++
(Ferme de Morsaint – Rue de Bonlez 6, Gréz-Doiceau)
+++
http://www.netradyle.be/biez.htm

+++
(l’Eglise Saint-Martin)
Adresse principale : Rue de l’Eglise Saint-Martin, GREZ-DOICEAU (Biez)
+++
https://www.dhnet.be/archive/l-eglise-saint-martin-restauree-51b7e648e4b0de6db99660a1
+++
https://www.egliseinfo.be/lieu/13/biez/saint-martin—biez
+++
(maison communale)

+++
(calvaire rue du Beau site 38)
+++
https://www.molenechos.org/molen.php?nummer=705
(Moulin du Piroir, met mooie foto’s van de aan de straat onzichtbare delen)
+++
(moulin Pirroir)

Trefwoorden : Gréz-Doiceau, le Train, Morsaint, Biez, Château, moulin, l’Eglise Saint Martin, inondation, carrière, villa romain,
Februari 2021
Ernst Gülcher
Contact: ernst.guelcher (at) telenet.be

Het riviertje de Orne in Waals-Brabant is volgens mij in Vlaanderen niet zo heel bekend. Omdat ik dankzij de plaatselijke natuurorganisaties hoorde dat het zo’n mooie omgeving is waarin er van alles te zien en te beleven valt ben ik er toch al een paar keer op stap geweest en heb ik de resultaten daarvan met tekst en foto’s gepost op facebook. Nu krijg je het hele verhaal op mijn internet-blog.
Op deze tocht concentreer ik me op het traject tussen Chastre, Walhain en Mont-Saint-Guibert. Tussen die gemeenten stap je over een afstand van zo’n tien kilometer vlak langs de rivier over ‘sentiers’ zonder dat je ergens in de bebouwde kom komt.
Met de ‘Ferme Rose’ in Chastre als vertrekpunt kom je dan langs achtereenvolgens le Moulin de Godeupont, le Château de Blanmont, Le Moulin Al Poudre, Het waterzuiveringsstation, Le Moulin D’Alvaux, La Tour de Sarrasins, het viaduct van de spoorlijn Brussel-Luxemburg en tenslotte aan het Domaine de Bierbais met zijn Château en Tour. Eenmaal daar aangekomen ben ik wel langs de rivier de weg teruggegaan want een echte aantrekkelijke luswandeling heb ik er niet van kunnen maken.

Maar eerst vertel ik iets meer over de rivier zelf. Neem de kaart er graag even bij en dan zie je dat de Orne een beetje ten westen van Gembloux op het grondgebied van Corroy-le-Château ontspringt in een moerasje waar twee bronnen samenkomen precies op de grens tussen de provincies Namen en Waals-Brabant aan de Ferme de Bertinchamps.
Op het grondgebied van de fusiegemeente Chastre-Villeroux-Blanmont kronkelt hij rechtstreeks naar het noorden via Cortil-Noirmont, Chastre en Blanmont. Vervolgens buigt hij af naar het noordwesten om via Mont-Saint-Guibert en Beaurieux uit te komen in de Thyle in Court-Saint-Etienne die op zijn beurt enkele honderden meters verder in de Dyle stroomt.
Van bron tot monding is het ongeveer 18km en op dat traject wordt hij gevoed door een hele reeks zijbeken: le ruisseau de l’Joncquière, l’Ardenelle, l’Ernage, le Ry de Perbais, le Ry d’Almez, le Ry des Lovières, le Nil, le Ry de Corbais, le Ry de la Fontaine au Corbeau, la Houssière, le Ruisseau de l’Ornoy, le Ry de Beaurieux en le Ry Glorie. Al die namen vind je voortdurend terug in de straten van de omliggende dorpen. In Chastre is hij nog maar een meter breed maar stroomafwaarts groeit hij aan tot een breedte van bijna twee meter. Diep is het water volgens mij nergens.
In Blanmont is er een groot waterzuiveringsstation maar desondanks is de waterkwaliteit niet heel goed vanwege het afvalwater vanuit het groot aantal huizen dat in de nabijheid van de waterloop gebouwd is, maar vooral door problemen met de landbouw.
De meest voorkomende vissoorten zijn bermpjes (loches franches), stekelbaars (épinoches), voorns (gardons), rivierdonderpad (chabot, zeldzaam) en forel (truite fario). Vooral vanwege die laatste kom je overal langs de rivier borden tegen van de plaatselijk visclub (Les Pêcheurs de l’Orne – Pêche privée). Vissen mag je dus niet zonder vergunning maar vanwege al die vissersplekken kan je wel op veel plaatsen vlak langs het water komen.

Ondanks de bebouwing is het landschap langs de rivier in zeer goede staat bewaard gebleven. Toch zie ik niet veel voetpaden langs de rivier, eigenlijk vooral tussen Chastre en Mont-Saint-Guibert (Sentier de l’Orne) en in veel mindere mate in Beaurieux en aan de kant van Court-Saint-Etienne. Je komt veel historische watermolens tegen hoewel ik niet weet of er nog één echt werkt. Hier en daar zijn er bevers aan het werk en op één plaats moet je onder de spoorlijn Brussel-Luxemburg door.
De oorsprong van de naam Orne wordt verklaard door de vroegere aanwezigheid van iepen (ormes) ofwel zou teruggaan op een Keltisch woord dat ‘waterloop’ betekent.
De heel mooie landelijke Waalsbrabantse gemeente Chastre aan de riviertjes de Orne en de Houssière ligt iets ten zuiden van Louvain-La-Neuve. Het heet officieel Chastre-Villeroux-Blanmont als de samenvoeging van drie historische dorpen en krijgt vanuit Vlaanderen niet zo veel bezoek denk ik hoewel je er via de E411 (afrit Corroy-le-Grand) zo naar toe rijdt en de trein er op meerdere plaatsen stopt.
Dankzij plaatselijk natuurgids Patricia Cornet (die er alles over weet) ging ik er al enkele keren verkenning en ga ik er zeker nog terugkeren want je vind hier een perfecte combinatie van natuur en erfgoed die ook door de eigentijdse bewoners wel zorgvuldig gekoesterd wordt.

De naam staat voor ’Castra’, het legerkamp uit de Romeinse tijd langs de Romeinse heirbaan die in de 1ste eeuw Bavai verbond met Keulen. Dat kamp zou zich onder het huidige treinstation hebben bevonden. De grafheuvel in Cortil-Noirmont herinnert nog aan die tijd en in Villeroux is een Romeinse villa opgegraven.
De 7de eeuw is de tijd van de Merovingers en vanaf het jaar 1100 maakt de streek deel uit van het Hertogdom Brabant en valt op geestelijk vlak onder de Abdij van Gembloux. Het administratief toezicht ligt bij Mont-Saint-Guibert maar in de praktijk wordt de heerschappij uitgeoefend door een aantal plaatselijke feodale ‘seigneurs’ (leenheren) die samen met de abdijen grote delen van de omgeving ontbossen om de gronden voor de landbouw te ontginnen.
De eerste van die seigneurs was blijkbaar ridder Libert de Chastre want die wordt genoemd in 1223 en in 1232. Zijn zoon Arnoul de Chastre wordt genoemd in 1256. In hun tijd behoorde Chastre blijkbaar bij het graafschap Walhain. Uit die tijd hebben we de kastelen, vierkantshoeves en watermolens overgehouden. Maar het is ook de tijd van de burchten en donjons (tours de Sarasins) op de grenslijn tussen het hertogdom Brabant en het Graafschap Namen.
Vanaf 1500 is de streek net als de rest van ons land het onophoudelijk strijdtoneel van plunderende krijgsmachten op doortocht. Het is een tijd van grote armoede waarbij in het begin van de 17de eeuw de gemeenschap ook geteisterd wordt door de pest.

De Franse revolutie brengt het einde van de feodale en religieuze privileges (met ook de in beslagname en verwoesting van paleizen en kloosters) en opent de weg naar de industriële ontwikkeling in deze landelijke streek. Met de aanleg van grotere wegen en de opening in 1854 van de spoorlijn tussen Brussel en Luxemburg dwars door de gemeente wordt de horizon verbreed. Sinds 1855 is er ook een honderd jaar later afgeschafte buurtspoorweg (vicinal) tussen Incourt en Gosselies.
Op het einde van de 19de eeuw moet de streek en Chastre zelf er totaal anders hebben uitgezien dan nu vanwege de vele steengroeven die er uitgebaat worden om kasseien te leveren voor het Belgische wegennet van die tijd en waarover ik het nog zal hebben.
In 1977 worden de dorpen eindelijk verenigd in één fusiegemeente met Chastre, Villeroux, Blanmont, Cortil, Noirmont, Gentinnes en Saint-Géry als onderdelen. Sindsdien is het een rustige en zeer vreedzame plek om te wonen en duidelijk in trek bij de wat meer welgestelden in ons land.
Ik vind dat er wel veel gebouwd wordt en op de duur zal dit het landelijk zicht wel aantasten als de plaatselijke overheid daar geen stokje voor steekt.
‘La Ferme Rose’ in Chastre aan de Avenue de Castillon vlak naast het riviertje de Orne heeft haar naam te danken aan de kleur waarin ze ooit geschilderd was. Bij de restauratie is er blijkbaar fel gediscussieerd om die te behouden als onderwerp van bescherming maar zo te zien hebben de voorstanders het niet gehaald (een foto met een lik verf toont hoe het vroeger moet zijn geweest).

De oorsprong gaat terug tot in het jaar 1200. De site was lang de zetel van de Heren van Walhain en van de Chevaliers de Chastre in dienst van de Hertog van Brabant. Andere namen zijn ‘Ferme de Perbais’ en ‘Ferme du Château’. Op een van de gevels op de koer van deze indrukwekkende vierkantshoeve hangt het jaartal 1688. In 1614 koopt de familie d’Onyn de boerderij. Het gemeentewapen bestaat uit twee schilden waarvan het rechtse het wapen van deze familie is (het linkse is dat van de familie Kessel, de heren van Blanmont in de 18de eeuw).
Einde 19de eeuw wordt de familie d’Udekem d’Acoz de nieuwe eigenaar met de familie Raucent als pachter. In 1953 legt een door een elektrische panne veroorzaakte brand de grote schuur in de as en die is nadien nooit meer helemaal opgebouwd. Tien jaar later komt er nog een nieuwe eigenaar die tot 1980 het boerenbedrijf voortzet maar dan koopt de gemeente de site aan om er haar administratief centrum in te vestigen. Het gebouw is beschermd als monument en van buiten haarfijn gerestaureerd, naar mijn aanvoelen zelfs een beetje op het saaie af.
Om de voorkant van de ferme Rose te fotograferen moet je er wel de niet zo fotogenieke enorme tractoren, het opslagmateriaal en een houten schuur van de gemeentelijke technische diensten bijnemen want dat staat allemaal zowat voor de ingang in het zicht. Waarom men een fortuin uitgeeft voor een middeleeuwse restauratie en er dan vervolgens de werkplaatsen pal voor zet gaat mijn begrip nogal te boven. Het getuigt wel dat niet iedereen echt overtuigd is van het nut van het bewaren van erfgoedgebouwen. In het gebouw is ook de dienst toerisme gevestigd.

Op de site staat nog een ietwat uit de toom vallend gebouw – het Maison des Flamands – waar blijkbaar tussen 1850 En 150 Vlaamse seizoens-landarbeiders werden gehuisvest die kwamen helpen met de suikerbieten en andere oogsten. Het was min of meer comfortabel maar wel nogal ‘hard’. In Vlaanderen stoppen we tegenwoordig zulke arbeiders in gammele caravans heb ik gemerkt want zoveel aardiger zijn we niet geworden.
Bij wijze van paradox is dit in kwartsiet van Blanmont opgetrokken maison het laatste overblijfsel van de middeleeuwse burcht van de Seigneurs van Chastre. In de oude teksten wordt het ‘Tour’ genoemd en het is na de Tour des Sarrasins het oudste gebouw in de omgeving (13de eeuw). In de 18de eeuw werd het verlaten want de Seigneurs verhuisden naar Brussel of Leuven. De pachter-boer van de kasteelhoeve was in het complex zelf gevestigd.
Dwars over de koer van de ferme Rose kom je langs de Drève des Prisonniers de Guerre en het monument voor de gesneuvelden uit de Eerste Wereldoorlog.
En vandaar gaan we naar de rivier via een heel mooie kleine amfibiepoel met een fantastische haagbeuk, een serie knotwilgen en een infobord over alles wat hier tussen de Avenue Castillon en het spoorviaduct enkele honderden meters verderop te zien is aan natuurzaken en het belang daarvan.

Vanuit de langs denderende sneltrein tussen Brussel en Namen ga je er niets van zien maar je staat hier midden in een heel charmant natuurlandschapje waar de rivier met vele kronkels naar de dichtstbijzijnde watermolen stroomt, le Moulin du Godeupont.
Blijf even staan bij het infobord over deze ‘Mare de L’Orne’ want de gemeente maakt er werk van om hier de moerasnatuur te behouden maar ook om de voetganger de kans te geven er van te genieten. Vanaf de monumentale haagbeuk aan de kleine vijver kan je het kaarsrechte ‘Sentier du Bois’ met de knotwilgen volgen bovenlangs de rivier, je kan zelfs door de weide gaan maar dan moet je oppassen voor de stier die daar op graast (dus dat is af te raden!) maar ik ga liever zo dicht mogelijk langs het water en tussen de bomen.
Lange tijd was hier een paradijs gevestigd voor bevers met spectaculaire dammen, massa’s afgeknaagde bomen en een ferme verhoging van de waterspiegel. Volgens mij kon (kan) dat allemaal in deze omgeving helemaal geen kwaad maar vanwege protesten van een lokale boseigenaar maar vooral op aandrang van de Infrabel zijn al die dammen opgeruimd met de bewering dat ze het even verderop gelegen spoorviaduct in gevaar zouden brengen.
Bevers zijn officieel beschermde dieren maar in de praktijk stelt dat nergens heel veel voor heb ik gemerkt en worden ze bij de minste klacht uit hun woonplaatsen verdreven tenzij er burgerinitiatieven op gang komen om dat te voorkomen. Ik snap eigenlijk nooit waarom beheerders van waterlopen zich niet verdiepen in de beschikbare natuurtechnieken om bevers in bedwang te houden zonder ze te verjagen.

Gelukkig is er ook een gloednieuw klein herbebossingsproject te zien op de helling boven het Sentier du Bois met een hele reeks van bomen-van-bij-ons.
Aan het einde kan je op links een kijkje nemen aan het witte kapelletje gewijd aan St Ghislain en Sainte Rita. Ik vind het niet op de lijst van Waardenvol Bouwkundig Erfgoed maar het dateert uit het einde 18de/begin 19de eeuw. Sainte Rita is voor de wanhopigen en St Ghislain doet wonderen om stuiptrekkingen bij kinderen te genezen.
Wij gaan echter rechts onder het spoorviaduct door, steken de Orne over en komen aan de Rue des Trois Ruisseaux bij een massief gebouw dat bekend staat als de Moulin de Godeupont (of Moulin de Blanmont want zo heet deze deelgemeente van Chastre).
Hoeveel watermolens er op dit riviertje staan moet ik nog uitvinden maar op het grondgebied van de fusiegemeente Chastre alleen al staan er blijkbaar al acht en of er behalve le Moulin Dussart op de Houssière nog een werkt weet ik niet.
De molen van Blanmont wordt voor het eerst vernoemd rond het jaar 1100 als eigendom van de abdij van abt Liethard de Gembloux. Daarna is hij de banmolen (moulin banal) van de Heren van Walhain. In 1544 bedraagt de pacht 18 karolusgulden en 18 mudden rogge. De molen diende altijd als korenmolen maar in de gezaghebbende databank van Molenechos vind ik een hoogst opmerkelijk bericht dat hij voor en in de tijd van het Franse bewind ook gebruikt zou zijn om buskruit te produceren. Van de Cercle Historique in Chastre heb ik begrepen dat deze informatie pertinent verwarrend onjuist is in die zin dat hij niet slaat op de Moulin du Godeupont maar op Le Moulin al Poudre waar we nog langs zullen komen.

De stuw is buiten gebruik en totaal overgroeid. De rivier stroomt nu ongehinderd door het stuwkanaal dat vroeger moest dienen om te vermijden dat het water te hoog zou worden opgestuwd wanneer er niet gemalen werd. Het metalen bovenslag waterrad is nog zichtbaar maar alle houten onderdelen zijn weggerot.
Het goede nieuws: al het binnenwerk – met inbegrip van de stenen maalkoppels – er nog is en zelfs gedeeltelijk gerestaureerd. Einde 19de en begin 20ste eeuw is de molen lang de eigendom van de familie d’Udekem d’Acoz. In 1930 wordt hij verkocht aan (de laatste) molenaar Ferdinand Fre(n)net. In 1946/47 is hij nog in bedrijf maar dan valt hij stil.
Op de Inventaire du patrimoine culturel immobilier staat de molen beschreven als ‘Bien inscrit comme : Monument’ maar hoeveel deze bescherming waard is ben ik niet zeker. De huidige eigenaars-bewoners Agnes en haar echtgenoot Jean-Pierre Draye-Decelle zijn geen molenaars maar hebben het gebouw wel mooi en met veel liefde opgeknapt waarbij ze de maal-installatie zelfs in hun leefruimte hebben geïntegreerd.
Het Château de Blanmont in Chastre aan de Rue du Château is samen met de Moulin du Godeupont het opmerkelijkste gebouw in dit deel van de gemeente. De oorsprong gaat terug tot in de 13de eeuw wanneer het goed de eigendom is van een zekere Jacques de Blanmont (Walhain). In de 15de eeuw wordt het Seigneurschap uitgeoefend door de familie Jupplu die ook de baas is in het nabijgelegen Noirmont.

In de databank van Echarp lees ik het volgende: ‘En 1607-1619, Blanmont appartenait à Jean de Cissel ou Kessel, dont le père en avait fait l’acquisition de la dame de Ligny. Guillaume de Kessel, qui opéra, le 16 mai 1661, le relief d’une prairie tenue à cens de la cour allodiale de Mont-Saint-Guibert, épousa Anne de Roly, fille de Charles, seigneur de Corroy-le-Grand, et fit bâtir à Blanmont « un bon et fort château », qu’il laissa à son fils, Nicolas-Joseph. Sa descendance s’étant éteinte, la seigneurie passa à une autre branche de la même famille, les Kessel de Watermael. Joseph-Guillaume, créé baron de Kessel le 20 janvier 1751, appliqua son titre sur la terre de Blanmont, qu’il laissa à son fils aîné, Joseph-Benoît-Casimir-Hyacinthe (relief du 5 juin 1779), mort en 1780. L’héritage des Kessel a été morcelé et aliéné. Blanmont, après avoir appartenu à un M. Laloux, est devenu la propriété de M. Alexandre Namèche.’ Nadien is de eigendom blijkbaar nog overgegaan naar Everaert de Velp, een naam die we hierna nog zullen tegenkomen.
Op de Ferrariskaart zie je de site heel mooi afgebeeld met veel meer gebouwen dan dat er nu staan. Daar kan je ook zien dat waar nu de spoorweg is het terrein in die tijd nog flink moerassig was: vandaar de naam van het nu kurkdroge akker-voetpad van de Moulin du Godeupont naar het kasteel – Sentier du Marais.
De gedeeltelijk bewaarde muur rond het parkdomein is gebouwd met plaatselijk gedolven kwartsiet en op de foto’s zie je wel dat er enig restauratiewerk nodig is.

Het in de 19de eeuw heringerichte woonhuis stamt nog uit de Kessel-tijd maar de poort met vleugels dateert uit het midden van de 18de eeuw. Aan welke familie het wapenschild boven de poort toebehoort weet ik nog niet (wie helpt?). Vanaf 1863 stond er ook nog een suikerfabriek op het terrein met Victor Docte als directeur. Het château is ‘ingeschreven als monument’ op de Waalse inventaris van waardenvol bouwkundig erfgoed maar het is niet echt ‘geklasseerd’.
In onze tijd is het nog altijd een privé-woonst en je wandelt er dus niet zomaar naar binnen. Het is mooi en stijlvol gerestaureerd. Het park met de vijvers dat je nu ziet wordt in 1895 aangelegd door de landschapsarchitect Edouard Galoppin. De monumentale beuken, haagbeuken en kastanjes kan je van ver zien als je over de afgebrokkelde domeinmuur kijkt.
Maar om de ingang van de ijskelder te vinden moet je binnen die muur zijn. Hoe het er precies heeft uitgezien bij de aanleg heb ik nog niet uitgevonden omdat ik niet beschik over de bij de bronnen vermelde inventaris van Tarlier en Wauters maar het is duidelijk in de Engelse landschapstijl zoals in die tijd de mode was.
Op de topografische kaart van 1904 zijn geen details te zien en ook niet op de kaart van 1939. Op die beide kaarten staan geen vijvers van betekenis aangegeven wat vreemd is want op oudere kaarten zijn die er wel, zij het in heel andere (rechthoekige) vormen dan vandaag en ook gedeeltelijk op een andere plaats. Op die oude kaarten staan er ook veel meer gebouwen.

Een grote en een kleine vijver zie ik voor de eerste keer op de kaart van het Ministerie van Openbare werken van 1950. Die kaart geeft wel heel helder de contouren van het domein weer. Je ziet de rivier door het domein kronkelen met enkele charmante bruggetjes en de muur in Blanmonts kwartsiet.
De oude bomen zijn inderdaad wel heel indrukwekkend. Sommige beuken zijn volgens mij ooit geplant als ‘bundelbomen’, dat wil zeggen als jonge boompje zowat tegen elkaar zodat de stammen door de jaren heen tegen en in elkaar gegroeid zijn waardoor de boom er extra dik uitziet. Een aantal ervan doet het nog heel goed maar anderen vertonen toch wel ouderdomskwetsuren.
Een van kastanjes (of is het toch een haagbeuk?) is zelfs helemaal hol en dichtgemetseld met een muurtje dus ik vermoed dat hij een van de eerstvolgende zware stormen niet zal overleven. Een reusachtige beuk is kennelijk niet heel lang geleden omgevallen. Enkele robinia’s tonen ook de reusachtige knobbels die zulke bomen krijgen naarmate ze toegestaan worden om op leeftijd te komen.
De tennisbaan is al heel lang niet meer gebruikt en is eigenlijk vooral vanwege het hek er rond goed te onderscheiden van de grasweiden met brave rijpaarden. De mooi gemetselde ijskelder is ook al een hele tijd niet meer in gebruik zo te zien.
Een groot deel van het park is bebost maar aan de Rue du Château is een deel van het park ingenomen door een niet meer zo nieuwe maar toch eigentijdse villa met een eigen tuin die niet in stijl is met de rest van het park. Het herinnert me er aan dat wie gesteld is op het bewaren van te herbestemmen erfgoednatuur toch best voorzichtig is met het te verkavelen zonder erfgoed-bewarende voorwaarden.

Van het Château de Blanmont naar Le Moulin Al Poudre in Hévillers aan de Orne op de grens tussen Chastre en Mont St. Guibert is niet zo heel ver. Om er te komen zijn er twee mogelijkheden.
De eerste weg passeert langs de L’Eglise Saint-Martin en dan via de Rue de L’Eglise en het Sentier de la Fesse en de Rue de Bau. Op die route kom je ook langs de mooie 19de eeuwse Villa Bauer met torentjes en op de Waalse inventaris van Waardenvol Bouwkundig Erfgoed ingeschreven als ‘monument’. Behalve de mededeling dat er achter het hek een mooi park is en een beschrijving van het niet-toegankelijke gebouw heb ik nog niet ontdekt door wie het gebouwd is en in welke historische samenhang.
De tweede gaat langs het stationnetje van Blanmont juist op de gemeentegrens met Hévillers (Mont-Saint-Guibert). De trein stopt juist ten zuiden van de Rue de Blanmont (op de kruising met de Rue de la Gare). Tot 1980 stond er daar een mooi klein stationsgebouw (http://www.garesbelges.be/blanmont.htm) maar het witte woonhuis aan de ingang van de veldweg juist over die grens aan de noordkant met de mooie vogel is volgens mij een vroeger stations-café. Waarom dat stationnetje is afgebroken begrijp ik niet goed want er is eigenlijk niets comfortabelers voor in de plaats gekomen.

Die veldweg is het Sentier du Moulin Al Poudre dus vandaar kan je het niet missen. Bij de aanleg rond het begin van de 20ste eeuw heette hij overigens Chemin des Carrières en was er een spoortje om de kasseien van de groeves naar het station te brengen. Onderweg krijg je nog een prachtig zicht op de rivier en de vallei.
Aan het vreedzame karakter, de mooie natuur en de mooie witte kleur van het voormalige gebouw aan het Sentier du Moulin al Poudre zou je het niet zeggen maar deze etappe voert langs een deel van het dorp dat nog niet zo heel lang geleden het toneel was van grote industriële activiteit. De aanleg van de spoorlijn tussen Brussel en Namen in 1855 en daarna de opening van de belangrijke buurtspoorwegenlijn (Vicinal) tussen Incourt en Courcelles luidt een periode van industriële ontwikkeling in die deze landbouwstreek bijna een eeuw lang een totaal ander gezicht geeft.
Van de suikerfabriek die tussen 1863 en 1940 220 mensen tewerkstelde en die zowat naast het Château de Blanmont gestaan moet hebben we waarschjnlijk alleen nog oude foto’s over. Maar van de 19de eeuwse ‘carrières’ voor de ontginning van de ‘kwartsiet van Blanmont’ in het nabijgelegen rotsachtige gebiedje dat op de kaart vermeld staat als ‘Les Montagnes’ zijn voor de aandachtige toeschouwer behalve oude foto’s nog wel wat littekens te zien.
Onderlangs de rotsachtige hellingen komen hier drie riviertjes samen waarvan de Orne uiteraard de belangrijkste. De andere twee zijn de Ri des Lovières en de Nil. Over de steengroeven ga ik het nog hebben maar vandaag is de streek bezaaid met residentiële woningen. Op een van de foto’s zie je vanaf een brug aan de Rue de Bau over een diepe holle uitgehakte weg zo’n villa midden in een oude steengroeve staan (Rue de Bau nr.24, mooi te zien op de carte des travaux publics van 1950). Op diezelfde weg staat ook nog de 19de eeuwse villa Namèche, een nogal vierkant gebouw uit 1893.

Le Moulin Al Poudre – aan de Orne rechts langs de spoorlijn, maar juist over de gemeentegrens tussen Chastre – Blanmont en Mont-Saint-Guibert – Hévillers wordt voor het eerst genoemd in 1608 in een proces van de Kasteelheer van Blanmont tegen de dan blijkbaar nieuwe eigenaar van de molen, de burgemeester van Mechelen(!). Waarover dat proces ging weet ik nog niet. Op de Ferrariskaart staat hij als Moulin Delval maar dat is kennelijk een vergissing want die bevindt zich nog een eindje verder stroomafwaarts aan de Tour Dalvaux.
De naam ‘Al Poudre’ zie ik voor het eerst op de kaart VanderMaelen van 1846. Rond de oorsprong van die naam hangt een waas van geheimzinnigheid. Het is een korenmolen met ingebouwd bovenslag waterrad maar in alle bronnen die ik vind staat dat hij in 1815 door de troepen van Napoleon Bonaparte gebruikt zou zijn als munitiedepot en dat om die reden de term ‘Al Poudre’ aan zijn naam werd gehangen. Bron van deze bewering is blijkbaar een in 1993 verschenen artikel in de brochure “Itinéraire d’une rivière brabançonne” uitgegeven door de Société Royale Belge de Géographie et l’Administration Communale de Chastre maar die brochure heb ik niet.
Sinds enkele jaren wordt door mensen die het kunnen weten in Chastre gezegd dat dit een slechts een populair geworden legende is waarvan de echtheid door geen enkel archiefdocument wordt aangetoond. Volgens de Cercle Historique kom de naam ‘Poudre’ komt blijkbaar al voor in 1787 en is die afkomstig vanwege het malen van eikenschors voor de leerlooierijen van Waver.

Zoals ik hierboven echter al gezegd heb in het tekstdeel over Le Moulin du Godeupont bevat de databank van Molenechos echter de volgende opmerkelijke passage met een citaat uit een document waarvan de echtheid wel lijkt vast te staan en dat in werkelijkheid betrekking heeft op Le Moulin al Poudre:
“in 1789 was de watermolen tevens ingericht als kruit- of poedermolen. Deze werd in juli van dat jaar te koop aangeboden. In de Gazette van Gend verscheen in juli 1789 niet minder dan 5 keer de volgende advertentie: ‘Men presenteert te koopen zekeren Poeder- ofte Kruyd-Molen, gelegen tot Blamont, twee meylen van Waver, bestaende in eene groote opene plaetse, welkers omloop wel bebouwd is, eenen Water-Molen met vier Steenen, eenen Polister-Molen met alle de betrekkende Gereedschappen en het Geheym tot het fabriqueeren van dit Kruyd, Pakhuizen en eene schoone Wooninge met Hof voor den Bestierder, met noch een stuk Land, daer tegen gelegen, te samen groot ontrent twee bunderen, alles ten pryze van 14000. guld. Wisselgeld. De gene die daer toe genegen zyn, konnen hun begeven by Sr. Knapen op de groote Merkt tot Brussel, woonende by Sr. Pauwels, Boekdrukker.’ Opvallend is dat het fabrieksgeheim mede werd verkocht!. Deze poedermolen werd voor 1830 verwijderd maar de korenmolen bleef in werking.”
Voor wie zich vragen stelt over ‘het geheim van de productie’ van een explosief goedje als buskruit in een historische watermolen heb ik uit een goede bron laten vertellen dat het in dit geval gaat om ‘zwart’ buskruit dat tot in de 19de eeuw bestond uit een poeder (sas) met een welbepaalde samenstelling (zeer nauwkeurig maar de details geef ik je niet) van salpeter (gewoonlijk kaliumnitraat), houtskool en zwavel, of als zwavelloze mengeling van kaliumnitraat met houtskool.

Als alle ingrediënten fijn gepoederd en vermengd zijn, heet het mengsel green powder of slangenpoeder; het mengsel verbrandt traag en laat veel residu achter. Als het mengsel nog een paar uur met een kogelmolen wordt gemalen, heet het resulterende heel fijne poeder ‘meal powder’ (letterlijk: ‘meelkruit’). Dit is zeer brandbaar en prima bruikbaar voor uitstootladingen in raketten en vuurpijlen; bovendien laat het vrij weinig tot geen residu achter. Vooral het salpeter, oorspronkelijk uit mestkelders en dergelijke gewonnen, was schaars en moest deels gewonnen worden uit ‘salpeterbedden’ van mestrijke aarde met urine rond boerderijen. De grondstoffen moeten zeer zuiver zijn en vanwege de instabiliteit van het mengsel was het er mee omgaan bijzonder gevaarlijk en werden voor het vervoer speciale troepen ingeschakeld. Op het einde van de 9de eeuw is het rookzwak buskruit ontwikkeld dat bestaat uit cellulosennitraat en glycerinenitraat en sindsdien in allerlei vormen in de hedendaagse munitie gebruikt wordt.
Het feit dat dit in het oud-Vlaams gestelde document ten onrechte is toegeschreven aan Le Moulin du Godeupont in plaats van aan Le Moulin Al Poudre kan de oorzaak zijn van het ontbreken van bewijs voor het gebruik van de laatstgenoemde molen als buskruit-producent maar het woord ‘kruyd’ met de toevoeging ‘geheim van fabricatie’ wijst toch wel sterk in deze richting en niet op kruiden (planten, specerijen) in de botanische zin. En gezien de oorlogszuchtige atmosfeer op het einde van de 18de eeuw was er zeker vraag naar explosieven. (Toegang tot de Gazette van Gend is mogelijk via de Ugent bibliotheek (https://lib.ugent.be/catalog/ser01:000289548).

Of dan bijna twintig jaar later in 1815 aan de vooravond van de Slag bij Waterloo de troepen van Napoleon Le Moulin Al Poudre dan ook gebruikt hebben voor de productie of opslag van dit poeder is uiteraard nog een heel andere vraag waar ik geen antwoord op kan geven. Volgens de Cercle Historique van Chastre is dit niet het geval. Op oude kaarten zie je echter wel dat er in die tijd in de omgeving Franse troepen waren gelegerd om vandaar naar het slagveld op te trekken. En als dat inderdaad het geval was zullen die toch zeker niet anderen dan zichzelf hebben toegelaten tot de buskruit-productie in deze molen vermoed ik. Maar evenzogoed werd er in die tijd hier helemaal geen buskruit meer geproduceerd.
Om de legende dus definitief uit de wereld te helpen (als je dat zou willen, waarom eigenlijk?) lijkt me verder onderzoek nodig. Voor 1824 staat aan de overzijde van de rivier nog een olie- en hennepbreekmolen (een ‘stordoir’) maar die wordt in 1861 afgeschaft. In 1865 wordt er een brouwerij bij gebouwd en het daar geproduceerde bier is bekend geworden als de oorsprong van de ‘Vieux Temps’ van de Brasserie Grade in Mont St. Guibert.
In 1884 wordt de molen verbouwd tot de vijf bouwlagen van vandaag en met twee metalen waterraderen. Van voor 1830 tot ver in de twintigste eeuw is het de stek van de molenaarsfamilie Everarts. De molen maalt tot in 1940.
Sinds 1953 is hij ingericht als woning en zijn de indrukwekkende moleninrichting (twee staande en vier liggende steenkoppels) en raderen jammer genoeg verwijderd. In de jaren 1970 wordt hij omgebouwd tot een centrum voor feesten, nadien zijn er appartementen gekomen en in 2007 is er nog een hypermoderne nieuwe ontvangstruimte van 300 vierkante meter aan toegevoegd.

Samen met de vijver en het park er omheen is het een mooie maar wel nogal merkwaardige eigentijds gerenoveerde site. Ondanks alle verbouwingen is de molen op de Waalse Inventaris van Waardenvol Bouwkundig Erfgoed ‘inscrit comme monument’.
Het hagelwit geverfde gebouw is niet toegankelijk maar langs de achterkant zie je over de heg een (in maart bloeiende) gele kornoelje die driehonderd jaar oud zou zijn. Vanaf hier ga ik richting waterzuiveringsstation, steengroeven en de Tour des Sarrasins.
Om van de Moulin al Poudre op de grens tussen Hévillers (Mont-Saint-Guibert) en Blanmont (Chastre) naar de Tour des Sarrasins te komen kan je het pad langs de Orne nemen onderlangs spectaculaire kwartsietwanden. Vandaag volg ik echter het landelijk ‘sentier’ langs de spoorweg , de holle weg langs de Colline de Penuel en het Station d’épuration de Chastre’. Een reiger staat te slapen in de wei, verder is er niemand te zien. Onder het spoorwegviaduct daveren enkele treinen voorbij. Aan de overkant van dat viaduct gaat ook een sentier richting Château de Bierbais maar dat ziet er op de kaart niet zo aantrekkelijk uit.
Ik duik de holle weg naar rechts in langs een bord dat me vraagt om stil te zijn. Op en achter de helling ligt de Colline de Penuel verborgen, de eigentijdse versie van een ‘heilige woestijn’ (zoals in Nethen het domein Savenel) ofwel een plek voor stilte, gebed en afzondering. Bezoekers, zowel ‘passants’ als pelgrims zijn welkom maar wel graag na voorafgaandelijke aanmelding. Op hun website lees je er alles over.

De holle weg staat op de kaart aangeduid als ‘Rue du Gros Chêne’, genoemd naar de plaatselijke majestueuze zomereik. Omdat hij waarschijnlijk op een veldje juist verborgen staat achter struikgewas heb ik hem nog niet gezien.
Aan het einde van dit pad komen we terug aan de rivier op een veel prozaischer plek, le Station d’épuration de Chastre, tussen alle kastelen, molens en hoeves sinds zijn oprichting in 2008 (?) misschien toch wel een van de belangrijkste bezienswaardigheden hoewel je het bij het toeristisch aanbod niet zal vinden denk ik.
Ondanks zijn naam bevindt het station zich juist op het grondgebied van Mont-Saint-Guibert. Het moet het huishoudelijk afval van zo’n 10.500 mensen zuiveren voordat het water op de rivier de Orne kan worden geloosd. Dat wordt aangevoerd via ondergrondse leidingen vanuit collecteurs en verzameld in een op een diepte van 7,7 m onder de installatie aangelegde gracht. De capaciteit bedraagt per dag 1890 m³ en als bij zware neerslag de aanvoer te groot is gaat het naar een bassin d’orage met een inhoud van 1050 m³. Maar als dat vol is moet het teveel met een overstort rechtstreeks naar de rivier afgevoerd worden. Of dat vaak gebeurt vertelt de brochure niet maar bij de huidige klimaatontwikkelingen is er reden voor bezorgdheid denk ik.
Iedere druppel afvalwater brengt 36 uur in het station door voordat hij naar de rivier gaat volgens een procedé dat voldoet aan de hoogste Europese normen om alle koolstofhoudende, stikstofhoudende en fosforhoudende materialen te verwijderen. Een deel van het afval wordt naderhand verwerkt tot mest en ter beschikking gesteld aan de boeren: per jaar 371 ton droge stof ofwel 82 containers.

De bouw en inwerkingstelling heeft ongeveer 4,6 miljoen euro gekost en vanwege de hoge natuurkwaliteit van de omgeving (natura 2000) hebben de architecten zoveel mogelijk gebruik gemaakt van de ondergrond om de installaties te verbergen en is ook bovengronds zo onopvallend mogelijk gebouwd. En ik moet toegeven dat je er inderdaad nogal weinig van ziet, ook al vanwege een alles omringend groenscherm. Er zijn bezoekmogelijkheden en maar daarvoor contacteer je best zelf de op het bord vermelde email denk ik.
Om van de Moulin al Poudre op de grens tussen Hévillers (Mont-Saint-Guibert) en Blanmont (Chastre) naar de Tour des Sarrasins te komen je ook het pad langs de Orne nemen onderlangs spectaculaire kwartsietwanden. Vanwege die wanden geniet dat traject wel mijn voorkeur, ook al omdat je dan bijna altijd vlak langs de rivier gaat.
Het eerste stuk gaat langs de buitenrand van ‘Les Montagnes’ door een gebiedje wat vroeger waarschijnlijk deel uitmaakte van de steengroeve maar waar nu een heleboel nieuwe villa’s zijn gebouwd. Het pad gaat achter de huizen langs en er tussendoor en het eerste stuk valt een beetje tegen omdat de bewoners blijkbaar niet zo graag wandelaars een blik op hun achtertuin gunnen en alles hebben afgespannen met hoge hekken en groene plastieken zeilen waar je dan maar tussendoor moet stappen.
Ik vind dat nooit erg sympathiek en zelfs een beetje verdacht maar gelukkig kom je al snel aan het begin van de Rue des Montagnes aan een bruggetje waar Le Ruisseau du Nil uitkomt op de Orne. Over Le Nil beloof ik ook nog een afzonderlijke reportage maar dan moet ik eerst nog meer weten over al die steengroeves die daar langs waren en er ook een bezoek aan hebben mogen brengen om foto’s te maken. Bovendien is er wel een pad langs Le Nil maar er zijn problemen met het recht van doorgang voor voetgangers omdat sommige privé-eigenaars ook al niet houden van wandelaars-natuurliefhebbers langs hun achtertuin en plaatselijke natuurliefhebbers-wandelaars er niet in slagen om zich voldoende te organiseren om hun rechten op te eisen.

Waar het fabrieksachtige gebouw aan de brug voor dient weet ik nog altijd niet maar het steekt wel nogal af tegen de groene omgeving. Je bent hier nog altijd op het grondgebied van de gemeente Chastre maar niet lang meer. De Orne is hier een levendig kabbelend bergriviertje van toch al een flinke breedte zo te zien. Tussen de bomen zie je een ijzeren constructie die ooit een stuw geweest moet zijn in de richting van de Moulin d’Alvaux waar we ook nog zullen komen. Een bord van de milieumaatschappij vertelt je dat er hier een collector is voor het huishoudelijk afvalwater. Vanaf de hoge oevers heb je mooi zicht op het achterliggend landschap. In de rivier heeft een visser zich al een mooie plek gebouwd.
Van hier gaan we verder langs het kwartsiet van Blanmont. Als je heel goed op de kaart kijkt zal je zien dat we dan niet meer in Chastre of Mont-Saint-Guibert zijn maar in de gemeente Walhain.
Het kwartsiet van Blanmont in de ondergrond van Chastre en omgeving geldt met dat van Dongelberg en Opprebais (en andere plaatsen) bij kenners als de hardste steen van België. Leken (zoals ik) moeten weten dat het géén stollingsgesteente is maar tot rots gevormde zandsteen onder honderden meters dikke lagen van zand-met-silicium, afgezet door de zee van 500 miljoen jaar geleden. Samengeperst door het eigen gewicht en 100 miljoen later omhoog verticaal omhoog gewrongen door de botsing van tektonische platen tussen continenten is het van chemische samenstelling veranderd tot heldergrijze rots met dikwijls een warme bronzen of roestige kleur en andere tinten veroorzaakt door kristallen of begroeiing (zoals mos).

Bijna overal is dit ‘Massief van Brabant’ diep verborgen onder het veel later afgezet ‘Brussels zand’. Maar in de door het water uitgeslepen valleien van de Orne en bijrivieren zoals de Nil, de Ri de Lovières en de Ruisseau de Corbais komt het zichtbaar aan de oppervlakte.
Vanaf de middeleeuwen bouwen de mensen er op artisanale of ambachtelijke wijze hun forten, huizen, schuren en bruggen mee en verharden ze de plaatselijke wegen met steengruis of kasseien. In Chastre zijn nog heel oude huizen te vinden die met deze steen gebouwd zijn en bestaat ook de omheiningsmuur van het Château van Blanmont uit dit materiaal. Ook de muren van het ‘seizoen arbeidershuis’ (de laatste resten van de vroegere burcht) op de site van de Ferme Rose zijn ermee gebouwd maar volgens mij zijn de kasseien op het plein van andere oorsprong (?). Ook de onderkant van de Moulin D’Alvaux, de campinghoeve en in Mont-Saint-Guibert de Tour de Bierbais zijn met dit kwartsiet steen gebouwd.
Het meest spectaculaire voorbeeld dat ik ken staat echter juist over de gemeentegrens in Nil-Pierreux (‘steenachtig”, Walhain) op de camping Val D’Alvaux: de ietwat spookachtige middeleeuwse ‘Tour des Sarrasins’ die daar in de middeleeuwen is gezet als schakel in het systeem van de grensverdediging in die tijd.

Op die toren kom ik terug maar eerst vertel ik nog iets over de industriële ontginning van het kwartsiet in de 19de eeuw in de tijd dat de Belgische wegen voor de eerste keer bestraat worden en de kasseien hun grootste bloeitijd beleven.
Op het einde van de 18de eeuw komen op initiatief van de hoge bestuurders in ons land grootschalige initiatieven op gang om het wegennet tussen de grotere steden te bestraten met kasseien. Dat leidt in Chastre en op andere plaatsen tot de aanleg van echte groeves maar de overgang van artisanale naar grootschaliger industriële ontginning gebeurt in de 19de eeuw.
Aan het begin van die eeuw zijn in Chastre zo’n 10 groeves in bedrijf die in de daarna volgende decennia voortdurend uitgebreid worden in capaciteit en aantal. De steen wordt gebruikt om er mee te bouwen maar de echte massale ontginning loopt evenwijdig met de ‘bekasseiing’ van de provinciale wegen tussen 1840 en 1900. Om je een idee te geven, een van de grotere groeves (Molignias) produceert in 1878 35.000 kubieke meter steen waarvan een derde gedeelte kasseien en de rest grotendeels gemalen of vergruisd.
In die tijd moet zowat heel de omgeving er als een steengroeve hebben uitgezien: vandaar de naam Blanmont vanwege al dat wittige stof om nog niet te spreken van het lawaai en de stank die zo’n productie met zich meebrengt: explosieven, vallende en ratelende zware stenen, vervoer van al dat materiaal.

De grote spoorlijn levert uiteraard een competitief voordeel op maar vanuit sommige groeven worden ook privé-sporen aangelegd (zoals de Chemin des Carrières). Het plaatselijke riviertje de Nil wordt omgelegd. Wie kasseien produceert kan rekenen op ferme subsidies van de hogere overheden en dus investeert de gemeente samen met particuliere ondernemers/notabelen zoveel als ze kan in de uitbating van de groeves om er zoveel mogelijk aan te verdienen. Hoeveel arbeiders er hun dagelijks brood in verdienden en of die er ook rijk van geworden zijn is blijkbaar niet echt gekend.
Op de overgang naar de 20ste eeuw is het sprookje over en uit. De automobiel doet zijn intrede samen met het asfalt en later het beton maar de vraag naar Blanmont-kwartsiet stort al vroeg ineen, vooral omdat de markt overspoeld wordt met meer bewerkbare kassei-soorten uit groeves in andere streken. De laatste groeve gaat dicht rond 1910, de anderen zijn dan al lang gesloten, sommigen staan onder water.
In de jaren nadien worden die gebruikt om in te zwemmen, anderen dienen als stortplaatsen. De natuur ontfermt zich snel over al dat verlaten erfgoed en in onze tijd bouwt men er villa’s in en over.
De kasseibanen die je in Chastre nog ziet zijn blijkbaar meestal niet gelegd met het kwartsiet van Blanmont maar pas al flink in de twintigste eeuw met de veel goedkopere Quenast-kasseien uit Edingen. Reden tot nadenken over de mens als wroeter en nostalgie alom maar volgens mij zijn er in Chastre niet veel die dit alles heel droevig vinden.

Aan het einde van het pad langs de rotswanden langs de Orne op weg tussen Le Moulin Al Poudre, nog juist in Mont-Saint-Guibert (Hévillers) en de Tour des Sarrasins, juist in Walhain kom je aan de monding van de Ry Corbais aan een groot gebouw recht tegenover de camping dat er uitziet als een echte fabriek. Het is nu een groothandel in geestrijke dranken maar het is de voormalige Moulin d’Alvaux.
Het indrukwekkende bakstenen gebouw is vier verdiepingen hoog. Hij wordt voor het eerst vermeld in 1505 als ban-korenmolen in de kleine plaatselijke heerlijkheid Vaux (betekenis: waar rivieren en beken samenkomen). Hij is tot na 1960 de stek van de molenaarsfamilie Demanet onder wiens beheer de molen in de jaren 1880 sterk verbouwd wordt door het grote gebouw er bij te zetten en het molenrad te vervangen door een turbine. Bij het stilleggen van de molen (wanneer precies weet ik nog niet) zijn turbine en binneninrichting verwijderd, is het gebouw ingericht met privé-appartementen en heeft er zich een drankenhandel gevestigd (Moulin d’Alvaux Covineur).
Het oorspronkelijke molengebouw (?), de stuw en waterval zijn er nog maar die zie je van buiten slechts van een afstand. Plaatselijk is de rivier in het verleden omgeleid of gesplitst om het water naar de molen op te stuwen (la Fausse Orne) en naar het zuiden zie je op de kaart nog de contouren van de voormalige spaarvijver naast het nieuwe waterzuiveringsstation. Op de Ferrariskaart van 1777 kan je min of meer zien hoe een en ander er in die tijd uitzag door in te zoomen naar ‘Moulin Delval’.

Er is wel een mooie tuin aangelegd en aan de achterkant is een theater. Wat de industriële functie is geweest van het langgerekte verhoogde platform aan de zuidkant weet ik niet. Het gebouw is in heel goede staat. Op de Waalse Inventaris van Waardenvol Bouwkundig Erfgoed is het complex ‘inscrit comme monument’ maar zonder veel commentaar.
Van hier ga ik verder langs de rivier richting Château Bierbais in Mont-Sant-Guibert. Over de middeleeuwse donjon aan het riviertje L’Orne in Walhain (Nil-Saint-Vincent-Saint-Martin) op de camping d’Alvaux met de naam Tour des Sarrasins gaat het volgende stukje.
De Tour des Sarrasins in Nil-Pierreux (Walhain) staat midden op de Camping d’Alvaux tussen de Orne en een beekje La Fausse Orne. Doe nog één stap en dan sta je plotseling in Chastre (Orne stroomopwaarts) of Mont-Saint-Guibert (stroomafwaarts). Hier sta je niet alleen zowat op het geografisch middelpunt van België maar ook terug in de 12de eeuw.
In 1199 verkoopt abdis Berthe de Nivelles aan de machtige kasteelheer Arnould (II) van Walhain een moerassig en onbebouwd stuk grond tussen rivier en beek. Deze laat daar de donjon bouwen samen met een watermolen en een schuur om er een deel van zijn familie te huisvesten. Hun afstammelingen verkopen het domein in 1472 maar waarom en aan wie verklappen mijn bronnen niet, noch wat er daarna mee gebeurd is dus wie dat weet mag het graag zeggen. De camping dateert van 1970.

Het hoge gedeelte van de voormalige 18de/19de eeuwse hoeve met de muren in kwartsiet van Blanmont staat samen met de toren op de Waalse inventaris van Waardenvol Bouwkundig Erfgoed als ‘inscrit comme monument’ en ‘geklasseerd’. De dikke muren van de toren zijn van kwartsiet van Blanmont en kalkzandsteen van Gobertange. Er zijn vijf verdiepingen, twee open haarden, enkele vensteropeningen, schietgaten, een wc en een kelder. Van binnen zou er een trap zijn. Het dak is er niet meer en of er ooit een gracht rond is geweest is niet bekend.
Het indrukwekkende geheel is jammer genoeg vervallen hoewel het sinds 1989 beschermd is als monument. Er wonen kauwen en duiven in en in het metselwerk zie ik een boom uitsteken. Als woning zal de donjon nooit geriefelijk zijn geweest denk ik maar als burcht heeft hij al die eeuwen overleefd dankzij het opmerkelijk zorgvuldige metselwerk van die tijd.
De naam ‘Sarrasins’ is een raadsel maar het was wel de tijd van de ridderkruistochten tegen de ‘moordlustige Saracenen’ en misschien was de term dan wel een synoniem voor ‘vijanden’ in het algemeen (niets nieuws onder de zon). Overigens betekent het woord in het Frans ook zoiets als ‘koren’ of ‘boekweit’. Soortgelijke donjons in deze omgeving (Tour de Griffon in Corbais en Tour de Bierbais in Mont-Saint-Guibert) heten ook ‘Tour des Sarrasins.

Deze torens staan allen op de historische zuidgrens van het hertogdom Brabant en dienden om de vijandelijke Graaf van Namen tegen te houden. Volgens de legende staan ze ondergronds met elkaar in verbinding alsook met het grote kasteel in Mont-Saint-Guibert. Wie durft bewijzen dat dit niet waar is?
Van hier gaan we verder langs het sentier de l’Orne richting Mont-Saint-Guibert. Op stap langs deze rivier raak ik nogal eens in de war met de grenzen van de aan het riviertje liggende fusiegemeenten. De oprijlaan naar de Moulin Al Poudre vertrekt nog juist in Chastre-Blanmont maar het domein zelf ligt al in Mont St. Guibert-Hévillers. De Camping en le Moulin d’Alvaux met de Tour des Sarrasins liggen samen met de Ry de Corbais en le Nil op het grondgebied van Walhain.
Voor de wandelaar-natuurliefhebber die de rivier de Orne volgt van de Tour des Sarrasins naar de Tour de Bierbais geeft dat allemaal niet want je volgt gewoon het water langs het aangegeven ‘sentier de l’Orne’. Als ik het goed heb ligt dat pad tot aan de brug aan de Rue du Nil in Walhain maar de oever aan de overkant van de rivier is vanaf het einde van de camping alweer Mont-Saint-Guibert.
Als je iets meer wilt weten over de historische gebouwen waar je langs komt is het verwarrend want de erfgoeddossiers vind je voor iedere gemeente en zelfs per deelgehucht (‘unité) afzonderlijk dus dan moet je die historische grenzen op de kaart van nu goed weten te vinden. Ik heb trouwens gemerkt dat de bewoners zelfs nogal gesteld zijn op een preciese aanduiding van de plek waar ze wonen, misschien een erfenis uit de tijd van de met elkaar rivaliserende plaatselijke ‘seigneurs’?

Aan het pad achterlangs de Camping vanaf het bord ‘la Fausse Orne’ zie je tussen de bomen aan de rotswanden wel de resten van steenhakkers-activiteiten. Op de kaart staat ‘Scavées du Sart’ en ‘Bief d’Alvau’, woorden waarvan de betekenis mij niet heel duidelijk is (wie helpt?). Ik denk dat de toren gebouwd is met stenen uit deze muur en dat er sinds die tijd nog veel gewerkt is in deze groeve. Het zicht op de camping is van hier niet heel boeiend maar boven de caravans rijst de toren altijd hoog op.
Na de camping dalen we terug af naar de Orne die we volgen door een bosachtige moerasomgeving met vele vissersplekjes langs de rivier. Op veel plaatsen staan bordjes om je duidelijk te maken dat je hier niet zomaar je hengel mag uitwerpen maar om foto’s te maken tot in de rivier zijn die plekjes wel gemakkelijk.
Aan het bord Sentier de L’Orne bij de brug aan de Rue de Nil nr.53 staat een geheel overgroeide vrij grote kapel zonder enige aanduiding met een deur die zo te zien ook al lang niet meer openging. Binnenin zie je in de duisternis een donker Mariabeeld. Plaatselijke mensen wisten er niets over maar ondertussen heb ik het erfgoeddossier gevonden (de kapel staat juist in Mont-Saint-Guibert) en daar lees ik dat boven de deur van La Chapelle Notre Dame de Hal een inscriptie zou moeten zijn met het jaartal 1908 maar dat het gebouw zodanig overgroeid is dat je dat niet kan lezen.
Het bakstenen gebouwtje is ‘inscrit comme monument’ maar wie het gezet heeft en waarom staat er niet bij. Notre Dame de Hal is een heel beroemde zogenoemde ‘zwarte (maar lieflijke) madonna’. Haar bijstand wordt onder meer ingeroepen om te genezen van zeer zware ziektes.

Aan het hekje ga je opnieuw de rivier-natuur in van Walhain en volgens het blauwe bordje ben je hier op de officiële pelgrimsweg naar Santiago de Compostela. Het pad heet hier officieel ook le Chemin de St.Jacques de Compostelle maar ik ben er nog geen pelgrims tegengekomen.
We volgen het verder tot en na de tunnel onder de spoorweg. Gelukkig dat ze hier niet op elke grensovergang nog tol heffen zoals dat in het verleden wel gebruikelijk kan zijn geweest.
Na de tunnel onder de spoorweg komen we op de Rue du Nil waar we aan de brug ook al weer een kapelletje tegenkomen. Tegen die tijd zijn we alweer een tijdje vanuit Walhain de grens overgestoken naar Mont-Saint-Guibert. Als je op de kaart kijkt dan zie je dat de omgeving hier nogal sterk bebouwd is maar vanaf het wandelpad zie je daar niet veel van omdat de oevers blijkbaar zorgvuldig vrijgehouden worden van de verkavelingsdrift. Hier en daar gaat het aan de rand van een weide maar meestal stap je vlak langs de rivier tussen de bomen.
De rivier is hier al flink breed met stroomversnellingen maar niet diep. Er zijn even geen watermolens te zien en dat maakt dat de stroom nergens is rechtgetrokken maar gewoon zijn natuurlijke kronkels volgt. Ik vind geen berichten over overstromingen en dat valt eigenlijk ook op in vergelijking met andere rivieren en riviertjes in het stroomgebied van de Dijle en de Dyle.
De natuur wordt hier duidelijk goed in stand gehouden. Volgens Le Contrat de Rivière Dyle et Affluents – de organisatie die dit deel van het stroomgebied van de Dijle opvolgt – is de kwaliteit van het water op dit traject nog altijd maar ‘middelmatig’ maar het is wel helder en er zit duidelijk veel vis op zo te zien aan de vele vissersborden. Het valt mij ook op dat ik weinig afval in en naast de rivier zie.

Ik slaag er echter niet in om te ontdekken of en zo ja welke stukken van deze rivier – behalve aan de bron – zijn opgenomen in het Europese natuurbeschermingsnetwerk Natura 2000 of in andere Belgische of Waalse beschermingsregimes. Maar ik geef toe dat ik moeite heb om mijn weg te vinden in de Franstalige natuurbeschermingswebsites.
De dubbele spoorwegtunnel is wel een spectaculaire doorgang en vanwege de duisternis ook een beetje geheimzinnig. Je ziet ze nauwelijks maar boven je hoofd razen de treinen voorbij op weg naar Brussel of naar Namen en Luxemburg. Van mij mogen ze, ik ben liever hier langs het water om te luisteren naar het gekabbel tussen de stenen.
Op de Rue du Nil: Terwijl de rivier onder de straat rechtdoor gaat moeten wij hier even rechtsaf om enkele honderden meters verder opnieuw een smal pad tussen de huizen naar links te nemen, nog altijd aangeduid met die blauwe bordjes van Santiago de Compostela dus het is niet moeilijk te vinden. Op de kaart is het aangeduid als ‘sentier 40’.
Het witte kapelletje aan de brug is echt zo’n typisch klein oud familieheiligdom wat in Wallonië nog overal gekoesterd wordt. In het erfgoeddossier lees ik dat de ‘potale’ is ‘inscrit comme monument’ maar verdere details ontbreken. Zoals al dit soort kapelletjes is het ferm afgesloten met ijzerwerk om diefstal tegen te gaan maar een vriendelijke dame maakt het speciaal voor mij open voor een foto van het mariabeeldje.
Aangekomen op de Rue des Tilleuls staan we aan een met bloemen versierd brugje aan de plek waar La Houssière uitkomt in de Orne. De Houssière ken je al van mijn reportage over Le Moulin Dussart in Chastre-Gentinnes. Die komt hier aan vanuit het zuiden maar je ziet er weinig van want hij stroomt door het privé-domein van het Château de Bierbais.

De Orne zelf gaat verder naar het westen via een grillig traject tussen en hier ook onder de huizen richting Beaurieux en voor de natuurliefhebber ziet het er op de kaart even niet zo aantrekkelijk uit. Op de kaart zie ik dat er wel nog een drietal zuiveringsstations zijn en ook dat er water wordt opgepompt maar er is nergens een wandelpad langs het water.
Aan de brug hangt ook een bord met de wat raadselachtige aanduiding Ry de la Fontaine aux Corbeaux. Op de kaart zie je dat die beek een 750 meter verder naar het noordoosten (richting Corbais) ontspringt in een sinds de tijd van Ferraris zo goed als helemaal onder de huizen verdwenen Bois de Béclines, dan als een kanaaltje verder stroomt evenwijdig aan de Rue Fontaine aux Corbeaux en vervolgens onder de spoorweg door moet tot aan de (verdwenen?) ‘fontein’ waar de mensen vroeger hun water haalden. De kraaien heb ik nog niet gezien maar nu weet ik dat Corbais in deze streek misschien niet slaat op zoiets als Korbeek of Kortebeek maar op zwarte vogels.
Om spectaculaire foto’s door een avontuurlijke fotograaf te zien van het ondergrondse deel van al dit water onder de Place de la Fosse open je best de link naar http://tchorski.morkitu.org/2/drains-01.htm.
Op de Rue des Tilleuls (geen lindes of andere laanbomen te zien) kan ik je aanbevelen om even binnen te gaan in het allervriendelijkste Café des Pêcheurs. Het witte gebouw is niet als monument beschermd – ik vind het toch niet op de inventaris – wel een ander gebouw dichter tegen het centrum in dezelfde stijl waarvan gezegd wordt dat het heel typisch is voor de historische stadsbouw in deze streek.

Op onze verkenningstocht langs de Orne tussen Chastre en Mont-Saint-Guibert zijn we aangekomen op het laatste deel van het traject. Langs een massieve muur aan de rechterkant van de Rue des Tilleuls komen we aan een brugje over het riviertje La Houssière en slaan rechtsaf naar de Rue de Bierbais. Het is een mooi straatje dwars door een groot park dat jammer genoeg aan beide kanten hermetisch afgesloten is met rechts een hoge muur en links een ferme afrastering.
Achter de muur verbergt zich het beroemde ‘Château de Bierbais’. Voordat je aan het kasteel bent kom je langs de vroegere watermolen en een bord met de geheimzinnige aanduiding ‘Pavillon de Bierbais’.
Volgens het erfgoeddossier gaat het om twee heringerichte ‘pavillons d’orangerie’ aan de binnenzijde van de achtermuur rond het domein met de resten van vroegere serres en een eigen tuin. Het dossier geeft een uitvoerige beschrijving maar van de straat zie je er niets van (wel op googlemaps-luchtfoto) en blijkbaar zijn de paviljoens in gebruik als privé-conferentie-zaaltjes en bed and breakfast.
Als je het niet weet zie je het niet maar recht voor de Donjon de Bierbais kom je langs de vroegere heerlijke banwatermolen van het Château op het riviertje La Houssière . Hij is gebouwd als een vierkantshoeve en lang geleden was hij uitgerust met twee waterraderen om graan te malen maar ook om de apparaten aan te drijven van de plaatselijke boerderijschool of schoolhoeve.

Over die vroege tijd weet ik nog niets maar na 1830 werd hij uitgebaat door achtereenvolgende plaatselijke eigenaars-molenaars Deman en Everaerts. De graanwatermolen brandde af in 1889 en werd een jaar later herbouwd als ‘fabrique de vernis de pommade et de boîtes à métaux à eau”, volgens Molenechos een dozenfabriek. Een in 1897 toegevoegde houtzaagmolen wat blijkbaar niet winstgevend want vier jaar later werd hij al weer opgeheven. Sindsdien werd het gebouw lang gebruikt om er landbouwproducten op te slaan.
Het gebouw is witgekalkt en gerenoveerd maar de watertoevoer is afgesneden, het sluiswerk is er niet meer en van het metalen bovenslagrad is blijkbaar niet veel meer over. De molen is ingeschreven op de Waalse Inventaris van Waardenvol Bouwkundig erfgoed Van buiten aan de straat zie je er ook niet veel van want als privébezit met verscheidene wooneenheden is het ferm afgeschermd en ontoegankelijk. Bovendien is het huis aan de straat van recenter datum ter vervanging van de afgebroken historische schuur. Naast het ijzeren hek hangt een merkwaardige steen met het opschrift SIDONIE/D.M.DL./8 MAI/1816, misschien de naam van de eigenaar op dat ogenblik.
Aan de linkerkant zie je de rivier La Houssière gaan langs een drietal parkachtige vijvers omringd door groene gazons met in de verte een witte villa. Die vijvers zie ik voor het eerst op de topografische kaart van 1873 heel duidelijk als spaarvijver voor de watermolen maar dan zien ze er nog helemaal anders uit en het park en de rivier heten dan ‘Rau dit Feauseau’. Hij is ook nog heel duidelijk te zien op de kaart van 1989. Waarvoor dit park of liever een weide moet dienen en waarom er geen enkel openbaar pad doorheen gaat weet ik niet.
Langs de straat is er een heel grote school en verzorgingscentrum voor andersvalide jongeren en volwassen (Institut de Bierbais) en ik zou mij kunnen voorstellen dat het voor de bewoners wel leuk zou zijn om hier af en toe naar toe te mogen gaan, ook al omdat er in de omgeving volgens mij verder nauwelijks openbaar groen is.

Volgens het erfgoeddossier is de villa de voormalige ‘Ferme de la Michaëtte’. De oude hoeve staat nog achter het hoofdgebouw staan maar de heel mooi gerestaureerde hagelwitte villa dateert uit de 19de eeuw. De naam ‘La Michaëtte zou volgens Tarlier en Wauters verwijzen naar ‘Muche Hayette’ ofwel naar ‘Bois Muytsaert Haytte” dat vermeld wordt in een in het Vlaams document van 1440 (TARLIER J., WAUTERS A., 1865, Géographie et histoire des communes belges. Province de Brabant. Canton de Perwez, p. 66, 69.).
Op postkaarten van het begin van vorige eeuw is het blijkbaar in gebruik als het ‘Instituut Agricole et Horticole de Bierbais’ maar sindsdien is het als privéwoning met voorhof, zwembad en tennisbaan maar verder vind ik er geen nuttige informatie meer over.
Van de Tour des Sarrasins in Alvaux zijn we bij de andere Tour aangekomen. Waar in Mont-Saint-Guibert (Hévillers) de Orne samenkomt met La Houssière ligt achter een muur het Domaine de Bierbais. De Rue de Bierbais gaat er dwars door en langs daar kan je het een en ander zien.
De machtige Leuvense familie de Bierbeek, heerser over de gelijknamige heerlijkheid, is in de 12de eeuw samen met de abdij van Gembloux de eigenaar van zowat alle gronden in de streek van Hévillers en Mont-Saint-Guibert. Op dringend verzoek van de Hertog van Brabant bouwt de familie de donjon (de Tour de Bierbais) en kerk op de plek waar later ook het kasteel zal staan. Om het geheel compleet te maken wordt er ook de watermolen gezet.

De familie sterft uit op het einde van de 14de eeuw en hun domein komt in handen van de Heerlijkheid Walhain onder het bewind van de familie de Glymes die de naam de Bierbais verder blijft gebruiken. Nadien komt het in handen van de familie Everart de Velp. Om de namen van de families De Glymes, De Bierbeek en De Velpe terug te vinden ga je best ook eens kijken in het Vlaamse Bierbeek en Opvelp.
Aan het einde van de 18de eeuw wordt het domein met alles er op en er aan verkocht aan Charles-Ernest de Man de Lennick. Die bouwt het huidige kasteel in neo-klassieke stijl dat nadien vergroot wordt en omringd met een door een muur omheind park in Engelse stijl met vijvers, watervallen, oranjerieën en paviljoenen dat er tot op de dag vandaag nog grotendeels is. Het geheel is sinds 1977 beschermd erfgoed.
Aan de donjon kan je zien hoe hij in de elkaar opvolgende eeuwen zijn huidige hoogte en vorm krijgt: onderin gebouwd met steenbrokken van kwartsiet van Blanmont uit 12de en 13de eeuw, gevolgd door een 3de verdieping in witte bakstenen in de 17de eeuw en dan nog twee verdiepingen in baksteen uit het begin van de 19de eeuw met daarboven op de torentjes.
Het kasteeldomein was sinds 1988 de woning van Prinses Stéphanie de Windish-Graetz, een zeer boeiende excentrieke afstammelinge van de keizerlijke Habsburgers en deel van onze koninklijke familie. De prinses heeft zich kosten nog moeite gespaard om het dan vervallen kasteel en bijgebouwen te restaureren om er allerlei projecten te kunnen realiseren maar heeft het dan in 1995 moeten verkopen omdat de schulden te hoog waren opgelopen.
Over die verkoop hangt een mysterie. Plannen van de prinses om er publiek seminarie- en kunstencentrum van te maken (en een opvang voor in de steek gelaten kinderen) stuiten in die jaren op zoveel plaatselijk overlast-protest van de omwonenden dat de zakenman die er blijkbaar 65 miljoen euro voor over had, van zijn project afziet, niet meer deelneemt aan de publieke verkoop en het geheel na een gedwongen veiling verkocht wordt voor 26 miljoen aan een niet nader genoemde vennootschap van een anoniem blijvende ‘zakenman of bankier in Ukkel’ die het graag ‘kocht als privéwoning voor zijn dochter’.

Die verkoop was een teleurstelling voor de prinses want de opbrengst dekte zelfs de uitstaande schuldenlast bij de bank Anhyp (het latere AXA) niet. Juridische pogingen van de prinses om de verkoop nietig te doen verklaren wegens ‘onder de waarde’ lopen op niets uit en tenslotte wordt ze er met een rechterlijk bevel uitgezet.
Daarna wordt het doodstil en vind ik alleen nog maar een RTBF-bericht in 2013 met een protest dat het privé-domein zelfs op monumentendag niet bezocht mag worden en dat de gemeente nooit meedoet aan open monumentendagen. Het is een raar verhaal maar het komt er toch op neer dat midden in de mooie gemeente Mont-Saint-Guibert een reusachtig historisch kasteel staat in een al even historisch park en dat niemand mag weten wie de bewoner is en wat men – na het missen van een fantastische kans op eigentijdse kunstzinnige opwaardering – op termijn met dat beschermde erfgoed zou willen doen. Ben ik de enige die dit niet meer zo eigentijds vindt? Zeg het dan maar!
Daarmee ben ik in elk geval aan het einde van deze verkenningstocht langs de Orne gekomen en heb ik het in zijn geheel op mijn webblog gepost zodat ook de niet-facebooklezers kunnen meelezen.


+++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++
Over de Orne:
l’Orne (à Chastre) – Protégeons notre rivière !
www.crdg.eu › send › 132-feuillets-cours-d-eau › 395-or…
http://www.crdg.eu/component/jdownloads/send/132-feuillets-cours-d-eau/395-orne-chastre (PDF) Le Contrat de rivière Dyle et Affluents
+++
http://biodiversite.wallonie.be/fr/2922-sources-de-l-orne.html?IDD=251661304&IDC=1881
+++
Natura 2000 en Wallonie | La biodiversité en Wallonie
natura2000.wallonie.be
.+++
Réseau Natura 2000 en vigueur – Géoportail de la Wallonie
geoportail.wallonie.be › catalogue
+++
Réseau Natura 2000 – Etat de l’environnement wallon – Wallonie
etat.environnement.wallonie.be › in…

over Chastre:
http://www.crdg.eu/component/jdownloads/send/132-feuillets-cours-d-eau/395-orne-chastre
+++
Chastre | Beleef Waals-Brabant
www.beleefwaalsbrabant.be/nl/chastre
+++
http://www.chastre.be/loisirs/tourisme/decouvrir-chastre/histoire/village-de-blanmont
+++
www.chercha.be (Cercle d’histoire de Chastre)
artikelen in hun bulletin zijn dat jammer genoeg niet op het internet te vinden is
+++
http://www.echarp.be/twcper5.php (Tarlier & Wauters: Retranscription: Commune de Chastre)
+++

http://users.skynet.be/chercha/chastre/HISTOIRE.htm
+++
http://www.cheminsdurail.be/doc/fiche_balade_chs.pdf promenade vicinal de éà&!-05-19 1929Chastre)
+++
+++
+++
Chastre et Walhain
https://books.google.be/books?isbn=2870099991

Over la Ferme Rose :
La Ferme Rose, bescherming als monument:
+++
[PDF]PROMENADE DE LA FERME ROSE, CHASTRE la Ferme Rose …
http://www.chastre.be/loisirs/…ferme-rose…/promenade-de-la-ferme-ros…
+++
http://www.echarp.be/twcper5.php (Tarlier & Wauters: Retranscription: Commune de Chastre)
+++

Over Le Moulin du Godeupont :
Moulin de Godeupont | Moulin de Blanmont | Belgische … – Molenecho’s
www.molenechos.org/molen.php?nummer=706
+++
http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/pdf/fiche/25117-INV-0092-01
+++
http://www.journees-europeennes-des-moulins.org/recherchesites/moulin-de-godeupont/

Over het Château de Blanmont:
http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/fiche/index?sortCol=2&sortDir=asc&start=0&nbElemPage=10&filtre=&codeInt=25117-INV-0011-02
(Château de Blanmont)
+++
TARLIER et WAUTERS, Canton de perwez, p. 66.
Inventaire des parcs et jardins.

Over de Villa Bauer, Villa Namèche en L’Eglise Martin:
http://spw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/pdf/fiche/25117-INV-0055-01
villa bauer: huis met de torentjes
+++
http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/fiche/index?sortCol=2&sortDir=asc&start=0&nbElemPage=10&filtre=&codeInt=25117-INV-0048-01
Rue de Bau 18 – villa Namèche
+++
https://www.chastre.be/ma-commune/autres-services/cultes/cultes/blanmont-eglise-st-martin

Over Le Moulin Al Poudre :
Historique | Les Délices de l’Orne
www.alpoudre.com/
+++
+++
Moulin à Poudre | Moulin Al Poudre | Belgische … – Molenecho’s
www.molenechos.org/molen.php?AdvSearch=715

Over het waterzuiveringsstation en Colline de Penuel :
(la station d’épuration de Chastre)
+++
(Colline de Penuel | Un lieu, un temps pour Dieu)

Over het kwartsiet van Blanmont:www.chercha.be (Cercle d’histoire de Chastre)plus verwijzing naar artikelen in hun bulletin ( dat jammer genoeg niet op het internet te vinden is):La Mémoire de Chastre no.108 en 109, 2017, 3de en 4de trimestre
+++http://www.canalzoom.com/une-evocation-de-la-pierre-de-blanmont/Une évocation de la pierre de Blanmont
+++http://www.echarp.be/twcper5.phpTarlier & Wauters: Retranscription: Commune de … – echarp
+++https://nl.wikipedia.org/wiki/Kwarts
Kwarts is een vorm van siliciumdioxide, SiO2 en behoort tot de meest voorkomende mineralen op de aardkorst.

Over Le Moulin d’Alvaux :Moulin d’Alvaux | Belgische Molendatabase | Molenecho’swww.molenechos.org/molen.php?nummer=1170
+++

Over de Tour des Sarrasins :spw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/…/25124-INV-0056-02(de toren)
+++
http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/fiche/index?sortCol=2&sortDir=asc&start=0&nbElemPage=10&filtre=&codeInt=25124-INV-0003-02(de schuur)
+++
https://www.interglot.nl/woordenboek/fr/nl/vertaal/sarrasin

Over la Chapelle Notre-Dame du Hal :http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/fiche/index?sortCol=2&sortDir=asc&start=0&nbElemPage=10&filtre=&codeInt=25068-INV-0048-01(Chapelle Notre-Dame de Hal)
+++
https://belgique-insolite-et-occulte.blogspot.com/2015/10/les-vierges-miraculeuses-en-belgique.html (p.133-135, notre dame de hal)

Over Mont-Saint-Guibert : La Houssière, Rue du Nil en de Rue des Tilleuls :
http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/fiche/index?sortCol=2&sortDir=asc&start=0&nbElemPage=10&filtre=&codeInt=25068-INV-0086-01potale
+++http://tchorski.morkitu.org/2/drains-01.htmover la Houssière en de Ry de la Fontaine aux Corbeaux – foto’s vanuit het water van de overdekte galerijen, gangen en viaducten
+++http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/fiche/index?sortCol=2&sortDir=asc&start=0&nbElemPage=10&filtre=&codeInt=25068-INV-0050-01(dit is niet het café des pêcheurs op nr.121 maar een soortgelijk huis op nr.5-7)

Over het domein van Bierbais, le Château, de Moulin, Ferme de la Michaëtte:
Moulin du Château | Moulin de Bierbais | Belgische Molendatabase …www.molenechos.org/molen.php?nummer=1171
+++
http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/fiche/index?sortCol=2&sortDir=asc&start=0&nbElemPage=10&filtre=&codeInt=25068-INV-0024-02(watermolen in de Rue de Bierbais)
+++25068-INV-0025-02 Rue de Bierbais 2 et 2a – Inventaire du …lampspw.wallonie.be › dgo4 › fiche – pavillons de bierbais
+++http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/fiche/index?sortCol=2&sortDir=asc&start=0&nbElemPage=10&filtre=&codeInt=25068-INV-0042-01ferme (Ferme de la Michaëtte)http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/fiche/index?codeInt=25068-INV-0036-01(geheel van het domein van Bierbais
+++

QUAND UNE DESCENDANTE DES HABSBOURG S’APPRETE A …www.lesoir.be/…/quand-une-descendante-des-habsbourg-s-apprete…
+++
LE CHATEAU DE BIERBAIS EST A VENDRE,AVEC SON …www.lesoir.be › art › le-chateau-de-…
+++
25,6 MILLIONS POUR UN CHATEAU BIERBAIS VENDU! – Le …www.lesoir.be › art › 25-6-millions-…
+++https://www.royalementblog.be/2019/07/la-princesse-stephanie-de-windisch.html(buitengewoon lezenswaardig verhaal over de prinses en haar kasteel)
+++
https://www.companyweb.be/bedrijf/fondation-windisch-graetz-centre-culturel-europeen/vzw/434370057
+++https://www.rtbf.be/info/article/detail?id=8083057&cat=SOCIETEJournées du Patrimoine: la commune de Mont-Saint-Guibert …+++
Everarts de Velp (Famille) – Algemeen Rijksarchiefsearch.arch.be › ead › pdf › BE-A0510_000318_0027…

Trefwoorden: orne, chastre, mont-saint-guibert, blanmont, walhain, ferme rose, moulin godeupont, château blanmont, moulin al poudre, kwartsiet, steengroeve, moulin d’alvaux, tour des sarrassins, bierbais,
februari 2021
Ernst Gülcher
contact: ernst.guelcher@telenet.be
OP VERKENNING ROND DE MUUR VAN SAVENEL IN NETHEN

Rond de muur van Savenel in het Meerdaalwoud boven Néthen. Kort geleden heb ik een uitgebreid hoofdstuk met de geschiedenis van het domein van Savenel en zijn kasteel gepost in mijn Digiboek OP STAP IN HET LAND VAN DE DEMER EN DE DIJLE. Onderaan deze bijdrage vind je de link naar achtereenvolgens de Nederlandse en de Franse versie.
Binnen de domeinmuren mag je niet komen maar je kan er wel heel mooi omheen wandelen als je tenminste over een beetje conditie beschikt want de wandeling is niet lang maar wel nogal op en af met tenminste één flink steil stuk. In dit reeksje foto’s neem ik je mee vanaf La Place de Trementines met zijn prozaisch cultureel centrum en op de hoek met de muur het mooie voormalige buurttramstationnetje, nu een klein restaurant en chocolaterie.
Vandaar gaan we even richting Hamme-Mille (pas op voor de auto’s). Aan het bruggetje over de Ruisseau de la Néthen zie je het water onder de muur doorkomen en even verder staat de muur op de rand van een tuin. In de bocht staan enkele mooie huizen en het bronnetje ‘Fontaine Saint-Jean’

Even verder gaat een weggetje linksaf de helling op met de aanduiding ‘Promenade des Murs’ en een bord ‘verboden voor moto’s’. Van hier gaat het ongedacht steil omhoog zodat je binnen de kortst mogelijke tijd op het hoogste punt ben. De muur is aan je linkerkant en daar moet je naartoe.
Als je rechts gaat breng je een bezoek aan de voormalige zandgroeve La Bruyère, nu natuurreservaat en met prachtige uitzichten op de vallei. Over de zandgroeve vind je ook een hoofdstuk in mijn Digiboek OP STAP IN HET LAND VAN DE DIJLE EN DE DEMER.
Aan de muur gekomen gaat je wandeling naar rechts maar ga toch even naar links zover als je kan (tot waar de muur steil naar beneden gaat en er een draad gespannen is). Hier heb je ook uitzicht over de vallei maar kijk je ook over de muur tot in het kasteeldomein. Tussen de bomen zie je de kasteelvijver (in de winter toch) maar verder is alles bos. Val niet van de muur naar binnen want dan kan je alleen nog langs de voorpoort naar buiten. Onder de muur heeft de vos een hol dus misschien kan je er daar onderdoor?

Voor de wandeling volg je de muur tot aan de akker. De hoeve die je in de verte ziet is La Ferme des Douze Bonniers en de boer heeft wel graag dat je het pad vlak langs de muur volgt en niet rondstampt op zijn ingezaaide veld. In het verleden was het wel eens moeilijk om hier langs te gaan vanwege de overhangende struiken aan de muur, maar iedereen in Néthen die er iets van kent zal je vertellen dat wel degelijk een openbare voetweg is dus laat je niet afschrikken.
Op verkenning rond deze muur kom ik telkens weer onder de indruk van de weerbarstige kwaliteit van het metselwerk dat eeuwenlang de verwoestende krachten van mens en natuur weet te weerstaan. De stevige bakstenen, gemaakt van klei uit putten op het domein en het gebruik van kalkcement dragen hier zeker toe bij. Dat zachte cement zorgt er voor dat de muur kan bewegen zonder te breken en als er stenen uit of afvallen kan dat feitelijk gemakkelijk hersteld worden.
We hebben al gezien dat aan de kant van de zandgroeve de grond met het dennenbos opgehoopt ligt tot aan de bovenrand. Op het veld van de Ferme des Douze Bonniers zie je ook de dikke steunberen. Over de vraag of klimop zo’n muur nu verwoest of juist omhoog houdt zijn de deskundigen het nog altijd niet eens maar op de duur dringen de wortels wel teveel in de voegen en moet de vegetatie gekortwiekt worden met soms kunstzinnige effecten als gevolg.

Hier en daar staat de muur wel een beetje scheef en langs het veld is toch één stuk nog niet lang geleden omgevallen. Ik hoop dat de eigenaars dat toch weer eens zullen laten rechtzetten en dan wel met het originele bouwmateriaal (verderop zullen we zien wat het rampzalige effect is van herstellingen met eigentijdse stenen en hard cement).
Op dit traject zijn er twee poortjes (ik dacht lang maar één maar door het snoeiwerk is het tweede poortje zichtbaar gemaakt). Het kleinste is dichtgespijkerd maar het andere is meer een officiële achteringang tot het domein die ook al voorkomt op oude kaarten. Op mijn oude foto’s is er nog een traliehek maar nu ligt dat er als oud roest naast en een wankel rasterwerkje vertelt je dat het niet de bedoeling is om er door te gaan dus dat doen we dan maar niet. Maar ook hier zou het mooi zijn om het erfgoed te restaureren vind ik.
Het Meerdaalwoud waar je op kijkt is beschermd natuurgebied maar ik heb mij laten vertellen dat de akker van de hoeve eigendom zou zijn van de kasteelheer van Savenel en het onzeker is of die daar in de toekomst geen huizen zou willen bouwen. Ik hoop dat iemand ons kan geruststellen want het zou het uitzicht van de omgeving dramatisch aantasten vind ik.

Vanaf hier kan je ook richting boshuis Het Spoor met zijn vriendelijke bewoners (paalcamping op de taalgrens!) en op verkenning in het diepste ravijn van het woud, de merkwaardigste boom en zijn geheimzinnige Warandevijver.
Op dit traject van onze Savenel-verkenning kom je vast niet veel volk tegen. Er lijkt hier nauwelijks iemand te komen want het paadje ziet er een beetje wild uit. Vanaf de poort aan de kant van La Ferme des Douze Bonniers volg je de muur tussen enkele paaltjes door. Het pad is smal, op je rechterkant is alles bos en de bomen hangen hier en daar over je pad. Kijk ook maar eens naar boven naar de hoog oprijzende woudreuzen.
Op de hoek kom je tongvaren tegen, een varensoort die in het Meerdaalwoud en overal in de natuur alleen op plekken voorkomt waar het donker en vochtig is en waar de bodem heel zuiver is. Die varens houden van oude stenen en je ziet ze dikwijls in oude waterputten.
Even de helling af en dan kom je aan de officiële achterpoort. Dit is de oudste en oorspronkelijke toegang naar het voormalig klooster en hij ligt in het verlengde van de Nethensebaan die in die tijd de officiële openbare verbinding was dwars door het Meerdaalwoud tussen Leuven en Nethen. Door de bouw van het klooster werd hij afgesloten en dat is hij jammer genoeg nu nog altijd!
Vanaf de dag van de afsluiting moest iedereen altijd een heel eind omlopen om rond dat domein in Nethen of Leuven te komen en dat was erg vervelend voor zwaarbeladen reizigers zoals marktkramers, al dan niet met paard en wagen en voor kerkgangers. Daar waren de Nethenaars indertijd erg boos over en dat gevoel is altijd een beetje overgebleven.

Als deze weg weer zou opengaan kunnen wandelaars weer langs de oorspronkelijke dreef tot in het dorp komen maar wel een beetje langs het kasteel natuurlijk maar er ook niet vlak er langs om de bewoners niet te storen. Ik pleit ervoor om bij de eigenaar van het domein aan te dringen op de wederopenstelling van deze voetgangersverbinding.
Aan de binnenkant van de poort moet nog een poortgebouw met enkele verblijfsruimtes gestaan hebben maar daar is niets meer van te zien. Vanaf hier poort volg je het pad verder ofwel klim je omhoog langs de muur en ga je bovenaan naar links om altijd langs de muur in het bos te komen. Als je dat doet kom je nog een verrassing tegen maar loop je ook een klein eindje om voor de rest van de wandeling. Via het pad kom je direct bovenaan de steile holle weg naar beneden. Op het veld staan bijna altijd sporen van everzwijnen en reeën kom je er dikwijls tegen maar ze verbergen zich graag in het hoge gras.
Wie graag zaken ontdekt klimt nu langs de muur de helling op om die in het bos even te volgen alvorens af te dalen langs een van de mooiste holle wegen van het Meerdaalwoud. Het officiële pad gaat een klein eindje van de muur vandaan door het bos en dan kan je ook volgen, geen probleem. In de zomer groeien en bloeien hier allerlei veldkruiden en tussen het hoge gras verbergen zich bijna altijd een paar reeën.

Hoog boven langs de muur in het bos kom je allerlei geheimzinnige zaken tegen zoals zwammen, houtstructuren, een geheim teken op een boom, een andere boom die probeert te ontsnappen maar vooral een heel oud poortje dat nergens op de kaart staat. Ik hou van poortjes, liefst als ze open staan maar dit poortje was maar even open en is nu weer potdicht.
Hoeveel poorten zijn er eigenlijk in deze muur? Iemand in Néthen zou dat toch moeten kunnen vertellen. Behalve de voorpoort en de zijpoort (met de Engelse zuilen) tel ik nog twee grotere poorten en twee kleintjes. Maar volgens mij moeten er langs de Rue de Hamme Mille nog meer zijn maar die kan je niet zien vanaf de straat. Om te weten waarvoor die poorten allemaal gediend hebben kan ik je aanbevelen om de onderstaande links te openen en het verhaal te lezen want ze hadden allemaal een specifieke betekenis voor de kloosterlingen en wie door zo’n poort naar binnen en naar buiten mocht gaan. Alles hing van de wereldlijke status maar ook van de krachtigheid van je geloof.
Op het volgende traject komen we uit op de hoek van de Nethensebaan en de holle weg naar beneden.
Recht naar het noorden kom je direct op de historische dreef met die naam die in een rechte lijn richting Leuven gaat. Zodra je in de modderplassen aan het begin staat ben je de taalgrens overgestoken en is het zaak de bandensporen te volgen van de grote machines waarmee de houtvesters de gevelde bomen weghalen.

Als je nog denkt dat het Meerdaalwoud een groot bos is, dan moet ik je een beetje teleurstellen. Van hier is het minder dan twee uur stappen naar de andere kant en dan sta je aan de autosnelweg E40 en het arboretum in Heverlee. Je bent dan ook nog aan het Zoet Water de gemeente Oud-Heverlee tegengekomen en daar is ook heel wat bos al lang verdwenen en het wordt er niet beter op met de lintbebouwing. In Heverlee ging het bos nog niet zo heel lang geleden tot aan het Heilig Hart aan de Naamsesteenweg maar veel bomen zal je aan die kant nu niet meer aantreffen.
Deze etappe van onze verkenningstocht rondom de muur van Savenel vind ik bijzonder spectaculair. We staan op de hoek van de muur boven de holle weg waarlangs we over een afstand van zo’n 200 meter moeten afdalen van een hoogte van 80 meter tot de volgende hoek op minder dan 50 meter boven de zeespiegel. Op mijn kaart heet alles hier Nethensebaan maar in het bos is dat uiteraard niet aangeduid (sorry stadsmensen: ik ben tégen naamsaanduidingen op paden in een bos!).
Wij gaan echter naar het westen en volgen altijd de muur. Het is een heel diepe holle weg en de stenen rijzen hoog boven je uit. De helling is zo steil dat ik altijd weer onder de indruk ben dat die muur daar al die eeuwen is blijven staan zonder in de kloof te zakken of vallen. Bovendien zie je hier ook hele reeksen woudreuzen die van de andere kant van de weg zijn omgevallen en boven op die muur hangen. Af en toe wordt er wel eens een weggehaald maar toch niet dikwijls. Hier en daar zie je een muurschildering. Is er iemand die Jozefien en Willem kent en weet of ze nog altijd van elkaar houden?

Het pad wordt veel gebruikt door ruiters en dat maakt dat er wel af en toe nieuw zand wordt aangevoerd waardoor het niet al te modderig is. Mountainbikers komen er natuurlijk ook door en ik heb gezien dat de helling aan de boskant meer en meer aangetast wordt doordat deze sportieve jongens het nu eenmaal nodig vinden om hoog uit het bos langs de steilste weg naar onder af te dalen met een akelige erosie en kaalslag als gevolg. Gezien het feit dat die helling nog juist op Franstalig grondgebied ligt is het de verantwoordelijkheid van de gardiens aan die kant om aan dit soort praktijken een einde te maken en ze zouden dat beter doen ook want anders gaat het bos hier binnenkort verloren.
Als het hard begint te regenen met je op dit pad een beetje oppassen want ik heb al meegemaakt dat het binnen de vijf minuten in een woeste watermassa verandert alsof al het water met modder en al uit met Meerdaalwoud hierlangs moet worden afgevoerd. Op de hoek beneden staat we opnieuw aan de rand van een veld maar als je rechtsaf gaat kom je weer in een heel mooie beetje wilde bosvallei. Wij gaan linksaf voor de volgende etappe.
We staan weer onder aan de muur van Savenel in Néthen en wel op de hoek aan het veld richting Sint joris Weert en het Meerdaalwoud. Als je hier even verder stapt vind je bij een dikke beuk een infobord met uitzicht op de muur.

Op de hoek zelf vind je nog stenen die misschien herinneren aan de palissade die de hertog van Arenberg van Weert tot aan de Naamsesteenweg liet zetten om de boeren te verhinderen om hun vee in zijn bos te laten grazen en omgekeerd zijn wild tegen te houden om op de weiden akkers tegoed te doen. Van die palissade is nauwelijk nog iets te zien op het terrein maar op oude kadasterkaarten staat hij aangeduid.
Het pad is rustiek en net te doen voor voetgangers en paarden maar op dit stuk zou het voor mountainbikers verboden moeten zijn omdat het smal en modderig is en voetgangers niet kunnen uitwijken vanwege de hoge zijkanten.
Hoogtepunt van dit deel van de wandeling is uiteraard de ‘engelse poort’. Van wanneer die is en waarom die zo heet zoek je graag maar eens op in het verhaal over het domein (zie de links). De statige populierendreef komt uit op het kasteel dat je van hier niet ziet en uiteindelijk op de voorpoort die we nog zullen zien.
Binnen de poort zie je op de heuvel een nieuwgebouwde villa staan met heel vriendelijke bewoners maar die daar volgens mij toch nogal ‘zonevreemd’ gebouwd is, dat wil zeggen niet in overeenstemming met het verleden van het als erfgoed beschermde domein en met de natuur.

De poort is een van de doorgangen waarvan ik pleit dat dat die voor het voetgangerspubliek toegankelijk zou worden gemaakt om de mensen toch enig zicht op het domein te gunnen. Ik vind eigenlijk dat de volledige ontoegankelijke privatisering van zulke grote domeinen tegenwoordig niet meer zo eigentijds is en dat er hier en daar wel een publiek ‘sentier’ mag zijn, zeker als je weet dat heel dat bezit officieel geklasseerd is en de overheid en dus de belastingbetaler vast wel heeft bijgedragen aan de restauratie.
In het najaar kan je op de akker aan de zijpoort van de muur van Savenel in Néthen wel op luid gebrul en geknal stuiten want dan is het jachtseizoen en moeten de reeën op Waalse wijze (dat is met drijfjacht) geschoten en opgegeten worden. Ik vermoed dat er hier ook op everzwijnen wordt gejaagd. Het is een erg storende macho-manier van jagen maar op een bepaalde manier vind ik het veiliger dan de stille jacht door eenzame schutters vanuit hoge jachtstoelen zoals het aan Vlaamse kant gedaan wordt omdat je het van mijlen ver al hoort en dus weet dat je er niet tussen moet geraken.
Even verder kom je aan La Néthen en als je moed hebt kan je ook even aan de onderkant van de brug gaan kijken. Van hier stroomt het water rechtstreeks naar watermolen Vandenbempt in Sint Joris Weert en op de taalgrens verderop verandert de naam ter hoogte van het opgestuwde water in Molenbeek.
Het mooie kleine huis dat er naast staat zie ik voor het eerst op de topografische kaart van 1939 dus het is van relatief recente datum.

De domeinmuur is aan deze kant gerestaureerd met eigentijdse bakstenen en je ziet wel dat je zoiets beter niet doet want het doet eerder slecht dan goed.
Voor plantenspotters is deze muur trouwens wel een paradijsje want in de voegen vind je allerlei soorten varens en mossen en kostmossen die heel erg van kalk houden. Bekermossen zijn geen mossen hoewel ze daar wel op lijken maar korstmossen, dat wil zeggen een samenlevingsvorm van een wier en een schimmel.. Je herkent ze gemakkelijk aan hun vorm. De bekertjes zijn de dragertjes van de vruchtlichamen (sporen). Iedere keer dat er een druppel invalt spatten die weg en zo kunnen ze zich voortplanten.
Samen met de rendiermossen en de heidestaartje worden ze botanisch ingedeeld bij het geslacht van de Cladonia dat wel 350 soorten telt in vele soorten kleuren. Ze zijn wel tamelijk zeldzaam en een aantal ervan staat op de zogenoemde Rode Lijst van bedreigde soorten vooral omdat in onze streken de lucht niet zuiver genoeg meer is. Ze groeien op de grond, rottend hout, op daken maar ook op stenen zoals die in de muur van Savenel. Ik ben geen held in determinatie maar volgens mij groeit daar het Frietzakbekermos (Cladonia humilis): “Friet- of patatzakbekermos komt voor op de grond en op steen. De bekers zijn fijnsoredieus <korrelig> en plomp, de grondschubben groot. De overgang van steel naar beker verloopt geleidelijk en niet zo duidelijk afgescheiden als bij C. Fimbriata. Hierdoor lijkt de beker wat op een puntzak. Opvallend is de lichtere kleur van de sorediën (lichter dan het thallus). De kleur van de grondschubben <plaatjes, te vergelijken met bladeren> is groen tot grijsgroen. Ze staan altijd rechtop en ze zijn vaak bedekt met sorediën, de onderzijde is wit” (www.yavannah.nl , Bekermos herkennen (korstmos) – Leven in het duin). Kijk graag eens naar de foto en vertel me wat je er van denkt.

Op de bodem aan de muur maar ook aan de rand van de akker groeien reuzenpaardenstaarten en ook die zie je niet vaak in onze streken.
Néthen – de Chemin de Savenel staat op de Villaretkaart van 1745 met muur en al maar ik neem aan dat de weg er al veel eerder was. Hier stap je over de kasseien langs de muur langs de hoofdpoort van het domein met het poortgebouw en de grote zuilen. Helemaal aan het eind van de dreef zie je het kasteel met daarvoor de poort waarin nog glasresten moeten zijn ingemetseld als herinnering aan het glasatelier.
Sinds wanneer er kasseien zijn gelegd weet ik niet maar ze liggen prachtig vlak. Ik heb er nog geen foto van en er is niets meer van te zien maar in de eerste helft van de vorige eeuw reed hier buurttram Zwarte Jean tussen Néthen en Sint-Joris Weert. Het stationnetje staat op de hoek van de muur.
Heeft de kasteelheer ooit de tram genomen om naar Tervuren te rijden? In een al wat ouder maar pas recent op het internet geplaatst artikel lees ik dat dat de familie van Overbeke, de eigenaar van het kasteeldomein, op hun eigendom aan het station een wachtzaal met twee ruimten lieten neerzetten voor hun persoonlijk gebruik. Nadien werd dit gebouwtje in akkoord met de SNVC ingericht met een bar en en een kaartjesloket voor reizigers. Nog later werd het – als gevolg van de noodzaak aan paketten te kunnen opslaan – in verschillende fasen uitgebreid als woonhuis met verdieping met op de begane grond een ijzerhandel, boekhandel, café en goederenopslagplaats. Nog later diende het als het plaatselijk postkantoor. Nu is het wachten op oude foto’s denk ik om die verschillende fasen te kunnen zien (zie op facebook de pagina OP STAP MET ZWARTE JEAN TUSSEN VOSSEM EN TIENEN)..

In dit stuk van de muur zijn hier en daar de steunberen mooi gerestaureerd maar er is ook een stuk omgevallen en een beetje verder is hij terug opgemetseld met stenen en cement van deze tijd en dat valt een beetje uit de toom vind ik. Tegenover de poort staat het schooltje Saint Jean Baptiste een beetje verscholen tussen de bomen maar voordat je daar langs komt passeer je de manege van het Centre Equestre de Néthen.
Ik kijk graag naar de paarden maar de manege staat wel een beetje heel erg in het zicht met moderne functionele gebouwen, altijd wel een lading afval en nog geen enkele poging om het geheel een beetje met groen af te dekken. Dat zou toch veel mooier zijn in deze grotendeels als erfgoed geklasseerde omgeving of zie ik dat verkeerd en zoveel moeite en geld kost dat nu toch ook weer niet? In het weekend kan het hier vol staan met vrolijk ruitervolk met hun auto’s en paarden en dan kan je er nauwelijks langs.
Al vlakbij het station gekomen zie je aan de kerk de historische ‘motte’ van Nethen maar die zie je beter vanaf het oude kerkhof. Het kerkhof zelf is ook een bezoek waard.
Langs de kasseibaan zijn wel grote graafwerken aan de gang, kennelijk voor et leggen van kabels en buizen. Dat zal wel weer in orde komen maar daarbij is een hele strook van bomen opgeofferd waardoor de straat een stuk minder charmant geworden is.

Helemaal aan het eind stuit ik nog op een raadsel want wie kan me vertellen waar het aanduidingsbordje Pissinte Ermeline op slaat? Het woord pissinte staat voor voetweg (‘sentier’) maar Sinte Ermeline en bijbehorende legende associeer ik tot nu toe met Meldert en niet met Néthen.
Op de parking hoop ik dat de gemeente de mooie berken zal behouden bij de geplande herinrichting. Wist je dat dit vroeger een zogenaamde ‘(al)gemene weide’ was (Al’ vèwâye)?
Daarmee ben ik aan het eind van deze wandeling. Aanvullingen en opmerkingen altijd welkom.


+++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++
https://opstapinhetlandvandedijleendedemer.home.blog/?s=savenel
https://ernstguelcher.blogspot.com/2020/12/le-mur-de-savenel-le-saint-desert-de.html
Miradal, Erfgoed in Heverleebos en Meerdaalwoud – Davidsfonds/Leuven 2009
(nog verkrijgbaar bij de Vrienden van Heverleebos en Meerdaalwoud)
Robert Van den Haute – Néthen Le « Saint Désert » de Savenel – Histoire du domaine des origines à nos jours ; WAVRIENSIA, bulletin du Cercle Historique et Archéologique de Wavre et de la Région, Tome XXXIV 1985, No 1-2-3
http://amisdenethen.be/wp-content/uploads/2016/02/Le-Tram-%C3%A0-N%C3%A9then.pdf?fbclid=IwAR1SLmcIrrQkn529gXD6t0QwKPoJK3T9kCTa_I02P0JV4HRfQsXxhJRmg60 (over de vicinal)
https://veluwezoominbeeld.nl/natuurinfo/korstmossen/algemene-informatie- blabs over-korstmossen/

Trefwoorden: meerdaalwoud, savenel, néthen, muur, wandeling,
Januari 2021
Ernst Gülcher
contact: ernst.guelcher (at) telenet.be

De streek rond het riviertje Le Glabais in Bonlez, Longueville en Gréz-Doiceau is uitermate geschikt om mooie natuurwandelingen te maken. Anders dan in Vlaanderen moet je er nog niet voor naar uitgezette afgezonderde en beschermde natuurgebieden maar kan je terecht in het ‘gewone’ landschap zoals het er al eeuwen min of meer uitziet en nog niet te veel ingenomen is door huizen, wegen en andere infrastructuren. Bossen, water, hoeves en kapellen wisselen elkaar af en ieder afzonderlijk en allemaal samen vertellen ze het verhaal van hun geschiedenis sinds de vroegste tijden dat er hier mensen wonen en werken. Je komt er wel mensen tegen maar de recreatiedruk blijft tot nu toe beperkt dus je hoeft je nog niet te verwachten aan door menigten bezoekers vertrappelde paden en achtergelaten afval. De mensen die je tegenkomt zijn ook altijd heel vriendelijk en snel bereid om een praatje te maken.
Neem de kaart met de route er graag even bij. Ik laat deze wandeling beginnen aan de ingang van het dorp Longueville aan la Chapelle du Chêneau op de kruising tussen de Avenue Félix Lacourt en de Rue Roblet.

Vanaf die kapel kan je een aantal mooie verkenningstochten maken. Neem de kaart er maar bij. In feite kan je er zowat alle kanten uit, bijvoorbeeld naar Gréz-Doiceau via Hèze en Biez of een beetje meer naar het noorden naar Piètrebais en het Bois de Beausart. Met de fiets raak je gemakkelijk tot in Jodoigne (Mélin) of aan de voormalige steengroeves in Opprebais en Dongelberg. Over de meeste van die trajecten heb ik al reportages gemaakt. Toch gaat mijn voorkeur uit naar het Bois de Bonlez, La Réserve Domaniale de la Champtaine en naar het centrum van Chaumont Gistoux zelf. Mijn absolute topper is echter de vallei van le Ruisseau du Glabais en vooral de kloof in die beek tot aan zijn bron..
Op deze tocht daal ik af naar Le Ruisseau du Glabais en volg ik die stroomopwaarts door de bedding van de waterloop. Aan de bron ga ik de helling op richting Chaumont-Gistoux en door het Bois de Bonlez naar de Chemin de l’Aftia. Vandaar daal ik terug af naar de Glabais en keer via het Fort des Voiles terug naar de kapel. Dit is geen lange wandeling maar hij gaat wel flink op en af en je hebt rubberlaarzen nodig in het water van de beek.
Wie behoefte heeft aan een langere wandeling kan aan de kant van Chaumont-Gistoux ook de prehistorische Michelsberger site verkennen met zijn grafheuvels en nederzetting maar ik beschrijf die liever in een afzonderlijk hoofdstuk.

Eiken kunnen heel oud worden maar zijn vatbaar voor blikseminslag, zeker als ze op een hoog vrijstaand punt geplant worden naast het kapelletje dat naar hen genoemd wordt. In Longueville (Chaumont-Gistoux) zijn – net als in Beauvechain aan La Chapelle du Rond Chêne – de eiken al lang verdwenen aan La Chapelle du Chêneau (dit is de officiële naam in het erfgoeddossier!) die je vindt op een hoogte van 140 meter in de bocht juist aan de ingang van het dorp als je komt vanuit Grez-Doiceau.
Nu staan er zes monumentale esdoorns en één al even eerbiedwaardige linde. Wie die geplant heeft en wanneer moet ik nog uitvinden maar ze zijn stuk voor stuk met de kapel als monument geklasseerd als beschermd erfgoed. Volgens de Cercle Histoire de Chaumont-Gistoux is het ondertussen waarschijnlijk dat in de tijd dat de kapel gebouwd werd, hij omgeven was door eikenbossen. Op de Villaretkaart van 1745 staat de kapel er mooi op maar de bossen hebben dan al lang plaats gemaakt voor akkers. De kapel is een stevig maar sober bouwwerk met één beuk met een breedte van 6 meter en een lengte van 8 meter en opgemetseld met dikke ijzerzandstenen en lichtgekleurde Gobertange kalkstenen.

Hij ziet er oud uit en dat is hij ook hoewel blijkbaar niemand precies weet van wanneer er een eerste kapel stond. Volgens sommigen staat er al een heiligdom in de Romeinse tijd. Volgens andere legenden hebben Keltische druïden op deze plek hun erediensten gehouden en offers gebracht aan de Noorse dondergod Thor om deze gunstig te stemmen wat betreft de bliksem en op hoop van weldoende regen. Gezien de openheid en droogheid van deze hoogvlakte is dat zelfs niet onwaarschijnlijk. Een echte kapel zou zijn gebouwd in opdracht of ter ere van Gravin Alpaïde, moeder van Karel Martel en de minnares van Pepijn van Herstal die zich rond het jaar 700 terugtrok in het klooster van Orp-le-Grand om daar in een atmosfeer van heiligheid te overlijden waarna haar stoffelijke resten in de kapel werden begraven.
Anderen beweren dat het daarbij gaat over Gravin Alpaide die de laatste heerser was over het Graafschap Brunerode en dat zij dat graafschap had gekregen van haar Pepijn om veilig te zijn voor de wraak van zijn wettige echtgenote. In die tijd was Hoegaarden de hoofdstad van dat graafschap en maakte Chaumont-Gistoux er deel van uit. Maar tenzij het gaat over een oudere en een jongere vrouwe Alpaide levert deze visie problemen op want Brunerode kwam pas in het jaar 1000 in handen van het Prinsbisdom Luik. In de kapel zouden nog de stoffelijke resten begraven zijn van de zoon die Alpaide en Pepijn samen hadden.

In de volksmond wordt deze legende ‘uiteraard’ gekoppeld aan een enorme goudschat die in de kapel verborgen zou zijn. In 1977 worden ter gelegenheid van de restauratie van de dan in vervallen staat verkerende kapel opgravingen verricht om die schat en andere zaken te vinden maar tevergeefs. Gezien het feit dat op dat ogenblik de vloer van de kapel al opgebroken is kan het natuurlijk zeer goed zijn dat eerdere schatzoekers hier hebben proberen hun slag te slaan. Tot zover de legenden.
La Chapelle du Chêneau in Longueville is dus al vele eeuwen een plek van heiligheid, heldhaftigheid en legendes rondom een geheimzinnige goudschat. Maar het gebouwtje dat er nu staat dateert toch pas van de 17de eeuw. Dat staat toch in het erfgoeddossier maar door wie en waarom staat er niet bij en geen van mijn andere bronnen zegt er iets over. Op oude foto’s zie je dat het dak vroeger verder naar voren uitstak en in de 19de eeuw is er een nieuwe voorgevel gezet. In 1977 wordt het geklasseerd als beschermd erfgoed maar op dat ogenblik verkeert de kapel al in een bouwvallige toestand.
Na nog twintig jaar nadenken besluit de gemeente Chaumont-Gistoux om de bijna-ruïne te restaureren en daarvoor wordt 3,5 miljoen euro uitgetrokken (is dat niet erg veel voor de restauratie van een toch maar kleine kapel?). Daarna heeft het nog enkele jaren geduurd voordat alle vergunningen en fondsen bij elkaar gesprokkeld waren maar nu staat het gebouwtje er toch prachtig bij.

Ik heb wel gezien dat er al weer nood is aan het vervangen van gebroken glas in enkele vensters heb ik gezien. Dit is een beetje een eeuwigdurend verhaal. Restauratie van erfgoed kost fortuinen en als je daarna niet plant om aan regelmatig onderhoud te doen, dan begint het verval de dag nadat je klaar denkt te zijn. Bij woonhuizen zorgen de bewoners daar noodgedwongen zelf wel voor maar bij erfgoed hebben overheidsdiensten zoals gemeentes daar dikwijls de grootst mogelijke moeite mee.
De betonnige banken die er bijgezet zijn vind ik wel totaal uit stijl (die horen meer bij een oorlogsmonument). Ik weet niet wie daarvan de bedenker is maar ik pleit er voor om ze te vervangen door meer bij de kapel aangepast meubilair met eventueel zelfs een gewone picknicktafel.
Bijna waren de bomen gesneuveld omdat gevreesd werd dat die het dak zouden kunnen beschadigen (lees ik ergens) maar gelukkig is dat niet doorgegaan, waarschijnlijk omdat ze ook beschermd zijn. Het vellen van historische bomen aan historische kapellen ter gelegenheid van de restauratie van het erfgoedgebouw uit vrees voor beschadiging door vallende takken is een probleem dat vaak voorkomt en maakt dat veel gerestaureerd erfgoed er vervolgens kaaltjes bijstaat.

Dikwijls is er ook te weinig ruimte meer rond zo’n kapel om nieuwe bomen op veilige afstand te planten en dan laat men het maar zo. Ik ben daar tegen want bij iedere historische kapel horen monumentale bomen, in het verleden ook dienend als bakenbomen en zulke bomen zijn geen gewone stukken hout maar wel degelijk eveneens te respecteren erfgoed.
Bij de restauratie is er ook gezocht naar voorwerpen (schatten) uit het verleden maar er is blijkbaar niets gevonden. De kapel is zoals een heel aantal van dit soort kapelletjes in België en Frankrijk gewijd aan ‘Notre-Dame des Affligés’, dat is zij die zich wijdt aan de bescherming van diegenen die ‘geteisterd’ worden door allerlei kwalen maar vooral mensen die lijden aan letsels aan de benen. Meer in het bijzonder zorgt zij voor de kleine kinderen die moeite hebben om te leren stappen. Of er in Longueville ook echt een processie aan gewijd wordt (zoals in Villers-la-Ville) weet ik nog niet maar er is blijkbaar wel ieder jaar begin maart een ‘kindercarnaval’ aan de kapel.
Er is toch blijkbaar dikwijls veel te doen in de omgeving van de kapel maar vanuit fotogeniek standpunt is het jammer dat er in het veld naast de kapel altijd het geraamte staat van een feesttent en als achtergrond is dat nogal storend. Bovendien moet je ook oppassen om niet omver te worden gereden door de auto’s die op hoge snelheid de bocht nemen.

Vanaf La Chapelle du Chêneau ga je loodrecht naar het zuiden langs de Rue du Roblet. De kerk van Longueville hou je aan je linkerkant. Op de kruising met de Chemin de la Coquière sla je rechtsaf. Op nummer 5 kom je het kleurige en ietwat religieus-sprookjesachtige gebouw tegen van het Musée de l’Horlogerie. Op afspraak kan je daar binnen om een prestigieuze verzameling van antieke en hedendaagse klokken te bewonderen en een atelier voor precisiemechaniek waar je ook je eigen antieke klok kan laten restaureren (zie de website). Vlak na het museum ga je schuin links een mooie veldweg in en dan ben je meteen uit de bebouwing (hoewel aan de rechterkant van de straat de lintbebouwing opdringt). Volg het pad met de bosrand op links en de akkers van het Champ de la Coquière op rechts. Hoe dat al zeer oude veld aan zijn naam komt heb ik nog niet uitgevonden. Aan het einde kom je aan een mooie (voormalige) vierkantshoeve vanwaar je afdaalt tot je aan een houten pijl naar ‘Fort des Voiles’. Naar dat ‘fort’ – een voormalige viskwekerij met ooit een glasoven – gaan we later op deze verkenningstocht. Eerst volgen we linksaf het pad dat al meteen onder water staat als een echte beek met een bordje erbij ‘Le Glabais’.

Wie op zoek naar nog een echte natuurbeleving dicht-bij-huis kan ik dit traject aanbevelen maar trek je rubberlaarzen aan want je moet een beetje (soms enkeldiep) door het water. Pak de kaart er even bij en dan zie je het waterloopje een zijbeek is van Le Train waar hij iets ten zuiden van Grez-Doiceau op uitkomt (precies op de grens met Chaumont-Gistoux). Stroomopwaarts volgt de beek de vallei tussen soms steile hellingen waar nog altijd veel bos op staat: het Bois de L’Etoile en het Bois de Bonlez ten zuiden van de beek en het Bois de Glabais aan de noordkant.
Het is allemaal heel mooi wandelgebied met een lange en eerbiedwaardige geschiedenis maar je kan pas na het Fort de Voiles vlak langs het water komen. De kloof is nog een beetje verder en daar gaan we nu in. Zelfs boven deze duistere beek geeft de zon een beetje licht. Op de bodem kleuren de stenen in het stromende water. Boven het ravijn torenen reusachtige kersenbomen uit. Om aan de kersen te raken heb je wel de brandweer nodig denk ik. Overal hangen bomen boven het water. In de zomer zien de wanden er tamelijk droog uit maar nu in de winter is het allemaal druipend nat.
Voor geologen moet dit trajectje een paradijs zijn want de bodem is bezaaid met alle mogelijke stenen en in de hier en daar loodrechte wand van zand en kiezel kan je de in de tijd gevormde lagen nog heel mooi zien.

Voor de niet gespecialiseerde natuurliefhebber zijn er de holen van dieren, de mossen en de zwammen. Behalve het geluid van stromend water is het op deze plek doodstil.
Even verder is het feest alweer afgelopen. De beek eindigt aan een buis en het pad gaat er rechts langs naar boven.
Rechts staan alweer wat huizen met geiten in de tuin. Links omhoog zie je vaag een levensgroot waterzuiveringsstation, prozaischer kan het niet. In feite moet de bron dus nog wat verder zijn en wordt al het water door de buis naar het station gevoerd. Op de kaart kan je zien dat zowat heel Longueville zijn afvalwater naar dit station loost maar in de beek merk je daar gelukkig niet veel van. Het riekt soms een beetje, drink er toch maar niet van, ik hoorde dat de toestand van het water vooral verslechtert bij overmatige neerslag omdat dan de installatie het niet aankan en het overstromingsmechanisme in werking treedt waardoor er tijdelijk ongezuiverd water doorkomt.

Door de hoge ligging (140 m.) heeft het dorp tot 1930 moeten wachten voordat de dorpelingen voor hun kraantjeswater konden aansluiten op de mooie Art-Deco watertoren van Chaumont-Gistoux. Tot die tijd putten ze hun (grond)water vanaf een diepte van 40 meter. Verder stroomafwaarts zitten er in de helling boven Le Glabais een aantal plaatsen om zuiver water op te pompen maar daar raak je zonder toestemming niet bij.
Om van hier direct terug in Longueville te geraken kan je rechtdoor de Rue du Try in of je gaat hoog langs het bospad links voor het waterzuiveringsstation. Op deze tocht wil ik echter nog een beetje verder richting Chaumont-Gistoux en daarvoor moet ik naar rechts het pad in dat mij zal brengen op het plateau met de naam La Bruyère maar ook (intrigerend) aangeduid wordt als La Folle France.
Vanuit de kloof van de Glabais in Longueville klim ik omhoog naar het plateau van Chaumont-Gistoux om uit te komen op de hoek van de Rue Folle France. Waarop dat slaat weet ik niet want nergens is Parijs verder af dan hier denk ik met al die drassige akkers, plassen en in de zomer grazende koeien en velden met zonnebloemen.

Op oude kaarten heet het hier Les Bruyères en dat vertelt dat het in de oude tijd een droog heidelandschap moet zijn geweest en op de Ferrariskaart van 1777 kan je dat ook nog zien hoewel er toen ook al wel akkers waren.
Recht voor je zie je in de verte de watertoren van Chaumont-Gistoux. Dat heel mooie Art-deco gebouw dateert van 1923 en is niet lang geleden nog eens herschilderd. Het maakt deel uit van de Waalse Watermaatschappij SDWE, een intercommunale voor de watervoorziening die al in 1914 werd opgericht wat in die tijd een publieke plattelandsinvestering van heel wat visie vergde.
We gaan rechtsaf de veldweg waar je wel veel nummers en tekens ziet waar je zonder kaart niets mee bent maar die op de kaart Sentier de la Grange du Sart heet. Op diezelfde kaart zie je een eindje verderop allerlei tekens die je vertellen dat je je bevindt op een prehistorische site met grafheuvels, wallen en een nederzetting in de omgeving van de Voie d’Inchebroux en de Voix des Tombelles. Dat is voor een andere wandeling.
De échte geheimen van deze omgeving blijven echter voor de bezoeker verborgen (tenzij je een gids weet te vinden die ze weet te vinden en er iets over kan vertellen). ‘Ergens’ in het bos aan de rechterzijde staan op een hoge plek in een privébos drie ‘keibergen’ waarvan niemand weet hoe oud die zijn, wie ze heeft opgericht en waar ze voor hebben gediend.

Het enige wat zeker is dat het geen stenen zijn die de boeren van hun akkers hebben verwijderd want daarvoor liggen ze te hoog en zijn ze te duidelijk niet zomaar op elkaar gestapeld maar in een bepaalde vorm. Waarschijnlijk zijn het oude bakens. Daar ga ik ook nog wel eens een keer langs maar ik laat je er al vast een foto van zien.
En om dit verhaal compleet te maken vertel ik je ook nog dat een beetje verderop een hele reeks megalieten in een veld liggen waarvan er één recht gezet is met de naam ‘Cheval de Godde’. Maar dat is ook al weer stof voor een afzonderlijk verhaal.
Reden genoeg om hier nog dikwijls terug te komen! Ik vervolg onze tocht in de richting van het dorp Bonlez en het domein AFTIA.
Longueville-Bonlez. Met de kaart in de hand kom je vanaf Le Glabais in Longueville hoog op de rand van het dal via het Sentier de la Grange du Sart bovenlangs het Bois de Bonlez en de rand van een afgesloten privébos tot op de kruising met de Chemin de l’Aftia. Rechtdoor gaat naar de kerk van Bonlez maar wij slaan rechts af de veldweg in. Tot voor kort stonden hier nog paarden en ezels in een weide bij een leuk oud boerderijtje maar nu is heel het terrein opgegraven en ik denk dat er een sportterrein moet komen. Er is in de omgeving veel gebouwd de laatste jaren en waar mensen gaan wonen vragen die ook om eigentijdse mogelijkheden om zich te vermaken en dat gaat dikwijls ten koste van de plaatselijke natuur. Waar het woord ‘Aftia’ op slaat heb ik tot nu toe niet kunnen uitvinden. Het woord staat op een hek met ‘verboden toegang’ en daarover vertelt de Gouden Gids me dat Aftia-Services een bedrijf is dat levert aan restaurants en winkels en ook doet in vastgoed.

Voor mij niet gelaten maar wat het dan doet midden in dit mooie bos en waarom dit dan helemaal afgesloten is ontgaat me. Aan de linkerkant van de veldweg is het ‘Bois de L’Etoile’ dat toebehoort aan het Château de Bonlez. Het ziet er heel mooi uit maar je mag er ook al niet in. Over het Château en zijn eigenaars schreef ik eerder dit jaar al eens een bijdrage. Van mij mogen er in al die bossen toch wel enkele ‘sentiers’ komen waarlangs de wandelaar ook van de natuur kan genieten. Ik vrees dat de positie van deftige mensen met geld en jagers met geweren in deze streek nog veel te dominant is en het gaat volgens mij zelfs een beetje de verkeerde richting uit met al die afsluitingen. In afwachting van de vervulling van deze toegangs-wensdroom geniet ik toch van de mooie bomen en de vele merkwaardige houtstructuren. Op de kruising met een bordje naar links naar ‘Centre Bonlez’ aan het begin van een hele mooie holle weg gaan wij naar rechts in de richting van Ferme en het Fort des Voiles en terug naar de Ruisseau le Glabais.
Tussen de hoeve en het ‘fort’ kom je aan een paadje links over de Glabais en als je daar ingaat kan je langs de overkant van de beek stroomopwaarts een mooie holle weg volgen en dan kom je ook terug naar La Chapelle du Chêneau. Dat is voor een andere verkenningstocht.

Aan de andere kant van dat het bruggetje zie je echter ook een pad stroomafwaarts naar links dat jammer genoeg ferm is afgesloten met grote borden ‘privé-eigendom’ en ‘natura 2000’. Achter die borden verbergt zich een fantastisch mooi stukje vallei-natuurgebied dat enige tijd geleden door een groep mensen uit de omgeving is aangekocht om het te behoeden voor commerciële bosuitbating en kaalkap door een of andere grootgrutter die onder natuurbehoud iets anders verstaat dan jij en ik. Er staat een telefoonnummer en een email bij en als je die vriendelijk genoeg contacteert mag je misschien toch binnen als je belooft om heel braaf te zijn en met een heel kleine groep te komen.
Ik sta hier even bij stil om je te vertellen waar dat geheimzinnige ‘fort des voiles’ vandaan komt. Dat heeft niets te maken met een militair bastion of met sluiers maar met een historische glasoven, een ‘four à verre’ met een watermolen waarvan de bijna onzichtbare resten zich hier diep in de vallei verbergen.
Om glas te produceren heb je immens veel hout nodig wat verklaart dat glasateliers in onze streken nogal eens gevestigd werden op plekken met veel bos. Dat is het geval op het domein van Savenel in Néthen en dat is ook zo in de vallei van Le Glabais. In beide gevallen gaat het om ambachtelijke vestigingen van protestantse families die uit Frankrijk naar hier uitgeweken zijn omdat in hun thuisland de grond voor hugenoten te heet onder de voeten werd.

In de streek van Bonlez betreft dit de glasblazersfamilie met de naam Colnet die zich hier in de 17de eeuw vestigde. In 1624 opende Jean Colnet een glasatelier in de buurt van het kasteel van Bonlez en vijf jaar later huurde hij samen met zijn echtgenote een terreintje aan de Glabais aan de overkant van de rivier waar tegenwoordig de Ferme du Fort des Voiles is.
Op dezelfde plek moet vanaf 1834 de watermolen van ene Hubert Wigy hebben gestaan om graan te malen en in die tijd en nadien waren er in Bonlez ook meerdere fabriekjes.
Via het plaatselijk dialect is ‘four à verre’ nadien verbasterd tot ‘fort des voiles’. Om dit alles nog eens goed uit te zoeken is voer voor erfgoedspecialisten maar zeker is dat zich tegenover de boerderij een overduidelijke archeologische site bevindt met ophogingen en resten van muren die zo gevormd zijn dat indertijd de loop van de Glabais er door gewijzigd kan zijn. Tegelijkertijd kom je op deze plek nog eens onder de indruk van het smalle spoor dat de rivier in de harde steenlagen heeft moeten uitslijpen om zijn weg naar beneden te zoeken. De hellingen zijn voor Belgische begrippen behoorlijk stijl en ik vermoed dat er voor geologen hier ook nog veel te vinden is. Als je dan toch eens de toestemming krijgt om het pad te volgen geniet je als natuurliefhebber geniet van het uitzicht maar ook van de majestueuze bomen, de talrijke holen en de zwammen die hier in de winter overvloedig boven de grond komen.

Op een plekje vond ik naast elkaar een Geschubde inktzwam en een Spechtinktzwam en volgens mij komt die combinatie niet dikwijls voor.
Diep beneden je baant de Glabais zich met veel bochten een weg tussen harde steenlagen. Van het vroegere glasatelier is niets meer te zien maar halverwege stuit je op de gemetselde resten van wat ooit een van de vele molens in deze omgeving moet zijn geweest.
Het eerste wat opvalt als je in Bonlez aan het einde van de Chemin du Fort des Voiles komt zijn de rijen populieren met maretakken. Ik weet niet of de traditie nog leeft maar bij mijn ouders werd met Kerst en Nieuwjaar een twijgje maretak boven de deur gehangen en dan zorgden de dames wel om er op het juiste ogenblik onder te staan om door hun geliefde gekust te worden.
In de Noorse traditie speelt de Maretak een rol als het hout in de pijlpunt die de zogenaamd onkwetsbare alom beminde god van de liefde Baldur dodelijk in het hart treft dus dat is een heel ander verhaal waarbij jaloezie de hoogste rol speelt. Maretak is een altijd groene halfparasiet met voor mensen giftige bessen die graag groeit als er een kalkachtige bodem in de buurt is en als je hem ziet weet je dat de kans op zeldzame voorjaarsbloeiers in dat gebied wel groot is.

De luxueuze villa ‘Fort des Voiles’ of ‘villa rose’ dateert van 1935 en was tot voor kort het hoofdkwartier van de pisciculture Colette die met zijn forellenpoelen in het zuivere water van de beek lang een leidende rol speelde in de Franstalige visnijverheid totdat zijn viskweek last kreeg met de toenemende regelgeving in verband met voedselveiligheid, er klachten van de concurrentie kwamen en tot overmaat van ramp de bevers gaten groeven in de dammen tussen zijn vijvers zonder dat hij daar iets tegen kon beginnen. Bovendien loost bij heftige neerslag het zuiveringsstation stroomopwaarts af en toe ongezuiverd afvalwater via zijn ‘overstort’ en dat is niet goed voor vissen en mensen. De eigenaar ging dan maar op pensioen maar ondertussen woont hij er blijkbaar ook niet meer. Bij de foto’s is er nog een van zo’n vispoel.
De villa staat op de lijst van beschermd erfgoed en dat is ook het geval voor de twee kapelletjes die er in de buurt staan. Het witte stijlvolle gebouwtje hoort bij de villa maar het andere maar ik ben vergeten waarom de familie het daar gezet heeft en het erfgoeddossier vertelt het ook niet.
De andere, een wat sombere ‘potale’ een beetje verder min of meer verborgen langs het pad dateert al uit het begin van de 19de eeuw maar wie het daar gezet heeft en om welke reden weet ik niet en het erfgoeddossier zegt daar ook al niets over niets over. Het beeldje achter het traliewerk stelt Saint Hubert voor en dat betekent dat de kapel gezet moet zijn door een liefhebber van de jacht want daarvan is hij de patroonheilige.
Waarom hij dat is ontgaat me volkomen. Hertog Hubertus van Aquitanië was een fanatiek jager in de Ardennen. Daaraan kwam abrupt een einde na een jachtpartij op Goede Vrijdag van het jaar 683.

Dat was een zeer grote en oneerbiedige zonde in die tijd maar desondanks kwam er een groot hert op zijn pad en hij joeg het op met zijn honden. Toen het dier zich naar hem toekeerde wilde hij het neerschieten maar op dat moment verscheen er een lichtend kruis tussen het gewei en hoorde hij een stem die hem beval om naar Maastricht te gaan en zich te melden bij de plaatselijke bisschop, de heilige Lambertus. Hij volgde het bevel op en sindsdien heeft hij nooit meer gejaagd. Hij wordt afgebeeld als beschermer met een hert en een hond en ziet er inderdaad uit als een man die nooit een dier zal doodschieten maar juist om die reden kan ik niet begrijpen waarom uitgerekend de jagers hem vereren.
Wat de toekomst gaat zijn voor dit heel mooie gebiedje is onzeker want er zijn wel een aantal gebouwen gezet en er is kennelijk belangstelling om de omgeving nog verder in een manege om te vormen hoewel er op het terrein nog niet echt recente verandering te zien is. Voor zover ik weet is het hier ook wel natuurgebied dus het zou kunnen dat bouwplannen daardoor ook wel wat worden afgeremd.
Vanaf hier volgen we de weg door het Bois de Bonlez. Eerst stroomt de beek nog diep aan de linkerkant maar een eind verder komt hij plotseling echt op het pad te liggen en vandaar verloopt de tocht wat spannender maar uiteraard ook wel modderiger. Het is wel de moeite waard om even links de bedding naar beneden te volgen tot waar je in het bos een reeks grote stenen gaat zien.
Volg het pad gewoon verder. Vlak voordat je opnieuw de kloof zou binnengaan moet je linksaf om weer terug naar La Chapellu du Chêneau te komen, ons vertrekpunt voor deze luswandeling.

+++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++
Het beschermingsdossier van la Chapelle du Chêneau(met oude foto’s):
http://spw.wallonie.be/dgo4/site_thema/index.php/dossier/view/BC_PAT/25018-CLT-0007-01
http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/pdf/fiche/25018-INV-0055-02
FEU VERT POUR LE SITE CLASSE DE LONGUEVILLE LA … – Le Soir
www.lesoir.be/feu-vert-pour-le-site-classe-de-longueville-la-chapel.
+++
Cercle d’Histoire de Chaumont-Gistoux:
https://www.facebook.com/Cercle-dHistoire-de-Chaumont-Gistoux-728916607240161/
Zie ook
C. CUMPS, la Chapelle au Chêneau, Bulletin du Cercle d’Histoire de Chaumont-Gistoux, Numéro 51, 2005

+++
Over Alpaide zie ook https://fr.wikipedia.org/wiki/Alpa%C3%AFde
+++
beschermd erfgoed in de chemin du fort des voiles :
+++

+++
Over de glasnijverheid (four à verre):
+++
Musée de l’Horlogerie
Chemin de la Coquière, 5
1325 Longueville
Tél. : 010/88.94.14
Site internet : http://www.pateretfils.com
+++
Yvan Capouet – La Levée de terre du Michelsberg – un monument préhistorique à Chaumont-Gistoux ; Cercle d’Histoire de Chaumon-Gistoux asbl, Janvier 2020, ISBN : 978-2-8052-0566-8
+++
groupe sentiers Chaumont-Gistoux: http://www.groupesentiers.be/
+++
https://ernstguelcher.blogspot.com/2016/12/op-verkenning-in-bonlez_11.html
+++

Trefwoorden : longueville, erfgoed, chapelle du chêneau, alpaide, legende, graafschap brunerode, bonlez, fort des voiles, aftia, michelsberg, erfgoed, geschiedenis, glas, keiberg, saint hubert,
Ernst Gülcher
contact: ernst.guelcher (at) telenet.be

Orp-Le-Grand vind je na zowat een kwartier rijden vanuit Leuven langs de E40 vanaf afrit 26. Het is samen met Orp-Le-Petit, Jauce en nog enkele dorpjes sinds 1977 deel van de fusiegemeente Orp-Jauche. Ooit was deze streek deel van het hertogdom Brabant en in de taal van die tijd stond ORP voor DORP en zoals in zoveel Brabantse dorpen bevond je in die tijd hier al in een toen al eeuwenlang grotendeels ontbost open golvend landschap met veel akkers en vierkantshoeves maar ook kerken, kloosters, kastelen, watermolens en zelfs een echte grot.
Over die rijke geschiedenis moet ik nog meer horen en zien, net als over het riviertje La Petite Gette dat dwars door het dorp kronkelt (met nog het klein vogelreservaat La Jaucière) op weg naar de Gette, de Demer en de Dijle.
In de 19de en 20ste eeuw heeft het dorp een industrieel aanzien gekregen, onder meer door de vestiging van een suikerfabriek en de aanleg van een spoorlijn
En toch kan je hier op zoek naar het paradijs. Sinds ik een jaar of wat geleden de ‘Réserve Naturelle Du Paradis’ in Orp-Jauche heb ontdekt ga ik er af en toe graag eens naar toe omdat het een bijzonder mooie plek is met als extra bijzonderheid dat het er niet meer om de paar maanden helemaal van uitzicht verandert omdat nijvere natuurinrichters er ‘iets anders’ van willen maken.

Groot is deze voormalige industriële krijt- en mergelgroeve niet, ik denk niet meer dan zo’n 2,5 hectare.
Maar op de smalle paadjes langs de hoge steile wanden of aan het kleine meertje in de diepte ben je heel even wel erg verwijderd van de grote drukte in de rest van de wereld.
Tot 1899 was deze krater een heideachtige helling in de vallei van La Petite Gette en deel van de mooie natuur in die tijd. Op de Ferrariskaart van 1777 zie je die helling ingetekend. Maar vanaf dan werd er tot 1956 op industriële schaal kalk uitgegraven als grondstof voor de cementindustrie en ging het er vele decennia heel wat minder paradijselijk aan toe.
Op de NGI-kaart van 1969 staat de groeve er overduidelijk op. In het dorp wordt aan bezoekers verteld dat de naam ‘Paradis’ ontstond doordat men de lijken van dode dieren in de kalk verbrandde, blijkbaar in een soort van geloof dat die dan op een goede plek in de hemel zouden belanden …. Of er ook mensen werden verbrand krijg ik niet te horen maar het zou hier dus evengoed de Hel of Vagevuur hebben kunnen heten.
Er worden door de plaatselijke jeugd nog wel stiekem vuurtjes gestookt maar de natuur heeft al lang komaf gemaakt met al dat menselijk gedoe.

Wat in de jaren zestig een stoffige witgrijze woestijn geweest moet zijn is nu prachtig bebost en vanuit de vogelkijkhut kan je het meertje bewonderen hoewel ook dat langzaam aan door de begroeiing dreigt te worden ingepalmd ware het niet dat de vrijwilligers van de Conservatoire Naturel de la Commune d’Orp-Jauche regelmatig op hun natuur-werkdagen de handen uit de mouwen steken om als die wildgroei een beetje in goede banen te leiden.
Dankzij deze vrijwilligers is de groeve nu een ‘ware oase in een regio met grootschalige landbouw’ en de beschrijvingsfiche waarmee dit paradijs officieel door het Waals Gewest wordt uitgeroepen als ‘Site de Grand Intéret Biologique’ somt op wat je er zo allemaal kunt vinden aan soorten vegetatie en uiteraard gaat het dus om alles wat het in ons klimaat wil doen op zuivere kalkgrond waaronder zeer zeldzame, zeker in de streek zelf. Daarnaast is er nog de indrukwekkende vliegende kruipende en zwemmende dierenwereld. Voor de kenners verwijs ik naar de inventaris die in de fiche is opgenomen. Om het zelf allemaal te ‘spotten’ is natuurlijk heel wat geduld nodig. Naar de twintig soorten aangetroffen mossen en korstmossen kan je wel nu al gaan zoeken en ik heb ook heel wat tongvaren gezien. In de winter is het een paradijs voor zwammen.
Voor een deskundige gids op dit erg zorgvuldig beheerde natuurreservaat kan je terecht bij de vzw ‘la Petite Jauce’ waar je je ook kan aanmelden voor de werkdagen. Er moet ook honing te verkrijgen zijn denk ik van zowel solidaire als honingbijen want er staat een bijenhotel aan de ingang en een imkershut een beetje verderop met een mooie totem erbij.
In geologische opzicht gaat het hier om de krijtbodem van een ondiepe tropisch warme zee met de respectabele ouderdom (op mensenmaat, want geologisch is het niets) van 100 miljoen jaar geleden in de periode die de geologen het ‘(Laat-)Krijt’ noemen.

Dat is de derde fase van het ‘Secundair’ (Mesosoïcum) na het ‘Trias’ en ‘Jura’ (achtereenvolgens 250 miljoen en 210 miljoen jaar geleden).
Het materiaal bestaat uit de veelsoortige en veelkleurige samengedrukte stoffelijke kalkresten van de schelpdieren van die tijd. Onder dat krijt ligt een sokkel van vulkanisch stollingsgesteente uit het ‘Primair’ (Paleozoïcum) van 500-250 miljoen jaar geleden. In feite is die sokkel de helling van een oeroud ooit opgestuwd maar daarna afgesleten gebergte en dat maakt dat ons land ruwweg de vorm heeft van een schuine schotel met de hoge kant in het oosten en de lage kant aan het strand.
Het krijt ligt op dat gesteente en in de regio Leuven vind je dat dus diep onder de grond en wordt er drinkwater uit opgepompt terwijl het in hoog-Limburg boven de grond komt en uitgegraven is in de beroemde mergelgrotten in de heuvels rond Maastricht.
In Orp komt de kalk juist niet aan de oppervlakte maar is afgedekt door niet heel dikke lagen zand uit latere geologische tijden waarin de zee nog enkele malen terugkwam en een laagje vruchtbare leemstof dat door de wind vanuit de Noordzee werd aangevoerd in de laatste ijstijden. In de kalk zit van alles, bijvoorbeeld vuursteen en mineraal glauconiet. Klompen vuursteen of silex komen dikwijls voor in kalksteen en bestaat uit cryptokristallijn siliciumdioxide (kwarts) en veel (chemisch gebonden) water. Het is erg hard, laat zich gemakkelijk splijten maar in poedervorm kan het leiden tot stoflongen wat in een groeve uiteraard erg gevaarlijk is. Mineraal glauconiet vormt zich in ondiep warm zeewater door langzame verwering van klei tot een blauwgroen gesteente. Het wordt tot de mica’s gerekend en is perfect splijtbaar langs de kristalvlakken.

Er zijn veel minerale fossielen gevonden in de groeve en de eerste mensen in deze omgeving waren de eersten om er werktuigen (en sierraden?) van te maken.
Sinds onheugelijke tijden is dit een streek met een vruchtbare bodem met krijt en splijtbare vuurstenen in de ondergrond en een riviertje in de vallei. Dat trekt mensen aan en in de regio zijn dan ook veel sporen gevonden. De archeologen weten al lang dat in de nabijheid van de kalkgroeve in het laatste deel van het stenen tijdperk – zo’n 4000 jaar geleden – mensen gewoond hebben van de stam van de ‘Michelsbergers’.
In deelgemeente Enines is een wal opgegraven waarin men vuurstenen voorwerpen gevonden heeft en ook scherven van potten die typisch zijn voor deze cultuur. Vondsten van dit volk zijn niet zeldzaam in onze streken want er zijn ook Michelsbergersites in het Meerdaalwoud, Ottenburg en Chaumont-Gistoux.
Dichter bij de groeve is echter ook een site gevonden van de zogenoemde ‘Magdaleners’. Het Magdalénien is een cultuur die 18.000 jaar geleden begon en 8.000 jaar later eindigde met het einde van de laatste ijstijd. De mensen leefden van de jacht op grotere zoogdieren en zijn bekend door hun ‘klingen’, dat wil zeggen kleine vuurstenen voorwerpen en later ook harpoenen van ivoor. Ze leefden in tenten maar ook in grotten en hun muurschilderingen zijn te vinden in Lascaux en Altamira. In België zijn er slecht twee sites van dit volk gevonden, in Kanne (Luik) en Orp-Jauche.
Sinds 2018 wijzen archeologische vondsten echter ook op het bestaan van een 200.000 jaar geleden door de Neanderthalers begonnen vuursteennijverheid want er is in de krijtrotsen niet ver van de groeve een site gevonden die lijkt op een ‘open mijn’.

Behalve stenen voorwerpen zijn daar ook dierlijke beenderen gevonden en er wordt nog gezocht naar menselijke overblijfselen. Om meer te weten over deze vondsten kon je tot 2013 terecht in Orp in het plaatselijke museum voor archeologie maar sindsdien is dit museum overgebracht naar het Provinciaal Domein van Hélécine.
In de omgeving van Orp-Jauche kan je ook de grotten van Folx-les-Caves bezoeken en daarover heb ik al een uitvoerig verhaal op mijn blog gepost.
Het industriële verleden van deze krijtgroeve en dat in dezelfde periode van de gemeente zijn ongetwijfeld goed gedocumenteerd. Maar het internet en de vriendelijke plaatselijke toeristische dienst tonen zich terughoudend voor wie naar gegevens zoekt om antwoorden te vinden of het in die niet zo oude tijd ook een paradijs was.
In 1865 veranderde met de opening van de spoorlijn tussen Landen en Tamines het dorp in ijltempo van een historische landbouwgemeenschap in een bruisend industrieterrein. Wie waren de uitbaters van de kalkgroeve, waar kwamen ze vandaan en met wiens geld werd de uitbating gefinancierd? Waar ging al die cement naar toe? Hoeveel mensen werden hier aan het werk gezet en wat kregen ze ervoor als beloning? In de groeve staat nog één geheimzinnige grenssteen met het opschrift DM maar wat dit betekent weet ik niet.
Naast de cimenterie kwamen er fabrieken om suiker, dakpannen, bier, melk, landbouwmachines en allerlei andere metaalproducten te vervaardigen.

Er is ongetwijfeld geld verdiend en hard gewerkt maar het geld is niet in het dorp gebleven denk ik want nog geen honderd jaar later zijn de fabrieken bijna allemaal gesloten en de eigenaars vertrokken en is de landbouw opnieuw zowat de enige werkgever naast vrije beroepen, lokale ambtenaren, winkeliers, caféhouders, ambachten, enig toerisme en een stroom van pendelaars naar Brussel, Luik of Namen. De 11de eeuwse Romaanse kerk Saints-Martin-et-Adèle heeft al de wisselingen van de tijd doorstaan en geldt als de grootste bezienswaardigheid.
Het stadje ziet er wel nog altijd uit als een industriële site. De nostalgie is tastbaar nog lang nadat alle grootgrutters hun fabrieken gesloten of verplaatst hebben. Midden door het dorp is nu een mooie groenzone rond het voormalige station langs de vroegere spoorweg en het riviertje La Petite Gette waar je rustig kan wandelen met of zonder hond. De treinsporen zijn er nog maar met de trein raak je er niet meer. De rails zijn nu een parkachtig fiets- en wandelroute (RAVEL).
Ik denk dat het in die ‘goede oude tijd’ hier een hels lawaai moet zijn geweest met een luchtkwaliteit die je je kunt verbeelden door de heftige uitstoot van schoorsteengassen te vermengen met het roet van stoomlocomotieven en wit krijtstof uit de groeve. Misschien zijn er nog foto’s van?
Dankzij een schenking van de familie de Hemptinne aan de Sociale Dienst van Namen krijgt Orp in 1935 een sanatorium voor tuberculose-patiënten, ofwel mensen – zeker mijnwerkers – die stoflongen hebben opgedaan door het inademen van kiezelstof (silica, siliciumdioxide en kwarts) met longkanker als gevolg. Na het wegtrekken van de industrie en de uitvinding van de antibiotica wordt dit centrum in 1974 een verzorgingsthuis voor zwaar mentaal- en fysisch gehandicapten.


In het begin van de jaren tachtig van de vorige eeuw doet de Tiense Suikerraffinaderij, dan eigenaar van de achtergelaten put, nog een ferme poging tot natuurbederf met een plan om op die plek haar bedrijfsafval te gaan storten. De tijden zijn echter veranderd en de nieuwe generatie dorpsgenoten besluit dat deze hel vermeden moet worden. Er wordt een vzw uit de grond gestampt ‘la Petite Jauce’ die er – ongetwijfeld na vele hoofdbrekens en slapeloze nachten – in slaagt om de gemeente de site te laten overnemen en er een natuurreservaat van te maken.
En zowaar, zoals in veel (alle?) oude groeves waar natuurbewuste buurtbewoners zich het lot van aantrekken wint het paradijs het op de hel want dit is het begin van het ‘Conservatoire Naturel d’Orp-Jauche’ dat bestaat uit de groeve, een achter het stationsgebouw gelegen moeraszone (reservaat La Jaucière naast de visvijver) en de brede treinstrook tussen de beiden. Dat reservaat moet ik ook nog bezoeken maar dat is voor een andere keer. De groeve is vrij toegankelijk zolang je de natuur niet stoort en op de paadjes blijft.
Mijn ervaring is dat je er zelden iemand tegenkomt tenzij je komt op een werkdag voor de beheerders. Dan worden de talrijke kalkrijke hooilandjes gemaaid, de paden vrijgemaakt en rode kornoelje gesnoeid. Regelmatig worden ook de aanduidingsborden opgeknapt en de afval langs de vijver opgeruimd. Ik zag ook op hun werkprogramma dat de orchideeën worden vrijgemaakt. Die heb ik er nog niet gezien maar uiteraard past de orchis wel in deze biotoop.
In alle seizoenen is een bezoek de moeite waard. In de winter geniet je van spectaculaire uitzichten en in de zomer van het uitbundige groen. Trek wel goed schoeisel aan en zorg dat je in een beetje goede conditie bent want het pad is smal en er zijn steile stukjes met grote traptreden. Ik was er een keer bij sneeuw en vrieskoude en het was behoorlijk glad. Verdwalen zal je er niet want er is maar één pad en dat gaat heel de groeve rond.


++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++
http://users.skynet.be/beauchamp/Velo/BPB/Folz-les-Caves.html (enkele cijfers en feiten uit het industrieel verleden)
Orp-Jauche – Rendez-vous au Paradis, pour un petit entretien – Vlan
https://www.vlan.be/…/b9712978170z-1-article_vlan-rendez-vous…
et sur la page Facebook «Petite Jauce :
https://www.facebook.com/PetiteJauce/

http://domainehelecine.be/fr/le-chateau/le-musee-archelogique.html

Trefwoorden: Orp-le-Grand, Orp-Jauche, petit paradis, groeve, mijnwerker, geologie, kalk, natuurbeheer, natuurreservaat, erfgoed, geschiedenis, industrie, station, la petite jauche, prehistorie, magdaleners, michelsbergers,
januari 2021
Ernst Gülcher
contact: ernst.guelcher@telenet.be

De grotten van Folx-les-Caves in Orp-Jauche. Zonder het bezoek aan de voormalige krijt- en mergelgroeve en nu natuurreservaatje Le Paradis een beetje noordelijker in deze gemeente zou ik er nog altijd misschien niet van gehoord hebben. Merkwaardig genoeg roepen deze grotten voor de nu gepensioneerde schoolkinderen uit het Leuvense een herinnering op aan daguitstappen naar de streek van Jodoigne met de basisschool in hun tijd van toen maar dat is dus wel lang geleden. In die tijd waren de grotten een echte toeristische attractie en in 1965 werden er zelfs opnamen gemaakt voor de jeugdserie ‘Johan en de Alverman’ in een regie van Bert Struys.
Lokaal worden de grotten aangeduid met ‘Puits aux Grottes’ en het is een labyrint van ondergrondse gangen die ooit door mensenhanden zijn uitgehouwen in de zachte mergelachtige ondergrond tot op een diepte van 18 meter. Er loopt zelf een beekje door dat verderop uitmondt in het riviertje La Petite Gette. Dat beekje heb ik nog niet gezien want het bevindt zich in een niet toegankelijk deel van het gangenstelsel dat aangeduid staat als de ‘Caves Bodart’. De ingang naar het toegankelijke deel, de ‘Caves Racourt’ bereik je langs een steile trap vanaf de Rue Auguste Baccus, op voorwaarde dat de eigenaar voor jou het hek openmaakt en de lampen aansteekt want anders wordt het een beetje té avontuurlijk denk ik.

Eenmaal binnen sta je inderdaad in een ijskoude reusachtige kelderachtige ruimte met een vlakke vloer waar overal rond massieve kolommen gangen gehouwen zijn en waar je zonder gids binnen de kortst mogelijke tijd kan verdwalen. Wat onmiddellijk opvalt is het kunstige patroon van groeven in de wanden en de afbeeldingen die op veel plaatsen in het zachte materiaal zijn uitgehakt om niet te spreken van de vele opschriften en namen die vroegere bezoekers in de mergel (‘marne’ zeggen ze hier) hebben achtergelaten. Wie heeft dit gemaakt, wanneer en waarom en door wie is dit allemaal gebruikt?
Hoe oud de grotten in Folx-les-Caves zijn weten de geleerden nog altijd niet. Op de ‘Villaret-kaart’ van 1745 zie je op deze plek de aanduiding ‘carrières de marne’. In die tijd maar alle eeuwen voordien dient de krijtachtige mergel voor de boeren om hun grond minder zuur en dus vruchtbaarder te maken. Tegelijkertijd wordt het gedolven om het in ovens tot ‘chaux’ te verwerken, oftewel tot kalk als grondstof voor het oude kalkcement. Om die reden is heel de streek op veel plaatsen bezaaid met ondergrondse gangenstelsels die men soms nog weet zijn of die ontdekt worden door boringen of – erger – instortingen van de zachtstenen bovenlaag.

Het kan zijn dat onze voorouders in het stenen tijdperk hier al aan het graven waren en dat de Romeinen en hun nazaten de werken hebben verdergezet zodat de grotten altijd maar groter werden. Met uitvinden van zowel de kunstmest als het harde Portlandcement raken de nijverheid in onbruik en worden de grotten verlaten en lang niet meer gebruikt tenzij als schuilplaats voor mensen op de vlucht en in tijden van oorlog en daar zijn ook nog verhalen over te vertellen. In onze tijd worden opnieuw pogingen gedaan om ze uit te baten.
Daarbij is het goed om te weten dat zulke grotten zich onder verschillende eigendommen uitstrekken waarvan de eigenaren dus alleen maar beschikken over en verantwoordelijk zijn voor het eigen deel. Dit is van belang bij instortingen maar ook voor de verdeling van de activiteiten. Zo is het grottenstel van Folx-Les-Caves in tweeën gedeeld door een muur op de scheidingslijn. In het diepere en spannender gedeelte ‘Bodart’ was tot 2006 de Hoegaardse brouwer Pierre Celis de eigenaar met het doel om er zijn bier te laten ‘champagniseren’. Uiteindelijk wordt zijn grottenbier in Watou gebrouwen en rijpt het in de grotten in Kanne. De site is nu eigendom van de Provincie Waals-Brabant. Of dat betekent dat hij op de duur wordt opengesteld heb ik nog niet gehoord. Over de champignons in de grotten bij buurman Racourt ga ik het nog hebben.

Na het wegvallen van de mergelwinning dienen de grotten van Folx-les-Caves in Orp-Jauche vanaf 1886 om er op ambachtelijke wijze champignons te kweken. De bedrijvigheid beleeft zijn hoogtepunt tussen de twee wereldoorlogen vooral vanwege de overvloed van goedkope paardenmest uit het leger en de goedkope arbeid. In 1975 valt het doek (niet meer rendabel ? teveel concurrentie ?). In de grot Racourt is er nog iets van te zien en ik vermoed dat de ruïnes aan de straat er ook nog een overblijfsel van zijn.
Eigenaar Maurice Racourt stelt zijn domein open voor het toerisme en onder zijn enthousiaste leiding hebben veel bezoekers de grotten leren kennen. Na zijn overlijden in 2009 gaat de deur dicht om een jaar later weer geopend te worden door zijn broer Paul en nicht Monique. Maar ondanks de publiciteit en ook een mooie website is de fut er blijkbaar toch uit want er verschijnen herhaaldelijk verhalen in de plaatselijke pers dat de grotten van Folx-les-Caves te koop zijn.
Wie geïnteresseerd is en er 350.000 euro voor over heeft kan er de advertenties sinds 2016 op nalezen en met het warme zomerweer van de laatste jaren is het misschien wel een opportuniteit. Het mooie onthaal van vroeger is vrijwel stilgevallen en in verval geraakt en je kan de grot alleen nog bezoeken na speciale afspraak.

Over de toekomst wordt weinig in het openbaar gezegd maar blijkbaar zou de Waalse overheid (de provincie?) belangstelling hebben. Maar op het internet vind ik geen enkele aanwijzing dat sinds 2017 er enige beweging zit in het dossier. Ik denk dat het een goed idee zou zijn om beide grotten Bodart en Racourt weer bij elkaar te brengen in één groot publiek toegankelijk project.
Aan die van het dorp Folx-les-Caves zal het alvast niet liggen want die hebben in 1985 ‘La Confrérie des Champignons de Folx-les-Caves’ opgericht om de culinaire traditie voor de bereiding van in de oven gebakken champignons in witte ham weer tot leven te brengen (open de link voor het streekrecept, het ziet er erg lekker uit). Het kleine maar springlevende gezelschap komt ieder jaar in juni samen voor een plechtigheid in de grotten en een diner in het dorp.
Of er nog ondergrondse danspartijen georganiseerd worden weet ik niet maar de dansvloer in de grot Racourt herinnert de bezoeker aan het feit dat met Pinksteren de dorpelingen hier tot 1910 en nadien tussen 1952 en 1989 hun ‘bal-souterrain’ hielden dus waarom zouden ze ook deze traditie niet voortzetten? Hierna heb ik het nog over de bandiet Colon die hier een schuilplaats vond en over de sculpturen die door andere schuilplaatszoekers zijn achtergelaten.
Het dorpje Folx-les-Caves behoorde ooit tot de meierij Geest-Gérompont in het hertogdom Brabant als heerlijkheid van het kapittel van Sint-Dionysius van Luik. Vanaf 1245 begint de Abdij van Villers meer gronden in het dorp te verwerven.

Dat de grotten in die tijd gebruikt worden om mergel te delven is waarschijnlijk want het plaatsje heet dan ‘Foul’ hetgeen in later tijd via vele variaties ‘Folx’ geworden is maar volgens de kenners afgeleid is van ‘Fossa’, Latijn voor ‘groeve’ of ‘gracht’.
Tijdens de Slag bij Ramillies in 1706 worden in het dorp zware vernielingen aangericht en bij die gelegenheid bewijzen de grotten hun nut als schuilplaats voor de geteisterde bevolking. Die toestand herhaalt zich tijdens de Franse bezetting op het einde van de 18de eeuw, tussen 1793 tot 1797 moeten vooral de religieuzen in de streek zich verbergen en daar heeft de grot Bodart twee uitgehakte altaren aan overgehouden. Nog in de 18de eeuw weet een plaatselijke straatrover in de grotten een tijd lang aan zijn vervolgers te ontsnappen vooral omdat ze dan moeilijk toegankelijk zijn en half onder water staan. Dat verhaal komt nog.
De talrijke inscripties en soms nogal kunstige sculpturen dateren voor het grootste deel uit de eerste helft van de 20ste eeuw waaronder een Venus, een borstbeeld van koning Albert I, een giraffe, een vos en een hert. Dat laatste wordt toegeschreven aan een Canadese soldaat die in 1918 in de grot Racourt verblijft. Sinds 1993 is de site als monument beschermd.

In 1965 worden er opnamen gemaakt voor de jeugdserie ‘Johan en de Alverman’ in een regie van Bert Struys en dankzij Steven Duyver kan je die nog eens bewonderen door de volgende link te openen: https://www.youtube.com/watch?v=BYzQjGZcKcE. Nu volgt nog het verhaal van Colon en de foto’s van het grootste geheim dat de grot Racourt in zijn duisternis verbergt.
Aan de ingang van de grotten van Folx-les-Caves staat een borstbeeld met het opschrift ‘Fiesse à Colon’. Pierre Colon is nu de plaatselijke held maar in de 18de eeuw is deze flinke bandiet de schrik van alle reizigers met geld en goederen die door het Bois des Caves moeten passeren. Graaf de Berlaimont, de Heer van Jauche beveelt zijn dienaren de geheimzinnige schurk op te pakken maar zelfs nadat hij herkend is door enkele slachtoffers verdwijnt hij na iedere aanslag op geheimzinnige wijze als bij toverslag.

Tenslotte wordt ontdekt dat zijn huis gelegen is bovenop een ingang die naar de grotten leidt. Die staan in die tijd half onder water en ergens in het donker heeft Colon zich een schuilplaats gemaakt waar hij met zijn bootje bij kan of zich bij onraad naar een andere plek kan verplaatsen. Eenmaal verborgen komt zijn toegewijde echtgenote hem stiekem eten brengen. Tenslotte pakken ze hem toch en sluiten hem op in het kasteel van Jauche. Zijn vrouw mag hem op een pinksterdag bezoeken en brengt een koek mee met een vijl er in. De dag daarna is de kerker leeg en de Graaf ontvangt een briefje met de tekst “Si vous voulez élever des pigions (“Colon” en Wallon), il vous faudra un meilleur pigeonnier”.
Dat briefje wordt door sceptici naar de prullenbak verwezen want Colon kon niet schrijven maar voor de rest gaan de aanslagen en berovingen gewoon verder. In 1769 wordt hij opnieuw opgepakt en samen met zijn vrouw na een kort proces opgehangen op de plek van zijn misdaad en met zijn buit worden de kosten gedekt. Alle kooplieden in de streek vieren dagenlang feest maar de dorpelingen maken van de misdadiger een grootmoedige held die alleen de rijke mensen beroofde maar de armen met rust liet en zelfs met hen deelde.
Nu is hij de Robin Hood van Folx-les-Caves en sinds 1988 wordt ter zijner ere (en van zijn vrouw denk ik) en tot groot genoegen van iedereen in het dorp (ook de handelaars) ieder eerste weekend van oktober het ‘Fiesse à Colon’ ingericht met veel te eten en te drinken maar ook andere aktiviteiten.


Of het bij een van die gelegenheden is of op een andere keer weet ik nog niet maar in een verborgen en onverlichte smalle gang van de grot Racourt vind je op de muur geheimzinnige muurschilderingen die doen denken aan die in de prehistorische grotten van Lascaux in Frankrijk. Onze gids fluistert me toe dat deze lang geleden gemaakt zijn door de kinderen van het dorp. Het is knap gedaan en als je over tweeduizend jaar terugkomt laat je je dan toch niet wijsmaken dat Colon ook nog een kunstschilder was uit de prehistorie.
Einde van dit hoofdstuk. Welke goede geest bezorgt ons nu een intro in de geheime grot van Folx-les-Caves met de naam Bodart?

++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++
http://www.folx-les-caves.com/ en https://www.facebook.com/folxlescaves/
Folx-Les-Caves Les grottes – Atelier de Généalogie de Orp-Jauche
https://sites.google.com/…folx-les-caves/folx-les-caves-les-grottes
Les souterrains de Folx les Caves – Tchorski
tchorski.morkitu.org/3/8888.htm
https://www.chouettemag.be/chroniques/josephtordoir.html
https://www.facebook.com/groups/11282954995/about/
https://nl.wikipedia.org/wiki/Slag_bij_Ramillies

zie ook : http://ernstguelcher.blogspot.com/ met trefwoorden: folx-les-caves, orp-jauche, mergel, grot, erfgoed, geologie, colon, lascaux, muurschildering,
Januari 2021
Ernst Gülcher
contact: ernst.guelcher@telenet.be

Het dorpje Mélin vlak over de taalgrens vind je op de kaart een klein beetje ten noorden van de Chaussée de Wavre tussen de luchtmacht basis Beauvechain en Jodoigne. Je kan het niet missen want het rijst als een rots van witte gobertange-kalksteen op uit een zee van akkers. Als de zon zijn licht laat schijnen op ‘L’église Notre-Dame de la Visitation’ en de enorme vierkantshoeve La Hesserée kan je je al goed voorstellen dat het dorp sinds september 2020 officieel is uitgeroepen als ‘het mooiste dorp van Wallonië’. Om het daarmee wel of niet eens te zijn moet je er natuurlijk naar toe. Zeker is dat zeer veel en ook gewone huizen gebouwd zijn met de plaatselijk gedolven gobertange en dat is uniek.
Hoewel ik op het internet een overvloed vind aan toeristische aanbevelingen met een wijnfeest, een tuinfeest, ambachtelijke tentoonstellingen en fietstochten, krijg ik toch de indruk dat het in Vlaanderen niet erg gekend is want veel toeristen ben ik er nog niet tegengekomen. Op het mooie dorpspleintje met mooie lantaarns rond het oorlogsmonument staat zelfs geen op de dorpelingen zelf gerichte winkel en slechts één café. Het kleine Atelier Mélin (niet in gobertangesteen) ging blijkbaar open in juli 2020 als een culturele boerenbistro en ontmoetingsplaats voor dorpelingen en bezoekers. Ik zag lovende opmerkingen voorbijkomen maar ik ben er nog niet binnen geweest.

Van mij mag het massatoerisme hier wel wegblijven want erg groot is het dorp niet en mijn ervaring leert dat een overmaat van op vermaak gerichte bezoekers al snel leidt tot een verstikkende verzadiging die het historisch en landelijk karakter van zo’n plek naar de knoppen helpt. Zo te zien aan de huizen en hoeves hebben de inwoners ook niet echt aanvullende inkomsten nodig. Ik vind niet uit hoeveel inwoners deze deelgemeente van Jodoigne heeft maar ik denk ergens tussen de duizend en tweeduizend maar van het beperkt aantal gebouwen in het dorp zijn er maar liefst 115 openomen op de Waalse lijst van het Waardenvol Bouwkundig Erfgoed. Ik denk wel dat er in onze tijd veel nieuwe huizen bijkomen dus ik hoop dat er een lezer is die over het inwonersgetal iets meer weet (dank!).
De nogal afgesloten poel in het dorp onder de historische Ferme Blondeau (Ferme du Tilleul) is volgens de kaart een van de bronnen van de Ruisseau de Gobertange, een bijna droogstaand en aan de bron ingebuisd waterloopje dat een beetje naar het noordoosten zo’n 2,2 km verder tussen Saint-Remy Geest en Zétrud-Lumay uitmondt in la Grande Gette (Grote Gete) richting Hoegaarden. Een andere bron is iets naar het zuiden in het dorp in een wei aan de al even historische Ferme de Risbais (Rue des Beaux Prés 4).

Mélin maakte lang deel uit van het Graafschap Leuven, later het Hertogdom Brabant, werd dikwijls geplunderd en verwoest tijdens de godsdienstoorlogen en had tussen 1568 en 1576 zelfs een protestantse seigneur, Thierry Bouton. Volgens sommigen verwijst de naam Mélin naar het feit dat het vroeger een plek was waar rechtszittingen werden gehouden ofwel ‘mâls’ (Mallum) en in het Vlaams wordt het dorp daarom – door sommigen nogal koppig – Malen genoemd hoewel ik niet denk dat er nog maar iemand uit de streek is die deze naam gebruikt.
Aan die oude tijd herinneren in Mélin nog zijn ‘Arbre de la Justice’ op het ‘Champ de Justice’. Neem de kaart er even bij en dan zie je dat je van de Ferme de Wahenge in Beauvechain aan de zuidkant van de rand van het ‘Bois en Haut’ op een splitsing komt met paden naar ‘Maison du Bois’ naar het zuiden (Sart-Mélin) en door het bos terug naar L’Ecluse in het noorden. Mijn aandacht wordt echter getrokken door een aanduiding ‘Champ de la Justice’ recht naar het oosten richting Mélin. Bij zo’n term hoort een ‘arbre’ en jawel, op een wat oudere kaart, die van 1873 staat er een ‘arbre de la justice’ en als je dan toch bezig bent met kaarten zie je hem ook op de kaart van Ferraris van 1777 (Arbre de la Justice de Mellain).

Ook zonder die bij je te hebben zie je hem al uitsteken in het verder zo goed als haag- en boomloze landschap vanaf de veldweg door de akker vlak na het bos als een baken voor de reiziger dus je kan het niet missen. Naarmate je dichterbij komt worden de contouren steeds duidelijker en tenslotte sta je er onder op de kruising tussen de Rue de Sclimpré en de Chemin des Hoegardiers. Zoals gebruikelijk bij een eeuwenoude alleenstaande bakenboom ziet hij er zo grillig en grimmig uit als het maar kan met takken die naar alle kanten uitsteken en sporen van blikseminslagen op verscheidene plaatsen. In de top hangt een grote maretak. Alleen lindes overleven zo’n groeiplek en deze wordt al in 1873 beschreven door Tarlier en Wauters in hun boek ‘Géographie et histoire des communes belges’ als een ‘Tilleul (Tilia europaea) …. Appelé du pendu’.
Volgens een andere bron ‘Il a ombragé la potence et abrité les colonies de corbeaux chargés de dépecer les cadavres des condamnés balancés au bout de la corde.(…)A Mélin, de ces arbres élus comme divinités, chez les Gaulois et les Germains, appropriées ensuite par la religion chrétienne pour chasser les anciens cultes, le tilleul de la ‘Justice’ est le seul arbre qui reste (…).’ (Mélin, son histoire, ses légendes, ses vieilles pierres,T1-A.Lefevre). Hoe oud deze boom is weet ik niet en hoeveel mensen er in hebben gehangen en wie het recht had over de ‘haute justice’ in de streek en tot wanneer daar ben ik ook nog niet helemaal achter.

Over de geschiedenis van Mélin maak ik even gebruik van een tweetal bronnen (zie de link). Het dorp Mélin ontstond in een zeer oude tijd, op de plaats waar het pad van Jodoigne naar Leuven de rivier de Gobertange kruist. Dankzij zijn ligging op het vruchtbare leemplateau heeft het dorp een zeer rijke geschiedenis. In 1834 werden twee skeletten uit de Merovingische periode gevonden. Tegen het jaar 800 worden op initiatief van de Abdij van Kornelimünster bij Aken grote delen van het plateau tot zover als Hoegaarden ontbost en omgevormd voor de landbouw. Op wereldlijk vlak wordt vanaf 953 het dorp Mélin als gevolg van de splitsing van Lotharingen deel van het Graafschap Leuven. In 1219 staat de Akense Abdij een deel van de omgeving af aan de Abdij van Ramée in Jodoigne die dan al een domein bezit in Sart-Mélin. In 1284 verkopen de graven van Leuven – sinds 1106 de hertogen van Brabant – het dorp Mélin met alles er op en er aan – met inbegrip van alle niveaus van rechtspraak – aan Gerard van Luxemburg die in ruil afstand doet van het hertogdom Limburg.
Vanaf dan is de streek van Mélin een leen waarvan de eigendom van generatie tot generatie overerft van de ene grote familie naar de andere tot aan de Franse Revolutie. Tussen 1349 en 1351 woedde de zwarte pest in het dorp.

Van 1568 tot 1576 heeft Mélin zwaar te lijden van de godsdienstoorlogen, vooral omdat Thierry Bouton, de Seigneur van die tijd zich tot het protestantse geloof bekeert. De kerk en de Curie worden afgebrand. De eeuw daarna wordt het dorp gedecimeerd als gevolg van de oorlogen van de Franse Koning Lodewijk XIV. Daaraan komt een einde met het verdrag van La Barrière van 1715 waarbij al onze gewesten onder Oostenrijkse heerschappij worden gebracht. Wat volgt is een periode van vrede, bloei en heropbouw die ten einde komt in 1793 met de komst van de Fransen.
Al die tijd tot op heden wordt het dorp en de streek gekenmerkt door de landbouw met grote akkers, pachtovereenkomsten en vierkantshoeves. Maar daarnaast komt ook de mijnbouw tot bloei met de uitbating van de Gobertange kalksteen. In een gebied van ongeveer 2500 hectare tussen Mélin en Saint-Remy Geest ontstaan talloze groeves en wie daar alles over wil weten, schaft zich best het in 2019 uitgebrachte boek ‘La Pierre de Gobertange’ aan van Joseph Tordoir en zijn team (zie de link).
Ik had graag nog wat meer willen vertellen over de eigentijdse geschiedenis na de komst van de industriële revolutie, de landbouwhervormingen als gevolg van de massaproductie, de concurrentie van de ‘Franse steen’, de wereldoorlogen, de uittocht naar de Verenigde Staten, de aanleg van de grote wegen en de betekenis van de ‘vicinal’ voor het dorp maar dat zal moeten wachten.

Mélin is zeker een mooi dorp. De witheid van de gobertangesteen waarmee de huizen gebouwd zijn draagt daaraan natuurlijk bij. Uit wat ik lees en zie op oude foto’s was dat in het verleden helemaal niet het geval en waren de huizen en hoeves ook niet zo mooi gerestaureerd. Blijkbaar is het vooral door de komst van nieuwe bewoners in onze eigen tijd die met hun geld en behoefte aan decoratie het uiterlijk van het dorp hebben opgekrikt tot wat je nu ziet.
Met Gobertangesteen zijn overal in Europa fantastische werken tot stand gebracht maar het verhaal van de groeves in deze streek en hun arbeiders is niet uitsluitend een successtory.
Feit is dat de steen in de streek al door de Romeinen werd ontgonnen als bouwmateriaal voor villa’s en kasseien maar ook voor decoratie, vooral omdat het ondanks zijn hardheid relatief gemakkelijk te bewerken is. Sinds de middeleeuwen wordt de steen gebruikt voor kerkelijke en wereldlijke gebouwen van aanzien en vanwege deze enorme vraag is heel de streek bezaaid met ondergrondse en bovengrondse groeves. Gobertange wordt met de hand gewonnen en op oude foto’s zie je wel dat dit een kwestie van vaardigheid is maar ook van gevaar en stof voor de werklieden die tegen een schaarse beloning in de nauwe putten tot 15 meter diep moesten zwoegen om de steen uit te breken en aan de oppervlakte te brengen.
De Franse revolutie veroorzaakt een eerste crisis door het ineenstorten van de markt van prestigieuze gebouwen zoals kloosters en paleizen. Nadien herstelt de sector zich wel maar door de opkomst van de industriële revolutie komen de eigenaars van de betrekkelijk kleine en arbeidsintensieve groeves in de streek onder druk te staan met veel faillissementen tot gevolg waarbij kleinere groeves worden opgeslorpt door de grotere.

Naar ik begrijp is het vooral de concurrentie van ‘Franse Steen’ die problemen veroorzaakt. Met de aanleg van spoorwegen wordt die vanuit Frankrijk op grote schaal ingevoerd – onder meer uit de streek van Lyon – aan goedkopere prijzen en die heeft ook het natuur-voordeel dat het in veel grotere brokken kan bewerkt worden dan de steen uit de ondergrond van Jodoigne.
In de 19de eeuw telt Mélin nog een vijftigtal gobertange-bedrijven. Halverwege die eeuw is er een ware uittocht van steenhouwers naar de VS, met name naar Chicago om daar aan de wederopbouw na een enorme stadsbrand mee te helpen. Het einde van de 19de en het begin van de 20ste eeuw brengt sociale spanningen maar ook de concurrentie van moderne niet-natuurlijke bouwmaterialen zoals beton. In 1947 zijn er nog maar zes ‘putten’ en in onze eigen tijd is er nog maar één bovengrondse groeve actief, de ‘Carrière de Gobertange’ van de in 1998 gevormde (familiale) S.A. Bernard Pierrot en Fils aan de Rue du Hussompont. Op het terrein van de vroegere Ferme Binard – de vierkantshoeve wordt gerestaureerd – legt de onderneming zich toe op de productie van stenen voor de restauratie van oude gebouwen, met name ook voor het vervaardigen van beeldhouwwerken en andere kunstzinnige toepassingen. Op foto’s en vanuit de lucht ziet de groeve er indrukwekkend en diep uit maar ik hoop nog op een intro om hem eens te bezoeken voor een reportage. Maar ondertussen is de belangstelling voor Gobertange-steen aan een ferme opleving toe dus het ziet er naar uit dat er een nieuwe glorietijd aanbreekt. Bovendien zie ik berichten dat delen van de groeve een bijzondere aantrekkingskracht uitoefenen op allerlei zeldzame kalkminnende planten en dat zou ik ook weleens willen zien.

Van alle bezienswaardigheden is de dorpskerk ongetwijfeld de bekendste, al was het maar omdat je het statige gebouw al van ver op zijn heuvel kan zien staan. Je raakt zeker onder de indruk als je voor de poort onder aan de trappen staat en hem ziet oprijzen tussen de muren van het er omheen gelegen kerkhof en de opvallende Lourdesgrot aan de linkerkant. Op het bordje aan de ingang lees je (met wat aanvulling) dat de parochiekerk ‘Notre Dame de la Visitation’ samen met de pastorie en ‘la Cense du Seigneur’ (dat is nu de ernaast gelegen Ferme de Risbais) het hart was van het vroegere leengoed Mélin. Het huidige gebouw in baksteen en met een toren in Gobertange is de opvolger van de kerk die beschouwd werd als een van de mooiste in de omgeving die hier stond totdat hij in 1543 in brand gestoken werd door de plaatselijke Seigneur die zich tot het protestants geloof had bekeerd.
In de 17de eeuw werd op kosten van de cistercienzerabdijen van Ramée en Florival – in die tijd de kerkelijke gezagsdragers – een nieuwe kerk gebouwd. Deze raakte in verval en werd in tussen 1771 en 1780 en opgevolgd door de huidige neoklassieke kerk zoals ontworpen door de Franse (?) architect Jaumotte. Bij de bouw speelden de bewoners en vooral de boeren een grote rol doordat zij de arbeid en de bouwmaterialen aanleverden.

In de eeuwen daarna werd hij verscheidene malen vergroot en gerestaureerd. De wijzerplaten werden nog in 2005 vernieuwd. Hij is sinds ingeschreven als monument en in het dossier vind je een beschrijving van de binnen- en buitenkant.
Zoals veel kerken in Wallonië is het een ‘Eglise Ouverte’ en kan je er op je gemak binnengaan om het interieur te bewonderen. Daarbij valt vooral het Renaissance orgel op dat al dateert uit 1616 en dus veel ouder is dan de kerk en een van de oudste orgels in Waals Brabant. In 1990 is het instrument afzonderlijk als monument beschermd. In het portaal vind je de namen van de vijftig pastoors die elkaar sinds 1290 zijn opgevolgd. Boven het altaar hangt een schilderij op hout van Léon Herbot uit 1874. Het mooi bewerkte eikenhouten kerkmeubilair is volgens de stijl van Lodewijk XV.

De Lourdesgrot is van recenter datum en op het kerkhof vind je graven van de plaatselijke steenhouwers. Buiten zie je aan de trappen een goed voorbeeld van kasseien van Gobertange. De statige pastorie die links naast de kerkstaat dateert uit de eerste helft van de 18de eeuw en is eveneens als monument geklasseerd hoewel hij zijn originele functie verloren heeft en als privéwoning dient.
Ik kan je aanraden ook een kijkje te nemen op het kerkhof en in de kleine maar mooie Lourdesgrot aan de ingang. Mensen van nu zijn het een beetje vergeten maar een Lourdesgrot of Mariagrot is een kopie van de grot van Massabielle bij de Franse stad Lourdes, waar op 11 februari 1858 Maria zou zijn verschenen aan Bernadette Soubirous. Wikipedia: “Er zijn in vele landen kopieën gebouwd voor de verering van Onze Lieve Vrouwe van Lourdes, vooral nadat het Vaticaan in 1907 aan deze verschijning de dag 11 februari in de liturgische kalender heeft verbonden. Het gaat om nabootsingen van wat zich bij de grot zou hebben afgespeeld. In de grot kan een altaar geplaatst zijn. Schuin boven de grot (voor de kijker rechts) bevindt zich een nis met daarin een wit Mariabeeld met een blauwe sjerp en een rozenkrans. Voor de grot staat een beeld van een omhoog kijkende, knielende Bernadette in gebed. Zo’n Lourdesgrot staat er in combinatie met een kapel of kerk.”

De grot in Mélin lijkt vast niet op het Franse origineel al was het maar omdat het altaar en het biddende meisje ontbreken, maar is wel bijzonder omdat hij helemaal gebouwd is in Gobertangesteen. Waarom precies en door wie hij in het begin van de twintigste eeuw is opgericht kan ik niet direct uitvinden – bij de plaatselijke bezienswaardigheden wordt de grot niet of nauwelijks vermeld laat staan beschreven – en of hij vandaag de dag nog dikwijls bezocht wordt waag ik te betwijfelen want de kaartjes aan de muur hangen er al een tijd zo te zien. Toch wordt hij goed verzorgd. Dergelijke grotten houden dikwijls verband met gebeurtenissen in de Eerste Wereldoorlog maar de grafsteen op de grond herinnert niet aan burgemeester Joseph Jamar die door de Duitsers bij hun intocht 8 augustus 1914 aan de deur van zijn woning aan Rue du Bois (de Ferme Blondeau of Tilleul) werd gefusilleerd, maar aan pastoor Noberth Joseph Janmart, geboren in 1802 en overleden in 1883.

Op het kerkhof herinneren verscheidene grafzerken aan het verleden, bijvoorbeeld dat in Gobertangesteen van een ‘tailleur’ van de familie Glaude of anderen zoals dat van de familie Parys waar de afbeeldingen van werktuigen in de zerk zijn afgebeeld.
Van de vele vierkantshoeves in Mélin is de Ferme de Hesserée ongetwijfeld de meest in het oog vallende, vooral omdat hij een beetje buiten het dorp staat op de invalsweg vanaf de Chaussée de Wavre. Of het nog altijd een echte boerderij is betwijfel ik sterk want op het internet prijzen de eigenaars hun domein uitsluitend aan als ‘un endroit idéal et calme pour vos fêtes privées et événements professionnels’ en ook als je voor de indrukwekkende poort staat is er geen enkel teken van boerenactiviteiten. Het complexs is wel heel mooi gerestaureerd. In feite ziet een en ander er nogal gesloten uit (met een bord: ‘verboden toegang’) en de website is ook niet recent aangevuld.
Van de straat kan je het niet zien maar op foto’s en op de kaart zie je nog twee vijvers achter een bosje die duidelijk een bron zijn van de Ruisseau de Gobertange. Er moeten er in de oude tijd nog meer geweest zijn. De geschiedenis van de hoeve gaat blijkbaar terug tot in de 13de eeuw en het moet altijd een grote ‘ferme signeuriale’ geweest zijn.

Begin 1700 verandert ze van pachter en beschikt dan over ongeveer 50 ha akkers en weiden. Als deel van de ‘Cense de Mélin’ wordt de hoeve in de loop van de eeuwen aangeduid als ‘Hasserie’, ‘Heyserie’ en nog andere variaties. Tegenover de hoeve moet in de 18de eeuw nog een brouwerij gestaan hebben maar die is nergens meer te zien. De Donjon met poort dateert nog uit de 15de – 16de eeuw maar de schuur en het woonhuis zijn achtereenvolgens in het begin en het einde van de 18de eeuw gebouwd. Niet zichtbaar van de straat moeten er ook nog enkele eigentijdse gebouwen zijn maar zelfs op de luchtfoto zie ik die niet. Het geheel is ‘inscrit comme monument’ op de Waalse lijst van Waardenvol Bouwkundig erfgoed en het dossier bevat de gebruikelijke puur technische beschrijving zonder enige geschiedkundige duiding. Bij de foto’s post ik er ook een van La Ferme Fortemps aan de Place de Mélin met de link naar het erfgoeddossier.
In de bocht van de Rue de la Croix Ste-Barbe bevindt zich op nummer 8 nog een uitermate statige woning. Tot mijn verrassing vind ik deze niet terug op de officiële erfgoedlijst.


Het kleine kapelletje in Gobertangesteen en gewijd aan Ste Barbe aan de Rue de la Croix de Sainte Barbe is het voorportaal van het er achter gelegen Champs des Fosses. In vroeger dagen kwamen de steenhouwers hier dagelijks voorbij op weg naar hun steengroeven in dit boomloze en naar mijn goesting veel te troosteloze kale landschap. In het boek over de Gobertange door Joseph Tordoir lees ik (p.305) dat Sainte-Barbe de patroonheilige is voor de architecten, de werkmannen in de bouw, de metselaars, de meubelmakers, mijnwerkers, de brandweerlieden, de kanonniers en vergelijkbare meestal gevaarlijke beroepen. In haar eigen tijd was het zijn van vrouw al een gevaarlijk beroep want ze werd door haar vader onthoofd omdat ze niet wilde trouwen met de koningszoon die hij voor haar op het oog had. Pa werd na zijn daad wel gestraft met de dood door een blikseminslag. Ste Barbe biedt bescherming tegen blikseminslag en onweer, brand, straffeloosheid, sterven zonder confessie en plotselinge dood. Haar feest wordt op 4 december gevierd. In Mélin werd dat georganiseerd door de Société Sainte Barbe waarvan zowel de patroons als de werklieden lid waren met een mis en bloemen aan de voet van de kapel.

Het kapelletje stond er al in 1718 maar werd rond 1890 vernield door dronken arbeiders. Na heropbouw werd de kapel opnieuw vernield door enkele Duitse soldaten tijdens de Eerste Wereldoorlog. Het huidige bouwwerk werd in 1973 op ongeveer dezelfde plek door steenhouwer Albert Pierre, in Mélin geboren maar woonachtig in Jodoigne. Wees er voorzichtig mee want ik vind het niet terug op de erfgoedlijst dus het is niet beschermd, toch niet op wereldlijk vlak en omdat de groeves ondertussen gesloten zijn en de oudste generatie steenhouwers ook ten einde loopt is het niet zeker dat iemand het nog eens zou heropbouwen vrees ik. Het vogeltje op de kapel bleef net lang genoeg zitten voor mijn fototoestel en enkele andere foto’s laten ook een stukje van de omgeving zien.
Niet ver hier vandaan kom je op de hoek van de Rue de Gobertange met de Rue de la Cloche nog langs La Chapelle Sainte Marie Madeleine. Het gebouwtje in laat-gotische stijl staat op een kleine heuvel tegen een groene achtergrond maar het huis er naast staat er iets te dicht tegen aan. Het dateert uit de 15de en 16de eeuw en werd in 1856 gerestaureerd. Daarna verviel het langzaam tot een ruïne en dat werd pas in 1973 afgestopt door wederopbouw. Sinds 1982 is het beschermd als monument.

Mélin is zeker een heel mooi dorp, vooral door de eenheid van het bouwmateriaal (bijna overal mooi gepoetste Gobertange-kalksteen), de verzorgde schikking van de huizen rond een dorpspleintje, de kerk en zijn centrale ligging, de statige vierkantshoeves en de mooie tuinen en – niet in het minst – de afwezigheid van een zich snel uitbreidende volgebouwde omgeving in alle denkbare stijlen en modes. Op het internet zie je wel dat de plaatselijke toeristische diensten heel erg hun best doen om het dorp op te waarderen als een toeristische trekpleister in de hoop en verwachting dat er bezoekers van alle kanten op af komen. Of dat zo’n goed idee is weet ik niet, mijn ervaring met historische authentieke dorpjes is dat je al snel een toeloop krijgt van op vertier beluste stedelingen en dan kan dat karakter snel verloren gaan, zeker als de commerciële sector er zich van meester maakt.
Voorlopig is het dorp in historisch opzicht eigenlijk een openlucht-museum maar dan een zonder enige poging tot uitleg over verleden en heden en auto’s op alle plekken waar je een foto zou willen nemen. In vergelijking met naburige dorpen zoals Beauvechain, Tourinnes-La-Grosse, Nodebais en Gottechain is het er even stil maar het mist het aan levendigheid, zelfs voor de eigen bewoners denk ik. Je kan er geen krant kopen, er is geen echt dorpscafé, geen winkeltje, zelfs geen bakker, geen café-terras en ik zie geen aankondigingen voor activiteiten.

In de vierkantshoeves en andere huizen wonen geen boeren meer maar mensen die ofwel conferentie-activiteiten aanbieden ofwel voor hun werk op en neer pendelen naar Jodoigne en verder. Hier en daar is er uiting van kunst maar erg uitbundig ziet het er niet uit. De mensen zijn vriendelijk maar toch zeker erg gesteld op hun privé zo te zien aan de borden verboden toegang op zowat elke plek waar je wat dichterbij zou kunnen komen of naar binnen kijken. Begrijpelijk want niet alle bezoekers zijn even braaf en het is ook hinderlijk om voortdurend nieuwsgierige mensen voor je venster te hebben. De plaatselijke fontein is afgesloten en rond de dorpsvijver staat een afrastering.
Zelf heb ik problemen met de landschappelijke omgeving. Het dorp is een rotsachtig eiland in een oceaan van agro-industriële bedrijvigheid. Het was altijd een landbouwland maar het moderne boerenbedrijf heeft al zijn charme verloren en de boeren in deze streek geven daar kennelijk ook niet meer om. Er zijn nergens hof- of andere dieren te zien (behalve enkele rijpaarden en honden), de veldwegen zijn kaal, zelfs als ze hol zijn. Hagen zijn er niet en de dichtstbijzijnde monumentale boom buiten het dorp lijkt wel die eenzame ‘Arbre de Justice’ te zijn en dan ben je al halverwege L’Ecluse. Voor fietsers kan dat plezierig zijn maar voor veel wandelaars en zeker voor vakantiegangers is zo’n landschap uiterst onaantrekkelijk, zeker bij slechter weer. Ik heb één hoeve gezien die groenten en vruchten aanbiedt van ‘boer tot verbruiker’ maar zelfs die lijkt niet afgestemd te zijn op de herinrichting van de natuur er rond.

Misschien dat men eens kan gaan kijken op het plateau tussen Pécrot en Bossut waar de laatste tijd heel wat inspanningen zijn gedaan om het landschap zowel aantrekkelijker als bio-diverser te maken? Of men kan eens gaan kijken tussen Beauvechain en Hoegaarden waar er in het landbouwgebied verschillende prachtige natuurgebieden zijn zoal de Jordaan en het Rosdel. Nu trek ik nog even naar Sart-Mélin een beetje verderop.
Vanaf de kerk kom je aan Rue des Beaux Prés (nr.60) nog een klein kapelletje tegen op een veldje met bomen en een bankje. Er staat van alles op dat maar moeilijk leesbaar is maar in het erfgoeddossier lees je dat gaat om La Chapelle Notre Dame du Bâti die opgericht werd in 1652 door pastoor Antoine Beauclef uit Mélin en gerestaureerd is in 1919. De opschriften luiden als volgt: “nostre dame/de la paix/concorde/et repos/1652 » en « ch.rebatie par Jules Paul …. 1919 ». De kapel is gesloten maar het altaar is versierd met keramiek van Max Van der Linden.

Vanaf deze kapel maar ook vanaf de andere kant op weg vanuit Leuven naar Mélin of Jodoigne kom je vlak na de afslag naar de luchtmachtbasis van Beauvechain aan de afslag naar Sart-Mélin een heel grote vierkantshoeve tegen en als je goed kijkt zie je ook een kleine kapel. De hoeve is de Ferme D’Awans, ook wel bekend als Sart le Couvert, en is genoemd naar de familie die hem liet bouwen in de tweede helft van de 18de eeuw in de periode dat zij de laatste seigneurs waren van L’Ecluse en in Mélin een zevental ‘bunders’ goederen bezaten zoals La Cense de Sart (of Sartage). Hun wapenschild is samen met het jaartal 1754 aangebracht boven de ingangspoort. Op de Ferrariskaart van 1777 zie je hem staan maar nog niet op de Villaretkaart van 1745. In die tijd stond er blijkbaar ook een boomgaard rond. Hij valt op door het hele grote woonhuis (corps de logis) maar ook door de statige toegangsdreef. Op aandringen van de familie Michotte-De Boeckont die sinds honderd jaar de eigenaar is, werd de hoeve in 2017 als monument geklasseerd en eigentijds gerestaureerd. Dat wil zeggen dat de stallingen in gebruik blijven voor de landbouw maar dat enkele vleugels een publieke herbestemming krijgen als feestzaal en als ‘gîte de la ferme’ om ook uit de kosten te geraken. In oktober van dit jaar waren er een paar concerten.

Ik denk wel dat de werken nog aan de gang zijn want aan de achterzijde staat de binnenkoer nog vol met machines, vrachtwagen en materialen heb ik gezien.
Aan de kapel lees je dat la Chapelle Saint-Antoine meer dan vier eeuwen oud is en dat hij zou zijn gebouwd in de nabijheid van een vroegere gesloten leprozenkolonie. Wat dat betreft is hij dus te vergelijken met La Chapelle du Rond-Chêne in Tourinnes-la-Grosse want de melaatsen mochten niet in het dorp komen maar kregen wel de mogelijkheid om in hun onderhoud te voorzien door te bedelen langs de grote wegen waar de voor hen bestemde kapelletjes werden neergezet. Er zou ook een klein kerkhof geweest zijn. Het achterste deel, het koor, is in Gotische stijl en in baksteen en dateert nog uit de 16de eeuw, het voorste gedeelte in Gobertangesteen in barokke stijl is volgens het opschrift boven de poort ingewijd in 1724. Het gebouwtje is samen met de naaste omgeving ook als monument geklasseerd. Die bescherming is denkelijk ook nodig om te voorkomen dat de recente eigentijdse lintbebouwing langs de Rue du Sart en de Rue Saint-Antoine zich verder doorzet.

Als je het niet weet zal het je niet opvallen maar hier vlak in de buurt kwam tot in de jaren vijftig de buurttram ‘Zwarte Jean’ vanuit Beauvechain-La Bruyère de Chaussée de Wavre oprijden richting Jodoigne. Stukken van die bedding zijn bij lage avondzon nog te zien langs de Rue de la Grande Lecke en ik vermoed dat het sterk gerestaureerde gebouw aan de Chaussée de Wavre nr.562 (foto googlemaps) het voormalige stationsgebouw is met een stelplaats aan de straatkant (zie NGI kaart 1939).

Van Mélin en Gobertange is het niet ver naar Saint Remy Geest. Je ziet de kerktoren al van verre boven het landschap uitsteken en om het meest typische deel van het dorp te verkennen moet je daar ook naar toe. Op de kaart maar ook op het terrein zie je onmiddellijk dat het gebouwd is op de scheidingslijn tussen in het westen het hoge plateau van het Champs des Fosses en het Champ du Grand Arbre en aan de oostkant de vallei van het riviertje de Grande Gette. Op dat plateau zal je nauwelijks nog een boom aantreffen en van de oude gobertange-groeves (fosses) heb ik niets meer teruggevonden want de boeren hebben dat volgens mij allemaal hardnekkig omgeploegd. De westkant ziet er veel lieflijker uit, ook al omdat er aan die kant nog een hele reeks beekjes te zien zijn zoals de Ruisseau de la Fontaine, le Chebais en niet te vergeten de Ruisseau de Gobertange.
Het naamsdeel ‘Geest’ (hoe je dat uitspreekt in het Frans of Waals is me een raadsel) zie je op andere plaatsen staan in Saint Marie Geest, Saint Jean’s Geest en Mont le Geest en ik begrijp dat dit de historische aanduiding is voor de rivier de Gete en niets te maken heeft met de heiligen in de andere naamsdelen.
In de omgeving zijn er Romeinse grafheuvels aangetroffen op een plek met de naam Champ du Tombe maar ik vind noch het veld noch de heuvels terug. De geschiedenis van het dorp zelf gaat terug tot het jaar 1000. In die tijd hoort het toe aan het Graafschap Leuven maar in 1034 wordt het overgedragen aan het Prinsbisdom Luik en vervolgens in leen gegeven aan de benedictijner Abdij de Saint-Laurent, ook in Luik.

Het noordoostelijke deel van het dorp waar we nu nog Le Moulin de Genville aantreffen wordt in het midden van de 12de eeuw door de broers Arnoul en Jean de Geest afgestaan aan de Abdij de Saint Nicaise in Reims. De broers dragen ook hun bezittingen in Hamme-(Mille) over en sindsdien heet die kant van het Meerdaalwoud het ‘plateau van Nicaise’ (zie mijn hoofdstuk over dat plateau).
In 1278 is het dorp kennelijk weer van kamp veranderd want Hertog Henrik I van Brabant bevrijdt de dorpelingen van hun ‘servitudes’ (onderhorigheden) in ruil voor een jaarlijks te betalen belasting. In 1657 komt het Genville-dorpsdeel in het bezit van Seigneur De Lantwijck en in dezelfde eeuw wordt Saint-Remy een zelfstandig leen met het statuut van Graafschap. Tijdens de Franse bezetting worden beide dorpsdelen toegevoegd aan het kanton Jodoigne.
De meeste huizen en hoeves zijn gebouwd met de plaatselijk gewonnen typische Gobertange kalksteen. De kerk is gebouwd in 1768 en domineert de hele omgeving. De straatjes en huizen rondom zijn mooi bewaard gebleven zoals ze een eeuw geleden of langer geleden werden gebouwd behalve dat er nu uiteraard geen steenhouwers meer wonen zoals vroeger en de huidige bewoners hun auto’s zowat aan de deur van iedere bezienswaardigheid parkeren wat het maken van een mooi foto mij wel dikwijls hindert. Het oude centrum van het dorp is veel kleiner dan dat van Mélin en aan de buitenkant wordt er veel gebouwd maar jammer genoeg niet meer in gobertange. Echte vierkantshoeves van omvang heb ik er nog niet (of niet meer) gezien, wel moderne betonnen stallen zonder enige charme.

Het dorp Saint Remy Geest ging in 1034 van het Graafschap Leuven met kerk en al over naar het Prinsbisdom Luik en kwam onder het gezag van de Luikse Abbaye Saint-Laurent die pastoor mocht benoemen en de opbrengsten inde maar daartegenover ook moest instaan voor het onderhoud. Later keerde het dorp terug naar het Hertogdom Brabant maar de abdij behield het geestelijk gezag. In de 18de eeuw raakte het gebouw zodanig in verval dat men besloot om een nieuwe kerk te bouwen. Dat gaf heel wat problemen met de plaatselijke bevolking over de bouwplannen, met name over de hoogte van de toren en wie daarvoor moest betalen.
Na een proces en vonnis voor de Raad van Brabant in 1760 kwam het tot een akkoord en op basis van de plannen van architect Bovesse kwam het huidige gebouw tot stand in 1768, ruim maar sober gebouwd zonder echt aan een bepaalde stijl te beantwoorden maar wel helemaal in Gobertange kalksteen. Ook het interieur is heel sober maar best de moeite waard om er een kijkje te nemen hoewel ik niet denk dat deze kerk een ‘Eglise Ouverte’ is en de deuren dus niet altijd open zijn.

In de kerkhofmuur van het mooi verzorgde kerkhofje is een wapenschild afgebeeld. Het erfgoeddossier zegt er niets over maar als je goed kijkt zie je dat het een eerbetoon is aan Martin Toussaint Lamormainy, pastoor van Saint Remy-Geest, geboren in 1665 in Amonines en overleden in Saint Remy-Geest op 23 okober 1750 op 85jarige leeftijd. Het schild is getooid met een hostiekelk die de functie van de pastoor symboliseert, en met wijnranken en korenaren die herinneren aan de miswijn en de hostie (met dank aan Julien Debos).
Het gebouw heeft een heel mooi ingang met een trap, een ijzeren hek en een vloer in Gobertange-kasseien. Op het pleintje staan de gedenkstenen voor de gesneuvelden in de wereldoorlogen tegen de kerkmuur opgesteld maar die kunnen wel een poetsbeurt gebruiken vind ik. Dat men nu uitgerekend op deze fotogenieke plek een rode brievenbus heeft opgehangen vind ik wel jammer.

Dankzij haar hoge ligging, omvang en witte uitstraling kan je de hele omgeving op je gemak verkennen want van overal is de kerk zichtbaar als een waarlijk baken in het landschap.
Saint Rémy, beter bekend als Remigius van Reims zou in het jaar 458 op 18 jarige leeftijd verkozen zijn tot bisschop. Veertig jaar later zou hij op kerstdag 496 de Frankische koning Clovis gedoopt hebben samen met diens zusters en drieduizend Frankische krijgslieden. Dankzij deze daad wordt hij afgebeeld met een duif met een flesje in de snavel. Als ‘Apostel der Franken’ speelde hij een vooraanstaande rol in de kerk van die tijd maar aan welk wonder hij zijn statuut van Heilige van het Roomse Rijk te danken heeft weet ik nog niet.
Saint Rémy Geest. Je kan er heel mooi wandelen met een topervaring van natuur en (gobertange)erfgoed maar je kan er ook helemaal de mist ingaan op een vreugdeloos boom- en haagloos landbouwplateau op modderige veldwegen tussen kale akkers. Het dorp weerspiegelt de perfecte spanning tussen authenticiteit en eigentijdse manieren om daar onaangepast mee om te gaan. De spanningslijn ligt op de Chemin des Carriers, de autoweg die het dorp in twee helften deelt. Met die weg is niets mis, de meeste huizen zijn in gobertange bewaard gebleven, de straat is smal met hier en daar nog de aloude kasseien en auto’s kunnen er slechts langzaam en met mondesjesmaat door.

Maar aan de noordkant sta je aan de Rue de la Pépinière direct buiten het dorp waar ijverig eigentijdse huizen en villa’s gebouwd zijn/worden in alle materialen maar gobertange is daar niet meer bij. Die hebben nog tuinen maar onmiddellijk daarachter beginnen er reeksen veldwegen die allemaal toegankelijk zijn maar waar ik het landschap volstrekt onaantrekkelijk vind tenzij als piste voor sportieve wielertoeristen. Als fotograaf toon je graag het mooie maar ik vind dat wat-niet-mooi-is ook zijn plaats heeft, al was het maar om een opening te maken naar mogelijkheden om er iets aan te doen.
Het boerenleven is altijd een moeizaam bestaan geweest maar ik zie absoluut niet in waarom de natuur het slachtoffer moet worden van onecologische eonomische opvattingen die ondertussen ook al weer totaal achterhaald zijn. De natuur op dit plateau heeft bomen, struiken, hagen, begroeide holle wegen, groenstroken en dieren nodig en natuurlijk ook het buiten gebruik stellen van het massaal rondstrooien van chemische produkten. In ieder geval, wie – zoals de gemeente Jodoigne – toeristen wil lokken naar deze mooie streek met mooie dorpen en vierkantshoeves doet er beter aan om iets aan de natuur op dit plateau te doen want van stenen alleen wil een mens niet leven.

Genoeg kritiek, de zuidkant van het dorp, dat wil zeggen de vallei van de Gobertange, de Chebais en La Grande Gette vind ik een absolute aanrader en vanaf het smalle straatje ‘Basse Voie’ aan de westkant achter het kerkpleintje heb je er een heel mooi zicht op.
Je kan ook naar het noordoosten met een klein paadje heel mooi naar de voormalig Moulin de Genville en vandaar naar het riviertje la Grande Gette en Saint Marie Geest en vandaar terug naar het dorp. Als je hem weet te vinden kom je dan ook nog door een nogal rustieke diepe holle weg. Ik ben daar toch al één hoeve tegengekomen met een aanbod van ‘vente directe de producteur au consommateur’.
Saint Remy Geest. Gobertangesteen wordt niet dikwijls meer gebruikt om er muren mee te metselen maar zowel in Mélin als Saint Remy Geest zie je dat het toch nog wel gebeurt. Ik toon nog wel foto’s van helemaal nieuw gebouwde huizen maar eerst verken ik vanaf de kerk even de Rue Basse Voie. Het is een klein straatje naar het westen op de rand van de vallei van Le Ruisseau Le Chebais. Op de kaarten van Ferraris (1777) en Villaret (1745) zie je het aangeduid en zelfs de meeste huizen lijken er dan al te zijn. In die tijd liep het blijkbaar verder tot in Gobertange maar jammer genoeg loopt het tegenwoordig dood op een privéwoning en dat is wel jammer want daardoor kan je niet rondwandelen maar moet je gewoon terug.

Het straatje is absoluut de moeite waard want je kijkt overal ver uit over het dal en bovendien zijn de meeste huizen langs de straat ingeschreven als monument op de Waalse erfgoedinventaris, hetzij als ‘ferme’, dan wel als ‘habitation’ en dat kan je ook wel zien. Zoals overal wonen er vast geen boeren en steenhouwers meer binnen de gobertangemuren maar toch hebben de meeste huizen ondanks hun ferme restauratie nog hun basis-structuur behouden ondanks de eigentijdse soms wat uitbundige decoraties. Voor zover ik kan nagaan op de erfgoedlijst dateren ze (bijna) allemaal uit de 18de of het begin van de 19de eeuw met verbouwingen in het begin van de 20ste eeuw. Jammer genoeg vind ik helemaal geen informatie over de bewoners van vroeger of oude prenten. Zoals altijd bevatten de Franstalige erfgoeddossiers uitsluitend een technische beschrijving van het gebouw maar zonder bijkomende historische informatie om het geheel te verlevendigen ben ik daar eigenlijk niet veel mee.
Heel toeristisch ziet de straat er nog niet uit maar ik zie dat er wel een bread- and breakfast is (Maison de la Pierre op nr.9), een antiquair (op nr.11) en een software-zaak (op nr.10). Wie het charmante prieeltje aan het einde van de straat gebouwd heeft weet ik niet maar ik denk dat het van recenter datum is. Het is helemaal opgetrokken in gobertangesteen en overgroeid met klimop maar het is duidelijk niet de bedoeling dat je het hekje opendoet om van onder het dak op de vallei te kijken. Een stapel stenen op een perceeltje wijst er op dat er nog wel bouwplannen zijn.

Vanaf de kerk van Saint Remy-Geest volg je even de Rue de Basse Hollande richting richting Ruisseau de Gobertange (zegt het bord aan de molen, Chebais heet de beek op de kaart) en dan kom je via de Rue d’Ecole op een allercharmanst paadje vlak boven de beek dat je rechtstreeks brengt naar Le Moulin de Genville. De watermolen staat aangeduid op de Villaretkaart van 1745 maar hij dateert al van voor 1278 als banmolen van de Hertog van Brabant voor de bewoners van de streek tot aan de Ferme de Wahenges in l’Ecluse. Die hoeve was eigendom van de Abdij van Averbode en werd door hertoging Johanna van Brabant van de ban vrijgesteld.
De molen werd lang gepacht door de Seigneurs van Mélin maar rond 1577 werd de site verlaten nadat de installatie door oorlogsgeweld vernield was. Nadien werd hij hersteld op last van Dame Eléonore de Cordova, vrouwe van Mélin en door haar overgedragen aan de Spaanse regering die op haart beurt de site in 1650 verkocht aan de Seigneur van Jodoigne. Kort na 1731 werd de molen herbouwd tot een ‘dubbelmolen’: een oliemolen op de ene oever en een hennepbreekmolen op de andere. In 1852 worden beiden afgebroken en 1854 vervangen door een enkele korenmolen. De molenaars sinds de 19de eeuw zijn van de families Goes, Lesage en sinds 1879 Davidts. Rémy Davidts is de laatste molenaar tot de stopzetting in 1947. In 1978 werd de site beschermd samen met de omgeving ook als dorpsgezicht als monument.

Eigenaar-architect Henri Lust liet het gebouw herstellen evenals het metalen bovenslagrad met houten schoepen onder een afdak. Sinds 2015 is de heer Bouriez de eigenaar.
Van buiten zie je niet veel van de installatie, ook al omdat een en ander hermetisch afgeschermd is met manshoge hagen, maar vanaf het waterbekken zou er een verval moeten zijn van 3,91 meter naar de beek. Maar om de waterval ‘aan te zetten’ moet het water dan wel over de sluis en over het rad worden geleid. Dat zou in beginsel moeten kunnen want heel de installatie is er nog maar de bedding van de beek bevat slechts heel weinig water. Om er meer over te vertellen zou ik er toch eerst eens dichterbij moeten kunnen kijken, misschien komt die gelegenheid nog wel. Aan de overkant van de straat is een zuiveringsstation en een heel klein natuurgebiedje waar ik nog niet geweest ben.
Van Le Moulin de Genville ga ik richting Sainte Marie Geest. Je kan het niet missen want de toren van de grote Sint Petrus Kerk steekt overal boven uit. De kerk wordt vermeld als bezienswaardigheid maar ik ben nog niet verder geraakt dan aan de brug over La Grande Gette waarnaar het dorp genoemd is. Anders dan de andere beken in de omgeving is de Gete hier al bijna een echt riviertje.

Op de kruising tussen de Rue Sainte Geneviève (verlengde van de Rue du Moulin de Genville) met de Rue Saint Marie vertelt de kaart me dat er van hier een mooie holle weg naar het zuid(westen) gaat met de naam ‘Haut Chemin’ en die moet ik hebben om terug in Saint Remy Geest te komen. Diep tussen de uitgestrekte akkers aan beide kanten volg ik een nogal modderig traject hellingopwaart dat kennelijk nogal in trek is bij plaatselijke motobendes maar vandaag komen er mij toch maar twee achterop.
Eenmaal aangeland op het weidse plateau draai ik mij om en ziet in de verte zowaar de kerktoren van Hoegaarden uitsteken met op de horizon ook de hoogbouw in Tienen. Voor mij doemen de buitenwijken van Jodoigne op en dichterbij het Bois Chebais. Maar aan de rechterkant zie ik de kerktoren van Saint Remy Geest en omdat ik daar naar toe wil, sla ik scherp rechtsaf de Rue Basse Hollande in. De naam Basse Hollande komt enkele keren voor in Wallonië maar waar het op slaat in dit heuvelachtige landschap weet ik niet. Blijkbaar is het genoemd naar een wijkje van gobertangehuizen aan de ingang van het dorp maar erg Hollands zien die er ook niet uit. Wel zie je hier huizen die heel recent nog met deze kalksteen gebouwd zijn.

Voordat ik daar ben kom ik nog langs een hoeve met een bord waarop staat dat het hier ‘la Ferme du Bois Basset’ heet en dat je hier rechtstreeks je verse groenten, aardappelen en vleeswaren kan aankopen. De openingsuren staan er bij. De sector ‘vente directe de la ferme’ is in Waals Brabant aan een grote opmars toe en duidt dikwijls op de aanwezigheid van een hoeve in biocultuur. Deze hoeve is nog niet zover maar rekent zichzelf tot de ‘agriculture raisonnée’, dat wil zeggen een landbouwmethode die zich in het kader van de duurzame landbouw richt op het respect voor het welzijn van het dier, het milieu en de gezondheid en aan de hand van welbepaalde criteria zo weinig mogelijk gebruik maakt van chemische produkten bij het kweken. Op hun facebookpagina, in het filmpje en op het internet kan je alle bijzonderheden vinden en ook iets over de spanningen tussen de beide categorieën van landbouw. In elk geval denk ik dat ze heel lekker vers rundsvlees aanbieden want ze kweken Franse Limousine-koeien en die worden ook in veel natuurgebieden ingezet. En daarmee kom ik al weer aan het eind van deze reportage maar ik kom hier vast wel weer snel terug.

++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++
bronnen Mélin en Sart Mélin
http://www.echarp.be/twcjod17.php
Commune de Mélin-sur-Gobertange – echarp
http://www.echarp.be › twcjod17
+++
http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/recherche/recherche
Inventaire du Patrimoine Immobillier Wallone – Mélin (entité de la Commune de Jodoigne)
+++
(L’Eglise Notre Dame de Visitation)
+++
(ferme de la Hesserée)

+++
(Cense du Seigneur, Ferme de Risbais)
+++
(Ferme Blondeau (Tilleul, Malevé))
+++
AtelierMélin Cafe in Mélin, Brabant, Belgium – Facebook
www.facebook.com › … › Restaurant
+++
https://www.villagemelin.be/promenades/
+++
https://www.villagemelin.be/historique/#:~:text=provient%20du%20verbe%20%22essarter%22%20qui,int%C3%A9gr%C3%A9%20au%20comt%C3%A9%20de%20Louvain.&text=De%201568%20%C3%A0%201576%2C%20M%C3%A9lin,adh%C3%A9rera%20%C3%A0%20la%20religion%20r%C3%A9form%C3%A9e.
Mélin, son histoire – Site de villagemelin ! – Village Mélin

+++
Home
Arbre de Justice – Gal Culturalité
culturalite.be › ArbreDitDuPendu
+++
https://fr.wikipedia.org/wiki/Abbaye_de_Kornelim%C3%BCnster
Abbaye de Kornelimünster — Wikipédia
fr.wikipedia.org › wiki › Abbaye_d…
L’abbaye de Kornelimünster, également appelée abbaye Saint-Corneille sur Inde, près d’Aix-la-Chapelle (Allemagne) était une abbaye d’Empire de 814 à 1804
+++
Abdij van Kornelimünster – Wikipedia
nl.wikipedia.org › wiki › Abdij_van_Kornelimünster
Deze plaats in de buurt van Aken heette oorspronkelijk Inda, naar het riviertje de Inde dat erlangs liep. Het klooster werd in 817 ingewijd

+++
Abdij van La Ramée – Voorstelling – Abbaye de La Ramée
+++
(de pastorie)

+++
Jodoigne (Mélin) * 26/9/8 – https://lourdesgrotten.wordpress.com
lourdesgrotten.com › 2008/09/26 › jodoigne-melin-26-…
+++
https://nl.wikipedia.org/wiki/Lourdesgrot
+++
https://www.facebook.com/fermedelahesseree/
+++
+++
(Ferme de la Hesserée)

+++
(Ferme Fortemps – Place de Mélin)
+++
Chapelle Notre-Dame du Bati
+++.
La ferme d’Awans est classée (Jodoigne) – Lavenir.net
www.lavenir.net › cnt › la-ferme-d-…
Inventaire du patrimoine immobilier culturel – Wallonie
lampspw.wallonie.be › fiche › 25048-INV-0435-02
(Ferme d’Awans)

+++
Ferme d’Awans | archis-paralleles
www.architecturesparalleles.com › f…
Ferme d’Awans by Les Festivals de Wallonie – issuu
issuu.com › docs › ferme_d_awans…
http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/pdf/fiche/25048-INV-0321-02
+++
http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/fiche/index?codeInt=25048-INV-0275-02
(la Chapelle Sainte Marie Madeleine)
+++
J.Tordoir et autres – La Pierre de Gobertange – Deuxième Edition, Revue, Completé et Actualisée, 2019 La Gobertange, un Pierre, des Hommes, ASBL, D/2019/14.758/01
+++
les tailleurs de pierre de Gobertange
https://www.sonuma.be/archive/ce-pays-est-a-vous-du-15061968

Bronnen Saint Remy Geest
http://www.echarp.be/twcjod18.php
Saint Remy Geest
+++
Adresse principale : Rue de la Cense Bivort 1 (en face), Jodoigne – Saint-Remy-Geest
+++
http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/recherche/recherche
(Rue Basse Voie)
+++
https://lamaisonenpierre.be/nl/gallerie-de-photos/

+++
+++
www.goudengids.be › bedrijf › GHOZ-SOFTWARE
+++
+++
https://www.molenechos.org/molen.php?nummer=734

+++
Moulin Genville
www.tvcom.be › info › economie
+++
https://www.facebook.com/lafermeduboisbasset/
La ferme du Bois Basset – Accueil | Facebook
fr-fr.facebook.com › … › Ferme



Trefwoorden : mélin, saint remy-geest, gobertange, hesserée, moulin de genville, chapelle st.antoine, awans, arbre de justice, basse voie, église, chapelle, lourdes, saint barbe, basset, erfgoed, geschiedenis,
december 2020
Ernst Gülcher
contact: ernst.guelcher@telenet.be

Het Waals Brabantse dorpje Opprebais (in het Waals: Ôprèbay) is een deelgemeente van Incourt. Vanuit Hamme-Mille neem je de N91 (Chaussée de Namur) en dan vind je het wel een vijftiental kilometer verder aan de rechterkant nadat je al bordjes bent gepasseerd naar Piétrebais en Roux-Miroir, eveneens deel van Incourt. Gelegen aan de bovenloop van de Ruisseau d’Orbais is Opprebais een zeer vredig landelijk dorp met enkele bezienswaardigheden zoals een 17de -eeuwse kasteelhoeve met donjon, een windmolen van 1826 en een watertoren uit nog een eeuw later.
Maar zo landelijk is het niet altijd geweest want de echte bezienswaardigheid ontdek je onmiddellijk achter een prozaïsche Delhaize, wat saai-vriendelijke nieuwe huizen, een tennisclub en een klein cultureel centrum met de naam Espace Corlier gelegen aan een pleintje met de veelzeggende naam Chemin de la Carrière aux Pavés. Vanaf het gloednieuwe maison Espace Nature op het hoogste punt van het pleintje kijk je zowaar op een enorme watermassa met steile wanden die onmiddellijk doen denken aan de grote bergmeren in Zwitserland. Op het streng afgesloten hek staat dat de toegang – al dan niet om te zwemmen – verboden is. Enkele jaren gelden waren er in de omheining nog links en rechts gaten geknipt maar die zijn ondertussen zorgvuldig dicht gemaakt. Ook op andere plaatsen rond het meer kan je nergens tot aan of boven het water.

Deze voormalige steengroeve staat bekend als een van de beste plekken om in ons land deze watersport te beoefenen en de leden van de toegelaten duikersverenigingen zijn de enigen die er in clubverband nog in mogen behalve de mensen van de Société Wallonne des Eaux (de eigenaar) en de Vlaamse Watermaatschappij (de Watergroep had er een waterwinning maar die is al jaren geleden aan zijn Waalse tegenhanger overgedragen).
Tot in 1989 werd baden en zonnebaden hier gedoogd maar na een bijna-ongeluk kwam daar een einde aan.
Wat wij als nijvere mensen eeuwenlang achteloos uit de grond graven en hakken is een deel van onze geologische erfenis. Ooit, zo’n 500 miljoen jaar geleden tijdens het Cambrium was Opprebais net als de rest van ons land deel van een hooggebergte zoals we nu kennen in de Alpen. De bergen sleten weg door erosie en in latere jaren kwamen verschillende zeeën er lagen kalk (krijt), klei en zand over leggen. Diep verborgen onder die latere afzettingen bleef een stenen vloer of sokkel over die we in Midden-België kennen als het ‘Massief van Brabant’. Op sommige plaatsen zoals in de bovenloop van de rivieren Dender, Zenne, Dijle en Demer komt die sokkel echter aan of bijna tot aan de oppervlakte.
De keiharde metersdikke kwartsietlagen (Dévilien-kwartsiet: ontstaan door herkristalisering van afgezette zandsteen) van Opprebais worden al ontgonnen sinds de middeleeuwen om het te gebruiken als bouwmateriaal en om wegen te verharden. In het dorp zelf kan je dat nog zien in de Donjon van de kasteelhoeve naast de kerk.


De grootschaliger uitbating begint in 1754 onder impuls van Keizerin Maria-Theresia van Oostenrijk, dan heerser over onze streken. In die tijd worden nieuwe grote wegen aangelegd zoals die tussen Namen en Leuven en daarvoor waren kasseien nodig.
Onder het Franse en Nederlandse bestuur vallen de activiteiten stil maar na de onafhankelijkheid in 1830 is er een opleving. De provincie Brabant geeft in die tijd belangrijke subsidies aan gemeenten die hun wegen willen bestraten met kasseien en dit zorgt voor een eerste echte industriële opstoot. De bijzonder harde steen uit Opprebais met zijn mooie rozige en groene kleur wordt vooral gebruikt bij de aanleg van de kasseibanen en in mindere mate bij de bouw (vooral voor de onderkant van gevels). Met de technologie van die tijd hebben de uitbaters vooral belangstelling voor de rotslagen aan de oppervlakte. Tot in de jaren 1870 zijn zij wettelijk verplicht om de uitgehakte putten weer dicht te maken. Sinds deze verplichting wegvalt laat de ontginning sporen na in het landschap, niet alleen in Opprebais maar ook in de nabijgelegen groeve van Dongelberg aan de overzijde van de Naamsesteenweg. Het moet nogal een lawaai geweest zijn want deze harde steen laat zich alleen met explosieven ontginnen. In 1894 en in de jaren daarna verschaft de steengroeve werk aan 50 arbeiders en beschikken de uitbaters over een exploitatie-monopolie.

In het begin van de twintigste eeuw leggen de buurtspoorwegen een tramlijn aan die een aantal steen- en zandgroeves in de streek gaat bedienen zoals die Chaumont-Gistoux, Opprebais en Dongelberg. Tot 1951 houdt die tram het uit maar dan wordt de lijn gesloten omdat hij niet meer op kan tegen de vrachtwagens.
Tot aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog kent de steengroeve van Opprebais een enorme bloei waarbij het productiegamma van kasseien uitgebreid wordt naar plavuizen, breuksteen en steenslag. Maar na de oorlog is het mooie verhaal gedaan om redenen die voor mij nog niet duidelijk zijn. Was er geen vraag meer naar kasseien of kon men in Opprebais niet op tegen de binnen- en buitenlandse concurrentie? Tussen 1920 en 1930 is de groeve gesloten en tegen 1935 staat hij vol water. Als je op de kaart kijkt zal je zien dat de groeve een tiental meters lager ligt dan het riviertje Le Ruisseau d’Orbais die vanuit het zuiden in een grote boog aan de westkant vlak om de groeve heen gaat en er ook mee verbonden is. De Orbais komt een eindje verder naar het noorden bij Dongelberg uit op La Grande Gette (in feite is het daarvan de bovenloop).

Volgens een onbevestigd verhaal hebben de Duitse bezetters in beide wereldoorlogen de steengroeve benut om er hun materialen uit te halen. In 1958 is er blijkbaar opnieuw grote vraag naar kasseien want de ontginning herbegint en de streek beleeft een tiental jaren een economische heropbloei waarbij de oude primitieve tram van vroeger als transportmiddel uiteraard veruit wordt overtroffen door de dieselmotoren van de moderne vrachtwagen.
In 1975 valt het doek definitief. Met de opkomst van het asfalt (en later het beton) om de wegen te verharden raakt de kassei-winning in verval. De waterpompen worden stilgelegd, de steengroeve wordt stilgelegd en de gigantische put vult zich opnieuw met water tot het huidige meer. De oude tramsporen zitten nu 20 meter diep onder het wateroppervlak. Terwijl moeizame toekomst-onderhandelingen beginnen tussen de verschillende overheden over de herbestemming van de site en wie dat zal betalen, de duikclubs zich in de handen wrijven en de zonnebaders en zwemmers toestromen, begint de Vlaamse Watermaatschappij in 1976 met een waterwinning in de groeve.
In juni 1978 treedt de wet ‘relative à la rénovation des sites wallons d’activité economie désaffectés’ in werking en op grond daarvan komt de gemeente Incourt onder druk te staan om de groeve op te kopen, te saneren en te herbestemmen samen met en gesubsidieerd door de ‘Fondation rurale de Wallonie (FRW)’.

Dat gekibbel raakt in een impasse door de vereiste torenhoge investeringen en de enorme verantwoordelijkheden maar – opmerkelijk – ook doordat de lokale bevolking zich verzet tegen plannen om heel de groeve en omgeving om te bouwen tot een grootschalige toeristische attractie om geld in het laatje te brengen.
Een (bijna)-duikongeluk in 1989 zet de toekomst op de rails: een stevige afrastering houdt voortaan alle zwemmers en zonnebaders uit het water dat eigendom blijft van de Watermaatschappij (Waals en Vlaams). De gemeente Incourt koopt de site rond de groeve in 1990 en schrijft een wedstrijd uit tussen architecten om voor de dag te komen met haalbare en duurzame projecten. Het resultaat mag er zijn en er is duidelijk rekening gehouden met de plaatselijke bevolking. Aan de ingang aan de Chemin de la Carrière aux Pavés staan sinds het jaar 2000 rond een gezellig pleintje 22 sociale woningen voor alle generaties, het ‘maison de village L’Espace Corlier’ met vrijetijdsruimtes en een ‘maison nature’ met een (bijna) echte windmolen, een bloementuin en een bijenhotel. Via een wandel- en ontdekkingspad met kunstvoorwerpen (Rue des Fossés) komen de bewoners rechtstreeks naar een plaatselijk warenhuis. Een groot deel van de oppervlakte wordt ingenomen door een sportterrein.
Het pad om de steengroeve van Opprebais is sinds 2013 hier en daar versierd met kunstwerken. De beek is mooi, je komt er wat joggers en wandelaars tegen, meestal men hun honden maar ik blijf zitten met de vraag waarom je het water van het meer zelfs helemaal niet mag zien.

Datzelfde geldt trouwens voor de steengroeven van Dongelberg aan de overkant van de Chaussée de Namur. Overal staan bomen, schuttingen en afrastering (met verbodsborden), er is geen enkele uitkijkplek voorzien en op het einde moet je toch weer een stuk langs de asfaltweg. Het lijkt wel een militaire terrein met al die afrastering. Dat maakt op stap gaan in deze streek een stuk minder interessant in mijn ogen dus wellicht kan de toeristische dienst van Incourt daar ook eens wat aandacht aan besteden, ook al omdat de plaatselijke bossen op dit grote agro-industriële landbouwplateau eveneens afgesloten zijn dus wat is er dan nog te zien of te doen voor de natuurliefhebber?
Zoals al eerder opgemerkt stroomt de beek stroomt vanuit het zuiden langs de bovenkant van de groeve en op de topografische kaart (NGI Jodoigne-Orp-Jauche 40 3/4) zie je ook nog een heel aantal bronnen en vijvers. Op het terrein zie je die in de winter wel tussen de bomen schemeren. De beek heeft hier op enkele honderden meters een verval van een 20tal meter en langs het pad kan je dat goed zien. Bij een waterval staat in het latijn een leuze op een stenen muurtje aan een stuwmeertje (een goed begin is het halve werk). Als je kijkt op de Villaretkaart van 1745 (en latere kaarten) zie je dat hier juist ten noorden van de vijvers de plek is waar al voor de 17de eeuw de watermolen stond van de heerlijkheid Opprebais, aangeduid als ‘Cense de Moulin’. Die is in 1834 nog eigendom van Hertog Louis Prosper van Arenberg (!) en staat in 1909 nog vermeld met de ‘SA Carrière de Quartzite d’Opprebais’ als eigenaar. In 1920 stopt de molen maar de vijvers die de molen zijn watervoorraad moesten garanderen zijn er nog.

In de 19de eeuw bezit Opprebais nog vier molens waarvan twee worden aangedreven met water en de andere twee met wind. De ‘Moulin Gustot’, oorspronkelijk gebouwd in 1827 door een zekere Rosy met houten wieken op een stenen onderbouw, is de enige overlevende. In 1850 is hij helemaal vernieuwd door de broers en molenaars Gustot en werkt dan onafgebroken tot in 1927. In 1960 koopt een liefhebber de ruïne op om hem te restaureren. In 1991 is het geheel opnieuw aan herstelling toe en dat wordt de taak van de gemeente Incourt die de molen aankoopt in het kader van een programma van plattelandsontwikkeling. In 2012 rukt een storm een van de wieken af. 15 maanden later is deze schade hersteld waarbij het hout van de wieken plaats maakt voor gegalvaniseerd staal. Jammer genoeg is de restauratie niet volledig want om te kunnen draaien zijn er nog werken nodig.


Sinds begin 2014 is de molen beschermd als monument vanwege zijn symbolische waarde voor de streek (la Hesbaye brabançonne). De eveneens als monument geklasseerde kasteelhoeve naast de kerk is in 1440 een vooruitgeschoven fort van de Hertog van Brabant in de heerlijkheid (seigneurie) Opprebais maar als burcht van ridder Henri bestaat hij al vanaf 1245. In 1660 wordt hij de eigendom van het Huis van Arenberg. Op de ruïne van de eigenlijke burcht wordt in de 17de eeuw de hoeve gebouwd die je vandaag nog in zijn oorspronkelijke staat ziet (nu een privéwoning). Van de burcht staat alleen de Donjon staat nog ferm overeind maar die is dan ook gebouwd met stenen uit de plaatselijke steengroeve.

+++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++
+++
http://www.torpedo.be/opprebais/oude_doos/
+++
www.duiken-in-belgie.com/Duiklokatie.php?id=24
+++
www.molenechos.org/verdwenen/molen.php?nummer=6466
+++
http://www.molenechos.org/molen.php?nummer=292
www.chawavre.org/datas/20130203.pdf
+++
http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/pdf/fiche/25043-INV-0026-02
+++
https://fr.wikipedia.org/wiki/Ch%C3%A2teau-ferme_d%27Opprebais

Trefwoorden: Opprebais, Orbais, steengroeve, moulin Gustot, kasteelhoeve, geschiedenis, erfgoed,
december 2020
Ernst Guelcher
contact: ernst.guelcher (at) telenet.be

Om het oude oorlogsvliegveld Les Burettes tussen Beauvechain, Bierbeek en Meldert te verkennen heb ik gelukkig hulp gekregen van twee deskundige gidsen, Koen Herregods van Opvelp en Eddy Stas van Meldert. Zonder hen zou ik het nog altijd niet goed weten te vinden.
Les Burettes is de al heel oude naam van een tamelijk nieuwe woonwijk in Beauvechain ten oosten van de Sint Sulpiciuskerk en ten zuiden van de Rue des Anges. Die Engelenweg eindigt aan de hele mooie grote vierkantshoeve ‘La Grande Gayette’ op de splitsing met de Rue de Louvain.
De naam zie ik al op de Ferrariskaart van 1777 en de Villaretkaart van 1745 (‘aux 3 burettes’) en het kan zoiets betekenen als ‘kannetjes’ voor wijn of smeerolie dus misschien was er toen een café.
Les Burettes, een verrassing dankzij facebook. Op zoek naar herinneringen uit de Tweede Wereldoorlog maakt een lezer uit Beauvechain mij attent op ‘la Bataille des 3 Burettes’. En inderdaad is er een veldslag met die naam maar het was wel in de tijd dat er nog lang geen vliegtuigen waren maar tijdens de boerenopstand tegen de Franse bezetting.

Wikipedia: “Op 27 november 1798 verlaat een sterke Republikeinse colonne van infanterie en cavalerie Leuven en gaat een troep Waalse opstandelingen ontmoeten die in Hamme-Mille zijn gemeld. De strijd vond plaats op het kruispunt van Trois Burettes, in Beauvechain, de opstandelingen werden neergeslagen”. Daarbij zouden er tussen de 60 en 150 doden zijn gevallen.
Oorlogen volgen elkaar op omdat mensen niet leren maar hoeveel slachtoffers de Tweede Wereldoorlog in deze streek gemaakt heeft en hoeveel van hen burgers waren weet ik niet maar ik vrees dat het er nog een pak meer zullen zijn geweest als gevolg van het strategisch belang van maar liefst twee militaire vliegvelden.
Vanaf Les Burettes gaan er twee verharde veldwegen richting taalgrens. Die aan de noordkant is de Bevekomstraat, De naam van het zuidelijke baantje staat niet op de Open Street Map maar staat in de streek bekend als de Stenenkruisstraat.
Heel de vlakte is tot aan de horizon een boom- en haagloos akkerland met in het najaar bergen mais en suikerbieten maar in de verte zie je tussen die veldwegen een klein bosje en daar moeten we naar toe.

De snelste weg is langs de Bevekomstraat die je volgt tot aan een kruising. Daar sta je precies op de grens tussen Vlaanderen en Wallonië. Als je nog een stap verder zet kom je in Willebringen (Boutersem) maar inplaats daarvan ga je naar rechts in de richting van het bosje dat dus nog net op het grondgebied van Beauvechain ligt.
Als je links zou gaan kom je aan het natuurgebied de Hazenberg van Natuurpunt en het Remmelenbos en -veld. Beiden zijn belangrijk voor dit verhaal maar dat komt nog ter sprake.
De veldweg richting bosje is niet verhard maar het zal je opvallen dat aan de rand een hele rij brokken beton ligt met hier en daar een bloempje ertussen en overal afval van allerlei aard. Dat beton is het opgebroken restant van een landingsbaan van het vliegveld Les Burettes dat tijdens de tweede wereldoorlog door de Duitse luchtmacht gebruikt werd samen met het terrein van de huidige luchtmachtbasis Le Culot een beetje naar het zuidoosten bij Beauvechain-La Bruyère.
Beide bases werden als een kleine hulpvliegvelden in 1936 ingericht door de Belgische Luchtmacht in het kader van de verdediging tegen een mogelijke Duitse inval.

De eerste was die waar je nu staat, op het Sint-Ermelindusveld (Epine Ste-Ermeline) tussen Meldert en Beauvechain. De tweede was en is nog altijd die aan de Ferme l’Espinette nabij de Chaussée de Wavre in La Bruyère en kreeg de naam ‘Le Culot’.
Hoe het eerste vliegveld er precies heeft uitgezien kan je op het terrein niet meer goed zien maar met behulp van de bijgevoegde kaarten en een luchtfoto kan je toch een idee van krijgen.
Op de topografische kaart van 1939 staat het vliegveld er nog helemaal niet op. Op de kaart van 1969 zijn er nog enkel een paar aanduidingen en op latere kaarten verdwijnt het helemaal, blijkbaar vooral omdat de boeren alles wat na de oorlog nog boven de grond uitstak hebben opgebroken om hun akkers te kunnen gebruiken. Maar als ik het goed begrijp moet het zowat het hele terrein tussen het Remmelenbos en Meldert in beslag hebben genomen.
Dat er om de vliegbases van Beauvechain zwaar gevochten is in de Tweede Wereldoorlog zullen de oudere mensen in de streek nog wel weten.

Het bosje dat je op de foto’s ziet werd in 1936 aangeduid als “Les Burettes”. Na het begin van de oorlog wordt er naar verwezen als ‘Le Culot-East’ en ‘Y-10’.
Voor de voorgeschiedenis en het oorlogsgebeuren haal ik er de tekst bij die Eddy Stas voor Natuurpunt schreef in het kader van de Ruilverkaveling van Willebringen: “Na de economisch goede en voorspoedige jaren twintig, voorspelden de jaren dertig van vorige eeuw weinig goeds. Hitler was aan de macht gekomen in Duitsland en keek begerig richting Frankrijk, België , Nederland, Luxemburg en de rest van West Europa.
Het was bang afwachten in het kleine België. Alhoewel de Belgische generale staven qua oorlogsstrategie nog erg veel aanleunden bij een statische oorlogsvoering met forten en zwaar bewapende linies net zoals de Franse en Engelse staven trouwens, bleven ook zij niet geheel blind voor de realiteit. Veel te laat zo zou blijken.
Met een regelmaat van een klok werd het Belgische luchtruim overvlogen door Duitse verkenningsvliegtuigen. Een interceptie van deze moderne vliegtuigen was allerminst evident voor onze luchtmacht die slechts over verouderde toestellen beschikte die geeneens zo snel en zo hoog konden vliegen. Met de introductie van de Hawker Hurricane kwam hierin verandering en konden ook onze toestellen deze Duitse spionagetoestellen onderscheppen. Niet zonder gevaar zo moet blijken uit een aantal verslagen.

De Belgische generale staf was er uiteraard van overtuigd dat de positie van onze vliegvelden (zoals Goetsenhoven) nu wel erg goed bekend waren bij de vijand en bedacht een plan waarbij in het geheim noodvliegvelden werden opgericht waar bij de eerste uitbraak van de oorlog onze operationele toestellen naar toe zouden kunnen vluchten om op die manier aan vernietiging op de grond door een bombardement te ontsnappen.
Er werd daarom in wijde omgeving gezocht naar terreinen die hiervoor in aanmerking kwamen. Eigenaardig genoeg werden op het plateau van Bevekom twee verschillende hulpvliegvelden opgericht. Ongeveer in het verlengde van elkaar en op erg korte afstand van elkaar. Het eerste vliegveld werd opgericht ter hoogte van het gehucht “le culot” tussen La Bruyere en Beauvechain, een tweede werd opgericht tussen Beauvechain en Honsem en Meldert, ter hoogte van het gehucht ‘les Burettes’.
Deze vliegvelden waren niet meer dan een grasstrook die mooi geïntegreerd werd in de omliggende landbouwpercelen , kwestie om niet op te vallen vanuit de lucht. Om de nodige camouflage te voorzien ‘in geval van’ werden er bosjes en groene stroken voorzien onder dewelke de vliegtuigen en ander materiaal konden verscholen worden in tijd van oorlog. Regelmatig werden deze vliegvelden gebruikt tijdens oefeningen en vooral tijdens de vele alarmen die er werden geslagen. …

De start tot uitbouw van deze vliegvelden werd reeds gegeven in de late jaren 30. Rond 1935 werden de vliegvelden van “Le Culot” en “ Les Burettes” ingericht en in gebruik genomen. De keuze van deze locaties was niet geheel onschuldig. Het terrein was erg open en zonder al te vele obstakels, bovendien waren de vliegvelden erg goed bereikbaar door een druk netwerk van wegen; De centrale ligging, in het midden van het land tussen de belangrijkste Belgische steden, was ideaal. De uitbouw van deze vliegvelden begon rond 1934 en werd voltooid tijdens de mobilisatie in 1938 en 1939.
Het huidige vliegveld “le culot” noemde gewoon terrein nr 25 en “les burettes” gewoon terrein nr 21; Voor de aanleg van deze vliegvelden moesten soms erg historisch waardevolle artefacten verdwijnen. Zo moest de Ermelindis boom verdwijnen.
Ter verdediging van de oprukkende vijandige troepen werd er ook een antitank linie opgetrokken. Deze linie bestond uit zogenaamde “cointet” elementen. Dit waren metalen obstakels die de doortocht van vijandige tanks moesten vertragen of voorkomen. Zij maakten deel uit van de zogenaamde KW-linie (Koningshooikt-waver linie). Resten hiervan vind je nog steeds in de weidse omgeving.”

Tijdens de Belgische mobilisatie bezochten de 1/I/2 (Gloster Gladiator) en 2/1/2 (Hawker Hurricane) het vliegveld. “In geval van aanval zouden de elf Hawker Hurricane toestellen van Schaffen zich naar Les Burettes begeven. Ook de vijftien Gloster Gladiators van dezelfde basis zouden volgen. Op 10 mei 1940 werd Schaffen daadwerkelijk gebombardeerd. Slechts twee Hawker Hurricanes en twaalf Gloster Gladiators konden ontsnappen en landen op Les Burettes.
Op 10 mei 1940 begon de tweede wereldoorlog voor België…. Schaffen werd gebombardeerd , slechts 2 Hawker Hurricane en 12 Gloster Gladiator konden ontsnappen en landen veilig op “les Burettes”.
Later op de dag kwam er nog een derde herstelde Hawker vanuit Schaffen toe op het vliegveld. Waren de Belgische toestellen aan het ergste ontsnapt en was hun positie ongekend voor de vijand? Op 11 mei iets na de noen kwamen Duitse jagers de klein plein bestoken. De verwoesting was groot. Bijna alle vliegtuigen waren vernield… later in de namiddag kwamen de Duitsers terug en werden ook de laatste resterende vliegtuigen vernield.”


Op 14 mei 1940 wordt de streek door de Duitse troepen bezet op en p 17 mei landen de eerste Me 109 E gevechtsvliegtuigen van het Luftwaffe-eskader III/JG 26 op” les burettes”. De bevelhebber van deze eenheid was Gotthard Handrick, atleet met gouden medaille penhatlon Olympische spelen 1936.(https://en.wikipedia.org/wiki/Jagdgeschwader_26 en http://en.wikipedia.org/wiki/Gotthard_Handrick).
Die eenheid verbleef op Les Burettes tot 27 mei 1940 maar koos, gezien de betere bodemgesteldheid, voor de uitbouw van La Bruyère (ook “Le Culot” genoemd, naar de plaatsnaam). Les Burettes bleef gebruikt als schijnvliegveld,
Eigenaardig genoeg werden alle installaties en infrastructuur onderhouden, maar niet gebruikt. Eddy Stas: “Er hing een vreemde zweem van geheimzinnigheid rond het vliegveld van ‘ les burettes’. In juli 1942 werd het vliegveld ‘bezet’ door houten junker 188 vliegtuigen, vermoedelijk als afleidingsmanoeuvre voor het nabijgelegen operationele vliegveld. Er werden obstakels voorzien op de landingspiste, dit om mogelijke landingen van vijandelijke vliegtuigen en commandoaanvallen te verijdelen. Als obstakel gebruikten de Duitse troepen gerecupereerde Belgische cointet elementen en Friese ruiters. De camouflage werd geperfectioneerd en verder uitgebouwd. In 1942 werden er 3 vliegtuighangars gebouwd en tegen de Waverse Steenweg kwamen 7 gecamoufleerde gebouwen, tegenover het vliegveld kwam een reserve van brandstof bedoeld voor de bevoorrading van de lokale bezetter .


Vanaf datzelfde jaar werden er regelmatig een paar nachtjagers van II./NJG 1 gestationeerd. Omdat de Duitse bezetter steeds meer en meer problemen kreeg met bombardementen door geallieerde vliegtuigen ontwikkelden de Duitsers een antwoord hierop. Omdat de geallieerde bommenwerpers steeds beter en beter bewapend werden was het niet meer evident om tijdens de dag deze toestellen aan te vallen. Door de ontwikkeling en perfectionering van de radar ontwikkelde de Duitse oorlogsindustrie de ‘nachtjager’. Deze maakte zoals de naam reeds vermeld gebruik van de nacht. In het donker en met behulp van de radar konden de Duitse nachtjagers ongemerkt naderbij sluipen en de geallieerde vliegtuigen aanvallen en vernietigen.
In de lente van 1944 werd de luchtmachtbasis “ le culot” zwaar beschadigd door geallieerde bombardementen. Onmiddellijk werd het zuster vliegveld van ‘les burettes’ dat niet beschadigd werd in gebruik genomen. Tijdens en na het bombardement van ‘le culot’ in de lente van 1944 werd het vliegveld dus gebruikt als operationele basis door de eenheden die niet meer van ‘le culot’ konden opereren. Er werden betonnen taxi banen aangelegd en verschillende schuilplaatsen voor vliegtuigen. Delen van deze banen bestaan nog steeds. … Tot half augustus 1944 bleven de Duitse nachtjagers en bombardementsvliegtuigen op beide vliegvelden gestationeerd. Vanaf half augustus (18 augustus) werden deze eenheden om tactische redenen teruggetrokken en vervangen door snelle gevechtsvliegtuigen van I/SKG.10 met FW 190A gevechtsvliegtuigen

Op 6 september 1944 werden Beauvechain en Meldert bevrijd door het 82ste regiment van de 2de geblindeerde divisie van het Amerikaanse leger. In het verslag van deze eenheid lezen we dat ze hun opmars startten vanuit hanne nille? Vermoedelijk Hamme Mille richting Beauvechain. Lichte gepantserde verkenningseenheden kwamen al vrij snel in Beauvechain. Voorzichtig trokken ze verder op richting opwelp? Opvelp allicht, maar de Duitse troepen gelegerd in de omgeving van Beauvechain waren nog niet geheel teruggetrokken.
Het kwam tot een handgemeen met twee mitrailleurnesten op de weg Bevekom Opvelp. Twee Duitse soldaten sneuvelden hier. Ook te Meldert sneuvelde een Duitse soldaat in een mitrailleurnest gelegen aan de Waverse Steenweg. Deze stelling bevond zich … amper 50 meter hogerop van de afslag van de Bosbergstraat. Een lichte Amerikaanse tank vuurde richting mitrailleurnest en raakte een betonnen elektriciteitspaal . De betonnen stomp steekt nog steeds in de grond…. De Amerikanen trokken zich snel terug en gaven de Duitse soldaten de kans om zich terug te trekken. Twee Duitse soldaten werden voorlopig begraven op de Meldertse begraafplaats. Later werden ze overgebracht naar de Duitse militaire begraafplaats van Lommel.
Ondertussen hadden de Duitsers het vliegveld met mijnen bezaaid”. Koen Herregods voegt hieraan toe: in de ochtend van 3 september 1944 gaan de soldaten rond in Opvelp om de dorpelingen in een straal van drie kilometer aan te raden om hun ramen te openen en de omgeving te verlaten. In de namiddag weerklinken een twintigtal explosies en daarna verlaten de troepen de streek met al de mogelijke transportmiddelen.
Opnieuw Eddy Stas: “Het vliegveld was grotendeels onbruikbaar voor de geallieerden, ook al omdat de startbaan uit gras bestond. Het 846ste en 852ste ‘engineer aviation battallion’ herstelden en maakten “’Les Burette’ nu Y-10 of le Culot East terug operationeel. Herstel en constructiewerken starten op 05 oktober 1944 en werden uitgevoerd door 846 EAB en op 18 oktober van datzelfde jaar startte 852 EAB aan de werken aan de landingsbaan. Het was een landingsbaan van 3600 feet ofwel 1097,28 meter die parallel liep met het huidige Beauvechainbos op de oude Duitse piste. Er werd tevens een parallelle taxibaan aangelegd en een aantal standplaatsen voor vliegtuigen. Er werden tenten opgezet waarin het personeel kon schuilen slapen eten enz.

Er was geen brandstofdepot, alles werd aangevoerd met tankwagens. Er werd een kleine controletoren gebouwd die tot in onze tijd in het midden van een akker stond en toen door een landbouwer afgebroken werd. Op 26 oktober 1944 was het vliegveld terug operationeel verklaard en op 02 november waren de werken afgelopen. Reeds na enige dagen moest 852 EAB opnieuw een compagnie sturen naar le Culot East…..de landingsbaan voldeed niet voor intensief gebruik..
De eerste gevechtsvliegtuigen die op het vliegveld toekwamen op 29/10/1944 waren van het 160 TRS ( 363 TRG) . Het waren verkenningsvliegtuigen van het type F-6 Mustang
Op 31/10/1944 lande het 161 TRS eveneens met F-6 Mustang. Op 30/10/1944 landen de F-5 lightning vliegtuigen van het 155 PRS en op 05/11/1944 landde het 33 PRS eveneens met F-5 lightning. Er werden nu F-6 (mustang) en F-5 (lightning) gevechts- en verkenningsvliegtuigen gestationeerd. Tijdens de slag om de Ardennen werden deze toestellen massaal ingezet. Velen vertrokken van op deze grond en kwamen nooit meer terug….. De laatste eenheden verlieten Y-10 op 11/03/1945”.
Tot zover Eddy’s relaas. Op nieuwjaarsochtend 1945, na de bevrijding, viel de Duitse Luftwaffe voor het laatst massaal vliegvelden in België en Nederland aan. Honderden vliegtuigen op zestien vliegvelden werden vernield. De eenheid JG4 diende met 18 toestellen Le Culot en Les Burettes te bombarderen maar ze raakte boven de Ardennen de richting kwijt, vooral omdat de piloten jong en onervaren waren.

Sommige toestellen belandden boven Sint-Truiden, andere vlogen door naar Melsbroek, waar er vijf uit de lucht werden geschoten. In februari 1946 werd de status als vliegveld definitief opgeheven en werd de landbouwactiviteit hervat.
Blijkbaar waren er nooit meer dan zo’n dertig tot veertig vliegtuigen tegelijk gestationeerd. Op 23 oktober 1940 om 16.23 landt Adolf Hitler op Les Burettes op weg naar een ontmoeting met Franco.
Maar blijkbaar hielp al dat camoufleren en verstoppen wel want deze basis is nooit gebombardeerd door de geallieerden en al die banen zijn lang bewaard gebleven en zijn er voor een groot deel nog altijd. Er zijn oude foto’s maar blijkbaar mogen die nog altijd niet publiek verspreid worden wegens ‘geheim’ of ‘copyright’ dus ik moet het aan je verbeelding overlaten.
Met behulp van de kaart kan je die banen ook volgen op je wandeling en een aantal maken trouwens deel uit van het plaatselijk wandelnetwerk.
In het vervolg van deze tekst vertel ik vooral wat je er nog allemaal van ziet maar onderdelen van vliegtuigen zijn daar niet bij. En daarbij ga ik ook na waarom Natuurpunt zich inzet voor het behoud van dit natuurerfgoed.
Vandaag liggen de velden er vredig en verlaten bij en dat geldt ook voor het weggetje naar het bosje. Op de kaart zie ik dat die weg in 1936 speciaal is aangelegd voor het vliegveld op het traject tussen het Remmelenbos en Les Burettes en aangezien hij vandaag op de Open Street Map staat en naar ik aanneem op het terrein dus al sinds 1945 vrij toegankelijk is, denk ik niet dat je er niet zou mogen komen zolang je geen verstoring teweegbrengt.

Ik schenk hier aandacht aan omdat er verhalen zijn over ontmoetingen met de boze eigenaar van dit bos die beweert dat alles met wegen en al van hem is en ‘dus’ verboden toegang.
Aan het begin van het noordelijke bosdeel staat wel een bordje verboden toegang bij een duidelijk afgebakend privé-perceel met een houtstapel dus daar blijf je beter weg denk ik.
Het weggetje loopt dood in het zuidelijke deel van het bos en eigenlijk is er niets zomaar te zien behalve overal nogal wat overgroeide landbouwafval (vaten, plastiek, resten van voertuigen, banden, steenslag maar ook hopen gebroken eternietplaten). Veel van dat afval is biologisch niet afbreekbaar en gevaarlijk voor het milieu. Dat eterniet bevat ongetwijfeld nog asbest.
Omdat ik niet moet weten van privé-vuilstorten in de natuur vind ik dat er voor de milieudienst van de gemeente Beauvechain een uitdaging is om de eigenaar daarop aan te spreken. Ondertussen heeft die dienst laten weten dat ze ‘op de hoogte’ zijn maar aangezien het terrein privé is het moeilijk is om de vervuiling officieel te laten ‘vaststellen’ maar ze beloven dat ze het dossier zullen opvolgen. Dat doet mij denken dat er wel nog wat burgerprotest zal nodig zijn om het stort te laten opruimen.

Sporen van vliegtuigen of gebouwtjes zie je nergens maar zoals we al weten hebben de Duitsers bij hun vertrek alles wat er was aan bovengrondse infrastructuur verwoest.
Het echte geheim ontdek je door even een klein paadje te volgen tot tussen de donkere schaduw van de bomen. Dan besef je dat er hier inderdaad vroeger iets is geweest dat je in je in een gewoon bos niet verwacht. Plotseling verdwijnt alle wilde begroeiing en sta je op een soort bebladerde ‘dansvloer’. Zo’n vlakke bosbodem heb ik nooit gezien. Of er onder die bladeren beton ligt kan ik niet zeggen want ik ben niet beginnen graven maar ik denk het wel, anders had de boer het wel in beslag genomen.
Maar het is echt wel een ervaring om te beleven wat de natuur doet met mensenwerk als de mensen zich terugtrekken en de zaak onbeheerd achter laten. Binnen de kortst mogelijke tijd kruipen de bomen door ieder gaatje of spleetje naar buiten en maken van een verharde vlakte een natuurbos. En omdat dit blijkbaar al aan de gang is sinds 1945 zijn de bomen ondertussen ook al wel flink opgegroeid, hoewel hier en daar met vreemde vormen en nogal wat dood hout dat in het rond ligt. Hier komen alleen nog herten en jagers ook wel denk ik.

Dankzij Koen Herregods van Opvelp die heel het dossier al een tijd bestudeert weet ik ondertussen dat dit bosje de in feite geen vliegtuigen herbergde maar dat het de kampplaats was voor de bemanningen en dat er van alles gestaan moet hebben waarvan je nu niets meer ziet. Er moet ook een munitieopslagbunker geweest zijn en ik lees dat er zelfs een nep-begraafplaats was om het geheel te camoufleren.
Het vliegveld zelf was aan de zuidkant van dit bosje en strekte zich uit zover je kan zien op deze vlakte tot aan de bomen op de horizon.
Alles aan de noordkant tot het Remmelenveld en in het oosten tot in Meldert diende om vliegtuigen te kunnen verplaatsen en te kunnen verbergen. Aan die zuidkant is niets meer te zien maar van de noordkant heb ik ondertussen wat foto’s. Ik lees dat de betonbanen niet gefundeerd waren maar gewoon op de grond gelegd werden. Op die manier kostte het minder tijd en moeite om ze weer te herstellen na een bombardement. Om diezelfde reden bestonden sommige pistes blijkbaar gewoon uit op de grond gelegde stalen rasters.

Op sommige open plekken in het bosje groeien massa’s bramen hoog op en na een tijdje begin je te vermoeden dat je hier misschien naar ‘avioles’ kijkt, dat zijn aarden of betonnen wallen die de Duitsers als een soort open bunkers (zonder dak) opwierpen om hun vliegtuigen en bunkers te beschermen tegen de luchtdruk van exploderende afgeworpen bommen of. Over die avioles ga ik het nog uitgebreid hebben.
Op het einde van hun verblijf zouden ze ook structuren hebben opgericht om de geallieerden te beletten om op het vliegveld te landen maar die zijn niet meer te zien. Op een paar plaatsen kom ik diepe kuilen tegen waarvan ik vermoed dat het bomkraters zijn. Maar ook daar groeien de bomen ondertussen welig. Tussen de bomen ligt geen afval en eigenlijk is het een bijzondere natuurbeleving, zij het op kleine schaal want het bosje is maar klein.

Ik pleit er voor om dit perceel te beschermen als erfgoed en er verder niet te veel aan te doen. Van mijn gidsen hoor ik ondertussen dat de Duitse vliegtuigen van hieruit in het begin van de oorlog Nederland bombardeerden (Rotterdam?) en later deelnamen aan de bombardementen op Londen. Dat was de afstand die gevechtsvliegtuigen van die tijd juist op en neer konden vliegen. Dankzij Koen kan ik je nu ook twee kaartjes laten zien waar je kan zien waar die basis precies was. Ik begin mij af te vragen of er aan dit bosje eigenlijk niet een gedenkteken zou moeten staan. Wat denk jij daarvan?
Om op missie te vertrekken stegen de vliegtuigen op vanuit het gras of vanaf stalen roosters op de bodem. Beton kwam er zelfs niet aan pas. Aan de noord- en oostkant liggen (of lagen) er betonbanen tot aan de Hazenberg in Opvelp en het kapelletje aan de Stenenkruisstraat in Meldert. Dat beton was niet gefundeerd en is op veel plaatsen opgeruimd door de boeren (en het ijzerwerk is door hen hergebruikt als afrastering) maar er is toch nog veel van overgebleven en zichtbaar op het terrein als je het weet zijn.

Tussen Les Burettes en het Remmelenbos bevindt zich nog een van de twee laatst overgebleven zichtbare ‘avioles’. Op de foto zie je naast een overduidelijke piste nog de wallen, veel steenslag en alweer veel afval. Het zijn gewoon plekken om de vliegtuigen te verstoppen en te beschermen met aarden wallen en een camouflagenet als dak. Er moeten er heel veel geweest zijn en wijd verspreid over het terrein om aanvallers te misleiden en om te voorkomen dat bij een bombardement meerdere geparkeerde vliegtuigen tegelijk konden worden bestookt. En zoals gezegd werden er ook houten namaakvliegtuigen aangevoerd om voor nog meer misleiding te zorgen. Alle nadruk lag op de misleiding zoals het zetten van namaakgebouwen, kleureffecten in het landschap en dus ook een namaak begraafplaats om een munitie-opslagplaats in het bosje van Les Burettes te verbergen.

Vanaf hier vervolg ik deze tocht langs overgroeide taxibanen en puinhopen naar Opvelp om opnieuw foto’s te maken van zaken die er ooit waren maar die je als gewone bezoeker niet meer ziet. Erg fotogeniek is dat niet maar samen met het verhaal heb je er misschien toch iets aan.
In Opvelp ken je natuurlijk het natuurgebied De Hazenberg van Natuurpunt waar in het najaar de orchideeën onder de paddenstoelen, de Wasplaatjes, in bloei zouden moeten staan.

Vlak ten westen daarvan zie je op de kaart het Remmelenbos en het Remmelenveld. Op het terrein staat een torenhoge radiomast en daar moeten we heen. Het bos is privé en stond in Opvelp vele jaren bekend om zijn boze eigenaar die mogelijke indringers luidruchtig bedreigde met zijn jachtgeweer en zijn gebied volkomen ontoegankelijk maakte met alle mogelijke hekken, andere obstakels en verbodsborden.
Ik hoor dat niet lang geleden het terrein is overgenomen door de eigenaar van de vierkantshoeve Berkenhof. Die komt zeker niet af met bedreigingen maar de versperringen zijn er niet minder door geworden. Het goede nieuws is wel dat tegenwoordig vanaf de Hazenberg het paadje aan de noordkant langs de bosrand open en toegankelijk is en dat is een flinke uitbreiding van de officiële Holle Wegen wandeling in dit gebied.
Op weg naar het bos kom je bij een bordje nog een grote geheimzinnige steen in de grond tegen waarvan ik de betekenis nog niet ken.

In het bos legden de Duitsers – vooral rond 1943 – verschillende vliegtuigparkings aan en in het veld moeten er ondergrondse werkplaatsen geweest zijn. Aan het einde van de oorlog is dat allemaal vernield en sinds 2011 is alles wat nog aan fundamenten zichtbaar was (blokken beton) met dikke lagen grond bedekt om opnieuw landbouw mogelijk te maken.
Het enige wat je nu nog ziet zijn drie gebetonneerde stroken waarvan één in het bos (en dus niet toegankelijk) en twee op het pad.
Bij dit verhaal hoort nog een anecdote (met dank aan lezer Pieter Evers): “op het moment dat de Amerikaanse tanks binnenrolden in Opvelp de laatste SS ers achterhoede te paard wegtrok (en nog een man doodschoten die al de Belgische driekleur had uitgehangen) waren de schelmen boerkes van Opvelp al met hun paard op het vliegplein om de draad weg te halen (in rollen om later als omheining te gebruiken) en het hout uit de geschutsputten. Daarna kwam de Belgische overheid rond om de rollen te tellen want de boerkes moesten … betalen … en dus gingen die dan die rollen verstoppen …”.

Er bestaan zelfs nog foto’s van zulke rollen ‘pleindraad’ (in het Opvelps: “Plaandrood”) maar die heb ik nog niet gezien. Pieter vertelt erbij dat tijdens de oorlog de boeren dikwijls met hun paarden werden opgevorderd om te gaan werken en dan van alles meepikten zoals werktuigen en cement en dat er veel gebouwd werd in Opvelp in die tijd. Misschien zijn er lezers die ook nog herinneringen hebben in dezelfde richting?
Eddy Stas heeft me meegenomen naar de Melderse kant van het oude oorlogsvliegveld. Eddy staat bekend als dé grote kenner van heel deze site en nu ik hem heb ontmoet denk ik dat dit terecht is. Omdat dit deel van de site op Vlaams grondgebied ligt is zijn de resten ervan het meest van belang voor Natuurpunt.

Daarover ga ik het nog hebben maar we zien we toch al een heel gezelschap zilverreigers die hier blijkbaar alle jaren in deze tijd verblijven hoewel er helemaal geen water te zien is. Eddy vertelt me dat ondanks de kaalheid van deze agro-industriële akkers er altijd zeer veel trekvogels gezien worden, waaronder ook ooievaars. Kraaien vliegen natuurlijk overal rond maar in de lucht cirkelt ook een kiekendief en vliegt een sperwer uit het aviole-bosje op waarnaar we op weg zijn.
Langs een statig kasteel met ijzeren hek en de al even statige vierkantshoeve Hof Ter Meren komen we langs een charmant privé-bijenhotel aan de winterlinde op de kruising tussen de Stenenkruisstraat en de Overhemstraat. Die is de oudste en dikste van Meldert en staat om die reden samen met het nieuw gerestaureerd OLV kapelletje op de erfgoedlijst en wordt daar geprezen worden om zijn speciale vorm. Eigenlijk ziet hij er afschuwelijk toegetakeld uit als een ondeskundige gesnoeide knotwilg maar er staat wel een leuk bankje voor.
Het is een wonder dat zo’n boom waarvan de dikke takken zo afgezaagd zijn (gekandelaard heet dat, dat wordt dikwijls bij stadsbomen gedaan in te smalle straten) toch een leeftijd van meer dan 350 jaar heeft kunnen bereiken.

Het kapelletje werd in 1809 gezet door dankbare ouders van een pasgeboren gezond kind. Begin jaren 80 van de vorige eeuw werd het omver gereden tijdens de suikerbietenoogst en nadien in met moderne materialen terug opgebouwd. Eddy vertelt me dat hier in de buurt ook nog de resten zijn gevonden van een Romeinse villa waarvan de contouren terug zichtbaar gemaakt zullen worden met een groenbeplanting.
Op die Stenenkruisstraat kom ik nog terug omdat daarlangs stukken taxibaan behouden zullen blijven maar eerst gaan we naar het noorden richting Bevekomstraat. Op de kaart zie je daar nog een reeksje van vier knobbels in het landschap, allemaal resten van de vroegere avioles ofwel de bunkers voor de Duitse gevechtsvliegtuigen. Onderweg kom je nog op een paar plaatsen stroken tegen die bij nader inzien oude taxibanen zijn waar hier en daar het beton nog doorschemert.
Aan een bord met een gele affiche met de bekendmaking van een ‘beslissing van een omgevingsvergunning’ staan we bij een aan zijn U-vorm nog helemaal herkenbare Aviole die in het kader van de ruiverkaveling van Willebringen zal gerestaureerd worden en voorzien worden van de nodige uitleg en zelfs een namaakvliegtuig tussen de wallen. Voorlopig ziet hij er echter nog uit als al de andere overblijfselen van de site: begroeid, verwaarloosd en met afval bezaaid hoewel Eddy me vertelt dat er al veel zou zijn opgeruimd.

Het roept bij mij opnieuw de vraag op waarom er al die jaren op deze reusachtige oorlogssite nooit gedenktekens zijn geplaatst.
Is het omdat hij aan beide zijden van de taalgrens ligt en er geen overschrijdend en zelfs geen intergemeentelijk overleg is (de afwezigheid daarvan valt op)?
Is het omdat de boeren op deze verder haag- en boomloze agro-industriële vlakte eigenlijk vooral en hardnekkig willen dat heel dit zaakje wordt opgekraamd en dat ook overal aan het doen zijn met hun grote machines als er even niet wordt opgelet?
Is het omdat in het begin van de oorlog alles (beter: het weinige) wat er in deze omgeving was aan slecht voorbereide Belgische luchtmacht door de Duitsers is weggebombardeerd en men liever daar niet aan herinnerd wordt?
De precieze restauratieplannen heb ik nog niet gezien maar blijkbaar werkt er een bureau aan een project waarbij ook aandacht zal worden besteed aan de vliegtuigen die hier gestaan hebben. Ik hoop dat ze er ook een gedetailleerd plan zullen bijvoegen van al die pistes en opslagplekken die er hier geweest zijn en gedeeltelijk nog zijn en waarvoor het allemaal gediend heeft, want tot zover heb ik er zelf toch nog maar vaag zicht op.
Op deze aviole komen we toch iets konkreets tegen in de vorm van een groot blok beton met een ijzeren bevestigingsmechanisme. Waarvoor het gediend heeft staat er niet bij. Misschien maakte men de vleugels van de vliegtuigen hieraan vast om te zorgen dat de wind er geen vat op zou krijgen? Misschien hoorde er een lier bij om de toestellen uit de bunker te trekken?

Ook deze aviole heeft een vloer van beton maar ondertussen vertelt weer iemand mij dat in de tijd van de Duitsers er nog gewerkt werd met vloeren van aangestampte aarde en dat de betonnering pas nadien door de geallieerden is aangebracht. Wie kan zeggen wat de juiste toedracht is? Al de rest van mijn verzameld materiaal spreekt dit tegen maar dat zegt niets want de een schrijft het over van de ander heb ik zo de indruk.
In de verte zien we nog andere avioles. Even denken we dat er jagers bij staan en dat het dus niet verstandig is om er naar toe te gaan maar dan blijkt het te gaan om reusachtige vogelverschrikkers en daar hoeven wij ons niets van aan te trekken. Wat er hier voor jagers te beleven is versta ik eigenlijk niet maar blijkbaar worden er nog elk jaar fazanten uitgezet ondanks het verbod om dat te doen.
Van hier verkennen we de aviole die op termijn in beheer zal komen van Natuurpunt als gevolg van de besluiten over de ruilverkaveling van Willebringen als een eiland van natuur op deze verder boom- en haagloze akkervlakte.

Voorlopig is het nog een wild bosje in het landschap. Pas als je tussen de wildgroeiende struiken doordringt zie je aarden wallen opduiken in de voor dit soort vliegtuigbunkers kenmerkende U-vorm. Deze aviole is nog helemaal in zijn geheel, er is in al die jaren zelfs geen stukje van afgegraven.
Wanneer het natuurbeheer zal beginnen weet ik niet en voorlopig ziet het er nog niet als topnatuur uit. Op veel plaatsen ligt de gebruikelijk afval en groen bemoste stukken beton schemeren onder de takken door. Drukbezocht is de plek niet maar het jagershutje is toch nog niet vervallen. Er rond staan kooien rond waarvan we vermoeden dat die nog wel eens gebruikt zouden kunnen zijn om ondanks het verbod kraaien te lokken of om er uit te zetten fazanten in te bewaren want konijnen zal je op deze plek toch niet willen houden denken we. Een verroeste jagersladder lijkt te vergroeien met de boom waar hij tegen staat.
Plotseling stuiten we op een opvallend groot hol in een van de wallen. Dat moet van een das zijn maar er zijn geen poot- of andere sporen te zien dus de bewoner is er kennelijk niet meer. Maar dat opent uiteraard vooruitzichten op een echte dassenburcht.

Wat heeft zo’n oude bunker met natuur te doen? Ik laat Natuurpunt aan het woord: “In dit uitgestrekte plateau waren deze oude bunkers, graften en betonstroken jarenlang braakgrond, sommige evolueerde tot ruige stroken, andere tot kleine struwelen. En net deze zaken maken het verschil in deze grote uitgestrekte plateaus. Deze natuuroases geven de sterk bedreigde akkervogels een vaste broedstek. Dat het niet goed gaat met de akkerfauna is geen eufemisme. Met een achteruitgang van meer dan 80 tot 90 % verdwijnen de akkervogels zoals veldleeuweriken, geelgorzen, grauwe gorzen, patrijzen en kiekendieven als sneeuw voor de zon. Naast het aanbieden van graan voor gorzen en tijdelijke natuur infractructuur met beheerovereenkomsten is er ook nood aan een vaste natuurinfrastructuur. Doornstruwelen voor de gorzen als ideaal zangpost of schuiloord als de jagende kiekendieven op strooptocht is. Deze stroken krijgen ook een belangrijke rust functie… daar waar dit plateau jaren lang enkel werd ontsloten door trage wegen zijn deze vervangen door betonwegen, hierdoor zijn rustgebieden en belangrijk aandachtspunt voor deze grondbroeders en de akkerfauna. Dit noemen we vaste natuurinfrastructuur en dit kan op deze plaats met een knipoog naar het verleden door deze stroken en oude beton te verbinden, niet als oorlogsinfrastructuur maar als natuurinfrastructuur.”

Stilaan kom ik aan het einde van mijn verkenning van dit oude oorlogsvliegveld. Vanaf de voor Natuurpunt bestemde ‘aviole’ gaan we terug langs het centrale kampement van deze basis, nu het bosje waarover ik het al had.
Terwijl we langs het puin van een vroegere piste stappen davert er een F-16 over ons heen voor een ‘stop-and-go’ trainingsvlucht naar de basis van Beauvechain. De militaire technologie is toch wel veel veranderd sinds de tijd van de Tweede Wereldoorlog en eigenlijk vind ik dat nogal verontrustend want je moet er niet aan denken dat we met dàt soort technologie een oorlog boven Beauvechain gaan uitvechten en toch gebeurt dat sinds vele jaren in vele delen van de wereld. Het kleine ‘Marchetti’-toestel dat volgt op de F-16 ziet er toch al meer uit als die oude jagers en bommenwerpers maar het is ook alleen maar goed om te leren vliegen.
Voor de eerste keer zie ik ook een stapel ‘pleindraad’ uitsteken boven de betonbrokken, je weet wel dat ijzer dat de boeren kwamen plunderen zodra de Duitsers wegwaren. Let op de ijzeren staaf waarmee dat in de grond was vastgemaakt. Als je hier een herdenkingsbordje aan zou ophangen heb je direct het monument van deze site dat nu ontbreekt.
Eddy toont me de plaats van de startbaan op ijzeren platen die de Amerikanen bij hun komst hebben aangelegd. De commandanten vestigden zich in het kasteel van Meldert (zie de foto) terwijl de manschappen in de sneeuw mochten toekijken vanuit hun tenten in het bosje.

Om de landingsbaan te maken werd al in 1936 de eeuwenoude ‘Arbre’ van de ‘Epine Hermeline’ omgehakt. Sinds 2017 staat er een nieuwe Meidoorn maar heel vrolijk is hij niet. Dit verhaal zal ik nog een andere keer vertellen (maar zie een van de links).
Het laatste stuk van deze tocht gaat langs de aan Vlaamse kant al gebetonneerde Stenenkruisstraat richting Meldert waar het blijkbaar de bedoeling is om aan een holle weg een eindje van een piste te bewaren en opnieuw zichtbaar te maken.

Ik ben benieuwd, voorlopig is er vooral veel puin te zien en het probleem is ook dat de nieuw gebetonneerde veldweg voor een deel de piste doorkruist. Het te bewaren deel zou zich moeten bevinden op een plek waar de weg een beetje hol wordt.
Ondertussen reageert er een lezer uit de streek een beetje nijdig omdat ik ‘zijn’ landschap beschrijf als boom- en haagloos en er aan toevoeg dat het er vroeger veel charmanter en gezonder moet hebben uitgezien. Hij zegt dat het plateau al sinds de Romeinse tijd in gebruik is voor de landbouw, dat we nu eenmaal niet meer in de 19de eeuw leven en dat de landbouwmethoden gelukkig gemoderniseerd zijn.
Ik moet eerlijk zeggen dat ik het eigenlijk wel treurig vindt dat de biodiversiteit op deze plek het uitsluitend moet hebben van die paar overgebleven bultjes/bosjes en overgroeide pistes van dat vroegere oorlogsvliegveld die dan ook nog stuk voor stuk tot privé-stortplaatsen zijn gedegradeerd. Als de moderne tijd dat soort landbouw oplevert vind ik dat niet positief en ook absoluut niet duurzaam.
Er zijn ondertussen heel wat mooie en ook erg moderne alternatieven ontwikkeld om de voedselproduktie te verzekeren maar je moet daar natuurlijk voor openstaan. Gelukkig is dat op veel plaatsen het geval en tussen Beauvechain en Meldert ligt er dus een enorme uitdaging te wachten. Met deze positieve bedenking kom ik aan het einde van deze reportage maar ik neem me voor om hier nog dikwijls terug te komen.



++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++
Eddy Stas – Kleine monografie van “ le culot east” – Niet gepubliceerde tekst over Les Burettes voor Natuurpunt naar aanleiding van de Ruilverkaveling van Willebringen. Ongedateerd, na 1991.
+++
Parkeerplaatsen vliegtuigen (Opvelp) | Hangar Flying
www.hangarflying.eu › Erfgoedsites
citeert een artikel uit het Laatste Nieuws van 10 juni 2017
+++
Les Burettes – vliegveld | Luchtvaartgeschiedenis.be | Historie …
www.luchtvaartgeschiedenis.be › content › les-burettes-vli…

“LES BURETTES” EEN VERGETEN STUKJE GESCHIEDENIS …
www.natuurpunt.be › nieuws › “les-burettes”-een-verge…
+++
https://www.encyclopedie.fr/definition/burette
+++
https://fr.wikipedia.org/wiki/Combat_de_Beauvechain
Combat de Beauvechain — Wikipédia
+++
https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/130931
+++
(over de meidoorn van Sint Ermelindis)

Trefwoorden : beauvechain, tweede wereldoorlog, luftwaffe, opvelp, meldert, natuurpunt, natuurgebied, aviole, gevechtsvliegtuig, tweede wereldoorlog, erfgoed, ermelindis, afval, stort,
December 2020 – Ernst Gülcher
contact: ernst.guelcher (at) telenet.be

De aanduiding ‘Keiberg’ of ‘Cayberg’ zie ik voor het eerst op de topografische kaart van 1904 juist aan de rand van het bos op de hoogtelijn van 100m maar eigenlijk dekt de naam het hele plateau tussen Bierbeek-Mollendaal en Tourinnes-la-Grosse. Die keien zijn daar zo’n 25 miljoen jaar geleden (mioceen) achtergelaten door de grote rivier die daar in die tijd stroomde in de tijd dat het land nog veel lager lag en het klimaat veel warmer (op zijn Spaans).
De wind en de wolken zijn gebleven maar van die rivier is vandaag de Mille er nog met de Ruisseau de la Néthen en in wijder perspectief Le Train en de keien hinderen de boeren bij het ploegen van hun door het veel later tijdens de ijstijden neergedaalde leemstof vruchtbaar gemaakte akkers. En dus heet het hier Keiberg, zo simpel is dat.
Kenners van de prehistorie zoeken hier ook nog naar heel andere keien, namelijk de vuurstenen ‘artefacten’ die onze voorouders uit het stenen tijdperk hier na gebruik als afval hebben achtergelaten zoals speerpunten, bijlen en voorgevormde stenen om dierenvellen zacht te maken door de vezels te ‘schrabben’. Op je wandeling op de hierboven genoemde veldwegen kom je op het laagste punt vlak voor een hol weggetje nog door een diepte die het overblijfsel is van een ongeveer vijfduizend jaar geleden put waaruit de boeren van toen hun kalk en leem haalden als om hun zure bosakkertjes vruchtbaar te maken om gewassen te kunnen kweken.

In die tijd was dat nog niet de grootschalig en industrieel geteelde mais, de suikerbieten, de patatten en de huidige granen maar vooral groenten en vruchten om in de eigen nederzetting te kunnen overleven. Hofdieren liepen nog vrij rond en het gebruik van onkruidverdelgers en chemische meststoffen was nog niet uitgevonden. Er moeten toen heel wat meer dieren en planten geweest zijn dan nu. Misschien kweekten ze toen ook al wel vlas.
Nu ziet het er allemaal nogal kaal uit. Maar dankzij de in opkomst zijnde moderne duurzame biolandbouw-cultuur komt de natuur misschien wel weer terug. Kwestie verandering van geest en van tijd voor zover we die nog hebben denk ik.
Sinds de Middeleeuwen vielen grote delen van dit plateau onder het gezag van de Abdij van Valduc in Hamme-Mille maar in de 19de eeuw kocht de Hertog van Arenberg grote delen van dit bezit op en in de poort van de even verderop zichtbare Ferme des Biches – voor zover ik weet zowat het enige boerenbedrijf in deze omgeving aan de Franstalige kant – zie je nog een steen die daaraan herinnert. In de weekends zie je soms wel wat auto’s aan het vliegpleintje voor miniatuurvliegtuigen van de Aéroclub de Wavre.

De Keiberg, het uitgestrekt open boerenlandschap ten zuiden van het Meerdaalwoud en de Rue de Mollendael op de taalgrens tussen Bierbeek en Beauvechain biedt alle mogelijkheden voor spannende verkenningstochten.
Deze laat ik beginnen aan het einde van de Rue du Culot op de kruising met de Rue du Stocquoi in het Waalsbrabantse dorpje Mille (deel van Hamme-Mille, Beauvechain). Daar staat zowat aan de bron van de Ruisseau ‘Le Mille een robuust maar sober gebouwde kapel met de naam ‘Chapelle Notre Dame du Rond-Chêne’.
Binnen lees je dat er hier al een kapel stond in 1358 en dat in die tijd op de kruising een dikke eik (Chesne) gestaan moet hebben. Het huidige gebouw in (ooit witte maar nu vuildonkere) Gobertange kalkzandsteen in klassieke stijl dateert van 1768 en dat staat ook (met enige moeite) te lezen in een steen in de boog boven de voordeur.
Niet voor niets betekent ‘le Culot’ zoveel als ‘helemaal aan de rand’ want vanaf de 15de tot de 18de eeuw mochten de elders verdreven lepralijders uit het dorp hier hun geloof komen belijden vanuit hun ‘gesloten centrum’ met de naam ‘Cortil des Lattes’ (een met een schutting omheind terreintje) dat hier ergens in de buurt was (waarschijnlijk ten noordoosten van de kapel, maar het staat niet op de topografische kaarten die ik heb).

Zoals veel kapellen op belangrijke kruispunten was deze kapel samen met de nabijgelegen ‘Chapelle de Saint-Corneille’ een belangrijk passeerpunt voor pelgrims. Ter ere van de Heilige Maagd wordt er nog altijd elke zondag in de maand mei een rozenhoedje gebeden en op 15 augustus is er een hoogmis. Het oorspronkelijke Mariabeeld is in 1978 gestolen dus wat er nu staat is een kopie.
De kapel wordt duidelijk in ere gehouden door de buurtbewoners want er staan bloemen en een harmonium. Sinds 1994 is hij beschermd als monument. Waarom veel van de ruitjes gebroken zijn weet ik niet en waar de eik naar toe is me ook een raadsel. Er staan wel twee esdoorns maar zo’n mooie eeuwenoude kapel verdient wel een staanplaats in een kring van robuuste eiken om de al dan niet devote voorbijganger de weg te wijzen.
Ik stel voor dat er twee jonge eikjes geplant worden zodat die groot zijn tegen de tijd dat de esdoorns het laten afweten. Bovendien lijkt het mij wel een goed idee om de kapel een stuk meer ruimte te even tussen al die akkers.
Wie de eigenaar van de kapel is weet ik nog altijd niet maar het is blijkbaar niet de gemeente Beauvechain. Het probleem is dat het bouwwerk dringend een grondige onderhouds- en opknapbeurt nodig heeft.

Niet alleen dat de ruiten gebroken zijn maar aan de binnenkant zijn er barsten in de muur en problemen met het hout in het dak. Maar of er al een restauratiedossier is heb ik nog niet achterhaald.
Zelf nam ik ook nog een foto van de spits en daar zie je dat onder het kruis het zinkwerk weg is en de houten paal staat te rotten. Dat kruis gaat het niet lang meer volhouden vrees ik.
En als ze dan toch werken gaan doen is het de moeite waard om de donkere verweringslaag van de witte gobertange aan de buitenkant te verwijderen, dan komt die ook weer beter tot zijn recht.
Enkele honderden meters verder staat nog de in de 18de eeuw gebouwde vierkantshoeve ‘Ferme du Rond-Chêne’ maar of dat nu hetzelfde is als de vroegere ‘Ferme de Stakenborg’ die al in 1356 vernoemd wordt, moet ik nog uitvinden.
Op de kaart Vandermaelen van 1856 zie ik wel op die plek de aanduiding “Château Sainte Barbe” en dat verwijst ook naar een versterkte woning. De kapel ligt op de grens tussen het Hertogdom Brabant en het Prinsbisdom Luik waarvan Beauvechain in die tijd altijd een kleine enclave is gebleven (Parti du Pays de Liège).

Rond de kapel vind je infoborden over het belang van de ‘arbres isolés’ op het kruispunt van holle wegen in een open boerenlandschap en over het belang van die wegen voor de natuur.
En dit nog: ‘Stocquoi(y)’ is een oud woord voor kapvlakte waarin de wortels van de bomen nog aanwezig zijn. De kapel staat op de Ferrariskaart van 1771 samen met het sindsdien (bijna) verdwenen Bois de Stocquoy waarover ik het later op deze verkenning nog even zal hebben.
En als troost voor iedereen die altijd opnieuw problemen heeft met de juiste naam (ik verwar die met de ‘Chapelle au Chêneau’ in Longueville): op die kaart staat heel uitdrukkelijk ‘Chapelle du Rond Chêsne’ en diezelfde naam staat op de deur (zij het zonder de ouderwetse ‘s’).
Als je aan de kapel de vriendelijke herdershond (Lara) tegenkomt geef hem dan graag een aaitje want daar houdt hij van maar hij is helaas wel erg oud geworden en hoort en ziet niet meer zo goed. De eigenaar van Lara is de ook al niet meer zo jonge boer Paul Evrard van de naar hem noemende Ferme Evrard aan de kapel, een vierkantshoeve van recenter datum.

Officieel staat de kapel juist op het grondgebied van Tourinnes-la-Grosse maar in de omgeving staat het gehucht rond de kapel al sinds mensenheugenis ‘La Misère’. Die naam komt dikwijls voor op landbouwplateau’s in Wallonië en wijst waarschijnlijk naar een verleden waarin de mensen voor hun overleving afhankelijk waren van het klimaat waarin de oogst goed of slecht kon zijn. Op zulke plekken (bijvoorbeeld op het plateau van Bossut-Pécrot) zijn dikwijls kapellen en pelgrimswegen waarin en waarlangs de mensen boete konden doen voor hun zonden.
Op oude kaarten, voor de eerste keer op die van Vandermaelen van 1846, zie ik dat het eigenlijk de streek iets ten noorden van La Chapelle du rond Chêne is die ‘misère’ heet en niet het gehucht zelf. Aan de Rue Mollendaal staan op die kaart twee hoeves aangeduid als Ferme de la Petite Misère en Ferme de la Grande Misère. Vanaf de kapel zie je op het terrein de straat en een heel aantal boerderijen maar of die ‘ongeluks’-hoeves daarbij zijn moet ik nog uitvinden (of woont er een lezer in een hoeve met die naam?).
Het is van hier wel en mooi uitzicht die kant uit want aan de Rue de Mollendael (met kasseien) is er nog geen lintbebouwing en dat is zeldzaam tegenwoordig. Jammer genoeg is er een aanvraag in de maak om nieuwe stallen te mogen bouwen dus ik vrees dat er verandering op komst is.

Toch denk ik dat ‘la Misère’ aan La Chapelle du Rond Chêne vooral slaat op de leprozenkolonie en het ‘cortil des lattes’ waarbinnen die zieken moesten blijven.
Op diezelfde kaart (Vandermaelen) staan nog opvallende aanduidingen: de kapel wordt vermeld als ‘Chapelle de Notre Dame du Culot’ en de ferme du Rond Chêne heet op oude kaarten ‘Château Sainte Barbe’. Ten oosten van de hoeve ligt het Champ de Ste Barbe en aan die kant ligt ook de Ruelle Ste Barbe. In een oude toeristische tekst lees ik dat dit een eerbetoon is aan deze heilige die door haar vader onthoofd werd en de patrones is van de kanonniers, de genietroepen en de brandweerlieden. Er is veel gevochten in deze streek maar of dat er iets mee te maken heeft weet ik nog niet. ‘Culot’ betekent niet alleen ‘uithoek’ maar is ook de achterzijde (kulas) van een kanon.

De wandelaar staat er niet bij stil maar sinds 1995 is het bos-complex Meerdaalwoud aangewezen als ‘bosreservaat’ met 7 deelreservaten waarvan die in het Mollendaalbos getooid zijn met de namen ‘Pruikenmakers’, ‘Mommedeel’ en ‘Veldkant van de Renissart’. De Renissart is 19 ha groot en het ligt aan de rand van de akkers op de Keiberg ten noordoosten van de ‘Ferme des Biches’ (haal de kaart er maar bij). Je mag en kan er niet in maar vanaf de modderige dreef op de Keiberg en het padje langs en dwars door de bomen zie je dat het steil afdaalt vanaf het plateau.
Er staan vooral beuken van meer dan 100 jaar oud maar ook veel andere inheemse en uitheemse bomen waarvan sommige bijzonder zijn zoals Wilde appels. Het bosbeheerplan van 2007 spreekt ook over een perceeltje oude olmen (iepen) maar ik denk niet dat die er nu nog zijn.
Het reservaat is ook een goede biotoop voor salamanders zegt het beheerplan maar pogingen om een poel aan te leggen zijn blijkbaar mislukt omdat bij het graven de water ondoorlatende bodemlaag beschadigd is dus het water blijft niet meer staan.
Het is een ‘integraal’ reservaat, dat wil zeggen dat het bos na een ‘inleidend beheer’ voortaan aan zichzelf wordt overgelaten. Er wordt wel nog gejaagd vanaf de jachtkansels die je vanuit het veld ziet staan aan de bosrand, vooral op reeën maar tegenwoordig ook op everzwijnen, zelf met drukjachten in het bos wat ik eigenlijk geen goed idee vind met het oog op de rust in het bos maar ook op alle passanten op zoek naar een vreedzame natuurbeleving.

In het Meerdaalwoud werd het laatste everzwijn in 1957 afgeschoten maar sinds enkele jaren zijn ze terug – en zeker in dit afgelegen reservaatje dat zo lekker dicht tegen de mais gelegen is – en het voorwerp van heftige discussie tussen voor- en tegenstanders van wildbeheer door middel van afschieten (je kan ze ook vrij gemakkelijk vangen, ik heb hier al eens een vangkooi gezien).
In het bos moet nog een oude dassenburcht zijn maar ik denk niet dat die alweer bevolkt is. Tip aan de boswandelaar: hou in deze omgeving toch echt je hond aan de lijn want anders kan je wel in moeilijkheden komen want wilde varkens en honden is geen goede combinatie.
Het reservaat heeft last van de industriële boerenbedrijvigheid op het plateau want er sijpelen op grote schaal meststoffen, pesticiden en herbiciden in. Pogingen om een deel van die velden terug in het bos op te nemen zorgden enkele jaren geleden voor grote spanningen op dit deel van de taalgrens en ik denk dat er niets van komt.
De boer – ik neem aan die van la Ferme des Biches – is zelfs niet bereid om tussen de bosrand en zijn akkers de ondertussen gebruikelijke groene strook aan te houden en dat wijst op de nood aan aanvullende wetgeving om het ecologisch potentieel van het reservaat echt tot ontwikkeling te brengen. Aan de Vlaamse Mollendaalkant zijn die groenstroken er wel.

In het bos kom je ten noorden tegen het bosreservaat uit op een brede dreef. Die volg je tot op de hoek van het bos totdat je aan een bareel en een picknictafel komt. Aan de zuidkant kant kijkt je uit op Beauvechain (in de verte zie je de toren van de Sint Sulpiciuskerk), naar het noorden vertrekt een brede bosdreef naar het voormalige boswachtershuis Brise Tout van de Hertog van Arenberg met de kleine bosparking.
Het is een héél mooie beukendreef die lang nog vrij rustig was maar tegenwoordig wel is ontdekt door ruiters (die hebben wel een afgezonderd spoor) , joggers en mountainbikers en op zaterdagmorgen kan je zelfs een heel hondengezelschap tegenkomen.
Niet voor niets heet het hier op de boskaart (de omheining) ’Schoonzicht’ want tussen de hoge beuken heb je een prachtig zicht op de open vlakte. Even verder kom je aan de (omheining en bosperceel) Luikergrens wat je er opnieuw aan herinnert dat in de oude tijd hier een echte grens was, namelijk die tussen Brabant en de enclave van Beauvechain-Tourinnes van het Prinsbisdom Luik.
Tegenwoordig heeft de dreef blijkbaar geen naam meer maar op de Kaart Vandermaelen van 1846 heet hij Route de la Frontière de Liège.

De huidige taalgrens steek je over aan oosteinde van de dreef waar de picknicbank staat. Vroeger was dit het ‘Rendez-vous des Pauvres’ en nu is het de gemeentegrens van Bierbeek naar Beauvechain. Soms kan je het ook horen aan het gebrul van jagers aan de Franstalige kant. Als je mensen tegenkomt kun je altijd kiezen uit ‘goedendag’ en/of ‘bonjour’ en dat is in deze omgeving trouwens de goede gewoonte die stedelingen een beetje uit het oog hebben verloren.
De stammen van een aantal beuken langs de bosdreef lijken wel een beetje gedraaid te zijn in de lengterichting. Dit heet ‘torsie’ en je kom het vaak tegen in het Meerdaalwoud. Tot nu toe heb ik er nog geen goede verklaring over gehoord. Volgens sommigen komt het van de wind maar anderen spreken dat tegen en zeggen dat het genetisch bepaald is. Als zo’n grote beuk wordt afgezaagd komt soms plotseling aan het licht dat de reus van nu begonnen is als een bundel van wel tien kleine boompjes die in de loop der jaren tot één stam zijn vergroeid.
De dreef kan behoorlijk drassig zijn maar ook stralen in het vroege zonlicht. In de winter staan de kanten vol zwammen.
Over het boswachtershuis weet ik eigenlijk niets behalve dat het in de tijd van de hertog van Arenberg een van de vele ‘maisons de garde’ was en mooi gerestaureerd is door de huidige privé-bewoners. Maar er is dus veel meer over te zeggen en misschien is er een lezer die kan helpen?

Vanaf Brise Tout ga je via de Sint-Joris Weertstraat naar de Oude Geldenaaksebaan. Aangekomen op de kruising voorbij de nogal prozaische betonnen boerenstallen met ganzen, een paard in de wei en een groot bord ‘frietjesmachine’ geef je er rekenschap van dat je hier staat aan een holle weg die in de oude tijd de officiële verbinding was tussen Leuven en Jodoigne. In Leuven vind je hem terug als de holle weg ten westen van het Parkveld.
Op de kaarten zie ik hem voor het eerst op die van Villaret (1745) en van Ferraris (1771) maar daar ligt de Nieuwe Geldenaaksebaan met aansluiting op de Bevekomstraat/Rue de Mollendael er al vlak naast. Beide wegen passeren de historische grens tussen het Hertogdom Brabant en enclave Beauvechain van het Prinsbisdom Luik, nu de gemeentegrens én officiële gewest- en taalgrens. Of de kasseien uit die tijd zijn weet ik niet.
Het Rachierhof staat ook al op de Ferrariskaart. Het stond er vele jaren bij als een ruïne, naar ik me heb laten vertellen door een koppig volgehouden herbestemmings- en restauratie-conflict tussen de erfgoeddiensten en de eigenaars (onbevestigd).
Maar sinds 2017 is die restauratie dan toch begonnen en tegenwoordig ziet het er uit als nieuw.

Ik vind het wel mooi gedaan maar het gaat wel honderd jaar duren voordat het weer wat lijkt op een oude vierkantshoeve denk ik en het is natuurlijk ook duidelijk geen boerderij meer. Het gebouw straalt voor mij de spanning uit tussen het behoud van waardenvol erfgoed en woonbehoeften van onze tijd.
Op de website van de gemeente Bierbeek lees ik het volgende: “Aan de rand van het Mollendaalbos ligt een heel oude boerderij, het Rachierhof. Van deze boerderij dateren de eerste gegevens reeds van 1401. Toen was ze eigendom van de (Cisterciëncer) abdij van Valduc (Hamme-Mille). Lange tijd bestond het Rachierhof uit lemen gebouwen met bakstenen onderbouw. In 1753 werd een nieuw witgekalkt woonhuis gebouwd, de schuur is 80 jaar jonger (1832). Ondanks enkele nieuwere gebouwen is het grondplan van de hoeve sinds 250 jaar ongewijzigd gebleven. Het pachthof maakte tot 1918 deel uit van het bezit van de hertogen van Arenberg. De boerderij werd uitgebaat door de familie Wackers, tot een tiental jaar geleden.”
Sinds 1999 is de hoeve beschermd als monument, in het beschermingsbesluit wordt gesproken over ‘de hoeve Denonville’ maar of dit slaat op de huidige eigenaar(s) weet ik niet. In de oude tijd moet het landschap er hier heel charmant hebben uitgezien met hagen en boomgaarden. Misschien komen die nog terug want ik zie nog enkele bomen en de aanzet van een tuin in de omgeving wordt het uitzicht toch gedomineerd door de mais.

Waar even verder de Oude Geldenaaksebaan een holle weg wordt kan je met een trappetje met 20 treden naar links naar een tussen de bomen nauwelijks zichtbare kleine kapel. Merkwaardig genoeg vind ik hem niet op de toch heel uitgebreide lijst met waardenvol bouwkundig erfgoed in Bierbeek.
Hij wordt wel goed verzorgd (beter dan La Chapelle du Rond Chêne in elk geval). De kapel is – om mij nog onbekende redenen – gebouwd door Remy Bosmans in 1896, dan de eigenaar van het Rachierhof en dat ook blijkt uit het opschrift op de gevelsteen “RBM / CLW / 1896” (wat CLW betekent weet ik niet).
Op de website van de gemeente Bierbeek lees ik dat de huidige eigenaar de familie Denonville is. In de kapel staan ook beelden van Sint-Antonius en het Heilig Hart. De beelden van St-Egidius en H.Rita zijn ontvreemd. Aan de muur hangt een tekst van Jos Beel i.v.m. herdenking van 900 jaar St-Bernardus.
De heilige Bernardus van Clairveaux werd in 1090 geboren als telg van een hoogadellijke uiterst christelijke familie, was lang een Franse abt en is – samen met zijn broers – de belangrijkste vertegenwoordiger van de orde van de Cisterciëncers.
Hij was een van de machtigste geestelijken uit zijn tijd, moet een enorme overtuigingskracht in stem en geschrift hebben gehad, gekoppeld aan een onvermoeibare zin voor actie, speelde een grote rol als rondreizend diplomaat in het bijleggen van Pauselijke schisma’s binnen de kerk en was zelfs voor zijn tijdgenoten een niet altijd onbesproken fundi in zijn diep-mystieke soberheid predikende geloofsovertuiging.

Uit liefde voor de Maagd Maria trad hij onverbiddellijk (zij het niet wreedaardig voor zover ik het lees) op tegen ketters maar ook tegen mede-priesters die probeerden om in de verklaring van het Christelijke geloof enige argument van de rede en het verstand in te bouwen.
Op oudere leeftijd predikte hij energiek de Tweede Kruistocht en hoewel zijn oproep massaal gevolgd werd maakte dat bijna een einde aan zijn loopbaan want al de verantwoordelijkheid voor de mislukking van dat avontuur werd in zijn schoenen geschoven.
Voor het gewone hardwerkende sobere godvrezende kerk- en boerenvolk dat van al dat gedoe van de machtigen niet veel goeds te verwachten heeft, is hij door zijn acetische vurigheid de hoeder geworden van de oogst en van de hof en weidedieren. Ik zie dat er sinds mijn laatste bezoek een bezoeker is langsgekomen die dat op het bord aan de deur heeft afgebeeld met een varken en een kip.
Vanwege de honingzoetheid van zijn stem is hij de patroonheilige voor de bijenteelt. Maar pas op: hoewel hij dikwijls met een wit hondje wordt afgebeeld is hij is niet de Bernardus waar de sint-bernardshonden naar genoemd zijn: dat was Bernardus van Menthon, een kluizenaar in de Alpen († 1081; feest 28 mei). Je kunt als heilige niet alles hebben. Zijn feest is op 20 augustus.

Langs de Oudegeldenaakse baan zet ik mijn tocht voort naar La Chapelle du Rond Chêne in Beauvechain. De holle weg is een van de mooiste die ik ken in de wijde omgeving. De bermen zijn onlangs nog eens gemaaid en gesnoeid, naar mijn gevoel zelfs een beetje te veel en te kaal. Ik vermoed dat hij beschermd is en door de gemeente Bierbeek onderhouden wordt.
Maar volgens mij rijden er nog altijd tamelijk brede landbouwvoertuigen door om op het plateau te komen. Bovendien ploegen de boeren aan beide kanten tot tegen de bermrand aan en de afwezigheid van groene grasranden geeft zowel erosie als een instroming van chemische produkten.
Eenmaal dat je aan het einde van de donkere tunnel op het plateau komt merk je dat de de Rachierhoeve zijn naam niet gestolen heeft want ‘rachier’ betekent ‘rooien om te ontginnen’ (lees ik).
Je staat in een totaal open landschap waar buiten de bosrand van het Mollendaalbos zowat geen één nabije boom meer te bespeuren valt en dat in de winter één grote lappendeken is van keurige mechanisch aangeharkte akkers en in de zomer één grote verzameling van suikerbieten, maïs en granen.
Bij mooi weer is het wel fotogeniek maar het mist natuurlijkheid. In het begin van de vorige eeuw waren die akkers er ook maar waren ze veel kleiner en omgeven door hagen denk ik en ik zou daar wel eens prenten van willen zien want die moeten volgens mij bestaan.

Nu valt het landschap op door enorme waterplassen op de wegen en uitzichten tot op alle kerktorens in de omgeving maar ook de afwezigheid van vogels en vogelgeluiden anders dan kraaien. Het is er onnatuurlijk stil afgezien van het gebrom van grote landbouwmachines en het overvliegen van grote en kleine vliegtuigen van de luchtmachtbasis Beauvechain.
Reeën zie je hier wel maar everzwijnensporen al bijna niet meer want de boeren hebben zo’n hekel aan die dieren dat ze alles wat jager is hebben gemobiliseerd om er korte metten mee te maken.
Ondertussen zijn we opnieuw de grens overstoken en gaan we dwars door het eind 19de eeuw verdwenen Bois de Stocquoi in de richting van de kapel. Van dat bos rest alleen nog een heel klein en er nogal onplezant en afgerasterd uitziend privébosje van hoofdzakelijk dode sparren. Het is ferm afgesloten en ik heb gehoord dat er tussen de bomen al tientallen vallen zijn aangetroffen om vossen te vangen, iets dat ook in Wallonië illegaal is maar natuurlijk wel nodig als je zelf wilt jagen op je de tamme patrijzen en fazanten die je even eerder illegaal zelf hebt losgelaten.
Op de horizon zie je de Rue de Mollendael met zijn beroemde kasseien. Ik heb al gewezen over de bezorgdheid over de mogelijke bouw van nieuwe stallen en uiteindelijk lintbebouwing. Voorlopig wordt het uitzicht alleen belemmerd door een enorme berg van suikerbieten.
Daarmee ben ik terug aan La Chapelle du Rond Chêne en aan het einde van deze verkenningstocht.

+++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++
bronnen
Algemeen
Meerdaalwoud – Heverleebos – Egenhovenbos – Natuur en Bos
www.natuurenbos.be › sites › default › files › beheerplan…
Het beheerplan is ook raadpleegbaar via www.meerdaalwoud.be.
+++
Miradal, Erfgoed in Heverleebos en Meerdaalwoud, Davidsfonds/Leuven 2009, nog verkrijgbaar via infocentrum@vhm.be of te raadplegen in iedere goede bibliotheek rond het Meerdaalwoud
Chapelle du Rond Chêne
(la Chapelle du Rond Chêne)

+++
(la Chapelle du Rond Chêne)
+++
+++
+++
https://nl.wikipedia.org/wiki/Barbara_van_Nicomedi%C3%AB

Rachierhof
https://www.bierbeek.be/rachierhof
Het Rachierhof – Gemeente Bierbeek
http://www.bierbeek.be › … › Boerderijen in Bierbeek
+++
https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/200115
Hoeve Rachierhof | Inventaris Onroerend Erfgoed
inventaris.onroerenderfgoed.be › erfgoedobjecten
+++
https://inventaris.onroerenderfgoed.be/aanduidingsobjecten/468
Hoeve Rachierhof | Inventaris Onroerend Erfgoed
inventaris.onroerenderfgoed.be › aanduidingsobjecten
Kapel Sint Bernardus
http://www.heiligen.net/heiligen/08/20/08-20-1153-bernardus.php)
https://www.bierbeek.be/kapel-van-sint-bernardus

trefwoorden: Meerdaalwoud, Mollendaalbos, Keiberg, Bierbeek, Beauvechain, Rachierhof, Kapel Sint Bernardus, La Chapelle du Rond Chêne, Oude Geldenaaksebaan, erfgoed,
November 2020, Ernst Gülcher
contact: ernst.guelcher (at) telenet.be

Er zijn nog zekerheden in deze verbijsterende tijd van chaos en verwarring. Een daarvan is het natuurgebiedje ‘Rotte Gaten’ van Natuurpunt in Meerbeek/Kortenberg. Het heeft zijn naam niet gestolen. Verborgen tussen eigentijdse villaatjes, bedrijven en autowegen beheert Natuurpunt tussen de Broekstraat en Wijnegemhofstraat sinds 1998 een adembenemend mooi moerasgebiedje waar je als gewone wandelaar nauwelijks door kan vanwege al die spiegelende verraderlijke poeltjes en kriskras in het rond liggend dood hout.
Midden in de vallei van de Molenbeek ga je op zoek naar ijsvogels in een totaal nat broekbos met elzenbossen, staande en vallende berken, nog wat populieren, ruigtes, moerassige graslanden, veenmoerassen en zanderige kalkbodems waar je altijd maar moet hopen dat je er niet inzakt met rubberbotten en al.

Het gebied is vergeven van bronnetjes en kwelwater en in het verleden hebben onze nijvere voorouders heel wat mislukte pogingen gedaan om dat water enigszins te verdrijven met het graven van poelen, drainagegrachten (rabatten) en ophogingen door het storten van zand en steengruis. Een deel van het gebied was vroeger hooiweide en een ander deel hakhoutbos en in recente tijden heeft men er – zoals overal in Vlaanderen – populieren geplant. In het oostelijk deel werd turf gewonnen.
Maar ondanks al deze menselijke pogingen leverde de Molenbeek op zijn beurt de nodige tegenwerking op door tijdens heftige of langdurige regenval buiten zijn oevers te treden en heel het gebied mooi onder water te zetten. Veertig jaar geleden moet er veel meer open water geweest zijn dan tegenwoordig maar vandaag de dag moet de natuurliefhebber het doen met een hele menigte poelen en één recent uitgegraven vijver die moest dienen om eenden te lokken om die dan dood te schieten tot algemeen vermaak van de jagers. Het schuilhuisje van de jagers staat nog langs die vijver maar er zit geen dak meer op en het is zowat totaal bedekt met klimop. Het is zelfs moeilijk te vinden maar ik wel een heel mooi een beetje geheimzinnig plekje.

Sinds Natuurpunt het beheer heeft zijn de Rotte Gaten de comfortabele thuisbasis voor heel wat dieren. De ijsvogel broedt er tussen de wortels van omgevallen bomen. Het gebied herbergt een populatie reeën en je vindt er een pak vogels: zwarte specht, buizerd, boomklever, matkop, houtsnip, kerk-, rans-, bos- en steenuil. Bijzonder in de Rotte Gaten is ook de wijde verspreiding van de maretak. In het voorjaar wordt het gebied bontgekleurd door de prachtige voorjaarsflora. In de winter trekt vooral de rijkdom aan mossen en zwammen de aandacht. In de zomer tref je er orchideeën aan en in het najaar de herststijlloos.
Als je alles wil weten over het natuurreservaat Rotte Gaten in Meerbeek ga je natuurlijk mee met de sterke man en conservator van dit moerasgebiedje Paul van Leest en hij zal je vol geestdrift uitleg geven over ‘zijn’ jungle, de rijkdom ervan maar ook over de gevaren om daar onvoorbereid proberen binnen te dringen.
Paul schreef een prima tekst over het gebied als terreinstudie om natuurgids te worden en aangezien deze (nog) niet op het internet te raadplegen is hoop ik dat hij mij vergeeft dat ik er schaamteloos uit put om iets meer te vertellen over dit gebied. Zijn verhandeling bevat ook een aantal kaartjes maar om die zelf te zien zal je Paul moeten contacteren (hij stuurt het wel graag op denk ik).
Het natuurgebied in zijn geheel ligt iets ten noorden van Meerbeek tussen de Wijnegemhofstraat en de Schoonaardestraat met de Molenbeek aan de noordzijde en de Zoobeek aan de zuidkant. Waarom die beek zo heet leg ik nog uit.

Daarvan is iets minder dan de helft eigendom van en beheerd door Natuurpunt, in totaal 22 hectare en officieel natuurreservaat sinds 1998.
Er zijn vier delen. Het eerste is een zeer nat historisch elzenbroek dat in 1974 met Brussels bouwafval 2 meter werd opgehoogd en beplant met ondertussen al weer merendeels gerooide populieren waarvan het kruinhout overal in het rond ligt te rotten (avontuurlijk).
Het tweede deel is een lange maar smalle hooiweide. Op deze weide vind je tegenwoordig dankzij een doorgedreven maaibeheer in de zomer orchideeën en in het najaar de heel zeldzame herfststijlloos.
Het derde deel gaat richting Molenbeek en is een ook zeer nat gebiedje met in het midden de al genoemde eendenjacht-vijver van de jaren 60. Een bordje vertelt je dat dit de thuisbasis is van de Rotten Gaten ijsvogels.
Het vierde deel is een echt moeras met trilveen aan deze kant van de van de Molenbeek dat gevaarlijk is om te betreden maar ik ben er nog niet geweest en zou ook niet weten hoe je er komt, zelfs niet met hoge rubberlaarzen. Aan de overkant van die Molenbeek is alles nog in privébezit op een héél klein stukje na dat van Natuurpunt is.
Voor wie wil weten waar al dat water vandaan komt: “De Rotte Gaten bevinden zich in het overgangsgebied tussen de zandleemstreek van laag België in het noorden en het Brabants Leemplateau in het zuiden. De bodemoppervlakte is leem. Een kilometer naar het zuiden bevindt zich de ‘Brabantse steilrand’ met een hoogteverschil van meer dan 40 meter.

Dit veroorzaakt een nogal sterke kwel. Het grondwater van de hoger gelegen delen stuit op een ondoordringbare kleilaag (Ieperiaan) en wordt in de ‘Brusseliaan’ laag (zand) meegevoerd naar de Rotte Gaten, waar deze laag ondiep ligt en soms aan de oppervlakte komt (dagzomen). Tussendoor gaat het water door kalkrijke lagen, zodat het uiteindelijk kalkrijk is en er daardoor in de Rotte Gaten kalkminnende planten voorkomen.” Om die planten te zien moet je er in het warme seizoen zijn.
Hoe de Rotte Gaten in Meerbeek er in de Middeleeuwen bijlagen is blijkbaar niet geweten maar volgens geschiedkundigen zouden er tussen het broekbos dan al hooiweiden hebben gelegen waar de Meerbeekse boeren hun vee op hielden.
Vanuit het natuurreservaat kijk je op de dorpskerk waarvan de toren gebouwd werd in de 13de eeuw. Zijn patroonheilige Sint-Antonius moest de boeren helpen om hun varkens en ander vee tegen de moeraskoortsen te behoeden. Het dorp zelf vierde in 2017 zijn 900 jarig bestaan en in de nabijheid is een Romeinse nederzetting gevonden. De eerste vermelding van het dorp (als Merbecka) dateert uit een kerkelijk document uit 1117.

De naam verwijst (hoogstwaarschijnlijk) naar het feit dat de eerste huizen al zo dichtbij aan het water en moeras stonden en dat de Molenbeek in die tijd een echte grens vormde (meer = grens).
Meerbekenaars worden door die van Kortenberg papboeren genoemd en het dorp zit vol van geschiedenis en oude verhalen maar daarvoor moet je ergens anders terecht (Wikipedia geeft een groot aantal bronverwijzingen).
De Rotte Gaten zijn te zien op de Ferrariskaart van 1775 en in die tijd wordt het gebied gebruikt als hooiland en om er hakhout te laten groeien. De eigenaars van die weiden mochten één keer het gras afdoen en vanaf september mochten alle arme dorpelingen hun koeien erop zetten. In die tijd graven de boeren de rabatten en de vijvers die we nu nog zien om van het kwelwater af te geraken (de Rotte Gaten).
Kennelijk hielp het allemaal niet veel want zo’n honderd jaar later lijkt alles nog altijd moeras te zijn. In de twintigste eeuw wordt een deel van het terrein met bouwafval opgehoogd en worden elzen en populieren aangeplant zoals dat overal in Vlaanderen is gebeurd in dit soort gebied waardoor er veel oorspronkelijke natuur onherstelbaar beschadigd is.

Het natuurbeheer stelt zich ten doel om de natuurlijkheid en de biodiversiteit in het gebied te vergroten, vooral door een natuurlijke en onverstoorde (drainage, vervuiling) waterhuishouding op te bouwen. Het hooiland moet zich ontwikkelen tot een ‘vochtig schraalgrasland’ en waar bomen willen groeien zou deze zich tot een eikenhaagbeukenbos moeten ontwikkelen. Het eerste begint orchideeën op te leveren maar hoever het met dat bos gaat in deze moerasjungle kan ik niet zeggen (het bos lijkt me er veel te nat voor).
Wat mij wel opvalt is dat een te groot stuk van dit mooie gebied is ingepalmd door een bedrijf van tweedehands bestelauto’s (meer oud-ijzer) en privébewoning en dat vind ik jammer, ook al omdat er achter de ferm afgesloten vijver een grote poel is die je nu alleen op de kaart en vanuit de lucht kan zien. Hoe lang wordt dit hier nog geduld?
Sla aan de ingang van natuurreservaat Rotte Gaten in Meerbeek (Kortenberg) in de Broekstraat onmiddellijk even linksaf en je belandt meteen in een nogal modderige zone met het in 2018 geopende “avonturenpad met natuurspeelplaatsen voor kinderen”. Die modder is ondertussen opgedroogd en begroeid.

Na drie jaar voorbereiding is het dan toch gelukt om een terreintje van enige omvang mooi vrij te maken en te ‘beplanten’ met flink uit de kluiten gewassen houten toestellen naast en tussen een tweetal smalle lange plankenpaden waar je aan beide kanten in het (ondiepe) water (het “moeras”) kan vallen als je zin hebt in een nat pak. Zelfs kinderen kunnen elkaar hier moeilijk passeren en volwassenen zijn zeker te dik en te stijf. Die moeten het dan maar doen met de massief houten rustbank.
Voor wie nog niet zou weten dat je hier in de natuur bent is er ook nog een heel mooi bijenhotel neergezet. Het geheel is opgebouwd in overleg met allerlei instanties zoals de plaatselijke jeugdraad na het verkrijgen van de nodige bouwvergunningen en wordt bekostigd door de gemeente Kortenberg die daarvoor 63000 euro op tafel legde.
Het succes hangt natuurlijk af van de kinderen die hier willen ravotten en ondertussen iets opsteken over de natuur. Bij mijn eerste bezoek waren er toch al twee héél kleine kindjes die naast elkaar aandoenlijk stonden te bibberen op het plankenpad terwijl pappa een foto maakte. Maar sindsdien is het volop in gebruik genomen denk ik. Ondertussen staat er ook een bord waarop je leest dat er een ‘blote voeten pad’ is om je zintuigen te prikkelen.
Zoals overal in de natuurgebieden is er hier ook nood is aan natuuropvoeding van volwassenen in de omgeving en is er zeker een onderhoudsploeg van vrijwilligers aan het werk om regelmatig afval op te ruimen.

Uit de Rotten Gaten facebookpagina begrijp ik dat er wel flink gewerkt wordt door de dappere vrijwilligers om alles in goede staat te houden, bijvoorbeeld door het wegruimen van bomen die omvallen en de weg versperren maar ook om het pad vrij te houden van zaken die de zintuigen wel prikkelen maar niet op aangename wijze zoals bramen en brandnetels.
Je bent altijd welkom om te komen helpen maar zo op het zicht is er geen probleem en ik zie zelfs nergens afval. Het vlonderpad door het ‘moeras’ (meer een ondergelopen bos) is wel een avonturenpad op zichzelf geworden omdat het in deze tijd van het jaar bedekt is met bladeren en als gevolg spekglad, een beetje riskant als je daar als stijve topzware volwassene met je fototoestel overheen moet zien te geraken. Misschien is het beter om hier op sokken of blote voeten overheen te gaan?

Over het ‘waarom’ van heel deze installatie put ik even uit een bericht van de Jeugdraad van Kortenberg op 8 november 2016: “… wij vinden het belangrijk om de belangen van kinderen en jongeren uit de gemeente ter harte te nemen. Speeltuinen, speelzones, speelweides zijn belangrijke plaatsen voor ravottende en spelende kinderen … het feit dat zo’n natuurlijk terrein zal gebruikt worden voor het inrichten van een avontuurlijke speeltuin met de nadruk op het gebruik van voornamelijk natuurlijke middelen spreekt ons erg aan. We geloven in het feit dat het avonturenpad zodanig zal opgebouwd worden dat kinderen zowel op en aan de speelelementen kunnen ravotten, maar ook in en rondom de bomen in het natuurgebied zelf”.
Het is een hele mond vol maar ik vind wel dat Natuurpunt er ruimschoots in geslaagd is om er iets moois van te maken. Je bent hier inderdaad in de natuur, zij het op veel te kleine schaal. Ik reken er op dat kinderen als ze volwassen zijn niet gaan eisen dat heel hun omgeving mooi platgewalst wordt en ontdaan van bladeren en alles waarin de natuur verschilt van de mensen van nu met hun overdadige behoefte aan comfort en properheid.

Bij het bijenhotel zou Natuurpunt ook nog eens een bordje kunnen hangen om uit te leggen hoe je zoiets maakt als een klus om er in de eigen tuin ook een te zetten.
We zullen zien hoe lang de constructies opgewassen zijn tegen het gezamenlijk geweld van natuurkrachten (water) en opgroeiende volwassenen. Voorlopig heeft alleen de wilgenhut het alweer begeven maar die bestaat dan ook uit dunne takken en dat houdt nooit lang.
Vanwege dat avonturenpad vertrekken de meeste bezoekers aan de kruising tussen de Schoonaardestraat en de Broekstraat. De inwoners van Meerbeek komen er natuurlijk ook op een paar manieren vanuit het centrum van hun dorp dat juist ten zuiden van het natuurgebied ligt. Maar ik ben ook al eens helemaal aan de andere kant vertrokken vanaf de Wijnegemhofstraat die ten westen van de Rotte Gaten Meerbeek verbindt met Erps Kwerps.
Het is een nogal onopvallende toegang met indrukwekkende knotwilgen langs een privéwoning met tuin met shetland-ponies, schapen en een boomgaard. Aan het begin staat een bordje ‘Voetweg 17’ die op mijn OSM kaart even later verandert in ‘Voetweg 32’ en als je dan richting zuid oost doorsteekt naar ‘Buurtweg 12’ zit je al midden in het gebied want zo groot is het niet. Hou die namen en nummers maar even vast want later in dit hoofdstuk zijn die van groot belang voor diegenen die grotere delen van deze omgeving willen verkennen.

Dat het gebied aantrekkelijk is voor kinderen merk ik al meteen want terwijl ik nog wat schapen en daarna het een en ander aan dood hout en zwammen sta te fotograferen in een stukje bos dat volgens mij al een beetje ontdaan is van de populieren is om er op de duur anders te gaan uitzien, wordt ik zowat overvallen door een enthousiaste groep kinderen (met gemaskerde juffen) die mijn fotoplek als hun speelterrein beschouwen. Gezien de corona-maatregelen maak ik dat ik wegkom van het vrolijk gekwetter en ga een kijkje nemen aan de Zoobeek.
Het natuurgebiedje Rotte Gaten in Meerbeek wordt aan de noordkant afgegrensd door de Molenbeek en het ligt dan ook in de vallei van de Molenbeek samen met alle andere natuurgebieden in de ‘Groene Vallei’. Aan de zuidkant stroomt de Zoobeek.
Die zie ik voor het eerst op de Kaart Vandermaelen van 1864 als een soort van kanaaltje dat van de omgeving van de Wijnegemhofstraat tussen Everberg en Meerbeek naar het noordoosten stroomt en aan de Schoonaardestraat in de Molenbeek uitkomt. Er staan pijltjes op die kaart om de stroomrichting aan te geven.

De bron ligt nog iets verder naar het zuiden aan de Dorpsstraat aan een plek die aangeduid staat als ‘Ravin’. De huidige grens tussen Everberg en Meerbeek volgt vandaar de kronkels van de waterloop. Dat kronkelende zuidstuk is vandaag niet meer te zien maar het staat ook op Atlas van de Buurtwegen van 1840 en heet daar ‘Soy Riyole’. Op de kaart van 1939 staat de Zoobeek aangeduid als Ruisseau De Soo. Of dat ‘de Soo’ eerder stond voor ‘des eauxs’ weet ik niet maar het zou ook kunnen verwijzen naar de ‘zooi’ (Soy) die met het riool meekomt.
Dat laatste lijkt me waarschijnlijk want ik vermoed dat de beek geen natuurlijke waterloop is maar een in de 19de eeuw uitgegraven als ‘vloedgroebe uitgegraven gracht om het dorp Meerbeek tegen wateroverlast te beschermen. Ik zie er altijd een beetje water in maar van het internet begrijp ik dat de Zoobeek regelmatig geruimd moet worden om wateroverlast in het centrum van Meerbeek te voorkomen. Bovendien is er blijkbaar een probleem van chemische vervuiling omdat het regenwater van de E40 in de beek terecht komt en strooizout, rubber, zwerfvuil en benzeen meesleurt.

Als je zo langs de beek wandelt zal je echter daarvan niet direct iets merken want de natuur tiert er welig en het paadje is echt wel avontuurlijk vanwege al die omgevallen bomen. In het verleden zijn hier veel populieren gezet maar die zijn stilaan aan het verdwenen. Ik zie er toch een enkele tongvaren en dat wijst op proper maar voedselrijk water. Op veel plaatsen hangt er maretak in als teken dat de bodem kalkrijk is en dat je in warmere seizoenen wel van een mooie bloemenpracht kan genieten met onder meer orchideeën. Voor de herfststijlloos moet je er in het najaar zijn.
Hier en daar komen de weiden tot aan de beek en op een ervan zie ik hele dikke varkens met vlekken. Ze lijken me heel braaf te zijn en volgens de kenners zijn het ofwel gevlekte hangbuikzwijnen of Nieuwzeelandse kunekune varkens. Je ziet er een op de foto in de hoop dat er onder de lezers een kenner is (of de eigenaar want die leest misschien ook mee).

Vanaf de Zoobeek kom je terug aan ingang aan de Wijnegemhofstraat via een mooi plankenpad op Voetweg 32. Dankzij Paul Van Leest herinner ik me dat de Atlas van de Buurtwegen van 1840 een onderscheid maakt tussen buurtwegen (Chemins, 3,5 m breed) en voetwegen (Sentiers, 1,75 m breed).
Die Atlas vormt nog altijd het referentiepunt voor de voetgangerspaden van tegenwoordig en ik heb voor de gelegenheid een plattegrondje bij de foto’s gevoegd waarop je de paden van vandaag ziet op de ondergrond van die oude kaart van 1840. Wat mij opvalt is dat de nummers van vandaag dezelfde zijn als die op de Atlas en dat het traject ook dikwijls nog hetzelfde is hoewel er hier en daar wel het een en ander verlegd is, ook de bedding van de Molenbeek lijkt mij een beetje veranderd te zijn.

Als ik er geen voetgangers had zien ingaan had ik Buurtweg 17 niet opgemerkt maar langs het populierenbos aan de overkant van de straatweg gaat – volgens mij nog niet zo lang – een smal paadje langs de weide waarlangs je zonder problemen mooi doorsteekt naar Everberg, de Prinsendreef en het daarachter gelegen Plantsoenbos (Warandebos) en de Abdij van Kortenberg.
Die verbindt Voetweg 32 in het natuurgebied met Voetweg 59 en die laatste komt mooi aan op de Wolvestraat en dan ben je op 100 meter van de Prinsendreef. Er staan bordjes bij en als je de Wijnegemhofstraat overgestoken bent volg je die en je neus tussen het populierenbos (rechts) en de koeienweiden (links) in de richting van de kerk van Everberg die je schuin links voor je ziet.
Onderweg heb je een prachtig zicht op de kasteelgebouwen op enige afstand enmet zeer ernstig kijkende koeien in de voorgrond in de weiden die er omheen liggen.
De voorgeschiedenis van het kasteel van Merode in Everberg gaat terug tot de vroege middeleeuwen wanneer de oudste heren Van Rotselaar van Everberg een waterburcht bezitten op de Everberg.

Nadat deze verlaten wordt, waarschijnlijk wegens een brand, bouwt de familie de Montenaken in de 14de eeuw in de moerassige bronvallei van de bovenloop van de Molenbeek (Aderbeek en Wasbeek) het Hof van Montenaken. Door een huwelijk komt dit in handen van de familie de Rubempré.
Op 17de -eeuwse prenten zie je een renaissancekasteel met trapgeveltjes en hoektorentjes met een slotgracht er omheen. In 1704 trouwt Louise-Brigitte prinses van Rubempré en Everberghe met graaf Philibert François de Mérode Montfort en sindsdien is de familie de Merode de eigenaar. In de 18de eeuw krijgt de Franse architect Neuville opdracht om het kasteel om te vormen tot een classicistisch gebouw in de stijl van Lodewijk XVI. Rond 1850 worden de grachten gedempt en het Engels landschapspark met vijver aangelegd.
Sindsdien zijn er nog voortdurend verbouwingen geweest – met nog een landhuis – maar om die allemaal te beschrijven zal ik eerst nog eens een kans moeten krijgen om de rijkdommen op dit privédomein met eigen ogen te zien, misschien tijdens een Open Monumentendag. Of de familie er nog lang gaat blijven wonen is blijkbaar onzeker want iemand in de omgeving wist me al een tijd geleden te vertellen dat er onenigheid is onder de erfgenamen van de laatst overleden Graaf de Merode maar wat er daarvan waar is kan ik niet zeggen.

Op het internet vind ik geen recente berichtgeving over een en ander. Voorlopig moeten we het dan maar doen met het zicht op de voorgevel met de prachtige Zwarte Notelaar en Plataan aan het toegangshek en het ernaast gelegen hoveniershuis. Het Warandebos (Plantsoenbos) aan de Kortenbergse kant van de Prinsendreef is gelukkig wel al sinds enige jaren vrij toegankelijk en je kunt daar ook de in 1840 gebouwde ijskelder zien die ondertussen ingericht is als winterverblijf voor vleermuizen. Via dat bos kom je aan de Abdij van Kortenberg.
Voorlopig moet je nog dezelfde weg terug om weer in de Rotte Gaten te belanden want een lus maken via de noordkant van het kasteel terug te keren is nog niet mogelijk.
Even voorbij het kasteel kom je aan de Aderbeek aan mooie vijvers en een brede parkdreef maar die is afgesloten met een ijzeren hek met de vermelding ‘verboden toegang’. Dat is jammer want op oude en nieuwe kaarten zie je dat die dreef helemaal aan de andere kant uitkomt op de Wijnegemhofstraat en we zullen nog zien dat er daar ook al zo’n verboden toegang hek staat.
Die dreef is nochtans ver van de gebouwen verwijderd en passerende wandelaars hoeven de privacy van de kasteelheer niet of nauwelijks te schenden. Je moet er natuurlijk wel de moto’s en de bendes wielertoeristen uithouden en ook het achterlaten van afval en het maken van lawaai beperken, maar dat is overal zo in de natuur en daar zijn allerlei creatieve mogelijkheden voor ontwikkeld. Ik geef ook toe dat ik eigenlijk in deze tijd niet meer zo aangepast vind als een grootgrondbezitter niet een paar paden op zijn terrein open maakt voor de buurtbewoners en andere wandelaars.

Terug langs dezelfde weg ben ik de Molenbeek overgestoken op de Wijnegemhofstraat en sta aan de achteringang van het kasteeldomein van de familie De Merode. Een klein beetje verder zie je het Wijnegemhof waarnaar de straat genoemd is (zie de link).
Bijna recht tegenover het hek aan de Merode-parkdreef kom je aan Voetweg 50 naar de Leuvensesteenweg (je hoort en ziet die wel zeer overmatig). Het is een mooie veldweg op de rand van een overduidelijk broekbos met op één plaats een visvijver waar de eigenaar een manshoog en hermetisch afgesloten hek heeft rond gezet, kennelijk om te voorkomen dat de vissen ontsnappen denk ik dan. Zijn oud ijzer gooit hij wel buiten zijn terrein in de natuur.
Maar de paar zijweggetjes die ik als voetwegjes op een van mijn open street maps zie – nummer 9 en nummer 51 – zijn op het terrein nergens meer te zien. Dat is niet zo best want ze staan beiden geregistreerd op de Atlas van de Buurtwegen van 1840 en ik vind nergens dat ze officieel zijn afgeschaft.
Voetweg 9 staat aangegeven op alle latere kaarten maar de eerlijkheid gebiedt om te vertellen dat Voetweg 51 tot aan de Molenbeek richting Rotte Gaten alleen op die historische Atlas is aangegeven en niet meer op de latere kaarten. En zelfs op de Atlas staat er géén bruggetje over de beek om de verbinding te maken met Voetweg 32 die in het natuurgebied ligt (en die op dat traject ook wacht op heraanleg tot aan de beek, ongetwijfeld was dat bruggetje er in de oude tijd wél)).

Heel deze uitweiding dient om duidelijk te maken dat je hier dus staat op een plek waar 200 meter nieuwe voetweg plus een brugje over een smalle waterloop een wonderbaarlijke uitbreiding zou zijn van de autoloze wandelmogelijkheden in de Groene Vallei van het ene natuurgebied naar de andere maar vooral een magnifieke luswandeling rond het kasteeldomein van de Merode zou mogelijk maken op voorwaarde dat in dat park de twee hekken van de doorgangsdreef worden opengezet.
Op de plek waar nu die voetweg ontbreekt is juist een perceel bos gekapt en het ziet er naar uit dat je met een beetje zin voor avontuur en rubber laarzen wel tot aan de beek kan komen (ik heb het niet gedaan). Wie de eigenaar is van het gekapte perceel weet ik niet maar het zou kunnen dat de hele noordkant ook nog behoort tot de familie De Merode en ik hoor dat er in het verleden wel beloften zijn gedaan (wanneer en van wie aan wie?) om dit stukje voor voetgangers open te stellen maar dat die blijkbaar in de vergeethoek zijn geraakt (waarom?).

Of er op dit ogenblik gesprekken aan de gang zijn over deze doorgang heb ik niet kunnen achterhalen maar – zoals dikwijls – wat nog niet is kan komen en dan is het een kwestie van goede wil, geduld met een beetje gevoel voor de noodzaak om aan de mensen van nu een beetje meer mogelijkheden in de natuur te bieden.
Ik heb begrepen dat in de gemeente Kortenberg werk gemaakt wordt van een inventarisatie van de ‘Trage Wegen’ en ik bepleit dat het open maken van deze doorgang daarbij zou worden betrokken in goed overleg tussen de gemeente en de familie op het kasteel ((Werner de Merode: “Onze eerste taak bestaat eruit een voorbeeld voor anderen te zijn”) .
Daarmee ben ik rond met deze verkenning van het natuurgebied Rotte Gaten. Binnenkort kom ik er wel terug want er zijn voortdurend nieuwe ontwikkelingen te melden.

+++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++
https://www.natuurpunt.be/natuurgebied/rotte-gaten
+++
https://www.facebook.com/RotteGaten
+++
Paul van Leest – Rotte Gaten – terreinstudie – december 2015 – onuitgegeven, auteur te contacteren via: https://www.facebook.com/RotteGaten/
+++
https://adoc.pub/deelbekkenbeheerplan-deelbekken-leibeek-weesbeek-molenbeek-a.html
www.kortenberg.be › zoeklicht-2016-01

+++
+++
PDF]Page 1 ) rK- Kortenberg, 8 november 2016 Betreft; Inrichten …
https://www.kortenberg.be/jeugdraad-advies-inrichten-avonturenpad-en-toegankelijk…
+++
+++
https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/135116
Kasteeldomein Merode

trefwoorden: rotte gaten, meerbeek, everberg, natuurpunt, moeras, merode, wijnegemhof, erfgoed, natuurbeheer, molenbeek, zoobeek,
OKTOBER 2020, ERNST GÜLCHER
ernst.guelcher (at) telenet.be
version française: à suivre

Het Plateau van Saint-Nicaise vind je aan de zuidrand van het Meerdaalwoud hoog en droog op de rand van het plateau boven de Ruisseau de la Néthen en het dorp Hamme-Mille in Beauvechain.
Het ligt ten westen van de langs de Naamsesteenweg/Chaussée de Louvain tussen Blanden en Hamme-Mille maar door de afsluiting van de kleine bosparking aan de toegangsweg naar de Warandevijver en de Kanselierdreef hebben onze boswachters de zuidkant van het Meerdaalwoud voor de toeristisch ingestelde bosbezoeker ontoegankelijk gemaakt. Maar als je iets van het bos weet en de paden kent vanuit Hamme-Mille vind je toch wel je weg naar het Plateau van Saint-Nicaise, de Warandeloop, het diepe ravijn, de fantastische bakenboom en de vijver waar de bosbeheerders er nog altijd niet in geslaagd zijn om vuursalamanders te kweken.
Je komt er nog altijd niet veel volk tegen hoewel ik wel de indruk heb dat die van Hamme-Mille de weg er naar toe beginnen te vinden. En ik geef hen groot gelijk want dit deel van het bos is aan hun kant van de taalgrens en als Vlaming ben je er te gast en doe je er goed aan om een vriendelijk ‘bonjour’ te geven aan iedereen die je tegenkomt want dat is in Waalse bossen nog echt de goede gewoonte.
Dit deel van het bos is wat steiler en ruiger dan de rest van het Meerdaalwoud en heel wat minder opgeborsteld en bewegwijzerd maar daar hou ik van hoewel je er dus niet moet komen als er van die typische luidruchtige Waalse drijfjachten worden georganiseerd maar gelukkig is dat niet dikwijls en ze worden altijd op voorhand aangekondigd en dan wordt ook heel de omgeving afgesloten (accès interdit pour votre sécurité).

Of er al weer dassen zijn heb ik nog niet gehoord maar het wemelt er van de vossen en reeën kom je bijna bij ieder bezoek tegen. Aan de uitbundige sporen te zien voelen ook de everzwijnen zich opperbest in de modder en tussen de varens op de hellingen van de vallei van Ruisseau de la Néthen. Als je er op let ga je overal dierenpaden zien vanaf de hoogte in de richting van de beek in het dal. Van mij mogen ze, niet alles kan van de mensen zijn en zeker het bos is voor de dieren (dat vind ik toch hoewel ik in die gedachte tegenwoordig wel bijna de enige ben denk ik).
Als je zou willen weten waarom het Plateau van Saint-Nicaise behoort tot het Franstalige en niet tot het Nederlandstalige deel van het Meerdaalwoud, dan kijk je best eens op de Kaart Vandermaelen van 1846. Daar zie je een blauwgele lijn die de verdeling van België aanduidt. Die lijn loopt door het Meerdaalwoud ten noorden van het Plateau van Nicaise (op de kaart: Ancien Bois de Nicaise).
Het plateau dankt zijn naam aan het feit dat het rond 1140 door het dorp Hamme als tiendenbelasting aan de abdij van St. Nicaise werd gegeven die in het dorp een priorij hadden. Waar dit priorij stond weet ik niet maar hij werd kort na 1231 opgeheven door de Hertog van Brabant om plaats te maken voor de door hem gestichte cisterciënzer-abdij Valduc (Hertogendal). In 1677 werden de gronden op het plateau verkocht aan de Henegouwse norbertijnenabdij Bonne-Espérance en daarna aan de abdij Valduc. Beide abdijen werden tijdens de Franse revolutie opgeheven.

De goederen van Valduc werden in beslag genomen maar na het vertrek van de Fransen slaagde Hertog Prosper Lodewijk van Arenberg er in om van Koning Willem I al de Valduc-gronden op te kopen.
De Hertog van Arenberg werd in de 19de eeuw dus wel de eigenaar van dit gedeelte van het bos maar toen op zijn beurt heel zijn gebied na de eerste wereldoorlog van hem werd afgenomen door de Belgische staat kwam het plateau definitief onder het beheer van de Franstalige overheid samen met de rest van de zuidrand van het woud.
Dit leidt vandaag de dag nog hier en daar tot merkwaardige vaststellingen zoals verschillen in het bos- en wildbeheer maar ook dat om hier te wandelen zonder te verdwalen je wel de klassieke topografische kaart op zak hebben of het kaartje van de Franstalige versie van de Miradal-brochure want in de Nederlandstalige versie staat alles wat Waals is er niet meer op, en dat ondanks het feit dat de belangrijkste prehistorische vondsten juist in het Franstalige deel van het woud zijn gedaan.
In die tijd van de hertogen moet heel het plateau bebost zijn geweest met dennen. Dat is gedeeltelijk nog het geval maar eiken en beuken hebben duidelijk de heerschappij overgenomen. Voor natuurliefhebbers is dit deel van het bos bijzonder aantrekkelijk door de grote verscheidenheid van bosplanten en -dieren die je er kan vinden maar eveneens en vooral door de zwammen die uitbundig bloeien op de bodem tussen de welige mossen maar ook op de vele liggende en staande dode bomen.
Net zoals overal op de randen van het ooit boven de zee en grote rivieren uitstekende plateau waarop het Meerdaalwoud gelegen is leven er aan deze zonnige zuidkant al héél lang mensen. Het boek Miradal schrijft over hen (bladzijde 50 en volgende): al in de oude steentijd (35000 voor de jaartelling) en de middensteentijd (11000 jaar voor de jaartelling) hebben er in onze bossen mensen rondgelopen die leefden van het verzamelen van voedsel, vooral door middel van de jacht.

Tussen de ijstijden door moet vooral de hoog gelegen zuidgerichte rand van het Meerdaalwoud mogelijkheden gegeven hebben om kampementen op te richten. Vandaar kon men de vlakte overzien en zich voorbereiden op aanvallers. Vanwege de vele bronnen waren de bewoners ook altijd zeker van water. Behalve enkele stenen pijlpunten zijn er uit deze tijd zijn er echter niet veel vondsten gedaan en is het wachten op moderne archeologische technieken om dieper onder de grond liggende voorwerpen en sporen te ontdekken.
Maar met het begin van de nieuwe steentijd (6000 jaar voor de jaartelling) schakelden de mensen in onze streken langzaam over van een nomadenbestaan naar een leven als boer en veeteler. Deze overgang is wellicht een van de belangrijkste omwentelingen in de menselijke geschiedenis, omdat het allerlei sociaal-economische en culturele processen in gang zette zoals het ontstaan van vaste woonkernen en het gebruik van aardenwerk (keramiek). In de omgeving van het Meerdaalwoud, de Tomberg, Bierbeek, Blanden, Haasrode, Oud-Heverlee maar vooral nabij Hamme-Mille en de zuidrand van het woud op het plateau van Saint-Nicaise en de Warande, maar ook verder richting Nethen en verder toe naar De Kluis, zijn op alle uitstekende hoogtes zeer veel resten gevonden van onversierde keramiek met bolle bodem en uitstaande rand en van vuurstenen bijlen, schrabbers en andere voorwerpen. Archeologen delen al deze vondsten in bij de zogenoemde ‘Michelsbergcultuur’.

De Michelsbergcultuur is een neolithische cultuur, die rond 4400 tot 3500 v. Chr. voorkwam in Zuid-Nederland, West-Duitsland en België. De cultuur is genoemd naar de eerste vondst bij Untergombach in 1888 en was een van de eerste culturen waar aardenwerk gebakken werden. De daarvoor nodige klei is in het Meerdaalwoud aan elke bron te vinden en door die te boetseren in lange slingers en die op elkaar leggen kon men zelfs bij de betrekkelijk lage temperatuur van houtvuurtjes waterdichte vuurvaste potten en schotels vervaardigen, zij het dat die wel zwaar waren met hun dikke wanden en dus niet echt vervoerd konden worden. Behalve door dit aardenwerk is de cultuur gekenmerkt doordat zij minder afhankelijk was van de jacht dan van de veeteelt, dat er handel gedreven werd en dat het karakter ervan kennelijk nogal oorlogszuchtig was aangezien er veel schedels gevonden zijn met gaten in het achterhoofd.
Sommige vondsten doen vermoeden dat er in die tijd al uitgebreid handel gedreven werd – tot in Zwitserland toe. Maar omdat in het Meerdaalwoud niet of nauwelijks splijtbare harde vuursteen te vinden is moest men daar voor naar andere oorden zoals de vuursteenmijn bij Bergen in Henegouwen (de mijnen van Spiennes staan op de lijst van UNESCO werelderfgoed en je kan ze bezoeken). Er moet dus al in die tijd al een uitgebreid netwerk van paden geweest zijn waarbij je moet weten dat alle goederen (dus ook de vuursteen) te voet moest worden getransporteerd omdat het gebruik lastdieren of karren nog niet was uitgevonden.

Uit de laatste millennia voor onze tijdrekening – op de grens waar de mens van stenen op metalen voorwerpen overschakelde – dateert vermoedelijk de prehistorische nederzetting waarvan de resten zich bevinden op het boven de vallei van de Molenbeek (Ruisseau de Nethen, La Nethen) uitstekende plateau van Saint-Nicaise (spreek uit: nikaise) op het grondgebied van Hamme-Mille, vlak achter de boerderij-villa in het Bois de Saint-Nicaise op de rand van de steilte boven le Forge de la Moulin.
Hier was een versterkt kamp, naar het noorden toe afgeschermd door een opgeworpen verdedigingswerk. Nog zichtbaar is een aarden wal van ongeveer een meter hoog, 9 meter breed, in een halve cirkel met een straal van 50 meter. Aan de zuidkant is de rivierkant steil en wel 25 meter diep zodat daar geen verdedigingswerk nodig was. De eigenlijke nederzetting stond tussen de aarden wal en de riviervallei. Op deze plaats werd verbrande hutteleem gevonden en afval van vuurstenen werktuigen (silex). Op bladzijde 51 in ‘Miradal’ vind je een schets van zo’n nederzetting. Overigens diende de wal waarschijnlijk ook om de dieren naar wens binnen of buiten te houden.
Vlak ten noorden van de wal zijn er zes prehistorische grafheuvels en verder in het bos nog vier, allen uit dezelfde periode als het kamp. Een daarvan bevindt zich in het Warandedal in de buurt van de vijver. Op andere plaatsen in en rond het woud waren of zijn er nog meer van dergelijke heuvels.

Als je ze weet zijn kan je de heuvels meestal wel terugvinden hoewel in het begin van de twintigste eeuw de zichtbaarheid veel beter moet zijn geweest dan vandaag omdat er toen (even) geen bomen stonden. De wal is nauwelijks zichtbaar of alleszins toch slechts met enige verbeelding apart te onderscheiden. De wal zelf heeft de archeologen wel voor enkele raadsels geplaatst omdat zij er voorwerpen uit verschillende tijden en van allerlei aard in hebben gevonden. Tegenwoordig denkt men dat net als tegenwoordig onze voorouders hun afval gebruikten voor van alles en nog wat en dus ook om er zo’n wal mee te maken of te verstevigen.
Achter de nederzettting bevindt zich ook een opvallende zeer grote metersdiepe kuil in de vorm van een omvangrijke rechthoek. Vlak bij de boerderij is nog zo’n kuil, maar veel kleiner. Hierover vond ik nog niets in de literatuur. Soortgelijke kuilen elders in het woud wijzen op prehistorische landbouw-beoefening (uit de kuil werd kalk opgedolven om de grond van de nabijgelegen akkers te verbeteren). Of de kuilen op het Plateau van Saint-Nicaise ook daarvoor werden gebruikt weten we niet maar wat je wel kan zien is dat de omgeving ervan opvallend vlak is en dat kan wijzen op de aanleg van akkertjes heel lang geleden.
De Romeinen hebben – zoals een gewoonte is bij veroveraars – achteraf het beeld doen ontstaan dat het ging om een zeer primitieve beschaving maar dat moet waarschijnlijk wat bijgesteld worden. Te zien aan de omvang van hun nederzetting kunnen ze niet met veel geweest zijn, een twintigtal tegelijk en waarschijnlijk trok de gemeenschap ook wel af en toe eens verder. De huizen waren van hout en leem met strooien daken.

Heel oud werden de mensen niet, zo rond de dertig jaar schatten de archeologen. Waarschijnlijk was de kindersterfte hoog maar wie daardoorheen kwam kon wel een stuk ouder worden. Van landbouw wisten ze opmerkelijk veel en het is tamelijk zeker dat ze ook de dieren hielden die we vandaag nog kennen: koeien, varkens, schapen, geiten, kippen maar ook katten en honden. De jacht was belangrijk maar om aan vlees te komen werd er ook geslacht. Het paard schijnt pas veel later in dienst te zijn gekomen. Zoals gezegd bemestten zij hun akkertjes met de kalk en leem die in de bosbodem vlak onder oppervlakte zit en om die op te halen groeven ze grote kuilen. De Romeinen pasten veel later die methode ook nog toe en lieten een merkwaardig plantje achter dat je normaal niet op de zure bosgrond zal aantreffen: maagdenpalm. Ongetwijfeld wisten ze zeer veel over eetbaarheid en geneeskracht van de hen omringende planten, bloemen en zwammen.
Gekookt werd er in de in houtskool gebakken potten en schalen. Bomen werd omgehaald met vuurstenen bijlen, speren en pijl en boog dienden om te jagen of om vijanden te bestrijden. Ze woonden hoog en droog op het plateau voor hun veiligheid en water was toch dichtbij in de vallei. Hout was in overvloed aanwezig maar de steen werd aangevoerd van de mijnen in Spiennes (Mons). Die stenen werden niet allen gebruikt om wapens of landbouwwerktuigen te maken maar ook om er mee te snijden, te malen, leer te looien (het schrabben van de binnenkant van de dierenvellen om die zacht te maken) of als weefgewicht.

Rond hun vuren zongen ze liederen en werd gedanst. Dat de vrouwen al verf gebruikten om hun haren en kleren te versieren is waarschijnlijk, even zo goed als dat de mannen al sterke verhalen vertelden en moppen tapten want dat is van alle tijden. Kinderen moesten veel leren en al meteen helpen in het huishouden maar we denken dat ze ook speelgoed hadden en dieren voor hen alleen.
Vermoedelijk moest er voortdurend gewerkt worden om te leven en het was zeker geen romantisch aards bestaan want in ons klimaat is de natuur allerminst lieftallig maar eerder meedogenloos voor wie zwak is of de kansen niet weet te benutten.
Over hun goden weten we niets maar heel de natuur was een en al magie waarmee terdege rekening moest worden gehouden. En wie het aards bestaan verliet werd na verbranding samen met zijn of haar beste aardse bezittingen in een grafheuvel bijgezet op weg naar een nieuwe toekomst.
Op die heuvels staan tegenwoordig bomen, maar in die oude tijd waren ze waarschijnlijk omgeven door een houten hekwerk en greppels om de wereld van de doden te scheiden van die van de levenden en was er een grasveld rond. In één heuvel zijn meerdere generaties bijgezet, oorspronkelijk in boomkisten, later gecremeerd in urnen. Grafgiften werden meegegeven om de dode in het nieuwe leven bij te staan.

In 1906 onderzocht archeoloog Charles Dens – nog in opdracht van de hertog van Arenberg – vier van de grafheuvels. Hij ontdekte dat overledenen steeds op dezelfde plek werden verbrand, samen met meegegeven gebruiksvoorwerpen. De resten werden iedere keer toegedekt met een laag aarde, zodat met de jaren of eeuwen de heuvels steeds hoger werden. In de heuvels werden in de asselagen verkoolde beenderen gevonden maar het is niet altijd duidelijk of die van mensen of dieren zijn.
In een ervan vond men aardenwerkscherven uit de ijzertijd en een bronzen naald. Die naald is het enige metalen voorwerp dat gevonden is maar uiteraard kan het zijn dat bij vroegere plunderingen er veel meegenomen is. In een andere heuvel werden aardenwerken scherven gevonden uit dezelfde periode en uit een derde heuvel groef hij een bewerkt benen voorwerp op, wellicht de sluiting van een halssnoer. Op grond van dit alles dateerde Dens het kamp in de ijzertijd (2800-2000 voor onze jaartelling). IJzeren voorwerpen zijn dus ook nooit gevonden maar behalve door plundering kunnen die ook door verroesting zijn verdwenen. Overigens is geen van deze vondsten bewaard gebleven want ze werden afgevoerd naar het kasteel van de Arenbergs in Heverlee maar daar zijn ze in de loop van de tijd verdwenen.
In 1927 startte Edmond Devadder, Dens’ opvolger – in opdracht van de Belgische staat – een archeologisch onderzoek waarin hij zich helemaal concentreerde op het plateau van Nicaise en De Warande. In dit nieuw onderzoek kwamen er naast verkoolde mensenbeenderen en de overblijfselen van een grote haard ook twee potten aan het licht die duidelijk bleken thuis te horen in de bronstijd (dus nog zo’n 1200 jaar ouder). Tegelijkertijd ontdekten de onderzoekers op het plateau een grote hoeveelheid vuurstenen voorwerpen zoals klingen, krabbers, pijlpunten en stukken van gepolijste bijlen die allen wijzen op een veel oudere bewoning in de nieuwere ijstijd, dus zo’n tien- tot zesduizend jaar voor Christus.

Deze vondsten, samen met een dagboek, een schets van het terrein, een getypt opgravingsverslag en een inventaris van al wat er al eerder op deze plaats gevonden werd, bevinden zich vandaag de dag in het Koninklijk Museum voor Kunst en Geschiedenis in Brussel.
Nadien zijn nog vondsten gedaan door leden van de lokale vorsersgroep Hona (Homo et Natura) , boswachters en liefhebbers-archeologen, maar verdere systematische opgravingen laten nog op zich wachten en dat is jammer want de opgravingsmethoden van het begin van de vorige eeuw waren uiteraard nog bijzonder primitief en hebben waarschijnlijk ook veel sporen vernield die met moderne methoden zouden zijn opgemerkt.
Foto’s van al die vondsten en beschrijvingen van wat er in elke grafheuvel gevonden is, vind je in de onvolprezen licensiaats-thesis van Sara Adriaenssens aan de VUB in 2006. Dankzij dit werk hebben we een goed overzicht van alles wat er aan historisch erfgoed in het Meerdaalwoud en Heverleebos gevonden is. Een samenvatting ervan is opgenomen in het boek ‘Miradal, Erfgoed in Heverleebos en Meerdaalwoud.
Omdat de natuur alles altijd bedekt met bomen was er vele jaren voor de bosbezoeker niet veel te zien maar dankzij het recent historisch ontsluitingsproject ‘Miradal’ is er hier en daar de te dicht begroeiing van de grafheuvels verwijderd en zijn er houten paaltjes geplaatst met een nummer dat verwijst naar een specifieke bladzijde in een wandelbrochure (zie de bronvermelding hieronder).

Waar de mensen gebleven en waarom ze vertrokken zijn weten we eigenlijk niet. Sporen van de Romeinen en de Kelten zijn op het plateau niet aangetroffen (verderop in het woud wel).
In de tijd van de Heilige Nicasius en de Hertog van Brabant waren ze er al niet meer en sindsdien is het plateau nooit meer echt bewoond geweest behalve dan door de eigenaar van die ene grote hoeve-met landbouwmachines op de rand van het plateau.
Besluit
Mijn advies is om zeker eens op dit plateau een kijkje te nemen. De grafheuvels zie je het beste in de winter maar de helling waarboven de nederzetting zich bevond biedt in alle seizoenen een spectaculaire blik door de beuken die er op staan en door zijn steilte. Vanaf de hoeve aan de bosrand aan het einde van de Ruelle Saint-Nicaise en de Rue Bois Nicaise ga je links in de richting van het dal. Je daalt af tot aan een smal paadje naar rechts midden op de helling en je volgt dat maar. De nederzetting torent boven je uit en beneden je zie de plekken water en de rand van het bos waar de Ruisseau de la Néthen stroomt. Naar die beek kan je ook afdalen en dan kom je over een wat bouwvallig bruggetje terecht aan het waterzuiveringsstation. Overal zie je sporen van everzwijnen en reeën en als je vroeg genoeg bent zie je de dieren zelf ook wel eens als je geluk hebt. Terug boven zoek je met de kaart in de hand verder je weg langs de vele paden. Meestal zijn die goed te doen, hier en daar is het steil maar je bent de eerste niet die een paadje om de steilte heen zal vinden.

+++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++
Hans Baeté, Marc De Bie, Martin Hermy en Paul Van den Bremt – Miradal, Erfgoed in Heverleebos en Meerdaalwoud; Davidsfonds/Leuven 2009; ISBN: 978-90-5862-624-8 – nog verkrijgbaar bij Vrienden van Heverleebos en Meerdaalwoud VZW.
+++
https://docs.google.com/file/d/0B-o-XUhsphXnSW5laHFIa2tRRnM/edit) : Sara Adriaenssens – een archeologische prospectie van Heverleebos en het Meerdaalwoud, VUB-licentiaatsthesis, 2006-2007 (dit is geen officieel gepubliceerd document , graag alleen gebruiken met volledige bronvermelding en met inachtneming van auteursrechten)
+++

MIRADAL – Ontdek je erfgoed in Hverleebos en Meerdaalwoud – brochure (met kaart) uitgegeven in 2014 (te verkrijgen bij de Geschied- en Heemkundige Kring van Oud-Heverlee)
(er is ook een Franstalige versie)
+++
Voor een fototentoonstelling kan je terecht bij de Geschied- en Heemkundige Kring van Oud-Heverlee
+++
(http://nl.wikipedia.org/wiki/Michelsbergcultuur:
SILEX’S Bergen | De neolitische vuursteenmijnen van Spiennes
walloniebelgietoerisme.be › content › silexs-bergen-de-…
+++
Spiennes (http://nl.wikipedia.org/wiki/Spiennes
+++
Over de heilige Sint Nicasius: http://saints.sqpn.com/saint-nicasius-of-rheims/
+++
Over Valduc: http://ernstguelcher.blogspot.com/2013/04/aan-de-zuidkant-van-het-meerdaalwoud.html

Trefwoorden: meerdaalwoud, miradal, plateau van nicaise, erfgoed, prehistorie, michelsbergcultuur, archeologie, valduc, arenberg, charles dens, edmond devadder,
Oktober 2020, Ernst Gülcher
version française: à suivre

In Vlaanderen zijn ze nog veel te weinig bekend maar in Wallonië kan je er niet naast kijken: als je op stap gaat in het land van de Dijle en je ziet twee mensen – tegenwoordig heel dikwijls vergezeld van een groepje enthousiaste vrijwilligers – met een bootje in de rivier met op de oever een grote troep vuilnis, dan zie je Ann-Laure Furnelle en Marc Verheyden van de VZW Aer Aqua Terra aan het werk.
Ik kwam ze kort geleden nog eens tegen aan dat mooie riviertje La Néthen aan de zuidkant van het Meerdaalwoud en ik moest opnieuw denken aan die oude legende die je wel kent en die ongeveer gaat als volgt: ‘er was eens een koppel jonge mensen en ze woonden aan de mooiste rivier van het land. Ze konden die echter niet zien omdat er tussen hun huis en het water een oude afvalberg stond van zowat een kilometer hoog met allemaal van die materialen die de natuur niet kan afbreken. Er was al veel over geklaagd, vergaderd, geschreven en geconfereerd met opruimingsaanbevelingen voor de ‘verantwoordelijke instanties’ maar het hielp niets.
Integendeel, de berg leek elke dag groter te worden omdat afval altijd méér afval aantrekt, zeker als je er niets aan doet. Bovendien zag het er naar uit dat het zo zou beginnen te stinken dat je er alleen nog maar met mondmaskers langs zou kunnen.

Op een dag waren ze het beu en ze besloten het zootje zelf weg te ruimen om hun zicht op de wereld terug te krijgen. Zo gezegd zo gedaan, ze trokken er alle dagen op uit met hun emmertjes, schepjes en een kruiwagen en begonnen de berg af te graven. Soms bleven er mensen staan en af en toe kwam er ook wel eens iemand helpen maar zoals je begrijpt ging het niet erg snel want zo’n berg is erg groot en een kruiwagen is maar heel klein en bovendien was het ook niet zo duidelijk waar je met al die troep naar toe moet als je geen vergunning, invloed en geld hebt. Maar ze hielden vol want met verstand, energie, geduld en goede zin kan je tenslotte alles bereiken wat je wilt dachten ze.
Op een dag zag de god van de vallei ze bezig en hij besloot om ze een handje te helpen. Hij stuurde een paar engelen en die pakten heel die berg in één keer mee en daarmee was het probleem opgelost.
Jammer genoeg hebben we in de Dijlevallei niet meer van zulke goden en moeten we als mensen onze eigen afvalbergen opruimen en er geen nieuwe bijmaken. Of dat gaat lukken mag je aan jezelf vragen (je mag ook komen helpen) maar in dit verhaal ga ik even met Ann en Marc mee langs La Néthen om je te vertellen welk belangrijk werk zij daar doen (ze lachen veel maar het was en is niet altijd zo gemakkelijk!) en je er een paar ‘natuur’foto’s van te laten zien. Tip: kijk ook eens op hun mooie website en facebookpagina.

La Ruisseau de la Néthen zie je op de kaart als een blauw kronkelend lint tussen iets ten westen van Beauvechain en de Dijle in Sint joris Weert. Vanaf zijn ietwat onduidelijke bron in de bebouwde kom tussen de Rue du Village en de Ruelle de la Cure volgt hij de door hemzelf uitgeslepen vallei altijd op het diepste punt langs Tourinnes-la-Grosse, Hamme-Mille en Néthen om in Sint Joris Weert een beetje opgestuwd te passeren langs het nieuw gemaakte rad van watermolen Vandenbempt.
Stroomopwaarts zijn er nog twee voormalige watermolens, die aan het kasteel van Valduc (op die plaats is de rivier omgeleid, de molen is er nog helemaal) en die aan de Rue des Claines (de voormalige ijzermolen is nu een woonhuis). Al die molens hebben een indrukwekkend verleden maar dat is een ander verhaal.
Het is een heel mooie waterloop die op veel plaatsen als natuurgebied beschermd is en zeker bijzonder omdat hij overal onderlangs het zuiden en westen van het Meerdaalwoud stroomt. Iets ten noorden van Hamme-Mille komt de Nodebais erbij in het natuurreservaat Le Grand Brou dat ook moet dienen als ‘bassin d’orage’. Ten zuiden van Hamme-Mille is er nog een natuurreservaat met dezelfde functie. Vanuit het bos komen ook de Warandeloop en de Paddenpoel op de Néthen aan.

In het verleden kon bij hoge waterstand de watermassa overal in de vallei worden opgevangen maar omdat de mensen hun huizen op veel plaatsen er te dichtbij gezet hebben en plaatselijk de beek teveel hebben gekanaliseerd zijn er blijkbaar nogal eens overstromingen en dat wordt er met de klimaatverandering niet beter op. Het water is helder maar ondanks het waterzuiveringsstation aan de Rue des Claines zou ik er toch maar niet van drinken want de beek heeft een beetje al te lang als open riool gediend.
Hij stroomt flink want op een totale lengte van zo’n 15km daalt hij af van een hoogte van 95m naar 30m. Als je al die troep ziet op de foto’s is het in de eerste plaats onbegrijpelijk waarom vroeger en nu nog altijd zoveel mensen hun overbodige spullen in dat water dumpen. Veel plastiek zal er wel met de wind in terecht komen en betonnen afrasteringspalen kunnen er ook wel invallen maar waarom zou je de moeite doen om je zware autobanden, motorfietsen, bidons, schoenen, waterketels, ijzeren paardenspannen en zelfs speelgoedpoppen naar hier te brengen om ze in het water te gooien in een samenleving waar iedere belastingbetaler betaalt voor een georganiseerde en zelfs selectieve afvalophaling? Wie het antwoord weet mag het graag zeggen.
De Néthen en de andere rivieren in het stroomgebied van de Dijle: wat er in gegooid wordt moet er uit en met woorden zal dat dat niet lukken! Dat werd in 2012 het persoonlijke credo van Ann-Laure na alweer een internationaal rapport over de schadelijkheid van afval in onze waterlopen en die van de rest van de wereld.

Wat toen begon als een individueel en even later met de komst van Marc als een tweepersoons avontuur werd zeer snel een dagelijkse strijd voor de reiniging van rivieren, oevers en verwilderde natuurplekken. Het sleuren met afval in alle seizoenen en het selecteren, tellen en wegen van al die troep heeft voor hen geen geheimen meer.
Sedert 2015 werken ze in nauwe samenwerking met de Franstalige organisatie ‘Le Contrat de Rivière Dyle Gette’ en op 1 januari 2017 zag de VWZ AER AQUA TERRA het licht. Sindsdien gaat de aandacht voor hun werk in stijgende lijn met milieuprijzen, persaandacht, bezoeken van persoonlijkheden (de Koning is nog niet geweest maar is altijd welkom) en steun van oever-gemeenten en de provincie Waals-Brabant.
Maar toch blijft het dweilen met de kraan open met zijn tweeën en de hulp van mede-vrijwilligers. Op hun website vind je overzichten van de systematische schoonmaakacties op al de rivieren in Waals-Brabant en de Néthen komt daarin opvallend vaak voor. In 2015 begon een actie in beek ter hoogte van het dorp Néthen en toen werd al direct duidelijk dat de voltooiing daarvan een werk van lang adem zou worden.

Het werk werd voortgezet in 2016 op het domein van Savenel en ik lees dat om een strook van 960m schoon te maken 46 werkdagen nodig waren! In 2017 werd tussen de Rue des Claines en Hamme-Mille een volledige bidon met Round-Up opgevist die als bewijs kan dienen hoe gevaarlijk zulk afval kan zijn voor het leven van planten en dieren in en rond het water.
Alles bij elkaar werden in die twee jaren over een afstand van 2572 meter en na 123 werkdagen 332 zakken huisvuil opgevist, 23 zakken PMC, 16 autobanden, 1660 flessen, 365 zakken plastic en 1388 kg oud metaal. Bij dat metaal zaten allerlei auto-onderdelen (dikwijls bevuild door motorolie) maar er was ook een geweer en munitie bij en veel prikkeldraad. Dikwijls gaat het ook om grote of gevaarlijke stukken zoals vast tapijt, ballatum, dekzeilen, platen, vensterglas en medicamenten. Een probleem apart vormen de kledingstukken waaronder grote zoals mantels en schoenen of hele kleine zoals ondergoed en maandverbanden.
En omdat alles onder het zand verborgen zit volstaat het niet om één ronde te doen maar vind je bij elke terugkomst nieuwe zaken. Toch even vermelden dat plaatselijke vrijwilligers van de natuurorganisaties en de jongerenverenigingen in aanzienlijk aantal aan deze acties meehielpen (zie de foto’s op de website).

Jij gooit het er in, wij halen het er uit! Een riviertje zoals La Néthen maak je niet in één keer schoon en jammer genoeg komt er ook altijd weer bij. Alles wat er in terecht komt wordt door de natuur afgedekt en als je de bovenste afvallaag er uithaalt stuit je daaronder op oudere resten. Wat opvalt is dat alles wat er uitkomt bijzonder goed bewaard bleef door het gebrek aan zuurstof onder water maar dat het er wel vreselijk uitziet bij het opvissen en soms kunnen de dikwijls jonge vrijwilligers het niet aanzien want er zijn grenzen aan het menselijk incasseringsvermogen.
Het gevaar van al die onverteerbare voorwerpen is dat ze bijdragen tot erosie van de oevers maar ook tot overstromingsgevaar omdat ze de stroom blokkeren. Een apart probleem vormen zaken zoals harde en zachte plastiek omdat dat een materiaal is dat niet afbreekt maar wel door de stroom en de kracht van het water in kleine en altijd kleinere fragmenten uit elkaar scheurt en al die deeltjes worden door het water meegevoerd om vroeg of laat in de zee uit te komen.
Maar niet alleen de biologisch niet afbreekbare spullen veroorzaken problemen, ook onvoorzichtig omgaan met organisch afval kan schadelijke gevolgen hebben. Ann wees me op een grote hoeveelheid snoeihout die arbeiders van elektriciteitsbeheerder ORES (Opérateur des Réseaux Gaz et Electricité) uit het zicht hebben opgestapeld achter een electriciteitskast vlak op de oever in Wéz. Als dat in de rivier terecht komt kan het de hele waterloop afdammen en zeg dan maar niet dat de bevers het gedaan hebben!

In 2018 en 2019 concentreerde AER AQUA TERRA zich op andere rivieren maar in 2020 was La Néthen opnieuw aan de beurt. Tot ontzetting van de vrijwilligers kwam er in juni een volledige mensenschedel te voorscheen maar hoewel dat de nationale pers haalde komt zoiets blijkbaar wel vaker voor.
Soms zie je een paard aan het werk. Dat is de brave Quinoa die werkt voor de VZW Cordiante. Dat is een organisatie om jongeren met een mentale handicap in te zetten voor maatschappelijke werken en je kan hen vinden op de Ferme de l’Abbaye de Villers-la-Ville. Het zijn duidelijk ervaren professionele werkers want in minder dan geen tijd laadden ze alles wat op de oever klaarstond op hun kar om het klaar te zetten om naar het containerpark te worden afgevoerd.
En ook bij deze actie stond er véél klaar dankzij het werk van jongeren van het Maison des Jeunes de Braine l’Alleud, een heel aantal scouts – onder meer uit Beauvechain – en enkele volwassen vrijwilligers van diverse pluimage. In totaal hebben zo’n 21 mensen meegewerkt maar of er ook vrijwilligers bij waren uit Grez-Doiceau (Néthen) heb ik eigenlijk niet gehoord (ik zou het graag willen weten ….).

Het inzetten van paard en wagen is dikwijls nodig want je kan op heel veel plaatsen niet met een vrachtwagen ter plaatse komen en dat is ook het geval aan deze beek op het stuk tussen Wéz en Hamme-Mille ondanks het feit dat er wel een veldweg is, namelijk de bedding van de voormalige buurttram Zwarte Jean.
Op het stukje van zowat een kilometer tussen Wéz en het zuiveringsstation werd deze keer in vijf dagen 1036 kg afval opgehaald, in totaal 7 kubieke meter onverteerbare rommel ofwel 22 zakken (pour ‘une Wallonie plus propre’) huishoudelijk afval; 8 zakken plastiek, 54 glazen flessen (leeg), 9 autobanden, 315 kg oud metaal en nog eens 330 kg materialen voor het containerpark. Wie zijn spullen herkent of het kan gebruiken mag het allemaal gratis komen ophalen maar je moet wel snel zijn.
Met Ann en Marc van AER AQUA TERRA op de Ruiseau de la Néthen : nettoyage en cours. Ok, wij gooien het er in en zij halen het er uit. Allemaal vrijwilligerswerk en alom bewonderd en geprezen. Aandacht in de pers en op TV, loftuitingen allerhande en de ene milieuprijs na de andere. Maar wat gaat de toekomst zijn?

Van een tweepersoonsactie in 2014 organiseert de kleine VWZ sinds 2015 ieder jaar een volledige campagne om systematisch de rivieren in Franstalig Dijleland schoon te maken en te houden. Dat is een forse ambitie want het gaat over zo’n 1000 km van in het verleden ferm vervuilde waterlopen waarvan de Néthen er maar een kleine is.
Op het grondgebied van Gréz Doiceau stroomt vooral Le Train maar ook de Piétrebais en dan heb ik het nog niet over La Dyle zelf want die beschouw ik als ‘bovenlokaal’. Daarnaast kwamen en komen aan de beurt: Grande Gette, Petite Gette, Ruisseau Henri-Fontaine, de Orbais, de Orne, La Houssière, L’Ornoy, L’Argentine en de Lasne.
Meestal wordt in de winter gewerkt of in de lente als de begroeiing nog niet uitgelopen is en de vissen nog niet aan hun seizoen begonnen zijn. Het jaar 2020 startte met een grootse aankondiging in het kader van ‘BeWapp’ ofwel ‘Ensemble pour une Wallonie Plus Propre’. De tussenkomst van het gemene Covid 19 virus en de daarop volgend ‘confinement’ leverde heel wat moeilijkheden op maar lijkt dankzij de toestroom van vrijwilligers en de ondersteuning van de provincie en de gemeenten toch een succes te worden. Met de ondersteuning door het Contrat de Rivière Dyle Gette dienen zich uiteraard mogelijkheden aan om de zaken op professionele manier aan te pakken.

Op de website lees ik dat in totaal in 2015 20 ton afval werd opgevist, in 2016 21 ton, in 2017 25 ton, in 2018 34 ton en in 2019 29 ton. En dat dus allemaal met de hand! Voor de treurige details kan je terecht op de website maar geef je er graag rekenschap van dat om administratief in orde te zijn (bijvoorbeeld voor het containerpark) alles door Ann en Marc tot in detail moet gewogen, geteld en geselecteerd worden.
Voor de acties zelf komen blijkbaar wel veel vrijwilligers opdraven, vooral jongeren denk ik, in 2019 waren dat er maar liefst 600. Wanneer bepaalde stukken afval te zwaar zijn om met de hand uit de rivier te worden getild moet er een hijskraan aan te pas komen en daarbij wordt er soms geholpen door de gemeentelijke technische diensten maar ik zie toch vooral de naam opduiken van BIG MAT uit Grez-Doiceau die als ondernemer zijn vrije zondagen ter beschikking houdt voor het zware werk. Maar ook de daarvoor nodige afspraken moeten door hen beiden worden geregeld. En hetzelfde geldt voor alle vraagstukken van financiering en subsidiëring.
Als erkende VZW komen ze tegenwoordig wel in aanmerking voor belastingvrije giften maar toch vraag ik mij af of een werk van deze omvang louter op basis van vrijwilliger-statuten en vrijwillige medewerking van instanties moet blijven gedaan worden. Uiteindelijk gaat het toch allemaal om zogenaamde ‘onbevaarbare waterlopen’ en het onderhoud daarvan komt voor de verantwoordelijkheid van de Provincie en gemeenten.

Dat veronderstelt minstens een professionele monitoring, bijvoorbeeld om vast te stellen wanneer en waar en waarvandaan er nieuw afval in het water terecht komt en de opstelling van een goed gefinancierd werkprogramma om zowel het historische als het nieuwe afval te verwijderen, af te voeren, te verwerken en daders in kaart te brengen en te sanctioneren.
Ik denk dat het laatste woord hierover nog niet gezegd is. Met deze bedenking ben ik wel rond met deze reportage. Maar het zal wel niet de laatste keer zijn want ik vind dat Ann en Marc heel erg belangrijk werk doen.

+++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++
https://aeraquaterra.wordpress.com/page/2/
Aer Aqua Terra asbl – Stop Déchets Errants | Voor een proper …
+++
https://www.facebook.com/pages/category/Community/Aer-Aqua-Terra-asbl-101586747009361/
Aer Aqua Terra asbl – Startpagina | Facebook
nl-nl.facebook.com › … › Aer Aqua Terra asbl
+++
https://www.giveaday.be/nl-be/vrijwilligerswerk/vacature/nettoyage-de-riviere-la-nethen/10383
+++

Aer Aqua Terra, une nouvelle asbl au service de nos rivières !
www.crdg.eu › dechets-cours-d-eau
+++
+++
https://upbeauvechain.be/tag/aer-aqua-terra/
Aer Aqua Terra – Unité Pastorale de Beauvechain
upbeauvechain.be › tag › aer-aqua-t…

Trefwoorden : milieuvervuiling, afval, rivier, la néthen, aer aqua terra, ann-laure furnelle, marc verheyden, cordiante, contrat de rivière dyle-gette, beauvechain, gréz-doiceau,
KUNST, NATUUR EN HET GOEDE LEVEN
Ernst Gülcher
Oktober 2020
ernst.guelcher (at) telenet.be
klik op de foto om de originele versie te zien
Version Francaise à suivre

Nodebais, deel van Beauvechain en vlak over de taalgrens gelegen. Vlakbij en toch niet zo erg bekend bij Vlamingen. Misschien is dat maar goed ook want als er te veel vermoeide stedelingen van-bij-ons daar zouden willen gaan wonen denk ik dat het landelijke en artistieke karakter van dit mooie dorp wel snel in de verdrukking zou kunnen raken. Tot nu valt het nog wel mee, je hoort er wel veel Vlaams maar dat komt toch vooral voor bij huizen die aansluiten op het behoud van het historische landelijke patrimonium met veel natuur rond de woning, respect voor een wat meer schilderachtige manier van bouwen en ook heel veel groene ruimte met dieren en bomen in de bebouwde kom.
Ik kom er echt heel graag om vanaf de vijver met reigers midden in het dorp (waar vind je dat nog?) op zoek te gaan naar het kapelletje Gosin, La Ferme d’Agbiermont, een hele reeks andere klassieke oude vierkanthoeves, het kerkje met pastorie en kapel, de watermolen, maar ook naar de tramdijk van Zwarte Jean met het mooie gerestaureerde tramstation en het natuurreservaatje met ‘bassin d’orage’ Le Grand Brou. Nodebais ligt vlak aan de drukke Chaussée de Namur maar omdat het verscholen ligt in het valleitje van de beek waarnaar het genoemd is merk je daar niets van en ik geniet er altijd van de rustige stilte die in de dorpen aan de Vlaamse kant van de taalgrens bijna overal verloren is gegaan.

Het woord ‘Node’ is blijkbaar een oud Frans woord voor ‘weide’ en in Nodebais is er nog veel weidegrond tussen de huizen en voorlopig zonder bordje ‘bouwgrond te koop’. Het woord ‘Bais’ staat natuurlijk voor het beekje dat slecht enkele honderden meters stroomopwaarts niet ver ten zuiden van het dorp uit de helling tevoorschijn komt, met een kanaaltje langs de Chemin des Soeurs naar de molenvijver stroomt en dan als een echte beek richting Ruisseau de la Néthen en het ‘bassin d’orage’ gaat.
Een beetje geschiedenis
Een beetje geschiedenis. Nodebais bestaat al in het jaar 1000 wanneer Gravin Alpaïde, de laatste heerseres over het Graafschapje Brunerode en stichtster van het chapiter van Hoegaarden al haar bezittingen in deze omgeving afstaat (met Nodebais inbegrepen) aan de abdij van Hastière (Waulsort), dat wil zeggen juist binnen het Prinsbisdom Luik. Daar zijn oorlogszuchtige moeilijkheden van gekomen tussen de heren van Luik en die van Leuven waarbij uiteindelijk heel het Brunerodegebied in handen komt van de Hertog van Brabant op een paar enclaves na zoals Hoegaarden zelf maar ook Chaumont en Beauvechain. Vandaag is Nodebais samen met Tourinnes en Hamme-Mille deel van Beauvechain. Maar op de Ferrariskaart van 1777 zie je de grenzen van die enclave en wat blijkt: Beauvechain en Tourinnes liggen er juist binnen maar Nodebais valt er net buiten (zie de afbeelding). Daaruit begrijp ik dat de Hertog van Brabant zich vanuit Leuven de wereldlijke heerschappij over Nodebais heeft toegeëigend terwijl de geestelijke overheid het in die tijd vanuit Luik/Waulsort voor het zeggen had met zetel in het plaatselijke bijgebouw van de abdij, nu de Ferme d’Agbiermont.

De naam Nodebais wordt ook gebruikt door enkele leden van het geslacht de Tilborg die tijdens het bewind van de Hertog van Brabant Henri I in deze omgeving blijkbaar grote bezittingen hadden. In 1230 was er dan ook nog een ridder Gilbert die van Nodebais kwam. In 1371 wordt het dorp met de naam ‘Nodebeke’ vermeld op een lijst van steden die van de Hertog van Brabant een hele reeks privileges verkregen en om die te krijgen moeten de dorpelingen de hertog gesteund hebben in belangrijke economische en krijgszuchtige zaken. Als je dus bij de volgende bezoek in Nodebais langs de Ferme des Vignes door de Rue de la Justice komt, weet dan dat in de middeleeuwen daar op de driesprong misschien een eik of linde stond waaraan je op last van de Hertog van Brabant ter afschrikking kon worden opgehangen na te zijn terechtgesteld op het schavot in Leuven. Maar ik geef toe dat ik hiervoor geen enkel bewijs of getuigenis heb gevonden en op oude kaarten is ook niets te zien.
De onafhankelijke “République Royale Libre d’Oultre Nodebay”
Alles bij elkaar heeft dit alles de bewoners van dit dorp van kunstenaars niet tegengehouden om een ferm onafhankelijkheidsbewustzijn te koesteren waarbij nog in 1976 een groepje burgers op initiatief van het kunstenaarsechtpaar Kira en Claude Rahir samen met kunstenaar-vrienden zoals Max Van der Linden, Lucienne Camus en André Kersten unilateraal de onafhankelijkheid van het dorp uitroept door de oprichting van de République Royale Libre d’Oultre Nodebay’. Het moet een gezellige republiek geweest zijn met jaarlijkse feesten en een rabarberwijn met geheim recept als bindmiddel voor verdraagzaamheid tussen mensen van alle culturen en opvattingen als motto. De wapenspreuk van de republiek lees je op het dak van het huis van Kersten aan de Chemin des Soeurs: ‘Rian todi tin qu’ l’est co timps’ ofwel ‘laten we lachen nu het nog kan’. Die wapenspreuk is nog altijd overduidelijk te lezen en ik vind hem eigenlijk in onze tijd nog meer toepasselijk dan in de jaren dat hij bedacht werd.

Vandaag de dag is het in Nodebais toch wel iets gekalmeerd denk ik want het ziet er overal erg braaf uit (misschien wel iets té braaf), vooral denk ik omdat de oude generatie er ondertussen niet meer is en er ook wel veel nieuwe mensen van buitenaf in het dorp zijn komen wonen met andere gewoonten en tradities. Het valt me ook op dat er geen enkele dorpskroeg te zien is en blijkbaar ook nooit geweest is. Het is allemaal wel erg gemoedelijk, de mensen groeten je vriendelijk, kijken niet wantrouwig en geen aanstalten om de politie te roepen als je huizen en tuinen fotografeert. En dat is fijn want het dorp staat vol met fotogenieke huizen, tuinen en er zijn overal grote en kleine dikwijls aan de natuur gebonden kunstwerken te zien. Zelfs de openbare vuilbakken zijn mooi beschilderd. Op de jaarlijkse november-feesten van Saint-Martin kan je op veel adressen ook een en ander gaan bekijken.
Claude en Kera Rahir, Lucienne Camus, de bio ferme D’Evrard
Het begint al meteen in het centrum waar achter het schooltje – het vroegere gemeentehuis – een atelier staat voor het maken van nestkasten met vlak daarnaast een tuin waarin de meest merkwaardige voorwerpen zijn opgesteld.
Het schooltje zelf heeft trouwens een zijgevel met een verrassende eigentijdse architectonisch uitzicht verrassing in de vorm van een aangebouwd trappenhuis dat helemaal met hout is afgewerkt. Ik vind het wel mooi passen bij het verder heel klassieke gebouw.
Aan de voorkant van de school is een enorme fresco gemaakt in 1995 door de schoolkinderen onder de leiding van Claude Rahir en rond het dorpscentrum tref je op vele plaatsen keramiek aan van Max Van der Linden. In de wortels van de rode beuk op het pleintje zou op initiatief van Claude Rahor een brief van de schoolkinderen aan hun nazaten verborgen zijn maar niemand weet wat er in staat (en helemaal geloven kan ik het niet want de boom is vast een stuk ouder dan 1995). Het wachten is op een lezer die er het fijne van kent.
Op de hoek van de Rue de L’Etang met de Chemin du Jacotia staat op het eerste huis ook een fresco van Rahir, in dit geval door de meester zelf gemaakt.

Op Max Van der Linden kom ik nog terug. Beeldhouwer Claude Rahir wordt in 1937 in Verviers geboren maar woont en werkt in Nodebais tot zijn dood in 2007. Zijn vrouw en actieve geestesgenoot Kira overleed in 2014. Hun huisje en atelier staan in de Chemin du Jacotia op nr.15 en hoewel het wel een verfje nodig heeft kun je het niet missen vanwege de Komeet Hale-Bob die op de gevel is ingeslagen.
Claude Rahir heeft de wereld een monumentaal kunstpatrimonium nagelaten in de vorm van muur mozaïeken, bas-reliëfs, beelden, tuindecor in steen maar ook monumentale muurschilderingen. Typerend voor Rahir is zijn zoektocht naar nieuwe materialen en technieken en de wil om die te integreren in datgene wat de mens al sinds de prehistorie heeft ontdekt en gebruikt. Er zijn nog alle jaren tentoonstellingen met zijn werk dat permanent te zien in vele Belgische steden maar ook in Zuid-Korea, Japan, Bolivia, Jamaica en in Guyana.
Een klein beetje eerder in dezelfde straat kom je op nr.9 al het heel schilderachtige en charmante huis en atelier van Lucienne Camus tegengekomen, bekend om haar beeldhouwwerk. Zij nam nog in 2019 deel aan de Fêtes de Saint Martin en nu de editie van 2020 is uitgesteld naar 2021 zul je wellicht bij haar moeten aankloppen om haar mooie werken van het jaar nog te zien.
De kasseien van de Chemin de Jacotia maken plaats voor een wandelpad en langs het enorm grote groene grasplein met ponies en fruitbomen (met aan de overkant het dak met de hierboven genoemde republeinse slagzin) kom je op de hoek van de Chemin du Vivier de Saint Laurent een mooi gemetseld bronnetje tegen met de mededeling ‘aqua non potable’.
Je staat aan de ingang van een er heel gewoon uitziende grote boerderij. Als toevallig voorbijganger zal je er niet snel binnengaan maar dit is de Ferme Evrard, als familiebedrijf sinds 25 jaar alom in de streek bekend voor de teelt van aardappelen. Maar in de huidige moeilijke tijden is de hoeve duidelijk een aanvullende en veelbelovende weg ingeslagen als bioboerderij voor het kweken van allerhande soorten groenten en fruit die vooral gericht zijn op de verkoop ‘direct du producteur au consommateur’, dat wil zeggen voor de ‘landbouw voor de korte keten’ inplaats van voor de grote agro-industriële markt.

In de winkel op het terrein kan je hun produkten aankopen lees ik op de zeer uitgebreide website en facebookpagina. Kortom, je komt hier dus opnieuw boeren tegen die niet klagen en zich laten doen door de agro-industrie maar die resoluut kiezen voor de toekomst van duurzame biolandbouw.
In de Rue Vivier- Saint Laurent vind je op nr. 5 nog een hoevetje uit de 18de eeuw met originele deur met lijst van witte gobertange zandsteen. Je herkent het onmiddellijk aan de mooi geschilderde brievenbus.
Domein d’Agbiermont
Neem kaart er maar even bij en dat zie je dat deze kasseiweg met de naam ‘Vieux Chemin de Namur’ inderdaad in de oude tijd – dat wil zeggen voor de bouw van de militaire basis – rechtstreeks aankwam op de huidige Chaussée de Namur
Het Domein van D’Agbiermont aan deze oude weg neemt in het dorp Nodebais een zeer speciale plaats in. De naam komt waarschijnlijk van ‘Dagobert-Mont’ wat kan wijzen op een Merovingische oorsprong ergens tussen het jaar 500 en 800. Op het domein bevinden zich zowel het landhuis als de ferme d’Agbiermont. Dat landhuis is de opvolger van een kasteel in Vlaamse nereniassancestijl dat in het bos gebouwd werd 1853 door architect Edouard Laverne uit Leuven op vraag van Baron Maximilien Michaux. De baron was een beroemd geneesheer aan de Leuvense universiteit. In 1849 treedt hij in het huwelijk met Marie Thérèse Gosin, de dochter van de familie Gosin die op de naast het kasteel gelegen hoeve woont. Zij is de in 1907 overleden overgrootmoeder van Max Vanderlinden en de stichtster van de kleine kapel die iedereen kent als ‘La petite Chapelle Gosin’ vlak buiten het dorp. Over die kapel vertel ik hierna. Het kasteel brandt in 1945 af. Nadien werd het grotendeels met de oorspronkelijke materialen als een grote villa terug opgebouwd. Het ligt volledig afgesloten in een park met beroemde bomen, alleen in de winter kan je er iets van zien.


De boerderij wordt al vermeld in de 14de eeuw en is dan in het bezit van de Abdij van Waulsort-Hastière. Op de Ferrariskaart van 1777 heet het ‘Waulsor’. Deze periode eindigt met de Franse Revolutie hoewel er zich nadien opnieuw kloosterlingen van de orde van de Benedictijners gevestigd hebben.
De indrukwekkende gebouwen die je nu ziet dateren vooral van het midden van de 18de eeuw. De vierkantshoeve is merkwaardig door zijn ‘normale’ uitzicht aan de voorkant in de Vieux Chemin de Namur en de steile wand aan de ‘Chemin de la Petite Chapelle’ met de enorme recent gerestaureerde steunberen. De hoeve is sinds 1952 het hoofdkwartier van de familie Vanderlinden die zich in de streek vooral toelegt op de fruitteelt. De boomgaarden tref je hoog op de helling aan de overkant van de Chemin d’Agbiermont naast een recent gebouwde villa die naar ik denk het huidige centrum is van de tuinders-activiteiten van de familie en daartoe hoort sinds enkele jaren ook de productie van wijndruiven. Maar dat is voor later.
Zowel het kasteel als de hoeve zijn op de Waalse lijst van Waardevol Bouwkundig Erfgoed ingeschreven ‘comme monument’ maar toch denk ik niet dat ze echt als zodanig beschermd zijn want hij staat niet op de lijst van ‘monuments classé). In hoevere er gerestaureerd wordt kan je van de buitenkant niet zien en de foto in het beschermingsdossier van de hoeve toont niet de indrukwekkende muur met de grote peilers maar de aan de zijkant hoger gelegen toegang tot de vierkanthoeve. Die peilers zijn altijd een boeiende bron van discussie over het restaureren van oude gebouwen door de aanwending van nieuwe technieken en eigentijdse stijlen.
Tegenover de ferme D’Agbiermont staat de Ferme Delchay, een 18de vierkantshoeve die eveneens ingeschreven is als ‘monument’. Met de steun van de zeer katholieke bewoners van de Ferme d’Agbiermont werd in dit gebouw na de oprichting van de gemengde gemeenteschool aan de vijver de vrije meisjesschool voor basisonderwijs Saint Charles ingericht. De Delchay-school werd geleid door de zusters Annunciaden. Van hier ging men naar de mis in de parochiekerk via de naamtoepasselijke ‘Chemin des Soeurs’. Om die reden heet de hoeve nog altijd ‘l’école’.

Max Van der Linden
De oude hoeve is het geboortehuis van de internationaal erkende keramiekkunstenaar Max Van der Linden. Hij woonde en werkte er van 1922 tot aan zijn overlijden in 1999. Hij moet een uiterst vriendelijk en kleurrijke mens geweest zijn die zich vooral toelegde op religieuze kleurrijke keramiek. Zijn thema’s zijn de muziek, eenzaamheid en dood en hij inspireerde zich op het dagelijkse boerenleven in zijn dorp en de primitieve kunst. Zijn werk kan je op veel plaatsen in het dorp nog zien (in de kerk, het nabijgelegen grafkapelletje, het oorlogsmonument aan de vijver, aan vele huizen in het dorp en op evenzoveel kapellen en andere plekken in de omgeving.
Over de kunstenaar, vind je van alles (zijn persoon en werk, vrienden, les Fetes de la Saint-Martin, de VZW met zijn naam) op de aan hem gewijde website http://www.maxvanderlinden.be/. Daar staat wel al een paar jaar op dat zijn werken pas weer aan het publiek getoond zullen worden als men een goede expositieruimte gevonden heeft in het dorp. Die website is vanwege ‘hacking’ niet meer bijgewerkt maar inderdaad waren tot 2015 zijn atelier en werken nog op de hoeve te zien. Maar sindsdien is de hoeve verbouwd tot privé-appartementen waarin nog lang en naar ik denk nog steeds leden van de familie wonen. Een van hen, Stéphane Terlinden (neef van Max) is bekend door zijn prachtige keramieken en schilderijen. Let op de naamsverandering: Stéphane is de zoon van de zuster van Max. Die zuster huwde een echtgenoot met de naam Terlinden (van het kasteel in Nethen-Savenel) en zo gaan de namen Van der Linden en Terlinden harmonisch samen.
Zijn werken zijn sindsdien niet meer tentoongesteld in Nodebais, behalve dan in La petite Chapelle Gosin, maar in L’Eglise Saint Martin in Tourinnes – la Grosse wat betreft het sacrale werk en in het vroegere gemeentehuis van Beauvechain in la Salle du Vert Galant met de meer wereldlijke stukken. Zijn werken zijn zouden ook te zien zijn in het universitaire museum in Louvain-la-Neuve.

Ter nagedachtenis worden sinds 2015 ook ieder jaar in maart in Beauvechain het internationale Max Van der Linden muziekfestival georganiseerd
La Petite Chapelle Gosin
Helemaal aan het einde van de dorp Nodebais in Waals Brabant stuit je op de grens met de militaire luchthaven van Beauvechain aan het achterhek van het domein van d’Agbiermont op de Chemin de la Petite Chapelle op een allerliefst kapelletje waarvan de deur (bijna) altijd open is en dat helemaal versierd is met keramiekwerk. De kapel is gewijd aan Onze-Lieve-Vrouw van Goede Bijstand, en beter bekend als de Gosin-kapel. De afbeeldingen bracht Max Van der Linden aan tussen 1950 en -65 en allemaal samen vertellen ze het verhaal van zijn overgrootmoeder Marie-Thérèse.
Wie zich verwondert dat dit kwetsbare kapelletje altijd open, staat mag bedenken dat het ferm bewaakt wordt. Het personeel van de First Wing Bevekom zorgt voor het onderhoud en het schilderwerk en om die reden staat hun insigne op de zijkant (audeo aciem = ik durf te vechten, Tacitus).
Aan beide zijden van de ingang vertellen mozaïeken je “dat in 1831 op de ferme d’Agbiermont in Nodebais, Jean Charles Gosin en zijn echtgenote hun eerste kindje verwachten. Zij doen een gelofte aan Onze Lieve-Vrouw dat zij deze kapel zullen bouwen ter erkenning van deze heuglijke gebeurtenis. Op 2 oktober komt een klein meisje ter wereld met de naam Marie Thérèse. Maar helaas, kort na de viering van deze geboorte, luiden de klokken voor de jonge moeder die door God wordt teruggeroepen. Men besluit om de kapel te bouwen maar kort daarna verlaat de vader op zijn beurt deze wereld en laat zijn kind als wees achter.

In 1836 legt de kleine Marie Thérese Gosin op 5-jarige leeftijd de eerste steen van deze kapel, zoals beloofd aan de koningin van de Hemel door haar ouders bij haar geboorte. Zoals we al zagen huwt zij in 1849 met kasteelheer baon Maximilien Michaux
Zij overlijdt in 1907 en laat ons deze kapel na die haar naam draagt. De benedictijner monniken die sinds de Franse revolutie verblijven op de ferme d’Agbiermont hebben deel aan de bloei op deze plaats van de cultus van Onze Lieve-Vrouw van Goede Bijstand.
Iedereen in Nodebais zal je vertellen dat Marie Thérèse Gosin de overgrootmoeder is van de verteller van dit verhaal en de maker van de mozaïeken.
En dat blijkt nog waar te zijn ook als we weten dat zijn vader Ernest een zoon is van Caroline Michaux die op haar beurt de dochter is van Ernestine Gosin. In die stamboom komt de naam Marie-Thérèse echter maar eenmaal voor als de naam van de moeder en dus niet de overgrootmoeder van de kunstenaar. Maar ondertussen kreeg ik van een aandachtige lezer een doodsprentje toegestuurd en daar staat op te lezen dat Ernestine Gosin in werkelijkheid Marie Thérèse Caroline Gosin heet en met deze kennis lijkt dit raadsel opgelost, waarvoor grote dank. Om de afstamming helemaal rond te krijgen moet je weten dat Max Van der Linden de zoon is van Ernest Van der Linden die op zijn beurt de zoon is van Caroline Michaux. Caroline is de dochter van Ernestine Gosin die op een doodsprentje Marie Thérèse Caroline Gosin genoemd wordt (en zij is dus gehuwd met Baron Maximilien Michaux).


La Verte Voie, de vijver in het dorp
Vanaf de kapel en het monumentale achterhek van het Château d’Agbiermont volg ik de kasseien van de Chemin de la Petite Chapelle onderlangs het bosrijke kasteeldomein. Heel in de verte zie je de Chaussée de Namur en op de weiden grazen de koeien langs het begin van de Nodebais zou kunnen zijn maar hier een greppel is. Jammer genoeg zijn langs deze weg de majestueuze en schaduwgevende populieren allemaal gekapt. Je ziet de stronken nog staan en ik zou willen dat er nieuwe exemplaren zouden worden aangeplant maar de boer lijkt dat niet van plan te zijn. Bij wijze van schrale troost kan je op de zanderige helling dichtbij de kapel in de zomer het mooie zeldzame blauwe zandblauwtje aantreffen als je het verschil weet met de al even blauwe maar helemaal niet zeldzame beemdkroon die hier welig groeit.
Onderweg naar het dorp kom ik een groot bord ‘la Verte Voie’ tegen. Op weg op Franstalige wandelpaden stuit ik dikwijls op die uitdrukking en aangezien mijn vrienden natuurgidsen me niet kunnen vertellen wat hier achter steekt heb ik het zelf maar eens opgezocht. Op de website http://www.vertevoie.be/ lees ik het volgende: « La Verte Voie est une équipe de professionnels indépendants ayant comme objectif commun l’aide à l’enfant/adolescent en difficulté et à sa famille …. Cet Espace Pluridisciplinaire a la volonté de collaborer étroitement avec les structures scolaires et médicales avoisinantes et lie, depuis sa création en 2006, des contacts avec les écoles, les centres psycho-médico-sociaux, les pédiatres et neuro-pédiatres de la région ainsi qu’avec les thérapeutes extérieurs. »

Op die website kan je alle contactadressen en activiteiten vinden en lees je ook dat er in Nodebais een consultatiebureau is aan de Rue de L’Etang in of naast het schooltje.
Daarmee ben ik terug aan de vijver. Die werd in het begin van de 19de eeuw uitgegraven om de molen van water te voorzien. Daarover ga ik het nog hebben maar eerst blijf ik even onder de prachtige platanen staan op het dorpsplein langs het water. Vanaf het bankje kan je de reiger bewonderen die er bijna altijd is en enkele meters verder is een echte Barbecue plek voor wie van het dorp is. Zoals in ieder dorp staat op het pleintje ook het oorlogsmonument maar in Nodebais is die sombere zuil gedecoreerd door Max Van der Linden en dat geeft hem een aparte allure.
Het is absoluut de moeite om rond de vijver te wandelen want aan de overzijde zijn er enkele heel mooie kunstenaarswoningen. Naast het schooltje staat opnieuw een kleine kapel. Het is een nogal onopvallend sober bakstenen neo-gotisch gebouwtje, gewijd aan Notre Dame de Lourdes en gebouwd in 1910. Jammer genoeg is het altijd gesloten en kan je nauwelijks de door Max Van der Linden gedecoreerde binnenkant zien.

De watermolen Le Doyen en de Ferme de la Brasserie
De vijver is er nog maar de molen maalt niet meer. Tussen de beiden ligt de boogbrug, gebouwd in de 19de eeuw en aan beide kanten een steen in gobertange met de naam van de brug (J.P.Doyen) en van de beek. In ‘Molenechos’ lees ik dat de Moulin Le Doyen in 1802 gebouwd werd bovenop de Nodebeek in een langwerpig gebouwtje aan de Rue de l’Etang.Met een verrekijker lees je de inscriptie op de steen in de gevel van het onopvallende gebouwtje: SIMON JOSEPH – LE DOYEN – FIT LA FOLIE – EN 1802. Mijn Franstalige vrienden kunnen me niet vertellen of de molenaar hier nu touw maakte of dwaasheden uithaalde. Ergens lees ik dat hij altijd een goed humeur had en de wapenspreuk leverde voor de in 1976 geproclameerde “République royale libre d’Oultre Nodebais”: “laten we lachen nu het nog kan”. De molen diende om graan en draft (gerst?) te malen; rond 1870 zijn er één waterrad en twee steenkoppels en staat naast de molen een brouwerij met twee stoommachines met elk een vermogen van 10 PK. Rad en binnenwerk zijn verwijderd en het geheel ziet er een beetje treurig uit.
Dat laatste kan je niet zeggen van de mooie en opvallend grote witte vierkantshoeve naast de molen die nog echt een boerderij is. In het erfgoeddossier lees ik (met een uitvoerige beschrijving) dat dit de 18de/19de eeuwse ‘Ferme de la Brasserie’ is.
Zo’n brouwerij hoort uiteraard bij elke watermolen en werd hier ook samen met de molen in 1802 neergezet. Overal in ons land gaan die oude brouwerijen samen met de molens weer open maar in Nodebais heb ik nog geen geluiden in die richting opgevangen.

Het elegante neoklassieke herenhuis met schilddak aan de overkant op nummer 12 tegenover de kerk was vroeger het woongebouw van een boerderij. Het erfgoeddossier vertelt dat de voorgevel symmetrisch opgetrokken is rond de centrale as van de ingang. In de tegel boven de deur zijn een origineel motief – een bijenkorf – en een inscriptie gehouwen met de naam van de opdrachtgever en de datum waarop het gebouw werd opgericht: ˝SIMON DOYEN / ANNO 1831˝. De familie Doyen deed kennelijk niet alleen in bier maar ook in honing tenzij die bijenkorf een andere betekenis heeft die ik nog niet ken. In hun tijd moeten de Doyens een invloedrijke familie geweest zijn in Nodebais maar zijn er nog nazaten die hier wonen en er meer over kunnen vertellen?

Het kleine Sint Waltrudis kerkje met pastorie, kapel en kerkhof
Ik vind het jammer dat alle gebouwen in deze omgeving zo dicht en ontoegankelijk zijn want het straatje met de pastorie, de kerk, et kapelletje en het kerhof is echt van de meest charmante plekken in het dorp. De pastorie in witgekalkte baksteen en gobertange dateert uit het einde van de 17de eeuw en is sindsdien door de elkaar opvolgende pastoors telkens vergroot, verhoogd en uitgebreid en de details daarover lees je ook in het erfgoeddossier.
Vlak daarnaast en daarachter staan de neoklassieke Sint Waldetrudiskerk (opgericht in 1837 door architect Antoine Moreau, voor een beschrijving zie het erfgoeddossier). Anders dan l’Eglise de Saint Martin in Tourinnes-la-Grosse is de kerk geen ‘eglise ouverte’ en zijn de deuren dus gesloten tenzij er een plechtigheid is.
Daarentegen is het neogotische kapelletje aan de ingang van het ommuurde kerkhof wel open, toch om er binnen te kijken want zo groot is het niet. Het is rond 1900 in witte steen gebouwd door de familie Van der Linden. Aan de binnenzijde is het in onze tijd versierd door Max Van der Linden en zijn ook twee stenen aangebracht met de namen van de voornaamste familieleden.
Als de zon er op schijnt is het grote witte kruisbeeld juist voorbij de pastorie heel fotogeniek. Het werd in 1930 door de dankbare parochieleden aan hun pastoor aangeboden (en dat staat er ook op) en stond lang achter de muur van het kerkhof een beetje verscholen tussen het groen. Sinds wanneer het naar de straat verplaatst is weet ik niet maar je kan het niet missen op je wandeling.

Ferme des Vignes
Nog even verder kom je kruising tussen de Rue Draye en de Chemin de la Justice.
Als je hier links gaat naar de Rue Draye kom je op je linkerhant langs de achterzijde van een zeer mooi huis met een tuin als van een klein park en een wandelpad geflankeerd met knotwilgen dat je terugvoert naar de dorpsvijver, absoluut de moeite waard!
Als je rechts gaat naar de Chemin de la Justice kom je eerst op de hoek de indrukwekkende witgekalkte vierkantshoeve ‘Des Vignes’ tegen. De deuren zijn altijd potdicht en ik denk niet dat het nog een boerderij is maar het huis met zijn opvallend grote schuur dateert uit het midden van de 18de eeuw. Het erfgoeddossier geeft een omvangrijke beschrijving maar vertelt niets over de aanwezigheid van wijngaarden in deze omgeving die er toch moeten geweest zijn. Ik zie hier nergens wijnstruiken maar met een beetje zoeken ontdek ik de je dichtstbijzijnde wijngaard zou moeten kunnen vinden op de – hoe kan het anders – Ferme d’Agbiermont waar Pierre Van der Linden al enkele jaren een droge witte wijn ‘Fonds des Loups’ (Rivaner, Pinot Auxerrois) bottelt. Afhankelijk van het jaar levert de oogst 1000 tot 2000 flessen op en “alles gebeurt op de boerderij: druiventeelt, oogst, bottelen en rechtstreekse verkoop. U kunt de wijn ook drinken in de Relais-Saint Martin (Tourinnes-la-Grosse) en hij is in depot in de Ferme de la Chise (Beauvechain) en de Ferme Evrard (Nodebais).” Dat is dus alweer een goede reden om Nodebais een bezoekje te brengen wanneer je in de buurt bent.

De veldweg brengt je naar een splitsing waar ooit de gerechtsboom zou kunnen hebben gestaan maar omdat oude en nieuwe kaarten er niets over zeggen gaan we hier rechtsaf en komen dan via een andere veldweg zowat uit op de bocht tussen de Rue de Tourinnes en de Rue du Grand Brou.
La Réserve Naturelle Domaniale Le Grand Brou en het bassin d’orage
Hier moet je opnieuw naar rechts over een veldweg die zelfs voor niet-kenners de bedding is van de oude buurtspoorweg ofwel de Vicinal tussen Hamme-Mille en Beauvechain, bij uitbreiding tussen Tervuren en Tienen/Jodoigne. Over die buurtspoorweg kan je alles lezen op een andere plaats. In deze reportage richt ik mijn schijnwerper alleen even op het voormalige tramstation in Nodebais.
Voordat we daar zijn nemen we even kijkje in enkele opmerkelijk plaatselijke natuurprestaties. Vlak voordat je aan de achterkant van de grote camping komt sla je een onopvallend paadje in en dan sta je plotseling in het 8 ha grote natuurgebiedje ‘Le Grand Brou’ aan een houten kijkwand met zicht op een kleine vijver omgeven met een overvloed van plantengroei.
Je bent hier zowat op de plek waar de Nodebeek (Ruisseau de Nodebais) stroomafwaarts van de watermolen Le Doyen in de moerassige vlakte aankomt en met kleine waterstroompjes via de Ruisseau de Nethen naar de Dijle afwatert. Het slib dat de beek hier door de jaren heen afzet zorgt volgens mijn bronnen voor »une mosaïque de milieux intéressants (prairies humides, plans d’eau, roselières, fourrés, saulaies, etc.) riches d’un point de vue botanique et faunistique.

L’endroit est surtout connu pour son avifaune très diversifiée, notamment durant les migrations qui sont suivies par une station de baguage». Om die reden is dit stukje natuur dan ook sinds 2002 als ‘Réserve Naturelle Domaniale’ beschermd. Vogels komen hier zeker aan hun trekken – er zijn al meer dan 100 soorten waargenomen – en regelmatig zijn er acties om ze te ‘ringen’.
De begroeiing vind ik echter wel mooi maar veel te uitbundig om goed te zijn. Zo te zien aan de vele brandnetels, balsemienen en andere woekerplanten is dit het soort ruigte dat je krijgt als gevolg van een overdaad van voedingstoffen in het water. De nabijheid van het dorp, de camping, akkers en een er vlak naast gelegen recent wel opgeheven boomkwekerij zal daar wel de historische oorzaak van zijn. Vlak ernaast is ook nog een heel groot wachtbekken wat er op wijst dat de omgeving bij tijd en wijle wel eens helemaal onder water kan komen te staan zoals dat overal in onze streken het geval is waar beken aankomen op andere beken of op ‘flessenhalzen’.
Het in 1998 gegraven ‘bassin d’orage’ tegenover het natuurreservaat heeft een oppervlakte van maar liefst 85.305 vierkante meter en is een van de drie op het grondgebied van Beauvechain. Wat ik er interessant aan vind is dat het zo is aangelegd dat het is ingericht als een natuurlijke plek met rietvelden en niet als een kale betonnen bak en op die manier sluit het volkomen aan op het natuurreservaatje zelf. Het water moet tamelijk zuiver zijn want er komen allerlei soorten vogels voor waaronder de ijsvogel en er is ook een ‘station de baguage’ gevestigd om vogels te vangen om ze te kunnen ‘ringen’ en daarna weer vrij te laten.

Blijkbaar zal men in de toekomst nog meer van dergelijke systemen nodig hebben want ik lees dat ondanks de optimistische verwachtingen er toch nog altijd overstromingen voorkomen, bijvoorbeeld in Hamme-Mille en over de oevers van de Ruisseau de Néthen en de Mille. Maar als je de kaart erbij pakt zie je ook wel dat er op veel plaatsen de beken tot rechte goten herleid zijn en de huizen veel te dicht langs het water zijn gebouwd en er lijken er altijd nog bij te komen. Als je dat combineert met de heftiger neerslag als gevolg van de klimatologische verandering dan lijken de problemen me alleen oplosbaar door meer water-ruimte te maken in de vallei maar dat valt buiten het bestek van dit verhaal.
Het station van buurtram Zwarte Jean
Van buurttramstation Nodebais vind ik nauwelijks oude foto’s. Ik vind dat merkwaardig want na het grote station in Sint Joris Weert is dat van Nodebais volgens mij het mooiste in zijn soort. Ik vind er ook weinig informatie over. Op pagina 99 van het boek van René Hallet zie je een spoorauto AR 185 in dit Nodebais en daar wordt terloops aan toegevoegd dat dit station waterbevoorrading had. In het boek van Marc Deconinck staat op p.109 en 110 een foto van de Rue de la Station en het stationsgebouw zelf. Het station « comportait, outre l’habitation dont jouissaient le préposé et sa famille, une salle d’attente qui servait également de café ainsi qu’un magasin-entrepôt où étaient stockés matériels ferroviares et marchandises. A l’époque du tramway à vapeur, la présence à proximité de la gare, comme c’était le cas à Nodebais, d’un réservoir d’eau conférait à celle-ci une relative importance ». De stationsstraat, tegenwoordig de Rue de la Liberté ziet er op de oude foto heel wat drukker uit dan tegenwoordig en op het witte huis tegenover het station – met de merkwaardige gevelsteen – staat de vermelding ‘Delhaise et Cie’.

Het stationsgebouw staat in het verlengde van de Chemin des Prés, de straat gaat nog even verder tussen de bomen en loopt dan onverbiddellijk dood op een altijd groene haag van de privétuin die over de spoorbedding is aangelegd. Om naar het allercharmantste stationnetje van Tourinnes-la-Grosse te komen moet je een beetje omlopen en van hier tot in La Bruyère is de bedding nergens meer rechtstreeks te volgen maar gelukkig nog wel via een mooi wandelparcours. Sinds 2006 is het gebouw ‘inscrit comme monument’ en dat verdient het ook ten volle. Ik ben er nog niet binnen geweest maar ik weet dat de eigenaar van het ernaast gelegen Aquiflor ook de eigenaar is van het nu als woonhuis ingerichte station en het is werkelijk onberispelijk gerestaureerd. Het moet een tijdlang helemaal wit geschilderd zijn maar al die kleur is er weer af en de bakstenen en opschriften zijn weer zichtbaar gemaakt zoals in de tijd dat het voor Zwarte Jean dienst deed. Ook het houtwerk aan de gevel en de dakgoten zien er als nieuw uit in de originele staat. Alleen staan er op de oude foto geen bomen en die zijn er nu wel en zelfs in indrukwekkende omvang. Wie hier woont moet wel een echte liefhebber zijn! Ik denk dat ik nog wel eens zal durven aanbellen om er meer over te weten te komen. Ik heb in elk geval al gehoord dat het gebouw neergezet is boven op een bron met heel zuiver water dus ik vermoed dat de vestiging van de handelszaak op deze plek niet toevallig is.
Van hier keer ik terug naar het dorpscentrum via de Le Petit Champ en de Chemin des Prés en onderweg kom ik zowaar nog een kapelletje van Max Van der Linden tegen. Maar daarmee kom ik dan toch onherroepelijk aan het einde van deze verkenning. Op de bijgevoegde kaart heb ik alle plekken aangeduid waar ik ben langsgegaan.

++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++
http://www.beauvechain.eu/ma-commune/presentation/les-localites/nodebais
‘biens inscrit comme monument’ in Nodebais : (zowat alle in deze tekst genoemde gebouwen kan je hier vinden en daarom heb ik ze niet allemaal apart nog eens opgegeven):
http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/recherche/recherche
Over Claude Rahir : http://www.clauderahir.be/ (La galerie planétaire de Claude Rahir)
Over Lucienne Camus : https://tourinnes.be/parcours/lucienne-camus-6/
Over de ferme evrard: http://ferme-evrard.be/
http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/fiche/index?codeInt=25005-INV-0055-02 (château en ferme d’Agbiermont)
http://www.maxvanderlinden.org/fr/main.php?idban=2&idprinc=10


http://gw.geneanet.org/lard?lang=fr&pz=jean+charles&nz=terlinden&ocz=0&p=maximilien&n=van+der+linden
Max van der Linden – Tourinnes.be
tourinnes.be › parcours › max-van-…
https://www.lavenir.net/cnt/dmf20130724_00339335
Le « Fond des loups », cru de Nodebais – Lavenir.net
www.lavenir.net › cnt › dmf201307…
https://www.destinationbw.be/nl/ontdekken/de-terroir/wijnen-en-sterkedranken/
www.molenechos.org/molen.php?AdvSearch=6399.
http://biodiversite.wallonie.be/fr/1770-le-grand-brou.html?IDD=251660948&IDC=1881

https://www.dhnet.be/archive/beauvechain-presque-sauvee-des-eaux-51b86a63e4b0de6db9a4e883 – Beauvechain presque sauvée des eaux
http://www.hesbayebrabanconne.be/sites/default/files/b4_promenade_de_nodebay.pdf

Trefwoorden: nodebais, beauvechain, d’agbiermont, van der linden, rahir, doyen, watermolen, grand brou, station, vicinal, erfgoed, geschiedenis,
Ernst Gülcher
September 2020
eguelcher (at) telenet.be

De Vallei van de Drie Beken – zegt beheerder het Agentschap voor Bos en Natuur (ANB) – “strekt zich uit van aan de Paalse plas op de grens van Beringen en Tessenderlo tot in Molenstede (Diest). Het gebied, van ongeveer 351 ha, dankt zijn naam aan de drie beken die naast elkaar stromen: de Kleine, Middel-, en Grote Beek. Het landschap vol onverharde wegen, bomenrijen, greppels en grachten, hooilanden, bos en heide zal velen aangenaam verrassen. Wandel-, fiets-, mountainbike- en ruiterroutes doorkruisen het gebied. Bovendien is de vallei een thuis voor wel 20 verschillende soorten sprinkhanen!”. Die sprinkhanen heb ik er nog niet gezien maar de beschrijving lijkt me wel juist hoewel je in het gebied toch ook veel nieuwe huizen en verharde wegen zal vinden want de mens drukt er al eeuwen zijn stempel op en doet daarmee onverdroten voort. Eerder verkende ik al het natuurgebied Dassenaarde. In dit verhaal neem ik je mee naar het gebied van de beken tussen het dorp Deurne dat als deelgemeente van Diest nog juist in Vlaams Brabant ligt en het dorp Paal dat deel is van Beringen in Limburg. Mijn eerste verkenning begint aan de bosrand aan het einde van de straten Molenberg-Meilrijk (nr.85) bij een bospad met een infobord van het ANB. Van hier kan je één mooie lus maken van een vijftal kilometers die bijna helemaal door de natuur gaat maar om helemaal buiten de vebouwing te blijven moet je vooral de door mij uitgezette route op de kaart volgen en niet de wandelknooppunten die wel de afstand vergroten maar daarbij flink wat asfaltwegen kruisen of volgen buiten het kerngebied. Voor wie de streek goed kent zou het kunnen dat er paadjes tussendoor gaan maar die staan niet op open street map en ik heb ze ook nog niet gevonden op het terrein. Voor de rest lijkt het gebied me weinig toegankelijk voor menselijk vertier zoals dat (helaas) nodig is voor natuurreservaten. Tegelijkertijd is het er heel stil, blijkt er nergens enige overlast en zijn de hooivelden alleen afgesloten waar er schapen grazen.

Het pad op de lus is heel comfortabel maar je moet wel een liefhebber zijn van vlonderpaden (zoals ik) en ik denk dat het normaal gezien wel heel wat natter en drassiger is dan tijdens mijn nazomer-verkenning. Hoogtepunt zijn ongetwijfeld de vennen die je in het gebied tegenkomt. Buiten het gebied rijzen reusachtige windmolen boven de bomen op.
De Vallei van de Drie Beken in Deurne . De drie beken waar het over gaat in deze wandeling zijn de Kleine -, de Middel- en de Grote Beek. Op de kaart zie ik nog veel meer waterlopen in de omgeving maar deze zijn toch telkens de meest opvallende. De Grote Beek kan ik op de kaart nog zien tot vlak over de spoorweg ten noorden van Beringen maar dan verdwijnt hij mysterieus van de kaart in iets dat er uitziet als een open veld. Zwaar gekanaliseerd kruist hij stroomafwaarts via een sifon het Albertkanaal zie ik en stroomt door de daar gelegen industrieterreinen. Als een rechte lijn blijft hij juist ten noorden van de Paalse Plas. Maar dan komt blijkbaar de natuur in zicht want hij kronkelt naar het zuiden tot in ons wandelgebied rond de Meilrijk ten oosten van Deurne. Daarna gaat hij vele kilometers verder tot in het natuurgebied Dassenaarde (Molenstede) waar hij samenkomt met de Kleine Beek en zijn weg vervolgt met de naam Zwart Water. Ten noorden van Zichem komt hij dan als Hulpe terecht in de Demer. De Middelbeek loopt een stuk zuidelijker en ziet er meer uit als een rechtgetrokken kanaal. Ik vermoedt dat deze waterloop begint in de Paalse Plas maar op de kaart lijkt hij midden in het dorpje Brelaar-Heide een bron te hebben. Iets ten westen van Dassenaarde komt hij uit op de Kleine Beek. Die laatste is een beetje een mysterie voor wie de streek niet kent (zoals ik). Na een beetje turen op de kaart zie ik namelijk twee waterlopen met de naam Kleine Beek. De zuidelijke komt ook uit de Paalse Plas en gaat daarna naar het Zwart Water. Onderweg pikt hij de Middelbeek op. De noordelijke Kleine Beek begint in het dorp Hulst ten westen van Tessenderlo (op de kaart te zien zowat aan de kerk) en stroomt vandaar als een hoekig kanaal recht naar het zuiden tot in ons Meilrijk-wandelgebied waar hij in de Grote Beek uitkomt.

Het traject van de Grote Beek langs de Paalse plas heet op de topografische kaart van 1989 nog Winterbeek en tenzij ik me vergis is het vooral deze waterloop waarover in 2014 door Natuurpunt-Dassenaarde geklaagd wordt omdat hij decennia lang totaal verontreinigd is door lozingen van Tessenderlo Chemie waardoor alle beken en dan vooral de Kleine Beek in de vallei natuurdode waterlopen zijn geworden. Deze vervuiling wordt in het kader van de sanering van de Winterbeek ondertussen wel aangepakt en ik ga het daar hierna nog even over hebben. Die naam vind je niet op kaart maar ik begrijp dat de bovenloop van de drie beken samen ook wel Winterbeek genoemd worden. Het zijn allemaal maar heel kleine waterloopjes maar tijdens de wandeling zie je toch wel dat de begroeiing opvallend weelderig is wat typisch is voor de veel te voedselrijke bodemomstandigheden in Vlaanderen. Toch is dit niet het soort vervuiling waar het in dit verhaal over gaat.
Je zal er op het infobord van ANB niets over vinden maar er zijn of waren heel ernstige problemen met de drie beken in hun natuurgebied in Deurne. Decennia lang loosde Tesenderlo Chemie in Ham zijn afvalwater met een hoge concentratie chloriden in de Winterbeek waardoor deze de op een na vuilste rivier van Vlaanderen werd met brak (zout) in plaats van zoet water. Dit was al bekend van voor de jaren 70 van de vorige eeuw maar een ‘smeerpijp’ naar Antwerpen werd nooit in gebruik genomen. Pas in de jaren 90 werden inspanningen gedaan om de lozingen te beperken opdat ze onder de toen geldende milieu-normen zouden komen te vallen. De Franse bedrijfsleiding achtte echter zulk een ‘optimale zuivering van het lozingswater economisch niet rendabel’ en de lozingen gingen door tot in 2014. In een rapport van de Vlaamse milieu-administratie uit 2003 is er sprake van chloridenconcentraties tot bijna 6000 mg/l, waar de norm voor oppervlaktewater op 200 mg chloriden per liter lag.

Ook werd er een historische vervuiling met zware metalen zoals zoals arseen, barium, cadmium en radium in de waterbodem en oevers tot op het punt dat het water als licht-radioactief werd bestempeld. Men verklaarde de beek dan ook ‘biologisch dood’: “Fauna noch flora komt in de waterloop voor.” Het was zo erg dat eigenaars van de vervuilde percelen door de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij) vrijgesteld werden van saneringsplicht door deze ‘historische vervuiling’ en sanering ook geen zin had omdat het bedrijf bleef lozen en weigerde om voor de saneringskosten op te draaien ondanks de wettelijke verplichting om dat te doen. In 2013 komt het bedrijf in problemen en komt opnieuw in Belgische handen. Blijkbaar veranderen de tijden dan toch want sinds 2014 verklaart de onderneming zich bereid samen met OVAM aan de sanering van de Winterbeek te beginnen. Het duurt nog tot 2017 maar dan beginnen de beiden samen met de Vlaamse Milieumaatschappij aan de grote werken. Ik lees dat die tegen 2021 voltooid moeten zijn. Er is een heel stappenplan ontwikkeld waarover ik het morgen nog zal hebben maar ik lees dat in de VMM-nieuwbrief van oktober 2018 dat men uit de beek en van de oever al 65.000 ton zwaar verontreinigd materiaal verwijderd had. Ondertussen heb ik ook antwoord gevonden op vragen zoals wat de kosten van deze absoluut noodzakelijke operatie zijn, wie ervoor opdraait en wat er met het gevaarlijke materiaal gebeurt. Ik vind dat belangrijk want ik vind dat de generatie van morgen best mag weten wat de consequenties zijn van de daden van hun voorgangers. Ondertussen zien de vennen in de Vallei van de Drie Beken er wel mooi proper uit maar die zijn dan ook niet met de beken verbonden tenzij die buiten hun oevers treden wat blijkbaar ook wel gebeurt.

Het opruimen van het giftige lozingsafval van Tessenderlo-chemie in de vallei van de Drie Beken moet toch in de streek voor heel wat beroering zorgen maar desondanks vind ik er toch maar af en toe persaandacht voor. Gelukkig heeft de Vlaamse Milieumaatschappij voor heel wat info en communicatie gezorgd en op de website van de VMM lees ik dat tussen 2017 en 2021 de Winterbeek en de vallei vanaf het lozingspunt van Tessenderlo Group aan de Paalse plas tot de monding in de Demer over een afstand van 17 kilometer gesaneerd worden. Volgens de stroomrichting verloopt die sanering van bron tot monding in 4 stappen: Schoesters Vliet en Meilrijk (2017, 2018), Rietbroek en Dassenaarde (start 2018), Molenstede en Kraanrijk (2019, 2020), Kloosterbeemden en Demerbroeken (2019-2021). Ik begrijp dat in ons wandelgebied/kwetsbaar natuurreservaat geen heel ingrijpende bodem- en oever-afgravingen zijn gedaan of zullen worden (ik zie toch geen werfsporen). Een lezer vertelt dat in de jaren zeventig en tachtig de beken al eens uitgegraven zijn, dat wil zeggen in de tijd dat Tessenderlo Chemie het lozen van zware metalen zou gestopt hebben. Stroomopwaarts is in 2017 de vervuilde bodem van de Winterbeek en zijlopen over een afstand van 6 kilometer tussen het hierboven genoemde lozingspunt tot aan de grens met Diest volledig en tot op diepte verwijderd en heeft men ook de oevers afgegraven en tientallen duizenden tonnen slib en ander materiaal verwijderd.
Na uitdroging is (wordt nog?) alles per vrachtwagen afgevoerd naar een door de Tessenderlo Group ingerichte site ‘Kepkensberg’ in Ham om het daar op ‘een duurzame en veilige manier te slaan’ (storten en afdekken met grond). Op Googlemaps zie ik op die plek bos en weiland (luchtfoto) en nu vraag ik mij af of Vlaanderen er niet een duur chemisch stort bijkrijgt want over wat het bedrijf er in de toekomst mee gaat doen vind ik niets.

In mei 2018 begon de Vlaamse Milieumaatschappij (VMM) met het uitbaggeren van een even lange strook tussen de Hasseltsebaan en de Turnhoutsebaan in Diest en ondertussen zouden ook de overige baggerwerken moeten zijn aangepakt. Over de kosten van de ruiming en ‘wie gaat dat betalen?’ vind ik op de VMM-website niets maar volgens een persbericht in het Laatste Nieuws van maart 2016 gaat het om 15 miljoen Euro waarvan de Vlaamse overheid (de belastingbetaler dus) 8 miljoen ophoest voor de ruiming (OVAM en VMM ieder voor de helft) en het bedrijf 7 miljoen voor de berging. Helemaal volgens het beginsel van ‘de vervuiler betaalt’ kan ik dat toch niet vinden. Om te voorkomen dat slib-deeltjes van de Winterbeek nog stroomafwaarts meegevoerd worden, zijn er ondertussen twee slibvangen gebouwd (en moeten er nog vier komen). In feite gaat het om plaatselijke verbredingen van de waterloop zodat de stroomsnelheid daar vermindert en de zware deeltjes bezinken en dan periodiek kunnen worden geruimd. Dus het werk is nog niet gedaan.
De Vallei van de Drie Beken. Na de wat onverwachte uitstap naar Tessenderlo om te speuren naar de vervuiling van de drie beken in onze vallei in Deurne-Meilrijk ga ik graag nog even terug naar het gebiedje zelf want het was er toch om te doen om dat als natuur- en wandelgebied te verkennen en daarvoor hoef je niet in de beek te springen of van het water te drinken om te weten of je er nog dood aan gaat. Ik vind er niet zoveel over op het internet maar naast de indrukwekkende vlonderpaden vind ik de vennen in het zuiden van het Meilrijkgebied wel zowat het mooiste wat er te vinden is. Of het echte tijdens de ijstijden gevormde vennen zijn weet ik niet zeker want ik zie ze pas verschijnen op de topografische kaart van 1989 dus erg oud kunnen ze niet zijn. Op de kaarten van 1981 en vroeger is alles nog langs en tussen de beken gelegen moeras. In Wikipedia vind ik een hele opsomming over wat een ven is en welke soorten er zijn maar het begint met “Een ven is een klein, meestal ondiep meer dat voorkomt op Pleistocene zandgronden. Vennen hebben wisselende waterstanden en zijn zelden groter dan enkele hectaren. Onder vennen worden uitsluitend natuurlijke wateren verstaan.”

Ik vermoed dus dat onze meertjes strikt genomen geen ven zijn maar einde van de vorige eeuw aangelegd om te vissen of te zwemmen en misschien hebben er zelfs wel huisjes bijgestaan die met de opkomst van het natuurreservaat zijn weggehaald. Maar ze zijn wel ondiep en – belangrijker – de bodem is hard zand en dat wil zeggen dat je er niet in de modder terecht komt zoals in bijna alle andere poeltjes. Er staat nu in de nazomer niet overal nog veel water in maar waar dat wel het geval is valt de helderheid ervan op en er groeit er ook geen overmaat van planten rond wat vertelt dat het voedselarm is. Anderzijds groeien er helemaal geen planten in en dat is dan weer minder. Als je dit ziet weet je hoe belangrijk het is dat zo’n poel niet overstroomd wordt met vuil en giftig beekwater maar blijkbaar is dat bij deze toch niet echt het geval (wel bij andere dichterbij een van de beken gelegen poelen). Ik weet niet waarom maar als je de knooppuntenwandeling volgt kom je niet langs de mooiste vennen, daarvoor moet je echt het door mij op kaart (foto) aangegeven pad volgen. Daarmee ben ik rond met deze verkenning maar ik kan je sterk aanbevelen om zelf in het gebied op stap te gaan.

+++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++
https://www.natuurenbos.be/driebeken
+++
(PDF) De Vallei van de Drie Beken in Diest: het meest …
www.researchgate.net › publication › 292152326_De_Va…
+++
Asdonk, Grote Beek en Kleine Beek | Inventaris Onroerend …
inventaris.onroerenderfgoed.be › erfgoedobjecten
+++
www.integraalwaterbeleid.be › gebiedsgerichte-werking
+++
https://www.hln.be/in-de-buurt/diest/kleine-beek-is-vuilste-waterloop~a9d3bc9f/ Kleine Beek is vuilste waterloop | Diest | In de buurt | HLN http://www.hln.be › In de buurt › Diest
+++
+++
+++
https://nl.wikipedia.org/wiki/Ven_(water)

Trefwoorden: deurne-meilrijk, tessenderlo, chemie, vallei van de drie beken, natuurgebied, milieuvervuiling, ven, ANB,

De Beninksberg in Rotselaar steekt zo’n vijftig meter uit boven de omgeving en hoewel dat natuurlijk nog niet zo erg bergachtig is heb je er prachtige uitzichten over de Wingevallei. De berg is een heel mooi voorbeeld van de voor het Hageland typische ijzerzandsteenheuvels ofwel Diestiaanheuvels. In tegenstelling tot vele soortgelijke heuvels bleef de heuvel grotendeels onbebouwd en omdat hij met de nabije omgeving sinds 1977 beschermd is als cultuurhistorisch landschap zal dat gelukkig ook wel zo blijven.
In 1991 kocht de Vlaamse overheid het grootste deel van het gebiedje aan en dat was in 1993 het begin van het 50 ha grote Vlaamse natuurreservaat Beninksberg. Er zijn een paar mogelijkheden om als voetganger de berg te verkennen en daarvoor neem je best het Klein-Vlasselaarpad dat vertrekt van de parking op de hoek van de Blauwmolenstraat – Klein-Vlasselaar, 3221 Holsbeek (zie de kaart). Tussen enkele akkers aan de voet van de berg ga je naar boven en dan rechtsaf een bijzonder mooie holle weg die al direct opvalt door de mooiste Robinia’s die ik ooit gezien heb. Je kan ook linksaf en dan kom je al snel onderlangs een heel mooi berkenbos.
Naarmate je hoger komt krijg je mooie vergezichten, in het bijzonder bij het passeren van een hele grote wijngaard. Aan het einde van de holle weg ga je links langs enkele huizen en dan even verder opnieuw links om het pad langs de andere zijde te volgen. Op de knooppuntenkaart van het wandelnetwerk Hageland staat de hele route netjes aangegeven. Op het bovenpad kan je je verwachten aan heidevelden, Konikpaarden, nog veel bos (kastanjes) maar ook aan lawaai van de autosnelweg en afdalende vliegtuigen.

Het meest noordelijke lage pad gaat zo vlak langs de E314 dat mijn oren er zonder oordoppen niet tegen bestand zijn zolang die weg niet helemaal overkapt wordt dus daar ga ik niet langs. Maar dat overkappen komt nog wel en dan kan men misschien een fietssnelweg juist buiten de kap leggen.
Vondsten uit het stenen tijdperk op de Beninksberg in Holsbeek wijzen op zeer oude bewoning. In de late middelleeuwen staat de berg vermeld op oude kaarten als Hellegaterberg en Burinsberg (zie Villaretkaart van 1745) en is hij bedekt met bos. Rondom de berg zijn er dan al akkers en op de berg wordt wijn verbouwd. Het is onzeker of er ooit ijzerzandsteen gewonnen werd, aan de westkant is er een plek die op een groeve lijkt maar door wie en naar wat daar gegraven werd weet men niet.
Op de Ferrariskaart van 1777 en de Vandermaelenkaart van 1854 verschijnen de namen Benninckbergh en Beeninkxberg. Na de 16de eeuw wordt naaldhout aangeplant maar op het einde van de 19de eeuw wordt dat omgezet in loofbos. In de loop van de twintigste eeuw worden enkele percelen op de berg en de zuidelijke helling in gebruik genomen als akkers maar vooral als hoogstamboomgaarden.

De door de zon opgewarmde kalkstenige bodem is uitermate geschikt voor de teelt van steenvruchten zoals perziken. Het hoogtepunt is na de Tweede Wereldoorlog – waarbij veel ‘nutteloos bos’ in boomgaarden wordt omgezet – maar twintig jaar later gaat het alweer achteruit vooral door de invoer van fruit uit de zuidelijke lidstaten van de dan nog Europese Gemeenschap (Europese Unie). Hier en daar werd overgeschakeld naar appels maar tegenwoordig is de commerciële fruitteelt helemaal verdwenen hoewel er nog altijd een aantal boomgaarden staan (onder andere peren).
Op de zuidhelling kom je wel een flink uit de kluiten nieuw aangelegde wijngaard tegen die je ook op afspraak kan bezoeken. De Beninksberg zelf is bedekt met loofbos (robinia, berk, tamme kastanje, zomereik) en enkele percelen naaldhout (fijnspar, douglas). De zuidelijke helling kent een eigen microklimaat en is warm en droog, hier zijn droge heidebegroeiingen en eiken-berkenbos kenmerkend. De noordelijke helling is koeler en herbergt ook vochtige heischrale graslanden. In deze tijd van het jaar (september) kwam ik bij een vorig bezoek opvallend veel parasolzwammen tegen maar dit jaar zie ik ze niet (te warm en te droog?). Zowat op het hoogste punt stuit ik op een heuse mierenhoop van rode bosmieren. Wie wil genieten van de rust en de uitzichten kan gebruik maken van de mooie banken die het ANB hier heeft gezet, zeker als de zon schijnt. Onder langs de berg loop de oude bedevaartweg die tegenwoordig het Sint Jobs pad heet.

De Beninksberg in Rotselaar is niet alleen een natuurgebied. Aan de ingang staat het bordje Sint-Jobs pad en over die (deels) holle weg lees ik in het erfgoeddossier dat hij eeuwenlang gebruikt is door pelgrims die van heinde en ver naar de Sint-Martinuskerk in Wezemaal kwamen om Sint-Job te vereren in de hoop om genezen te worden van de akelige geslachtsziekte die we nu kennen al syfilis. Daarvan krijg je zweren over je hele lichaam en Sint-Job staat bekend om daar wonderen tegen te kunnen doen.
De kerk staat er al in het jaar 1000 maar het heiligenbeeld in de kerk dat het onderwerp was van de devotie is vervaardigd op het einde van de 14de eeuw en uit een archiefstuk uit 1437 blijkt dat het uitgeven van door de Paus gedekte aflaten toen al flink wat inkomsten opleverde. Het aantal bedevaarders groeide gestadig in de 14de eeuw om tot een hoogtepunt te komen rond 1515. Syfilis brak als plaag uit in Napels rond 1494 en verspreidde zich vandaar over heel Europa. Dat was een gelukje voor die van Wezemaal want in 1498 werd de kerktoren in brand gestoken en dankzij een ferme lokale anti-zweren campagne kon massaal pelgrims gelokt worden met wiens offergeld de herbouw werd bekostigd. De pelgrims langs de Beninksberg kwamen uit Nederland, Engeland en Lotharingen.

Het Sint-Jobs pad staat voor het eerst op een kaart van 1657 met de eigendommen van de Abdij van Park en nadien ook op latere kaarten zoals die van Ferraris (1777) en Popp (1879). Na 1520 valt het aantal pelgrims terug vanwege de opkomst van het protestantisme.
Of die pelgrimstochten iets opbrachten voor de pelgrims weet ik ook niet. Om dat te weten zal ik het al in 2011 verschenen boek van Bart Minnen (en co) moeten lezen maar ik weet niet of het nog verkrijgbaar is (de auteur heeft het niet meer zegt hij). Ik denk dat ik er meer over wil zien te weten te komen. De pelgrimsweg is vandaag de dag een mooie wandelweg waar je geen bedevaarders meer tegenkomt maar wel geiten, biggetjes en als ze in de buurt zijn ook erg tamme fiere konikpaarden.
De brave paarden die je op de Beninksberg tegenkomt dienen voor de begrazing. Enkele jaren geleden waren het nog Noorse Fjordenpaarden (Noorse Grazers) maar die zijn vervangen door mooie niet zo heel grote Koninkpaarden. Die horen eigenlijk tot een ras van wilde paarden dat was uitgestorven (opgegeten?) maar ze zijn heropgefokt en worden in Polen gehouden. Ze zijn bijzonder geschikt om in natuurbeheer begraasde graslanden kort te houden. Zolang je de wei niet kaal laat eten eten ze alleen gras zodat andere planten een kans krijgen zo. Ze hebben praktisch geen verzorging nodig en blijven het hele jaar buiten hoewel de boswachters wel voor een beschutting zorgen.

Anders dan hun grote broers de opgefokte renpaarden worden koniks zelden ziek. En tenslotte – erg belangrijk als je ze laat grazen op plaatsen waar veel mensen passeren – ze zien er wel wild uit maar ze hebben een heel braaf en rustig karakter dus je hoeft er geen schrik voor te hebben. Wat dat betreft is er wel iets eigenaardigs. In het Meerdaalwoud grazen ze op het hermetisch met dubbele hekken afgesloten vroegere militaire terrein, nu natuurreservaat aan de onthaalzone de Speelberg boven Sint Joris Weert. Je kan en mag er absoluut niet bijkomen. Op de Beninksberg lopen ze zowat vrij rond hoewel ze niet echt van de berg kunnen afkomen. Als bezoeker wandel je er tussen door en wie geen schrik heeft van paarden en de dieren niet lastig valt wordt er rap vriendjes mee. Anderen blijven gewoon een beetje op afstand want de paarden trekken zich van mensen niets aan. Honden zijn op de berg niet toegelaten, ook niet aan de lijn en dat is uiteraard wel nodig want honden en paarden is zonder gespecialiseerde training geen goede combinatie. Ik hou meer van de open manier van werken op de Beninksberg dan van het afsluitingsmodel in het Meerdaalwoud. Fietsen zijn ook niet toegelaten op de berg (‘in het domein’) maar er is een MBT route helemaal rond.
Vroeg of laat vraagt de bezoeker van de Beninkberg en andere Hagelandse heuvels zich af hoe die bergen van ijzerzandsteen die daar ooit gekomen zijn. Als je op kaart kijkt zie je dat ze ongeveer evenwijdig lopen met de huidige kustlijn. Om die reden dachten de geologen tot voor kort dat het zandbanken zijn die de zich terugtrekkende Diestiaanzee zo’n vijf miljoen jaar geleden achterliet. Die banken zaten vol met glauconiet, een mineraal dat daarna oxideerde tot limoniet waardoor de zandkorrels aan elkaar gekit werden tot harde erosiebestendige ijzerzandsteen. Met de opheffing van de bodem en de stroom van het water werd het zachtere zand tussen de zich vormende heuvelruggen in de valleien afgevoerd.

Die theorie is zo eenvoudig dat niet-geologen met inbegrip van natuurgidsen (met inbegrip van mijzelf) het aan het publiek kunnen uitleggen en dat ook doen. Het is jammer maar er klopt blijkbaar niets van. In het erfgoeddossier lees ik dat dankzij ‘vooruitschrijdend wetenschappelijk inzicht’ (waar horen we dat nog tegenwoordig?) er een andere verklaring is. Ik probeer het samen te vatten: de zee trok zich niet terug in westelijke richting maar naar het noord-oosten en de historische kustlijn liep niet evenwijdig aan de heuvelruggen maar stond er dwars op. Sinds 2014 denken de geleerden dat 10-12 miljoen jaar geleden ten noorden van ons land de afwatering ging naar de diepliggende vallei van de (oer)Rijn. Met het stijgen van de zeespiegel vulden de daardoor gevormde geulen zich op met glauconiethoudend zand. Met het terugtrekken van de (Diestiaan)zee enkele miljoenen jaren later kwamen die geulen droog te liggen en verhardden zich door de hiervoor uitgelegde oxidering tot de ijzerzandsteenbanken. Latere ijstijden hebben het zachtere zand tussen de banken afgevoerd in noord-oostelijke richting en de banken zijn met de tijd en de opheffing van het land heuvels geworden met de rivierdalen ertussen. Over het gebied hebben de noordenwinden tijdens de laatste ijstijd nog een laagje vruchtbare leem gestrooid en dat is ondertussen grotendeels van de heuvels afgegleden naar de valleien. Als ik het mis heb met deze kort-door-de-bocht-samenvatting hoor ik het graag maar dit is wat ik er van begrijp.


Met deze samenvatting beëindig ik mijn eerste verkenning van alweer een mooi natuurgebied en kan ik je vooral aanbevelen om er zelf ook eens een kijkje te gaan nemen.
++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++
Beninksberg – Erfgoedobjecten – Inventaris Onroerend Erfgoed
https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/305759
https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/305761
‘Den Heyligen Sant al in Brabant’, door Bart Minnen, Michel Tilleman, Pierre Van Hecke, Marike de Kroon, Frans Doperé, Ingrid Geelen, Anna Bergmans, Dirk Van Eldere, Steven Mariën, Luc Rombouts en de Kulturele Kring van Wezemaal. Uitgeverij Averbode, najaar 2011
Beninksberg | Agentschap voor Natuur en Bos
https://www.natuurenbos.be/beninksberg
https://mtbroutedatabase.be/vlaamsbrabant/rotselaar.htm

Trefwoorden: wezemaal, rotselaar, beninksberg, anb, natuurreservaat, geschiedenis, konik, heide, sint job,

Het natuurgebied Aronsthoek vind je op de kaart ten noordoosten van Geetbets. Het ligt aan de oostkant tegen het riviertje de Gete aan en het is opgesplitst in twee gedeelten, een zuidelijk stuk ten zuiden van de Kasteellaan en een stuk ten noorden daarvan. Beide stukken zijn als natuurreservaat in eigendom en beheer van de afdeling Gete-Velpe van Natuurpunt. De organisatie typeert het zelf als “een gevarieerd valleilandschap met hooilanden, natte en overstroombare graasweiden, ruigten, moerassen, populierenaanplantingen en andere bossen. Dit gebied is een grootschalig natuurcomplex ingebed in de nog vrij intacte Getevallei”. Voor de wandelaar-natuurliefhebber is vooral het zuidelijk gedeelte nogal toegankelijk via een aantal paden en daar staat ook een soort van uitkijktoren hoewel je wel sportief moet zijn om daarbovenop te klimmen denk ik. Vanaf de kerk van Geetbets stap je de Dorpsstraat af tot aan de brug over de Gete en dan sta je aan het begin de veldweg langs de rivier bij een overduidelijk infobord van Natuurpunt met een mooie foto van een reiger. Je bent dan al de middeleeuwse motte van het dorp voorbijgekomen maar daar beloof ik later nog iets over te vertellen. Over die motte staat er daar ook een infobord. Op de brug staat ook een pijl naar een monumentale Ginkgo Biloba in het dorp maar die heb ik zelf nog niet gezien.

Ik was er heel vroeg in de ochtend en op de foto’s zie je de mist boven de rivier en weiden hangen. Je komt eerst langs een maisveld dat duidelijk niet van Natuurpunt is maar dan ga je langs een stel heel grillige oude knotwilgen en weet je dat je de goede natuur-richting uitgaat. De koeien lijken nog te slapen. Terwijl de zon opgaat zie ik In de verte is een ree grazen die zich van mij niet teveel aantrekt maar uiteraard niet dichterbij komt. De oevers van de rivier zijn dicht begroeid maar aan een bruggetje naar een hek zie je een soort sluisje en de resten van wat overduidelijk ooit een watermolen moet zijn geweest. Er staat echter niets bij en ik vind er op het internet niet direct iets over maar dankzij de attente lezer en vriendelijke eigenaar Gerd Rutten weet ik ondertussen dat de molen wel degelijk in Molenechos voorkomt want het gebouw in de weide is de watermolen van Geetbets aan de Molenstraat. Aan het bruggetje moet nog ergens een inscriptie zijn maar vanwege de begroeiing heb ik die zelf nog niet gezien. Gerd heeft ondertussen de begroeiing wat opzij gehaald en me er een foto van bezorgd. Van de molensite mag ik een reportage komen maken zodra er een beetje opgeruimd is en een aantal gerestaureerde onderdelen weer op hun plek terug zijn. Dus dat heb je nog tegoed, beloofd.

Ik ben blijkbaar nog altijd niet echt in het reservaat want aan de linkerkant passeer ik een nog niet zo lang geleden gezette plantage van populieren. Langs de weiden staan er ook. Ze staan altijd en overal keurig op een rijtje, al die jonge bomen en toch vraag ik mij af waarom grondeigenaars ze nog altijd aanplanten. Ik neem aan dat je dat niet doet als je er geen geld van wil maken en hier in de streek staan ze in grote aantallen. Ze groeien natuurlijk snel en ik heb gelezen dat er fineer van gemaakt wordt omdat het blanke hout zo zacht is dat je met de moderne technologie de boom gewoon kan afpellen om nadien die schillen op vezelplaat te plakken. Dat kan geld opleveren maar ik heb het eigenlijk nog nergens gezien en zelf zou ik er nooit platen van willen gebruiken want als er ook maar iets van water aankomt kan je het geheel weggooien. Ik vind dat lichte splintervrije populierhout in brede planken, (dus van volwassen bomen met grote stamomtrek) wel héél erg mooi in een plafond of lambrizering of verwerkt in speelgoed maar daar wordt het in de handel niet voor gebruikt (geen vraag naar heet dat). Maken ze er misschien benzine van of dienen ze voor het brandhout? Iemand vertelt me dat ze dienen om er paletten van te maken. Wie er meer over weet mag het graag zeggen. In elk geval is de eigenaar kennelijk bang dat ze gestolen worden want het hek is ferm afgesloten. We zullen in het reservaat nog veel van dit soort bomen tegenkomen maar het is duidelijk dat ze daar moeten plaatsmaken voor een ander soort natuur en dat levert ook wel mooie foto’s op.

Even verder kom ik aan de houten uitkijktoren. Als je op het kaartje kijkt zie je dat je hier twee kanten uitkan. Naar rechts is duidelijk voor de gewone wandelaar op zoek naar kilometers en een frisse neus en die alles wil leren over hagen. Rechtdoor is voor de natuurliefhebber op zoek naar de uitkijkhut aan de rivier en poel die hier ergens moet zijn en die niet bang is om Galloway-koeien tegen te komen want zelfs als ze zich in het struikgewas verschuilen is het wel heel duidelijk dat ze er zijn (ook al aan de reuk). Bovendien staat er een infobord van Natuurpunt over het hoe en het waarom van deze begrazingsmethode. Ik verken beide mogelijkheden maar ga eerst de er enigszins wild uitziende koeienruigte in om het water terug te vinden. De toren zelf laat ik over aan de wat sportievere gasten van deze wereld.
Galloways voor de begrazing
Het natuurreservaat Aronsthoek van Geetbets is meer dan 300 ha groot en volgens Natuurbeheer is in een gebied van die omvang het ‘niets doen’ de voornaamste beheersvorm. Dat niets doen lijkt me betrekkelijk want de paden worden natuurlijk regelmatig gemaaid en afrasteringen aangelegd of hersteld, er worden hagen aangeplant, poelen worden ingericht, populieren maken plaats voor inheemse bossen of hooilanden en die moeten dan weer regelmatig worden kort gehouden met maaien en afvoeren of door begrazing.
Om te vermijden dat de vallei op termijn zou verbossen, worden schapen, paarden of runderen ingezet. Hier en daar zie je een kudde gewone koeien en blijkbaar zijn die van een boer die voor Natuurpunt werkt. De zwarte runderen tussen de struiken en bomen zijn onmiskenbaar de beroemde Schotse Galloways uit het gelijknamige graafschap die door Natuurpunt zelf (en andere natuurorganisaties) worden ingezet als ‘grote grazer’.

Hoeveel er zijn kan ik niet tellen want je ziet ze nooit allemaal tegelijk maar het is best een flink gezelschap. Het zijn robuuste dieren, een koe weegt tussen de 450 en 600 kilo en wordt 120 hoog, stieren zijn een 15tal centimeters hoger en kunnen tot 900 kilo zwaar worden. Als die in beweging komen raak je er best niet tussen denk ik. Ze hebben geen hoorns en zullen je niet zomaar aanvallen en dat is een van de redenen om hen te gebruiken in natuurgebieden waar veel bezoekers komen. Een andere reden is dat ze met hun dikke ruwe langharige buitenvacht en zachte binnenvacht perfect geïsoleerd zijn tegen regen en koude, weinig zorg nodig hebben en niet bijgevoerd hoeven te worden. Of ze met zo’n vacht tegen de hoge temperaturen van vandaag kunnen weet ik niet. Ze eten ze niet alleen gras maar ook grovere planten zoals takken, twijgen en zelfs bramen en doordat ze ook niet alles kaal grazen als ze genoeg ruimte hebben kan er bij hen in de buurt zich een hele verscheidenheid van begroeiing handhaven en dat zie ook wel op het terrein. Een koe is geslachtsrijp vanaf 1,5 jaar, na de dracht van 9 maanden wordt haar kalfje geboren dat dan al tot 30 kilo zwaar is maar heel vitaal en stevig. Moeder koe heeft geen hulp nodig bij het kalveren en hoeft niet gemolken te worden. Heel schuw zijn ze niet maar als er kalveren zijn blijf je (en je hond) best uit de buurt want het moederinstinct doet zich dan wel gelden. Hoe oud Galloways kunnen worden heb ik niet gevonden maar een gezonde koe baart in totaal 10 tot 12 kalveren. Ik denk echter niet dat er veel van ouderdom sterven want al in hun Schotse moederland werden ze honderden jaren geleden ook geselecteerd om hun lekkere vlees en sinds het begin van de 19e eeuw is Galloway-rib een bekende en gewaardeerde vleessoort bij Londense slagers. En dat is ook bij Natuurpunt nog altijd het geval meen ik te weten. Wie kent er een paar adressen om aan dit lekkere biovlees te geraken?

kaardenbollen
Wat hebben galloway-runderen met kaardenbollen? Ik zie die planten overal staan waar deze dieren zich aan de begrazing wijden. Maar misschien lusten ze die gewoon niet en krijgen de bollen de kans die ze anders in zo’n moerasruigte moeten missen. Maar distels houden ze volgens mij ook niet van en met al die stekels geef ik ze wel gelijk. In Wikipedia lees ik dat de grote of wilde kaardebol (dipsacus fullonum) van de familie van de kaardebollen (Dipsacaceae) van oorsprong afkomstig is uit de Maghreb in Noord-Afrika maar dat hij tegenwoordig overal voorkomt in de gematigde streken als er maar een zonnige voedselrijke plek is, liefst met een beetje kalk. Het is een tweejarige plant en wordt tot 2,5 meter hoog. In de natuur is hij van belang omdat de bloemen veel nectar bevatten en dus solitaire bijen en hommels aantrekken, de zaden worden door vogels gegeten en op die beide manieren plant hij zich ook voort. De stekelige bloemen werden in de middeleeuwen gebruikt als kam om weefsels te ruwen zodat de vezels evenwijdig kwamen te liggen om te kunnen spinnen. Of het opnieuw gedaan wordt weet ik niet, het laatste bedrijf in Zuid-Frankrijk hield er in 1985 mee op. Tussen het blad en de stengel zit een klein bekken met een beetje water en alchimisten hebben lang geprobeerd om daarmee goud te maken. Bij Natuurpunt heb ik ze dat nog niet zien doen. Datzelfde water doodt blijkbaar insectjes door ze met een zoetstof te lokken en ze dan door verdoving te verdrinken zodat ze door de plant kunnen worden opgenomen. Maar ik lees dat het blijkbaar tegen muggenlarven niet helpt want die planten zich er juist in voort. Lekker is de kaardenbol niet maar vergiftigd zal je er niet door worden. Integendeel, in de natuurgeneeskunde (China) worden de verschillende delen voor allerlei medicinale doeleinden aangeprezen, zoals het reinigen van lever en nieren, gewrichtspijnen en zelfs om de ziekte van Lyme te behandelen. Er is ook een Kleine kaardebol (Dipsacus pilosus) maar die wordt bij de kamperfoeliefamilie (Caprifoliaceae) ingedeeld. Hij moet zeldzaam zijn want staat op de Rode Lijst. Ik dacht hem nog niet gezien te hebben maar nu vind ik er toch wel een prachtige foto van (met bezoek) uit ons eigen bronbos in de Dijlevallei. Van hier gaan we naar de kijkhut en wilde omgeving.

De kijkhut in de dode sparren-wildernis
Op de kaart van Natuurpunt van het reservaat Aronsthoek in Geetbets staat een vogelkijkhut aangeduid aan de Gete. Er zou zelfs een grote vijver moeten zijn. Natuurpunt legt in de vallei een heel lint aan poelen om zeldzame vogels aan te trekken en om amfibieën levenskansen te bieden. De kijkhut heb ik gemakkelijk gevonden door de rivier te volgen, hij ziet er heel degelijk uit en er staat een groot bord bij met een overzicht van de watervogels die je op de poel kan zien. Jammer genoeg is de vijver niet meer zichtbaar vanuit de hut, zelfs de rivier kan je vandaar niet meer zien vanwege de begroeiing. Het kan natuurlijk zijn dat de poel is uitgedroogd na de hitte van deze zomer want dat is in veel natuurgebieden het geval. Een moeder Galloway met kalf houdt de wacht en kijkt heel wantrouwig naar me. Na één foto is het kalf al achter de mamma verborgen. Het padje gaat verder door de wildernis en dan kom je dan toch weer langs de rivier. Wie hier vroeger ooit een bos van sparren heeft willen planten is er aan voor de moeite want ze zijn allemaal dood. Maar naaldhout hoort in deze natte vallei absoluut niet thuis en dat had de planter ook kunnen weten. Spectaculair vind ik het wel, die woestenij van dode stammen. Aan de overkant van de Gete zie ik weiden met gewone koeien van-bij-ons dus ik vermoed dat die nog niet van Natuurpunt zijn maar bij de aan de overkant gelegen Segeraethoeve horen. In ieder geval kan je er niet naar toe want er is hier geen brug over het water en alles is afgespannen met prikkeldraad om de Galloways en de fotografen uit de rivier te houden. Tussen de begroeiing verschuilen zich enkele bordjes om je de richting van het pad te wijzen. Dit is het land van voedselrijke vochtminnende planten zoals moesdistel, kattenstaart, moerasandoorn, koninginnekruid en moerasspirea.

Zonder begrazing kom je hier niet door maar nu gaat het wel gemakkelijk. Overal staan en liggen levende en dode bomen, ik denk toch meestal wel wilgen. Ik vermoed dat het hier in de winter wel ferm onder water kan staan maar het bufferen van water op een natuurlijke wijze is dan ook een van de bestaansredenen voor het reservaat lees ik. Aan de sleedoornstruiken hangen de bessen al te rijpen. Ik blijf nog even in deze ruige wildernis en dan trek ik naar het gewone wandelpad. Maar wie op zoek is naar ‘echte’ natuur moet wel hier zijn denk ik ….
Aronsthoek, deel van een uitgestrekt natuurlandschap in de Getevallei
Uit een folder van Natuurpunt van vijf jaar geleden pluk ik het volgende: Aronst Hoek in Geetbets is samen met Betserbroek het snelst groeiend reservaat in Oost-Brabant. In de Getevallei wordt gewerkt aan een groots natuurcomplex vol afwisseling. Samen met Het Vinne, Meertsheuvel en stroomopwaarts Doysbroek, de Getebossen, het Tiens Broek en verder de Getebeemden in Hoegaarden is dit een sluitstuk van een verbonden en samenhangend netwerk van de gewestgrens met Wallonië tot de monding in Limburg. Hoe het er nu in 2020 mee staat moet ik nog verder uitzoeken maar ondertussen is de omvang van het gebied gestegen van 225 tot meer dan 320 hectare.

Het gaat dus het zeker de gewenste kant uit: “door de Afdeling Gete-Velpe wordt sinds 2001 (jaar van de eerste aankoop) met man en macht gewerkt aan de uitbouw van het uniek natuurcomplex Aronst Hoek te Geetbets. Een gevarieerd valleilandschap met hooilanden, natte en overstroombare graasweiden, ruigten, moerassen, populierenaanplantingen en andere bossen. Dit gebied is een grootschalig natuurcomplex ingebed in de nog vrij intacte Getevallei. Ideaal voor soorten als wulp, watersnip, boomvalk enz. maar ook een potentieel broedgebied voor de kwartelkoning. Al van bij het prille begin was het de ambitie van Natuurpunt Oost-Brabant om tot een aaneengesloten groot natuurcomplex in de Getevallei te komen … Natuurpunt Oost-Brabant ziet het als een grote uitdaging om de Getevallei vanaf de taalgrens in Hoegaarden, over Tienen, Linter, Zoutleeuw, Geetbets tot aan de monding in Halen als groot natuurcomplex van Europese allure te realiseren”. Hier in deze wildernis waar ik sta geniet ik van die dimensie van topnatuur van Europese allure. Ik ga hier zeker in de winter terugkomen om te zien of hoe het staat met de functie van waterberging, met andere woorden of alles onder water komt te staan. Als dat gebeurt wordt je gered door een paar onderwachte wandelbordjes langs de rivier die verhinderen dat je gewoon de Gete instapt. Toch doen de bomen hier nog ferm hun best want ik zie flinke groepen van wilgen met dikke stammen. Ik blijf hier toch nog even voordat ik het brugje over steek richting Melsterbeek.
De Gete
In Aronsthoek in de Galloway-wildernis op weg van de Gete naar de Melsterbeek wil ik nog even iets meer weten over de rivier die de vallei beheerst en er zijn naam aan geeft.

De Gete ontspringt als Grande Gette in Wallonië in Perwez. In Jodoigne is het al een flink riviertje en vandaar meandert hij van Hoegaarden door Tienen naar Budingen een eind ten noorden van het Vinne en Zoutleeuw. Tegen die tijd heeft het water zo’n 51 km afgelegd door een historisch altijd moerassige vallei. De Kleine Gete begint als La Petite Gette bij Ramilies – Folx-les-Caves en slingert vandaar 36 km lang via Orps-Jauche, Landen en Zoutleeuw ook naar Budingen. Natuurpunt: De vallei van de Kleine Gete, ter hoogte van Zoutleeuw, bestaat uit een kleinschalig beemdenlandschap: vochtige graslanden met hout- en haagkanten worden afgewisseld door begraasde populierenkamers. De samenvloeiing van de Grote en de Kleine Gete is te bewonderen in Budingen, waar ze hun traject samen verderzetten als ‘de Gete’. Na een loop van 12 km doorheen Geetbets, mondt de Gete uiteindelijk uit in de Demer, nabij het natuurgebied Schulensbroek te Halen. In het zeer brede valleilandschap langsheen de Gete wisselen typische bocagelandschappen, met een grote dichtheid van kleine landschapselementen, af met ruigere natuur. Ook hier wordt de waterhuishouding sinds de Middeleeuwen via een uitgebreid netwerk van (gekanaliseerde) beken, sloten, greppels, sluisjes en dijken geregeld. De bijzondere historiek met oude kastelen en grote hoeves speelt hier een belangrijke rol waarin het natuurgebied Aronst Hoek met vandaag ca. 340ha vooraan staat. Dit deel van de vallei bestaat uit oude binnenpolders met ’s winters overstroomde graslanden, ongerepte broekbossen, uitgestrekte moerassige ruigten en rietlanden.

Het hele gebied was eeuwen lang te drassig en te overstromingsgevoelig om – ondanks de aanleg van talloze leigrachten – echt te ontginnen of te bebouwen en heeft daarom veel van zijn natuurlijk karakter behouden. Wel zijn in onze tijd tal van de oude hooilanden omgezet in monotone populierenplantages. En dit nog: de woorden ‘Gete’ en ‘Gette’ betekenen zoiets als ‘gieten’ of ‘goot’ dus ik denk dat ik er maar ‘waterloop’ van maak.
Om water te bergen en zo overstromingen te vermijden
Aronsthoek in Geetbets in de vallei van de Gete heeft sinds onheuglijke tijden zijn oorspronkelijke vorm en functie kunnen behouden. Je ziet dat ik dat op de kaart Vandermaelen van 1845 maar je kan het ook zien op de Ferrariskaart van 1771 en waarschijnlijk zijn er nog oudere kaarten maar die zijn niet online: een open gebied van uitgestrekte drassige graslanden, op veel plaatsen afgezoomd met haagkanten en bomenrijen en met kleine loofbossen op de flanken van de vallei. Je kan er behoorlijk verdwalen want het gebied wordt doorsneden met waterlopen, soms zijn dat natuurlijke beken maar er zijn ook talloze leigrachten waarmee de boeren in het verleden het water hebben proberen te temmen.

Ik heb het zelf nog niet meegemaakt maar in de winter kan heel dit landschap blijkbaar onder water komen te staan. En dat is nodig ook want anders lopen de huizen stroomafwaarts onder water. Traditioneel is het stadje Halen in dat geval een eerste slachtoffer. Ik lees dat ondanks plaatselijke buffermaatregelen in 2016 daar de omgeving nog eens onder water kwam te staan na heftige regenval.
Op deze verkenningstocht passeren we twee zijbeken van de Gete: de Graasbeek en de Melsterbeek. Tussen de beiden kijken we op de overkant van de Graasbeek naar het noorden op de Segeraethoeve. Ik ben nog niet tot daar geraakt maar van het moerassige weidegebied ten westen van die hoeve heeft Natuurpunt enige jaren geleden 48 ha kunnen aankopen van het oude domein Ter Vreundt. Op de kaart van Natuurpunt staat de hoeve aangeduid maar voor de historische benaming ‘Château de Vrunt – au Baron de Zegerarde (ruïne) moet je op Villaretkaart van 1745 kijken. En de moerassen staan overduidelijk ingetekend op de topografische kaart van nu. Het pad gaat er niet naar toe maar je ziet wel de rijen afstervende populieren in de verte. Ik laat de Galloways verder met rust want ik kom aan het einde van hun wildernis aan een klein hekje en daarachter ligt het normale wandelpad. Naar rechts gaat terug naar de uitkijktoren.
Land van beken en zijbeken
Naar links kom je langs een mooi pad eerst de Graasbeek tegen en een eindje verder de Melsterbeek. Over beide beken schreef ik niet lang geleden een uitgebreide tekst en die kan je vinden door de bijgevoegde link te openen (https://opstapinhetlandvandedijleendedemer.home.blog/?s=graasbeek).

Beiden zijn zijbeken van de Gete en met zijn drieën verzorgen ze de watertoevoer in het natuurreservaat. De Graasbeek is maar een heel klein slingerend stroompje dat ik op de kaart zie beginnen als aftak van de Melsterbeek aan een zuiveringsstation een beetje ten noorden van het dorp Runkelen. Aan de Kasteellaan, dat is de autoweg die Aronsthoek in tweeën splitst, komt hij aan op de Asbeek en stroomt vandaar naar het noorden tot hij via de Melsterbeek op de Gete aankomt ten zuiden van Halen. De Melsterbeek bevat heel wat meer water. Op de kaart zie je dat hij een nogal ingewikkeld parcours aflegt van 35km van de bron in Jeuk in de gemeente Gingelom naar de Gete in Donk en daarbij een wijde boog rond de stad Sint Truiden maakt. Beide beken lopen een heel eind parallel met de Gete. In de 13de eeuw was de Melsterbeek blijkbaar bevaarbaar en kwam hij ten zuiden van Grazen in de Graasbeek aan. De motte in Geetbets (daarover later nog iets) diende in die tijd om tol te heffen op de langskomende schepen lees ik. In feit is een groot deel van de huidige Melsterbeek geen natuurlijke waterloop maar een lang geleden gegraven kanaal. Op oude kaarten zie je dat heel deze vallei de grens vormde tussen het wereldse Hertogdom Brabant en het religieuze Prinsbisdom Luik en de aanwezigheid van vele burchten (kastelen), donjons en versterkte hoeves herinnert daar nog aan.

Vlak voor de brug over de Melsterbeek sta je op die grens. Ik beloof nog een kastelentocht in de toekomst. De uitgezette Aronsthoek-wandeling komt na de brug over de Melsterbeek aan bij een natuur-onaantrekkelijk huis en een jonge eik met een bank er rond (en een groene vuilbak, knooppunt 415). Naar alle kanten ziet het vervolg er buiten het natuurreservaat nogal kaal uit en als je via het noorden de lus wil maken kom je wel langs de hoeve Segeraet waar ik het nog over zal hebben maar daarna op de autoweg en door de bebouwde kom. Ik ga daarom terug naar de uitkijktoren en naar de rivier en vertel nog iets over de mooie hagen die je op dat pad tegenkomt.
Van hagen en houtkanten
Dankzij Natuurpunt vind je in Aronsthoek langs het wandelpad opnieuw de haag- en houtkanten die eeuwenlang kenmerkend waren voor het boerenlandschap in heel Vlaanderen en er het lieflijk karakter aan gaven dat je kan zien op oude prenten en foto’s. Natuurpunt: “Reeds in 1771-1778, ten tijde van de cartograaf Graaf Ferraris, waren de groene valleistructuren heel duidelijk aanwezig. Het gebied had een open karakter, versneden door talrijke leigrachten en uitgestrekte drassige graslanden (beemden), lokaal omzoomd met haagkanten of bomenrijen.” Met de komst van grote machines is dat overal verdwenen en vervangen door grote open vlakten waarin nauwelijks nog struiken of bomen te zien zijn. Er zijn mensen die hiervan houden maar ik vind het troosteloos. Als de zon schijnt wandel je in de hitte en als de wind waait word je weggeblazen en er is nauwelijks beschutting tegen regen. En toch zijn die hagen en houtkanten van zeer groot belang, bijvoorbeeld om afstromen van water van de akkers tegen te gaan maar natuurlijk vooral als biotoop voor alle mogelijke dieren, waaronder vogels en insecten.

Ik blijf het vreemd vinden dat in de oude boerentijd toen alles met de hand gedaan moest worden, de hagen en de houtkanten werden onderhouden en dat in onze tijd waarin voor alles machines beschikbaar zijn, dat werk er blijkbaar te veel aan is. Op het pad tussen de Melsterbeek en de uitkijktoren aan de Gete ervaar je hoe een mooie, structuurrijke en natuur-bevorderende haag-omzoomde veldweg er uit ziet. Als je tuin groot genoeg is kan je misschien ook zo’n strookje aanleggen of er omheen laten groeien in plaats van je te voorzien van steriele geschoren haagbeuken of coniferen. In het voorbijgaan nam ik foto’s van wilgen, vlier(bessen), sleedoorn(bessen), meidoorn(bessen, eikels, hondsrozen (bottels) en zelfs appels want dat groeit daar ook. En ongetwijfeld staat er ook linde, esdoorn, zoete kers (en ook amerikaanse vogelkers), iep, notelaar, kastanje, haagbeuk, hazelaar en spork. En je hoeft dat echt niet te planten want het groeit allemaal spontaan op. En als het hoog genoeg groeit geeft het schaduw en dan blijft je pad ook begaanbaar en hoeft niet voortdurend gemaaid en gesnoeid te worden. Hierna wandel ik terug langs de Gete en vertel nog iets over de motte van Geetbets, aan de Dorpsstraat juist buiten het reservaat. Daarna verken ik kort de noordkant van de Kasteelstraat.
De motte van Geetbets
Als er geen infoborden stonden zou ik het niet gezien hebben maar aan de bushalte vlakbij de brug is er nog een middeleeuwse ‘Motte’ in een weide. Heel opvallend is hij niet en of ik (een) mot zou krijgen als ik er dichterbij had proberen te komen heb ik niet geprobeerd om uit te vinden, maar als je goed kijkt zie je inderdaad een soort van lage heuvel die weinig fotogeniek is totdat je ontdekt dat er mooie rechte populieren rond staan.

Mottes vind je overal in de dorpen die op een andere manier aan een grens liggen. In Geetbets is dat de oude scheiding tussen Hertogdom Brabant en het Graafschap Loon, later het Prinsbisdom Luik. In de 13de eeuw diende deze verhoging als toevluchtsoord voor de dorpelingen in geval van dreiging maar vooral – lees ik in het erfgoeddossier – om “tol te heffen en als bescherming van de scheepvaart op de Melsterbeek, die vroeger ten zuiden van Grazen uitkwam in de Graasbeek. Rond de motte liep vroeger de Overbeek die nu nog als gracht zichtbaar is. Vermoedelijk vormde deze motte het oude leengoed Hof ten Hove, de kern waarrond de gemeente Geetbets zich gevormd heeft. Tijdens een vroege opgraving kwamen sporen van houtbouw aan het licht die mogelijk refereren aan de oprichtingsfase. Het gebouwenbestand werd waarschijnlijk vernield in de 16de eeuw en nadien niet meer hernieuwd. De motte zelf valt op door zijn hogere ligging en is in gebruik als hoogstamboomgaard. Op het neerhof lag de hoeve, die nu nog steeds als landbouwbedrijf in gebruik is en geen waardevolle bebouwing meer kent.” Op de Villaretkaart van 1745 zie je hem nog liggen als een omheinde rechthoek ten zuiden van de molen van Geetbets.

Het Hof ten Hove was het oudste leengoed in Geetbets en werd misschien al in de achtste eeuw gesticht. De kerk is hier vlakbij. Die dateert van eind 18de eeuw maar zijn voorganger stond er al in de 13de eeuw.
Op verkenning in Aronsthoek-noord
Hierna ga ik nog kort op verkenning in het noordelijke deel van Aronsthoek aan de overkant van de Kasteellaan tussen Geetbets en Rummen. En helemaal aan het einde gaan we dan toch nog even naar het zuiden richting André Meyvaertsbos en Segeraethoeve. Ondanks mijn voortreffelijke gids en beheerder en kenner van het natuurreservaat, Ronald Jacobs vind ik het niet gemakkelijk om over dit traject een overzichtelijke reportage te maken want het is wel een heel spannend maar niet erg overzichtelijk wandelgebied voor wie de streek niet kent. Het begint er al mee dat je op de kaart van Natuurpunt in dit gedeelte geen uitgezette wandeling zult vinden en in feite er zelfs helemaal geen paden zijn aangeduid. Gelukkig is de Open Street map iets optimistischer want daar zie je toch vanaf de Kasteellaan twee stippellijnen met naar het noorden kronkelen. De linkse daarvan volgt de westelijke oever van de Melsterbeek en de rechtse gaat aan de oostkant van de Gete. Het pad langs de Melsterbeek sluit in het noorden aan op de Leeuwbeekstraat. Het pad langs de Gete loopt dood aan de Asbeek en dan moet je gewoon terug tenzij je je weg door de wildernis weet of een beetje zuidelijker een afslagje met brugje over de rivier vindt naar een pad aan een zuiveringsstation met de naam Langveld en zou je daarlangs ook terug moeten kunnen naar de Kasteellaan. In de winter kan je in dit gebied nauwelijks terecht zonder natte voeten te krijgen en in de nazomer zie je bijna geen water vanwege het manshoge riet.

Maar waar je ook gaat, er zijn overal waterlopen. Behalve de drie die ik al genoemd heb zie ik ook nog de Katermansbeek en Ruelbeek op de kaart en of er water in zit of niet merk je pas op het allerlaatste ogenblik op de plek waar je er overheen zou willen. Ik begin te begrijpen waarom in de oude tijd dit grensgebied ook gevaarlijk moet zijn geweest om er te proberen doorkomen zonder gids.
Een paradijs voor vogels
De noordelijke kant van het natuurreservaat Aronsthoek is dus geen gemakkelijk gebied om je weg te vinden heb ik gemerkt. Je ziet de toren van een kerk in de verte en als je weet dat die van Geetbets is in het westen (wat ik niet wist toen ik de foto nam) dan weet je tenminste iets over je richting.

Maar pas op, in Rummen staat er precies eenzelfde soort toren en dat is helemaal aan de oostkant. Je kan je voorstellen dat het in die tijd moeilijk was om ongemerkt en veilig over die grens tussen het Hertogdom Brabant en Prinsbisdom Luik heen te komen in dit mozaiek van rietvelden, moerassen en drassige hooilanden. Het landschap is grotendeels zo gebleven hoewel op veel plaatsen, vooral aan de rand, mais groeit en weilanden vervangen zijn door fruitplantages. Dit is uiteraard een paradijs voor alle mogelijke vogels zoals wulpen, watersnippen, reigers, bijzondere eendensoorten, wilde en kleine zwanen en kwartelkoning (is die er nu al?), insecten, amfibieën en andere dieren die het van water moeten hebben. Bij de zangvogels noemt Natuurpunt de kievit, spotvogel, zomertortel, roodborsttappuit, sprinkhaanrietzanger, blauwborst en kleine karekiet. Als toevallige bezoeker moet je wel specialist zijn om ze te horen en geduld hebben om ze daarna te zien en veel knapper dan ik om ze ook nog te fotograferen. Ergens in het gebied trof ik een stoeltje aan dat al klaarstaat voor de geduldige spotter. Als je dan toch in quarantaine moet lijkt me dit geen slechte plek. In de winter moet je hier spectaculaire waterbeelden kunnen zien lees ik bij Natuurpunt want dan dient de vallei als natuurlijke waterberging. Behoud en herstel van dit soort landschap is uiteraard een veel betere oplossing om overstroming in dorpen te vermijden dan de aanleg van dijken en betonnen wachtbekkens maar het is blijkbaar nog altijd moeilijk om onze overdynamische en overgetechnologiseerde ingenieurs van deze simpele waarheid te overtuigen. Maar in elk geval, op deze tocht kom ik geen beton tegen dus misschien gaan we betere tijden tegemoet.

een mooie kapel en een leuke bio-boerderij aan de Leeuwbeekstraat.
Aronsthoek – de noordkant. Vanaf de Melsterbeek belanden we via een aan de (strikt genomen veel te dicht langs de) rivier liggende perenboomgaard plotseling weer op een weg, de Leeuwbeekstraat. De peren zijn nog niet rijp maar gelukkig hoor ik geen geluiden van een pomp die water uit de beek oppompt. Is het waar dat plukkers in dit soort boomgaarden slechts 8 euro per uur verdienen? Tussen twee maisvelden duikt een schattig kapelletje op. Hij is duidelijk gewijd aan de Heilige Maagd maar wie hem gebouwd heeft en om welke reden kan ik op het internet niet terugvinden. Hij staat niet op de erfgoedinventaris van Geetbets en ik denk ook niet dat hij heel oud is want hij staat pas aangeduid op de NGI-kaart van 1939. Ik vind hem op een lijst van kapelletjes in Vlaanderen maar daar staat alleen dat er een grotje is. Dat is er ook en er staat een mariabeeld in. De kapel staat open, er staat een bank bij en hij is wel heel mooi onderhouden. Er moet iemand in de buurt zijn die er goed voor zorgt. Misschien is er een lezer die er meer over kan vertellen? Een klein eindje verder staan we aan een veldweg naar rechts plotseling aan een bio-boerderij. Serres, schuren, velden met groenten en bloemplanten en vriendelijke mensen die aan het werk zijn, Bio-bij-Bernd (‘hier leef je bio’ staat er op het bord) is overduidelijk een op de toekomst gericht tuinbedrijf en geen klassieke agro-industrie voor de maisteelt. Op de facebookpagina lees ik dat dit het bedrijf is van de lokale CSA (Community Supported Agriculture) bioboer Bernd Vandersmissen voor de omgeving Hasselt, Kiewit, Alken, Stokrooie, Herk-de-Stad, Heusden-Zolder en Bilzen.

Bernd en Rosette sluiten overduidelijk aan op de nieuwe trend van ‘telen voor de korte keten’ want het bedrijf staat aangeduid als organische groentenwinkel en je kan het menu bekijken en dat aan huis laten leveren of zelf afhalen. Je kan ook paketten voor groente en fruit, paddenstoelen en bloemen bestellen. Heel de regio van Midden-Limburg wordt bediend met de stad Zoutleeuw als zuidelijkste verkooppunt. Ik denk dat het hard werken is om zo’n bedrijf te houden en er van te kunnen leven maar in de toestand waarin Vlaanderen zich gebracht heeft denk ik dat dit de weg vooruit is. Hierna nemen we nog een laatste kijk in het natuurreservaat zelf aan het bos André Meyvaert en de totem voor René Coosemans en de dag daarna bezoeken we het Kasteel van Hoen (van Rummen).
De Segeraethoeve, het André Meyvaartbos en een totem voor René Coosemans
Het natuurreservaat Aronsthoek in Geetbets zou er niet zijn zonder een geduldig aankoopbeleid van Natuurpunt met het doel om al de vrijkomende puzzelstukken in het gebied aan elkaar te koppelen. Soms steken privé-kopers, dikwijls met jachtbedoelingen, een spaak in het wiel. Maar af en toe gebeuren er toch kleine mirakels waarbij grondeigenaars, meer in het bijzonder boeren, zich op de lijn van de natuur zetten.

Iets ten zuiden van de Kasteellaan zie je langs de Melsterbeek de hoeve Segeraet, zo genoemd naar voormalig eigenaar, de familie Zegeraedt, heel lang geleden ook bekend als Hof Ter Vreundt. Dat is een belangrijke historische site, lange tijd eigendom van het Oriëntenklooster, met een in 1910 afgebroken donjon. De Melsterbeek is op die plek verlegd om de watermolens te bedienen en de hooi- en graasweiden in te richten. In 2013 kon Natuurpunt 45 hectare grond rond die hoeve in eigendom verwerven. Enkele jaren geleden besloot boer-op-rust André Meyvaert om het gebied waarover hij de pacht had aan Natuurpunt in beheer te geven omdat hij vond dat de huidige landbouw de natuur kapot maakt, vooral omdat er teveel wetten zijn die de boer het leven zuur maken. De organisatie besloot in 2017 op een deel van het terrein een klimaatbos met een omvang van zeven voetbalvelden aan te leggen met alle mogelijke inheemse boom- en struiksoorten zoals zomerlinde, zomereik, esdoorn, zoete kers, ruwe iep en haagbeuk, hazelaar, spork en hondsroos. André werkte zelf mee aan de voorbereiding van het planten van duizenden boompjes maar juist toen het echte werk moest beginnen kwam hij plotseling te overlijden. Op 12 maart 2017 werden na een plechtige inhuldiging van het nieuwe bos bijna 7000 bomen geplant met medewerking van scholen, jeugdverenigingen en andere plaatselijke natuurliefhebbers. Uit eerbetoon is het bos naar hem genoemd. Bij de inhuldiging werd ook een rustbank geplaatst en twee lindeboompjes geplant. De havik-totem – gemaakt gemaakt in de sociale werkplaats van Natuur en Landschap – is gewijd aan René Coosemans. Deze Brusselaar schonk voor zijn overlijden in 1993 een deel van zijn nalatenschap, 463.000 euro, aan Natuurpunt Oost-Brabant voor de aankoop van natuurpercelen in het Hageland. Met een deel van geld zijn de percelen rond de hoeve Segeraet ook eigendom van de organisatie geworden. De weduwe van André, Simone Bollen woont nog altijd op haar boerderij en zet het bedrijf verder zolang het gaat. Met dit hoopvolle verhaal ben ik rond met mijn eerste verkenning van dit prachtige natuurgebied en breng ik hierna nog een bezoek aan het kasteel van Hoen dat er zowat middenin ligt.

Aronsthoek – het kasteel van Hoen. Sommige natuurliefhebbers zijn ongetwijfeld in hun nopjes met de gevelbegroeiing van het ietwat bouwvallige ronde torentje aan de Kasteelstraat nummer 17 in Geetbets (zie de foto) maar het is helaas zowat het enige wat overblijft van het eens zo trotse kasteel waar het deel van uitmaakte. Gelukkig is er nog de kasteelhoeve die vroeger wel veel groter was maar er dankzij eigenaar Ward Vertommen toch nog altijd (of beter: opnieuw) een best wel de allure van een kasteel heeft. Torentje en hoeve zijn sinds 1995 als erfgoed-monument beschermd als gebouw maar ook als stads- of dorpsgezicht als ‘Kasteel van Rummen met omgeving’. In het erfgoeddossier lees ik dat voor de Franse revolutie Rummen deel uitmaakte van het graafschap Loon en dat in deze vruchtbare streek de welgestelde familie Hoen geleidelijk aan de eigendom en het gezag over deze omgeving verwierf. Op het einde “van de 16de eeuw was Rummen in het bezit van Guillaume Hoen de Cartiels, zoon van Henri Hoen en Anna de Horion. Zijn zoon Jean Hoen verkreeg de titel van graaf en liet in 1629 een nieuw kasteel bouwen”. Sindsdien is het niet meer ‘Hoen’ maar ‘Van Hoen’ en de wapenschilden van de familie staan tot twee keer toe ingebeiteld aan de voorkant van de hoeve met jaartal 1629 maar wat de betekenis van de afbeelding is weet ik nog niet. In de muur staat ook het jaartal 1626 ingemetseld dus dat moet tijdens de bouw gebeurd zijn. Het plaatje onder de schilden wil alleen maar zeggen dat het goed tegen brand verzekerd was op het einde van de 19de eeuw. Op een gravure van 1662 zie je hoe het geheel – kasteel en hoeve – er in zijn tijd moeten hebben uitgezien: in feite een zwaar versterkte omwalde en slechts via een brug toegankelijke waterburcht. Deze burcht brandt al in 1657 gedeeltelijk af maar wordt nadien wederopgebouwd.


Op een pentekening van Remacle Leloup van 1740 (zie foto) maakt de versterkte allure plaats voor een residentieel karakter. De Ferrariskaart (1771) toont een site die blijk geeft van grootse plannen die waarschijnlijk niet zijn afgewerkt want na de kinderloze dood van gravin Marie-Henriette de Hoen de Cartels liet haar neef en erfgenaam Charles-François de Horion het hele bezit in Rummen aan zijn schuldeisers over. Tegen die tijd komt de Franse revolutie er aan en in die periode wordt het kasteel wegens financiële moeilijkheden verkocht aan Pierre Van den Bossche uit Tienen.
Aronsthoek – Geetbets. Het kasteel Van Hoen is na de Franse revolutie nog een eeuw blijven bestaan maar in die periode door elkaar opvolgende eigenaars toch stukje bij beetje verkleind.

Over die periode lees ik in het erfgoeddossier het volgende: “In 1887 geeft Wouters in zijn Géographie et histoire des Communes Belges nog een beschrijving van het kasteel, dat sindsdien is gesloopt. Enkel de zuidoostelijke hoektoren bleef als torenruïne bewaard. De vroegere omvang van het kasteel is nog steeds afleesbaar op het kadasterplan. De Primitieve kadasterkaart, opgemaakt door Boonaerts in 1827, toont een plattegrond die nauw aansluit bij de afbeelding van Leloup. Op een gravure van 1847 wordt het herenverblijf getoond met de twee hoektorens, de spietorentjes, de ophaalbrug en de slotgracht, precies zoals Leloup het meer dan honderd jaar eerder had getekend. De slotgrachten stonden nog wel geregistreerd als lustvijver (‘eau d’agrément’), maar van de parterretuin ten oosten van het kasteel bleef alleen de perceelsvorm bewaard. Het voormalige kasteel van de Hoen was toen eigendom van de weduwe van Pierre Van den Bossche uit Tienen, eigenares van bijna één derde van het grondgebied Rummen. Zij liet in 1837 de restanten van de voorburcht afbreken. Het herenverblijf werd op één hoektoren na gesloopt omstreeks 1906. De resterende hoevegebouwen werden tot in de jaren 1980 nog als hoeve uitgebaat. Een poging tot restauratie rond 1990 verzandde in een pril stadium … De toren ligt in een kleine waterplas, een restant van de vroegere omgrachting, eertijds gevoed door de Asbeek (Ruulbeek of Philippebeek) die de gemeente van oost naar west doorkruist.” Die kaart van 1827 en de gravure van 1847 heb ik niet maar op de in het grote internet beschikbare kaarten zie je het hierboven beschreven verval ook heel duidelijk (zie de foto’s).

Ik heb geen oude foto van de site van vlak voor en na de vastgelopen restauratie in 1990 maar die mislukking had zeer goed het einde van deze droevige historie kunnen zijn als er niet een koper was opgedaagd met de nodige passie en middelen om aan het geheel een zinvolle eigentijdse herbestemming te geven. Over het werk van huidig kasteelheer Ward Vertommen ga ik het nog hebben. Er zijn echter nog twee intrigerende raadsels waarvan ik hoop dat een lezer er meer over kan vertellen: in de voormuur van de hoeve is een vrijmetselaars-ster ingemetseld (zie de foto). Wie van de bewoners dit gedaan heeft, wanneer en om welke reden is me totaal duister en ik zou het toch graag willen weten. En het tweede raadsel: is er iemand die verstand heeft van rune-achtige timmermanstekens (telmerken, paringstekens) in oude houten balken in het dakgebinte? Zie de foto.
In 1995 wordt de kasteelhoeve Van Hoen officieel beschermd als monument. Maar tegen die tijd is het gebouw al flink aan het aftakelen. In 2004 gaat het bijna in vlammen op door brandvandalisme. Het antieke meubilair wordt gestolen en het dak begint flink te lekken. Erfgoed beschermen is noodzakelijk maar het vervolgens leeg laten staan is een riskante zaak.

Het gemeentebestuur overweegt even om de hoeve aan te kopen en als cultureel centrum in te richten maar dat gaat niet door. Plannen van eigenaar Dakimmo uit het Kempense Tielen om er een stoeterij van te maken stuiten op weerstand bij de erfgoeddiensten. De verkommering gaat verder en in 2006 vertelt Het Nieuwsblad dat de hoeve te koop staat. Dit nieuws bereikt de oren van de uit Tienen afkomstige Brugse zakenman Ward Vertommen die na de opening van een succesvolle feestzaal in Neerlanden op zoek is naar een nieuwe en ruimere locatie. Ward koopt de hoeve – maar niet de toren en de resten van de kasteelgracht – aan in 2008 en dan beginnen drie jaren van soms moeizame restauratie tot met een beetje vertraging in mei 2011 de deuren voor de eerste keer opengaan. Sindsdien adverteert de site zich op professionele wijze als een toplocatie voor al wat bedrijven en mensen van nu nodig hebben om te feesten en te vieren: “het 17de eeuwse Kasteel van Hoen (Geetbets) is een locatie die stijl en charme uitstraalt. Het poortgebouw en de tiendenschuur zijn omgetoverd tot een schitterend complex voor kleine en grote evenementen, zoals recepties, bedrijfs- of personeelsfeesten,… De mogelijkheden van dit gebouw zijn eindeloos. Het kasteel ligt omringd door weilanden en bossen, op de grens van Vlaams-Brabant en Limburg.” Meestal zal het er heel druk zijn met schoon volk denk ik maar ik nam er mijn foto’s midden in de corona-crisis op een toevallig passeermoment waarbij Ronald en ik privé werden rondgeleid door onze allervriendelijkste maar uiteraard een beetje bezorgde kasteelheer met zijn brave en speelse jonge hond als enige stervelingen in het enorme gebouw.

De site is grandioos gerestaureerd met groot respect voor het klassieke uitzicht en gebruik van originele materialen. Een mooie buitentuin en de ruime binnenplaats geven de vroegere hoeve inderdaad wel meer de allure van een kasteel dan van een boerderij die het toch eeuwenlang was. Ward moet absoluut ook een passioneel verzamelaar zijn want het interieur is aangekleed met alle mogelijke antikwiteiten van overal vandaan en van allerlei aard. Sommige vind ik heel merkwaardig zoals een enorme vergulde doodskist in de feestzaal (wie durft het deksel op te lichten?). Je moet absoluut gaan kijken in de gloednieuwe ceremoniezaal met de opgekapte bankjes. Als je de zitting naar beneden doet komen er geen ‘zondige’ taferelen tevoorschijn zoals in de kerk in Aarschot. Maar bewonder vooral de torenhoge tiendenschuur met zijn prestigieuze houten gebinte, in elkaar gestoken in eeuwen dat er nog geen bouten en nagels werden gebruikt maar alles met handgemaakte pen-gat verbindingen werd vastgemaakt. Mijn blik is aangetrokken door enkele details in dat gebinte die je als feestganger misschien niet zal opmerken. De rune-achtige tekens in enkele van die heel oude balken zie je wel vaker in erfgoed-gebouwen. Het zijn zogenaamde ‘paringstekens’ of ‘telmerken’ die de timmerlieden van vroeger aanbrachten om op de werf precies te weten hoe en waar hun loodzware balken op grote hoogte moesten worden bevestigd. Ik ontdek dat er een hele ‘taal’ van die tekens bestaat die iedere schrijnwerker moet kennen, zeker als hij/zij voor de rest ongeletterd is hetgeen in de oude tijd blijkbaar dikwijls zo was.

Is er een lezer die kan zeggen wat de tekens op mijn twee foto’s betekenen? Ik blijf nog zitten met één vraag: wat gaat er bij Ward’s buren op de duur gebeuren met die zielige toren en de als prozaïsche visvijver gebruikte kasteelgracht met kale parking en party-tent? Tip voor wie daar iets over te zeggen heeft: zou het niet beter zijn om ook dat deel van de site weer terug bij de hoeve te voegen en er een park-tuin van te maken met hagen die de contouren van het vroegere kasteel aangeven?
Met deze vraag ben ik aan het einde van deze eerste verkenning van Aronsthoek en omgeving gekomen maar zoals altijd beloof ik om er snel weer verder op zoek te gaan.

++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++
http://www.natuurpuntgetevelpe.be/aronsthoek
+++
+++
Aronst Hoek erkend als natuurreservaat | Zoutleeuw | In de …
http://www.hln.be › In de buurt › Zoutleeuw
+++
https://www.molenechos.org/molen.php?nummer=973 (molen van Geetbets)
+++

https://www.natuurpunt.be/pagina/galloway
+++
www.natuurpunt.be › natuurgebied › aronst-hoek
+++
https://wilde-planten.nl/grote%20kaardebol.htm
+++
+++
https://www.sohf.nl/nutrient/kaardebol
+++
https://www.tuinadvies.be/plantengids/2120/dipsacus-pilosus
+++.
Wat is de betekenis van kaarden – Ensie
www.ensie.nl › betekenis › kaarden

+++
OP STAP IN HET LAND VAN DE GRAASBEEK EN DE MELSTERBEEK
+++
https://www.hbvl.be/cnt/dmf20160723_02396466/in-beeld-water-stroomt-door-straten-zelk-en-zelem
+++
https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/301172
Valleien van de Grote en Kleine Gete | Inventaris Onroerend …
inventaris.onroerenderfgoed.be › erfgoedobjecten
+++
https://beeldbank.onroerenderfgoed.be/images/226560
+++
Hof ten Hove
+++

https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/41814
(Petrus en Paulus kerk)
+++
http://www.kapelletjesinvlaanderen.be/html/geetbets.html
+++
https://www.facebook.com/biobijbernd
+++

Havik waakt over natuur in Aronst Hoek (Geetbets) – Het …
www.nieuwsblad.be › cnt › dmf20170328_02804558
+++
Natuurgebied Aronst Hoek wordt 48 hectare groter (Geetbets …
www.nieuwsblad.be › cnt › dmf20131107_00828424
https://www.nieuwsblad.be/cnt/dmf20131107_00828424
+++
https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/302577 (kasteel van Rummen) ruinetoren naast kasteel van Hoen
+++
https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/41829
+++
https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/134183
+++

Fier op de hoeve van hier – Regionaal landschap Zuid …
http://www.rlzh.be › rlzh › sites › default › files (rapport door Claudia Houben, 2019)
+++
https://www.facebook.com/kasteelvanhoen
+++
https://www.meetingvlaamsbrabant.be/nl/aanbod/kasteel-van-hoen

+++
https://www.nieuwsblad.be/cnt/bo3ada0
Kasteel van Hoen gaat dit weekeinde open (Geetbets) – Het …
www.nieuwsblad.be › cnt – 20 mei 2011
+++
https://www.nieuwsblad.be/cnt/gbku59e8
Kasteelhoeve zoekt bewoner – Het Nieuwsblad Mobile
www.nieuwsblad.be › cnt –24 jun. 2006
+++
Kasteelhoeve Hoen wordt feestcomplex (Geetbets) – De …
www.standaard.be › cnt Kasteelhoeve Hoen wordt feestcomplex 3 juli 2008
+++
https://www.dbnl.org/tekst/jans353hout01_01/jans353hout01_01_0005.php – telmerken in gebinten
+++
https://www.joostdevree.nl/shtmls/paringstekens.shtml
paringstekens, paringsteken – Joostdevree
http://www.joostdevree.nl › shtmls › paringstekens

trefwoorden: geetbets, gete, aronsthoek, natuurpunt, natuurreservaat, motte, galloway, kaardebol, kasteel van hoen, segeraethoeve, bernd & bio, erfgoed, geschiedenis,
Van het Bois de Beausart naar Cocrou

Vanuit Gottechain ga je heel gemakkelijk en snel naar het zuiden naar de Ruisseau de Piétrebais, Cocrou en het dorp waar de beek zijn naam aan ontleent. Op voorwaarde natuurlijk dat je weet hoe je door het privé-ontoegankelijke Bois de Beausart komt.
Voor voetgangers is er maar één redelijke manier. Vanaf de Ferme de Linsmeau aan de Rue de Linsmeau stap je de toegangsweg af tot aan de Chaussée de Jodoigne. Dat is een hele mooie bosweg die wel wat ontsierd wordt door het overbodig groot aantal borden met ‘entrée interdit’ in de kanten en klaarstaande jachtstoelen voor als je toch de (on)wil van de eigenaar(s) zou trotseren. Het Bois de Beausart is opgenomen in de lijst van Waalse sites ‘de grand intérêt biologique’.
In de beschrijving lees je: » Le Bois de Beausart est un massif forestier de bonne taille occupant le versant nord de la vallée du ruisseau de Piétrebais, dans le Brabant sablo-limoneux. Il est caractérisé par d’importants affleurements de sables du Bruxellien. Les boisements sont constitués de belles chênaies-hêtraies acidophiles, principalement situées sur les versants, d’éléments d’aulnaies-frênaies alluviales, notamment dans le fond de vallée du Piétrebais, ainsi que d’importantes plantations de pins noirs et de pins sylvestres, essentiellement sur les plateaux sableux. On observe également quelques plantations de chênes rouges, de vieilles chênaies acidophiles, des fourrés de Prunus serotina ainsi que des boisements secondarisés de frênes. » De geschiedenis van het bos is nauw verbonden met die van de chateau-ferme de Beausart (zie de link naar de beschermingsfiche). Het bos is naast gepriviligieerd jachtterrein duidelijk in gebruik voor de productie van hout maar ik denk niet dat je die dikke stammen zou willen stelen hoewel ze wel uitnodigend klaarliggen. Het bos is ongeveer 140 hectare groot en wordt doorsneden door de Chaussée de Jodoigne. Op het internet vind ik nogal wat aankondigingen dat delen van het bos gesloten worden bij heftige storm.

Het Bois de Beausart tussen Gottechain en Biez. De weg vanaf de Ferme de Linsmeau is vlak door het landschap gegraven maar aan de rechterkant zie ik ferme hellingen of ravijnen. Aan de linkerkant (oost) is in het bos verborgen nog een diep dal maar zover ik kan zien op de kaart gaat er geen water door of toch niet veel en niet altijd. Daarvoor moet je juist ten oosten van het kasteel zijn: daar ontspringt de Ruisseau Beausart die na een kort traject evenwijdig aan en ten zuiden van de Chaussée de Jodoigne in het dal met een diepe kloof op de Piétrebais uitmondt. Op de kaart heet die bosweg tussen de Ferme de Linsmeau en de Chaussée de Jodoigne de Rue Bruyères Marion maar wie die heer of dame was weet ik nog niet. Op de webpagina van de PCDN (Plan Communal de Dévelopement de la Nature) van Grez-Doiceau lees ik dat in de oude tijd grote delen van het brabants plateau gekoloniseerd waren door heide: “Bruyère Marion sous le Bois de Beausart, par exemple. La carte de Ferraris (1771-1778), nous montre que sous l’Ancien Régime, l’ensemble du versant qu’occupe le village de Hèze était une lande à bruyère. Il y a probablement un lien à établir avec la petite dimension de certaines anciennes fermettes du village, autrefois propriétés de paysans pauvres ou de manouvriers qui possédaient une vache ou quelques moutons promenés sur ces maigres pâturages. A Biez aussi, la lande occupait l’ensemble du versant sud de la butte. « Door de opkomst van moderne landbouwmethoden, de bosbouw (onder meer voor de steenkoolmijnen) en – meer recent en nog altijd toenemend – de verkavelingen is er van heide niets meer te bespeuren. Het Bois de Beausart is op de oude kaarten toch in zijn volle omvang aanwezig dus het zeker een zogenoemd ‘oud bos’. Langs de veldweg kom ik nog een oude helemaal volgegroeide kleine zandgroeve tegen. Vanhier steek ik de Chaussée de Jodoigne over richting (de) Piétrebais.
Domaine de Lowas en Chapelle St Sébastien en het bois de Cocrou

Van Gottechain naar Piétrebais. Eenmaal door het Bois de Beausart ga ik verder langs de kasseien van de Rue de Linsmeau (Rue Buyère Marion). Sinds gisteren weet ik dat de wijnstokken op de helling toebehoren aan de Vignes du Domaine des Lowas. Om te weten hoe de wijngaard aan die naam komt en om de wijn te proeven zal ik er nog een bezoek moeten brengen maar ik ontdek toch al dat op de Ferrariskaart van 1777 heel deze helling de naam draagt van ‘Bois de Vignoble’ dus dat belooft veel goeds. Ik steek de Chaussée de Jodoigne snel en voorzichtig over, ga over de brug over het riviertje ‘Le Piétrebais’ en zoek en vindt een beetje verscholen tussen de huizen van Cocrou de kapel Saint Sébastien. De naam Cocrou komt van ‘Coqueroux’ en dat gaat terug tot in de twaalfde eeuw toen een familie Cokerul hier de gronden bezaten. Het gehucht is deel van het dorpje Biez en samen zijn ze allebei sinds 1977 deel van Gréz-Doiceau. De geschiedenis van Cocrou is nauw verbonden met die van Biez. De kerk van Biez is gewijd aan Saint-Martin, de Chapelle de Coqueroux heeft Saint Sébastien als patroonheilige. Op de gevel aan de oostzijde staat het jaar 1730 als oprichtingsdatum maar de fundamenten zijn waarschijnlijk veel ouder. Ik ben er nog niet binnengeweest maar er zouden keramiekwerken van Max van der Linden moeten zijn. In de zijgevel is een steen ingemetseld ter nagedachtenis van Jules Roberti De Winghe die leefde van 1887-1961 en de kapel heeft laten restaureren. De familie Roberti De Winghe is de eigenaar van de Ferme Château de Beausart. De gele bloemen zijn mooi maar het is jammer dat er zo’n lelijke lantaarnpaal voor staat en dat terwijl er een hele mooie lantaarn aan de kapel hangt waar de maan doorheen schijnt terwijl ik daar sta. Sint-Sebastiaan is de beschermheilige van onder andere de (boog-)schutters, soldaten, jagers, steenhouwers, tuiniers, kleermakers en brandweerlieden. Verder was hij een van de zes pestheiligen, kinderen kregen zijn naam om pest, lepra, zweren en andere ziektes af te weren. Zijn naamdag is 20 januari, de dag waarop hij als martelaar stierf in het jaar 288. Waarom men in Cocrou speciaal voor hem gekozen heeft weet ik nog niet maar het zeker nuttig om een heilige te hebben die van veel markten thuis is, ook al omdat de geschiedenis van Biez nogal woelig is. Van hier ga ik naar het Bois de Cocrou.

Vanaf de Chapelle Saint Sébastien in Cocrou is het maar enkele tientallen meters stappen naar de grotendeels holle weg ‘Chavée de la Sarte’ die door het Bois de Cocrou gaat. Het woord ‘Chavée staat behalve voor ‘steegje’ voor zoiets als ‘afgekrabd’, ‘uitgegraven’ of ‘uitgehold’ en het woord ‘sarte’ betekent dat de bomen gerooid zijn dus dat er eigenlijk geen bos meer is. Op veel plaatsen kom je langs oude kleine zandgroeves dus dat klopt wel. Als je kijkt op oude kaarten zoals die van Villaret (1745) en Ferraris (1777) zie je dat er wel bos is maar (nog) minder dan vandaag. Of er in die oude tijd nog heide is kan ik niet zien, tegenwoordig is het bos omgeven met grasland en uitgestrekte akkers. Het is een hele oude weg en als je helemaal tot aan het einde stapt kom je op nr.16 uit aan een erfgoedkapelletje uit de 19de eeuw vlak bij ‘La Ferme de la Sarte in Biez maar zover gaan we nog niet. Het Bois de Cocrou vind ik terug op de Waalse lijst van ‘Sites de Grand Intérêt Biologique (SGIB)’ met de volgende beschrijving: « Le Bois de Cocrou occupe une colline sableuse, située entre les hameaux de Cocrou et de Petit-Sart, limitée au nord par le vaste méandre du ruisseau de Piétrebais, et au sud par le plateau limoneux de Longueville. Ce bois est constituée de plantations de pins sylvestres et de pins noirs, pures ou mélangées de feuillus, de chênaies et chênaies-boulaies acidophiles, de boulaies de recolonisation et de plantations de mélèzes. On y observe également plusieurs chemins creux (chavée de la Sarte, rue de Renival), bordés de micro-falaises, ainsi que deux clairières herbeuses. Au niveau de la partie nord de la Chavée de la Sarte, présence d’un ancien front de taille d’une exploitation de sable, recolonisée par les ligneux. » Het is een heel mooi schaduwrijk bos maar ik denk dat de bescherming vooral nuttig is om historische redenen en om de bewoonde wereld op afstand te houden want je komt toch wel veel nieuwe huizen tegen.
La Ferme-bio du Petit Sart
Van hier ga je vlak langs de grote en sympathieke bioboerderij ‘du Petit Sart’. In het dal van de Piétrebais kan je er ter hoogte van Cocrou niet naast kijken: aan veel velden en akkers staat een bord met “je cultive bio – Ferme du Petit Sart”. En jawel, op mijn tocht door het Bois de Coucrou langs de Chavée de la Sarte kom ik – onverwacht – de hoeve tegen, een flink uit de kluiten gewassen bio-boerderij. Soortgelijke hoeves kom ik deze streek dikwijls tegen. Als ik mis ben hoor ik het graag maar ik denk dat op het vlak van duurzame ecologische landbouw Wallonië toch wel heel wat verder gevorderd is dan weerspannig Vlaanderen met zijn almachtige Boerenbond vastgepind op de agro-business. Van buitenaf zie ik niet veel bijzonders: houten gebouwen, machines, hooibalen, een infobord met ‘Jardin Vivant’ en een reeks opvallende bloemen.

Vriendelijk is het duidelijk wel want aan de boom hangt een bord dat je toestemming geeft om over de privéweg te gaan (dat klinkt wel leuker dan in het Bois de Beausart!) maar ze vragen wel om je hond aan de lijn te houden want de kippen zijn niet geconfineerd en lopen dus los. Terug thuis ontdek ik op het internet onmiddellijk dat het hier gaat om een hypermoderne energiezuinige boerderij die zich richt op de teelt van Franse limousinekoeien, allerlei landbouwgewassen (les grandes cultures) maar ook op de tuinbouw (des légumes rares et oubliés). De hoeve is het levenswerk van Hubert del Marmol die in 2004 eerst zijn job in de chemische industrie verloor en daarna zijn vader. Hij erfde een 15tal ha grond en besloot de bocht van 360° te maken en als bio-boer te beginnen. Hubert is van opleiding agronoom-ingenieur maar moest zich zonder enige praktijkervaring en met de nodige schade en schande inwerken. Dat is hem en zijn team kennelijk wel gelukt want ondertussen is er ook de stichting Générations Bio (geleid door Carl Vandoorne) bijgekomen voor het aanbieden van educatieve en culturele projecten, krijgt hij nationale en Europese belangstelling en bezoek van leden van de koninklijke familie, haalt regelmatig de kranten en de TV en was in 2018 winnaar van een Waalse prestigieuze ‘Prix pour leDéveloppement Durable’. Maar tegelijkertijd wordt zijn hoeve blijkbaar bedreigd door de geplande aanleg van een dam op zijn terrein om de rivier te temmen.
Cocrou – la Ferme-bio du Petit Sart. Waar de Limousine-koeien zijn weet ik niet want ik heb er geen gezien of gehoord (ze zouden van die Alpenbellen om hun nek moeten hebben lees ik). Maar het is dan ook erg warm als ik er langs kom en tijd voor mensen en dieren om beschutting te zoeken. Het is er heel stil en op de kalender (‘agenda’) op de website worden geen activiteiten aangekondigd. Ik vermoed dat de Corona-toestand daar ook wel voor iets tussen zit. Aan de rij cardoenplanten zie ik toch onmiddellijk dat het een bijzondere hoeve is. Je kan er via de Fondation Générations Bio en haar project ‘ferme couveuse’ opleidingen volgen en stages doen als tuinder (maraîcher) maar meer dan dat, de hoeve biedt onderdak en ruimte aan jonge groentetelers om het vak van bio-tuinder te leren. Zo kweekt Annick Noiset met haar leerproject ‘Le Jardin Vivant’ sinds drie jaar groenten, fruit en bloemen voor de verkoop-in-korte-keten aan restaurants en particulieren en heeft daarvoor één hectare ter beschikking op de hoeve. Ik weet niet of dit soort zaken in Vlaanderen ook bestaat maar het lijkt mij een fantastisch toekomst-concept voor de duurzame land- en tuinbouw. Op de hoeve zijn ze zich kennelijk bewust van de dringendheid van hun manier van denken en doen. Ik blijf staan bij een infobord en probeer de vellen papier te lezen die er aan hangen.

Op de foto zie je dat twee er van het verhaal zijn van een jonge moeder (Geneviève Dorval) die in haar vreugde om haar zo gewenste en in 2018 geboren kind in een ‘lettre à mon fils’ (Léon) zich schuldig voelend worstelt met het gegeven dat de mensen van nu het leefmilieu en het klimaat zodanig naar de knoppen hebben geholpen dat er voor haar zoon die ze zo liefheeft geen toekomst meer gaat zijn. Het is een loodzware boodschap maar terwijl ik het lees is het buiten 35°, regent het al lange tijd niet meer en worden in onze steden mondmaskers gedragen om een koppige en gevaarlijke pandemie in te dijken. Ik word er in elk geval even stil van maar ik lees ook de beloften die de moeder doet om dit tij te helpen keren en het derde blad papier dat er naast hangt (zie foto).
Op weg langs de ferme-bio du Petit Sart langs de Chavée de la Sarte tussen Cocrou en Piétrebais. Zoals in veel riviervalleien waar teveel gebouwd is en door de verharding het water te snel wegstroomt, ook al vanwege het rechttrekken van de waterloop, kampt Le Train blijkbaar met periodieke overstromingen. En jawel, in 2018 kondigt Marc Bastin, gedeputeerde van de Provincie Waals-Brabant de bouw aan van een dijk op het terrein van La Ferme-bio du Petit Sart van 140 meter lang, 28 meter breed en 5,5 meter hoog om in geval van nood het water van de Piétrebais in een ‘bassin d’orage’ te kunnen bufferen. Op protesten van Hubert del Marmol dat dit het einde is van zowel zijn biohoeve als van de Fondation Générations antwoordt de Député laconiek dat het project in het algemeen belang is en dat hij de plicht heeft om zijn beleid daarop t ebaseren, dat zijn beslissing voortvloeit uit een advies van een door hem samengestelde groep van experten die unaniem beweren dat dit de uitgelezen plek is voor de bouw van het kunstwerk en dat hij zich niet kan bezighouden met de privébelangen van de bioboer.
Zoals de wet voorschrijft wordt echter een publieke onderzoek georganiseerd waarin bezwaren kunnen worden ingebracht. Dit brengt een massamobilisatie op gang met een druk bijgewoonde hoorzitting waarin vooral de inbreng van Jean-Pascal van Ypersele, Professor aan de UCL en ondertussen beroemd klimatoloog opvalt: “Il s’agit ici de faire un barrage qui concerne un affluent du Train qui n’apporte qu’une petite partie de l’eau qui est susceptible d’inonder Grez-Doiceau. Et donc on peut se demander d’abord pourquoi on ne prévoit pas de travaux pour prévenir les débordements du Train lui-même. D’autre part, je crois qu’il y a une sous-estimation des dégâts que ce bassin d’orage causerait aux activités de la ferme. Ce sont parmi les meilleures terres de la ferme qui sont concernées. On sait ce qui se passe quand il y a une inondation, il risque d’y avoir du mazout et d’autres déchets mélangés à l’eau.

Et si cette eau polluée s’accumule sur les terres, cela risquerait de rendre les terres inutilisables pour une agriculture bio par la suite”. Hij voegt hier aan toe : “On a l’impression que le projet est présenté comme étant à prendre ou à laisser alors que les alternatives n’ont pas été étudiées, présentées, expliquées et discutées démocratiquement”. Maar zijn belangrijkste kritiek vind ik het volgende : “On nous dit que ce projet répond à l’intérêt général alors que la défense de la ferme correspondrait à la défense d’intérêts particuliers. C’est une conception très étroite de la notion d’intérêt général. Moi je suis convaincu que la ferme bio du Petit Sart répond justement au service de l’intérêt général de multiples manières. Et les pouvoirs publics doivent en tenir compte”. Mij valt op dat dit soort projecten in deze streek systematisch voorzien worden in natuurgebieden of terreinen van duurzame landbouw. Dat onderzoek is ondertussen afgesloten en sindsdien wordt het opmerkelijk stil, toch op het internet en in de media. Is het afgevoerd (dat zou publiek nieuws zijn)? Zijn er procedures aan de gang (ik lees iets over ‘advokaten’)? Zint de Provincie op andere mogelijkheden of op een beter tijdstip om het opnieuw te presenteren (dat is gebruikelijk)? Is er een lezer die het wil vertellen? Over mogelijke wateroverlast door de Piétrebais ga ik het nog hebben maar eerst ga ik langs de Chapelle Saint Laurent.
Naar het dorp Piétrebais en Chapelle Saint Laurent
Vanaf de Ferme-Bio Du Petit Sart in Biez stap ik verder rechtdoor totdat ik op de Rue de Grand Sart op een splitsing kom met een veldweg naar links. Neem de kaart er graag even bij want ik volg die veldweg recht naar het noorden totdat ik op de Rue du Beau Frêne aan het riviertje Le Piétrebais kom. Op de brug steek ik de grens tussen Biez (Grez-Doiceau) en Piétrebais (Incourt) over. Ik sla rechtsaf de Rue Marcel Louis in en sta plotseling recht voor een heuse religieuze Grot met de naam La Chapelle Saint Laurent OLV Notre Dame de Lourdes. Op het internet vind ik dat hij daar “in 1927 gebouwd is door de inwoners van Piétrebais als dank dat hun dorp gevrijwaard is gebleven van de bombardementen in W.O.II.” Er is zwaar gevochten in deze streek en de wegen van God zijn ondoorgrondelijk, zeker als het gaat om mirakels, maar deze info lijkt een mysterie aangezien in dat jaar de Tweede wereldoorlog nog niet begonnen was en de Eerste Wereldoorlog eindigde in 1918. Is er een lezer die hier het fijne van weet? Anders hoop ik op een berichtje van de familie Wauters-Plas die vermeld staat als de toegewijde verzorger van dit mooie kunstwerk. Er is in het dorp zeker nog één andere grot, namelijk aan de kerk en het zou kunnen dat er zelfs nog een derde is maar die weet ik nog niet zijn. Hoeveel van dit soort grotten er in onze streek zijn heb ik geen idee van maar deze is onbetwist de grootste en best verzorgde die ik al tegengekomen ben. Het verwondert me dat ik hem niet als ‘erfgoedmonument’ terugvind op de Waalse lijst van het Cultureel Patrimonium.

Zoals iedereen weet en ik ook lees in Wikipedia, is “Benadette Soubirous, alias Marie-Bernard van Lourdes (Lourdes, 7 januari 1844 – Nevers, 16 april 1879) een Franse katholieke heilige. De visioenen van Bernadette vormden de aanleiding voor het ontstaan van Lourdes als bedevaartsoord”. Haar naam staat gebeiteld op een steen in deze grot met een oproep tot boetedoening. Op 15 augustus kan je hier de mis bijwonen ter ere van de maagd Maria. Dan branden ongetwijfeld de kaarsen en kan je het Lam Gods bewonderen aan het altaar.
Piétrebais – La Chapelle Saint-Laurent. Vanaf de kapel stap ik verder de Rue Marcel Louis af. Aan de Rue de Procession ga ik links. Dat is een mooi straatje naar de kerk, de pastorie en het kerkhof. Aan de rechterkant zie ik verborgen tussen struiken alweer een mariabeeld in een soort grot. Ik lees dat dit ook al weer een Lourdesgrot is en dat hij daar voor het begin van de Eerste Wereldoorlog zou zijn gebouwd. Recht voor mij staat een mooie poort met een boog waarop aan de rechterkant een grote P staat met een pijl en links een bordje met het woord ‘secret’, een 8 en een prachtige ijzeren trekbel. Iets verder naar rechts kom ik op het pleintje aan L’Eglise Saint Laurent met daartegenover het kerkhof. De strakke neo-klassieke parochie-kerk is beschermd als monument. Hij is gebouwd in 1866 door architect Emile Coulon in opdracht van pastoor Pierre Joseph Simon. Ik kon er niet binnen dus over het interieur kan ik nog niets vertellen.Wat mij echter het meest intrigeert is het enorme burchtachtige poortgebouw dat met een muur links tegen de kerk is aangebouwd. Daarachter zie ik het dak van een huis dat niets anders dan de pastorie kan zijn maar nu dient als woonhuis. De site is beschermd als monument en volgens de beschrijving dateert het gebouw uit de 19de eeuw met een veel oudere kern. De indrukwekkende burchtmuur is blijkbaar namaak want hij wordt omschreven als ‘Porche récent construit avec des matériaux de récupératon variés’. Of de vlag op de muur met al die Brabantse leeuwen en Franse lelies ook bij die namaak hoort weet ik niet. Achter het getraliede versie loert er een ridder in volle wapenuitrusting naar mij en volgens mij is die zeker écht. Ik hoop op een plaatselijke lezer die er méér over kan vertellen. Het kan natuurlijk te maken hebben met het oude maar ingewikkelde en woelige verleden van het dorpje. De naam Piétrebais duikt voor het eerst op in de 11de eeuw als deel van Incourt. Chapelle-Saint-Laurent valt sinds 1217 onder de parochie van Lathuy als deel van Grez maar is onder het ancien régime een zelfstandige heerlijkheid in het kwartier van Brussel van het hertogdom Brabant maar wie de plaatselijke ‘heer’ was weet ik nog niet. Na de Franse invasie werd het dorp als gemeente ingedeeld bij het kanton Grez van het Département de la Dyle. Deze gemeente werd al in 1811 opgeheven en bij Piétrebais gevoegd.

Die samenvoeging zorgde heel de 19de eeuw voor problemen tussen de bewoners van beide dorpen met hun verschillende wortels. Die eisen zijn altijd afgewezen en sinds 1977 horen beide tot de fusiegemeente Incourt en ligt de grens met Gréz-Doiceau juist ten westen van de kerk. Saint Laurent is de patroon van de armen en bedienden en van allerlei beroepen, van rechtsgeleerden tot kroegbazen, koekenbakkers en koks. Hij is ook patroon van brandweerlieden en kolenbranders maar om te weten waarom hij altijd wordt afgebeeld met een rooster om vlees te bakken verwijs ik je naar de link over hem onder deze bijdrage want dat is een lang, ingewikkeld en hier en daar pervers grappig verhaal. Ik denk dat ze in Chapelle Saint Laurent voor hem gekozen hebben vanwege zijn krachten om ziekten te genezen zoals huidaandoeningen, reumatiek en de pest, stuk voor stuk zaken die in een riviervallei gemakkelijk voorkomen. Hierna gaan we terug de natuur in.
Via Le Chemin de Hoegaarden naar St.Josept en de Moulin de Beausart
Piétrebais – Chapelle Saint Laurent. Vanaf de kerk stap ik naar het noorden langs een mooie veldweg door het weidse maar zo goed als boomloze en jammer genoeg ook haagloze boerenlandschap. Vlak voordat ik de Chaussée de Jodoigne bereik sla ik bij een enorme linde – een echte bakenboom – linksaf in de richting van de rand van het Bois de Beausart. Op de kaart zie ik dat dit pad de naam draagt van ‘Chemin d’Hoegaarden’. In de verte – terug op het grondgebied van Gréz-Doiceau – zie ik de bosrand. In sommige bomen hangt maretak en er staat ook al weer zo’n jachtstoel. De naam intrigeert me want Hoegaarden is ver van hier maar thuis voor de computer ontdek ik dat het inderdaad gaat om het restant van een heel oude weg tussen Waver, Gréz-Doiceau en Hoegaarden in de tijd dat de doorgangswegen nog niet door de moerassige beekvalleien gingen maar over de droge hoogvlakten. Op de Ferrariskaart van 1771 zie je hem gaan dwars door het Bois de Beausart en in Cocrou aansluiten op de Chaussée de Jodoigne. En jawel, op de Atlas des Voirées Vicinales van 1840 staat het traject helder aangegeven als een officieel geregistreerde weg. Over de ontoegankelijkheid van het privé Bois de Beausart heb ik mij al enkele keren druk gemaakt maar deze Chemin d’Hoegaarden is dus vandaag de dag een officiële publieke doorgang die de privé-eigenaar niet mag afsluiten. En samen met de Chemin de Linsmeau die ook een historische weg is door dit bos, maar dan aan de noordkant, is de Chemin d’Hoegaarden aan de zuidkant de enige mogelijkheid voor wandelaars-natuurliefhebbers om door het bos te gaan en van de bosnatuur te genieten. Dus als er ergens tegen je verwachting een toegangsweg is of wordt afgesloten is het altijd nuttig om eens op die buurtwegenkaart te kijken en de oude naam van de veldweg terug te vinden denk ik en eens wat kadastrale opzoekingen te doen. Het is een hele mooie keurig gemaaide slingerende en bij tijden diep holle bosweg.

Aan het einde van de Chemin d’Hoegaarden door het Bois de Beausart kom ik opnieuw aan het riviertje Le Piétrebais op de weg met de naam Rue Font du Moulin. Een beetje naar rechts staat op de hoek met de Chaussée de Jodoigne alweer een kleine kapel. Met enige moeite ontdek ik dat het gaat om La Chapelle Saint Joseph, gebouwd in néo-gotische stijl in de tweede helft van de 19de eeuw en ‘inscrit comme monument’ op de Waalse Inventaire du patrimoine culturel immobilier. Maar wie hem daar heeft gebouwd en waarom zegt het erfgoeddossier niet. Ik stap de andere kant uit in de richting van de watermolen. Je zou het niet zeggen als je er voor staat maar het gaat waarschijnlijk om de ‘Moulin de Piétrebais’ die in het jaar 1182 de eigendom was van de Abdij van Aulne die ook de Ferme de Beausart bezat. Op de oude kaarten staat hij vermeld als ‘Moulin de Beausart’ maar meestal als ‘Moulin de la Chapelle de Saint-Lauren’ omdat vooral de plaatselijke dorpelingen er hun graan lieten malen. De huidige gebouwen stammen van het einde van de 18de eeuw. Van de twee bovenslagraderen is er nog een en de laatste molenaar was Vital l’Host (1925-2011). De rivier heeft ter plekke een verval van meer dan 4 meter en op de kaart van nu zie je dat er iets stroomopwaarts nog enkele vijvers zijn die ik op oude kaarten niet terugvind. De binneninstallatie is er nog en de site is beschermd als monument en als dorpsgezicht. Het gebouw is nu in gebruik als woonhuis en van de straat zie je er niet veel van maar in Molenechos staan enkele goede foto’s (zie de link). Voor wie niet van de streek is: je staat hier op het grondgebied van Gréz-Doiceau (Biez) en niet van Incourt (Piétrebais). Naast de molenkan je via het Sentier du Moulin (indien afgesloten via de nabijgelegen Rue du Grand Sart) de beek oversteken en via het Sentier des Communes en de Rue de Renival terug naar Cocrou stappen. Om vanuit het dorp naar de Chaussée de Jodoigne te stappen en aan het einde van deze wandeling te komen neem ik het Sentier du Petit Champ en langs de rivier de Rue de Cocrou.
Le Piétrebais – niet altijd een vredig stroompje

Zoals beloofd ga ik het nu hebben over het riviertje Le Piétrebais zelf en vooral over de overstromingsproblemen van dit er zo vredig uitziende stroompje. De Ruisseau Piétrebais ontspringt even ten oosten van de Chaussée de Namur ter hoogte van het dorpje dat naar de beek genoemd is op een plek met de naam ‘les Fosses Copettes’ op het grondgebied van de gemeente Incourt. Hij kronkelt vervolgens over een lengte van ongeveer acht kilometer naar het westen door de dorpen Piétrebais, Chapelle Saint-Laurent en Cocrou en komt in Grez in Le Train uit die op zijn beurt in Archennes samenkomt met La Dyle.
Onderweg pikt hij nog de Ruisseau Chapelle Saint-Laurent op die 2,5 kilometer naar het zuidwesten ontspringt in een ravijn tussen de oude gemeenten Roux-Miroir en Biez. Voor de meeste Vlamingen zijn dit allemaal raadselachtige namen maar hou ze toch maar even vast want we spreken hier over een bijzonder mooi natuurlandschap dat je zeker zal willen verkennen. Het woord ‘bais’ of ‘baz’ komt natuurlijk van ‘beek’ (in het oud-Germaans: ‘baka’)en volgens sommige geschiedkundigen wijst ‘Piétre’ naar een zeker ‘Peter’ of ‘Pierre’ die in oude tijden de eigenaar van de beek zou zijn geweest. Maar anderen denken dat de beek (en het dorp) genoemd zijn naar de reusachtige oeroude rotsen die midden in het dorp een nauwe kloof vormen waardoor de beek zich naar beneden perst en die bekend staat als de ‘Site des Grosses Pierres’. In de oude tijd dachten de boeren dat de kloof bewoond werd door geesten maar jammer genoeg spreken de geologen van nu dat tegen. Ik kom er nog op terug. Piétrebais is bij ons vooral bekend om zijn ‘Vogelverschrikkers-feesten’ waarbij van midden juli tot half september aan de huizen in de straten van het dorp en het nabijgelegen Happeau, Chapelle Saint-Laurent en Roux-Miroir overal vreemde poppen worden opgehangen. De traditie stamt pas uit het jaar 2000 en dient vooral om de saamhorigheid van de dorpelingen onder elkaar en met de buitenwereld te laten zien.

In 1924 beschrijft de pastoor van Piétrebais de grote rotspartij langs de beek in zijn dorp die we nu kennen als ‘les Grosses Pierres’. Ook in onze tijd is het nog altijd een merkwaardig en spectaculair beeld. Rondom de beek tref je een groen en boomrijk boerenlandschap aan maar op één punt stroomt het water door een rotpartij met de allure van een bergbeek in de Alpen. De boeren in de tijd van de pastoor dachten dat er geesten heersten in de kloof en meer nog dat de rotsen daar op geheimzinnige wijze geplaatst waren als ‘megalieten’ en dat ze bovendien ook nog als maar groter leken te worden. Deze aantrekkelijke voorstelling van zaken wordt jammer genoeg door onze eigentijdse geologen onderuitgehaald maar het wel blijft spectaculair. Als ik het al leek goed begrijp (wat niet zeker is want geologen munten niet uit door bevattelijke uitleg) is wat je ziet op deze plek het afgesleten restant van een gigantische bergketen die meer dan 500 miljoen jaar geleden wordt gevormd door een opgestuwde breuk in het supercontinent Gondwana dat in die tijd samen met supercontinent Avalonië ronddrijft op de vloeibare magma midden in onze aardbol. Die keten staat bij ons bekend als de Caledonische sokkel of het Massief van Brabant.

Aan deze bergketen hebben de Schotten de naam Caledonië te danken en hij loopt helemaal verder tot in de Appalachen, een middelgebergte in het oosten van Noord-Amerika. De steen is verschrikkelijk hard en in de streek van Jodoigne (waar Piétrebais toe hoort) zijn er verschillende groeves waar vroeger kasseien werden geproduceerd (Dongelberg, Opprebais). Het is echter geen stollingsgesteente (op diepte gestolde magma) maar kwartsiet, dat is tot steen in elkaar gedrukt zand met mineralen. Omdat zelfs de hardste steen door de tijd weggesleten wordt zijn er niet veel plaatsen waar je het nog aan de oppervlakte ziet maar in Piétrebais heeft het water na al die eeuwen er op een hoogte van iets meer dan honderd meter boven de zeespiegel wel een diepe kloof doorheen geslepen en als je hierover nog eens een half miljard jaar terugkomt zal die ook niet meer te zien zijn. Tegen deze eeuwigdurende natuur-achtergrond is de wispelturige en tot oorlog neigende mens natuurlijk minder als een zandkorrel en om die reden heb ik instinctief wat moeite met de gedenkplaat aan de gevallen dorpelingen in de Tweede Oorlog die men met goede bedoelingen juist op deze plek heeft opgericht maar waarvoor men kennelijk enkele rotsen heeft verwijderd. Ik denk dat de rotsen er nog lang zullen zijn nadat de mensen zichzelf door hun eigen onhandigheid uit de wereld hebben geholpen. Wat denk jij daarvan?
De Ruisseau Le Piétrebais ziet er op mooie dagen als een zo vredig stroompje uit dat het moeilijk is om je voor te stellen dat als het even flink onweert, mensen op veel plaatsen langs de beek en vooral die van Gréz-Doiceau met forse wateroverlast te maken krijgen. Maar zelfs al voordat ik zelf begrijp hoe dat komt meldt zich al een lezer die zegt dat haar huis al sinds 1980 drie keer overstroomd is. En blijkbaar worden er al sinds die tijd plannen gesmeed om daar iets tegen te doen.

Uit de lawine van berichten op het internet begrijp ik dat al die tijd gaat om de aanleg van twee soort zaken: ‘bassins d’orage’ , dat zijn uit te graven vijvers als betonnen opvangbekkof of des ‘zones d’expansion de crue’, dat is de aanleg van overstromingszones door de bouw van dijken op het terrein om bij te hoge waterstand als reservoir te dienen. Een ervan moet komen in Cocrou, een andere in Piétrebais aan de Grosses-Pierres en een derde is wordt gepland een eind naar het westen ter hoogte van Happeau waar de Piétrebais ontspringt. Als ik het mis heb zal ik het graag verbeteren maar voor zover ik kan nagaan is er nog niets of weinig van gerealiseerd, vooral vanwege geruzie tussen de bevoegde overheden, de vraag wie die projecten gaat betalen maar ook de vinnige en dikwijls zeer legitieme tegenstand van de eigenaars van de te onteigenen hectares grond. Bij Cocrou staat een ‘reservoir’ aangegeven maar dat lijkt voor drinkwater te zijn. Rond 2018 is er dan nog een plan bijgekomen voor een overstromingszone rond de Moulin de Beausart op het terrein van de bioferme van Hubert del Marmol. De Piétrebais legt tussen bron en monding een afstand af van zo’n 13km in een vallei met tamelijk steile hellingen en plateaus die tot 50 meter boven de rivierloop uitstijgen. Het hoogteverschil tussen bron en monding is zo’n vijftig meter. Daaruit begrijp ik dat de stroomsnelheid best groot is en dat het debiet erg kan verschillen in tijden van droogte met ogenblikken van zware neerslag. Maar dit is de natuurlijke toestand en niet uitzonderlijk in onze streken. Op de Villaretkaart van 1745 zie je de beek gaan in talloze kronkels. Zoals je weet werkt dat sterk stroomvertragend. Er zijn dan ook nog niet veel huizen en er is veel meer bos dan nu op de hellingen. Waarschijnlijk kon in die tijd het water bij hoog debiet nog vrij uitvloeien over de weilanden, daar zijn slib lossen en gebruikten de boeren de vallei als hooilanden. Op de kaart van nu zijn die kronkels grotendeels verdwenen, de beek is bijna overal rechtgetrokken, lijkt gedeeltelijk zelfs ingebuisd. De zijbeken Ruisseau de la Chapelle en de Ri de Beausart zie je ook niet meer als waterloop op de kaart, zijn die ook ingebuisd?

De hellingen en de vallei worden als droge weiden of zelfs akkers gebruikt waarbij ook nog heel wat bos is opgeofferd. Zelf heb ik ook gezien dat met de moderne landbouwmethoden overal de traditionele hagen verdwenen zijn en dat er diep geploegd wordt over zeer grote oppervlakten zodat de grond vatbaar wordt voor erosie. Op veel plaatsen worden in de vallei worden de vroegere veldwegen gebetonneerd, zeker in de buurt van huizen en vlak langs de rivier worden altijd nieuwe woningen gebouwd. Op mijn eigen foto’s van de beek zie ik dat de oevers op veel plaatsen veranderd zijn in rechte, soms zelfs betonnnen goten waardoor het water met topsnelheid wordt afgevoerd totdat het stropt op de eerstvolgende flessenhals. Daarbij komt dat ik lees dat de kwaliteit van het water nog altijd maar ‘matig’ is doordat de rioleringen er nog op lozen (probleem van overstorten) maar ook omdat het veel te veel mest- en andere chemische stoffen bevat, nog afgezien van het afval dat de mensen er blijkbaar graag in storten (of er in waait). Het positieve is dat al deze problemen ook uitdagingen zijn waarvan er veel op een natuur-bevorderende basis kunnen worden aangepakt. Zo is in Hamme-Mille tussen de Ruisseau de la Néthen en de Nodebais een zeer groot ‘bassin d’orage’ gebouwd waarbij men geen beton heeft gebruikt maar het terrein heeft omgebouwd tot een nat natuurreservaat met zuiver water en rietvelden waar je nu zeldzame vogels kan gaan spotten en als je thuis komt je je huis toch droog terugvindt. Daarmee sluit ik mijn verkenning van deze mooie vallei even af maar ik neem mij voor om er snel weer terug te keren.

+++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++
http://pcdn-grez-doiceau.be/news/a-biez-le-souvenir-des-bruyeres
De beschermde ferme-château de Beausart:http://spw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/pdf/fiche/25037-INV-0032-02

Dernières nouvelles:
https://lourdesgrotten.com/category/Waals-brabant/
https://nl.wikipedia.org/wiki/Bernadette_Soubirous
https://nl.wikipedia.org/wiki/Chapelle-Saint-Laurent
Home
http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/pdf/fiche/25043-INV-0061-02 (l’Eglise Saint-Laurent)

http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/fiche/index?sortCol=2&sortDir=asc&start=0&nbElemPage=10&filtre=&codeInt=25043-INV-0251-01 (de parochie links naast de kerk)
http://www.heiligen.net/heiligen/08/10/08-10-0258-laurentius.php
Inventaire du patrimoine culturel immobilier – Wallonie
lampspw.wallonie.be › dgo4 › fiche Chapelle Saint-Joseph
http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/fiche/index?sortCol=2&sortDir=asc&start=0&nbElemPage=10&filtre=&codeInt=25037-INV-0010-02 (over de watermolen)
Moulin de Chapelle | Moulin de Beausart | Moulin de Piétrebais …
http://www.molenechos.org/molen.php?nummer=707
http://www.echarp.be/twcwav21.php
http://www.otl-grez-doiceau.be/villCocrouHistoireFr.php

https://www.alliancecommunale.be/bilan
https://www.lalibre.be/regions/brabant/lutter-contre-les-inondations-51b892d4e4b0de6db9af95e3
Over de geologische achtergrond van de ‘site des Grosses Pierres’:
PDF]Chaumont-Gistoux – Service géologique de Wallonie
geologie.wallonie.be/files/…/40-1-2_Wavre_Chaumont.pdf

Trefwoorden : gréz-doiceau, piétrebais, beausart, cocrou, chapelle saint laurent, grotte, overstroming, saint sébastien, ferme bio du petit sart, watermolen, grosses pierres,
version Française: https://ernstguelcher.blogspot.com/2020/09/en-route-pour-gottechain.html
Ter inleiding

Gottechain is vanuit Leuven niet ver. Ten zuiden van het Meerdaalwoud neem je op de splitsing met stoplichten in Hamme-Mille de weg naar Waver (N25) en niet die naar de Chaussée de Namur (N91) . Na enkele kilometers rij je het bord naar rechts naar Bossut voorbij en dan sla je linksaf bij het bord Gottechain. Via een klein weggetje kom je enkele honderden meters verder en een bocht naar rechts aan het spitse kerktorentje dat je al zag vanuit de verte en dan ben je op de Place de Gottechain. Onthou dat kerktorentje want je gaat het op je tocht van overal zien als baken samen met de veel robuustere kerktoren van Bossut die aan de overkant van de Chaussée de Wavre staat en waar je dus niet naar toe moet.
Volgens mij is Gottechain – deelgemeente van Grez-Doiceau en zusterdorp van Bossut – zowat het meest buiten schot van de opgejaagde moderniteit gebleven landelijke dorp in Brabant en alleen al om die reden kom ik hier echt graag. Op de Ferrariskaart uit de jaren 1770 heet het hier nog Goddechins en als ik het goed begrepen heb moet dat in het lokaal spraakgebruik zoiets betekenen als ‘chez god’ oftewel ‘huis van god’ (wie weet hier meer over?).
De ‘Eglise Saint Remacle’ (met trap) is een van de bezienswaardigheden en ook het uitgangspunt voor enkele verkenningstochten in deze mooie landelijke omgeving die overigens vervuld is van geschiedenis want in deze omgeving waren prehistorische grafheuvels en zijn er belangrijke vondsten gedaan uit het Keltisch-Frankische tijdperk in onze streken na het vertrek van de Romeinen.
Er staat op oude kaarten nog een ‘tombe’ aangegeven niet ver van de Ferme-Château de Beausart in veld het verlengde van de start- en landingsbaan van de luchtmachtbasis. Op de Villaretkaart van 1745 staat hij aangeduid als ‘Tombe de Bauvens’. Of er nog veel van te zien is denk ik niet, op een luchtfoto (Googlemaps) kan je in het veld nog een verkleuring zien. Op deze plek hebben de archeologen in 2002 zowat het belangrijkste Merovingische grafveld van ons land opgegraven met onder meer de overblijfselen van de ‘Dame de Gréz’ en vele sieraden (zie bij de bronvermeldingen).

In de middeleeuwen waren Bossut en Gottechain nog van elkaar gescheiden dorpen en tussen de 11de en de 15de eeuw voerden verschillende adellijke seigneurs het bewind over de gronden en de dorpelingen. Toch trad al in die tijd een college van schepenen in werking met als eerste burgemeester een zekere Rengold de Bossut om een tegenwicht te bieden aan de aristocratische overheersing. In 1605 kregen de dorpelingen maar ook hun heren af te rekenen met de dodelijke pestepidemie. Rond 1644 ging het domein van Beausart dat tot dat jaar toebehoorde aan het kapittel van Nijvel over naar de Abdij van Aulne. In Gottechain was er wel een kapel maar werd pas in 1805 een parochie. De kapel Saint-Remacle werd door de autoriteiten pas in 1825 erkend.
In 1811 werden na het vertrek van de Fransen Bossut en Gottechain samen één gemeente met de naam Bossut-Gottechain en zo vind je het nog meestal op de kaart. Sinds 1977 zijn ze samen deel van de fusiegemeente Grez-Doiceau. En ik lees ook nog dat beide dorpen sinds 1907 over stromend water beschikken.
.Het dorpje zelf is zeer de moeite waard, niet alleen vanwege de groene tuinen en gevels van de huizen.maar ook door enkele mooie oude vierkantshoeven waarvan de Château Ferme de Beausart zeker de grootste is maar anderen zoals de Ferme de Linsmeau, Ferme de la Bryle (Ferme Damanet), Ferme Deltrée en de Ferme du Chapitre zeker meetellen. Maar er is ook de gloednieuwe en hypermoderne bio-boerderij La Ferme du Peuplier. Al deze boerderijen zijn privébezit en niet toegankelijk en hetzelfde geldt voor het Bois de Linsmeau. Langs de vele veldwegen en mooie holle boswegen kan je er echter toch heel mooi op verkenningstocht.

Anders dan op andere plaatsen verrijzen er nog niet zoveel en zo snel nieuwe huizen en is het historische dorp dus min of meer bewaard gebleven. Vlak ten noorden kan je via de Ancienne Ferme du Chapître naar Guertechin en het Château la Fresnaye.
Naar het zuidoosten ga je in de richting van het Bois de Linsmeau en het Bois de Beausart met de gelijknamige Ferme-Château de Beausart, een indrukwekkende vierkantshoeve/kasteel met een grote geschiedenis, waarover in een volgende bijdrage meer. Beide bossen zijn privé maar desondanks voorzien van enkele schaarse publiek toegankelijke historische boswegen, dus je kan er hier en daar wel in en doorheen en dan kom je in Piétrebais en Cocrou. Je wandeling voert langs een heel aantal oude vierkantshoeves, door holle wegen, bos, enkele kastelen en zeer weids akkerland. In de verte verschuilt zich de luchtmachtbasis van Beauvechain en het dorpje Nodebais met de beroemde Chapelle Gosin van Max Vanderlinden. Via een veldweg kan je daar gemakkelijk naar toe maar je moet dan wel de Chaussée de Namur (N91) over . Je kunt ook de Chaussée de Wavre (N25) oversteken om naar zusterdorp Bossut te komen en verder naar Pécrot, Florival en Archennes. Kijk op de kaart voor de beste paden.

Gottechain – van La Place de Gottechain langs drie kapellen OLV van Lourdes
Op verkenning in de omgeving kijk je best even rond op La Place De Gottechain. Je staat onderaan aan het einde van een met mooie kerselaars afgezoomde helling de indrukwekkende met een ijzeren hek af te sluiten trap naar de aan Saint-Remacle gewijde kerk.
Op de helling waar nu de kerk staat is er al in de zestiende eeuw een kapel, gewijd aan Saint Remacle. Bisschop Remaclus wordt geboren in 600 en is bekend doordat hij in een grot woonde en later de Abdij van Stavelot stichtte waar hij sterft op 3 september 669. Maar een eigen parochie krijgt het dorp pas in 1805. De huidige neogotische kerk wordt gebouwd tussen 1847 en 1855. Je bereikt de ingang en het om de kerk liggende kerkhof met een indrukwekkende in 1869 gebouwde trap met 43 treden die allemaal 15 cm hoog zijn. De ongeveer 300 dorpelingen van toen waren vast altijd buiten adem bij het begin van de mis maar dat droeg zeker bij tot hun nederigheid. Voor rolstoelgebruikers lijkt het mij nog altijd een hele opgave maar het is waar dat je ook langs de achterzijde met een pad aan de voordeur kan komen. Rond de kerk Rond de kerk is het oude kerkhof zeker ook de moeite waard evenals de erachter gelegen pastorietuin met majestueuze bomen en een echte grot waarvan ik mij afvraag of die ooit nog wel gebruikt wordt. Op de windwijzer van de kerk laten twee kraaien zich niet van hun slaap afhouden. De kerk is als monument beschermd en dat op het pleintje ook het geval voor de witte voormalige hoeve – nu woonhuis – op nr.1 en het monument voor de gesneuvelden.

Op de Place de Gottechain zijn er enkele merkwaardigheden waarvan sommige een beetje raadselachtig. Achter een bemost muurtje ontdek je een al even bemoste trap. Als je die afdaalt kom je terecht in een in volstrekte duisternis gehulde onderaardse gang en dan heb je flitslicht of een zaklantaarn nodig om de graffiti te bewonderen maar ook de ijzeren deur aan het einde van die gang. Het ziet eruit als een atoomschuilkelder en dat is het ook. Wie zoiets in dit dorp niet zou verwachten moet weten dat er in deze omgeving zwaar gebombardeerd is in de Tweede Wereldoorlog om het bezit van de militaire luchtmachtbases in Beauvechain en dat deze kelder dan gebouwd is op initiatief van de gemeente Bossut-Gottechain en nog gerestaureerd is in de jaren vijftig tijdens de Koude Oorlog (met dank aan lezer Henri Briet voor deze inlichting).

Aan de Rue des Déportés staan twee huizen. Het witte huisje van 1876 op nr.16 koestert de oude dag van Dr. Jacques Sténuit, een onbekende naam bij Vlamingen maar bij vele Franstaligen bekend en geëerd als een beminnelijk maar fervent voorvechter van de bescherming van de natuur in onze streken. Zelfs op hoge leeftijd staat hij vandaag nog vooraan in de strijd tegen de geplande ringweg in het Bois de Laurensart.
Aan de gevel van het plechtstatige huis op nr.10 recht tegenover de kerk hangt het beeld van Charles Borromée. Deze heilige stamt uit een aristocratisch Lombardisch geslacht. Als kardinaal-aartsbisschop van Milaan wordt hij bekend als de redacteur van de Catechismus van het Concilie van Trente in 1566 en een sterk voorstander van heldere praktische kerkregels waarin muziek en tekst elkaar ondersteunen. Vanwege zijn opstand tegen de toenmalige vernieuwingen in de Roomkatholieke Kerk wordt hij in het kader van de contrarevolutie gezien als een zeer behoudende figuur. Wanneer de pest uitbreekt wijdt hij zich onbevreesd aan de verzorging van de zieken. Hij sterft 4 november 1584, uitgeput door zijn eigen soberheid. Aan zijn graf gebeurt het ene wonder na het andere waardoor hij al in 1610 heilig wordt verklaard. In het landelijke Gottechain van nu is men dat een beetje vergeten maar zijn beeld hangt dus aan de vroegere meisjesschool terwijl de jongensschool een eindje verder in dezelfde straat stond om de deugd te bewaren. Het gescheiden onderwijs is er niet meer maar voor de dichtstbijzijnde basisschool moeten de kinderen nu wel naar Bossut. Voor zover ik kan nagaan staat het gebouw niet op de Waalse inventaris van Bouwkundig Erfgoed.

Wat mij betreft mag de gemoedelijke Place de Gottechain best verlost worden van de auto’s die er geparkeerd staan en ingericht worden als speelplaats voor grote en kleine mensen. Er is een grote bezoekers-parking een eindje verder. Ik kom hier graag om te genieten van de stilte.
Rechts van de kerktrap en het kerkhof kom je via een hellend pad op de Rue de la Bryle. In die straat bevinden zich een heel aantal indrukwekkende hoeves die stuk voor stuk als monument met naam en beschrijving zijn ingeschreven op de Waalse ‘Inventaire du Patrimoine Culturel’. Op deze verkenningstocht ga ik mij houden aan de namen en adressen die op die officiële inventaris zijn vermeld maar ik moet er bij zeggen dat in toeristische folder van de gemeente Grez-Doiceau bij foto(s van dezelfde gebouwen heel andere namen staan en ik er maar moeizam in geslaagd ben om de daardoor veroorzaakte verwarring op te lossen.
In elk geval sla ik vanaf het kerkhof in die Rue de La Bryle rechtsaf om met een omweg in het Bois de Linsmeau en het Bois de Beausart aan te komen.
Op de hoek sta je op nr.60 aan de ingang van de statige vierkantshoeve Charlier (zegt het erfgoeddossier). Vroeg in de ochtend staat hij te blinken in de ochtendzon en kan ik er een min of meer geslaagde foto van maken hoewel de huiskapelkapel aan de voorgevel meestal teveel in de schaduw staat voor mijn fototoestel. Die kapel is gewijd aan Onze Lieve Vrouw van Lourdes en dateert uit de eerste helft van de 20ste eeuw en is ook als monument ingeschreven.
De hoeve is een massief complexs van bakstenen gebouwen uit de 18de en vroeg-19de eeuw waarvan vooral de grote ingangspoort met witte kalksteen (Gobertange) uit 1833 opvalt. Achter die poort bevinden zich het grote woonhuis uit 1723 en de schuur met stallingen voor de koeien en de voertuigen. Er is niemand te zien maar aan de achterkant staan enkele slaperige schapen in de weide.

Even verder kom ik op nr. 79 opnieuw langs een mooi hek met koer en een ietwat somber huis. Op de erfgoedinventaris vind ik dat dit als hoeve gebouwd werd in de tweede helft van de 19de eeuw. Het uitbouwtje op rechts deed een tijdlang dienst als schooltje (Ecole de la Petite Source) maar dat is al een tijd overgebracht naar Bossut.
Op nr.83 kom ik een soortgelijke maar veel statiger hoeve tegen. Volgens het erfgoeddossier is dit de Ferme de la Bryle. Het is een gesloten vierkantshoeve uit het laatste kwart van de 19de eeuw in neoklassieke stijl.
Ik zet mijn tocht voort langs de Rue de La Bryle
Waar het beton overgaat in een bij tijden holle veldweg hangt op nr.100 er rechts een vlag aan een paal en zie je een privékapel waar je wel eens een kijkje mag nemen als je vriendelijk bent tegen de fiere eigenaar die er woont. Ook deze kapel is gewijd aan OLV de Lourdes. Er staat zelfs een spreekgestoelte bij en er worden op regelmatige tijden ook missen gehouden. Ook deze mooie kapel komt voor op de lijst van monumenten.

naar de vallei van de Lambais en naar het Bois de Linsmeau
Vanaf de kapel kan je mooi verder door de Rue de la Bryle die tegen die tijd veranderd is van een straat in een bosveldweg met mooie uitzichten op Grez-Doiceau.
Je kan ook even teruggaan en het eerste straatje naar links nemen om dan aan de Rue des Déportés opnieuw linksaf te slaan om via de Chemin des 18 Bonniers de bron in het dal van de Lambais te bereiken.
De Ruisseau de Lambais is een nogal rechtgetrokken beek die ontspringt in een vijver in ten oosten van Gottechain en enkele honderden meters verder in Grez-Doiceau in Le Train uitmondt. Hij komt – een beetje tot mijn verbazing – voor op de lijst van ‘Sites de Grand Intérêt Bologique’. Uit de beschrijving is dat vooral vanwege de amfibieën aan de bron en omdat er in 2016 een beverdam is waargenomen. Heel veel moet je er niet bij voorstellen, vooral omdat de vijver privé en totaal afgesloten is en ook op geen enkele wijze beschermd. Je kan hem nauwelijks zien. Je hebt wel een mooi uitzicht op de gebouwen van Gréz-Doiceau en de N25 autoweg maar langs de beek kan je daar niet naar toe. De veldweg brengt je op de Rue des Campinaires die een beetje naar het noorden aansluit op de Chemin Saint-Martin.
Er staan daar heel mooie populieren en de koeien in de weide kijken me nieuwsgierig aan maar van hen kom ik niet te weten wie de boosdoener is die aan hun afrastering een vuilzak heeft achtergelaten. Blijkbaar weet de boer het ook niet want er hangt een toepasselijk bordje aan: ‘Respectez notre planète, SVP’. Nu ik dit schrijf denk dat het ook wel door hem opgeraapt vuil kan zijn want de zak is nieuw en er komen hier tamelijk veel wandelaars voorbij.

Waarom de spectaculaire holle weg rechtdoor de naam van deze heilige draagt weet ik niet zeker want de patroon van het kerkje is Saint Remacle terwijl l’Eglise Saint Martin die van Tourinnes-la-Grosse is. Maar als je verder gaat tot aan de Ferme de Linsmeau in het aan de noordkant gelegen gelijknamige bos dan denk ik dat het komt omdat die hoeve samen met het bos vroeger afhing van de abdij van Hélécine met het gebedsoord Saint-Martin. Het statige gebouw met prachtige tuin ligt verborgen aan het eind van een indrukwekkende oprijlaan. Hij dateert van 1835 en dient nu als privé-woning en niet meer als hoeve en je kan hem niet bezoeken. Op het erfgoeddossier staat hij ingeschreven als monument.
Naar de Ferme-Château de Beausart
Vanaf de Ferme de Linsmeau kan je links en dan kom je terug in het dorp. Je kan ook rechts en dan kom je via de Rue Bruyères Marion aan de Chaussée de Jodoigne en in Piétrebais of Cocrou. Maar meestal ga ik rechtdoor langs het Bois de Beausart tot aan de splitsing met de Chemin de Nodebais en de Chemin de Piétrebais aan de oprijlaan naar de achterkant van de Ferme Château de Beausart. Deze kasteelboerderij is zeker het meest indrukwekkende gebouwencompleks van Gottechain. De grote populieren langs de oprijlaan naar de achterpoort zijn een tijdje geleden omgezaagd maar er staan wel jonge boompjes.
In de 13de eeuw werden op deze mooie plek de bomen gerooid (‘beausart’) om er een hoeve te bouwen van de Abdij van Aulne (Gozée, Henegouwen). De huidige gebouwen met binnenplaats, boerenhuis, stallingen, langschuur en wagenhuis stammen allemaal uit de tweede helft van de 18de eeuw, alleen een deel van de bijbehorende St. Gertrudis-kapel zou een eeuw ouder kunnen zijn. Het gebouw is privé en niet-toegankelijk en dat betekent dat je niet kan zien dat er aan de andere kant een van de vleugels in de 19de eeuw verbouwd is tot een neoklassiek landhuis. Om dat te zien moet je via de Rue de Beausart links om de hoeve heen wandelen tot aan de hoofdingang aan de N240 Chaussée de Jodoigne.
Volgens mij is die Rue de Beausart een gewone openbare veldweg hoewel hij kennelijk over het privédomein van de hoeve gaat. Hij staat ook op de Atlas des Voiries Vicinales van 1841 en dat betekent dat je erover mag zolang hij niet afgeschaft is.


Hij is ook niet echt afgesloten maar sinds enige tijd hebben de eigenaars zoveel afschrikwekkende borden met ‘verboden toegang’ en ‘chien méchant’ neergezet dat je als wandelaar-natuurliefhebber afgeschrikt wordt om tot aan de grote gesloten achterpoort te stappen en dan naar links te gaan. Het is wel de meest logische doorgang om van de noordkant naar de zuidkant te komen want anders moet je een heel eind omlopen.
Mijn ervaring is dat in de streek heel wat domein-eigenaren maatregelen nemen om de gewone wandelaars buiten te houden (vooral om ongestoord te kunnen jagen) maar ik vind het eigenlijk niet leuk en zeker niet eigentijds meer dat heel zo’n bos door één eigenaar gemonopoliseerd wordt en het gewone volk dan maar het asfalt voor lief moet nemen om er rond te gaan.
Hoe dan ook, vanaf La Chaussée de Jodoigne kom je aan de oprijlaan naar het indrukwekkende neoklassieke kasteelgebouw dat de toenmalige eigenaars van het domein, de familie Van Dormael-Roberti tussen 1860 en 1873 laat bouwen. Kasteel en het omliggende bos zijn volgens de beschermingsfiche nog altijd de privé-eigendom van de familie Roberti de Winghe. Om het gebouw staat een monumentaal hek en hoewel de al even indrukwekkende poort open staat ga je daar best niet door denk ik.
Aan het begin van de oprijlaan gaat er tussen twee oude arduinen palen een mooi groen bospad verder zowat evenwijdig aan de er onder liggende drukke asfaltweg. Wie dat volgt komt uit op de Rue de Cocrou, een klein stil straatje langs het riviertje de Piétrebais. Enkele honderden meters verder sla je dan op de kruising met de Rue de Bettinval rechts af, steekt de baan opnieuw over en ga de Rue Bruyères Marion in, een prachtige bosweg naar de Ferme de Linsmeau. Het is een heel mooi traject maar jammer genoeg heeft de kasteelheer het allemaal afgesloten.

De gebouwen zijn als monument beschermd en de hoeve is nog altijd een echte boerderij voor zover ik kan zien.
Voor voetgangers is er maar één redelijke manier om vanaf de Ferme de Linsmeau aan de Rue de Linsmeau tot aan de Chaussée de Jodoigne te komen: de hele mooie bosweg met de geheimzinnige naam Bruyères Marion die wel nogal ontsierd wordt door het overbodig groot aantal borden met ‘entrée interdit’ in de kanten en klaarstaande jachtstoelen voor als je toch de (on)wil van de eigenaar(s) zou trotseren. Het Bois de Beausart is opgenomen in de lijst van Waalse sites ‘de grand intérêt biologique’. In de beschrijving lees je: » Le Bois de Beausart est un massif forestier de bonne taille occupant le versant nord de la vallée du ruisseau de Piétrebais, dans le Brabant sablo-limoneux. Il est caractérisé par d’importants affleurements de sables du Bruxellien. Les boisements sont constitués de belles chênaies-hêtraies acidophiles, principalement situées sur les versants, d’éléments d’aulnaies-frênaies alluviales, notamment dans le fond de vallée du Piétrebais, ainsi que d’importantes plantations de pins noirs et de pins sylvestres, essentiellement sur les plateaux sableux. On observe également quelques plantations de chênes rouges, de vieilles chênaies acidophiles, des fourrés de Prunus serotina ainsi que des boisements secondarisés de frênes. » De geschiedenis van het bos is nauw verbonden met die van de chateau-ferme de Beausart (zie de link naar de beschermingsfiche). Het bos is naast gepriviligieerd jachtterrein duidelijk in gebruik voor de productie van hout maar ik denk niet dat je die dikke stammen zou willen stelen hoewel ze wel uitnodigend klaarliggen. Het bos is ongeveer 140 hectare groot en wordt doorsneden door de Chaussée de Jodoigne. Op het internet vind ik nogal wat aankondigingen dat delen van het bos gesloten worden bij heftige storm.

Langs het maison de garde en de bakenboom naar de ferme du Peuplier
Aan de oprijlaan naar de achterpoort van de Ferme Château sta je de aan de Chemin de Nodebais. Als je die naar het noorden volgt tot aan de overkant van de Chaussée de Namur kom je in Nodebais aan het kleine kapelletje Gosin met de keramiek van Max Vanderlinden. Maar zover ga ik niet.
We staan bij een merkwaardig neoklassiek gebouwtje met twee verdiepingen in bak- en zandsteen met en puntdak. De deur is dicht maar het lijkt alsof er nog iemand woont of dat het toch niet lang geleden nog gebruikt werd. Aan de achterzijde is een buitentoilet en aan de voorkant een arduinen nis kapel met een (nieuw) Mariabeeldje. Het is moeilijk te lezen maar op de sokkel staat “AVE Maria 1775” en op de Inventaris van Bouwkundig Erfgoed in Wallonië vind ik dat het hier gaat om het ‘maison de garde’ en zo ziet het er ook uit. Zo te zien aan de bankjes aan de binnenkant wordt het nu door een jeugdclub gebruikt en het ziet er wel gezellig uit. Zowel het gebouwtje als kapelletje zijn ingeschreven als ‘monument’ op de Waalse erfgoedlijst.
In de verte zie je eenzame boom en daar moeten we zijn. Het is kennelijk een ‘bakenboom’. Bakenbomen werden in het verleden overal gezet om de richting van een veldweg of waterloop aan te geven. Het waren dikwijls populieren of lindes en er stond even dikwijls een kapel bij. Deze boom zie ik op de kaart Vandermaelen van 1845 aangeduid als ‘arbre’ en in die tijd ging de veldweg nog niet verder naar Beausart. Dan stond er ook een kapel maar die is op de topografische kaart van 1969 verdwenen.

Ondanks de naam van de veldweg aan de linkerkant van de boom die op de kaart is aangeduid met de naam ‘Chemin au Peuplier Pendu’ is de bakenboom geen populier maar een tamme kastanje. blijkbaar knoopt dat aan bij een kastanjetraditie want op de kaart van 1981 staat er bij het maison de garde nog een ‘gros maronnier’ aangeduid.
Le Chemin du Peuplier au Pendu. Waarom die weg zo heet weet ik niet. Waar hij afdaalt naar het dorp is het een holle weg en daar staan vast nog wel populieren maar er hangt nergens iemand aan. Wie in deze streek hier tijdens en na de middeleeuwen de juridische macht had om zijn onderdanen op te hangen, hoe vaak dat gebeurde en voor welke vergrijpen probeer ik uit te vinden want de plaatselijke toeristische dienst is er – zoals dikwijls over dit toch veel voorkomende plekken – nogal zwijgzaam over. Een lezer heeft me wel verteld dat de galg van Nodebais zich vroeger ergens hoog aan de rand van het dorp stond en dat de veldweg zo heet omdat er zich een tijd geleden iemand zou hebben opgehangen. Maar galg noch boom zie ik aangeduid op oude kaarten.
De opvallende grote hoeve is de biologische boerderij Ferme du Peuplier. De mensen die er werken op het veld zijn heel vriendelijk en op de website lees ik dat gaat om een ‘Producteur belge de légumes bio – des champs aux marchés, nous prenons soin de l’environnement et de votre santé’. De hoeve dateert van 2011 en kweekt op een oppervlakte van 22 hectare 60 soorten groenten die op 17 plaatselijke markten worden verkocht. Hij krijgt goede recensies voor de producten en prijst zichzelf aan als een ‘entreprise à taille humain’. Bij vorige bezoeken schrok ik echter al van de omvang van de schuren en serres in dit voor de rest zo weidse traditioneel gebleven landschap.
Sinds kort steekt er ook een enorm groot woonhuis bovenuit als een soort schip dat op zichzelf zeker door een architect ontworpen is maar nu valt de hoeve nog méér op. Wellicht is dat ook de bedoeling maar ik waag me aan een tip voor de eigenaar, ook al om weer echt aan te sluiten aan de boerentradities van ‘taille humain’ van vroeger: zet graag rond deze onderneming een ring van reusachtige populieren zodat hij voldoet aan zijn naam en ook goed ingebed wordt in het landschap. En de aanleg van een aantal hagen lijkt me ecologisch en landschappelijk eveneens aangewezen. De plaatselijke bevolking en de bezoekers zullen je dankbaar zijn denk ik.


Op de kaart zie je wel dat je de hypermoderne hoeve zowel langs voor als achter kan passeren om terug in het dorp te komen. Maar je komt onvermijdelijk aan op de Rue de la Bryle.
Van de Rue de la Bryle naar de ferme du chapitre
Ga toch zeker eens een kijkje nemen aan de vierkantshoeve Ferme Deltrée op nummer 51 want die heeft onbetwistbaar de mooiste toegangsboogpoort van heel het dorp. Typisch voor de streek zijn de lichtgrijze stenen waarmee die poort gebouwd is: ‘le Gréz gris’. In het erfgoeddossier lees ik dat hij dateert uit de 18de en de 19de eeuw en dat er op de binnenplaats nog de klassieke mesthoop en waterput zou moeten zijn. Ik zou er heel graag eens een fotobezoek brengen maar evenals de andere hoeves is ook deze een privéwoning. Deze hoeve is tegenwoordig ook bekend als de ‘Ferme Damanet’ omdat het nu het woonhuis en bedrijf woonst is van de gebroeders Henri en Thibaut Damanet met ‘prouits de la ferme’. Vierkantshoeves worden bijna altijd genoemd naar de boer die er woont maar in de loop van de eeuwen schept dat uiteraard dikwijls problemen.
Ik ga verder vanaf de ondertussen een mooie holle veldweg geworden Rue de La Bryle tot aan de Rue de Nodebais. Aan de kruising met de Rue de la Ferme du Chapitre kom ik nog aan twee vierkantshoeves naar wie de straat genoemd is. De eerst op de hoek op nr.1 dateert uit de tweede helft van de 18de eeuw maar is sindsdien ferm verbouwd. De flink uit de kluiten gewassen vierkantshoeve op nrs. 2 tot 8 is de ferme ‘Michotte’. Die behoorde vroeger toe aan het Chapitre de Nivelles naar wie hij dan ook genoemd is. Delen ervan stammen nog uit de 17de eeuw waaronder het woonhuis in bakstenen van lichtgrijze Gréz-kalksteen met het opschrift ‘1640’ . Er is sindsdien veel verbouwd en er wonen nu vescheidene gezinnen. Beide hoeves zijn ingeschreven als ‘monument’.

Van hier ga ik verder langs de Rue de Nodebais tot aan de kruising met een andere veldweg met de opmerkelijke naam ‘Chemin de Tirlemont’. En jawel, als je op de grote kaart kijkt zie je dat je inderdaad via de chateau-ferme de Beausart uiteindelijk wel met een licht bocht naar het noorden in Tienen aankomt. Naar het westen kom je in Brussel uit. Zou deze veldweg nog uit de Romeinse tijd stammen? Op deze kruising moet je links om via de Rue du Grand Royal aan de Chaussée de Wavre en het Château de Guertechin te komen, de laatste etappe in deze verkenning.
Naar het Château de Guertechin (Fresnaye)
De wandelaar-natuurliefhebber start meestal aan de kerk in Gottechain maar je kunt echter ook eens vertrekken aan de ingang van het domein van het Château de Guertechin (ou de la Fresnaye) aan de N-25 Avenue de Centenaire iets buiten Hamme-Mille op de kruising met de Rue du Grand Royal. Vanaf de bushalte met de misleidende vermelding Geurtechin stap je de bosweg met de naam Rue de Guertechin in. Het kasteel is beschermd als monument en volgens (soms oude) foto’s staat er een geheel van landhuisachtige gebouwen maar daarvan is absoluut niets te zien. Vanuit de lucht krijg je wel een mooi overzicht van het domein met een poortgebouw, een groot landhuis, vijvers, gazons, sierlijke hagen, een tennisbaan en een zwembad. Ergens in de 15de eeuw verhuizen de Udekems, de voorouders van onze koningin Mathilde naar Leuven en naar dit domein Guertechin dat in 1468 in handen van de familie komt en hun vaste standplaats blijft tot aan de Franse revolutie. In al die eeuwen zijn de mannelijke telgen vooral militairen in dienst van de hertogen van Brabant en de hen opvolgende heersers en hun wapenspreuk zou daarop duiden: ‘Bello et Jure senesco’ (Door oorlog en recht word ik oud). Ik geef toe dat ik die wapenspreuk niet helemaal begrijp. Tot in het begin van de 20ste eeuw blijft het erfgoed Guertechin hun eigendom maar dan gaat het over naar de familie Fresnaye. De laatste telg uit de familie Udekem die eigenaar is van het kasteel is Octavie d’Udekem de Guertechin die rond 1922 heeft overgelaten aan zijn Franz Oldenhove die in 1892 in Florival geboren werd. Daarna is het kasteel rond 1933 verkocht aan de familie Descamps onder de naam Immobilieën ‘La Fresnaye’. Dat woord komt van ‘Frêne’, een plek dus waar zich Essen bevinden. Wie er vandaag de dag woont weet ik niet, volgens de telefoongids is het adres (Chaussée de Centenaire/Wavre 17) bewoond door een firma in landbouwmaterialen maar dat kan ik nauwelijks geloven. Aan de andere kant heb ik gemerkt dat kasteeldomeinen nogal eens beheerd worden als een (familie)NV in de sector land- en/of bosbouw dus zo vreemd hoeft het niet te zijn.

Ik beloof hier zeker op terug te komen maar ondertussen ben je op verkenning in een vrijwel boomloos boerenlandschap dat ondanks zijn ligging tussen twee drukke snelwegen (die naar Waver en die naar Namen) rust uitademt die slechts verbroken wordt door hier daar een reusachtige landbouwmachine. In de verte zie je de luchtmachtbasis van Beauvechain en even links daarvan de kleine kapel van Gosin in Nodebais.
Als je hier de steenweg oversteekt kom je naar Bossut en vandaar weer terug naar Gottechain. Op dat traject kom je echter geen enkele boom meer tegen en daar houd ik niet zo van. Je kan ook naar het noorden en dan ben je snel in het Meerdaalwoud dat je ook in de verte ziet liggen.

++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++
http://www.otl-grez-doiceau.be/villGottechainHistoireFr.php
https://parismatch.be/lifestyle/voyages/203090/tresor-wallon-lor-merovingien-de-grez-doiceau
en
(over het merovingische grafveld)
http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/recherche/recherche (alles wat als erfgoed is beschreven op de place de Gottechain)
http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/recherche/recherche?sortCol=2&sortDir=asc&start=0&nbElemPage=10&filtre= (alles wat als erfgoed is beschreven in de Rue de la Bryle)
(Ferme Deltrée, Rue de la Bryle 51, Gottechain)

http://www.bizbook.be/fr/damanet-henri-et-thibaut/grez-doiceau/458623
DAMANET HENRI ET THIBAUT | Produits de la ferme | Grez …
http://www.bizbook.be › grez-doiceau (ook Rue de la Bryle 51)
(Ferme Charlier, Rue de la Bryle 60, Gottechain)
http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/fiche/index?codeInt=25037-INV-0176-01 (kapel OLV Lourdes aan de Ferme Charlier, Rue de la Bryle 60, Gottechain
http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/fiche/index?codeInt=25037-INV-0178-01 (Ecole, Rue de la Bryle 79, Gottechain)

(Ferme de la Bryle, Rue de la Bryle 83, Gottechain)

(kapel OLV van Lourdes, Rue de la Bryle 100, Gottechain)
(Ruisseau de Lambais)

http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/recherche/recherche
(ferme de Linsmeau, Rue de Linsmeau 5, Gottechain)

(Château-ferme de Beausart, Rue de Beausart 3, Gottechain)
De beschermde ferme-château de Beausart:
http://spw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/pdf/fiche/25037-INV-0032-02

maison de garde, Rue de Beausart 3, Gottechain
het kapelletje, Rue de Beausart 3, Gottechain

La ferme du Peuplier: Homepage
Producteur de légumes biologiques et vente sur les marchés.
La Ferme du Peuplier – Accueil | Facebook
fr-fr.facebook.com › … › Agriculture › Ferme
La Ferme du Peuplier, Gottechain, Brabant, Belgium. Producteur de fruits & légumes biologiques à Grez-Doiceau, Brabant Wallon, Belgique….
(Rue de la Ferme du Chapitre 1, Gottechain)
ferme (Ferme du Chapitre de Nivelles ou ferme Michotte)
(Rue de la Ferme du Chapitre 2-8 (pairs), Gottechain)

Château de Guertechain ou de la Fresnaye (Chaussée de Wavre 17,-Gottechain)
pcdn-grez-doiceau.be/files//promenades_gottechain.pdf

trefwoorden :
gréz-doiceau, gottechain, beausart, linsmeau, guertechin, erfgoed, geschiedenis, bryle, peuplier, borromée, saint remacle

Hoog boven het dorpje Néthen op de bovenrand van de vallei van La Ruisseau de Néthen vind je tussen de hoogste hoek van de muur van Savenel en de asfaltweg Tienne Vincent naar het Boshuis Het Spoor een bos van voornamelijk dennen en amerikaanse eiken en daaronder de heel steile helling van een voormalige zandgroeve bekend als ‘La Sablière de Néthen’.
In feite is de ingang van de groeve beneden aan de Rue de Hamme-Mille maar langs die kant is hij ferm afgesloten en kan je er niet in. Die zandgroeve is eigendom van de gemeente Grez-Doiceau en sinds 2010 (?) in het kader van het Europese natuurnetwerk Natura 2000 opgenomen als ‘Site de Grand Intérêt Biologique (SGIB)’ onder naam ‘Sablière de Néthen’ of ‘Sablière des Douze Bonniers’ naar de op de rand van het Meerdaalwoud gelegen gelijknamige hoeve.
In het dossier zie ik wel staan dat het gaat om een ‘site non classé’ dus echt beschermd is hij blijkbaar niet en dat is belangrijk voor de rest van dit verhaal.
De aanwezigheid van historische zandgroeves in en rond het zo’n vijftig miljoen jaar geleden met (Brusseliaans) zand opgebouwde zeeduinenlandschap dat we nu kennen als Meerdaalwoud is heel algemeen maar van al die ambachtelijke groeves is er nog slechts één in werking, die boven de Kanselierdreef in Hamme-Mille.

De uitbating van de groeve in Néthen zou begonnen zijn in de 18de eeuw en is pas geëindigd na de voltooiing van de autoweg tussen Luik en Brussel meer dan dertig jaar geleden. Over de uitbaters en hun manier van werken vind ik voorlopig niets. Blijkbaar is het zand voor de muur van het nabijgelegen Savenel-domein niet afkomstig uit deze zandgroeve.
Op het terrein gaat het om een oppervlakte van slecht twee hectare die in het beschermingsdossier opgedeeld wordt in vier stukken: 1) de bodem (fond) van de uitgraving waar sinds de stopzetting hoeveelheden andere grond en afval zijn gestort; 2) drie spontaan beboste steile plateaus (‘talus élevés’); 3) een rand van zand rondom de groeve en 4) helemaal boven een min of meer boomloze afplatting (‘replat’) met sporen van een pad er langs en erdoor. Die afplatting is van de erboven gelegen akker gescheiden met een bosrand. De steile helling is ontoegankelijk.
Alleen dat platte niet afgesloten stuk trekt overduidelijk bezoekers aan van wie sommige op zoek naar de bijzondere planten en dieren maar de meeste anderen vooral belust zijn op sport en spanning want het staat vol met bandensporen van MTBs en moto’s en iedere keer als ik er kom is er recent vuur gestookt. In de zomer kom ik er vanwege een bijzondere plant die je verder in het Meerdaalwoud niet vindt: het Zandblauwtje (Jasione montana).

De ‘Jasione montana’ is – vertelt Wikipedia – “een eenjarige overwinterende of tweejarige plant, die behoort tot de klokjesfamilie (Campanulaceae). Het is een plant van droge, kalkarme zandgrond: tussen het gras of op open plekken”. Op stenige plaatsen gedijt hij ook als er maar veel zon is. Heel groot wordt hij niet, zo’n 10 tot 45 cm. De bloeitijd is in juni, juli en augustus en hij heeft een penwortel met zijwortels die tot meer dan een halve meter diep gaan dus probeer hem maar niet uit te graven. Waar er teveel concurrentie is van andere planten verdwijnt het zandblauwtje als sneeuw voor de zon. Een echt natuurlijke onverstoorde bodem zoals duinen, blauwe (schrale) graslanden en heidevelden heeft hij niet nodig want hij komt ook tevoorschijn op bermen, aangevoerd zand, greppels, industrieterreinen, spoordijken en – terreinen en dus ook in zandgroeves.
In je tuin doet hij het ook als je maar zorgt dat er droog zand is en niet mest, water giet of gifstoffen spuit. De naam komt van het Griekse ‘iasis’ dat ‘genezing’ betekent maar welke betekenis het zandblauwtje heeft in de kruidengeneeskunde is verre van zeker want tot zover is er geen enkele werkzame stof in de plant aangetroffen. In het verleden werd hij echter wel toegepast tegen hoest, koorts, inwendige ontstekingen, om bloed te zuiveren en wormen af te drijven en om huiduitslag tegen te gaan.

Het koken van de wortel in wijn zou een krachtig middel zijn tegen de pest en andere besmettelijke ziekten. Zeg het niet verder want dan wordt de plant binnenkort overal uitgegraven en hij is toch al zeldzaam en op veel plaatsen bedreigd.
Montana betekent ‘uit de bergen’ maar eigenlijk is dat ook niet van toepassing. Hij komt voor in de gematigde streken van Europa, in Noordwest – Afrika en in het noordwestelijke deel van Klein-Azië. In Nieuw-Zeeland en Noord-Amerika is hij ingevoerd. Schapen zijn er dol op en om die reden heet hij in het Engels ‘Sheep’s-Bit’. De plant is erg aantrekkelijk voor bijen, hommels en andere insecten. Bij het fotograferen merk ik hoe groot die hommels wel zijn en hoe ze zich toch nog weten te verbergen achter de plant. Voor één soort vlinder – de zandblauwroller (Cochylis pallidana) is hij echt de waardplant bij uitstek. Die is echter héél zeldzaam en in La Sablière staat hij niet op de lijst van waarnemingen. Tip: pluk de bloemen van het zandblauwtje niet af want dan zou je er wratten van kunnen krijgen zegt een oud bijgeloof. Maar zelfs als dat niet waar is laat je ze toch maar staan.

Het beheer van de zandgroeve is in handen van de gemeente Gréz-Doiceau. In de praktijk gebeurt dat door de plaatselijke afdeling van de PCDN. Die afkorting staat voor ‘le Plan Communal de Développement de la Nature’. Op de website lees ik dat «Il s’agit d’un outil d’aide aux communes volontaires pour structurer sur leur territoire un ensemble d’actions favorables au patrimoine naturel. L’objectif du PCDN est de préserver et d’améliorer le patrimoine naturel et paysager du territoire communal dans ses composantes physiques et biologiques tout en respectant et en favorisant le développement économique et social des habitants. Les PCDN sont élaborés au niveau communal dans la lignée du Plan d’Environnement pour un Développement Durable de la Région wallonne.»
Ik vermoed dat het in de praktijk wel een beetje lijkt op de “Regionale Landschappen” in Vlaanderen. Sinds 2013 organiseert de PCDN regelmatig werkdagen in de zandgroeve, vooral om het begaanbare gedeelte van het terrein – de afgeplatte bovenhelling – vrij te houden van de onweerstaanbare bebossingsdrang van de natuur. Dit gebeurt vooral met de hulp van vrijwilligers van de natuurvereniging Les Amis du Parc de La Dyle.
Die actie is noodzakelijk om de plantengroei en bijbehorende wereld van insecten en andere dieren te behouden op deze droge zanderige vlakte. De laatste inventarisatie van die planten en dieren vind ik op de site van de Site de Grand Intérêt Biologique en die dateert volgens mij van rond 2010.

Het zou interessant zijn om vandaag de dag opnieuw een inventarisatie te maken maar ik denk dat de vergelijking eerder negatief zal uitvallen, vooral vanwege de problemen van storende betreding maar ook omdat ondanks het goede vrijwilligerswerk de bomen en struiken zich maar moeilijk laten tegenhouden.
In verslagen van de PCDN wordt herhaaldelijk over La Sablière gesproken waarin – als ik het goed begrijp – aanbevelingen worden gaan over de aanleg van een afgebakend pad voor voetgangers en fietsers en over de vernieuwing van het inderdaad totaal versleten infobord op de site. Ik vind echter nergens een totaalplan voor de inrichting, onderhoud en beheer van dit waardenvol natuurgebiedje en al helemaal niets over de financiële middelen die daar zouden bijhoren.
Als zo’n plan er nu niet is zal binnenkort de hele beneden-helling terug natuurlijk bomenbos geworden zijn van vooral uitheemse bomen en struiken en in elk geval zonder waardevolle ondergroei omdat die licht nodig heeft om zich in stand te houden.

Misschien kan men eens contact opnemen met de collega’s van de voormalige zandgroeve Ganzemans in Neerijse? Daar worden bijvoorbeeld schapen maar vooral geiten ingezet om de boomgroei tegen te houden.
Wat betreft het bovengedeelte zou men toch tenminste de nodige afrastering kunnen plaatsen met stevige poortjes die de doorgang van wielertoeristen en ruiters tegenhouden en men zou toch vooral in de verlofdagen een toezicht kunnen organiseren om verstoring en erosie tegen te gaan?
Het blijft in elk geval een mooi stukje natuur zo hoog boven de vallei en vooral in de winter heb je een prachtig uitzicht tot bijna in Waver. Je komt er door vanaf de Place de Trementines uit Néthen even de Rue de Hamme-Mille te volgen en linksaf te gaan bij het bordje ‘Promenade des Murs’ aan het begin van een ferm steile holle weg.


+++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++
http://pcdn-grez-doiceau.be/news/qu-est-ce-qu-un-pcdn
http://biodiversite.wallonie.be/fr/640-sabliere-de-nethen.html?IDD=251660354&IDC=1881
http://plantenrijk.blogspot.com/2011/06/deel-28-zandblauwtje.html
http://www.etymologiebank.nl/trefwoord/zandblauwtje
http://wilde-planten.nl/zandblauwtje.htm

Trefwoorden: la sablière, zandgroeve, meerdaalwoud, néthen, savenel, zandblauwtje, natuurbeheer, natuurreservaat, pcdn, grez-doiceau,
Augustus 2020, Ernst Gülcher (ernst.guelcher <at> telenet.be)
EEN BEETJE GESCHIEDENIS

De muur van Savenel in Néthen aan de zuidkant van het Meerdaalwoud is bekend bij iedere sportieve wandelaar in de streek tussen Leuven en Waver als een van die wandeltochten die je minstens één keer in je leven gedaan moet hebben. Afgezien van de hier en daar steile hellingen die je op of af moet is de ‘Promenade des Murs’ niet moeilijk. Je hebt er zelfs geen kaart voor nodig want vanaf de ‘Espace Culturelle’ en het vroegere buurttramstation volg je de stenen maar gewoon vier kilometer lang totdat je weer terug bent op je vertrekpunt. Wat je op die heel mooie tocht allemaal tegenkomt ga ik je ook nog vertellen maar in deze bijdrage besteed ik aandacht aan het domein waar die muur omheen staat en wanneer en waarom die daar ooit gezet is. Een heel groot mysterie is het niet want dankzij het eersteklas onderzoekswerk van Robert Van den Haute, samengebracht onder de titel ‘Néthen, le “Saint Désert” de Savenel – Histoire du domaine des origines à nos jours’ en in 1985 gepubliceerd als boekje door ‘Wavrensia – Cercle Historique et Archéologique de Wavre et de la Région’ weten we er zowat alles van hoewel het wel altijd een beetje een raadsel zal blijven waarom mensen behoefte hebben aan een woestijn aan de rand van een zo mooi boslandschap als het Meerdaalwoud.

Het dorp Néthen kwam in 990 onder het kapittel van Saint-Jean L’Evangéliste de Liège en dat plaatste het dorp onder de wereldlijke bescherming van de hertogen van Brabant en van Aarschot en na hen tot aan het einde van het ancien régime de heren van Sint Agatha Rode. In een document van 1226 is sprake van ene Jean le Savelineal, inwoner van Nethen die een stuk grond met de naam ‘Sart’ (gerooid) in zijn bezit krijgt op voorwaarde dat hij en zijn opvolgers een aantal belastingen (rentes) betalen.
Of die naam iets te maken heeft met mogelijke zand- of zavelgerichte activiteiten van deze Jean is niet bekend. Feit is dat geologisch gezien he Meerdaalwoud één groot historisch duinenlandschap is waar langs de rand overal zand(zavel)groeves zijn of geweest zijn, zelfs tot vlak naast het domein van Savenel (la Sablière).
Tot in de zestiende eeuw duikt de naam Saven(i)el voortdurend op waarbij het domein herhaaldelijk uitgebreid wordt. Al in de 14de eeuw is er sprake van een ‘toren’ ofwel donjon met bijgebouwen maar pas rond 1530 wordt een echt kasteel rond die toren gebouwd door dame Gertrude Savenel en haar echtgenoot Augustin van den Berghe. Van dat kasteel bestaan uitgebreide afbeeldingen. Het diende als ‘Château de Plaisance’ ofwel buitenhuis en ik begrijp dat het huidige kasteel in feite een goede restauratie is van dat oude bouwwerk.

In de jaren daarna wordt het domein nog verder uitgebreid door elkaar opvolgende erfgenamen-eigenaars maar stilaan komen er financiële problemen opdagen, als ik het goed begrijp onder meer door conflicten tussen erfgenamen maar vooral door tegenvallende oogsten, zware belastingen en hoge kosten om in die troebele tijden langskomende strijdende partijen tevreden te stellen.
In 1685 eindigt deze periode doordat bij een gedwongen verkoop het goed met alles er op en er aan de eigendom wordt van François de Stembor. Hij bewoont zijn kasteel twee jaar lang maar verkoopt het dan door aan de uit Lotharingen afkomstige ridder Jean-Baptiste de Martel, als ik het goed begrijp om af te geraken van de schuldenlast die dan nog altijd op het goed rust.
Met die verkoop is de tijd van het ‘Château de Plaisance’ voorbij en begint een eeuw waarin het domein dient als een ‘heilige woestijn’ van de orde van de ‘ongeschoeide Karmelieten’ om zich uit te wereld terug te trekken voor geestelijke herbronning, meditatie en boetedoening. Maar voor dat ik dat verhaal begin vertel ik eerst over het glasfabriekje dat in die tijd – het begin van de 17de eeuw – op het domein gevestigd was en dat niet door katholieken werd opgezet maar door uit Frankrijk uitgeweken protestanten, de hugenoten.

HET VARENGLAS VAN SAVENEL
Hoe het precies in elkaar zit kan je lezen in het boek ‘The excavation of a seventeenth-century furnace at Savenel’ geschreven door A.M.Terlinden en D.W.Crossley in 1981 en nog altijd via het internet te bestellen. Alexis Michel Terlinden is op dat ogenblik samen met zijn echtgenote Anne-Marie van Overbeke de fiere eigenaar van het domein en hij laat tussen 1974 en 1977 een reeks systematische opgravingen doen waarbij op de rand van het Meerdaalwoud juist binnen de domeinmuren de resten gevonden worden van een woudglasoven met bijbehorende pottenbakkerij.
De aanleiding voor die opgravingen zijn blijkbaar de plaatselijke vondst van een Filipsdaalder, dat is een zilveren muntstuk met de beeltenis van de Spaanse koning Philips II dat tussen 1557 en 1598 in gebruik was in de Bourgondische Nederlanden en het opduiken van een document waarin gesproken wordt over een glasoven in de bossen van ‘Mordail’ bij Leuven. Die bossen zijn in die tijd de eigendom van het Bourgondische huis van Croÿ en op een kaart van 1598 uit hun collectie staat er vanuit het hertogelijk Meerdaalwoud een weg naar wat dan nog het ‘Saveneel’ heet.
De glasoven die zich – hoogstwaarschijnlijk in hertogelijke opdracht en onder zijn waakzaam toezicht – op dat domein bevond is een type dat vooral in Engeland is teruggevonden: een holglasoven met vier vleugels. Met de term holglas worden vooral glazen en flessen bedoeld. Een van de kleurige glazen vondsten in Savenel is een paddenstoelvormig strijkglas, bedoeld om linnen te strijken.

Om glas te maken heb je zand nodig als grondstof en een kaliumzout – voornamelijk kaliumcarbonaat – als smeltmiddel. Dat zand komt in Savenel aan de oppervlakte en het kaliumzout komt uit de ‘potas’ van varens, zoals adelaarsvaren, die door de eeuwen heen in het bos constant in grote hoeveelheden voorkwamen. Potas verkrijgt men door de as van planten in water op te lossen, te filteren en droog te koken. Samen met het zand, houtskool en de ambachtelijke stielkennis maakte adelaarsvarenglas van Savenel een markante speler in de Belgische glasgeschiedenis. Zwartkleurige glasresten – slakken – zijn gebruikt als versiering in het stenen poortgebouw van het kasdeeldomein Savenel. De analyse ervan situeert de plaatselijke glasproduktie in drie perioden: kort voor 1605, van 1622-1625 en van 1769-1784.
Wie verantwoordelijk waren voor de glasproductie in de tijd van het streng katholieke regime in de tijd van de Heilige Woestijn van Savenel is mij onduidelijk. Uit de archieven blijkt dat de vroege glasproductie op punt gezet werd door Franse hugenoten. In die tijd kwam in Frankrijk de strijd tussen het katholicisme en het calvinisme op een dieptepunt waarbij in 1572 de katholieken de strijd probeerden te beslechten met een massale moordpartij op calvinistische leidende personen en hun volgelingen in Parijs. Deze massamoord op naar schatting ten minste 10.000 hugenoten wordt sindsdien de Bartholomeüsnacht genoemd. Ondanks de godsdienstvrede door het Edict van Nantes in 1598 onder koning Hendrik IV ging het calvinisme in Frankrijk in de 17de eeuw onder de contrareformatie zo goed als verloren.

Hugenoten vluchtten in grote aantallen uit Frankrijk weg en zo ook de leden van een bekend glasmakersgeslacht, de Colnets of Colinets en samen met hen ook andere glasproducenten zoals de familie Ferry en Hennezel. Dat velen van hen zich gevestigd hebben in het stroomgebied van La Dyle in het hun taal sprekende Waals-Brabant is uiteraard niet te verwonderen. Water is overal aanwezig maar ook de noodzakelijke grondstoffen zoals zand, vuurvaste klei en een overvloed van bos om de oven te stoken. Daarnaast groeit in onze streken ook de adelaarsvaren uitbundig en die is nodig om het glas zijn groenige kleur te geven.
Behalve in Néthen zijn glassites gevonden in Rixensart, Moriensart (Céroux-Mousty), Limal, Bousval, Ways en Thy. Maar de dichtstbijzijnde bevindt zich in Bonlez diep in de vallei van de Glabais, een zijriviertje van Le Train. In 1624 opende Jean Colnet een glasatelier in de buurt van het plaatselijke kasteel en vijf jaar later huurde hij samen met zijn echtgenote een terreintje aan de overkant van de rivier waar tegenwoordig de Ferme du Fort des Voiles is. Op dezelfde plek stond vanaf 1834 de watermolen van ene Hubert Wigy. ‘Fort des Voiles’ is niet een onder sluiers verborgen versterking maar de in plaatselijk dialect verbasterde herinnering aan de ‘four à verre’ (glasoven).
Al met al moeten we blij zijn dat die glasactiviteiten in het Meerdaalwoud beperkt zijn gebleven want anders hadden we misschien nog minder bos dan nu al het geval is. Het model oven dat werkzaam was in Savenel is een echte brandhoutvreter. Volgens Alexis Michel Terlinden heb je 12 stère beukenhout per dag nodig om zo’n oven te gebruiken en daarvoor moet je een hele hectare bos omkappen per week ofwel zo’n 50 hectare per jaar. Of dat klopt weet ik niet maar als het zo is raak je je bossen wel in erg hoog tempo kwijt.
Waar al dat glas gebleven is weet ik eigenlijk niet. Een aantal voorwerpen zouden nog op het kasteel zijn en in het oude poortgebouw zijn enkele stukken ingemetseld.

DE OPRICHTING VAN DE HEILIGE WOESTIJN
In de 14de eeuw beleeft de orde van de Karmelieten haar grote bloeitijd. In 1586 gaat zij door een diepgaande hervorming. Op impuls van twee beroemde mystieke heiligen Sainte Thérèse d’Avila en Saint Jean de la Croix splitst zich de nog strengere ‘Orde van de Ongeschoeide Karmelieten’ (ook genoemd ‘les Petits Carmes) zich van de hoofdorde af en verkrijgt van Paus Clement VIII in 1593 haar volle onafhankelijkheid.
In onze streken stichten de ongeschoeide karmelieten een heel aantal vestigingen – zowel huizen als kloosters – onder meer in Brussel, Leuven, Antwerpen en Visé.
Vanaf begin 1600 richt de orde zich op het inrichten van zogenoemde ‘Heilige Woestijnen’. De eerste daarvan in de Zuidelijke Nederlanden vestigt zich in 1619 in Marlagne in Wépion (deelgemeente van Namen). Bij de splitsing in 1665 tussen een Wallo-Belgische en een Franco-Belgische provincie maar ook vanwege het groeiend aantal aanvragen werd een tweede woestijn nodig en dat wordt in 1689 die van Néthen.

Wat is zo’n ‘woestijn’? In de eerste plaats moet het een oord zijn dat verwijderd is van wereldse dorpen en steden en van het menselijk gewoel waar de kluizenaar zich ongehinderd in alle eenzaamheid kan richten op zijn Schepper. Tegelijkertijd moet dat oord zich dicht genoeg bij de bewoonde wereld bevinden dat de kluizenaar die ziek wordt naar een klooster kan worden gebracht voor verzorging. Het moet ook groot genoeg zijn om rondom een in de woestijn gebouwd klooster een aantal kleine kluizenaarsvestigingen te bouwen en om groenten, fruit en zuivel produkten te produceren voor de vervulling van de dagelijkse levensbehoeften.
Rondom de woestijn moet een muur gebouwd worden om iedereen te weren die niet tot de gemeenschap behoort. De kluizenaars – allen mannen – zelf moeten sterk genoeg zijn om een leven van uiterste versobering te kunnen doorstaan zonder gezondheidsschade op te lopen. Wie ziek is, te oud of te jong wordt niet toegelaten. Een verblijf in de woestijn mag niet langer duren dan één jaar, alleen enkele allersterksten mogen wat langer blijven, alle anderen keren na een jaar terug naar hun klooster van oorsprong hoewel ze nadien wel opnieuw een verblijf in de woestijn kunnen aanvragen.
Bezoek was niet toegelaten, de bewoners mochten hun ouders één maal per jaar zien maar briefwisseling was verboden. In de woestijn zelf heerste absolute stilte tenzij bij speciale religieuze bijeenkomsten. Onder elkaar mochten de broeders slechts met handgebaren communiceren indien absoluut noodzakelijk. Maaltijden waren uiterst sober en vonden plaats tussendoor de talrijke erediensten en gebeden. Een deel van de dag werd in de tuin gewerkt en voor het overige brachten de kloosterlingen de tijd in absolute eenzaamheid door.

De keuze om een heilige woestijn op te richten in het domein van Savenel in Néthen is bepaald door de gezamelijke wil van drie mannen van aanzien: Jean-Baptiste-Jacques de Gavarelle, Prins van Lotharingen Charles-Henri de Vaudémont en ridder Jean-Baptiste de Martel.
Gavarelle – ofwel Père Maximilien de Sainte-Marie – is in die tijd het provinciale hoofd van de orde van de Ongeschoeide Karmelieten met blijkbaar een bijzondere voorliefde voor de streek van Leuven. Het geslacht de Vaudémont hoort tot het huis van Lotharingen. De vader van Charles-Henri geraakt in conflict met de Franse koning Lodewijk XIII en maakt een avontuurlijke-romantische carrière als Spaansgezind veldheer in de Nederlanden. Zoon Charles-Henri zet het avontuurlijke leven van zijn vader succesrijk verder maar ontwikkelt zich tegelijkertijd als een fervent beschermer en financierder van de orde van de Karmelieten en hun kloosters.
Van Jean-Baptiste de Martel’s afkomst is niet veel geweten anders dan dat hij ook van Lotharingen was en dienst deed als kapitein in de garde van de prins. Ook hij leidt een avontuurlijk en welstand brengend leven maar na het verlies van twee echtgenotes besluit hij op zijn oude dag het wereldse in te ruilen voor een verblijf in een klooster en in de geest van zijn meester kiest hij voor de Karmelieten.

Op 30 juni 1687 koopt hij het domein van Savenel en daarna wordt het zijn eerste taak om de nodige geldmiddelen te verzamelen om de kloosterdroom te verwezenlijken. Het domein gaat bij de aankoop nog altijd gebukt onder aanzienlijke hypothecaire lasten (‘rentes’) opgedaan in het verleden. Met hulp van de Prins en van Père Maximilien (Gavarelle) worden een aantal van die rentes afgekocht. In september 1987 wordt bij decreet van de Spaanse Koning Charles II de goedkeuring afgekondigd om op het domein van Savenel een kerk en een klooster te bouwen om maximaal twintig ongeschoeide karmelieten te huisvesten op voorwaarde dat zij in hun eigen levensonderhoud zouden voorzien. In datzelfde decreet wordt ook de toestemming verleend om rond het domein een muur te bouwen.
Aangezien bij de aanvraag voor dit decreet ook een gedetailleerd plan werd gevoegd van de bestaande en toekomstige toestand van het domein beschikken we vandaag over gedetailleerde afbeeldingen maar daarvoor verwijs ik naar het boek van Robert Van den Haute. Bij de afronding van al de onderhandelingen verkreeg Jean-Baptiste de Martel het recht om – na van zijn domein afstand te hebben gedaan – er zich voor de rest van zijn leven op te vestigen. Aangezien er blijkbaar al meteen protesten rezen tegen die afstand van de kant van zijn toekomstige erfgenamen, werden wel de nodige papieren opgemaakt met maatregelen om te verhinderen dat die of andere schuldeisers op een kwade dag zouden komen opdagen om hun rechten op te eisen.

Naast Martel kreeg ook Baron van Attenrode Jean-Baptiste Daneels, de erfgenaam van de eerste echtgenoot van Martel’s eerste echtgenote, het recht om zich op het domein te vestigen op voorwaarde dat hij enkele grote op het domein rustende ‘rentes’ zou aflossen. Beiden zijn na hun dood in Néthen begraven.
De officiële opening van de Heilige Woestijn vond plaats op 14 september 1689 na de voltooiing van de eerste nieuwe gebouwen, te weten een poortgebouw met een kleine (voorlopige?) kapel en hospicium. Dat bevond zich niet op de plek van de huidige hoofdingang aan de Rue du Convent maar helemaal aan de andere kant van de muur waar in het Meerdaalwoud nu het einde is van het kaarsrechte gedeelte van de Nethense baan. Op die plaats zie je vandaag een kluwen van boswegen maar in die tijd was hier blijkbaar de officiële weg tussen Leuven en Waver en als je grote kaart erbij pakt klopt dat inderdaad want Waver ligt pal naar het zuiden vanaf Leuven en de Nethensebaan volgt die richting. Als je die poort doorgaat kom je rechtstreeks bij het kasteel. Verborgen in het bos is er al eerder in de muur nog altijd een klein afgesloten poortje waarvan ik niet weet hoe oud het is en waarvoor het gediend heeft maar van de kapel en hospicium is niets meer te zien.
Die achterpoort is tot op dag vandaag niet toegankelijk maar het is boeiend om te weten dat de afsluiting van deze doorgang de oorzaak is geweest van een honderd jaar lang durend scherp conflict tussen de kloosterlingen en de dorpelingen van Nethen.

De weg ging voor hen niet alleen langs het kasteel maar ook verder naar hun dorp en naar de kerk. Het was een belangrijke route tussen Nethen en Leuven en in tijden van nood was het ook de snelste vluchtweg richting bos. Door de afsluiting van het domein (en nadien de bouw van de muur) om religieuze redenen moesten ze er in het vervolg maar omheen zien te geraken, hetzij langs de steile bovenkant of door het moeras aan de lage kant. Nadien zijn er nog allerlei conflicten komen opdraven, vooral over het al dan niet houden van religieuze plechtigheden en wie dan de mis moest opdragen en op welk uur. Al met al met eindigde het geruzie pas met de sluiting van Saint Désertdoor de Fransen maar blijkbaar is er tot op de dag van vandaag iets van blijven hangen.
Na de opening in 1689 duurde het nog tot 1698 voordat de eerste prior kon worden benoemd, Père Sérapion de Sainte-Catherine. En tegen die tijd was de ‘kluizenaarsvrede’ ver te zoeken vanwege het conflict met de dorpelingen maar ook vanwege problemen met de bouw van het klooster.
Aan de muur was men toen zelfs nog niet begonnen, de eerste steen daarvan werd in 1712 gelegd en hij was pas vijf jaar later gereed. Ik kom daar nog op terug.
Volgens de oprichtingsacte mochten er 20 monniken verblijven met een onbepaald aantal lekenbroeders om hen te verzorgen. Dit cijfer is nooit bereikt, in 1754 waren er vier, in 1784 elf en in 1789 waren er tien op het ogenblik dat de Fransen het klooster kwamen sluiten.

Hun levenswijze was inderdaad heel erg sober. Hun kleding bestond uit simpele pijen en – zoals hun naam aangeeft – droegen ze zomer en winter sandalen aan hun blote voeten. Om die te repareren moesten er wel af en toe een kleermaker en een ‘sandalimaker’ langskomen. Voor de hygiëne werd gebruik gemaakt van ‘Tonnekens zeep’ uit Mechelen. De maaltijden waren eveneens zeer sober hoewel er wel af en toe wat zoete lekkernijen en bier het klooster binnenkwamen.
Het woord ‘woestijn’ suggereert een droog en zonnig klimaat maar in onze koude vochtige streken en met name zo diep in de moerassige vallei van de altijd maar weer overstromende Ruisseau de la Néthen was het ascetische verblijf ook nog eens zeer ongezond en de plaatselijke ‘barbier-chirurgijn’ werd dikwijls geroepen om longontstekingen en reumatiek te bestrijden en ook daarvoor mochten soms wat luxueuzer voedingsmiddelen worden gebruikt om sterfgevallen tegen te gaan. Wie ziek was werd vrijgesteld van het kluizenaarsbestaan maar dikwijls overleefden de patiënten de behandelingen niet, zelfs niet na het inroepen van de hulp van heiligen zoals Sainte Pharaïlde tegen buikloop, tandpijn en andere ongelukkigheden. Soms werden zwaar zieken afgevoerd naar het Saint-Albert klooster in Louvain. Doden werden begraven in de kloosterkerk of in hun kluizenaarscellen en vanaf 1792 ook op een klein kerkhof in de kloostertuin binnen de muur.
Robert Van den Haute geeft een uitvoerige beschrijving van de gebouwen op het domein en hoe alles ligt ten opzichte van elkaar en wat er nog van over is. Op pagina 6 van zijn boek vind je daar ook een plattegrond van.

Daar kan je zien dat er nog poorten zijn zoals die in de richting van de Ferme des Douze Bonniers. Er is of was (kan het niet zien op het terrein) ook nog een poort aan de kant van Néthen. Misschien was dat de ‘pagan poort’, de enige toegang voor wie niet van de juiste leer was?
Van de gebouwen is uiteraard het kasteel met voorhof het belangrijkste. Zoals we al weten is het gebouwd rond de massieve middeleeuwse donjon die in die tijd duidelijk een verdedigingsfunctie had zoals op oude tekeningen blijkt uit de aanwezigheid van kantelen en aan de noord-kant een uitbouw waarvan projectielen geschoten of geworpen konden worden. Kantelen en uitbouw verdwenen nadat de toren rond 1530 in het landhuis met verlies van de bovenverdieping geïntegreerd werd en bij de laatste restauratie is de verdieping wel terug opgebouwd maar afgedekt met een fraai puntdak. Het kasteel heeft de eeuwen min of meer doorstaan. Volgens de auteur moeten er nog heel mooie muurschilderingen zijn maar die heb ik nog niet gezien. De monniken gebruikten het landhuis blijkbaar alleen om hoge gasten – vooral geestelijken maar ook militairen en magistraten – te ontvangen maar hadden het blijkbaar moeilijk om de hoge kosten te betalen die nodig zijn om een gebouw van dergelijke omvang en allure te onderhouden. Sommige van die gasten brachten meer dan een jaar in het domein door, zij waren niet onderworpen aan het soberheidsregime en namen het er dan ook goed van. Door het gebrek aan onderhoud en de leegstand onder de Franse bezetting is het toch in verval geraakt en nog in het begin van de 19de eeuw is de tweede verdieping blijkbaar afgebroken.

De eerste steen van de kerk – gewijd aan Saint Jean de la Croix – werd op 14 november 1689 gelegd door de Prinses de Vaudémont. Het moest een heel sober bouwwerk worden – zowel van buiten als van binnen – maar de voltooiing nam meer dan tien jaar in beslag, vooral wegens financiële problemen. De toren bevatte tot 1792 één klok, daarna nog enkele jaren twee die door daarvoor betaalde dorpelingen werden geluid. Van Den Haute geeft een beschrijving van het interieur maar in 1798, drie jaar na de sluiting van de Saint Désert werd het oratorium afgebroken en de rest verviel tot een ruïne door gebrek aan onderhoud en plundering door de plaatselijke bevolking.
Het klooster was een rechthoekig gebouw in traditionele stijl en bevatte een conferentie-zaal en waarschijnlijk een soort van keuken. Voor de rest waren er cellen, allemaal zo sober mogelijk ingericht. Wie er sliep beschikte zomer of winter over één deken en dat moet in de winter heel onvoldoende zijn geweest. Er was een zeer bescheiden bibiotheek (lezen werd afgeraden) en wat er was is door de Fransen in beslag genomen en bevindt zich nu in de Koninklijke bibiotheek. Uit de administratie blijkt dat er een abonnement was op de ‘Gazetten van Antwerpen’ maar wie dat las is niet geweten. Het klooster zelf is samen met de sacristie in de Franse tijd afgebroken
De eetzaal is het enige bewaard gebleven deel van het klooster en is sinds het vertrek van de geestelijken er zelfs beter op geworden. Hij maakte dan ook niet deel uit van het kloostergebouw maar is een klein bouwwerk in het verlengde van het landhuis. In de toegang bevinden zich blijkbaar nog een aantal opschriften om de monniken aan te sporen om ook tijdens de maaltijd hun geestelijke opdracht in acht te nemen. De maaltijden werden bereid door de leken-broeders.

Er moeten in totaal acht kluizenaarswoninkjes of cellen zijn geweest verspreid over het domein. Ze waren ieder gewijd aan een andere heilige maar ze zijn allemaal verdwenen op één na. In de buurt van de vijver zijn nog resten van een gebouwtje dat in de annalen benoemd en afgebeeld wordt als ‘grot’ maar niet meer als zodanig herkenbaar is.
De grote en vorstelijke toegangsdreef tussen de Chemin de Savenel en het kasteel is door de kloosterlingen aangelegd rond 1719 ter gelegenheid van de voltooiing van de muur. De oudste afbeelding van die muur staat op een kopergravure van 1692 maar toen was hij er nog lang niet. De bouw begon pas in 1712 en het moet een geweldig werk zijn geweest om hem te bouwen hoewel we daarover in het boek van Robert Van den Haute nauwelijks iets vinden behalve dat om de stenen en andere materialen aan te voeren de karmelieten hun enkele koeien en vier paarden inspanden die ze eigenlijk tegelijkertijd nodig hadden om hun akkertjes te bewerken.
Ik ben nog altijd op zoek naar een antwoord op de vraag hoeveel stenen er nodig waren om die muur van vier kilometer lang neer te zetten met steunberen en al. Volgens het boek ‘Miradal, erfgoed in Heverleebos en Meerdaalwoud’ (p.15) waren er 10.000 kubieke meter klei en ongeveer dezelfde hoeveelheid houtskool nodig maar andere bronnen spreken over 5.000 kubieke meter klei dus iemand moet het nog eens precies narekenen. Er was natuurlijk ook zo ongeveer een zelfde hoeveelheid zand nodig. Al dat materiaal kwam uit het Meerdaalwoud, alleen de ongebluste kalk voor het cement in de voegen, in totaal 100 ton, moest ergens anders vandaan komen. Op het domein was er een steenbakkerij en er zouden zich nog negen kleiputten bevinden, op oude kaarten staat de aanduiding ‘Ronde des Carmes’.

Wie langs de muur stapt kan zich verbazen over de duurzaamheid van het metselwerk en de vakbekwaamheid van de metselaars van die tijd. Gezet zonder fundering op een dikwijls steil hellend en ook beweeglijk zanderig terrein in een vochtige bosomgeving heeft de muur zich drie eeuwen lang opmerkelijk goed gehouden. Het gebruik van kalkcement maakt dat de muur meebeweegt met het terrein en niet breekt. Waar hij omvalt kunnen de stenen verzameld worden en opnieuw worden gemetseld. Hier en daar is hij met modern hard cement hersteld maar dat is overduidelijk geen groot succes. Vooral aan de kant van de zandgroeve La Sablière is de grond aan de buitenkant er tegen opgehoopt wat een enorme druk naar binnen moet geven maar hij staat er nog altijd. Op twee plaatsen zijn er stroken verdwenen maar technisch is er geen reden om die niet terug op te zetten. Vooral in de holle weg langs de muur vallen er volwassen bomen op de bovenkant en dat geeft wel beschadigingen. De bovenkant van de muur ziet er over het algemeen wel nogal ‘rafelig’ uit. Aangezien de natuur zin rechten opeist moet de muur wel af en toe weer eens ontdaan worden van woekerende klimop hoewel die klimplant misschien ook een stabiliserende werking heeft. Waar het klimop weggehaald wordt slaan onvermijdelijk de graffiti-minnaars toe en dat moet dan ook weer verwijderd worden ondanks de soms spectaculaire muurschilderingen. Voor liefhebbers van typische muurplantjes is de muur één groot avontuur.

Uit het bovenstaande kan je al afleiden dat de uitvoering en instandhouding een kloosterproject van deze omvang onmogelijk zou zijn geweest met alleen maar een paar kluizenaars en lekenbroeders. Om alle werken de baas te kunnen werden een aantal werklieden uit het dorp ingehuurd die voor een deel ook op het domein zelf verbleven in speciaal gebouwde ‘knechthuyskens’. Onder hen waren tuinlieden en boomkappers en -verzorgers, een paardenknecht en een met geweer uitgeruste boswachter. Nog in 1786 kwam er een nieuwe paardenstal en er was naast de boomgaard ook een wijngaard, een brouwerij, een smid, een bakoven en een watermolen op het terrein. In hoeverre van al die zaken nog iets te zien is weet ik niet maar het is zeker dat de watermolen op het ogenblik van de komst van de Fransen al helemaal verdwenen was onder het geweld van de overstromende beek en – bij wijze van detail – de monniken hun graan lieten malen in de watermolen van Sint Joris Weert (de huidige molen Vandenbempt). Daarnaast waren er visvijvers om de bevoorrading van die kant veilig te stellen. De opbrengsten dienden blijkbaar niet alleen voor de eigen voorziening maar werden ook plaatselijk op de markt gebracht.
De ‘Saint Désert’ was niet alleen een oord voor armoedig maar vreedzaam kluizenaarsschap, het diende ook als schuilplaats tegen oorlogsgeweld. In de korte periode van hun bestaan – iets meer dan een eeuw – was dit deel van de wereld het sombere toneel van de oorlogen van koning Lodewijk XIV en alles wat daarbij kwam kijken.

In beginsel waren kloosters door de hoge wereldlijke autoriteiten vrijgesteld van militaire eisen van allerlei aard maar in de praktijk was het niet gemakkelijk om van belastingen, plunderingen en gedwongen huisvesting gespaard te blijven. Begin juni kwam de koning met zijn troepen als eens op doortocht in Nethen. In 1693 deed hij dat nog eens dunnetjes over en plunderde bij die gelegenheid het dorp zowat leeg. Of daarbij de kloostergemeenschap gespaard bleef vertelt de geschiedenis niet maar Robert Van den Haute wijst er op dat het kasteel van Savenel in die tijd zowat de enige plek was waar je zo’n hoge gast kon huisvesten en hem en zijn hofhouding van het nodige voorzien. In 1700 waren er opnieuw eisen om militairen te huisvesten op het domein. In 1705 plunderden de Hollandse troepen zowel Nethen als Bossut helemaal kaal en in 1706 stonden de Fransen alweer aan de grenzen maar deze keer ontsnapte Savenel aan hun aanwezigheid. De vreugde moet van korte duur geweest zijn want in 1707 kampeerden de Hollanders 17 weken lang in de omgeving van Néthen en plunderden in die tijd alles wat opgegeten kon worden door mens en dier, met inbegrip van wat zich aan granen, koeien en paarden binnen het domein bevond. Daarbij moet worden aangetekend dat waar de katholieke Franse troepen zich al te buiten gingen, er uiteraard van de Lutherse Hollandse soldaten geen respect voor de kloostergemeenschap te verwachten viel. In 1752 was het opnieuw raak met Franse plunderingen en brandschattingen van zowel het dorp als het domein maar blijkbaar was er in die tijd niet meer veel te halen.
Desondanks overleefde de kloostergemeenschap al deze catastrofes wel en blijkbaar minder door te bidden en boete te doen dan door al haar invloed te gebruiken om haar grondgebied uit te breiden, onder meer door erfenissen en daarbij op alle mogelijke manieren de erfrechtbelasting en andere fiscale lasten te ontwijken.

DE EVERZWIJNEN VAN DE HERTOG
Wellicht kan ook het volgende merkwaardige verhaal gezien worden als een methode van de kloosterlingen om aan inkomsten te geraken en goede relaties te onderhouden met machtige buren.
De blinde hertog Lodewijk Engelberg van Arenberg (1750-1820) staat bekend om vele kwaliteiten maar een daarvan was dat hij dol was op de jacht op everzwijnen. Om zoveel mogelijk van deze dieren in zijn bossen te krijgen kruiste hij ze blijkbaar zelfs met gewone varkens. Daarmee kreeg hij het onvermijdelijk aan de stok met de boeren en tuinlieden in Néthen omdat al die varkens regelmatig buiten kwamen en zich op hun eigendommen tegoed deden aan de gewassen en ook schade toebrachten aan de bodem door alles om te woelen.
Hoe meer zwijnen er kwamen hoe sterker de protesten opklonken en op de duur spanden de dorpelingen het ene proces na het andere in om de dieren weg te krijgen.
De hertogelijke macht was eeuwenlang absoluut, maar de feodale tijd liep op zijn einde en de tegenstanders haalden uiteindelijk hun slag thuis. De dorpelingen trokken naar Wenen en vonden gehoor bij keizer Jozef II.
Een keizerlijke ordonnantie uit 1781 verbood loslopende everzwijnen in heel de Oostenrijkse Nederlanden en dus ook in het Meerdaalwoud. Engelbert sloot dan maar een overeenkomst met de kloosterlingen om zijn evers binnen de muren van hun domein te drijven.
Wat hij voor deze overeenkomst betaald heeft en wat de voorwaarden waren is blijkbaar niet geweten maar in het kader van ervan liet hij het domein in 1781 naar waarde schatten. Hij gebruikte hiervoor een opmeting uit 1760 en liet een schatter van de stad Leuven komen. De gebruikte maat was de Leuvense bunder van 18,33 voet: iets minder dan 1,1 hectare, ofwel 26 bunder van de ommuurde oppervlakte werd als bos beschouwd en dat zou een stuk meer zijn dan vandaag. Woudmeester Deloftes berichtte op 11 juli 1782 dat men druk bezig was om palissaden te maken om de ‘sangliers’ te vangen. Van het binnendrijven is geen afbeelding bekend en we weten ook niet om hoeveel dieren het ging.

Het droevige einde van dit verhaal is dat ze in 1790 allemaal afgemaakt zijn door 35 gewapende vrijwilligers in dienst van de Confederatie der Belgische Staten. Die waren blijkbaar bang dat de Keizer de onafhankelijkheidsstrijd van zijn Nederlandse gewesten zou verliezen en de macht van de Hertog van Arenberg opnieuw tot het kweken van everzwijnen zou leiden. Van de ongetwijfeld uitbundige barbecue achteraf zijn geen verslagen. Sindsdien zijn er lang geen evers meer in onze bossen te bespeuren geweest, hoewel er hier en daar wel namen aan herinneren, zoals de Enceinte des Marcassins/Everzwijnbad en La Course du Sanglier.
HET EINDE VAN DE HEILIGE WOESTIJN
Een eerste echte bedreiging voor de gemeenschap kwam er met de troonsbestijging van diezelfde keizer Jozef II van Oostenrijk door zijn edict van 1783 op de sluiting en openbare verkoop van de contemplatieve “onnuttige” kloosters. In een eerste ronde werden 600 kloosters opgeheven. De Karmelieten van Savenel ontsnapten die dans maar niet voor lang.
In 1794 kwamen de Franse republikeinse soldaten in de streek aan en een jaar later bezetten ze het domein en maakten een uitgebreide inventaris van al wat zich daar bevond. Dankzij die lijst weten we dat er op dat ogenblik 5 kluizenaars-monniken en 5 lekenbroeders waren. Alle goederen werden in beslag genomen als ‘bien national’ en vrij onmiddellijk volgde hun gedwongen verdrijving.
Begin 1797 volgde een eerste openbare verkoop en merkwaardig genoeg – maar niet uniek – kwam een voormalige ongeschoeide karmeliet van het Placet-klooster in Leuven als nieuwe eigenaar uit de bus door bij ‘het uitgaan van de kaars’ 200.000 ponden op tafel te leggen. Waarom ‘burger’ Théodore Salens uit Antwerpen op zijn leeftijd van 46 jaar zich geroepen voelde om actief te worden op de immobiliënmarkt in Nethen is niet geweten. Het kan zijn dat hij hoopte dat de Fransen spoedig de aftocht zouden blazen en de oude orde hersteld zou kunnen worden.

Om het klooster in ere te herstellen had hij toch alles wat van religieuze aard was terug moeten kopen zoals de klokken, de altaren, de beelden, de kandelaars, de banken, de schilderijen, de orgels, de ramen en verder alle voorwerpen van kunstzinnige aard want die werden allemaal afgevoerd onder beslag en er is nooit meer iets van teruggezien.
Omdat de Fransen op het domein alles wegsleepten of vernielden dat maar ergens als een godsdienstig voorwerp of teken kon worden beschouwd maar ook omdat tussen het verdrijven van de monniken in oktober 1795 en de verkoop in januari 1797 de gebouwen meer dan een jaar leegstonden raakte alles snel in verval, vooral omdat de buurtbewoners er binnendrongen om zich met van alles aan bouwmaterialen te bevoorraden om hun door de oorlog beschadigde eigendommen te herstellen of om nieuwe huizen te zetten.
Théodore Salens moet al snel de hoop hebben opgegeven om de oude orde te herstellen want hij ging op zoek naar een overnemer terwijl hij een periodieke houtverkoop deed om uit de kosten te geraken en wachtposten plaatste om verdere plunderingen te voorkomen.
Hij stelde een zaakwaarnemer aan, een zekere Pierre Huttebize, van beroep leerlooier en vooraanstaand handelaar in het Leuvense. Deze maakte fortuin, vooral door de levering van laarzen aan de republikeinse troepen. Met dat geld kocht hij een hele reeks hoeves en gronden in de regio op.
In oktober 1798 kocht hij ook het domein van Savenel en deed de nodige herstellingen aan het door de kloostergemeenschap erg verwaarloosde landhuis zodat het opnieuw kon dienen als ‘chateau de plaisance’ hoewel het sindsdien wel met een verdieping minder moet stellen.
Hij verpachtte het domein voor een langere termijn aan enkele geïnteresseerden. Of het kloostergebouw er in die tijd nog was is me niet helemaal duidelijk. In kadastrale aktes van 1826 en 1836 wordt gezegd dat het voormalige klooster van Nethen is omgevormd tot een pachthof en dat er nog maar één oud gebouw is. Dat wijst er op dat tegen die tijd alleen het kasteel er nog was en dat het klooster was afgebroken.

Zoals vaker gebeurt kregen zijn erfgenamen na zijn dood in 1826 ruzie over de verdeling en in 1833 werd het domein opnieuw verkocht, ditmaal aan zakenman Jacques Walther-Joseph de Pierpont de Noest.
Deze ging op het kasteel wonen en vroeg en verkreeg in 1835 vergunning om op de plaats van de vroegere watermolen een ‘moulin à papier’ te installeren. Op de kaart Vandermaelen van 1946 zie je deze als ‘papeterie’ staan op de kruising tussen de beek en de oprijdreef naar het kasteel. Om zijn molen aan te drijven bouwde hij ter plekke een stuw om op de beek een verval te creëren van maar liefst 4,07 meter.
Het gevolg daarvan was dat in het dorp de gemeenschappelijke ‘Veeweide’ en de aangrenzende tuinen voortdurend onder water kwamen te staan. Op hun klachten hierover reageerde hij met een aanvraag om het waterpeil nog 41 cm hoger te mogen laten stijgen.
Uiteindelijk was er een gerechtelijke uitspraak nodig om de heer Pierpont tot toegevingen te dwingen en vervolgens vroeg hij vergunning om een stoommachine te plaatsen en die vergunning kreeg hij op voorwaarde dat de bijbehorende schoorsteen hoog genoeg zou zijn om met zijn uitstoot geen problemen te veroorzaken voor de omwonenden. Waarschijnlijk gelukkig voor die van Néthen braken er slechte tijden aan voor de papeteries in de regio en tegen 1846 bestond die in Savenel niet meer.
DE TIJD VAN NU
In 1850 krijgt het domein opnieuw een andere eigenaar in de persoon van Elisa Wilson, de kleindochter van de Britse industrieel Thomas Wilson, gevestigd in Ukkel.
Samen met haar echtgenoot Louis van Overbeke maakt zij ernstig werk van de restauratie – misschien meer een grondige verfraaiingsverbouwing – van het kasteel en het domein.

De twee zuilen aan de huidige hoofdingang stammen uit die tijd hoewel de sfinxen die zij er op liet plaatsen ondertussen ook alweer een dertig jaar verwijderd zijn om veiligheidsredenen.
Op hun initiatief wordt een nieuwe poort met dreef aangelegd tussen het kasteel en de muur naar de huidige Chemin de la Forêt in de richting van Sint Joris Weert. De poort kreeg de ietwat misleidende naam ‘Porte de Saint-Pierre’ maar valt vooral op door zijn hoge zuilen van baksteen die blijkbaar kenmerkend zijn voor sommige Britse landhuizen, vooral die in Lancashire, de geboortestreek van de Wilsons.
Rond het landhuis wordt een Engels pittoresk landschap aangelegd waarvoor een deel van het vroegere voorhof moest wijken. Alleen de merkwaardige ingangspoort van dat plein staat er nog altijd met ingemetseld enkele stukken glas als aandenken van de glasblazerij die er ooit was zal hebben.
Robert Van den Haute sluit zijn boek af met de toch wel belangrijke vermelding dat het kasteel en het domein in oktober 1948 als monument werden geklasseerd maar dat in november 1961 het kasteel weer werd gedeclasseerd. Zonder verdere details kan ik dit niet begrijpen in het licht van de zorg waarmee de eigenaars in 1960 professor Simon Brigode, een bekend architect-specialist in de restauratie van middeleeuwse monumenten een verregaande restauratie hebben laten doorvoeren om het kasteelgebouw in zijn oorspronkelijke vorm te herbouwen op basis van een gravure uit 1692 en een plan opgemaakt in 1800. Daarbij heeft de donjon zijn derde verdieping teruggekregen met puntdak en spits.
Sindsdien valt er over Savenel een voor de buitenstaander opmerkelijke stilte. Het domein is sinds die tijd tot voor kort niet meer van eigenaar veranderd. Ik begrijp dat het nog altijd toebehoort aan de families van Overbeke en Terlinden. De Terlindens deden hun intrede in het kasteel ter gelegenheid van het huwelijk tussen Anne-Marie van Overbeke met Alexis Michel Terlinden in 1950.

Alex Michel Terlinden werd geboren op acht mei 1924 in Schaarbeek als de tweede zoon van Baron André Terlinden en Madeleine Hainquerlot. Hij overleed op 29 augustus 2016 op de gezegende leeftijd van 92 jaar om net zoals zijn voorgangers te worden bijgezet in de familiekelder op het domein van Savenel.
Heel veel vind ik over hem niet gemakkelijk maar het is duidelijk dat hij – samen met zijn echtgenote – in Néthen een zeer actieve en geliefde persoonlijkheid was en volop betrokken bij het plaatselijk gemeenschapsleven. Wat dat betreft staat het tijdperk Wilson-Van Overbeke-Terlinden wel sterk in contrast met de verhoudingen tussen het dorp met eigenaars van het domein van vroegere eeuwen. Voor zover ik kan zien geldt dat ook voor hun vier kinderen want hun namen (Béatrice, Marie-Caroline, Yves en Michel) duiken op vele plaatsen in het dorpsleven op.
Samen met enkele neven uit de lijn Van Overbeke hebben de kinderen het beheer over het domein en het kasteel ferm overgenomen zoals ik ook kan zien uit de samenstelling van de familie-onderneming ‘Savenel-Patrimoine’ NV, opgericht in 1992 en gevestigd op het domein en ingeschreven in de sectoren land- en bosbouw. Uit enkele excursieverslagen begrijp ik dat het vooral gaat om duurzame landbouw en de productie van duurzaam gecertifieerd hout en dat het domein is opgenomen in het Europese project Natura 2000 maar heel gedetailleerd is die informatie niet. Het domein vind ik niet vermeld op de Waalse databank met ‘Sites de Grand Intérêt Biologique’ (wel de nabijgelegen zandgroeve La Sablière).
Tot zover de openbare gegevens. Voor het overige houden de eigenaars-familieleden duidelijk aan het beginsel dat het gaat om hun privé-domein dat niet toegankelijk is voor het publiek en dat hetzelfde geldt voor hun activiteiten en wat hun eventuele plannen voor de toekomst zijn.
Om die reden zal je in deze bijdrage dan ook geen foto’s vinden van de binnenzijde van het domein, behalve enkele oude foto’s die vrij over het internet circuleren. Wat dat betreft reken ik nog eens op een mogelijkheid om ook die binnenzijde eens te kunnen bewonderen en in beeld brengen om dit verhaal te vervolledigen.
De buitenstaander troost zich met de gedachte dat het domein kennelijk in goede handen is om de eerstvolgende eeuwen aan te kunnen en dat zelfs als je nooit de binnenzijde van de muur zult zien, je tenminste langs de buitenkant een van de mooiste wandelingen in het Meerdaalwoud kan maken.

Maar bij wijze van afsluiter heb ik toch één ongetwijfeld overmoedige aanbeveling: ooit zou die door de Karmelieten op zeer onheuse wijze afgesloten voetweg tussen Leuven en Néthen toch wel weer eens op een of andere manier kunnen worden opengesteld voor wandelaars, als was het maar om een woestijn-vete van 300 jaar oud definitief uit de wereld te helpen. Om dat te doen zijn er heel wat poorten beschikbaar heb ik gezien. En misschien is het ook het overwegen waard om af en toe eens open deur dagen te organiseren om mensen van het dorp en de streek te laten zien hoe mooi dit patrimonium is en hoe goed er voor gezorgd wordt door de mensen van nu.

+++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++
Voornaamste bronnen
Robert Van den Haute – Néthen – Le „Saint Désert » de Savenel – Histoire du domaine des origines à nos jours – Wavrensia, Cercle Historique et Archéogogique de Wavre et de la Région, 1985, Revue Trimestielle, Tome XXXIV No 1-2-3
Miradal – Erfgoed in Heverleebos en Meerdaalwoud – Hans Baeté, Marc De Bie, Martin Hermy, Paul Van den Brempt – Davidsfonds/Leuven /2009/0240/43 ; ISBN 978-90-5826-624-8
http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_thema/index.php/dossier/view/BC_PAT/25037-CLT-0001-01
Revue d’histoire religieuse du Brabant wallon – NEPTUNneptun.unamur.be › files › original; https://neptun.unamur.be/files/original/bfc4a95aa8b5713027d0f06eadd961e1752639e7.pdf


Trefwoorden: néthen, savenel, meerdaalwoud, muur, karmelieten, erfgoed, glas, everzwijn, van overbeke, terlinden,

De Paddenpoel zien in het Meerdaalwoud en dan sterven! Zo nostalgisch hoeft het nu ook weer niet maar geef toe dat dit meertje verborgen in het bos boven Sint Joris Weert aan de Kluis wel iets heeft dat je aan het veel bekendere en overdrukke Zoet Water niet meer zal vinden.
In het voorjaar moet je hier zijn voor de weelderigste bloementapijten van het Meerdaalwoud en de bloesem van appels, mispels en kersen en in de herfst voor de massa’s zwammen van allerlei soort en grootte en de vruchten van de fruitbomen.
Op de paadjes op de hellingen rond de paddenpoel is het in de herfst wondermooi want de bladeren aan de bomen en op de grond kleuren goudgeel en het mos en de paddenstoelen zijn op hun mooist.

Vooral op week- en werkdagen buiten de vakantieperioden geniet je van de stilte als de jongens en meisjes van de scouts op school zitten of ’s morgens heel vroeg als ze nog slapen en er ook nog niet veel wielertoeristen of joggers zijn.
Aan het water kom je altijd een kleine menigte wilde mannetjes eenden tegen die hier hun vaste stek hebben maar als je op het bankje gaat zitten om te genieten van het water zwemmen ze snel weg. Een enkele reiger verschuilt zich onopvallend in het riet.
Wat thans oneerbiedig de Paddenpoel wordt genoemd was nog in de 18de eeuw een sliert van kunstig aangelegde hertogelijke vijvers, uitgegraven voor de visvangst en om de herten van water te voorzien.
De vijvers waren van elkaar gescheiden met dammetjes waarop notelaars stonden waarvan de geschiedenis zou kunnen teruggaan tot in de Romeinse tijd.

Twee van die vijvers zijn er nog en de plaats van de anderen kun je nog wel zien als je goed kijkt.
In de tijd van de hertogen was De Kluis een boswachterswoning met de naam ‘la Retraite’. Over de boswachtersbron – nu de Kluisbron – ga ik het nog hebben.
De Paddenpoel in het Meerdaalwoud is een kleine zijbeek van het riviertje ‘la Nethen’ en behoort dus tot het stroomgebied van de Dijle. Hij begint zowat ter hoogte van de kruising Weertse Dreef-Nethensebaan. In feite gaat hij nog enkele honderden meters verder evenwijdig aan de Weertse Dreef tot aan de Grezbaan op een hoogte waar naast het boshuis op een hoogte van 90 meter boven de zeespiegel in het verleden een grote vijver werd aangelegd.

De vijverbedding is er nog, maar heel het boventraject ligt thans droog. Je ziet het water voor het eerst aan een bron iets ten zuidwesten van de kruising Jamaicadreef-Plataandreef-Denteneerspad in de omheining van het ‘Everzwijnbad’ (vlak ten noorden van die bron kruist de beek ook de oude Romeinse weg, de ‘Tiense Groef’!) op een hoogte van ongeveer 50 meter. Van daar stroomt hij enkele honderden meters naar beneden en loopt zo’n tien meter lager via een stuwtje in de Paddenpoelvijver ter hoogte van de Kluis. Daarna steekt hij schuin de Herculesdreef over naar de tweede vijver en gaat dan verder richting Hertebron. De Herculesdreef is de meest prestigieuze hertogelijke dreef in het woud en dat verhaal vertel ik ergens anders. Aan de voormalige camping La Hetraie mondt hij uit in de Molenbeek – ofwel ‘Le Ruisseau de La Néthen’. Vandaar stroomt het water via de Weertse watermolen Vanden Bempt naar de Dijle ten noorden van Sint Agatha Rode. Onderweg zie je overal bronnen maar alleen de Kluisbron en de Hertebron zijn ingebuisd en opgemetseld.

Aan het hierboven genoemde stuwtje heeft de dienst Aard en Omgevingswetenschappen van de Katholieke Universiteit Leuven een installatie (in een houten omhulsel) geplaatst om permanent het transport van silicium door het stromende water te kunnen meten. Silicium is een bodem-mineraal dat van groot belang is voor een evenwichtige plantengroei die nodig is voor de micro-organismen in een door de natuur uitgebalanceerd voedselsysteem. In Vlaanderen is dat systeem ernstig verstoord door de overmatige menselijke input van de nutriënten N (stikstof) en P (fosfaat) via bemesting en de lozing van huishoudelijk en industrieel afvalwater. Dit leidt tot zuurstoftekorten en algenbloei in het oppervlaktewater. Daardoor raakt de siliciumbalans ook uit evenwicht maar bovendien vermoeden de wetenschappers dat de omzetting van bos- en ander natuurgebied in akkerland op zichzelf al nadelige gevolgen heeft voor het silicium, bijvoorbeeld omdat het mineraal door omwoeling en aantasting door stikstof en fosfaat veel te snel wordt afgevoerd.

In een inmiddels al wat oudere studie lezen we dat het Paddenpoeldal nog een van de weinige plaatsen is in onze streken waar gemeten kan worden hoe het mineraal zich gedraagt in een oorspronkelijke onverstoorde bosomgeving waar de wateraanvoer vanuit de bron enkele honderden meters verder ook niet verstoord is door lozingen (Verslag: LUsi – Meerdaalwoud site 2007-2009, contact: Wim.clymans@ees.kuleuven.be). Om er alles van te begrijpen moet je waarschijnlijk schei- en natuurkunde gestudeerd hebben dus als ik het niet goed uitleg moet je het maar zeggen.
Maar ik onthoud dat op deze plek het water het helderste en zuiverste is in heel Vlaanderen De organismen-balans aan dit hutje is dus erg belangrijk en niet voor niets het referentiepunt waaraan alle grond- en beekwater zich in Vlaanderen gespiegeld moet worden om ons ecosysteem weer op orde te brengen. In elk geval staan er hele mooie dubbel-loof varens aan dat stuwtje en dat is op zich een erg goed teken.

Door al dat water is het op het laatste stuk niet heel duidelijk wat de hoofdbeek is, het ziet er uit als een zeer drassige valleibodem, een samenspel van bronnen en een heel bijzondere begroeiing. In het voorjaar kun je hier zowat alle soorten voorjaarsbloeiers bewonderen en voor everzwijnen, reeën en op avontuur beluste scouts is het een paradijs (hoewel die jonge gasten daar eigenlijk niet zouden mogen komen).
De camping staat op het punt om helemaal gesloten te worden en ziet er in afwachting nogal miserabel uit hoewel de grootste rotzooi wel opgeruimd is. Hoe oud die camping precies is en of hij ooit met de nodige vergunningen is opgezet en uitgebaat weet ik niet maar sinds de invoering van de gewestplannen is hij in afgebakend natuurgebied komen te liggen en bestemd om terug bij het bos te worden ingelijfd. Problemen met onwettig permanent verblijvende elkaar opvolgende bewoners veroorzaken hier al decennia lang bijna onoverkomelijke problemen maar sinds de châlets regelmatig in brand gestoken worden (door vandalen en/of door de ex-bewoners om er van af te geraken) komt er schot in. Je bevindt je hier op de taalgrens waarbij de camping zelf op het grondgebied van Oud-Heverlee ligt maar de beek aan de Rue Weert St.Georges ligt in Waals-Brabant en daar komen ook bijna alle châlethouders vandaan.

De Paddenpoel heeft alles te maken met de vorming van de hellingen zo’n 50 miljoen jaar geleden, wanneer tijdens het Eoceen de zee hier lagen grof zand afzet (het zogenaamde zand van Kraaiberg, Brussels Zand). In het boek Miradal lezen we (p.17 en 26), dat dit zand erg veel water kan bevatten (tot 30%) en tegelijkertijd erg gemakkelijk water doorlaat. Onder al dat zand liggen nog oudere kleibanken (de klei van Ieper, 55 miljoen jaar geleden). Die klei laat géén water door. Waar dus het zand op lagere plekken aan die kleibanken raakt, komt het water aan de oppervlakte en vormt een bron. In het dal van de Paddenpoel zie je dat goed. Aan de westkant zijn de hellingen kort en steil wat betekent dat hier vroeger veel bronnen waren die snel (in geologische betekenis!) zijn ingeslepen in de klei rug richting Sint Joris Weert die evenwijdig loopt met het dal.

De oudste daarvan zijn tijdens de ijstijden opgevuld met leem (geplombeerd). Aangezien het water altijd een nieuwe uitweg moet vinden, zijn er daarna nieuwe bronnen ontstaan waarvan de Kluisbron en de Hertebron opgemetseld zijn om voor mensen drinkbaar water te leveren. Die zijn nog te jong om veel invloed op het landschap te hebben. Bij de Hertebron zie je twee ‘bronamfitheaters’ (steile kommen in de helling) die nog niet groot zijn maar wel erg mooi.
Veel belang heeft het niet maar als je de kaart erbij neemt zal je zien dat de stroomrichting van de Paddenpoel volledig tegengesteld is aan de Dijle. Dat komt blijkbaar omdat de laatste veel ouder is dan de Nethen en de hoger liggende Paddenpoel zich vormde terwijl het zand in de tussenliggende Nethenvallei door het water moest worden weggeslepen (erosie). Dus zelfs water neemt blijkbaar niet altijd de kortste weg naar beneden. Ik geef toe dat je wel een geoloog bij je moet hebben om dat helemaal te kunnen volgen. Op de bijgevoegde kaart kun je beide waterlopen zien en ook die van de Molenbeek.

De legende van een kaart van 1598, gemaakt in opdracht van de Hertog Van Croy beschrijft de omgeving van de Paddenpoel (zie het boek ‘Miradal’). Een cijnsboek uit die tijd vermeldt de ligging, de eigenaars en de te betalen belasting over acht bosjes van 1 hectare of minder, waaronder ‘Weerde aenden Noteleren Dam’. Die dam met notelaars is een dijk die door afdamming van een waterloop een vijver (‘wauwere’) vormt aan de westgrens van het Meerdaalwoud vlakbij het huidige scoutsdomein De Kluis. Op een kaart uit 1769 is in op deze plaats zelfs een hele sliert (tien) vijvers te zien, tot aan de Hertebron. Ze verdwenen in de loop van de 19de eeuw maar als je er op gaat letten, kun je nog wel zien waar ze waren. De laatste kaart waar ik ze nog zie is de Ferrariskaart van 1777 en daar tel ik er nog acht, op latere kaarten zijn ze allemaal verdwenen. Sinds 1978 hebben de bosbeheerders er twee hersteld. Resten van bemost beton en roestig ijzer vertellen je dat er hier vroeger een ingenieus systeem geweest moet zijn om het water van de ene naar de andere poel te doen stromen. Maar iedere eigenaar van zo’n systeem zal je ook kunnen vertellen dat er geweldig veel onderhoud nodig is om het in stand te houden want de natuur is sterk en verwoestend.

Sinds een tweetal jaren is de overloop van de tweede vijver blijkbaar lek geraakt en sindsdien is de waterspiegel veel te laag om goed te zijn. Ook in de eerste vijver is de waterstand te laag en er is een beuk van formaat ingevallen die wel fotogeniek is maar ook een flink stuk van de ruimte inneemt. Op een van de vijvers hebben er nog niet heel lang geleden bootjes gevaren want de steiger is er nog en met een fototoestel waag ik me soms tussen de inzakkende planken, bang om plotseling ergens door te zakken en dus nat te worden.
Of er in de tijd van Ferraris nog notelaars op de dam stonden weten we niet, maar in de 16de eeuw dus wel en sinds niet meer.

Het boek Miradal schrijft over deze boomsoort (p.114): “De notelaars zijn door de Romeinen ingevoerd en werden ook door Karel de Grote warm aanbevolen in zijn rijk”. Ik heb nog niet uitgevonden of de Romeinen ooit aan de Paddenpoel gewoond hebben. Hun ijzerzandsteengroeves lagen iets verderop maar hun weg de Tiense Groef liep wel dwars door het dal. Voor zover ik weet zijn er in de hellingen het Paddenpoeldal wel vondsten gedaan uit het stenen tijdperk maar niet uit de Romeinse tijd.
Het aanplanten van de okkernoot (of walnoot = Walsche of Gallische noot) op dijken – deze boom houdt van vruchtbare maar droge ‘openlochtige’ (lichte) plaatsen – is in onze streken gedocumenteerd vanaf de 16de eeuw. Vissers gebruiken de gekneusde takken, bladeren en vruchten van walnotenbomen om vissen te verdoven. Maar waarschijnlijk stonden ze er toch vooral voor het hout en de voedzame noten. Het hout is gegeerd als meubelhout (zowel stam als wortelhout). In de middeleeuwen werden er ‘laden’ van kruisbogen mee gemaakt. Om het verleden een beetje in ere te houden en vorm te geven is het uiteraard een goed idee om op de dijk van de paddenpoel opnieuw notelaars aan te planten, ook al omwille van de schoonheid van deze bomen.

Rechts van het Denteneerspad (stroomopwaarts) passeer je nog een grote uitgraving. Het ziet er uit als een soort bult in de helling maar zou het restant zijn van een ‘gesloten depressie’ waarvan nadien de dalzijde is ‘doorgebroken’ door erosie. Je komt ook nog een jonge aanplant van Lindes tegen, kennelijk het begin van een nieuw bosaanplant-tijdperk. De linde is een bosboom die in onze bossen 10.000 jaar geleden ruimschoots voorkwam maar door de mens systematisch is verdreven (eerst door gebruik en later door verwaarlozing).
Jammer genoeg hebben dit soort relicten maar ook de andere hellingen wel wat erosie- last van de altijd maar toenemende sportieve recreatie van wielertoeristen en joggers en ik heb gezien dat de boswachters aan de Paddenpoel een bordje geplaatst hebben om er op te wijzen dat je op de paden moet blijven en het niet de bedoeling is om overal rond en tegenop te crossen.

Ik haal er opnieuw het boek Miradal bij (p.115/116): “typisch voor het Warandedal en het Paddenpoeldal zijn de wilde appels en hun hybriden met gekweekte varianten. Elders in het woud komen deze niet voor. Wellicht hebben deze appels eeuwenlang geprofiteerd van de voedselrijke valleibodem. Het viel de befaamde kruidkundige Dodoens in 1554 al op ‘dat appels gheerne wassen in goeden vetten grondt’. Al in het verleden waren deze bomen beschermd en mochten niet gekapt worden. Vandaag kwijnen ze een beetje weg wegens gebrek aan licht hoewel ze al hier en daar worden vrijgesteld. Vroeger groeiden ze waarschijnlijk tussen het hakhout. in een eigentijds bos van opgaand hooghout hebben ze het moeilijker. Welke insecten de appelbloesems bestuiven is nog niet gekend. Welke zaden kiembaar zijn is ook nog niet geweten. “
Om ze te vinden moet je er wel naar zoeken maar het goede nieuws is dat ze er nog zijn en heel mooi bloeien in het voorjaar en zelfs appels dragen die klein en erg oneetbaar zijn. Jammer genoeg zijn er nauwelijks zaailingen te zien.

Op een al weer wat oudere kaart van 2006 (gemaakt door Kristine Vandermijnsbrugge) zie je dat ze graag vochtig staan, maar dan ook weer niet al te nat, aangezien ze vooral in de ‘bovenloop’ van de Paddenpoel voorkomen en niet al te dicht langs de beek staan. Hoe zulke bomen ooit op deze bos plek verzeild zijn geraakt is ook nog niet uitgelegd maar waarschijnlijk stammen ze uit de Romeinse tijd. Er staan een paar appelbomen langs het Denteneerspad (een zelfs met een paaltje erbij) maar de dichtstbijzijnde die ik ken aan de Kluis staat op de linkse einde van de noordelijke vijver. Je vindt hem voorbij de picknickbank links van de vijver voorbij een levensgrote boomstronk die de scouts daar blijkbaar lang geleden eens op een verhoog hebben gezet. Het is best een grote boom maar als hij niet bloeit of appels draagt zal je hem moeilijk vinden tussen al die bosbomen. Maar zowat de hele winter liggen er appels onder. Mocht je er ooit in slagen om een van die vruchten te doen ontkiemen, laat het dan graag eens weten.
Op de westelijke helling van het dal staan ook nog enkele wilde mispelbomen verborgen maar omdat die niet naast een pad staan zal je er echt naar moeten zoeken.

Of de hertogen die vroeger heel het woud in hun exclusief beheer hadden de vruchten van hun fruitbomen wisten te appreciëren weten we niet maar zeker is dat in hun tijd tot de meest beschermde bomen van het woud hoorden en dat wie zijn of haar tanden in de vruchten zou willen zetten of het hout voor de kachel sprokkelen, zwaardere straffen riskeerde dan met het omhakken van een volwassen eikenboom. Waar die fruitbomen vandaan komen weet blijkbaar eigenlijk niemand blijkbaar erg zeker. Het kan zijn dat de Romeinen ze voor het eerst hebben aangeplant of dat ze gewoon bij dit soort bos horen vanaf het vroegste verleden. In het Meerdaalwoud – en alléén daar in heel Brabant – kan je ze vinden op plekken waar het nat is en de bodem lekker voedselrijk. Vroeger, dat wil zeggen in de tijd van het hakhoutbeheer, deden ze het beter dan nu omdat al dat hoge loofhout hen van het licht berooft maar ze zijn taai en overleven toch wel.

Op sommige plekken letten de boswachters er ook wel op en worden ze ook wel wat opengehouden hoewel ik niet zeker ben of dat onderhoud in het huidige bosbeheer nog gedaan wordt.
Ondertussen staan er in het woud ook nog veel wilde kerselaars maar aan de kersen kan je nooit tenzij je kan vliegen.
Over de kluis en de scouts ga ik niets vertellen want dat kunnen ze zelf beter dan ik. Hun nieuw gebouwde ‘vierkantshoeve’ is de opvolger van het hertogelijk boswachtershuis met de naam ‘la Retraite’ maar hoe dat er uit gezien heeft weet ik niet.
Tussen het gebouw en de Paddenpoel komt de Kluisbron uit de helling. Die lag er vele jaren verwaarloosd bij maar nu is hij weer mooi opgemetseld en proper gemaakt.

Dat heeft alles te maken met de legende over de NIMF VAN DE KLUISBRON IN HET MEERDAALWOUD en die gaat als volgt:
Ik wist het niet maar dit is wat enkele oude mensen mij dan toch wisten te vertellen. Vele jaren geleden, lang voordat er ooit al iemand gehoord had van de Hertog van Arenberg, leefden er op deze plek een man en een vrouw. Ze hadden een leuk huisje gebouwd aan de bron en het bijbehorende poeltje en bereidden zich met zoveel bos en zuiver water voor op een vreugdevol kluizenaarsleventje met veel nakomelingen.
Maar zoals dat dikwijls gaat bij dit soort zaken waarin de mensen niet alles te zeggen hebben, er kwamen geen kindertjes van hun samenzijn en in die tijd ontbraken de technieken om de natuur op een andere manier te laten werken.

De man was daarover zo nors geworden dat hij was gaan drinken en in zijn dronkenschap de meest vreselijke vloeken uitstootte tegen zijn vrouw. Het arme mens die het toch niet kon helpen, liet dit jarenlang geduldig over zich heen gaan. Maar op een dag werd het haar te veel, na weer een heftige vloekbui rende ze het huis uit en stortte zich in de bron (of in de poel, er waren geen getuigen dus we weten het niet zeker).
De god van het bos had medelijden met haar. Hij veranderde haar in een nimf en van hem mocht ze in de bron en in het poeltje blijven wonen. Maar hij deed nog iets méér. Hij maakte dat iedere keer als er in de buurt van de bron een vloek werd geuit, de nimf uit het water kon oprijzen en haar ogen vol tranen recht kon richten op degene die daar aan het vloeken was. Die veranderde dan prompt in een pad die vervolgens in de bron of de poel sprong en daar zijn paddenleven maar moest lijden. De eerste die dit overkwam was haar echtgenoot want toen hij zijn vrouw niet meer vond stond hij aan de bron te vloeken dat het een aard had.

Naarmate dit verhaal bekend raakte – de hertog van Arenberg wist ervan toen hij in 1934 (?) het huis aan de scouts overliet en zorgde dat zijn boswachters op plek nooit vloekten – gebeurde het minder want de mensen werden voorzichtig en waagden het niet om bij de bron te vloeken. Gewone wandelaars die daar voor hun plezier langskomen zijn altijd goed gemutst dus die lopen geen gevaar. De meesten kennen dit verhaal zelfs niet.
Toen de scouts het beheer van de bron overnamen hebben ze deze lang gebruikt om er van te drinken en zich aan te wassen. Het poeltje gebruikten ze om in te zwemmen. Dat ging een tijd goed want het was een vrolijke bedoening maar nadat met de moderne tijd het stadswater zelfs tot hier raakte, werd de bron niet echt meer gebruikt en het poeltje veranderde in een modderpoel waar je gemakkelijk in kon wegzakken als je een paar glaasjes teveel ophad.

Op een dag had de plaatselijke baas van het centrum er genoeg van, de bron kon hij niet afsluiten maar de poel gooide hij vol met het puin van zijn oude huis. Dat mocht je in die tijd al volstrekt niet meer doen op die manier, zonder vergunning storten in de natuur maar vooruit, de baas mag altijd wat méér en bovendien raakten ze zo op een goedkope manier van die modder af.
Het kan echter wel zijn dat de nimf niet zo tevreden was met deze gang van zaken want hoewel er nadien geen melding gemaakt is van onverklaarbare verdwijningen, raakte deze plek helemaal in onbruik en bleven de scouts er zo ver mogelijk vandaan, misschien zelfs wel bij instinct want bij goede scouts die veel in de natuur zitten is dat beter ontwikkeld dan bij gewone mensen. Bovendien begon op de plaats van de poel een zeer akelige plant te groeien en te woekeren dat het een aard had en dat was al reden genoeg om een beetje bang te worden.
Het is natuurlijk ook waar dat klassieke scouts enthousiaste jongelingen zijn en een onvertogen woord komt er nogal gemakkelijk uit.

Je weet maar nooit wat je te wachten staat als je de bron staat schoon te maken en op te ruimen en je bij vergissing een krachtterm laat vallen, al was het maar omdat er een glibberige pad over je handen springt. Het minste wat je wil is op facebook te eindigen als een pad. Vandaar dat de bron lange tijd niet zo mooi schoongemaakt en opgeruimd werd als de andere bronnen …en raakte daardoor helemaal in verval.
Lange tijd leek het alsof in deze toestand nooit meer verandering zou komen maar dat was gerekend buiten de nieuwe opvattingen over bronnen, de natuur en over nimfen bij de scouts van tegenwoordig.
Na kennelijk zeer geheime stille onderhandelingen met de nimf (in het boswachtershuis in Vaalbeek?) is besloten om de bron weer helemaal mooi te restaureren en te onderhouden als een bezienswaardigheid uit het verre en nobele verleden. Dat is inmiddels gebeurd en met enig vertoon aan het publiek getoond. Het puin in het poeltje moet nog altijd eens opgeruimd worden maar de akelige plant is helemaal verwijderd en het veldje veranderd in een rust- en picknic-weide. Er staat nu zelfs een heel grote tafel op waar je met heel wat vrolijke vrienden kunt samen zitten.

Op die manier wordt er dus verder goed gezorgd voor het huis van de nimf en mogen we verwachten dat zij uit tevredenheid daarover enige soepelheid aan de dag legt op het vlak van de soms vage grens tussen grappen, sterke verhalen en ferm gevloek. En natuurlijk is het ook zo dat je af en toe eens wat inschikkelijk moet zijn, want bij echte mannen is een vloekje niet altijd een teken van kwaadheid maar meer een manier van aandacht vragen of zoiets of proberen om indruk te maken op een menselijk nimfje. En dat moet ook kunnen vind ik.
Na dit lange verhaal zak je uiteraard af naar de Hertebron aan de monding van de Paddenpoel. Ik vermoed dat die is opgemetseld in de tijd van de camping – maar zeker weet ik dat niet – en als je op zoek bent naar lekker drinkwater zonder in de file te staan aan het Zoet Water – dan moet je hier zijn. Maar laat alsjeblieft je auto buiten het bos staan.

Omdat bronnen altijd een verhaal hebben ben ik gaan zoeken naar de oorsprong ervan en hoe hij aan zijn naam gekomen is.
Ik heb een aantal verhalen gevonden maar hier volgt de juiste toedracht: zoals iedereen weet werd Sint Joris te hulp geroepen toen er in het Meerdaalwoud een draak was neergestreken en in het iets verderop gelegen bosperceel Moddergat de mooie en jonge koningsdochter gevangen hield. Na hevige strijd hakte onze heilige de draak zijn kop af en toen dat gedaan was gingen de koningsdochter en hij een slokje drinken van de Minnebron aan het Zoet Water. Dat hadden ze natuurlijk niet moeten doen want na dat slokje werden ze tot over hun oren verliefd op elkaar. Dat werd een drama want een koningsdochter is een koningsdochter en Sint Joris kon zich als heilige al helemaal geen relatie permitteren. Dus dat werd huilen met tranen en tuiten en na een laatste kusje gingen ze beiden hun eigen weg. Maar op de plaats waar de tranen vielen sprong de grond open en sindsdien is het water blijven lopen. Sindsdien heet het op die plaats Hertebron en het dorp heet Sint Joris Weert. De moraal van dit verhaal: ga naar de Minnebron om je zoete geliefde te vinden en ga naar de Hertebron om je gebroken hart te bewenen.

Tot besluit: dit is altijd een boeiend vertrekpunt voor een stevige wandeling in het woud die je kan brengen tot aan de Romeinse grafheuvels en de Tiense Groef, tot aan Boshuis Het Spoor, het Herculessalon of zelfs tot aan die mysterieuze plek met de naam Springputten. Je kan vertrekken van de grote bosonthaalzone aan de Speelberg of aan de Kluis. Ik heb zelf een grote voorkeur voor de parking aan de weg tussen Nethen en Sint Joris Weert ter hoogte van de voormalige camping La Hetraie en dan ben je ook heel dicht bij de Hertebron als je water zou willen hebben. Je kan daar zelfs met de bus komen en het is ook niet ver van het treinstation van Sint Joris Weert.

Bronnen en links:
Miradal, Erfgoed in Heverleebos en Meerdaalwoud, Davidsfonds/Leuven, 2009, ISBN : 978-90-5826-624-8 (nog verkrijgbaar bij Vrienden van Heverleebos en Meerdaalwoud)
Trefwoorden: meerdaalwoud, paddenpoel, silicium, kluisbron, hertebron, erfgoed, geschiedenis, waterzuivering, hetraie, appel, mispel,

De Wijngaardberg in Wezemaal (Rotselaar). Het minste wat je van deze ijzerzandstenen heuvel kan zeggen is dat het een heel merkwaardig erg mooi landschap is. Op de wijngaarden is vooral in de zomer iets te zien maar terrassen zijn er wel en aan de voet en er bovenop bloeien de fruitbomen in de lente en groeien de rest van het seizoen massa’s appels en peren. Wie gaat die allemaal opeten?
Dankzij Ludo Segers en Rüdiger van Nuffel van Natuurpunt Rotselaar ben ik er vorig jaar toch al wat meer over te weten gekomen en met de foto’s die ik sindsdien heb gemaakt kan ik je er dus al een en ander over vertellen.
Neem de wandelkaart er maar even bij (zie de foto in het album of maak gebruik van de knooppuntenkaart van het Wandelnetwerk Hagelandse Heuvels) en dan zie je dat het beste vertrekpunt gelegen is aan de kapel OLV van Bijstand met een mooie zomerlinde op de kruising van de Beninksstraat met de Kapellekensweg.
De berg ligt dan hoog boven je aan de linkerkant en nadat je enkele honderden meters een comfortabel wandelpad volgt – met zicht op enkele hoogstamboomgaarden – moet je bij een toegangshek van Natuurpunt plotseling steil de hoogte in en dan is het een tijdje klimmen langs soms rustiek aangelegde trappetjes tot je het hoogste punt van maar liefst 72 meter boven zeespiegel hebt bereikt.

Onderweg kom je heel wat infoborden tegen met uitleg over de aard van de berg, over het ‘natuurherstel’, het beheer en met de vraag om je hond aan de lijn te houden en sommige wandelaars volgen die laatste instructie zelfs op (maar velen ook niet heb ik gemerkt en er is duidelijk overlast van joggers en wielertoeristen die de terrassen als crossterrein gebruiken). Hier en daar kom je ook zitbankjes en zelfs een picknicktafel-met-uitzicht tegen.
Zeker is dat je behalve de terrassen ook duidelijke sporen gaat zien van steengroeven en muurtjes die met bruine ijzerzandsteen zijn gebouwd totdat je bovenaan de helling op een heuse muur stuit, althans wat ooit een muur geweest moet zijn want het ziet er wel wat gehavend uit zoals het er tegenwoordig bijstaat. Maar er is ook het door Marc Elsen mooi gerestaureerde deel en dat is zeker een aparte bijdrage waard.
De Wijngaardberg is met zijn hoogte van 72 meter samen met heuvels zoals de Kesselberg en de Beninksberg een van de laatste ‘getuigenheuvels’ van het Hageland. Hij is een overblijfsel van de tijd van de ‘Diestiaanzee’ die het noorden van ons land tussen de 70 en de 3 miljoen jaar regelmatig onder water zette maar zich dan ook weer terugtrok en met de stijging van de Alpen definitief ons land verliet.

Uit het erfgoeddossier (zie de bijgevoegde link) begrijp ik dat de geleerden het nog niet helemaal eens zijn over het ontstaan van deze heuvels. Volgens de klassieke theorie werden met het komen en gaan van de zee afwisselend met de getijdestromingen klei of ijzerhoudend bruin-groen grof zand afgezet waardoor er met de kustlijn evenwijdige droogvallende zandbanken ontstonden waartussen in later tijden alle zachte lagen weggesleten zijn maar het verweerde en aan elkaar roestend zand als ijzerzandsteen is achtergebleven.
Sinds recent heeft men echter ontdekt dat de banken niet parallel op de historische kustlijn zouden zijn ontstaan maar er integendeel dwars op staan. Blijkbaar trok zo’n 8 miljoen jaar geleden de zee zich niet terug over de ZW-NO kustlijn zoals de huidige Noordzee maar op de N-NO lijn (dus in de richting van het huidige Nederland) in de richting van een diepe scheur in de aardkorst waarin zich de bedding van de oer-Rijn vormde waarnaar al het water uit onze streken afwaterde. Met die kennis gaat men er van uit dat het ijzerhoudend zand is aangevoerd via die diepe beddingen en daar is blijven liggen.

Naarmate de zee zich terugtrok door de stijging van de Ardennen voltrok zich het ijzerzandsteen-verweringsproces en terwijl de zachte oevers weg-erodeerden, ontwikkelden de vroegere beddingen zich tot heuvels. Tijdens de laatste ijstijd werden de heuvels dan nog bedekt met een laagje door de wind aangevoerde lichte zandleem en om die reden wordt op de bodemkaart vrijwel het hele gebied getypeerd als een zandleembodem. Dit is wat ik er als niet geoloog en leek van heb kunnen maken dus ik ben dankbaar voor ieder verhelderend commentaar.
Hierna vertel ik meer over de menselijke activiteiten sedertdien, onder meer over de wijnbouw en de steengroeves.
Sinds de 12de eeuw worden in het Hageland druiven geteeld, meestal in wijngaarden van abdijen om miswijn te maken. Vrijwel zeker gebeurde dat niet op de huidige Wijngaardberg en zeker niet meer na de 16de eeuw want in die tijd was heel de berg bebost. Op de Ferrariskaart van 1777 komt de naam nog niet voor. Pas in 1813 krijgt J.F.Audoor uit Oudenaarde van de hertog d’Ursel toestemming om een wijngaard van 32 ha aan te leggen op de zuidhelling van de berg en worden er over een lengte van 1,5 kilometer 2000 wijnstokken aangeplant, afkomstig uit de Champagne, Beaune en Bourgogne. Sindsdien krijgt de berg zijn huidige naam.

Of de wijn erg goed was weet ik niet want het was een van de noordelijkste teeltplaatsen maar de betekenis van de aanleg was vooral politiek omdat Koning Willem I aan Frankrijk wilde tonen dat het jonge Koninkrijk der Verenigde Nederlanden zelfstandig kon zijn, zelfs op dit gebied. Om die reden werd de wijnproduktie voor 30 jaar vrijgesteld van belastingen.
Zo lang heeft het echter niet geduurd want nadat Audoor in 1835 overlijdt stopt de activiteit en na 1847 wordt er nergens meer melding van gemaakt. De wijnstokken worden verkocht aan de abdij van Westmalle.
Met de wijngaard wordt ook de wijnmuur gebouwd, mogelijk in fasen want hij komt pas voor de eerste keer voor op de Atlas der Buurtwegen in 1845 (volgens het erfgoeddossier want ik zie hem pas duidelijk op de NGI-kaart van 1873). De oorspronkelijke muur was bijna 2 meter hoog en 1,7 meter breed met een grote stabiliteit door de kunstige manier waarop de losse stenen bij de opstapeling in elkaar zijn gepast. In Vlaanderen is deze bouwwijze zeer zeldzaam en om die reden is de muur sinds 1985 ook als monument beschermd.
Desondanks slaat het verval toe omdat stenen worden meegenomen, maar ook omdat mensen-van-nu zich amuseren om er in de volle lengte overheen te lopen en de stenen opzij te duwen (zelf gezien!). In het verleden zijn er ook veel stenen verkocht en afgevoerd om op een andere plek (dikwijls privé-tuinen) te worden gebruikt.

Die van Natuurpunt hebben van ‘hun’ deel van de muur toch al de begroeiing afgehaald en hier en daar wat stenen teruggezet. Maar op ik laat vooral foto’s zien van het muur dat door Marc Elsen gerestaureerd is.
Na het sluiten van de wijngaard op de Wijngaardberg in Wezemaal werd de helling bebost met dennenbomen. Of er toen al terrassen waren is blijkbaar niet duidelijk. Waarschijnlijk zijn die pas aangelegd na de eerste wereldoorlog toen de dennen gerooid werden om plaats te maken voor perziken- en pruimenbomen. De arme en stenige zonbeschenen grond zorgde voor een goede opbrengst en Wezemaalse telers zoals Victor Verlinden kregen in de jaren 1950-70 prijzen voor hun beroepskennis en de kwaliteit van het fruit. Net zoals op de andere heuvels van ijzerzandsteen werden de ‘nutteloze bossen’ gerooid en omgezet in hoogstamboomgaarden.
Nog in 1958 was de teelt van perziken in Wezemaal de belangrijkste bron van welstand maar toch was op dat ogenblik het hoogtepunt alweer voorbij vanwege het toenemen van de internationale concurrentie, lees de invoer van Italiaanse perziken.

Alleen op het plateau bleef de fruitteelt bewaard, zij het dat – met Europese subsidie – alle (ondertussen verwaarloosde) hoogstammen moesten plaats maken voor laagstammen en de perziken werden vervangen door (vooral) appelen en peren. In feite is dat hele plateau één grote laagstam-boomgaard.
De noordhelling van de berg met zijn steile droogdalen en holle wegen is al die tijd onontgonnen en met bos bedekt gebleven. De zuidhelling is blijkbaar lang onbeheerd gebleven. Beide hellingen zijn gered van verkaveling omdat sinds 1989 Natuurpunt het beheer ervan in handen heeft gekregen en er in geslaagd is om de berg te laten erkennen als natuurreservaat. Daarover hierna nog iets meer.
Ondertussen is de wijnbouw wel weer teruggekomen, dit keer op vrijwillige basis om het toerisme te bevorderen. Sinds 1996 bestaat er een VZW ‘de Steenen Muur’, opgericht om de aanleg van wijngaarden op de Wijngaardberg ter hand te nemen. Sinds april 1999 werden 6 soorten druiven geplant voor de witte wijn (Chardonnay, Bacchus, Sirius, Pinot Gris en Pinot Noir) en 1 soort voor rode wijn (Dornfelder). De Sirius vind je terug in een historische wijngaard waar de druiven geteeld worden zoals in de middeleeuwen: geplant aan palen om plant per plant te onderhouden.

Naast de wijn, het fruit en het natuurbeheer op de Wijngaardberg in Wezemaal (Rotselaar) besteed ik graag aandacht over de winning van het materiaal waaruit de berg bestaat: het ijzerzandsteen. In het erfgoeddossier lees ik dat al sinds de 11de eeuw de roestbruine steen gebruikt wordt voor plaatselijke kerken en andere monumentale gebouwen. De oudste vermelding van een Wezemaalse steengroeve dateert uit 1441 en daarin is sprake van een ‘put’ waaruit de Heer de steen liet trekken (de latere ‘Duivelsput’). Die naam vind ik op de oude kaarten niet terug maar in het bos staat een houten bank bij een reusachtige put waar op de bodem kennelijk nogal eens vuur gestookt wordt dus misschien is de hel daar wel.
In 1484 wordt er vanuit een echte steengroeve materiaal geleverd werd voor de kerk, uit dezelfde groeve wordt in 1613 de steen geleverd voor de nieuwe gewelfribben van het zuidelijk transept en nog in 1829 wordt steen geleverd voor de pastorie. Vanaf het midden van de 16de eeuw komt de berg met alle steengroeves in handen van het geslacht D’Ursel en de steengroeve waar het over gaat is die aan top van de zuidflank van de Wijngaardberg.
Die staat plaatselijk bekend als de ‘kleine groeve’ en nu ben ik ook al eens gaan kijken bij de ‘grote groeve’ achter de westelijke kop van de berg op de plek van het Heilig-Hartbeeld. Het is een indrukwekkend rots-schouwspel. Op een infobord staat te lezen welke technieken men vroeger gebruikte om het ijzerzandsteen te winnen. Deze groeve is nog eens heropend in 1961 om stenen te leveren voor de restauratie van de plaatselijke Martinus-kerk.

Tijdens de ontginning waren de wanden vlak gehouwen maar door de erosie zijn ze nu erg verweerd en geribbeld. De wegen naar en van deze groeven zijn door het af- en aanrijden van wagens voor het transport van het ontgonnen materiaal hol geworden en op veel plaatsen kan je nog zien of vermoeden dat er ook in de zijkanten lokaal ijzerzandsteen gewonnen werd. In feite is het zo dat als hoe meer je rondwandelt op de ferm beboste noordhelling, hoe meer sporen je begint te zien van menselijke hak- en graafarbeid. Met al die putten is het landschap best te beschrijven als ‘pokdalig’.
Jammer genoeg is er ook flink wat erosie en met eigen ogen zie ik dat die vooral veroorzaakt wordt door sportieve wielertoeristen en joggers die de hellingen op en af fietsen en draven zonder zich iets aan te trekken van de schade die ze doen aan dit ijzerzandstenen erfgoed.
Uit nieuwsgierigheid ben ik nog op zoek naar de vraag hoe het materiaal na kapping uit de groeve verwerkt werd tot bruikbaar bouwmateriaal. Blijkbaar was het vrij gemakkelijk om het te hakken in de vorm van de ‘schollen’ waarmee ook de stenen muur is gebouwd. Ik lees dat de muren in sommige oude hoeves in Waals Brabant met zulke schollen zijn gemetseld. Dat is al een hele kunst maar hoe zaag je van die mooie rechthoekige blokken voor een kerkmuur in een tijd dat de elektriciteit en de diamantzaag nog niet zijn uitgevonden?
Op de Wijngaardberg stond op de hoge plaats waar nu het beeld is tot aan de eerste wereldoorlog een staak-windmolen.

Bij Molenechos vind ik dat de Wezemeulen of Molen Elsen een korenmolen was. Molenaar Louis Elsen was nog maar een paar maanden eigenaar van de molen toen de eerste wereldoorlog uitbrak. Het zich terugtrekkende Belgische leger stak de molen in brand om hem voor de Duitsers onbruikbaar te maken en uit weerwraak staken die half Wezemaal in brand. De molenaar pleegde kort daarna zelfmoord. Ik vind dat deze droevige geschiedenis wel zou mogen vermeld zijn bij het nadien geplaatste Christusbeeld.
Als je echt wilt zien hoe de oorspronkelijke muur op de Wijngaardberg in Wezemaal er uitzag en hoe je zo’n kunstwerk bouwt, dan moet je het levenswerk gaan bewonderen van Marc Elsen. Marc stamt af wijngaardier en bouwmeester J.T. Wery uit Hoei, een van de bouwers van de muur, hij en zijn familie wonen en werken al zes generaties in deze streek en hij kent de omgeving door en door.
Hij is de fiere eigenaar van een stuk helling met zo’n honderd meter wijnmuur en hij is al jaren de stenen van ‘zijn’ muur zeer zorgvuldig opnieuw aan het opzetten en nog wel helemaal op zijn eentje zonder hulp of belangstelling van plaatselijke overheden of verenigingen. Gelukkig wordt hij wel aangemoedigd door de Dienst Erfgoed van de Vlaamse overheid.

Als je hem vraagt waarom hij het doet vertelt hij je dat hij graag buiten is en – na enig aandringen – hij ‘iets met stenen heeft’. Dat kan kloppen gezien zijn afstamming maar voor een werk van deze omvang heb je wel wat passionele aanleg nodig denk ik. Waarom hij op zijn eigen helling niet ook een wijngaard aanlegt kom ik eigenlijk niet achter maar misschien gebeurt dat toch nog wel eens.
Nu wordt zijn privé-terrein wat te gemakkelijk gebruikt door sportievelingen en andere bezoekers die een frisse neus komen halen aan de berg en de muur en zich verder van niets iets aantrekken. Marc’s restauratie is echt een wonder en ook al omdat dit soort stapelbouw heel wat technisch kunnen vereist. De grote stenen komen aan de buitenkant en moeten zorgvuldig met kleine steentjes worden gestabiliseerd voordat je er een andere steen boven oplegt.
Voordat Marc stenen kan opstapelen moet hij eerst alles tot aan de grond afbreken en bodem stabiliseren. Hij heeft gemerkt dat onder in de muur om de paar meter een blokachtige steen zit die kennelijk bedoeld is om de grondlijn aan te geven. De hoogte van de muur komt overeen met wat een man kan stapelen zonder een trappetje te gebruiken en aan de binnenkant zie je bij het juiste licht verticale ribbels die extra stevigheid geven aan het geheel.

Het is niet helemaal duidelijk waarom deze lange muur ooit gebouwd is op deze hoge plaats. Het is geen grensafscheiding want de opdrachtgever was de eigenaar van de hele berg. De officiële lezing is dat hij diende hij als beschutting tegen de koude noordelijke winden maar de vraag is of dat echt nodig was omdat in die tijd heel het bovengelegen plateau nog dicht bebost was en bovendien bloeien wijnstruiken in de zomer en dan zijn die winden er niet. Bovendien is de muur systematisch juist iets onder het hoogste punt van de berg gezet
Maar misschien kwam de wind in de lente toch wel over de helling bij nachtvorst wanneer de knoppen nog niet bloeirijp zijn?
Misschien moest hij ook dienen als bescherming tegen dieven of stropers (er waren wachthuisjes) en dieren zoals schapen (en bosdieren) maar dan is het onduidelijk waarom niet heel de wijngaard ommuurd is.
De stenen kwamen vermoedelijk als afval uit de groeven maar kunnen ook vrijgekomen zijn door de aanleg van de terrassen.

Dat laatste is dan weer erg onzeker want de terrassen zijn pas zijn aangelegd in het begin van de twintigste eeuw met de komst van de pruimen- en perzikenteelt en druiven worden niet op terrassen geteeld vertelt Marc mij maar altijd loodrecht op zonbeschenen hellingen zoals aan de Moezel.
In de tijd dat de muur gebouwd werd deden ze zoiets al niet meer om verdedigings- of religieuze redenen maar zeker niet als vrijestijdsbesteding. Ik hou het er op dat de beschreven mogelijke functies in elk geval in het hoofd van de bouwer leefden, arbeid was nog erg goedkoop in die tijd en de stenen waren ruim voorradig. In elk geval hebben we er een indrukwekkend kunstwerk aan overgehouden.
Dankzij Natuurpunt is de Wijngaardberg vandaag de dag een stuk natuurgebied van 70 ha waar je als natuurliefhebber overal ongestoord kan genieten van de natuur als je tenminste bestand bent tegen het lawaai van het in het dal langsrazend verkeer op de autosnelweg (toekomsttip: overkappen).

Zo te zien aan de infoborden op het plateau worden de laagstamboomgaarden op een toekomst-gerichte manier (dus zonder kunstmest, pesticiden en herbiciden) beheerd en uitgebaat en sinds de hellingen als natuurreservaat zijn ingericht krijgt de natuur daar zeker een nieuwe kans. Met Europees geld en onder het motto ‘natuurherstel’ lees ik op het infobord ‘welkom op de Wijngaardberg’ dat het beheer plaatselijk gericht is op de groei van heide waarbij overwoekerende boom- en struiksoorten soorten zoals kastanje, amerikaanse eik en amerikaanse vogelkers worden ingeperkt. In het grootste deel van het gebied gaat het bos ongestoord zijn gang en dode en omgevallen bomen horen er ook thuis. En inderdaad zijn er de laatste tijd heel wat dikke bomen geveld en zo te zien aan opschriften op de achtergebleven boomstronken is dat niet altijd naar de zin van plaatselijke bezoekers.
Van bezoekers gesproken: het reservaat ziet flink af van bezoekers die het niet zo nauw nemen met de kwetsbaarheid van de natuur en die met groot genoegen buiten de paden de terrassen op- en afbollen alsof er niet zoiets zou bestaan als erosie (ik zie ze het doen dus kom niet klagen!).

Afgezien van enige vraagtekens bij het woord ‘herstel’ (dat suggereert in het konkrete geval dat je terug wil naar het historische bos of 19de eeuwse wijnteelt toen er nog geen terrassen waren) denk ik dat je geen andere keuze hebt als je de terrassen voldoende licht wil geven om zeldzame planten of dieren zoals reptielen en hazelwormen de kans te geven om zich te handhaven. Ik hou ook van de begrazingsmethode met schapen hoewel ik denk dat die ook wel wat erosie veroorzaken.
Tegelijkertijd worstel ik met de gedachte dat iedereen het logisch lijkt te vinden dat boven op dat plateau er nauwelijks een echte boom te bespeuren valt. We worden geconfronteerd met stijgende temperaturen en we (mensen en dieren) gaan de schaduw van hoge bomen erg nodig hebben denk ik, nog afgezien van hun functie als vasthouder van water. Zou het geen goed idee zijn om het verlies aan bomen op de terrassen-helling te compenseren met het aanplanten van inheemse loofbomen op sommige plekken waar nu laagstam-fruitbomen staan?

Het plateau is geen natuurreservaat, maar naar ik begrijp wel natuurgebied en bij natuur hoort bos en niet alleen fruit zou ik denken. De bossen op de noordhelling zou ik vooral gewoon laten staan en de bomen aan zichzelf overlaten. Zelfs als er daar uitheemse soorten tussen zitten zullen die na afsterven wel mee zorgen voor de noodzakelijke biodiversiteit en zo te horen aan het vogelgekwetter gaat die al flink vooruit.
En als dan de bezitters van de grote tuinen en paardenweiden in het dal ook kunnen overtuigd worden om flink wat bomen aan te planten (in plaats van te klagen over Natuurpunt) dan krijgen natuur en bos op de Wijngaardberg een goede toekomstkans denk ik.

++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++
Wijngaardberg | Natuurpunt
https://www.natuurpunt.be/natuurgebied/wijngaardberg
https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/135080
https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/200168
beide erfgoeddossiers – het ene over de berg en het andere over de muur bevatten een uitvoerige bijdrage over de manier van bouwen, de reden waarom hij gebouwd is en waar de stenen vandaan komen
nhttp://www.steenenmuur.be/index.php
https://nl.wikipedia.org/wiki/Huis_Ursel
https://www.molenechos.org/verdwenen/molen.php?AdvSearch=4474

Trefwoorden: wezemaal, wijngaardberg, wijnmuur, wijn, boomgaard, ijzerzandsteen, natuurpunt, marc elsen, geschiedenis, natuurbeheer

Aan de Vijver van Pécrot – beter ‘L’Etang de Pécrot’ – in de Waals Brabantse gemeente Grez-Doiceau kom je meestal nauwelijks iemand tegen en zelfs op een zonnige zaterdagmorgen in de vakantie kan je het aantal vissers op je vingers tellen.
Wel is dan het piepkleine visserskroegje met terras van de club ‘Pêcheurs du parc de la Dyle’ open en een betere plek om rustig van het water en de rest van de natuur te genieten ken ik in onze streek niet. Op het bord boven de bar staat zoiets als “als er in de hemel niet gevist mag worden wil ik er niet naar toe”.
Op een warme wolkenloze zomeravond is het hier opmerkelijk stil. Uit de tuinen klinkt wat gemoedelijk barbecue-gebabbel en af en toe rommelt op veilige afstand een trein langs. In de winter is het er zo mogelijk nog rustiger tenzij er iemand van de buren zijn houtkachel staat aan te vullen maar zelfs dan klinkt de kettingzaag van aanvaardbaar grote afstand. Als de wind verkeerd zit vliegt er vanuit Zaventem wel alle paar minuten een lawaaierig monster over maar dat is in veel natuurgebieden het geval.
Zo te zien aan de foto’s worden er af en toe karper-kanjers met walvisomvang gevangen maar het is blijkbaar streng verboden om ze mee naar huis te nemen en in de pan te bakken. Ik zie er nooit helemaal de lol van in geef ik toe tenzij het een goed mannenexcuus is om niet het weekend bij moeder de vrouw te moeten doorbrengen (maar de vrouwen komen ook mee met de picknickmand, de hond en de kinders).

Om hier de zon te zien opgaan moet je wel om zes uur op post zijn en dan hopen dat er geen wolk boven de rand van de vallei opdaagt op het kritieke ogenblik. Maar blijf gerust tot laat in de avond, dan gaat hij aan de andere kant wel weer onder en dat is al even mooi.
Als je als mens van deze tijd zolang niet stil kan zitten kan je dan ondertussen gemakkelijk en helemaal autovrij heen en weer wandelen tussen het kroegje en de basiliek van Basse Wavre want de vallei van de Dijle – met hier het valleitje van de Marbaise – is allemaal natuurgebied. Je kunt ook met de trein terugkomen want het station is vlakbij.
Geef toe, fotograferen is afzien. In de zomer word je aan alle kanten gestoken, in de winter vriezen je vingers er af en in de tussentijd in doet het niet anders dan regenen. Onzin natuurlijk. De natuur heeft elk seizoen van alles te bieden als de mensen er niet een saaie boel van maken. Midden januari ben ik volledig alleen met de zon, het water en de vogels op het ijs. De vissers zijn nergens te zien en de bevers ook al niet en daar hebben ze groot gelijk in. Zo te zien aan de opkomende wolken zou het nog kunnen gaan sneeuwen om de pret compleet te maken maar zover is het nog niet. Maar tot de eerste vlokken vallen kan ik hier mijn mooiste ijsfoto’s maken.

In de lente is het eerste wat je ziet als je aankomt op de kleine parking aan de vijver een heel veld van gele dotterbloemen. Alleen om dat veld moet ik alle jaren een keer gaan kijken want zoiets zie je bijna nergens anders meer denk ik en zeker niet in Vlaanderen
Natuurlijk is het hier in het warmere seizoen een paradijs van opmerkelijk tamme vogels zoals op alle vijvers waar het water proper is en de mensen mogen komen zolang ze maar geen geweren bij zich hebben of op een andere manier de natuur verstoren. Volgens mij proberen de waterhoenen en -rallen alle seizoenen records te breken want aan de vijver struikel ik er bijna over maar zoals altijd zijn die veel te snel om zich ondanks mijn fototraagheid te laten verschalken.
De eenden komen zich aanbieden want die hebben al lang door dat er zoiets bestaat als ‘eendjes voeren’ maar ik laat die vandaag maar gerust, net zoals de families van Canadaganzen die tetterend komen aanzetten.

Elke lente wemelt het op de vijver van jonge waterhoentjes, eendjes en gansjes. Echte natuurkenners zullen dit niet graag horen maar ik kan er met mijn fototoestel gewoon niet naast kijken, al dat donzig klein ganzengrut met hun pappa’s en mamma’s die zoals altijd doen alsof de vijver van hen is.
Reigers zijn er ook veel evenals nijlganzen maar ik denk dat de Canadaganzen inderdaad even de macht over dit stukje waternatuur hebben overgenomen en zo aan het gesnater te horen zijn ze niet van plan om die weer af te geven. En dat is de schuld van de mensen die deze dieren, officieel geheten ‘Branta canadensis’, nog maar enkele tientallen jaren geleden naar onze streken brachten omdat ze mooi, groot en lekker zijn zonder zich af te vragen of de dieren zich niet een beetje te uitbundig zouden kunnen voortplanten in ons aantrekkelijk klimaat.

In indrukwekkende rapporten kan je lezen dat ze overal alles kaalvreten en tegelijkertijd van de bodem een mestvaalt maken maar in Pécrot lijkt me dit nogal mee te vallen want in dit natuurgebiedje ziet het er nogal fris en groen uit.
Ik denk wel dat ze met hun territoriale opdringerigheid de andere waterdieren verjagen maar ik vind het als mens altijd een beetje moeilijk om hen dat te verwijten want zo onschuldig zijn we zelf ook niet op dat vlak. Maar als ik lid was van de vriendelijke vissersclub van l’Etang de Pécrot zou ik – misschien samen met de natuurbeheerders – wel af en toe eens een gezellige barbecue willen organiseren van gegrild ganzenvlees want het moet ook niet alle dagen karper zijn denk ik.
Om ze te pakken te krijgen hoef je echt niet met geweren voor de dag te komen want dat is nergens goed voor, maar als je er iets van kent kan je ze gemakkelijk vangen. Maar geef toe, zolang ze daar zo klein en wollig parmantig rondstappen vind ik ze veel te fotogeniek om aan vangen en opeten te denken.
Een blauwe reiger wil ik wel voor de lens, zoals altijd wel op veilige afstand want zo tam zijn die nu ook weer niet. Als hij (zij?) het niet meer vertrouwt zwemt hij statig en op het gemak weg tot achter het riet. Ik wist niet eens dat reigers kunnen zwemmen, een mens leert altijd bij.

Soms ben ik er héél vroeg bij en schijnen wolken en zon tegelijkertijd in het water en dat geeft toch wel speciale foto’s.
In de lente is ook de Gele lis volop in bloei. Wie deze plant in zijn of haar tuin ziet, heeft reden om tevreden te zijn. De Gele lis (Iris pseudacorus) van de familie van de Lissen, een vaste eenzaadlobbige plant, is een van de mooiste waterplanten in onze streken en die bloeit nú. De Gele lis houdt van de zon en groeit in stilstaand of traag stromend zoet water tot een diepte van zo’n 30 centimeter. Doordat hij veel voedingsstoffen opneemt, is hij erg nuttig om de kwaliteit van het water te verbeteren. In de waterzuivering wordt hij gebruikt om metalen uit het water te halen.
Hommels en bijen moeten diep in de bloem kruipen om de nectar er uit te halen. Eenmaal uitgebloeid, rollen de zaden er uit en drijven over het water weg. De lissnuitkever (heb je die al eens gezien?) leeft van de sappen in de stengels, de larve ervan leeft in en van de zaden. Die zaden zijn bruin en zitten opgestapeld in de doosvrucht die je later in het seizoen zult zien drijven. Binnen een jaar moeten ze ontkiemen maar dat doen ze gemakkelijk.
Als je ze droogt kan je zelfs in de lente op je vensterbank laten uitkomen (zeggen de tuinspecialisten). De plant breidt zich ook uit via de wortelstokken.

De naam ‘Iris’ verwijst naar de Griekse Godin van de Regenboog. Er zijn wel 1500 soorten. Bij ons komen alleen de gele bloemen voor maar in andere delen van de wereld kom je ze in alle zeven voor de mens zichtbare kleuren van de regenboog tegen. Daar zit een mooie legende aan vast maar als je die wilt kennen open je best even de onderstaande natuurverhalen-link.
Wie hier eenmaal geweest is, komt vast weer terug. Dankzij het waterzuiveringsstation in Florival, maar ook door de sluiting van de chemische fabriek Tudor Accumulateurs is de waterkwaliteit op de vijvers aanzienlijk beter dan enkele jaren geleden hoewel het nog altijd te voedselrijk is om goed te zijn voor echte waterplanten.
Anders dan in Vlaams-Brabant is het open water hier niet hermetisch afgesloten en onzichtbaar gemaakt voor bezoekers maar werken de vissers aan de ene kant samen met de natuurliefhebbers aan de overkant om meer als duurzaam natuurgebiedje te behouden. Ik denk dat het daarbij van belang is dat autoverkeer en echte horeca uit de buurt gehouden worden om een en ander niet te laten uitgroeien tot de feest-toestanden die we kennen aan het Zoet Water in Oud-Heverlee. Maar in het weekend kan je dan wel terecht op het vriendelijke terrasje van de vissersclub.
Ik kom hier heel graag, in de week is er nauwelijks volk en vanuit het reservaat ga je verder door de vallei langs een soms wat ruig en drassig pad in de richting van Florival waar je dan aan het station ook een café vindt dat bijna altijd open is. Vanaf Florival kom je van de Klabbeekhoeve verder naar Gastuche, het plateau van Ottenburg en Basse-Wavre via de vallei en via het Bois de Laurensart en van daar kun je telkens de trein terugnemen.

Je kan ook in Florival of Pécrot het spoor oversteken en via Nethen naar het Meerdaalwoud stappen. Dit alles (bijna) zonder ook maar één auto tegen te komen.
Vanuit Leuven of Waver geraak je hier met de trein in zowat 15 minuten dus je auto laat je best thuis denk ik.
Ik vraag mij wel af waar de bevers gebleven zijn op de leibeek ‘La Petite Marbaise’ want ik zie helemaal geen dammen meer en de mooie horizontale buizen om het waterpeil onder controle te houden zijn verdwenen. Ik vrees dat de boeren in de vallei weer eens een beetje te veel hun drainage-goesting hebben kunnen doorzetten. In het verleden zijn er al eens op onwettelijke wijze dammen vernield maar ik dacht dat er tegenwoordig beter op de regelgeving werd toegekeken.
De vissers hebben nogal wat werken uitgevoerd en daardoor heeft de vijver toch wel wat zijn ‘wilde’ karakter verloren vind ik, onder meer doordat veel bomen zijn weggehaald en delen van de oever nu met planken zijn afgeboord waardoor de dieren minder goed in en uit het water kunnen. Ik stel ook vast dat rondom de vijver de bebouwing een beetje komt opzetten, vooral aan de ingang maar ook in de vallei waar de sportinfrastructuur zich lijkt uit te breiden.
Het echte natuurbeheer in deze omgeving wordt uitgevoerd met vrijwilligers, in dit geval die van Les Amis du Parc de la Dyle, de Waalse tegenhanger van Vrienden van Heverleebos en Meerdaalwoud. Klik op www.pcdn-grez-doiceau.be en je weet onmiddellijk wie van overheidswege de hoofdverantwoordelijke is voor het beheer van dit mooie stukje natuur.

PCDN staat voor ‘Plan Communal de Développement de la Nature’ en zo’n plan is “un outil d’aide aux communes volontaires pour structurer sur leur territoire un ensemble d’actions favorables au patrimoine naturel. L’objectif du PCDN est de préserver et d’améliorer le patrimoine naturel et paysager du territoire communal dans ses composantes physiques et biologiques tout en respectant et en favorisant le développement économique et social des habitants. Les PCDN sont élaborés au niveau communal dans la lignée du Plan d’Environnement pour un Développement Durable de la Région wallonne”.
Een dergelijk instrument hebben we in Vlaanderen niet maar ik vermoed dat onze Regionale Landschappen er het dichtste bij komen.
Als je op je staptocht van Pécrot naar Florival zou willen weten hoe het komt dat je daar altijd natte voeten aan overhoudt, is het nuttig om eens even de kaart erbij te pakken (NGI – Huldenberg – Grez-Doiceau 32/5-6, zie ook de foto). De vijver van Pécrot werd in 1959 uitgegraven om iets te doen tegen de wateroverlast van de in de Dijlevallei aanwezige stroompjes en bronnen.
De hoofdrivier in de vallei is natuurlijk La Dyle. Je bent op dit traject nog juist in Wallonië want de taalgrens is precies aan de overkant van de rivier. Pas iets ten noorden van de ‘Pont des Brebis’ op de weg tussen Pécrot en Sint Agatha Rode wordt La Dyle de Dijle.

Daarnaast zijn er nog twee andere riviertjes, ‘la Grande Marbaise’ en ‘la Petite Marbaise’ die beiden ontspringen uit bronnen juist ten noorden van Florival. Die beide namen zie je nog op de kaart stroomafwaarts van de vijver van Pécrot op weg naar het Grootbroek waar ze allebei in uitkomen. Ten zuiden van de vijver van Pécrot zijn de beide Marbaises sinds enkele jaren samengevoegd en omgevormd tot een tamelijk recht kanaaltje.
Uit krantenartikelen van een tiental jaren geleden begrijp ik dat dit kanaaltje een soort compromis is na een heftige strijd tussen boeren en natuurbeheerders om te voorkomen dat de vallei voortdurend onder water staat ten nadele van de boeren maar om aan de andere kant ook het natte karakter van het gebiedje te bewaren dat precies de reden is waarom de vallei tot Europees topnatuurgebied is uitgeroepen.
Voor agro-industriële boeren lijkt me de vallei in elk geval niet erg geschikt. In de weilanden grazen koeien en ik neem aan dat hun eigenaar(s?) ecologische beheersovereenkomsten hebben gesloten met de overheid om de landbouwactiviteit in harmonie met de hoge natuurdoelstellingen uit te oefenen. Jammer genoeg zag ik dat er nog altijd gespoten wordt op de distels en de brandnetels in en aan de rand van de weiden tot voorbij de afrastering in het natuurgebied. Dat is zeker niet de bedoeling en volgens mij ook volstrekt verboden.

Het resultaat is in elk geval een wondermooi landschapje langs knotwilgen, populieren, grazende koeien, ontoegankelijke poelen, een overdaad van planten en hier en daar van enige afstand een kijkje op de rivier waar het allemaal om draait: ‘la Dyle’.
Aan het einde kom je in de richting van het waterzuiveringsstation nog een rij klassieke populieren tegen met daartussen een vlonderpad. Af en toe valt er zo’n boom over dat pad en dan is er weer wat timmerwerk voor nodig om de doorgang weer vrij te maken.
En tenslotte een advies: in de zomer bescherm je je best ferm tegen muggen en andere steekbeesten want zoals overal in de wat natuurlijker valleien hebben die een heel speciale voorkeur voor argeloze bezoekers die zich te stads gekleed in hun gebied wagen.

+++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++
bronverwijzingen
http://www.etangdepecrot.com/index.html.
Een mooi filmpje over de Canadese gans:
Iris pseudacorus (Gele lis) – Plant(en)namen
https://www.plantennamen.info › Wetenschappelijke namen

Hoe Iris boodschappen naar de aarde brengt. De iris en de gele lis …
natuurverhalen.nl/2006/01/06/de-gele-lis-een-herinnering-aan-iris/
zie ook: http://ernstguelcher.blogspot.be/ met trefwoorden wandeltip, pécrot, gele lis, iris
zoom en draaibare link googlemaps naar de vijver van Pécrot:

trefwoorden: l’Etang de Pécrot, Dijle, Dyle, marbaise, natuurbeheer, CNPD, les amis du Parc de la Dyle, Pécrot, Canadese gans, Gele lis


TER INLEIDING
In Nethen en Beauvechain mogen de mensen van nu wel een beetje fier zijn over ‘hun’ buurttram Zwarte Jean. Van de maar liefst zes (!) stationsgebouwen op de korte afstand tussen Sint Joris Weert en Beauvechain-La-Bruyère zijn er nog altijd vijf overgebleven en meer dan dat, in prima staat van restauratie en bewoning.
Alleen het station van Hamme-Mille is prijsgegeven aan de moderne tijd en dat is wel jammer want het was zowat de ‘spin in het web’ van de tramlijnen tussen Jodoigne en Leuven en die tussen Vossem en Tienen. De eerste lijn trad in werking 1892 en de tweede opende vanaf 1903 maar het traject tussen Sint Joris Weert en Vossem ging pas in 1905 van start. Net als op de lijn tussen Weert en Vossem is het heel jammer dat dit hele mooie openbare vervoerssysteem met een eigen bedding na zo’n zestig jaar dag na dag dienst te hebben gedaan, in de jaren zestig zowat ‘stoemmelings’ is opgedoekt, het materiaal als oud ijzer verkocht en bedding zelf zoveel mogelijk uit het landschap verwijderd lijkt te zijn.
Met een klein beetje meer lange termijnvisie had men toch de huidige verkeersproblemen wel kunnen zien aankomen en had men minstens de trambedding zelf moeten sparen met het oog op een toekomst, bijvoorbeeld als net van regionale autovrije en hellingvrije fiets- en wandelpaden. Maar wie de volgende tekst leest zal merken dat deze historische vergissing er nog heel wat herstelmogelijkheden zijn, niet meer voor de tram maar wel voor het toerisme, de wandelaar en fietser en ook voor de sportievelingen die met de fiets naar hun werk willen om opstoppingen en files te vermijden.

En misschien komen dan ook wel een aantal van de vroegere café’s weer tot leven want de streek van Beauvechain en Grez-Doiceau staat bekend om zijn schoonheid en mensen zoeken naar mogelijkheden om daarvan te genieten. In afwachting van maatregelen om zo’n toekomst te verwezenlijken kan je vast al eens meereizen en een beetje meer te weten komen over dit merkwaardige historische vervoersysteem dat oneerbiedig ‘Zwette Jean’ genoemd werd zelf toen de rookpluimen al lang hadden plaatsgemaakt voor dieselmotoren.
Dankzij de hulp van velen heb ik een heel aantal oude foto’s kunnen toevoegen en er zijn er vast nog veel meer. Meestal staan de naam van de fotograaf en het jaartal er niet bij en ik reken graag op de hulp van alle lezers om hieraan te verhelpen. Daarvoor bij voorbaat grote dank!
VAN SINT JORIS WEERT NAAR NETHEN
Vanuit Sint Joris Weert ging buurttram Zwarte Jean onder het treinviaduct door op weg naar het iets verder maar over de taalgrens gelegen dorpje Nethen (Grez-Doiceau). De rails langs de Rue de Weert St.Georges zijn al lang verdwenen onder het fietspad en nergens is nog een verwijzing te zien naar dit tramverleden. Er gaat wel een lijnbus de grens over maar hoe vaak weet ik niet. Je kan de baan volgen tot aan de kasseien van de Chemin de Savenel waar de tram naar links gaat. Je kan echter ook het mooie bospad opzoeken dat aan de overkant van de Ruisseau La Néthen (plaatselijk de Molenbeek) boven de watermolen Vandenbempt evenwijdig in dezelfde richting gaat en dan kom je daar ook.

Op deze plaats is de beek rechtgetrokken maar verderop moet de buurttram opnieuw het grillige verloop in het landschap volgen totdat hij in Beauvechain naar Tienen of Jodoigne afbuigt. Of de molen klant was bij de NMVB weet ik niet maar ik vermoed van wel. Hij is nog altijd vol in bedrijf met een nieuw waterrad. Hoog in het bos verborgen is het scoutscentrum De Kluis. Daar wordt verteld dat hier vlak in de buurt op de heuvel Kijkverre lang een wagon stond die gebruikt werd om te kamperen maar het was er wel een van de trein en niet van de tram. Er is niets meer van te zien maar wie heeft daar nog een foto van?
Een beetje verder kom je langs de Hertebron aan de ingang van het Paddenpoeldal en de voormalige camping La Hêtraie. Die bron was al in gebruik in de prehistorie en de stilaan leeglopende camping zal er wel al geweest zijn in de tijd van Zwarte Jean maar is nu een deel van het natuurgebied. Het water van het bron is zowat het zuiverste in Vlaanderen dus je mag er gerust van drinken of je bidons vullen. Aan de andere kant van de straatweg kan je de heuvel op naar Beaumont en dan kom je langs een mooi kapelletje naar het dorp Pécrot met de mooie vijver. Dan sta je opnieuw in de Dijlevallei en kan je de trein nemen. Al deze plekken hebben hun eigen verhaal en zijn echt de moeite waard om eens uitvoerig te verkennen.


Van hier gaan we langs het kasteeldomein Savenel naar het buurtram station Nethen, nog altijd een van de charmantste plekjes op deze route.
De kasseien van de Chemin de Savenel zijn er nog altijd maar de rails is er niet meer. Maar toch moet het er in de tijd van buurttram Zwarte Jean hier ongeveer zo uitgezien hebben als nu. De tram reed langs de muur van het domein en langs de fraaie ingangspoort. Het kasteel is een privéwoning en jammer genoeg is het domein niet toegankelijk. De muur met zijn lengte van 5 km is rond 1689 gebouwd door de karmelieten om zich van de wereld te kunnen terugtrekken in hun klooster. Bij de voltooiing in 1710 was daarvoor 5000 kubieke meter klei en dezelfde hoeveelheden zand en houtskool uit het Meerdaalwoud gehaald. Alleen voor het cement moest 100 ton ongebluste kalk van elders worden aangevoerd. Ik ben iedereen dankbaar die kan vertellen hoeveel stenen er in deze muur wel verwerkt zijn. Het moet in elk geval een hele klus geweest zijn want het was maar een kleine kloostergemeenschap en buurttram Zwarte Jean was er nog lang niet. Vlak voor de Franse revolutie zijn nog zowat alle everzwijnen van het Meerdaalwoud binnen die muren opgesloten opdat ze de boeren van Nethen geen last meer zouden bezorgen. In de tijd van de Franse hugenoten is er nog een tijdlang een ambachtelijk atelier op het domein gevestigd voor de produktie van groenachtig glas op basis van met adelaarsvaren gekleurd zand. Het klooster heeft de Franse revolutie niet overleefd maar de Nethenaars hebben hun door de muur afgesloten Nethensebaan naar Leuven door het woud niet meer teruggekregen.


STATION NETHEN
Op de topografische kaart van 1939 zie je dat de reizigers nog zicht hadden op de middeleeuwse ‘Motte’ van het dorp maar nu is die verborgen achter het eigentijdse cultureel centrum op de Place des Trementines. Op een oude foto zie je dat er op die plek twee sporen waren zodat trams elkaar konden kruisen en goederen konden worden opgeladen. Het stationsgebouwtje staat aan de Rue de Hamme-Mille en het huisje er vlak naast was er ook al in die tijd maar had toen nog een mooi trapgeveltje boven de voordeur. Of het ook een café was weet ik niet. Dat gebouw is nu een restaurant-epicérie, het station sinds kort een chocolaterie (was een kruidenier-krantenwinkel).
Het opschrift ‘Station de Nethen’ stelt mij voor een raadsel want vele andere stations op de lijn werden in het verleden aangeduid als ‘gare’ en zowel Grez-Doiceau als Beauvechain zijn vandaag Franstalig. Maar ik vermoed dat bij een ‘Gare’ een stelplaats hoort en een ‘station’ eigenlijk alleen was om op en af te stappen.
Op de voorgevel staat ook ‘Café’ geschilderd. Het bakstenen gebouw staat ingeschreven op de Waalse erfgoedinventaris (patrimoine culturel immobilier) als ‘monument’ maar of het echt als zodanig beschermd weet ik niet (het domein van Savenel wel). Van hier verkennen we het dorp en dat levert een erg plezierige wandeling op en blijkbaar is er een voorstel om dit deel van de tramroute te ‘reactiveren als RAVEL’ – fietspad.
Buurttram Zwarte Jean stak vanaf het plaatselijke ‘Station de Nethen’ de Rue de Hamme-Mille over om in een opmerkelijke flauwe rechte bocht door het dorp richting Beauvechain te rijden.


Wie de streek niet kent of er nog niet was in de tijd van de tram moet weten dat Grez-Doiceau tegenwoordig een erg grote gemeente is en dat er twee mogelijkheden waren om met de tram naar Jodoigne te komen: via de verbinding vanuit Vossem maar ook vanuit Waver. De tramhaltes in Grez, zoals Biez, Archennes, Gastuche liggen op de lijn Waver-Incourt-Jodoigne maar Nethen ligt op de Vossem-lijn. In deze bijdrage volg ik het spoor in Nethen.
Kijkend op de kaart dacht ik lang dat Zwarte Jean via de Rue Joseph Maisin (de in Nethen geboren beroemde radioloog is in de straat gezien het moerassig verleden van deze omgeving oneerbiedig aangeduid als ‘Dans le Cul de Sac – Dins l’kë d’Satch) aansloot op de Rue de la Prairie (oude naam voor de beek). Dat is inderdaad de enige passeermogelijkheid voor wie er vandaag via het fietspad langs gaat maar dankzij een lezer weet ik nu dat de tram een eigen bedding had tussen de huizen juist rechts van de Rue Joseph Maisin om op de Rue de la Prairie aan te komen. Op de kaart van 1939 is er op die bedding nog geen straat, tegenwoordig is er op die plek een doodlopend horizontaal stukje/zijweg van de Rue Joseph Toussaint. Als je het weet kan je het goed zien op de Googlemaps-luchtfoto. Vanaf de Rue de la Prairie volgt het spoor de Rue Emile Vandervelde tot aan een bocht in Rue de Hamme Mille waar de tram vroeger rechts van de weg rechtdoor ging naar het gehucht Wez maar dat deel van het tracé loopt nu dood in een weide.


Om er te komen en verder te gaan moet je even naar de vrijheidslinde ‘Arbre du Centenaire’ en enkele meters richting Hamme-Mille tot aan de bushaltes waar je op een veldweg opnieuw het tramspoor oppikt. De Ruisseau de Néthen is altijd vlakbij en het zou kunnen dat het pompstation langs de Rue de Prairie bovenop het tramspoor staat. Het is een heel plezierige wandel- of fietsroute, autoluw en grotendeels autovrij tussen de mooie huizen en weelderige tuinen van dit opmerkelijk zuiders aandoende dorp. Hier en daar zijn er nieuwe huizen maar ook die zijn bijna altijd ook heel charmant. Ik lees dat er plannen zijn om de tramroute in te richten als een RAVEL-fietspad en dat lijkt me een prima idee!
Het vroegere ‘Taverne de la Vallée vlakbij het station in de Rue Joseph Toussaint voorbij het oorlogsmonument is jammer genoeg wel een privéwoning geworden heb ik gezien. Even verder kom je langs het vroegere gemeentehuis, tegenwoordig de school met aan de overkant een mooi roodbruin geschilderd huis met een trapje ervoor. Verscholen tussen bomen en hoge muren aan de Rue de Tirlemont 77 kijk je door de spijlen van het toegangshek op een statig wit herenhuis. De ‘inventaire du patrimoine culturel immobilier’ geeft je er een beschrijving van en vertelt dat de in 1983 neergezette ‘habitation’ beschermd is als monument. Wie de bouwer was en wie er nu woont weet ik nog niet. Aan het huis op het einde van de Emile Vanderveldestraat 38 staat nog altijd een haltepaal waar vroeger de tram stopte en nu blijkbaar nog altijd de bus van de TEC. Op een oude foto zie je de rails links van het huis richting Hamme-Mille gaan en op een zelfde foto van nu staat daar nu het hek van de oprit. Het huis zelf is nog duidelijk herkenbaar. Van hier stap ik langs ‘la Néthen’ naar de Arbre de Centenaire en zet vandaar de verkenning verder.

VAN NETHEN NAAR HAMME-MILLE
Met buurttram Zwarte Jean van Nethen naar Hamme-Mille. Omdat aan de Rue Emile Vandervelde het spoor doodloopt op een privé-hek en weide is het even omlopen via de Rue de Hamme-Mille naar de Arbre du Centenaire. Dat levert een mooi prentje op van de Ruisseau de la Néthen, de beek die we vanaf hier een heel eind moeten volgen. De Hollandse linde werd in 1930 aangeplant maar als hij de volgende honderd jaar wil overleven zal hij wel wat verzorging nodig hebben want de droogte tast hem tot bovenin aan. Ik denk dat de auto’s ook te dicht over zijn wortels rijden. De veldweg op links aan de bushaltes is het vroegere tramspoor en daar moeten we zijn. Hij volgt de bosrand onder de ingezaaide akker en eindigt vrij plotseling aan het waterzuiveringsstation. De beek stroomt meters diep langs aan de linkerkant. In de zomer zal je er niets van zien en mijn foto’s van het water zijn dan ook in januari genomen. De veldweg is in de winter nogal kaal maar in de zomer volop groen en om hem echt open en toegankelijk te houden zou hij beter wat vaker bewandeld worden. Het zuiveringsstation is een ferme barrière maar op de een of andere manier kan je er langs de afrastering altijd wel omheen.
Aan de voorkant volg je het asfalt tot aan de Rue des Claines en dan ben je in Beauvechain – Hamme-Mille. Maar als je aan de centrale door de weide naar links gaat kom je aan een houten brugje over de beek en dat geeft je rechtstreeks toegang tot het Bois de Nicaise dat er hoog boven op het gelijknamige plateau ligt.

Dat deel van het Meerdaalwoud is beroemd om zijn prehistorische grafheuvels en nederzetting uit het in onze streken vijfduizend jaar geleden nog stenen tijdperk en ik kan aanbevelen om die op een volgende keer ook te verkennen. De wallen van de nederzetting ga je niet zien tussen de bramen maar de grafheuvels wel, vooral in de winter. Het zou kunnen dat je het dal wel moet delen met een kuddetje everzwijnen want die gebruiken de beek onbeschaamd als hun favoriete bad- en modderplaats. Jammer genoeg heb ik nog geen foto van een buurttram op dit traject. Van hier gaan we richting Hamme-Mille via Les Claines en de Pré de Litrange.
Met buurttram Zwarte Jean op weg van Nethen naar Hamme-Mille ben ik aangekomen bij het waterzuiveringsstation langs de Ruisseau de Néthen en nu staan we op de kruising tussen de Rue Menada (het verlengde van de Rue de Hamme-Mille) en de Rue les Claines aan de brug over de beek. Op oude en nieuwe kaarten kan je het tramspoor zien gaan juist tussen de brug en de straat om dan met een wijde boog het natuurgebiedje ‘Le Pré de Litrange’ in te gaan op weg naar het dorp voor de aansluiting met de tramlijn tussen Leuven en Hamme-Mille – Jodoigne. Het woord ‘Claines’ zou verwijzen naar de appelblauwzeegroene stenen die hier in de grond zitten en die versteende slakken zijn uit de vlakbij gelegen voormalige smederij ‘Les Forges’.

Links van de straat zie je de vroegere watermolen ‘les Forges de Litrange’. Dit is een uit de middeleeuwen stammende voormalige watermolen met een rad op de Nethen die eeuwenlang koren maalde maar sinds de intrede van de Hertogen van Aerschot van de familie De Croy en Arenberg ook enkele eeuwen diende als ijzersmederij waarbij ijzeren stukken op het rad werden gesmeed om het gloeiende smeltmateriaal in de juiste vorm te hameren: ‘Moulin de Fer’. Het moet iets heel bijzonder spectaculairs en luidruchtigs geweest zijn maar in 1957 werd de bedrijvigheid stilgelegd en in 1990 werd het rad verwijderd en zou de spaarvijver gedempt zijn (maar ik vind die op geen enkele oude kaart terug). Sindsdien worden de gebouwen als privé-woonhuis bewoond en de site is zelfs niet als monument beschermd wat ik eigenlijk wel beschamend vindt.
Je moet er in elk geval langs om het tramspoor terug op te pikken want het natuurgebied is totaal ontoegankelijk. Deze weide aan de oever van La Néthen is een bijzondere ecologische zone. Het is een moerasgebied met kalk in de bodem en als gevolg daarvan willen er allerlei planten groeien die elders zeldzaam zijn geworden. Op de kaart kan je wel zien dat het vroeger een stuk groter was maar sinds jaren deels opgeslokt door de grootwarenhuizen aan de steenweg en ook door de aanleg van een woonstraat in. Ik kom het niet tegen op de lijst van officieel erkende Waalse natuurgebieden, ik vermoed dat het thans eigendom is van de gemeente Beauvechain en uit betrouwbare bron heb ik de verzekeren gekregen dat het van verdere bebouwing gespaard zal blijven in ruil voor huizen op een stuk van de camping in Tourinnes-la-Grosse..

Maar de Rue les Claines is een boeiend passeer-alternatief met een klein kapelletje en mooie oude huizen. Tussen twee woningen aan de linkerkant gaat een kasseiwegeltje omhoog naar de Rue Delherse. Je volgt die tot aan de kruising met de Rue de Bois Nicaise en dan heb je langs de bosrand plotseling een prachtig uitzicht op de tramdijk richting Leuven. De huizen aan je rechterkant staan allemaal zowat boven op het gedeelte van de dijk dat vroeger naar Hamme-Mille leidde maar je hebt de kaart en de luchtfoto van Googlemaps nodig om het tracé helemaal te zien lopen. Als je aan de Chaussée de Louvain naar links kijkt zie je door de bomen de dijk ook gaan en tegenover het restaurant Valduc kom je aan het begin van het nieuwe gebetonneerde fietspad op de tramdijk richting Blanden naar de kazerne Meerdaal en de Château de Namur. Als je aan dat begin de wildernis induikt kom je zelfs nog aan een heel mooi maar erg verborgen oud viaduct waar de tram vroeger onder door reed. Hier keer ik terug naar de Rue Les Claines naar de betonnen brug met daarachter een gloednieuw huis met trap bovenop de resten van de spoordijk. Dit is echt het Hamme-Mille van onze tijd.

HAMME-MILLE
Hamme-Mille was een van de belangrijke knooppunten in de buurttramtrein van Zwarte Jean tussen Vossem en Tienen. Hier kwam de lijn samen met die tussen Leuven en Jodoigne. We hebben nog wel wat oude foto’s van het station en we zoeken er nog méér – maar van heel dat spoorweggebeuren is er in het dorp zelf niet veel overgebleven. Alleen de ‘Taverne de la Gare’ staat nog overeind, al het andere is door de eigentijdse generatie afgegraven, volgebouwd met huizen of verdwenen onder de funderingen van de plaatselijke grootwarenhuizen. Er is zelfs nergens meer een bordje te zien dat aan dat tramverleden herinnert. Maar met hulp van de oude en nieuwe kaarten en vanuit de lucht wordt dat verleden toch snel zichtbaar en meer dan dat, je kan het traject zelfs (grotendeels) nog te voet of met de fiets volgen richting Tourinnes-la-Grosse.
Deze etappe begint bij het hypermoderne huis dat aan de Rue les Claines aan de overkant van de beek gebouwd is bovenop het restant van de tramdijk. Onder langs dat stukje dijk kom je aan een bruggetje en als je daar over bent moet je verder door de smalle passage tussen de LIDL en de Carrefour want de spoorweg liep vlak langs de gevel van de laatste, toch volgens de kaart. De aansluiting tussen de lijn Vossem-Tienen met die van Leuven-Jodoigne moet ergens verborgen zijn onder de parking van de Carrefour maar om daar nog overblijfselen van te vinden heb je een archeoloog nodig hoewel het ergens langs de rand van de parking nog een beetje te zien zou moeten zijn.


Het spoor liep rechtdoor verder over (onder) de Rue des Epinoches naar de Rue René Menada en dan met een bocht schuin links naar het huidige busstation en de oude stationstaverne. Vandaar stak Zwarte Jean loodrecht de Avenue du Centenaire over en kruiste daarna de Chaussée de Namur. Het tramstation lag volgens de kaart van 1939 op de plek waar nu de lijnbussen stoppen maar bij gebrek aan een luchtfoto vind ik het niet gemakkelijk te zien hoe het er precies uitzag. Op oude foto’s zie je heel wat sporen naast elkaar verbonden met wissels. Je ziet ook die taverne met daarachter het eigenlijke stationsgebouwtje met zadeldak. Op een foto’s van voor WOII staan er nog korenschoven ten zuiden van de lijn, op naoorlogse foto’s zie je trams samen met de autobussen en zijn de akkers omgezet in gebouwen. Op het terrein en op de luchtfoto van Googlemaps staan er aan het busstation nog twee oudere gebouwtjes maar ik denk niet een van hen het oude stationsgebouw is hoewel ze misschien wel deel uitmaakten van de stelplaats en op de kaart van 1939 aangeduid zijn. Van hier steek ik de Chaussée de Namur over en volgen we het tramspoor naar Nodebais.





VAN HAMME-MILLE NAAR NODEBAIS
Om Zwarte Jean verder te volgen naar Nodebais steek ik van het busstation in Hamme-Mille de Avenue du Cinquantenaire net zoals de tram vroeger deed. Het fietspad volgt echter niet het tramspoor maar buigt af naar het zuiden langs de woonwijk tot aan een speeltuintje. Vandaar kan je richting Chaussée de Namur. Je steekt die over en via de Rue Gabriel Marceller en de Rue du Brugeron vind je je je weg naar de Rue de Tourinnes. Het is een erg rustige maar een beetje saaie woonwijk die je door wandelt maar het tramspoor liep vroeger juist iets links ervan ter hoogte van de Rue des Oiseaux. Een klein paadje met bomen aan beide kanten ligt boven op de bedding. Aan de Rue de Tourinnes moet je NIET naar Nodebais maar de weg volgen naar de Rue du Grand Brou. Daar aangekomen sta je aan de lijnrechte veldweg met de toepasselijke naam Chemin des Prés en ben je terug op de spoorbedding. Van mij zouden er wel wat bomen langs mogen maar hij is enkele jaren speciaal ingericht voor wandelaars en fietsers en de berm is ingezaaid met natuurplanten. Rechts heb je een mooi zicht op de Sainte Waltrude kerk van het dorp Nodebais en links zie je de kerktoren van l’Eglise Saint Martin van Tourinnes-la-Grosse.
Waar je de beek Nodebais oversteekt ligt links het natuurgebiedje Le Grand Brou en rechts het recent aangelegde ‘bassin d’orage’ dat er ook al flink als een ecologische zone begint uit te zien. Ik heb er nog geen water in zien staan maar ‘Brou’ betekent moeras en dat beekje kan bij hevige regenval voor flink wat wateroverlast zorgen.

Het natuurreservaat is sinds 2002 erkend als ‘Réserve Naturelle Domaniale’ en in het dossier lees ik : « Le site du Grand Brou se trouve dans le Brabant wallon à l’ouest de Beauvechain, entre les villages de Hamme-Mille et de Tourinnes-la-Grosse. Il occupe la plaine alluviale du ruisseau de Nodebais, petit cours d’eau dépendant de la Dyle. On y rencontre une mosaïque de milieux intéressants (prairies humides, plans d’eau, roselières, fourrés, saulaies, etc.) riches d’un point de vue botanique et faunistique. L’endroit est surtout connu pour son avifaune très diversifiée, notamment durant les migrations qui sont suivies par une station de baguage. » Het is eigenlijk maar een zakdoek groot, zeker vergeleken met de enorme camping die er achter ligt en omdat het water erg voedselrijk is zal je er vooral een ruigte aantreffen en niet zoveel speciale planten maar door de kijkwand aan het meertje kan je naar vogels speuren en soms kan je meedoen aan de sessies om (trek)vogels te ringen. Er zijn al meer dan 100 soorten vogels waargenomen maar als ik kom zie ik vooral eenden en reigers die volgens mij nog op de tram wachten. Van hier gaan we naar het station van Nodebais.


STATION NODEBAIS
Van buurttramstation Nodebais vind ik nauwelijks oude foto’s. Ik vind dat merkwaardig want na het grote station in Sint Joris Weert is dat van Nodebais volgens mij het mooiste in zijn soort. Ik vind er ook weinig informatie over. Op pagina 99 van het boek van René Hallet zie je een spoorauto AR 185 in dit Nodebais en daar wordt terloops aan toegevoegd dat dit station waterbevoorrading had. In het boek van Marc Deconinck staat op p.109 en 110 een foto van de Rue de la Station en het stationsgebouw zelf. Het station « comportait, outre l’habitation dont jouissaient le préposé et sa famille, une salle d’attente qui servait également de café ainsi qu’un magasin-entrepôt où étaient stockés matériels ferroviares et marchandises. A l’époque du tramway à vapeur, la présence à proximité de la gare, comme c’était le cas à Nodebais, d’un réservoir d’eau conférait à celle-ci une relative importance ». De stationsstraat, tegenwoordig de Rue de la Liberté ziet er op de oude foto heel wat drukker uit dan tegenwoordig en op het witte huis tegenover het station – met de merkwaardige gevelsteen – staat de vermelding ‘Delhaise et Cie’.

Het stationsgebouw staat in het verlengde van de Chemin des Prés, de straat loopt nog even verder tussen de bomen en loopt dan onverbiddellijk dood op een altijd groene haag van de privétuin die over de spoorbedding is aangelegd. Om naar het allercharmantste stationnetje van Tourinnes-la-Grosse te komen moet je een beetje omlopen en van hier tot in La Bruyère is de bedding nergens meer rechtstreeks te volgen maar gelukkig nog wel via een mooi wandelparcours. Sinds 2006 is het gebouw beschermd als monument en dat verdient het ook ten volle. Ik ben er nog niet binnen geweest en ik ben niet zeker dat de eigenaar van het ernaast gelegen Aquiflor ook de eigenaar is van het nu als woonhuis ingerichte station maar het is werkelijk onberispelijk gerestaureerd. Het moet een tijdlang helemaal wit geschilderd zijn maar al die kleur is er weer af en de bakstenen en opschriften zijn weer zichtbaar gemaakt zoals in de tijd dat het voor Zwarte Jean dienst deed. Ook het houtwerk aan de gevel en de dakgoten zien er als nieuw uit in de originele staat. Alleen staan er op de oude foto geen bomen en die zijn er nu wel en zelfs in indrukwekkende omvang. Wie hier woont moet wel een echte liefhebber zijn! Ik denk dat ik nog wel eens zal durven aanbellen om er meer over te weten te komen. Ik heb in elk geval al gehoord dat het gebouw neergezet is boven op een bron dus ik vermoed dat de vestiging van de handelszaak op deze plek niet toevallig is.


VAN NODEBAIS NAAR TOURINNES
Om van het tramstation van Nodebais naar dat van Tourinnes te komen moet je een beetje omlopen want de bedding kan je nergens meer volgen. Pak er graag even de kaart bij, zowel die van nu als die van 1939. Dan zie je dat Zwarte Jean een licht gebogen lijn volgde juist ten zuiden van en evenwijdig met de Ruisseau de Néthen die mooi aangelegd midden door het dorp stroomt. Het tramstationnetje staat een klein beetje verder aan de Rue Leeman. Tourinnes heeft een reputatie als erg gezellig dorp en blijkbaar wil iedereen er komen wonen want er worden hele wijken bijgebouwd. Dat maakt dat om aan het station te komen je in elk geval een klein stukje van de tamelijk drukke Rue de Beauvechain moet volgen tussen de Rue Deprez en de Ruelle Lambert. Vandaar kom je via de Chemin Goffin wel naar de Rue Leeman. Onderweg kom je zelfs een Rue de la Gare tegen maar waar dat op slaat weet ik niet want die loopt dood in heel die gloednieuw gebouwde omgeving en ze zijn er nog niet klaar zo te zien. Als je oplet zie je toch nog wel aan een groene rand waar de spoorbedding geweest moet zijn.
Er zijn nog wat leuke huisjes in Tourinnes vlak aan de Rue de Beauvechain die het station zouden kunnen zijn geweest maar uiteindelijk is het overduidelijk vanwege het opschrift op het gebouw: Station du Vicinal Tourinnes-la-Grosse. Het is nu een privéwoning van mensen die absoluut zorg dragen voor dit heel mooie als monument beschermde gebouwtje.


Ik heb er een oude foto van gezien in het boek van Marc Deconinck (p.123) met het volgend commentaar: “ Le café Jadot, du nom de tenancier, abritait la station vicinale. Le patron était tour à tour cafetier, guichetier, agent de la sucrerie, marchand de charbon et agriculteur. Le bistrot était fréquenté en semaine par les navetteurs ou les agriculteurs utilisent les services des tramways vicinaux et le dimanche, surtout après la grand-messe, par les villageois pour boire un verre et jouer aux cartes. On y buvait de la bière, notamment la Forto brassée à la Franche-Comté voisine, mais aussi du genièvre ”. Vanuit Tourinnes kan je verder naar het station van Beauvechain langs de straatweg maar ik verkies een veel meer in de natuur gelegen parcours via de zuidkant van de Ruisseau de la Nethen. Ik verken beide routes.
VAN TOURINNES NAAR BEAUVECHAIN
De reis met buurttram Zwarte Jean gaat onvermoeibaar verder. Vanaf de stations Nodebais en Tourinnes-la-Grosse kan je de bedding niet meer volgen tot aan dat van Beauvechain maar je kan er wel een mooie wandeling van maken. De eerste mogelijkheid is om de Rue de Beauvechain, iets verder de Rue de La Nethen, te blijven volgen tot aan Rue de la Station. Dan kom je heel wat bezienswaardigheden tegen, onder meer een mooi zicht op de kerktoren en de Relais St.Martin; een opvallend appartementsgebouw met ronde balkons; enkele kleinere oude huizen die best het stationsgebouw hadden kunnen zijn; een grote villa (des Roses); een hoog huis met duidelijk een industriële oorsprong en een opschrift DELTOUR – METAUX (wie vertelt daar de geschiedenis van?), de hoeve/conferentiecentrum France Comté en ongetwijfeld nog een aantal.

Ze zijn (bijna) allemaal ‘inscrit comme monument’ met een erfgoeddossier met een technische beschrijving (en meestal een niet zo herkenbare foto) maar dat nooit iets vertelt over de geschiedenis van en de verhalen over deze gebouwen, waar ze ooit voor dienden en wie hun bewoners waren. Voor mij horen materieel en immaterieel erfgoed altijd samen en zo moeilijk moet het toch niet zijn om dat in beeld te brengen want je kan dat altijd opvragen bij de plaatselijke bewoners en heemkundige kringen. Ik beloof terug te komen in het dorp om meer van die verhalen te weten te komen.
Ter hoogte van de Rue de la Station stuit ik op een oude wegwijzer waarop je leest hoe je naar Bierbeek kan en naar Hamme-Mille maar de pijl richting Zwarte Jean is er (symbolisch correct) niet meer, want afgeroest. Hier gaan we naar rechts naar het stationsgebouw van Beauvechain op nr.13. Maar voordat ik daar ben kijk ik nog even binnen in een van de opmerkelijk vele oude vierkantshoeves die je in deze gemeente vindt: de helemaal ommuurde ‘Grande Cense de Gembloux” die vroeger aan de abdij van Gembloux toebehoorde maar nu als privéwoning dienst doet. Aan de overkant van de hoeve staat een heel hoge villa waarvan je er in de streek hier en daar vindt. Hij dateert van de jaren 20 van de vorige eeuw en de eerste eigenaar was dokter Duchesne die ook burgemeester was. Dankzij Marc Deconinck kan ik een verhaal vertellen over het kleine huisje dat je op mijn foto bij toeval gedeeltelijk ziet aan de linkerkant (denk ik toch, heel duidelijk is het niet). Dat is blijkbaar zijn geboortehuis en familiale hoeve langs de niet meer bestaande ‘Ruelle Collin’: « mes grands-parents affirmaient qu’elle (la ferme) avait été habitée par une sorcière du nom d’Odile ».

Wat er van die heks geworden is vertelt hij er niet bij maar blijkbaar zat in die tijd het dorp er vol mee. Hierna doe ik de wandeling langs de andere kant van de beek.
Om via de natuur van het tramstation van Nodebais en Tourinnes-la-Grosse naar dat van Beauvechain te komen haal je best ook de kaarten er even bij. Moeilijk is dat niet, aan het einde van de Chemin Goffin ga je links de Rue Leeman in en dan weer links naar de Rue de Wavre. Die volg je rechtdoor tot aan de kruising met de Rue de la Station. Vanuit de nieuwe wijk aan het begin stap je langs enkele hele mooie dikwijls holle veldwegen met kasseien en kom je hier en daar nog langs een historisch gebouw zoals de vierkantshoeve Ferme de Gerardmont aan de Rue Berward. Je passeert ook langs een atelier om je fiets te repareren en dat kan ook nuttig zijn op dit soort veld- en kasseiwegen. Het erfgoeddossier zegt over de vierkantshoeve onder meer het volgende: « Ancienne ferme de Gérardmont. Signalée en 1404 comme fief de la principauté de Liège. Isolée à la limite du plateau et accessible par un long chemin creux partiellement pavé, ancienne ferme en quadrilatère de la 1re moitié du 18e siècle, remaniée au 19e siècle et restaurée au 20e siècle. Autour d’une cour pavée, bâtiments en brique et pierre blanche de Gobertange, peintes côté cour, sous bâtières de tuile. » Zoals zoveel vierkantshoeves in Wallonië heeft het oude goed een eigentijdse bestemming gekregen als manege en ruiterschool. Op de kaart staat hij vermeld als ‘Aquila Farm -Aurélie De Mévius Parelli Professional’.

Overal staan paarden en voertuigen om paarden te vervoeren en heel moderne sierlijke stallen waar de paarden ook buiten kunnen rondstappen. De hoeve zelf is duidelijk privé en ondanks de grote poort durf ik niet zomaar de koer op te stappen. Om bij het stationsgebouw van Beauvechain te komen moet je op de kruising na deze hoeve wel linksaf slaan want anders loop je de wijde wereld in waar geen enkel huis meer te zien is (ook zeldzaam). Je ziet het dan al snel in de verte aan je linkerkant aan de Rue de la Station. Hierna kom ik er effectief aan en verken ik ook al een beetje de volgende etappe, dat is naar La Bruyère en de militaire basis.
STATION BEAUVECHAIN
In het boek van Marc Deconinck staat een mooie foto van het stationsgebouw van Beauvechain mét een tram ervoor. Bij René Hallet vinden we nog soortgelijke foto’s en er circuleren er ook enkele vrij over het internet. Het gebouw is identiek aan dat van Nodebais dus eigenlijk tamelijk groot in een gemeente die vandaag toch al vijf (!) of zes wanneer je L’Ecluse meerekent, tramstations heeft op dezelfde lijn. Daar moeten dus toch massa’s mensen zijn op- en afgestapt in hun tijd om nog niet te spreken van het goederenvervoer want op de kaarten zie je dat dit stationsgebouw ook een grote stelplaats moet zijn geweest. Marc’s boek verwijst naar ‘de goede oude tijd’ waarin de tram de plattelandsbewoners een horizon op de grote wereld opende.



Maar het boek bevat ook een leerzame passage over de sociale functie van de stations: «Au milieu du XIXe siècle, une grave crise agricole sévit avec la maladie de la pomme de terre, la rouille du seigle et la baisse de rendement des autres céréales. L’agriculture entre en phase de mécanisation et occupe de moins en moins de main-œuvre. Vers 1870, plus de 200 ouvriers, tels les maçons, paveurs, scieurs de long, élagueurs, quittent la commune pendant une partie de l’année pour aller au dehors exercer leur profession. Bientôt, la région de Charleroi, en plein essor industriel, attire, essentiellement dans les verreries et les charbonnages, un contingent important de … Beauvechain … à la recherche d’un salaire supérieur. Ils ne rentrent au village, par vicinal, qu’en fin de semaine». De tijden zijn erg veranderd maar ik moest even aan de jonge Vincent van Gogh denken en het probleem van ‘gast’arbeiders is een wereldwijd fenomeen gebleven waar we in ons rijke en overvloed uitstralende landje nooit erg goed mee overweg kunnen heb ik de indruk.
Het stationsgebouw is ook ‘inscrit comme monument’ en het is heel mooi opgeknapt, naar mijn mening wel een beetje té mooi (maar misschien is het wel gewoon héél recent herpleisterd en geschilderd) en voorzien van een poortachtige achterbouw die er volgens mij niet zo bij past. In elk geval vind ik het jammer dat alle opschriften weg zijn. Het dient als privéwoning voor zover ik kan zien maar of het ook een publieke of bedrijfsfunctie heeft staat er niet op.



In elk geval, door zijn typische stationsbouw en ook al het omdat het schuin staat in het open landschap en omgeven is met grote houten hekken, valt het nogal op en kan je het al van ver zien. Vanuit de lucht zie je de bedding richting Tourinnes schuin door het veld gaan vlak langs de muur van het Dépôt Communal aan een akker. Richting La Bruyère gaat het overduidelijk de andere kant op naar de Rue de Wavre maar dat zie je beter vanaf de grond. hierna ga ik die kant uit.
OP WEG NAAR LA BRUYERE
Buurttram Zwarte Jean ging vanuit het station van Beauvechain naar dat van La Bruyère, tegenwoordig nog altijd deel van dezelfde gemeente. Dit traject is vandaag de dag zowat het moeilijkste stuk om opnieuw te volgen omdat voorbij de Rue de la Station aan de Rue de Wavre de lijn zich opsplitst in die naar L’Ecluse/ Tienen en die naar Mélin/Jodoigne en er nog maar weinig stukken toegankelijk zijn. Maar daarbovenop is de tweede verbinding geblokkeerd door de luchtmachtbasis in La Bruyère (en is ook het historische wegenpatroon daardoor veranderd). Vanuit de lucht kan je beide tracé’s hier en daar nog wel zien gaan als je lang genoeg getuurd hebt op de oude kaart van 1939 en 1969 maar gelukkig zijn er op het terrein ook wel enkele aanknopingspunten.


Vanuit het station van Beauvechain zie je in de verte een witte villa en die richting moet je uit tot aan een kapelletje. Daar ter plekke zie je plotseling tussen twee huizen een beetje een verwilderde veldweg in de richting van de basis en dan weet je dat het spoor daar verder loopt. Een klein beetje verder begin je bij een bomenrand aan de linkerkant te vermoeden dat op die plek de lijn naar Tienen zich met zijn schuine bocht moet hebben afgesplitst van die naar Jodoigne maar die richting kan je vanaf de veldweg niet meer volgen (afgesloten met draad). De veldweg loopt dood op een maisveld en een betonbaan naar de militaire basis. Die baan kan je naar links volgen tot aan de Avenue des Combattants maar ik ga liever terug naar de Rue de Wavre en neem nog even een kijkje bij de oude windmolen voordat ik op de kruising rechtsaf sla om via de Avenue des Combattants naar de Place de la Bruyère te stappen waar ik de oude stationsgebouwen in het dorp verwacht aan te treffen. Onderweg kom ik opnieuw langs die baan naar de basis en ongeveer op die plek kruis ik op een dwarse bomenrand de afgesplitste spoorbedding naar Tienen maar om dat te zien moet je wel erg goed weten waar je bent (staat heel precies aangegeven op de kaart van 1969).

De windmolen – genoemd naar zijn eerste eigenaar Jean Lambert Haccourt – is ‘inscrit comme monument’ maar of hij echt beschermd is weet ik niet. Hij dateert van 1895 als de opvolger in steen van een in 1780 opgerichte houten staakmolen en heeft dienst gedaan tot 1914. De wieken hebben de eerste wereldoorlog niet overleefd. Tot in de jaren 1990 was er het landbouwmuseum ‘notre passé agricole’ gevestigd. In het gebouw en in de hangar zouden nog allerlei werktuigen en machines moeten zijn om de landbouwtechnieken van de 19de en begin 20ste eeuw te tonen. De databank van Molenechos meldt dat het museum ‘provisoirement fermé’ is. De sluitingsdatum en de reden staat er niet bij en het ziet er niet uit alsof het spoedig weer open zal gaan. De molen was in 2015 nog de eigendom van de familie De Streel maar of dat nog zo is weet ik evenmin. Morgen komen we met de tram aan bij de ingang aan die kant van de basis.
Op de kaart van 1904 en die van 1939 zie je de bedding van buurttram Zwarte Jean gaan een beetje links en evenwijdig met de Avenue des Combattants om met een bocht aan te komen op de Place de La Bruyère. Bij de eerste aanleg van de militaire basis in 1936 (of misschien later pas bij de uitbreiding) is die bocht een beetje verlegd naar rechts en reed de tram ten noorden van de Rue des Vallées naar de Place de la Bruyère.
Uit wat ik lees maak ik op dat in die tijd het dorpscentrum er een beetje moet hebben uitgezien als een klein stadje met veel café’s en handelaars en een druk vertier op dat dorpsplein en op dat bij de kerk. Zoals bijna overal was de stationschef tegelijkertijd caféhouder, winkelier en kolenhandelaar, ofwel ‘marchand d’ouye’.





De winkel, in plaatselijk taalgebruik ’le botêke’ was tegelijkertijd kruidenier, stoffenwinkel en ijzerhandel. Je kon er alles kopen wat in die tijd noodzakelijk was voor het dagelijks leven en, zegt Marc Deconinck: « l’ordinaire était assuré par les produits du potager et du verger, par les volailles de la basse-cour et par la viande du cochon que quasi chaque famille s’ingéniait à engraisser ». Het dorp ziet er nog altijd gezellig uit en ondanks de aanwezigheid van de 600 ha grote luchtmachtbasis domineert het leger het dorpszicht niet. De Belgische Militaire Luchtvaart begon in 1935 met de aanleg van twee vliegveldjes, dat in La Bruyère kreeg de naam Le Culot (en ook: Hamme Mille) en het andere, bij Beauvechain-Les Burettes, haastig opgericht bij het naderbij komen van de oorlog, werd door de geallieerden ‘Le Culot East’ genoemd.
Beiden kennen een wat somber begin omdat ze al in het begin van de Tweede Wereldoorlog bezet en na een forse uitbreiding op grote schaal gebruikt werden door de Duitse Luftwaffe. Bij René Hallet lees ik dat de Duitse soldaten en hun Belgische Duitsgezinde collega’s gratis met de buurttram reisden. Uiteraard werden de vliegvelden en omgeving zwaar gebombardeerd door de geallieerden (en aan het einde ook weer door Luftwaffe) en daar heeft ook het dorp zware schade bij opgelopen. Vanaf 1948 wordt La Bruyère de thuishaven van de 1st Fighters Wing en sinds 1979 de vestigingsplaats voor de F-16 Fighting Falcon. Dat moet heel wat – dikwijls ook luidruchtige – bedrijvigheid hebben gegeven maar in 1996 zijn de gevechtsvliegtuigen overgebracht naar de Vliegbasis Kleine-Brogel en Florennes.

Sindsdien dient de basis om gevechtspiloten op te leiden, als weervoorspellingsstation, en voor de muziekkapel van de luchtmacht. Sinds 2010 dient de basis ook voor de huisvesting van de gevechtshelikopters van de luchtmacht. Er is ook een museum, het ‘First Wing Historical Center’ maar blijkbaar worden er sinds 2010 geen luchtshows meer georganiseerd.
Op de Place de la Bruyère zijn de stationsgebouwen en een aantal andere historische huizen nog altijd aanwezig maar de grote stelplaats van het verleden is een wat brave groene vlakte en parkeerplaats geworden. Voor zover ik weet is geen van de gebouwen hier ‘inscrit comme monument” wat ik wel merkwaardig vind. Van hier ging Zwarte Jean pal naar het zuiden naar Jodoigne en naar het oosten richting Tienen. Omdat in beide richtingen het tramspoor vooral gaat langs de grotere verkeerswegen houd ik het voorlopig even bekeken met deze reportage want die kant uit is het wel een mooi golvend akkerlandschap maar als voetganger of fietser is al dat verkeer wat minder aantrekkelijk. Zodra ik er meer over weet te zeggen beloof ik de tramreis voort te zetten.

BESLUIT
De reis met buurttram Zwarte Jean door de vallei van de Ruisseau de la Néthen eindigt hier voorlopig voor de verkenner maar voor de lezer gaat hij nu pas beginnen. Ik heb zoveel mogelijk foto’s verzameld om tegelijkertijd het verleden en het heden te kunnen zien. Ik heb ook op veel plaatsen verteld waar je naar kan gaan kijken langs de vroegere spoorbedding en wie echt geïnteresseerd is kan op al die plaatsen ook de verhalen opzoeken die er bij horen. Sommige van die verhalen zijn veel ouder dan de tram maar andere zijn nog nauwelijks begonnen. Vanaf hier zal je je eigen reis moeten organiseren in je eigen tijd en eigen tempo en ik vermoed dat je al doende nog heel wat meer zal ontdekken want het is een heel mooie en boeiende vallei en vergeet vooral niet om ‘bonjour’ te zeggen tegen iedereen die je tegenkomt want dat is in deze streek nog de goede gewoonte. Ik wens je daarbij minstens zoveel veel lees- en reisgenot toe als ik zelf heb opgedaan in het opzetting van deze verkenning!


+++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++
Met Stoom en Mazout “74 Jaar sporen tussen Tervuren en Tienen” – René Hallet; Heemkundige Kring Huldenberg, D/2010/4100/1 (en daar nog verkrijgbaar)
21/06/2015 PAR BRUNO VAN DE CASTEELE
Quand le tram roulait à Beauvechain … (1ère partie)
https://unregardsurbeauvechain.be/tag/tram/
7/06/2015 PAR BRUNO VAN DE CASTEELE
Quand le tram roulait à Beauvechain … (2eme partie)
02/04/2018 PAR BRUNO VAN DE CASTEELE
(Un article écrit par Jean-Luc Lecluse, habitant de Hamme-Mille. Cet article fut publié d’abord dans le Contact de la paroisse St Amand d’Hamme-Mille.)


Beauvechain au fil du temps – Marc Deconinck – uitgegeven door de gemeente Beauvechain ter gelegenheid van de overgang naar het jaar 2000
http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/fiche/index?codeInt=25037-INV-0260-01
Inventaire du patrimoine culturel immobilier – Wallonie
lampspw.wallonie.be › pdf › fiche van het station in Nethen
http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_thema/index.php/dossier/view/BC_PAT/25037-CLT-0001-01 (Savenel)
Robert Van den Haute – Néthen, le “Saint Désert’’ de Savenel – histoire du domaine des orgines à nos jours ; Wavrensia, Cercle Historique et Archéologique de Wavre et de la Région, 1985


Tarlier & Wauters: Retranscription: Commune de Néthen
http://www.echarp.be/twcwav18.php
Aménagement de la Place de Trémentines et de la traversée …
www.grez-doiceau.be › pcdr › view
3 okt. 2019 – Fiche : « Sécuriser la traversée de Nethen ». 2. Méthodologie. 3. Table 1 … Proposition de réactiver le trajet de l’ancien vicinal comme Ravel.
Compte-rendu de la réunion « Aménagement de la Place de Trémentines et de la traversée de Nethen » du jeudi 3 octobre 2019
https://www.pcdr.grez-doiceau.be/documents-en-ligne/annexes/liste-des-batiments-remarquables-monuments-et.pdf: (Rue Tirlement 77)

Miradal, Erfgoed in Heverleebos en Meerdaalwoud, Davidsfonds/Leuven, D/2009/0240/43, ISBN: 978-90-5826-624-8 (nog verkrijgbaar bij Vrienden Van Heverleebos en Meerdaalwoud)
uitgebreid PDF -document over de Pré de Litrange
https://www.molenechos.org/molen.php?nummer=1025
Moulin de Litrange | Moulin de la Forge | Moulin de Fer …
http://ernstguelcher.blogspot.com/2013/04/les-forges-de-moulin.html

1770 – Le Grand Brou | Rechercher un site intéressant ou …
biodiversite.wallonie.be › 1770-le-g…

(station Nodebais)
(station Tourinnes-la-Grosse)
(stationsgebouw Beauvechain)

http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/fiche/index?sortCol=2&sortDir=asc&start=0&nbElemPage=10&filtre=&codeInt=25005-INV-0065-02 (ferme de gerardmont)
http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/fiche/index?sortCol=2&sortDir=asc&start=0&nbElemPage=10&filtre=&codeInt=25005-INV-0112-01 (ferme Grande Cense de Gembloux)

http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/presentation/index
http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/fiche/index?sortCol=2&sortDir=asc&start=0&nbElemPage=10&filtre=&codeInt=25005-INV-0081-02 (windmolen Haccourt)
https://www.molenechos.org/molen.php?nummer=703
Moulin Haccourt | Belgische Molendatabase | Molenecho’s
http://www.molenechos.org › mo
http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/presentation/index
Zoom- en draaibare Googlemaps-link vanaf het spoorviaduct in Sint Joris Weert aan het brugje over La Néthen aan het begin van de weg naar Nethen (Rue Weert-Saint-Georges):


Zoom en draaibare link naar Nethen Station en Place des Trementines:
Draai- en zoombare Googlemapslink naar de Rue Emile Vandervelde 38 waar het tramspoor uitkomt op een weide. Op links zie je de Rue de Hamme-Mille
Draai en zoombare link op Googlemaps naar de buurtspoorlijn Leuven-Hamme – Mille ter hoogte van de Rue Delherse (tussen restaurant Valduc en Carrefour Market): https://www.google.be/maps/@50.7849666,4.7200173,524a,35y,260.3h,44.81t/data=!3m1!1e3

Draai- en Zoombare Googlemaps link naar het station in Hamme-Mille:
Googlemaps naar de kruising tussen de Rue de Tourinnes – Rue du Grand Brou en de Chemin des Prés (de veldweg links)
Draai- en Zoombare Googlemapslink naar het station van Nodebais:

Draai- en Zoombare Googlemaps link naar het Station Vicinal de Tourinnes-la-Grosse:
Draai- en Zoombare Googlemaps link naar het Station Vicinal de Tourinnes-la-Grosse:
http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/presentation/index
googlemapslink met luchtfoto van Ferme de Gerardmont:

zoom- en draaibare googlemapslink naar het station van Beauvechain:
Zoombare Googlemaps link naar Place de la Bruyère, je kan het spoor van Zwarte Jean nog wel zien links van de Avenue des Combattants ter hoogte van de militaire basis



Trefwoorden: zwarte jean, nethen, beauvechain, hamme-mille, nodebais, tourinnes, la bruyère, buurttram, savenel, nicaise, haccourt, le grand brou, erfgoed, geschiedenis,
TER INLEIDING

10 jaar na het verschijnen van het boek Met Stoom en Mazout van René Hallet is er nog altijd onverminderde belangstelling voor Zwarte Jean (Zwette Jean), de stoomtram en later dieseltram die tussen 1905 en 1957 dapper elke dag een aantal keren op en neer reed tussen Vossem (Tervuren) en Tienen. Om al die verhalen over verleden, heden én toekomst van deze beroemde buurtspoorweg in ons gezamenlijk geheugen bijeen te brengen en te houden bestaat er al sinds enige tijd een heel toffe openbare facebook groeps-pagina met de naam OP STAP MET ZWARTE JEAN TUSSEN TIENEN EN VOSSEM EN LEUVEN EN JODDOIGNE.
Aangezien een belangrijk deel van het traject ging (en gaat) door de Franstalige gemeenten Grez-Doiceau (Néthen), Beauvechain is die pagina dubbeltalig en ieder is vrij om in zijn of haar eigen taal bij te dragen met posts en commentaren. In Hamme-Mille kruiste deze lijn ook een andere belangrijke lijn, namelijk die tussen Leuven en Jodoigne en als ik op de dienstregelingen kijk waren er ook rechtstreekse trams tussen Jodoigne en Vossem…

Het is een heel toffe en zich snel uitbreidende pagina, niet in het minst omdat vanwege de wederkerigheid van het medium er voortdurend ervaringen worden uitgewisseld, foto’s elkaar opvolgen, mensen langs de lijn elkaar leren kennen en waarderen en dat alles bij elkaar in een bijzonder snel tempo onze kennis van en inzicht in het Zwarte Jean-gebeuren in onze streek opnieuw in de verf gezet wordt.
Het is nu de uitdaging om al die instromende verhalen en beelden ook een samenhangende vorm te geven dat een beeld geeft van het geheel op de lijn als geheel en de reis ook boeiend te maken vanuit een wat wijder perspectief. Ik heb gekozen om er een tramreis van te maken die alle stations aandoet en waarbij de reiziger iets meer te weten komt over wat er aan beide kanten van het spoor allemaal te zien en te vertellen is. Aan de hand van oude en nieuwe foto’s kan je je ook een idee vormen wat er allemaal veranderd is, wat is gebleven en wat er nog gedaan kan worden om het nog mooier en boeiender te maken. Ik zou zeggen, stap mee op de tram en geniet van de reis.

EEN STUKJE GESCHIEDENIS
De “Nationale Maatschappij van Buurtspoorwegen” werd opgericht in 1885 met het doel om in aansluiting op en ter vervollediging van het al een halve eeuw bestaande netwerk van treinen, reizigers en goederen tussen steden, dorpen en gehuchten te vervoeren die onvoldoende op het treinnetwerk waren aangesloten. Bij de uitbouw van het buurspoorwegennetwerk in Brabant werd op 8 september 1887 de eerste lijn geopend tussen Brussel en Schepdaal en op 1 oktober van dat jaar volgde de opening van de eerste lijn van de toekomstige Groep Leuven, Waver-Archennes. In 1892 werd de lijn Tervuren-Tienen gepland met de knooppunten Vossem, Sint joris-Weert, Hamme-Mille en Beauvechain. Nog in december van datzelfde jaar wordt de lijn Leuven-Jodoigne in gebruik genomen. Beide lijnen moeten het spoorgedeelte Hamme-Mille – Beauvechain met elkaar delen.
Tien jaar later, in juni 1902 wordt de lijn Tienen -Beauvechain in gebruik genomen en precies één jaar later volgt in 1903 de in gebruikneming van het tracé tussen Hamme-Mille en Sint Joris-Weert. Twee jaar later wordt als sluitstuk van dit gebeuren op 3 mei 1905 het spoorgedeelte Sint Joris-Weert – Neerijse – Loonbeek – Vossem in gebruik genomen. Dat het zolang duurde voordat hier de trams reden zal wel grotendeels te wijten zijn aan de technische uitdagingen op het heuvelachtige plateau van Duisburg maar ook om de Dijlevallei aan de Doode Bemde, dan nog Grootbroek, over te steken en ook nog een brug over zowel de IJse als de Voer te bouwen.

Tussen 1905 en 1959 werden niet alleen pendelaars vervoerd maar ook alle mogelijke goederen zoals suikerbieten, koeien en varkens, steenkolen en ook bierflessen en ander materiaal voor de brouwerijen en handelszaken in de streek. Nadat vanaf 1930 de stoom plaatsmaakte voor dieselmotoren werden er met speciale trams ook toeristische en educatieve uitstappen georganiseerd vanuit Brussel naar Chaumont Gistoux, maar ook naar het Zoet Water in Oud-Heverlee. Anders dan de meeste mensen denken had de tram een vaste dienstregeling met in het begin 12 dagritten tussen 6.30 uur en 20.00 uur en tussen Sint Joris Weert en Neerijse duurde de rit zo’n 5 minuten (wat me erg weinig lijkt). Sneller dan 30km per uur mocht hij niet rijden en de stoomfluit mocht slechts spaarzaam worden gehanteerd om geen ruiters in de problemen te brengen. Na de tweede oorlog werd de tram overdag veel gebruikt door overlevenden van de oorlog die voor de behandeling van hun trauma’s terecht konden op het kasteel van Neerijse.
ik vind heel weinig over het aantal mensen dat bijvoorbeeld in Sint Joris Weert alle dagen of weken de tram nam om in Brussel te gaan werken in de veronderstelling dat Tienen of Jodoigne als bestemming in het dorp wat minder in de markt lag. Misschien willen de mensen van nu nog eens in de dagboeken, archieven en zolders van hun ouders en grootouders snuffelen om hierover meer gegevens te verzamelen? En ook foto’s zijn bijzonder welkom om het verleden opnieuw vorm te geven en het toch minstens uit de sfeer van de nostalgische ‘anecdotes’ te halen.

De bedoeling van deze tekst is niet alleen en zelfs niet in de eerste plaats om een nostalgische herinnering onder de aandacht te brengen. Het opheffen van het buurttramnetwerk dat beschikte over een eigen bedding beschouw ik als een historische vergissing vanwege onze overheden die het beleid op het vlak van openbaar vervoer bepalen. Gedane zaken nemen echter geen keer maar wie de moeite neemt om dit traject eens met de fiets of te voet te verkennen zal merken dat grote stukken er van nog onbebouwd zijn en met een beetje goede wil opnieuw toegankelijk kunnen worden gemaakt. Bijna alle stations en bijbehorende café’s zijn er nog (met dat van Vossem als opgemerkte uitzondering) en worden door hun huidige bewoners gekoesterd. Grote delen van het landschap zijn nog niet opgeofferd aan eigentijdse ambities en hebben hun natuurlijk aanzien behouden. Nu het tijdperk van koning auto en van het monopolie van gemotoriseerd verkeer ter discussie ligt kan het tracé van buurtram Zwarte Jean opnieuw worden vrijgemaakt voor recreatieve en natuurdoeleinden. Iedere gemeente kan zijn haar stukje van de bedding aanpakken, de provincie kan het tracé promoten als een ‘bovenlokaal’ project en de Vlaamse overheid kan de nodige assistentie en fondsen leveren. Wat betreft het historisch belang van deze buurtspoorweg mag er ook wel veel meer verwacht worden van de gezamenlijke heemkundige kringen in de gemeenten waar een stukje van het tracé doorheen gaat. Ik reken er op dat deze verkenning daartoe een steentje bijdraagt, ook al omdat tijdens de voorbereiding er opvallend veel positieve reacties zijn binnengebracht.
Ernst Gülcher
René Hallet MET STOOM EN MAZOUT “74 Jaar sporen tussen Tervuren en Tienen”, Heemkundige Kring Huldenberg, D/2010/4/4100/1 – het boek is nog altijd verkrijgbaar bij de Heemkundige Kring van Huldenberg


ZWARTE JEAN IN SINT JORIS WEERT

Op 3 april 1905 reed de eerste stoomtram tussen Sint Joris Weert en Vossem. Weert was natuurlijk een belangrijke plek want alleen daar konden reizigers uit de wijde omgeving overstappen op de trein en kon er ook vracht worden overgeladen. In die tijd zag de omgeving er uit als een echte ambachtszone. René Hallet wijst er in zijn boek op dat voor de uitvoering van het buurttramproject de staatspoorwegen en de buurtspoorwegen nauw samenwerkten in de bouw van een helemaal nieuwe stationswijk in het dorp: “de omgeving was herschapen in een grote bouwwerf door de uitvoering van allerlei infrastructuurwerken voor de aanleg van de nieuwe tramlijn, met daarbij aansluitend de bouw van een nieuw tramstation en locomotievendepot. De staatsspoorwegen werden betrokken in dit knooppunt door het oprichten van een nieuw treinstation en een spoorbrug die mee aansloten op het buurttramproject: de brug van de spoorwegen liep over het meterspoor van de buurttram richting Nethen.” Treinstation en tramstation staan recht tegenover elkaar. Samen met het station in Vossem (afgebroken in 1990) was dit het enige volwaardige buurttramstation met loketzaal, wachtzaal, sanitair en een opslagplaats.


Hier kon de tram ook zijn watervoorraad aanvullen. Dat werd aangevoerd van de bron Pier Slot aan de Borrestraat. Leidingen voerden het bronwater naar de speciaal gebouwde watertoren bij het tramstation. De NMVB kreeg hiervoor de toelating van de gemeente op voorwaarde dat alle woningen van de Beekstraat en Stationstraat er gratis op mochten aansluiten. Gegeven het feit dat het dorp in die tijd ook al elektriciteit kreeg van de plaatselijke watermolen Vandenbempt, moet Sint Joris Weert lange tijd het belangrijkste, economische meest actieve en modernste deel geweest zijn van wat veel later de fusiegemeente Oud-Heverlee zou worden. In tegenstelling tot in Vossem zijn bijna alle gebouwen er nog en is ondanks de merkwaardige huidige sfeer van verlatenheid de site nog altijd heel herkenbaar, misschien wel omdat hij er ondanks het verdwijnen van de tramrails nog altijd uitziet als een opslagplaats en bouwwerf. Bovendien is de trein-infrastructuur er ook nog en het gebruik daarvan neemt zichtbaar (en hoorbaar) toe. Alleen het heel grote en deftige gebouw van ‘Café du Commerce’ is van de aardbodem verdwenen onder het nogal fantasieloze huidige postkantoor.
Zelfs de onvoorbereide haastige bezoeker zal in de Stationsstraat wel opmerken dat hij of zij zich op een bijzondere site bevindt.


Er zijn weinig plaatsen waar je twee stations recht tegenover elkaar vindt en nog minder waar beide beschermd en gerestaureerd zijn als monument. Bovendien staan er nog een heel aantal andere stationsgebouwen die ook als monument beschermd zijn en hoewel die niet echt gerestaureerd zijn zien ze er toch nog wel in goede staat uit. Bovendien zijn beide stationsgebouwen in dezelfde periode jaar gebouwd, namelijk tussen 1903 en 1905. Het treinstation is de opvolger van een eerder gebouw dat dateerde van de oprichting van de spoorlijn in 1855 en is neergezet in de typische forse stijl van die tijd voor kleine stations van enig belang. Het tramstation daarentegen is daarbij vergeleken ontworpen als een klein paleis in art nouveau-stijl als om de wereld te tonen hoe belangrijk de overheden van die tijd heel dit project van buurtspoorwegen inschatten en er het prestige van wilden bewijzen. Op foto’s zie je dat het hoger is dan dat van de NMBS, ook al vanwege het sierlijke torentje. Sinds juni 1998 is het beschermd als monument vanwege zijn “industrieel-archeologische waarde als tramstation … deel uitmakend van een landelijke doch belangrijke stations-site, in een voor tramstations uitzonderlijke bouwstijl, in 1903 … opgetrokken naar de plannen van een speciaal daartoe aangestelde architect, waarschijnlijk Henri Vaerwyck”. Het bakstenen gebouw bevat woonruimten (links), een wachtzaal (midden, brede toegang met boog) en een lager bureau met magazijn (rechts) en is zo gebouwd dat je die functies van elkaar kunt onderscheiden. Het is hoog maar smal en langs de niet voor het publiek zichtbare achterkant een stuk huiselijker dan aan de straatkant.


In 1960 is het samen met de rest van de site verkocht. Sindsdien is er lang een bankkantoor in gevestigd geweest en waarschijnlijk is het om die reden al vrij vroeg prachtig gerestaureerd in tegenstelling tot het treinstation dat vele jaren van verval heeft moeten meemaken voordat het eindelijk mooi terug opgebouwd werd. Op oude foto’s zie je wel dat het er in het begin van de vorige eeuw wel wat meer gedecoreerd was, onder meer met een sierlijk torentje dat nu niet meer te zien is.
Voor de andere wat prozaïscher gebouwen op de tramstelplaats van de buurtspoorwegen op de site is de monumentale bescherming pas officieel vanaf 2005. Op de foto’s zie je dat het gaat om de goederenloods, de loods voor locomotieven en wagons, de vierkante watertoren met het grote kolenhok en de lampisterie (spoorwegterm voor werkplaats voor onderhoud van de treinverlichting). Van de straat zijn ze niet volledig zichtbaar maar het erfgoeddossier wijst onder meer op de zadel-vorm van de daken en muren met “accenten in gele baksteen en typische druipboorden aan de overkragende dakvlakken”, de aanwezigheid van oude rails en allerlei soorten van typische spoorweguitrusting van die tijd, de resten van de oude laadhelling en meer in het algemeen op de industrieel-archeologische waarde van de site in zijn geheel zoals Spoorwegen en Buurtspoorwegen in 1900 het openbaar spoorverkeer en de mobiliteit van goederen, diensten en reizigers in goede samenwerking uitwerkten.


Het merkwaardige hoge gebouwtje is de watertoren die in die tijd moest dienen om de locomotieven van voldoende stoomkracht te voorzien, bijvoorbeeld om de helling naar Duisburg te beklimmen. Volgens mij werd hij tot voor enkele jaren nog altijd gebruikt maar vandaag niet meer. Zoals iedereen weet in het dorp was de toren door de buurtspoorwegen met een buizenstel aangesloten op de iets hoger gelegen historische waterbron Pier Slot in de Borrestraat, de holle weg naar het Meerdaalwoud waar tweeduizend jaar geleden de Romeinen ook al hun water haalden en na hen vele generaties van plaatselijke bewoners. Voor de dorpelingen was die watertoren een zegen want de gemeente had bekomen dat de NMVB dat water ook aansloot op kranen in de huizen waarmee Sint Joris Weert zowat als eerste beschikte over leidingwater (en ook over elektriciteit vanuit de watermolen Vandenbempt). De buizen zijn verdwenen, de bron – in zijn tijd een simpele houten constructie – is afgesloten om nooit helemaal duidelijk aan het publiek uitelegde ambtelijke redenen en zelfs na herhaaldelijk aandringen ligt er nog altijd geen plan op tafel om hem weer zichtbaar te maken. Misschien dat dit stations-verhaal zo’n plan een beetje dichterbij brengt? Het gaat immers om uniek materieel maar vooral immaterieel erfgoed en bronnen hebben we ook al niet te veel meer.


In 1957 was het tijdperk van buurttram Zwarte Jean voorbij. De NMBS electrificeerden de spoorlijn Leuven-Ottignies vanwege het belang van de verbinding met de haven van Antwerpen, het industriegebied van Charleroi en de lijn richting Luxemburg naar de rest van de rest van Europa. De buurtspoorlijn werd nog datzelfde jaar gesloten voor het reizigersvervoer maar bleef nog twee jaar in gebruik tijdens de oogst van de suikerbieten. De autobus en de vrachtwagen namen het regionaal vervoer over en tegen die concurrentie kon de tram niet op. Station en stelplaats in Sint Joris Weert raakten buiten gebruik en dus in verval omdat een ander niet meer onderhouden werd. En dan gebeurt – anders dan in Vossem – er een klein wonder. In 1961 verkoopt de NMVB de hele site met alles er op en er aan familie Camille Vanopdenbosch uit Sint Joris Weert. Hoe het allemaal in elkaar zit weet ik nog niet zo goed maar sindsdien zijn de werkplaatsen in gebruik bij twee bedrijven, een voor bouwmaterialen en de andere voor de verkoop van brandstoffen. Dankzij hen is de site bewaard gebleven en eigenlijk ook nauwelijks van aard en aanzien veranderd behalve dat de trams en de rails zijn vervangen door grote vrachtwagens en betonnen vloeren. De trams reden aan de ene kant binnen en aan de andere kant er weer uit, vandaar de lengte van de loodsen. Zoals het moet zijn geweest in de oude tijd staan en liggen er allemaal oude en nieuwe materialen in het rond van allerlei aard en ik vind dat dit eigenlijk wel past op zo’n industrieel-archeologische site.

Dankzij Ann Vanopdenbosch, de huidige eigenares en bedrijfshoudster, heb ik toch al even mogen binnenkijken in de grote loodsen en zowaar het enige overgebleven stukje rails op de foto kunnen zetten. Gek genoeg is dat spoortje veel te breed om voor de tram te hebben gediend. Op een paar andere foto’s kan je je een voorstelling maken van de reusachtige daken die vroeger en nu voertuigen, machines en werkmensen moesten droog houden en de hoeveelheid bakstenen zuilen met ijzeren constructies die het gewicht van dat dak moeten dragen. De familie is trots op haar erfgoed en is van plan om het in stand te houden zoals zij het heeft kunnen kopen. Alles is in goede staat en sommige zaken zijn gerenoveerd of zelfs gerestaureerd. Uit de watertoren is het waterreservoir verwijderd omdat het totaal was doorgeroest maar langs de buitenkant zie je opnieuw de prachtig gerestaureerde dakgoten zoals die vanaf het begin werden aangebracht. De massieve houten deuren zijn nog altijd de oorspronkelijke en Ann vertelt me dat ze binnenkort de vele houten vensters gaan moeten vervangen maar dat het moeilijk zal zijn om dezelfde kwaliteit hout te vinden als het eikenhout van vroeger.


Een foto uit 1915 toont beide stations waarbij dat van de trein uitgebrand is maar dat van de tram er onbeschadigd bij lijkt te staan. Op de gedenkplaat aan de op 1 november 2018 aangeplante Vredesboom in het dorp lees je dat in augustus 1914 het Duitse leger een groot deel van de huizen platbrandde als represaille voor het doodschieten van een Duitse soldaat door de lokale gendarmen. De Molenstraat, de Beekstraat en de Stationsstraat werden getroffen met inbegrip van het gemeentehuis, de jongensschool en het gloednieuwe treinstation. Het tramstation werd blijkbaar gespaard en het oude treinstation dat nog niet gesloopt was deed nog een aantal jaren dienst. Bij René Hallet lees ik dat in WOI de Duitsers het hele buurttramnetwerk ontmantelden (in tegenstelling tot in WOII) maar ik vind geen details in verband met Sint Joris Weert. Blijkbaar werd tijdens de wereldoorlogen de buurttram veel gebruikt om te smokkelen maar het ontbreekt aan konkrete getuigenissen. De buurttram diende niet alleen voor de pendelaars maar ook voor het toerisme. Vanaf 1936 organiseerde de NMVB groeps-excursies – vooral voor scholen – vanuit Brussel naar Chaumont-Gistoux via Leuven of Sint Joris Weert. Daarbij kon men ook het Zoet Water bezoeken. Het moet een hele bedoening geweest zijn maar meer dan een afdruk van een programma met tarieven (Hallet p.93 en 249-251) heb ik nog niet gevonden. Ik vind weinig over de bedrijvigheid die de tram en trein in die tijd met zich meebrachten en op de foto’s – meestal prentbriefkaarten – zie je nooit veel mensen maar degenen die poseren zijn wel meestal plaatselijke bekenden, dikwijls ook kinderen (toen kon dat nog blijkbaar!).

Hallet geeft één ‘Staat der Overladingen – Statie van Overgave’ van juni 1950 waarop je ziet dat op die dag een hele lijst van goederen van de trein op de tram werd overgeladen met bestemming Duisburg, Tersaert en andere halteplaatsen van Zwarte Jean (p.232/23). Hoe vaak en in welke hoeveelheden dit gebeurde weet ik niet.
In de brochure van de gemeente ‘140 jaar geleden Den Yzerenweg in Weert’ van Open Monumentendag 1995 lees ik: “Tot in de 60-er jaren gonsde het van de bedrijvigheid door het lossen en laden … Er werden vooral veel steenkolen aangevoerd … voor de kolenhandelaars … die toen nog de serristen als grootste klant hadden. Tijdens de suikercampagne werden veel suikerbieten aangevoerd voor de …fabrieken in Tienen en Waver. Per trein werd ook … munitie aangevoerd voor het munitiedepot van Meerdaal en petroleumproducten voor … een plaatselijke verdeler. … Er was ook een druk reizigersverkeer …. Pendelaars uit de naburige dorpen kwamen per fiets … om zich per trein of tram naar hun werk te begeven. Voor 5 fr per dag kon men zijn fiets stallen bij Georges Vannieuwenhoven of Fancis Peeters. Zij hadden beiden een fietsenhandel met café en zaal. Na de dagtaak kon men zijn dorst … lessen in een van de 8 café’s .. in .. de Stationsstraat.” Er was ieder jaar kermis aan de Statiestraat en vooral na WO2 werd die druk bezocht. Kortom, voor een dorp met slechts een paar straten was er een overvloed aan “amusatie”.


Na 1957 kwam er een einde aan dat tijdperk en een grote stilte deed zijn intrede. Sindsdien breidt de bebouwing achter het station zich als een olievlek uit en de combinatie openbaar vervoer en fietsen voor werk en toerisme is opnieuw in opmars maar van al die café’s bestaat alleen nog ‘In de Rapte’. Het grote ‘Café du Commerce’ is in 1973 afgebroken om plaats te maken voor de post en voor appartementen (zonde, verloren erfgoed). Dankzij Luc Van Linthout beschikt de Geschied- en Heemkundige Kring van Oud-Heverlee over een lijst van die café’s (zie de link) en hier en daar hebben we er ook foto’s van. Blijkbaar zijn er misschien nog méér geweest want ze hadden niet allemaal namen. Plaatselijke kenners vertellen me dat zowat huis in het dorp ‘café hield’ zodat je van de een naar de ander kon gaan. Maar hoe komt het dat dit grote plein er na al die tijd zo ongezellig uitziet? Bloembakken, bomen en zitbanken zouden toch de aantrekkelijkheid ervan ferm vergroten en volgens mij zou er best een skateboardpiste voor jongeren kunnen komen. Het zou ook hardrijders een beetje inperken en de mogelijkheden voor een leuk terrasje uitbreiden denk ik.
De moeite die gedaan is om de stations-site te bewaren steekt af tegen de blijkbaar even grote inspanningen om het tracé vanaf het spiehuis tot aan de Doode Bemde ONtoegankelijk te maken. Om er te komen moet je er op enige afstand vandaan enkele straten en voetwegen volgen, kort geleden nog landelijk maar tegenwoordig door de bebouwde kom. Vanuit de lucht is het tracé nog zichtbaar als een rechte horizontale lijn tussen het spiehuis naar de Neerveldstraat en dan naar de Kauwereelstraat.


Achter het tramstation is er na de laatste verkaveling wel een ‘Tramplein’ aangelegd waarover je via een voetweg wat sneller naar de Kauwereelstraat kan komen maar nergens kom je dicht aan de oorspronkelijke bedding.
Vanaf de Kauwereelstraat gaat de lijn verder en is de dijk ook zeer duidelijk zichtbaar als een hoger gelegen beboste strook in het landschap tot aan de vleermuizenbunker aan de Dijle op de plek waar vroeger de trambrug over de rivier geweest moet zijn. Het is mij een raadsel wanneer en waarom men die brug heeft afgebroken want nadat hij in het begin van W0II was opgeblazen door de terugtrekkende troepen is hij daarna weer braaf opgebouwd. Hij staat nog op de kaart van 1969 maar niet meer op die van 1981. Ik heb er nooit foto’s van gezien en weet dus zelfs niet hoe hij er uitzag en of hij van ijzer of beton was. In elk geval is hier een unieke en goedkope kans gemist om in goed overleg met omringende eigenaars een autovrije wandel- en fietspad te maken vanaf het station tot aan het natuurreservaat de Doode Bemde. Bezoekers moeten er nu langs de drukke Neerijsebaan zien te geraken. Vanaf de Dijlebrug aan die baan zie je de tramdijk heel duidelijk verder gaan het natuurgebied in. Ik pleit ervoor om daar ook een paadje te maken dat aansluit op het toegankelijk gemaakte gedeelte in de Doode Bemde. Die dijk wordt nergens echt gebruikt door de boer die er eigenaar van is dus zo’n groot probleem kan het toch niet zijn, zeker omdat er al grote en groeiende stukken van dat gebiedje ook al tot het natuurgebied behoren?


Ik denk dat er voor de lokale overheden nog een aantrekkelijke uitdaging ligt te wachten, vooral ook omdat men uitdrukkelijk het toerisme op trage wegen in eigen provincie wil bepleiten. Ik zou zeggen, de weg is er al maar de wil moet nog even boven komen drijven. Als deze verbinding gerealiseerd zou kunnen worden zijn we een flink stuk verder op weg naar een autovrije buurttram Zwarte Jean verbinding tussen Sint Joris Weert en Vossem en meer dan dat, ik heb al ontdekt dat vanaf Sint Joris Weert die verbinding er ook al zowat is richting Hamme-Mille en Beauvechain en dat is toch al een stukje verder. Er zijn immers bijna nergens onoverkomelijke bezwaren zoals nieuw gebouwde woonwijken of bedrijfsterreinen, hier en daar moet je om een alleenstaand huis of een zuiveringsstation heen of door of langs een veld of akker. Wordt ongetwijfeld vervolgd.

ZWARTE JEAN IN DE DOODE BEMDE
René Hallet vertelt (op p.145 e.v. met plannen en specificaties) dat de buurtspoorwegen een “berm” diende aan te leggen “waarop de buurttram te allen tijde kon sporen zonder hinder te ondervinden van overstromingen die regelmatig plaatsvonden in het laag gelegen ‘Grootbroek’”. Vooral de twee leigrachten die tussen 1764 en 1769 waren aangelegd door kasteelheer Jean Albert D’Overschie vormden een formidabele hindernis. Om die reden werden twee openingen vrijgehouden en overspannen met metalen bruggen “opgebouwd met profielen en door middel van klinknagels met elkaar verbonden”. Die berm is er nog altijd maar de bruggen werden na de stopzetting van de lijn in 1959 gesloopt en met de rest van de infrastructuur als oud ijzer verkocht. Richting Sint Joris Weert werden ook de gronden verkocht maar in de vallei bleef de dijk in de natuur staan tussen de nadien aangeplante populieren in afwachting van betere tijden. Die kwamen er met de oprichting van het natuurreservaat en de sindsdien groeiende belangstelling voor alles wat met erfgoed te maken heeft. Op initiatief van de natuurvereniging Vrienden van Heverleebos en Meerdaalwoud is één van deze bruggen in 2003 door de genieschool van het leger heropgebouwd. Bij de andere is in 2005 het metselwerk hersteld en de blauwe dekstenen van de rechter brugrand vervangen. Links stond nog het originele ijzeren hek, aan de rechterkant werd een kopie geplaatst.

In René Hallet’s boek vind je zowel de technische plannen van de aanleg als foto’s van de restauratiewerken (p.295 ev.). Vandaag de dag is het een van de mooiste wandelpaden in de wijde omgeving, vooral omdat de tramdijk zich hoog verheft boven de natuurwildernis van de vallei met een zicht dat je bij ons nauwelijks nog op andere plaatsen zal aantreffen. Ik heb veel foto’s van Zwarte Jean maar nog geen één waarop je hem ziet rijden op de tramdijk in de Doode Bemde (wel langs de Neerijsebaan).
Zoveel verhalen als anecdotes er te vinden zijn over merkwaardige gebeurtenissen met de stoomtram op het traject tussen Loonbeek en Duisburg, zo weinig vind ik er over de tramdijk in de Dijlevallei. Is het omdat er op hellingen met een tram meer kan gebeuren dan in de vlakte, hebben die van Duisburg meer verbeelding of te vertellen dan die van Sint Joris Weert of gebeurde er gewoon nooit iets op dit toch wel spectaculaire maar vlakke tracé hoog boven de riviervallei? Ik heb wel enkele reacties gekregen van iemand wiens grootvader met de tram de kliniek in het kasteel van Neerijse moest bezoeken zoals zoveel anderen, maar ik vermoed dat dit niet valt onder de categorie ‘anecdotes’ gezien de oorlogstrauma’s waarvoor vele mensen daar behandeld moesten worden en ik heb ook de indruk dat aan dit deel van de geschiedenis niet graag herinnerd wordt.

Uiteindelijk vertelt René Hallet ons in zijn boek (op p.329) dan toch één verhaal, dat over Joris Vlaeyen van Sint Joris Weert die vlak na de tweede wereldoorlog samen met zijn vader hout aan het kappen was op de tramdijk en door een hevig onweer werd overvallen. Juist nadat hij de stalen brug was gepasseerd op zoek naar een schuilplaats sloeg de bliksem in de reling en door de slag raakte hij enige tijd buiten bewustzijn. Misschien toch een les als je van de zomer nog eens daar gaat wandelen bij dreigend onweer? Datzelfde verhaal bevestigt dat een spoorwegdijk wordt aangeplant met ‘houtige gewassen’ met flinke wortels om de grond vast te houden. Dikwijls zijn dat robinia’s maar in de Doode Bemde werd gekozen voor elzen want die kunnen beter tegen de nattigheid. Zouden de reizigers van toen ook genoten hebben van de spectaculaire natuur zoals de bezoeker van nu? Ik vind daar eigenlijk niets over. Maar er werden door de NMVB toch wel toeristische buurttramreizen georganiseerd dus de aandacht van de reizigers kan toch niet uitsluitend geweest zijn op het functionele?
MET ZWARTE JEAN NAAR NEERIJSE

Vanuit het natuurreservaat kan je de tramdijk richting Neerijse tegenwoordig niet meer volgen. Ter hoogte van de Elsenstraat loopt het spoor verder over het terrein van de waterzuiveringsinstallatie ten zuiden van de kliniekvijvers van het kasteel van Neerijse en volgt dan met een bocht de IJse naar de tramhalte in de Beekstraat. Op een luchtfoto zie je de dijk heel goed tussen de bomen en in feite zou er wel een pad kunnen zijn juist om de installatie heen tot aan de halte maar dat is er dus (nog?) niet. Om aan de halte te komen moet je omlopen via de Elsenstraat, de Lindenhoflaan, het kasteel van Neerijse, het St. Rochuskapelletje en de Prins de Béthunelaan om op de Beekstraat en terug aan de rivier te belanden. Over de RWZI (Rioolwaterzuiveringsinstallatie) Huldenberg vind ik niet direct zoveel gegevens behalve dat je bij Aquafin een rondleiding kan boeken. De installatie is in 1996 gebouwd om met collectoren en persleidingen aangevoerde huishoudelijk en industrieel afvalwater uit de gemeenten Hoeilaart, Overijse, Huldenberg en Sint Joris Weert (Oud-Heverlee) te zuiveren met een capaciteit van (als ik het goed begrijp) 31.5000 inwoner-effluenten. Die capaciteit is ondertussen nog ferm verbeterd en vergroot, in 2006 was ongeveer 85 procent van de inwoners van Huldenberg op de centrale aangesloten (recentere cijfers vind ik niet). Sindsdien is de IJse de properste waterloop in Vlaams-Brabant en er zwemmen verschillende soorten vis op. Op weg naar het kasteel passeer je langs de achterkant van de Linde(n)hof en het St.Rochuskapelletje en krijg je een mooi uitzicht op de Sint Pieter en Pauwelkerk van Neerijse met de twee uilentorens.

Het zijn allemaal als erfgoed beschermde monumenten met een eigen verhaal maar zonder een mij bekende relatie met de tram die er vlak onder door reed. Het kasteel Overschie aan de ingang van de Doode Bemde in Neerijse was echter niet altijd een oord voor rijke mensen met paarden, koetsen en auto’s. Uitgerekend in de tijd van de stoomtram Zwarte Jean deed het sinds 1932 dienst als weeshuis en kinderkolonie en in en na de Tweede Wereldoorlog als ziekenhuis, meer speciaal voor de opvang en verpleging van teruggekeerden uit de concentratiekampen (hier past de naam van Huldenbergs Dokter Delchef, zijn zoon en collega’s). Hierover zal je op de officiële website van het kasteel niets en in andere bronnen ook niet veel vinden, ongetwijfeld omdat het niet zo past in de deftige geschiedenis en de anecdotes, maar de patiënten en de bezoekers gebruikten de tram om op het kasteel te geraken. Aan de watermolen van het kasteel liet de Provincie Brabant in 1906 op verzoek van de buurtspoorwegen een ‘peilnagel’ plaatsen op de IJse om de waterstand te kunnen controleren. De werkman kwam met de tram ter plaatse (Hallet, p.307 ev. afdruk van de uitvoerige administratie). Of die nagel daar nog is weet ik niet. Via de Prins de Béthunestraat kom je op de Beekstraat. Naar rechts ga je naar de enige overgebleven brouwerij in Neerijse, brouwerij De Kroon. In het boek van René Hallet lees ik dat die in zijn goede (oude) tijd door Zwarte Jean werd bevoorraad.

Het boek bevat enkele afdrukken met leveranties voor kurken en flessen. Ook De Kroon is als monument beschermd. Ga je naar links dan kom je bij de rivier en aan het nog bestaande gebouw “A la Salle d’Attente du Vicinal” van de familie en melkerij Emmerechts, tot mijn verbazing het enige niet als monument beschermde oude gebouw in heel deze omgeving.
NEERIJSE – MELKERIJ EMMERECHTS
Buurttram Zwarte Jean diende niet alleen om pendelaars en goederen te vervoeren maar bood ook kansen aan vooruitziende nijveraars. In Neerijse springen de namen Bruffaerts en Emmerechts er uit. Dankzij René Hallet en Willy Brumagne kan ik dat verhaal vertellen. August Emmerechts, telg uit een oud boerengeslacht uit de streek rond Mechelen, bezit op het einde van de 19de eeuw een bloeiend bedrijf in Leefdaal voor de productie van melk en boter. Hij heeft een mooi huis gebouwd, houdt er ook café en zijn producten worden af- en aangevoerd met de tram tussen Vossem en Leuven. via zijn vriend Clément Bruffaerts, dan stationschef in Vossem, hoort hij over de plannen voor de aanleg van de buurtspoorweg Tervuren-Tienen. Hij neemt contact op met de maatschappij en krijgt het gedaan om in de loop van de onteigeningsprocedure een perceel te kopen langs het spoor aan de Beekstraat waar hij 1913 een huis met herberg, winkel en melkerij bouwt. August verhuist niet onmiddellijk naar Neerijse. Hij zet zijn bedrijf in Leefdaal verder, maar overhaalt zijn broer François om in Neerijse ook een kolenhandel te beginnen.


De steenkolen worden een succes want die worden per wagon ter plaatse gebracht. De herberg heet officieel ‘de Près’ maar op het gebouw staat de toepasselijke naam “A la Salle d’Attente du Vicinal”. Zijn kinderen Marcel, Louis en Anne vertrekken naar Neerijse om het nieuwe melkerijbedrijf op te richten. Ook dit wordt een groot succes. Het is niet toevallig dat de familie zich ook in Neerijse vestigt want terwijl de zuivelproduktie te leefdaal vooral gericht is op het maken van boter, speelt het bedrijf in Neerijse in op de grotere vraag naar melk in de steden. Van schoonbroer Frans Vanderborgt, als militair gekazerneerd in de streek van Charleroi hoort hij dat er groot gebrek heerst aan melk in het Waalse bekken. En er is maar één middel om die melk vanuit Neerijse daar naartoe te brengen, en dat is per tram. De melkerij levert in haar bloeiperiode kaas, yoghurt, boter en vooral melk tot in het Waalse Jumet, waar broer Louis een depot beheert. Het stelt dan 22 werklui te werk. Het Leefdaalse bedrijf is waarschijnlijk een paar jaar na het overlijden van August in 1918 stilgelegd maar het bedrijf in Neerijse is blijven voortwerken tot 1970 met zoon Marcel en later kleinzoon August als zaakvoerders. De laatste eigenares die ook het café openhield was Julia Bruffaerts en overleed in 2000 op de gezegende leeftijd van 86 jaar.


In het boek van René Hallet staat een heel mooie oude foto van de herberg met een hele groep mensen er voor, ik vermoed de ploeg van medewerkers en familie. De gebouwen zijn er nog altijd maar ze zijn nu wit geschilderd, eigenlijk een beetje saai. De taverne is zoals bijna alle andere vroegere stationsgebouwen langs de lijn verbouwd tot woning en de eigendom van het heel vriendelijk toegewijd koppel Paul Vandenwaeyenberg en Beate Rothenbacher. Maar net als bij de andere stationsgebouwen het geval is vind ik het gebouw niet terug op de inventaris van Waardenvol Bouwkundig Erfgoed en dat verbaast me wel. Stel je voor dat een historisch gebouw met zo’n verhaal zou verdwijnen omdat er iemand met een andere smaak er eigenaar van wordt!
Anders dan ik eerst dacht is de melkerij niet de achterzijde van het woonhuis maar staat hij iets verderop op de hoek van de Wolfshagen. Het gebouw is onherkenbaar verbouwd met appartementen en het hoofdkwartier van ‘JDI – ondernemers voor groei’. Er was een beetje verder ook nog een zagerij maar die is door de laatste eigenaar afgebroken en nu staan er nieuwe huizen aan beide kanten van de vroegere spoorlijn op de plaats waar vroeger gerangeerd kon worden en geladen en gelost.

Behalve het kasteel, brouwerij de Kroon en brouwerij Bruffaerts bediende Zwarte Jean in Neerijse ook Châlet du Lac (aan de visvijver) en melkerij Nerilac. Van hier volg ik het buurtspoor verder naar de brouwerij Bruffaerts aan de Kamstraat.
NEERIJSE – DE KAMSTRAAT
Vanaf de herberg aan de Beekstraat in Neerijse reed buurttram Zwarte Jean verder naar Loonbeek en vandaar naar Duisburg. Op de oude kaart zie je het spoor gaan aan de linkerkant (ten zuiden) van de rivier. Na de sluiting van de lijn is het opgebroken. Op een luchtfoto (Googlemaps) zie je de spoordijk verder lopen tussen de bomen tussen de Kamstraat en de IJse maar tussen de Beekstraat en de Kamstraat is het grotendeels verdwenen onder de achtertuinen van de bewoners aan de Ridderstraat (niet helemaal). Vanaf de kruising tussen de Ridderstraat kan je via de Kleine Hollestraat heel mooi naar Ottenburg en het Margijsbos door een magnifieke holle weg. Als je vandaar terugblikt heb je een schitterend zicht op de Pieter en Pauwelkerk. Voor de voetgangers en fietsers loopt het pad vanuit de Doode Bemde richting Loonbeek aan de rechterkant van de IJse. Dat IJsepad is heel wat ouder dan Zwarte Jean want ik zie het al op de Ferrariskaart van 1777.

Vanaf de Kamstraat gaat het tramtracé verder aan de afgesloten hek aan de ingang links van het receptiegebouw van de voormalige Camping en Caravaning ‘Les Châlets’. Op de kaart staat er een paadje aangegeven tot aan de IJsebrug. Of de camping er al was in de tijd van de buurttram weet ik niet. Er is geen ‘stort van bemoste stacaravans’ meer te zien maar het eens zo bloeiende bedrijf is sinds 2013 gesloten wegens ‘zonevreemdheid’ en uit wat ik lees begrijp ik dat de uitbater er als een van de weinige campinghouders in onze streken niet in geslaagd was om zijn kampeerterrein in natuurgebied te doen regulariseren. Het geheel ziet er altijd maar droeviger uit maar de vorige keer dat ik er was stond er een bord met een aanvraag tot verkaveling en ondertussen is de omgevingsvergunning afgeleverd.
Ik heb begrepen dat het de bedoeling is dat een nieuwe eigenaar zijn huis – of enkele huizen – op dit terrein wil en mag gaan bouwen want officieel is het perceel naast het campinggebouw bouwgrond ondanks het feit dat alles daarachter natuurgebied is.

In de aanvraag wordt de aanwezigheid van de historische trambedding zelfs niet vermeld. Waarom iemand nog in deze tijd bovenop de bedding van een alom bekende toeristische historische maar niet meer gebruikte buurttramlijn wil bouwen versta ik nooit erg. Er is op die plek trouwens ook wel plaats voor een huis juist er naast als het dan echt moet. Maar op die manier raakt Vlaanderen zijn erfgoed dus wel kwijt.
Het toont opnieuw de noodzaak aan om belangrijke historische installaties op tijd in bescherming te nemen en eigenlijk vind ik dat ook wel de verantwoordelijkheid van de overheden om daarvoor te zorgen. Het is ook heel jammer want tussen het hek en de brug over de IJse een beetje verderop zou een toeristisch pad zonder problemen de spoorlijn kunnen volgen.
Het lichtpunt in het dossier is echter dat het bouwen op de trambedding zelf blijkbaar verhinderd wordt doordat er een erfdienstbaarheid rust op een deel ervan dat dient als toegangsweg naar de er achter gelegen ex-camping. En blijkbaar zijn er ondertussen ook wat andere plannen in discrete onderhandeling om de site een nieuwe bestemming te geven waarbij de bedding wordt vrijgehouden van bebouwing.
Aan de brug over de IJse aan de visclub staan twee bezienswaardigheden naast elkaar. Het vervallen gebouw aan de rivier is de voormalige watermolen en brouwerij Sint Pieter, gebouwd door de familie Decoster en voor het eerst vermeld in 1762. De familie Decoster baatte eveneens in die tijd of later brouwerij De Kroon uit aan de Beekstraat.

Op 5 juni 1848 kocht Henricus-Joseph Bruffaerts de brouwerij aan de Kamstraat aan van de weduwe Philippus Sterkx-Beersaerts. Een gevelsteen met het opschrift H.J.B.E (of F). en het jaartal 1851 herinnert aan deze gebeurtenis. De eerste drie letters verwijzen naar de koper en de laatste naar Entreprise of Famille.
Sindsdien bleef de brouwerij, in de omgeving gekend als ‘Brouwerij de Kam’, in handen van de familie Bruffaerts met als laatste brouwer Georges Bruffaerts, geboren in Neerijse en overleden in Bertem in het jaar 2000. Het bedrijf sloot de deuren in 1973 en werd in vereffening gesteld op 29 oktober 1982. Het bracht het lokale bier op de markt onder verschillende namen zoals Christmas, Spéciale Bruffaerts, Overlord Pale Ale, Staf Ale en St Pieters White and Super. Je kan via het internet nog etiketjes op de flessen kopen heb ik gezien. Nog een weetje (met dank aan Nico Bruffaerts): de eerste Leffe werd gebrouwen in Overijse bij de brouwerij Lootvoet … aangetrouwde familie van de Bruffaertsen. In de glorietijd werden de bieren verdeeld tussen Leuven en Tervuren en tussen Overijse en Waver en bediende de brouwerij naar het schijnt 37 café’s in Neerijse en omliggende dorpen. Er was geen export naar het buitenland.
Over de watermolen uit de oude tijd vind ik niets, ook niet in de databank van Molenechos. Naar de familie Bruffaerts – in de streek zeer bekend en alomaanwezig – vind ik op het internet veel verwijzingen maar op het internet weinig konkrete gegevens. De Heemkundige Kring van Huldenberg gaf in 2007 een boek uit van René Risch (dus niet René Hallet!) met de naam Bruffaerts – een brouwersgeslacht uit Neerijse waarin je het hele verhaal kan nalezen. In het Huldenbergs Heemblad van 1998 staat ook nog een artikel over de brouwerij maar dat is jammer genoeg ook niet on-line.

Vlak naast de brouwerij stond ook rond 1825 al een hoeve waar de bedienden van de bouwerij vlees, zuivel en groenten gingen halen waarmee ze in die tijd betaald werden. Er werden melkkoeien, schapen en varkens gekweekt en allerlei groenten, onder meer en vooral witloof. Die hoeve is er nog op nr.33 en heeft zich omgevormd tot een gastvrije en natuurvriendelijke Bread & Breakfast met de naam Biesbemd. Zo heette de omgeving hier vroeger. Het woord ‘Bemd’ komt van beemd en betekent land of veld. De ‘Bies’ groeit welig langs de oever en werd gedroogd om er mee te kunnen vlechten. De Biesbemd staat onder de toegewijde leiding van Piet Symons.
De straat heette vroeger Molenstraat maar is nadien veranderd in Kamstraat wat ‘brouwerij’ betekent’. Tot mijn verbazing vind ik niets over deze site – noch over het gebouw van de molen en de brouwerij, noch over de hoeve – op de inventaris van waardenvol bouwkundig erfgoed en dat vind ik ook jammer want de molen/brouwerij met zijn indrukwekkende geschiedenis ziet er toch nogal verkommerd uit en verdient volgens mij een waardige herbestemming zoals gebeurde met de andere brouwerij in Neerijse, De Kroon.


In het verleden was heel de omgeving eigendom van de familie Bruffaerts maar ik denk dat dit ondertussen niet meer zo is of toch slechts in beperkte mate. De grote vijver, nu bekend als de IJse Club VZW is door hen gegraven om te zwemmen en te roeien. Er hoorde een grote villa bij aan het toegangspad naar de vijver met de naam Châlet du Lac en die is er nog altijd met een mooi park er omheen. Wanneer de vijver gegraven en de villa gebouwd is weet ik niet. Op de NGI-kaart van 1939 is er nog niets van te zien maar wel op die van 1969.

ZWARTE JEAN EN DE BRUG OVER DE IJSE
Om vanuit Neerijse met de buurttram naar Loonbeek te komen moest de NMVB aan het begin van de twintigste eeuw met de spoordijk de IJse oversteken. Het bruggetje is er nog en dankzij René Hallet kunnen de mensen van nu nog nauwkeurig nagaan hoe de ingenieurs van toen de aanleg daarvan hebben aangepakt. De IJse is net zoals alle Vlaamse waterlopen van nature een nogal kronkelige stroom maar juist op dat stuk is ze al vroeg tot een rechte lijn gekanaliseerd. In onze tijd zijn veel van die bochten weer wat teruggekomen maar in de tijd van de bouw van de brug liep de beek kaarsrecht. Daardoor zou de tram een loodrechte hoek moeten maken om het water over te steken. Om dat te vermijden hebben de buurtspoorwegen op de grens tussen Neerijse en Loonbeek de loop van de rivier verlegd door er een kunstmatige S-bocht in te maken waardoor de spoorlijn haaks is komen te staan op de rivier. Als je dit niet weet zal je het niet opmerken omdat het er zo natuurlijk uitziet maar als je wel weet valt het des te meer op en op de foto’s kan je het ook zien. Op de kaart van 1904 is de rivier nog recht, op die van 1939 zie je de S-Bocht en je ziet hem ook op de topografische kaart van nu. Hallet beschrijft (pagina 138-143) de voorbereiding en uitvoering tot in de details met een hele serie grondplannen en bouwtekeningen waarop je kan zien hoe het water werd overbrugd maar ook hoe het voetpad naast de rivier bewaard bleef.


Hier en daar moest grond onteigend of herschikt worden en dat vind je in het boek terug op een kaartje met de kadastrale percelen. De brug zelf is geen wonder van technisch vernuft maar moet toch een ferme prestatie met de technologie van het begin van de 20ste eeuw. Hij is heel sober gebouwd met betonnen randen waar de tram juist tussendoor kon. Het is echter de enige brug die op dit deel van de buurtspoorweg nog bewaard is gebleven (die over de Voer naar Vossem is afgebroken) en om die reden vind het zeker heel jammer dat hij er zo totaal verwaarloosd bijstaat. Je kunt er op maar niet overheen want de zuidelijke oever is privéterrein en de eigenaar doet er alles aan om die toegang met prikkeldraad af te sluiten en ‘zijn’ er achtergelegen spoordijk zo te laten verwilderen dat je er ook niet door kan. Het hek is geroest en verbogen en er ligt een grote boom op de brug. Het is te meer jammer omdat richting Loonbeek er op de dijk wel degelijk een pad ontstaan is waardoor je via de spoordijk naar de tramhalte van Loonbeek kan. Die dijk is privé-eigendom maar blijkbaar zijn er plannen bij de Vlaamse Land Maatschappij om van dat paadje ook een ‘officieel’ pad te maken maar over de brug heb ik nog niets gehoord.
Met verontschuldiging voor mijn hardnekkigheid maar er moet toch iemand in Huldenberg zijn die zich sterk maakt om zo’n mooi stukje erfgoed-trage weg te behouden en te herwaarderen? Er is wel een oude foto van deze brug.

ZWARTE JEAN IN LOONBEEK
De fietser of wandelaar gaat aan het buurtspoorwegviaduct over de IJse in Neerijse op het gemak langs het oude IJsepad verder naar Bertelsheide, het Margijsbos (met kasteel en watermolen) en Huldenberg, maar Zwarte Jean sloeg hier rechtsaf naar het dorp Loonbeek. Dat stukje dijk is vandaag de dag nog altijd een van de mooie plekjes op het traject. Om reden die ik niet weet is het nooit verkocht of afgegraven en je wandelt er op je gemak temidden van een mooi landschapje met wat bos en weide. In het dorp zelf is aan de veel te drukke Sint Jansbergsesteenweg niet zoveel meer te zien van Zwarte Jean. Er staat een bushalte met een bordje en dat is zowat alles. In het boek van René Hallet lezen we dat deze plek nog altijd ‘den tram’ genoemd wordt: “Hier stopte de tram iedere morgen rond zes uur. Een vast uur was er niet echt, juist voordat hij het brugje over de IJse opreed liet de machinist de fluit horen en dan wisten de mensen dat het tijd was om op te stappen voor de rit naar Brussel. In afwachting verwarmden zij zich bij Adolf Trappeniers, alias ‘Dolf on den tram’, de uitbater van de staminee aan de halte of aan de overkant in het café van Victor Trappeniers, bijgenaamd ‘Tor on den tram’, en ‘oellenmarchand’ (kolenboer <frans: houille = steenkool>) van beroep. ’s Avonds na zes uur kwam iedereen terug”. Vanuit Loonbeek begon Zwarte Jean aan de zware klim naar de Tersaerthoeve en het plateau van Duisburg. Daar zijn heel wat anekdotes en sterke verhalen van overgebleven.


Daar ga ik het nog over hebben maar dankzij foto’s in Hallet’s boek (p.166) van het oude station in 1925 en 1935 en de kaart van 1939 weet ik nu met zekerheid dat het stationsgebouw stond en nog staat aan de overzijde van de straat, ofwel aan de noordkant. Het is als woonhuis ferm gerenoveerd – niet zelfstandig of als site als waardevol bouwkundig erfgoed beschermd of geïnventariseerd – maar nog duidelijk herkenbaar. De twee huizen waar de tramdijk nu aan de IJsekant op de straat komt, komen op de NGI-kaart van 1939 nog niet voor dus in welk huis (het grote of het kleine) ‘Tor on den tram’ woonde weet ik nog niet. De tramdijk liep verder richting Duisburg maar waar hij gelegen heeft staat nu een bijna antiek verkoopsbord met een ‘TAK’ leuze er op temidden van een stekelige wildernis. Een klein beetje verder kan je de dijk nog zien op een plek waar er op de foto koeien staan.

MET ZWARTE JEAN NAAR DE TERSAERTHOEVE
Vanuit Loonbeek ging Zwarte Jean naar de Tersaerthoeve. In het boek van René Hallet vind je er wel wat over met schema’s en foto’s maar op het terrein is weinig zichtbaars overgebleven en er is nergens een wandel- of fietsmogelijkheid op het tracé. Om het te volgen kan je de Ganzemanstraat afstappen die er zowat evenwijdig naast loopt. Dat is nog altijd wel een mooie wandeling of fietstocht door het open heuvelachtige landschap maar er komen meer en meer huizen langs de straat heb ik gemerkt en dat betekent ook meer verkeersdrukte. Halverwege kom je langs de oude zandgroeve Ganzemans die bij Natuurpunt-Druivenstreek in beheer is om de vroedmeesterpad te beschermen. De groeve is niet publiek toegankelijk maar er zijn werkdagen, open deur dagen en excursies om er toch eens een bezoek te brengen wat ik erg kan aanbevelen. Om te begrijpen waarom er over het traject tussen Loonbeek en Duisburg zoveel (soms sterke) verhalen de ronde doen neem je best de topografische kaart van 1939 er bij want daar zie je het spoor lopen en je ziet ook de hoogtelijnen. Ook vanuit de lucht kan je het traject nog zien (googlemaps). Vanuit de lucht zie je ook dat het vroegere spoor overal perceelsgrenzen volgt wat mij doet denken dat er op de duur misschien na breed overleg met en instemming van alle betrokkenen op het tracé toch nog wel een ‘trage weg’ gevormd zou kunnen worden van één meter breed. Dan kan je van dat pad ook de prachtige zonsondergang bewonderen.

De tram gaat min of meer evenwijdig aan en links van de Ganzemanstraat vlak langs de Vloedgroebe. Hij steekt de Biezenstraat over en gaat dan rechtdoor tot aan de Tersaerthoeve die hij aan de noordkant passeert om dan ten zuiden van de Raffelberg en het Raffelberghof verder richting Duisburg te rijden, op de kaart van 1939 zie je het tracé verder lopen langs de Vloedgroebe maar op de OSM kaart is die er aan de Raffelberg niet meer (wel de Langegracht). Met deze kaart op zak kan je op het terrein zien dat de spoorlijn overal het optimaal laagste punt in het dal volgt met al de bochten die daarbij horen. De IJse in Loonbeek ligt op een hoogte van 55 m. evenals de Tersaerthoeve. Maar waar het spoor in Duisburg op de Rootstraat uitkomt is de hoogte 100 m. met de felste stijging op het laatste stuk om uit het dal vanaf de Raffelberg bij Duisburg op de waterscheiding tussen de IJse en de Voer uit te komen. Vandaar is de afdaling toch ook fors sterk want de Voer op de hoogte van de brug in Vossem ligt op een hoogte van 55 m (maar de vroegere brug was wel nogal hoog).
René Hallet’s boek bevat in de achterflap een mooie technische officiële tekening van de ‘Garage Tersaet’ (stalling van Tersaet) ofwel de laad- en overslagplek waar allerlei landbouw-produkten maar vooral de suikerbieten en van de hoeve Tersaert in Neerijse werden opgeladen om naar de suikerraffinaderij van Tienen te worden vervoerd (kaart nr.24 van 7 februari 1902). Je moet de tekening wel op zijn kop houden om te zien dat de spoorlijn met werkplaats niet ten zuiden maar ten noordoosten van de hoeve ligt tussen de gebouwen en de veldweg naar de Raffelberghof langs de Vloedgroebe.

Het moet een tamelijk groot emplacement geweest zijn maar de precieze plek zou ik op het terrein slecht bij benadering kunnen aanwijzen want er is niets meer van te zien. Ik heb er ook nog geen oude foto’s van gezien. Het goederenstation was zo aangelegd dat twee treinen elkaar konden kruisen en uitgerust met rangeersporen waar de wagons konden worden geladen vanaf een (waarschijnlijk) gekasseide goederenkoer om er met paard en wagen dicht bij te komen. De spoorlijn – maar niet het station – zie je gaan op de topografische kaart van 1939 en op het terrein kan je het tracé ook weer zien omdat de boer niet lang geleden een hele reeks populieren er bovenop of vlak naast heeft geplant in een mooie rechte lijn in de richting van de Raffelberg. Hallet herinnert er aan (p.275, 276) dat de bevordering van de landbouw een van de hoofddoelstellingen was van de aanleg van het hele tramnetwerk en het daarbij heel uitdrukkelijk ook de bedoeling was om de tram te doen stoppen vlak aan de grote hoeves om de aanvoer te vergemakkelijken en de kosten daarvan te verlagen in een tijd dat de boeren alles met paard en kar moesten aan- en afvoeren. Tegelijkertijd heeft de buurttram echter ook op die manier bijgedragen aan de exodus van arbeidskrachten uit de landbouw naar de steden waar meer geld te verdienen was. Hoe dit dan gesteld was met de specifieke lijn tussen Vossem en Tienen weet ik voorlopig nog niet, evenmin vind ik gegevens over de hoeveelheden en soorten goederen die aan Tersaert werden opgeladen. Over de hoeve zelf (Tersaert of Tersaet) is echter wel nog veel meer te vertellen.

Het gebiedje met de naam Tersaert (Tersaart of Tersaet) ligt nog juist op het grondgebied van Neerijse (Huldenberg). Als je van hier de veldweg enkele meters verder volgt naar het Raffelberghof steek je de grens over naar Leefdaal en ben je dus in Bertem. Waarschijnlijk stond hier al een hoeve in de 12de en 13de eeuw want het is in die tijd dat op het Brabants leemplateau de grote ontginningen beginnen waarbij op grote schaal het bos gerooid werd om plaats te maken voor akkers en weiden. De hoeves werden dus opgericht in het centrum van zo’n plek en dat verklaart de oorsprong van zijn naam want ‘Tersaert’ komt van het Franse ‘sart’ en dat betekent ‘gerooid’. Helemaal zeker is het niet maar de oudste Tersaerthoeve was waarschijnlijk eigendom van de in de middeleeuwen almachtige abdij van Corbie die de eigenaar was van de parochie van Neerijse. Die abdij is een voormalig benedictijnenklooster, gewijd aan de heilige Petrus, in de Franse plaats Corbie in het dal van de Somme op zo’n 15 kilometer van de stad Amiens. De oudst gekende eigenaar gaat terug tot in de 16de eeuw en het is waarschijnlijk dat de hoeve in die tijd beschikte over een grondgebied van 100 tot 150 ha. In 1846 koopt graaf Vanderstegen De Schrick de hoeve aan en in 1911 wordt graaf de Liedekerke de eigenaar en dat is zo gebleven tot op de dag van vandaag. Het is een monumentale half gesloten vierkantshoeve met gebouwen die nog dateren uit de 18de eeuw met een indrukwekkende langschuur en L-vormige stalvleugel. Het nogal ferm uit de toom vallende blokkige woonhuis dat er boven uitsteekt is in 1934 opgericht, ongetwijfeld om te tonen dat de boer van toen met de bouwstijl van zijn tijd wilde meegaan.

Zoals zo dikwijls met dit soort unieke historische gebouwen vind ik de hoeve niet terug op de lijst van beschermde monumenten en zelfs niet op de inventaris van waardevol bouwkundig erfgoed. De hoeve maakt wel deel uit van de als erfgoed landschappelijk beschermde ‘ankerplaats Plateau van Duisburg’ maar dat is niet hetzelfde. Maar zolang dergelijke gebouwen niet voldoende afzonderlijk beschermd zijn kan iedere nieuwe eigenaar met wat invloed er uiteindelijk mee doen wat hij of zij wil en dat vind ik geen goede zaak. De hoeve komt voor op de Ferrariskaart van 1777 met de aanduiding Cse-Tersaet. Cse staat voor ‘cense’ en dat betekent ‘pachthof’. Het weglaten van de ‘r’ in Tersaet lijkt een slordigheid van de maker van de kaart te zijn die in bijna alle latere kaarten herhaald wordt want pas op de kaart van 1969 krijgt de hoeve de naam Tersaart terug. Deze slordigheid is niet zonder betekenis want in kringen van paardenkenners zijn de Brabantse trekpaarden van de Tersaerthoeve en de familie Moreels beroemd geworden als ‘Tersaetpaarden’ (dus zonder die ‘r’) en als leek en buitenstaander kost het even tijd om daarachter te komen. De hoeve is ook gekend om zijn bijdragen tot een eigentijdse ‘duurzame landbouw’.

In bijna alle weiden staan van die mooie echte stoere Brabantse trekpaarden. Die hebben alles te maken met de ‘Tersaetpaarden’ waarmee de hoeve ook lang bekend stond als ‘Pachthof van Moreels’. Fokkerij of stal Tersaet wordt in 1895 opgericht door pachter Auguste Dewulf die zich vanaf het begin toelegt op de kweek van Belgische trekpaarden van topklasse. In zijn tijd stond de Tersaerthoeve op de kaart als Ferme Tersaet dus we kunnen hem het weglaten van de ‘r’ niet aanrekenen. Maurice Moreels wordt in 1929 geboren als telg van een familie van dan al lang beroemde trekpaardenfokkers in de streek van Oudenaarde (Elsegem. Zijn vader sticht in 1924 de Fokkerij Moreels. In 1937 neemt Maurice van pachter Basil Dewulf – zoon van Auguste – de pacht over van de hoeve Tersaert-Tersaet met alle paarden, veestapel en 8 ha weiden en akkerland. Zoon Eugeen (Gène) neemt in 1964 samen met zijn vrouw Marie-Louise het roer over, breidt het grondgebied rond de hoeve uit tot 100 ha en zet de kweek van Belgische trekpaarden op topniveau verder. De dekhengsten van Tersaet staan garant voor het kweken van kampioenen en bedienen de hele druivenstreek. De merries worden ingezet voor het labeur op de uitgestrekte glooiende akkers van de hoeve en de kwekers leggen enorme afstanden af achter hun mooie spannen van twee, drie of vier paarden. In de periode voor Wereldoorlog II worden de paarden ook uitgevoerd naar Denemarken, Zweden, Duitsland en de Verenigde Staten.

Zelfs tijdens de oorlog verkoopt Moreels nog heel wat werkpaarden in de streek. Na de oorlog wordt het succes verder gezet en in ‘Het Belgisch Trekpaard’ van juni 2008 met een ‘special Moreels’ kan je alles lezen over de kampioenspaarden met hun welluidende namen zoals Condé Tersaet’, ‘Belle Fleur Tersaet’, Sandra van Tersaet en ‘Horizon van Tersaet’. Alain Moreels, geboren in 1963 als zoon van Eugeen stapt in 1980 mee in het bedrijf van zijn ouders. Maar in 1994 ruilt hij met zijn vrouw Sandra Koekelbergh de oude hoeve in Neerijse in voor een nieuwe accommodatie in Duisburg aan de Mechelsestraat op de ouderlijke hoeve van zijn moeder. Daarmee eindigt in 2002 officieel de ‘Stal Tersaet’ maar het fokken wordt voortgezet met kampioenen zoals ‘Baron van’t Camillen Hof’. Maar op de Paardehoeve worden tegenwoordig toch vooral paarden gehouden voor de verkoop en voor meer recreatieve doeleinden in de nabije landelijke omgeving en het Zoniënwoud. Op de foto’s zie ik daar ook veel slanke renpaarden. Maar als ik het goed begrijp behoren de stoere Brabantse trekpaarden rond de Tersaerthoeve nog altijd tot de Moreels-dynastie.
Zoals eertijds buurttram Zwarte Jean dienden de Tersaertse Brabanders met hun ‘groot behang’ voor het zware werk. Tijdens de middeleeuwen gebruikten de ridders ze voor hun toernooien en oorlogen. Ridderpaarden droegen zonder problemen rond de 200 kilo.

Als de ridder van zijn paard viel of eraf getrokken werd kon hij niet meer rechtstaan vanwege het gewicht van zijn ijzeren harnas heb ik gelezen en dat was vast ongezond. Of het beroemde Ros Beiaard van de vier Heemskinderen een Belgisch trekpaard was weet ik niet maar het kan bijna niet anders. Eeuwenlang trokken de paarden zowat alles wat gesleept of gereden kan worden in vredes- en oorlogstijd: zware karren, bomen, voertuigen in mijnen en havens, schepen, postkoetsen, karren met suikerbieten en ploegen. Begin 1900 waren ze België ’s beste exportproduct met een eigen stamboek van de “Sociëteit van het Belgisch Trekpaard” en in 1950 waren ze nog met 200.000. Verdreven door luidruchtige motoren werden ze massaal afgedankt door hun ondankbare eigenaars tot er in 1980 nog maar 6000 over waren en fokkers zich met reden zorgen begon te maken dat het ras zou uitsterven. Sindsdien zijn de paarden weer in opmars. Vooral in het Pajottenland zijn ze erg populair, in het ‘Peerdendorp’ Vollezele is er een museum en een standbeeld. In Sint-Kwintens-Lennik domineert Prins, de ‘Trots van Brabant’ het marktplein. Je kunt ze in zeven kleurslagen tegenkomen en nog altijd wordt dikwijls hun prachtige staart afgesneden, een boeren-gewoonte die vroeger nut had om te voorkomen dat staart en leidsels in elkaar zouden raken maar ik vind ze toch fierder mét staart. Ze zien er heel wild uit maar het zijn de braafste paarden die ik op mijn tochten tegenkom. Pluk een bosje gras en ze komen allemaal naar je toe om uit je (kinder)hand te eten. Wie post er hier eens een foto met zichzelf als ruiter op een Belgisch trekpaard? Bij de foto’s zijn er een aantal met veulens. Een paard bevalt niet, het “veulent”.

Bij het Belgisch trekpaard zijn de merries vanaf hun derde (soms tweede) levensjaar geslachtstrijp en ze zijn vruchtbaar tot aan hun dood. Heel oud worden ze niet, ergens tussen de 16 en de 20 jaar en dat zou komen doordat hun gewrichten gemakkelijk slijten. Meestal worden ze in de lente gedekt want de dracht duurt elf maanden zodat het jonggeboren veulen geen last heeft van de winterkoude en profiteert van het verse voorjaarsgras waarmee de moeder de melk maakt. Bij de geboorte zelf komt blijkbaar heel wat meer kijken dan bij andere paarden, want zelfstandig bevallen is er helemaal niet bij en dus moet er voortdurend gewaakt worden en flink met kracht en deskundigheid ingegrepen om het veulen heelhuids ter wereld te laten komen. Na een paar uur kan het opstaan en zoeken naar de uier. De benen zijn bij de geboorte bijna zo lang als van een volwassen paard (90%). Na een paar dagen houdt het veulen de moeder al rennend bij. Ze spelen en springen voortdurend om hun spieren te versterken, zijn heel nieuwsgierig en leren snel bij. Een veulen van zes maanden oud zit in dezelfde ontwikkelingsfase van een kind van 2,5 jaar en na één jaar is het dier al op drie vierde van zijn omvang. In het tweede jaar wordt hij sterker en sneller en op een leeftijd van zes jaar is hij volwassen. Eenmaal het veulen geboren dient de eigenaar het zo snel mogelijk officieel te laten inschrijven in het register dat bestaat sinds in 1886 het stamboek van de ‘Sociëteit van het Belgisch Trekpaard’ werd opgericht om van elk boerenpaard van dan af de afstamming en herkomst vast te leggen.
De Tersaerthoeve heeft nog meer te bieden dan de buurttram en paarden. Landbouw is al lang niet meer het louter produceren van landbouwgewassen maar levert ook vele diensten met een maatschappelijke meerwaarde zoals voor de natuur, de waterkwaliteit en de erosiebestrijding. Onder die formule heeft de familie de Liedekerke die na het vertrek van pachter Moreels de uitbating van de Tersaerthoeve toevertrouwde aan het bedrijf Agriland, een heel aantal beheerovereenkomsten met de Vlaamse overheid afgesloten om de natuur in deze landschappelijk beschermde omgeving te handhaven en te versterken. Op de details zal ik later nog eens proberen in te gaan maar in oktober 2019 werd aan graaf Rodolphe de Liedekerke de prestigieuze Baillet Latourprijs voor het Leefmilieu uitgereikt vanwege de verdienste van de familie voor de plaatselijke versterking van de akkernatuur (geelgors, roodborsttapuit, vroedmeesterpadden), onder meer door het aanleggen van heggen en poelen door de goede diensten van het Regionaal Landschap Dijleland.
Daarmee sluit ik dit lange paarden- en landbouwverhaal af en gaan we verder met Zwarte Jean de buurttram richting Duisburg.

RAFFELBERGHOF
Enkele honderden meters verder hellingopwaarts ben je de grens overgestoken tussen Huldenberg (Neerijse) en Bertem (Leefdaal). Het Raf(f)elberghof (ook wel Hof van Steno genoemd) is duidelijk een zeer grote en actieve boerderij. Hij moet al heel oud zijn want het gebiedje rond de Raf(f)elberg kwam als leen van de heren van Leefdaal in 1514 in het bezit van de abdij van Affligem. De hoeve wordt al vermeld in 1452 maar de huidige gebouwen dateren van de laatste kwart van de 18de eeuw. Tijdens de Franse Revolutie is hij als publiek goed verkocht. Vandaag is hij eigendom van de familie Lippens die ze in 1936 van de familie Orban kocht. Ook deze hoeve is niet afzonderlijk als erfgoed beschermd maar maakt slechts deel uit van de ankerplaats-landschapsbescherming van het Plateau van Duisburg vanwege zijn ligging in ‘landschappelijk waardevol gebied’. Het is een gemengd bedrijf met 60 ha grond en 50 koeien. Vanwege de nitraatgevoeligheid moet de boer het aantal koeien beperken om geen mestoverlast te veroorzaken. In het erfgoeddossier lees ik: “Van de 18de-eeuwse, gesloten vierkantshoeve in bak- en natuursteen bleven de overluifelde poort en het twee bouwlagen tellende woonhuis met zijn karakteristieke muurvlechtingen en rechthoekige vensteromlijstingen in zandige kalksteen bewaard alsook de kleine, op de hardstenen deuromlijsting 1789 gedateerde stalvleugel. Inmiddels is de grote schuur gesloopt, nadat ze tijdens de storm van begin 1990 zwaar beschadigd werd. Daardoor is het geen vierkantshoeve meer en heeft men een prachtig zicht op de velden. De hoeve werd met diverse loodsen uitgebreid.”

Vanwege die loodsen maar ook vanwege de overduidelijke grootschalige agro-industriële activiteit vind ik het erfgoedkarakter nogal achteruit gegaan en het algemene uitzicht van de site niet aantrekkelijk maar dat is natuurlijk een kwestie van opvatting. Gezien het historisch belang maar ook vanwege het feit dat er hier veel wandelaars en fietsers voorbij komen pleit ik ervoor dat de boer het geheel eens flink zou vergroenen en wellicht met de hulp van de eigenaar de gebouwen ook zou laten restaureren. Misschien kan de gemeente Bertem daar ook eens een stapje voor zetten, ik zie immers dat het jongste en kennelijk heel actief gemeenteraadslid van deze gemeente op de hoeve woont en er ook haar jeugd heeft doorgebracht? Met deze tip volg ik verder het buurtspoor om met Zwarte Jean in een heus natuurreservaat uit te komen.
De Raffelberg of Rafelberg is van ver zichtbaar in het landschap tussen Loonbeek en Neerijse als een bebost topje van iets meer dan 60m boven de zeespiegel. Zwarte Jean moest hier in een wijde boog omheen en dat traject zie je op de topografische kaart van 1936 en dat was geen geringe opgave voor een tram die maar 3cm mag stijgen per meter. De Tersae(r)thoeve ligt op 55m hoogte en eenmaal de Raffelberg voorbij ging het richting Duisburg tot op een hoogte van 100m.

Ik heb jammer genoeg geen foto’s van de tram op dit traject (wie wel?) maar om die klim te ondernemen moest Zwarte Jean zich in Sint Joris Weert altijd maximaal van water en kolen (en later van mazout) voorzien. In de winter bij sneeuw en ijs moesten blijkbaar af en toe de mannen uitstappen om de tram een stukje hellingopwaarts te duwen. Over de vrouwen wordt niets gezegd. Ik heb lang gedacht dat dit tot het rijk der sterke verhalen behoorde maar kort geleden vertelde een lezer dat hij het zelf als jonge gast nog heeft meegemaakt en dat er bij zulke gelegenheden zelfs rustieke liederen gezongen werden zoals “stut e bekke kan ni trekke….. stut e bekke kan ni trekke………. (en dan) kus mijn klo… k zen gestoten, kus mijn klo… k zen gestoten”. Zo werd het blijkbaar uitgesproken maar de melodie weet ik jammer genoeg nog niet. Ik moet het dus wel geloven maar uit het boek van René Hallet leer ik toch dat die trams naar gelang het type tussen de 10 en 20 ton wogen dus het moet een hele klus geweest zijn en dan moet je de reizigerswagons er nog bij rekenen. Bij sneeuw kon de tram soms echt niet verder en dan moesten de passagiers het traject naar Duisburg verder te voet afleggen (heeft iemand dat nog weten gebeuren?). Een ander verhaal vertelt dat er op een dag (jaar niet genoemd, wie biedt?) ter hoogte van Duisburg een rijtuig losraakte en zelfstandig de helling afbolde tot over de in die tijd nog verkeersvrije steenweg in Loonbeek om via de IJse en Neerijse statie midden in de Doode Bemde tot stilstand te komen. Als je de hoogtelijnen bekijkt zou het nog waar kunnen zijn ook maar het is wel een wonder dat het al die tijd op de rails bleef.

De wandelaar/fietser van nu blijft aan deze kant van de berg en doet de stijging via een klim naar de Raffelberghoeve om dan steil af te dalen door een heel mooie holle weg onder aan het Raffelbergbos. Het bos is privé evenals het uitgestrekte akkerland aan de rechterzijde. Dit is allemaal al heel lang landbouwgebied hoewel er op de Ferrariskaart van 1777 nog flink wat meer bos is in vergelijking met vandaag. Onder aan die holle weg kom je bij de laatste bomen terug op het tramtracé. Meestal staat het pad hier flink onder water en modder en dat wijst op een van de problemen op het plateau, namelijk dat van erosie. Die wordt veroorzaakt doordat de boeren te weinig groene stroken en hagen tussen hun akkers en het pad toelaten en ook omdat nog te vaak de diepe ploegvoren dwars op de helling worden gezet zodat die bij regenval dienen als afvoerkanaaltjes waardoor zelfs op de laagste punten van de akkers de mais onder water komt te staan. Er zouden plannen zijn van de Vlaamse Landmaatschappij om de erosie te bestrijden en om het pad te verbeteren maar ik heb daarover geen details.
Bebloemde groenstroken komen hier en daar wel voor maar juist op deze plek nog niet. De hagen van vroeger zie ik hier nog bijna nergens terugkomen. Zodra daaraan iets wordt gedaan kan je op dit stuk nog meer genieten van de weidsheid van dit golvende landschap dat zo kenmerkend is voor deze streek en dat zo mooi is zolang het niet helemaal ontbost en volgebouwd wordt met huizen en tegenwoordig ook veel te grote stallen. Zo moet dit boerenlandschap er al uitgezien hebben sinds de ontginningen in de Romeinse tijd en zo hebben ook de passagiers van de buurttram het kunnen bewonderen hoewel ik vrees dat in die tijd de mensen daar weinig aandacht voor hadden in hun overvolle en in de winter vies-rokerige wagons, verwarmd door een ‘duvelke’ gestookt met kolen.

Het traject van buurttram Zwarte Jean op het plateau tussen Neerijse en Duisburg kan je nog altijd heel goed zien vanuit de lucht maar ook op het terrein. Na zijn rondtocht om het Raffelbergbos komt het tracé met een scherpe bocht precies op de hoek waar de bomen ophouden en gaat dan richting Duisburg. Het is jammer dat die aansluiting door de begroeiing volledig overwoekerd is en omdat het bos privé en ontoegankelijk is weet ik ook niet of je het tramspoor op de rand nog ergens echt zou kunnen zien. Misschien kunnen onze overheidsinstanties die iets te zeggen hebben over de inrichting van het landschap nog eens met de eigenaars van het bos en de aangrenzende akker tot een akkoord komen over een smalle voetweg die het vroegere tracé volgt tot aan het Raffelberghof en de Tersaerthoeve? Of er gesprekken in die aard gevoerd weet ik niet, ik heb er toch nooit iets over opgevangen.
Hier staan we aan het begin van de Wolfkensberg. Waar de wolfjes naar toe zijn weet ik niet maar aan de berg is een verhaal verbonden.
Zwarte Jean reed op een smalspoor van 1 m breed. Je kan nog zien dat het een enkelspoor was. Alleen bij de stations en haltes waren er twee of meer sporen om te rangeren en goederen op en af te laden maar ook om elkaar te kunnen kruisen. Ik lees dat de uurregelingen zo waren uitgedokterd dat daarvoor ook de gelegenheid waas zonder dat de elkaar tegemoet komende trams op elkaar moesten wachten. Maar juist op dit traject tussen de Tersaerthoeve en Duisburg moet het op een feestdag midden in de week helemaal mis zijn gegaan doordat er twee trams frontaal met elkaar in botsing kwamen met verschillende zwaar gewonden als gevolg.

Ik vraag mij wel af of die bestuurders elkaar niet zagen aankomen want die rookpluimen moeten toch al van ver zichtbaar geweest zijn en dus kan er tijd geweest zijn om de locomotief tot stilstand te brengen. Hoe dan ook, ik vind merkwaardig genoeg nergens enige bijzonderheden over het hoe, wat en wanneer van dit ongetwijfeld opzien gebaard hebbende ongeluk dus als er nog iemand van de lezers is die er een herinnering aan heeft, laat het dan graag eens weten. Hier moeten toch foto’s van zijn in een van de plaatselijke kranten.
Laat het niet aan je hart komen want nu komen we effectief aan op het tracé naar Duisburg dat sinds 2003 beheerd wordt door Natuurpunt. Op de website van Natuurpunt-Druivenstreek vind je een heel verhaal over het door hen gekoesterde deel van de Zwarte Jean spoordijk. Omdat de spoordijk een beetje uitsteekt boven het omringende akkerland is de bodem er iets minder kwetsbaar voor aantasting door landbouwindustriële mest- en spuitstoffen wat uiteraard de plantengroei bevordert. Bovendien grenst er op één stuk aan een bovenkant een bosje op de helling. Maar daarbovenop bevat de dijk – door het stenige materiaal waarmee hij is opgehoogd – ook veel meer kalk dan de omringende leemgronden en dat is ook belangrijk voor het soort planten dat het hier naar zijn zin heeft. Onmiddellijk na de kruising met de veldweg op knooppunt 407 ga je een tunnel in van (in de lente) bloeiende sleedoorn geflankeerd door boskersen en robinia, het soort bomen dat typisch is voor spoordijken omdat ze wortels hebben die droogte verdragen en de grond vasthouden nadat ze zijn aangeplant. De boskersen kwijnen wel weg doordat ze geen licht meer krijgen. Geniet ondertussen van het landschap aan beide kanten van de spoorbedding.

Of het er allemaal ook al was in de tijd dat de buurttram op het nu door Natuurbeheerpunt beheerde deel van de Zwarte Jean tramdijk tussen het Raffelberghof en Duisburg weet ik niet (er zijn geen verslagen van maar ik denk het wel) maar je kan hier dus echt wel van de natuur genieten. De kalkachtige bodem zorgt voor een rijkdom aan planten zoals beemdkroon, marjolein, kardinaalsmuts en kornoelje. De bloei van de sleedoorn liet ik al zien maar op zijn pruimpjes moeten de vogels tot in de herfst wachten. Je zal er naar moeten speuren maar hier leven nog vogels die van nature gebonden zijn aan droge leefgrond en aan de landbouw zoals geelgors, braamsluiper en grasmus. Of er nog wilde hamsters zijn betwijfel ik maar muizen wel en om daarop te jagen kom je langs een nestkast op een hoge paal voor de torenvalk. Vlak daar in de buurt staat een levensgroot ‘insectenhotel’ en voor wie niet zou weten waar dat voor dient staan (stonden) er ook twee mooie schetsen bij. Natuurpunt heeft een mooie houtkant aangeplant en de populieren geknot: “De holten in de grillige en verweerde stammen van de oude populieren bieden nest- of schuilplaatsen aan steenuilen, mezen, vleermuizen en kleine marters als wezel en hermelijn. Vleermuizen gebruiken de lijnvormige trambedding met zijn houtkanten als referentiepunt in het open landschap om zich te oriënteren bij hun jacht op insecten.” Een beetje verder kom je langs een mooie rij notelaars. De beboste helling draagt nog de sporen van vroegere activiteiten zoals motocross.

Het valt mij op dat de daardoor veroorzaakte erosie hardnekkig weerstand biedt tegen nieuwe begroeiing want het moet toch vele jaren geleden zijn dat de jeugd van Duisburg zich hier op deze natuur-ruwe manier kon uitleven. Voordat we in Duisburg aankomen kom je nog langs een mooie bank van waaraf je een prachtig zicht hebt op de zonsondergang maar ook op typische ‘graften’ in dit gebied, kleine steilrandjes veroorzaakt door eeuwenlang ploegen op de er onder liggende akkers.
We zijn aangekomen op het laatste stuk waar de ‘tramrelle’ op weg is naar de Rootstraat in het dorp ietsje ten noord van en parallel aan de Brede Weg.
Onderweg komen we nog een zijweg naar links tegen met de naam ‘Leeuweweg’. Als je die volgt kom je uiteindelijk uit bij het instituut Ganspoel dat je in de verte op de helling ziet liggen. Op de website lees ik dat dat het oorspronkelijk een door Baron de Waijs gebouwde villa was tussen Huldenberg en Duisburg. Pater Agnello Van den Bosch, blind geworden in de eerste wereldoorlog richtte in 1928 het instituut op als een tehuis voor blinde vrouwen en slechtziende kinderen. Hij stierf in het concentratiekamp Dachau in 1945 maar zijn werk werd overgenomen door de zusters van de H.Vincentius a Paolo van Dendermonde. Na de oorlog werd de school te klein en volgde een periode met nieuwe gebouwen, herstructurering van de bestuurs- en managementvorm en altijd nieuwe functies waaronder het voorbereiden van de bewoners op zelfstandig wonen buiten de muren van het instituut.

Ik ben in deze streek altijd op zoek naar het waarom van de merkwaardige namen. De Brede Weg is nu een gebetonneerde fietssnelweg tussen Leuven en Duisburg maar in de oude tijd marcheerden de Romeinse legioenen over deze toen zelfs nog niet met kasseien uitgeruste veldwegheirbaan en ik heb begrepen dat de landbouwontginningen op het plateau moesten dienen om die troepen van eten en drinken te voorzien. Veel andere namen verwijzen naar vroeger landgebruik maar waar komt de Leeuwestraat vandaan en hoe komen we aan de Amerika-voetweg naar het Raffelberghof? Op weg naar Vossem zullen we de Dorreweg nog tegenkomen en in Duisburg zoek ik naar de oorsprong van het woord Rootstraat.
Vlak voor we aan de straat uitkomen passeren we nog een bank. Vroeger hing daar een infobord over de buurttram maar ik denk dat het in restauratie is (of gestolen). Hierna komen we aan het ‘L’arrêt du Tram’ enkele meters verder.
MET ZWARTE JEAN IN DUISBURG
Volgens mij zijn die van Duisburg hun buurtram een beetje vergeten. Wie vandaag in het dorp komt zal er geen enkele aanduiding vinden over dit gedenkwaardige erfgoed. Er zijn veel oude foto’s van het ‘gare de Duisburg’ aan de Rootstraat maar het is me dankzij enkele tips duidelijk geworden dat er nooit een stationsgebouw was.


Er was wel een heel groot spoorterrein, een zogenoemde ‘stelplaats’ met twee rangeersporen maar zonder kasseien daartussen. Maar strikt genomen lag dat in de tijd van Zwarte Jean op het grondgebied van Vossem dat toen nog (tot 1977) een zelfstandige gemeente was. De tram reed vanuit het veld aan de kant van Duisburg door het midden van de straat en maakte na enkele honderden meters een bocht richting Vossem. Die bocht is er nog maar hij loopt dood op een firma die grondwerken doet. Het charmante huis op nr.72 dat je aan die bocht op de foto ziet was ook een café maar nog niet wit geschilderd. Het huis op nr.55 waar de tram op de Rootstraat kwam, is het vroegere ‘L’arrêt du Tram’ – uitgebaat door tante Marie en nonkel Tuur (wordt mij verteld) – nog duidelijk herkenbaar hoewel het sindsdien wel een beetje vernieuwd is en geen herberg meer.
Het indrukwekkende spoorwegterrein dat zowat de hele straat tussen de beide kroegen in beslag nam is onherkenbaar veranderd in erg mooi groene voortuinen van de er achter liggende nieuw gebouwde huizen. Op zich is het een goed voorbeeld dat een bedrijfszone terug in natuur kan worden omgezet maar van de geschiedenis zie je hier niets meer.


In feite gaat het verhaal van de grens tussen Duisburg en Vossem blijkbaar terug tot in Romeinse tijd toen Duisburg het kruispunt was tussen twee Romeinse wegen (die tussen Rumst-Elewijt-Duisburg-Huldenberg-Ottenburg-Waver-Baudecet en de weg Kassel-Kortrijk-Kester-Duisburg-Tienen-Tongeren-Keulen) en bij de eeuwen later volgende afbakening van de gemeentegrenzen die grens midden door de Rootstraat werd getrokken. Dat had blijkbaar ook grappige gevolgen want in Duisburg mochten de café’s in de winter open zijn tot 21 uur terwijl die in Vossem pas om 23 uur de deuren moesten sluiten waardoor = althans volgens de overlevering – na sluitingstijd de halve mannelijke Duisburgse bevolking de grens naar Vossem overstak. Het woord ‘Root’ in Rootstraat staat volgens sommigen misschien voor ‘rij’ (dialect voor root) of ‘rootse’ (rots). Ik vraag mij af of het niet verwijst naar het rooten van vlas waarbij het vlas in september en oktober op de rootakker wordt of werd uitgespreid om door het vocht en schimmel de vezels vrij te maken om er daarna textiel van te maken. Op de topografische kaart van 1969 heet het in Duisburg ‘De Root’ en zie je een beetje verder het ‘Rotveld’.

MET ZWARTE JEAN OP WEG VAN DUISBURG NAAR VOSSEM
Om van Duisburg naar Vossem te komen volgde buurttram Zwarte Jean niet echt een recht traject. Hoewel er nog veel in dit heuvelachtige landschap te zien is van het tracé heb je eigenlijk wel de oude topografische kaarten van 1939 maar ook die van 1981 nodig om je te realiseren waar het echt liep tussen al die velden akkers en uitstekende bosrandjes. Maar als je het eenmaal weet ga je ook zien dat het traject eigenlijk maar op een paar plaatsen echt onderbroken en weggegraven of -geploegd is en kan je voorstellen dat er ooit nog eens een ‘Zwarte Jean voetweg’ over het oorspronkelijk tracé kan worden aangelegd. In Duisburg loopt het spoor dus nu helemaal dood aan het toegangshek van een firma van bouwmaterialen. Op de kaart zie je een forse slinger tussen het spiehuis aan de Rootstraat en de Kouterweg waar er iets ten zuiden van het Goelstwegske een heel mooi al wat ouder boomgroepje staat met een picknicktafel en een absoluut onfotogenieke vuilbak. Vanaf die tafel ging het tracé door het veld met een boog verder naar Vossem. Waar de naam ‘Goelst’ vandaan komt heb ik nog niet uitgevonden (wie biedt?). Op het terrein zie je dat die slinger bij de aanleg nodig was om op een beboste heuveltopje te ontwijken. Dat is nu allemaal geprivatiseerd en het is jammer dat er daar niet een voetweggetje is want nu moet je flink omlopen om terug op het tracé te komen. Er zijn twee manieren omdat te doen.

De eerste is door een eind verder vanaf de Rootstraat richting centrum de Kouterweg in te gaan. Dat is een best mooie wandeling langs huizen met groenen tuinen en een heel aantal boomgaarden waarvan ik er toch een zie met de vermelding ‘Regionaal Landschap Dijleland’. Het bosje ziet er nogal wild uit met veel aangevreten sparren dus wat de eigenaar daarmee van plan is kan ik niet zeggen. Vanaf die picknicktafel zie je het spoor van Zwarte Jean overduidelijk naar Vossem gaan als je het landschap een beetje kunt lezen. De andere omloop-mogelijkheid is om van de Rootstaat richting Leefdaal te gaan via de Vossemberg en vlak na een hele mooie echte serristenwoning de Dorreweg in te slaan en bij Dorre Dondersteen het pad naar de Kouterweg te nemen. Die woning staat terecht op de lijst van waardevol bouwkundig erfgoed net als een soortgelijk maar veel soberder huis in het dorp en al zoekend vind ik hem te koop staan als ‘Herenhuis in Tervuren’ met foto’s van buiten en van binnen.

DORRE DONDERSTEEN
De kans is klein dat Zwarte Jean en Dorre Dondersteen elkaar zijn tegengekomen op het plateau tussen Duisburg en Vossem. Op het internet heb ik me suf gezocht naar welke saaie schoolmeester, dichter, pastoor of dondersteen deze dorre verwijst maar verder dan de verwijzing naar een voetwegbordje met de naam kom ik niet. En toch … Je kent natuurlijk de grote steenbrokken op de plek waar in het Warandepark van Tervuren op de kruising van dreven met de naam ‘Zevenster’. Die stenen zijn in 1883 in Duisburg opgegraven in een veld waar nu de helemaal bebouwde Achterstraat is, een zijstraat van de Tervuursesteenweg. Sindsdien fluisteren de dorpelingen dat het de resten zijn van een met groot gedonder uit de ruimte ingeslagen meteoriet. In 1897 is de steen met paard en kar naar de Zevenster gevoerd als pronkstuk in de wereldtentoonstelling en bij die gelegenheid in drie stukken gebroken. Sindsdien is hij beroemd bij fotografen en geliefd bij kleuters die er op klimmen. Archeologen hebben zich lang het hoofd gebroken over de herkomst. Inslagen van kleine meteorieten zijn zeldzaam maar komen toch voor in de streek, bijvoorbeeld in Beauvechain aan la Chapelle au Rond Chêne. Eén ding is zeker, dit is geen meteoriet want bij de inslag van een rotsblok van deze omvang – diameter van 2,45 m. – zou heel het knappe landbouwplateau met steen en al verbrand zijn tot een dorre krater.

Bovendien is het zandsteen en dat komt niet door onze dampkring heen. Archeologen hebben zich lang het hoofd gebroken over de echte herkomst en met name over de vraag of het een prehistorisch megalitisch monument zou kunnen zijn. Nu zijn er in het Zoniënwoud en andere plaatsen in Brabant heel wat van zulke prehistorische overblijfselen gevonden maar blijkbaar hoort onze dondersteen daar toch niet bij tenzij het zou gaan om een polijststeen die door onze voorouders eeuwenlang gebruikt werd om hun werktuigen op te slijpen en glanzend te maken en dat zou in die tijd ook deel geweest kunnen zijn van een aanbiddings-ritueel (dat riekt naar offers …). Dat zou de groeven in de stenen kunnen verklaren tenzij die ook al weer van ouder datum zijn, namelijk ontstaan tijdens het sleuren over de bodem tijdens de ijstijden. De veldweg is alleszins een mooie manier om op de Kouterweg en op het spoor van de buurttram te geraken en bovendien kan je vandaar op veel plaatsen de spoorbedding echt zien gaan.
DOOR DE HOLLE WEG TEN HERTSWEGEN
Om het traject van buurttram Zwarte Jean tussen Duisburg en Vossem te volgen blijf je best op de gebetonneerde Kouterweg tussen de beide dorpen. Die loopt zowat evenwijdig aan en ten oosten van de vroegere spoordijk en dat kan je ook heel goed zien. Aan de bomengroep en picknickbank stak de tram de weg over van recht naar links en ging dan met een grote bocht naar het zuiden in de richting van de diepe holle weg met de naam Ten Hertswegen.

Een groot deel van dit stuk traject is volledig weggegraven en geploegd en zelfs vanuit de lucht nauwelijks slechts vaag zichtbaar. Maar vlak voor hij aankomt op de holle weg is er nog een stukje dijk en die gaat aan de andere kant in een rechte en slechts hier en daar onderbroken lijn naar het noorden richting Vossem. Als je in de diepe holle weg tussen de beide dijk-openingen gaat staan kan je je voorstellen dat er hier vroeger een spoorbrug was. Wanneer die afgebroken is en waar hij gebleven is vind ik niet terug. In de berm vind je alleen nog wat bakstenen.
Of die weg zijn naam te danken heeft aan harten of herten weet ik niet. Hij leidt naar het gehucht met die naam in het noorden van Duisburg waar al in de Nieuwe Steentijd mensen gewoond hebben waarvan overblijfselen gevonden zijn. De weg is heel mooi en hij komt precies uit op de hoek van de muur rond het Warandepark. Als je er links langs gaat zit je zowat meteen in centrum Duisburg maar als hem naar rechts volgt maak je een magnifieke tour richting Vossemvijver, de watermolen en de Voer en kan je via het Treuveld weer terug op het Zwarte Jean tracé komen. Het geheimzinnige verborgen gebouw met de grote wachtposten is de woning van de Amerikaanse ambassadeur bij de NAVO en daar blijf je best weg heb ik begrepen. Dat alles heeft zijn eigen verhaal maar met Zwarte Jean blijf ik liever zo dicht mogelijk bij de spoorbedding.

Een klein eindje verder kan je via een pad door de akker opnieuw op de dijk komen maar om hem te volgen moet je terug naar de Kouterweg tot aan de Tervaren-kapel. Tot mijn verbazing kan je vanaf die kapel een klein paadje vinden dat over de dijk gaat totdat je aan het Treuveld onverbiddellijk op de huizen stuit.
HET TREUVELD
We komen nu met buurttram Zwarte Jean echt in de buurt van Vossem. Van de holle weg Ten Hertswegen volg je verder de Kouterweg in de richting van de kapel Tervaren die je al van ver aan de rechterkant op een verhoging ziet staan. Op de kaart gaat de weg als straat rechtdoor richting Treuveld en dan komt er een voetweg met de naam ‘Tramweg Zwette Jean’ schuin links langs de spoordijk tot aan de Voer. Aan de kapel kan je echter langs een haag ook loodrecht linksaf richting spoordijk. Niemand zal je tegenhouden maar het is wel privéterrein dus je moet dat niet doen met een hele groep. Dat bospaadje komt op de trambedding uit en volgt dat dan naar het Treuveld. Op die dijk kan je je opnieuw voorstellen dat die ooit nog eens zou worden opengesteld als smalle voetweg maar zover is het nog lang niet hoewel ik begrijp dat er misschien toch plannen in die richting zijn. Richting Treuveld kom je langs een heel mooi klein huis dat er vast al stond in de tijd van de Buurttram en ik vroeg mij even af of Zwarte Jean daar misschien ook wel eens stopte.

Aan de straat loopt de spoordijk en pad definitief dood op bebouwing. Naar rechts kom je terug aan de ‘Tramweg Zwette Jean’. De naam ‘Treuveld’ is blijkbaar afgeleid van ‘het Rodeveld’. Rond 1400 heette het nog ‘het Roedeveld’, dat wil zeggen een veld dat gerooid werd om er landbouwgrond van te maken. De naam ontwikkelde zich nadien naar ‘t Reudeveld’, ’t Reuveld’ tot ‘Treuveld’. Volg het paadje langs de bosrand hellingopwaarts om op het veld te komen en je komt via ‘Chardonnay Elzendal’ en langs grazige weiden uit op de vroegere watermolen aan de Voer en dan moet je aan de beek rechtsaf terug om op het tracé van Zwarte Jean te komen. Je kan aan de muur van het park natuurlijk ook linksaf richting Vosempark en Tervuren maar dan kom je in een ander verhaal.
DE TWAALF APOSTELEN AAN DE VARENBERG
Tramweg Zwette Jean (Zwarte Jean) gaat in Vossem aan het eind van de Kouterweg rechtstreeks naar de Voer. Vanaf de kapel aan het eind van de Kouterweg maak ik echter nog graag een omwegje door aan de Kapel op de Varenberg rechts de Perselarenweg te nemen en via het Ferenneke ook aan de beek te komen. Het 17de eeuwse Hof ter Varenberg heeft in 1880 plaats gemaakt voor huizen. De aan Maria gewijde kapel op het heuveltje dateert van 1887 en in de Inventaris van het Waardevol Bouwkundig erfgoed lees ik dat dit gebeurde in opdracht van ‘Schollaert Franciscus, advokaat Leuven’ en ‘Vandenschrieck Julia, vruchtgebruikster, geestelijke Héverlé’.

Over de indrukwekkende paardenkastanje gaat het verhaal dat twee broers Trappeniers hem probeerden om te zagen en dat door een mirakel hun zaag bleef vast zitten en verborgen in de boom achterbleef. Dit soort wonderen hebben we vandaag ook nodig begrijp ik uit het nieuws en misschien kan het lelijke verkeersbord aan de kapel ook eens verplaatst worden? Langs mooie boomgaarden en het begraafplaatsje kom je langs het Hof van de Twaalf Apostelen, een pachthof dat al sinds de 12de eeuw aan de Heverleese Parkabdij en later het Godshuis van der Twaalf Apostelen te Brussel producten leverde. Midden 19de eeuw is het gedeeltelijk afgebroken maar er is toch een klein stuk van overgebleven en als erfgoed beschermd. Aan het Ferenneke staat nog een heel mooie serristenwoning maar of die ook als erfgoed beschermd is weet ik niet. Aan de Voer ga je links met mooi zicht op het Twaalf Apostelenbos. Heel groot is het niet (5,5 ha) en erg wild. In de tijd van Ferraris (1777) hoorde het bij het gelijknamige hof en zie je op de kaart twee grote visvijvers in het bos aan de andere kant van de beek en een paar kleine aan deze kant. Ik denk niet dat die er nog zijn maar het bos dient in onze tijd wel als overstromingsgebied. Sinds 1998 is het eigendom van de provincie Vlaams Brabant en wordt het beheerd door Natuurpunt Druivenstreek. Ik lees dat er recente plannen zijn van de overheid om in of bij het bos een bufferbekken voor afvalwater aan te leggen met het gevaar om de natuurwaarden ernstig te schaden maar hoe het daar op dit ogenblik mee staat moet ik nog uitvinden. Misschien is er een lezer die het weet? Langs het ‘Voerwegske’ komen we – nog met mooi zicht op de Sint Paulus kerk, de villa en park De Smedt De Naeyer (eerste premier van België) en een gezelschap nieuwsgierige schapen – terug aan de spoordijk.

DE VERDWENEN BRUG OVER DE VOER
Buurttram Zwarte Jean moest bij aankomt in Vossem de Voer oversteken en omdat de beek zich op die plek nogal diep ingesneden heeft leverde dat voor de ingenieurs van het begin van de vorige eeuw best wel een technische uitdaging op. Op een oude foto zie je een flink uit de kluiten gewassen en fraai bakstenen treinviaduct staan met twee bogen (er zouden drie bogen zijn geweest), een over de rivier en een over het pad met daartussen een stenen zuil (of twee). Vandaag is daar niets meer van te zien. Wie het niet weet zal het zelfs niet opmerken maar aan beide zijden van de rivier is er nog altijd een wildernisje te zien dat bij nader inzien de spoordijk blijkt te zijn waartussen de brug de vallei overspande. In tegenstelling tot andere bruggen op dit tracé vind ik bij René Hallet nauwelijks iets over deze brug anders dan een oude amateur-foto en de mededeling dat hij afgebroken is. Gedane zaken nemen geen keer maar volgens plaatselijke getuigen is in de jaren na de Tweede Wereldoorlog na de stopzetting van de buurttram dit mooie bouwwerk opgeblazen door de Tervuurse genietroepen van het Belgisch leger. Die zouden dat zelfs niet gedaan hebben vanwege de bouwvalligheid van het kunstwerk maar omdat ze eens een oefening met explosieven wilden doen en dit oude viaduct er toch maar onnuttig stond te wezen. In afwachting van bevestiging van deze informatie (maar ik heb geen reden om er aan te twijfelen) vind ik dat zo’n daad kan tellen als bewijs voor disrespect voor ons nationaal waardevol bouwkundig erfgoed.

Bruggen zijn in iedere oorlog zowat het eerste slachtoffer maar evenzogoed worden ze achteraf altijd weer opgebouwd. Maar om in volle vredestijd bij wijze van oefening zomaar een historisch viaduct op te blazen en daarmee herbestemming en restauratie definitief onmogelijk te maken vind ik niet één maar meerdere bruggen te ver. Kennelijk voelde men zich achteraf ook wel een beetje schuldig want ik vind er nergens ook maar de minste inlichtingen over. Ter plaatse staat er wel een mooie picknicktafel maar zonder enige aanduiding ter herinnering aan de eens zo dierbare buurtspoorweg. Je kruist nu de Voer op oeverhoogte en het water gaat door een tunneltje. De bezoeker van nu kan aan de ene kant van de beek met een beetje moeite nog wel een kijkje nemen op de spoordijk. Aan de andere kant is er een trapje om langs de spoorbedding naar Vossem te komen. Onder aan dat trappetje vond ik nog een geheimzinnige stenen sokkel voor wat misschien ooit een schietstand voor een mitrailleur was en aan het hek bij de mooie tuin staat een bord met een wel héél merkwaardig opschrift waarvan ik vermoed dat het door een Nederlander bedacht is.


LANGS DE GREUNSJOTTERS NAAR DE BUSHALTE ‘OUD STATION’
Het laatste stukje van de verkenning met buurttram Zwarte Jean tussen de Voer en Vossem-station is niet meer zo heel spannend. Zodra je het trappetje vanaf de beek opgeklommen bent is er voor de natuurliefhebber niet zo heel veel meer te beleven. Op de topografische kaart van 1939 rijdt de tram hier nog altijd door een open landschap met slechts een rij huizen langs de Smisstraat. Maar sindsdien is de bebouwing ferm toegenomen. Feit is dat de gemeente de trambedding zelf op dit stuk tot aan de Hertstraat opengehouden heeft als groen wandelpad en er zelfs hier aan daar een aanwijzing naar de geschiedenis te zien is. Maar tussen de Hertstraat en de Stationsstraat staat er toch een huis op en moet je even omlopen om aan de bushalte te komen met de vermelding ‘Oud Station’. Die vermelding is het enige in heel de omgeving wat nog wijst op de aanwezigheid van het station dat tot in de vijftiger jaren van de vorige eeuw een van de belangrijkste knooppunten was voor de buurtspoorwegen met trams naar Tervuren, Sterrebeek, Leuven en Tienen. Op de kaart heb ik de tracé’s aangeduid en als je inzoomt op de luchtfoto in Googlemaps kan je de bedding richting Tervuren zowaar nog zien in het open veld achter het vroegere station. Het fiere stationsgebouw zelf is in 1990 (!) afgebroken om plaats te maken voor de scouts en het nog mooiere station een eind verderop in Tervuren is ook nergens meer te zien.


Waarom men dat best stijlvolle scoutsgebouw niet naast het al even stijlvolle stationsgebouw heeft gezet in plaats van er boven op is me een raadsel want er was en is nog altijd plaats genoeg voor beiden. Bij wijze van troost wordt me verteld dat de oude bakstenen in de nieuwbouw verwerkt zijn als symbolische herinnering maar daar heb je als bezoeker niet veel aan. Richting De Vier Winden is er merkwaardig genoeg nog altijd een helemaal open veld op de plek waar de trambedding was (zichtbaar vanuit de lucht). En zou je niet denken dat onze overheden zo’n historisch gebouw op tijd zouden hebben laten beschermen als erfgoedmonument? Om de erfgoedliefhebber te troosten is er wel nog de vierkantshoeve ‘De Oude Voorde’ (zie de link bij deze tekst voor een uitvoerige beschrijving) maar ik begrijp dat de verkavelingen zich daar ook opdringen.

VOSSEM STATION – EEN BELANGRIJK KNOOPPUNT
Ik sluit deze reeks af met een stukje geschiedenis van het spoorwegemplacement en station Vossem met wat oude foto’s die het historisch beeld weergeven.
Het buurtspoorstation in Vossem – er circuleren een aantal oude foto’s van over het internet en de meeste bevinden zich ook in het boek van René Hallet. Met die foto’s moet de lezer het zowat doen want zelfs na intensief googelen en in het boek alle pagina’s om te draaien, vind ik eigenlijk maar weinig informatie over dit in 1990 afgebroken stationsgebouw. Vanaf 1897 lag Vossem op het kruispunt van tramlijnen Leuven-Tervuren, Tienen-Hamme Mille, Tervuren en Brussel – Sterrebeek -Vossem. Vlak voor de tweede wereldoorlog werden de lijnen tussen Leuven en Brussel geëlektrificeerd maar voor die naar Tienen is dat nooit gedaan. Alle trams naar Tervuren en Brussel stopten kort bij de iets verder gelegen halte “Vier Winden”. De paddestoelvormig schuilplaats daar bestaat nog altijd en is zelfs beschermd als monument wat ik een beetje cynisch vind in het besef dat de twee echte stationsgebouwen in Vossem en Tervuren de vooruitgang niet hebben overleefd. Vanaf deze halte reed vanaf 3 november 1940 alleen nog een pendeldienst naar Tervuren in aansluiting op de lijn Leuven Brussel. Op 30 juni 1954 werd de tram naar Tervuren opgeheven.


De hele tramlijn Brussel Leuven is op 30 juni 1961 opgeheven. De lijn naar Hamme-Mille (Tienen) werd op 20 april 1957 voor de reizigersdienst opgeheven en twee jaar later voor de goederendienst (01-11-1959). Hoeveel treinen er al die tijd in Vossem hebben gereden weet ik niet maar het moeten er een massa geweest zijn want dit stationsgebouw was een zeer belangrijk knooppunt. Het robuuste in klassieke sobere maar decoratieve spoorwegstijl in 1897 neergezette gebouw van de NMVB-groep Leuven was voorzien van een watertoren en er waren vier sporen (zie het plan op railations.net). Reizigers stapten er over en goederen werden overgeladen maar anders dan in Sint Joris Weert was het geen echte ‘stelplaats’ om aan de treinen te werken of die er te parkeren. Het moet een groot gebouw geweest zijn met een magazijn om goederen en colli’s op te stapelen en een lokettenzaal, een wachtzaal en een café dat werd uitgebaat door de stationschef. Bij die chefs zijn er meerdere van de familie Bruffaerts en bij de foto’s zie je een van hen in vol ornaat (met dank aan Nico Bruffaerts om hem te mogen toevoegen).


Van de binnenzijde van het station heb ik nog geen foto’s. De watertoren werd na het tijdperk van de stoomtram overbodig en het gebouw is ook afgebroken. Het reservoir van 12 kubieke meter en een gewicht van 2000 kg verhuisde in 1954 naar een Wasserij in Sterrebeek en is sinds 2004 te bewonderen in het Vicinal-museum in Thuin (Hallet p.330). Bij René Hallet vind je ook een verhaal hoe tijdens de Eerste Wereldoorlog dit station en deze lijn gebruikt werden om goederen van het platteland naar de stad te smokkelen p.333). Na de stopzetting van de buurtspoorlijnen werden de gronden verkocht aan de gemeente Tervuren waardoor ik begrijp dat die ook verantwoordelijk moet worden gehouden voor de sloop. Over de reden van de afbraak heb ik geen enkel document gevonden en blijkbaar weten buurtspoorwegspecialisten het ook niet anders dan dat het misschien was “om komaf te maken met het verleden”. Diezelfde bron merkt op dat het alvast niet ging om groot bouw- of woonproject: “feit is dat het jeugdlokaal dat er toen voor in de plaats kwam deze afbraak moeilijk kan verklaren”.


Het oude station was ook duidelijk nog in heel goede staat zoals blijkt uit een erg mooie foto één jaar voor de sloop. Ik lees ook nergens iets over plaatselijk protest tegen de afbraakplannen en dat vind ik ook wel vreemd.
BESLUIT
Daarmee kom ik aan het einde van een toch wel lange tramreis tussen Sint Joris Weert en Vossem. Maar in zijn tijd mocht Zware Jean ook nooit sneller rijden dan 30km per uur heb ik gelezen en moest alle bochten in het terrein geduldig volgen. Dat geeft natuurlijk ruim gelegenheid om de mooie omgeving en mensen die er wonen te leren kennen. Onderweg ben ik heel wat zaken tegengekomen die ik nog niet wist en heb ook heel wat mensen ontmoet die op een of andere manier een band hebben overgehouden met buurttram Zwarte Jean en er komen nog alle dagen nieuwe verhalen en oude foto’s binnen. Ik heb toch dikwijls gehoord – met name van mensen die daar iets over te zeggen hebben – dat er plannen zijn om heel deze oude spoorweg weer toegankelijk te maken als eigentijdse fiets- en wandelroute en ik beloof mezelf om zorgvuldig op te volgen in welke mate en welk tempo deze plannen werkelijkheid worden. En als er dan sommige van die oude café’s ook weer de deuren zouden openen, dan kunnen we nog lang met Zwarte Jean door de tijd en door het landschap reizen en daarvan genieten.

Van hier keer ik terug naar Sint Joris Weert en begin aan het tweede deel van deze reis: vandaar naar Tienen en naar Jodoigne en uiteindelijk ook naar Leuven. Maar ik ga er wel mijn tijd voor nemen want met die trams van vroeger was traagheid nog geen zonde. Dus nog even geduld!
+++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++
Geraadpleegde bronnen en kaarten per stukje traject:
Algemeen:
Met Stoom en Mazout “74 Jaar sporen tussen Tervuren en Tienen” – René Hallet; Heemkundige Kring Huldenberg, D/2010/4100/1 (en daar nog verkrijgbaar)

Bronverwijzingen specifiek over Zwarte Jean in Sint Joris Weert:
De brand van Sint-Joris-Weert, door Paul Coeckelbergh in Erfgoed Meerdaal jaargang 5 – nummer 1 – maart 2014, p.29-31
Gemeente Oud-Heverlee – Open Monumentendag 1995 – tentoonstelling ‘140 jaar geleden … Den Yzerenweg in Weert’
https://inventaris.onroerenderfgoed.be/aanduidingsobjecten/93
https://inventaris.onroerenderfgoed.be/aanduidingsobjecten/85
https://inventaris.onroerenderfgoed.be/dibe/relict/200142:
https://www.ovnet.nl/?spoorbegrip=lampisterie
https://geshemkringoh.weebly.com/herbergen-in-de-tijd-van-toen.html
Googlemaps, draai- en zoombare link vanaf tramstation Sint Joris Weert:
en vanaf de Doode Bemde waar je de dijk op de Neerijsebaan ziet komen:

Bronverwijzingen specifiek over Zwarte Jean in de Doode Bemde:
https://mer.lne.be/merdatabank/uploads/nthbsl2559.pdf (waterzuiveringsinstallatie)
https://www.natuurpunt.be/nieuws/rapport-levende-beken-vlaanderen-20160823 (de IJse)
https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/43309 (Lindehof)
https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/43292 (Sint Rochus kapel)

Bronverwijzingen naar Neerijse:
https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/200080 (brouwerij De Kroon)
Over de melkerij Emmerechts:
https://erfgoedkamer.wordpress.com/2020/05/01/de-melkerij-emmerechts/
(erfgoedkamer Bertem)
https://www.biesbemd.com/index.html
http://www.ijseclub.be/home.htm
https://www.etwie.be/publicatie/de-brouwerij-en-mouterij-st-pieter-te-neerijse
E.Martens, De bouwerij en mouterij St.Pieter te Neerijse, Huldenbergs Heemblad, jg.7, 1998, p.212-237
Bruffaerts – Een brouwersgeslacht uit Neerijse. René Risch. (296 blz – 160 x … De publicaties van de Heemkundige Kring van Huldenberg
https://www.huisterdijle.be/index.php/heemkunde/11-publicaties/20-heemkundige-boeken
googlemaps voor een luchtfoto van de tramdijk en de waterzuiveringsinstallatie: https://www.google.be/maps/place/Neerijse+Eygenstraat/@50.8138273,4.6314474,677m/data=!3m1!1e3!4m5!3m4!1s0x47c1623e0bbe50dd:0x31b73eeee6bce14f!8m2!3d50.8213089!4d4.6313835
Googlemaps streetview – link naar het vroegere buurtspoorstation waarop je de huidige toestand kan zien. De tram was waar nu de kasseien zijn. Ze zagerij is er niet meer:
googlemaps – draaibare streetview-link naar Kamstraat in Huldenberg ter hoogte van de Biesbemd, brouwerij Bruffaerts en Camping Les Châlets: https://www.google.be/maps/@50.8126503,4.6228082,3a,60y,333.95h,81.59t/data=!3m6!1e1!3m4!1slS6nRKtH7E0jXKzTMuMZwQ!2e0!7i13312!8i6656

Bronverwijzingen specifiek over Loonbeek en Ganzemans:
http://www.bloggen.be/huldenberg/archief.php?ID=24847
https://www.natuurpunt.be/natuurgebied/zandgroeve-ganzemans
https://www.facebook.com/groups/zandgroeveganzeman/
Draaibare googlemaps link naar het buurtramtraject tussen Loonbeek en de Tersaerhoeve plus Raffelberg:
https://www.google.be/maps/@50.8099543,4.6343505,2005a,35y,292.33h,44.41t/data=!3m1!1e3

Bronverwijzingen specifiek over Tersaert, Raffelbergh en traject Natuurpunt:
https://www.vlm.be/nl/nieuws/Pages/Uitreiking-Baillet-Latour-Prijs-voor-het-Leefmilieu-2019.aspx
https://inventaris.onroerenderfgoed.be/aanduidingsobjecten/10299 (Plateau van Duisburg)
https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/38830 (Abdij van Affligem)
http://www.trekpaard.be/nl/home
http://www.museumvanhetbelgischtrekpaard.be/
http://www.erfgoedplus.be/dossier/terug-in-de-mobilitijd/brabants-of-belgisch
http://www.trekpaard.be/nl/info/geboorte-veulen/
Er zijn veel filmpjes die de geboorte van een veulen laten zien, hier is er één maar bereid je wel voor op enkele ‘moeilijke’ beelden
https://www.natuurpunt.be/afdelingen/natuurpunt-druivenstreek
Draaibare Googlemapslink naar de Tersaerthoeve:
en:
hier kijk je vanaf het buurtspoortracé op het terrein van het voormalige goederenstation – als je veldweg langs de bomen volgt richting Raffelberghof zie je het vroegere tracé perfect liggen als een rechte lijn in het landschap.
googlemaps link naar een heel mooie 3D luchtfoto van het Zwarte Jean traject rond de Raffelberg:

Bronverwijzingen specifiek over Duisburg:
https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/300636 (serristenwoning)
https://immo.vlan.be/nl/detail/herenhuis/te-huur/3080/tervuren/ral75661
http://www.megalitica.be/megasite/belgie7a.htm.

Bronverwijzingen specifiek over het traject van Duisburg naar Vossem:
https://inventaris.onroerenderfgoed.be/themas/13545 (Duisburg, Ten Hertswegen met vondsten uit de Nieuwe Steentijd)
https://inventaris.onroerenderfgoed.be/themas/16878 (Hertswegen)
“We zijn in de steek gelaten door Vlaamse overheid” – Het …
www.nieuwsblad.be › cnt › dmf20191008_04653203
9 okt. 2019 – Natuurpunt Druivenstreek is diep ontgoocheld door het Agentschap Natuur … van een bufferbekken aan het Twaalf Apostelenbos in Vossem
https://www.natuurpunt.be/afdelingen/natuurpunt-druivenstreek
https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/300630 (Twaalf Apostelen Hof)
https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/300649 (kapel Tervaren)
link googlemaps, voor een draai- en verplaats- en zoombare 3D – luchtfoto van dit stukje traject tussen Duisburg en Vossem – als je ver genoeg inzoomt zie je het traject met bocht nog vaag in de akker:
link googlemaps, voor een draai- en verplaats- en zoombare 3D – luchtfoto van dit stukje traject tussen Duisburg en Vossem – als je ver genoeg inzoomt zie je het traject met bocht nog vaag in de akker:

Bronverwijzingen specifiek over Vossem:
https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/42808 (Hoeve van Oudenvoorde)
Voor een draaibare en zoombare link naar de huidige toestand van het voormalige buurttramstation van Vossem (met heel mooie foto):
Voor een draaibare en zoombare link naar het Zwarte Jean traject in Vossem tussen het Treuveld en de Greunsjotters:
https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/215671 (de Vier Winden)
https://www.railations.net/stationsbuurtspoor.html
https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/42808 (Hoeve van Oudenvoorde)
Voor een draaibare en zoombare link naar het Zwarte Jean traject in Vossem tussen het Treuveld en de Greunsjotters:
Voor een draaibare en zoombare link naar de huidige toestand van het voormalige buurttramstation van Vossem (met heel mooie foto van de huidige toestand):

Trefwoorden: zwarte jean, sint joris weert, doode bemde, kasteel neerijse, neerijse, ijse, bruffaerts, emmerechts, châlet du lac, loonbeek, tersaert, brabants trekpaard, raffelberghof, natuurpunt, duisburg, dorre dondersteen, varenberg, 12 apostelen, voer, vossem, erfgoed, geschiedenis,

in dit hoofdstuk ga ik enkele kilometers ten noorden van Zoutleeuw (het Vinne) en juist ten zuiden van het dorpje Grazen (Geetbets) op zoek naar natuur en erfgoed langs de Graasbeek en de Melsterbeek – beiden zijbeken van de Gete, een eindje ten noorden van Budingen waar de Grote en de Kleine Gete samenkomen – op de historische grens tussen het hertogdom Brabant en het Graafschap Loon/Prinsbisdom Luik.
Startpunt van deze verkenningstocht is Hof Ter Hoeven aan de Pottekaasstraat in Zoutleeuw, een van de leukste kleinschalige bio-boerderijen die ik ooit al ben tegengekomen (je kan er ook logeren). Natuurpunt heeft hier ook enkele percelen in beheer naast de veel grotere reservaten meer naar het noorden zoals Betserbroek en Aronsthoek.
Het landschap ziet er heel vredig uit maar in de middeleeuwen was het een zeer ontoegankelijk moerassig overstromingsgebied met aan beide kanten van de grens.
De hoge heren waren elkaar niet goed gezind en hielden de grens gesloten tenzij je bereid was om tol te betalen. Op veel plaatsen zijn er versterkte en omgrachte hoeves en kastelen.

Neem de topografische kaart er even bij en dan zie je een mozaiek van drassige weiden, grote populierenplantages, fruitboomgaarden en ook nog enkele bosjes. In de oude tijd was hier veel meer bos en op de Ferrariskaart van 1777 zie je dat zowel van uit het noorden als vanuit het zuiden bijna alle weggetjes doodlopen op de beek en je die dus maar op enkele plaatsen kan oversteken. In feite is dat nog altijd zo en zijn er zelfs nauwelijks weggetjes meer te zien omdat alles privéterrein is waar je niet zomaar over mag gaan zonder toestemming van de eigenaars.
Het gebied is vlak en vruchtbaar en uit archeologische vondsten blijkt dan ook dat de hogere delen al bewoond waren in de prehistorie en de Romeinse tijd. De eigenlijke ontginning is begonnen in de middeleeuwen, onder meer door het graven van talloze grachten om overtollig water af te voeren maar ook om de weiden te bevloeien om er vruchtbaar slib op af te zetten. Op een oude kaart is een sluis te zien op de splitsing tussen de Graasbeek en de Melsterbeek. In die omgeving ligt aan de Galgestraat het voormalig klooster d’Oriente.
In het erfgoeddossier lezen we dat deze “ontginningen hebben geresulteerd in een nu ook nog uitzonderlijk gaaf beemdenlandschap. Het is een gecompartimenteerd landschap bestaande uit drassige graslanden met als perceelsrandbegroeiing opgaande bomenrijen en populieraanplantingen. De graas- en hooilanden hebben een zeldzaam wordende fauna en flora.

De vallei is een aaneengesloten biologisch waardenvol complex. De wegen lopen op de valleirand en er lopen opvallend weinig dwarswegen door de vallei wat de gaafheid versterkt.”
De tijden zijn een beetje veranderd en dus kan je op je gemak vanuit Hof ter Hoeven aan de Graasbeek in Zoutleeuw oversteken op tocht naar Hof Ter Rhode en dan via het de kerk en de boomgaarden in Grazen naar het Orienteklooster en het Hambos van Natuurpunt terugkeren zonder lastig gevallen te worden.
Toch ben ik blij om voor deze verkenning een paar eersteklas gidsen te hebben, te weten Rudy Collaer en Geert Palmen met hun biologische hoeve en vakantieboerderij – Hof ter Hoeven – aan de Pottekaasstraat 7, officieel Zoutleeuw maar aan de Graasbeek.
Hof Ter Hoeven
Waar die naam ‘Pottekaas’ vandaan komt weet ik nog altijd niet en ik moet nog een heleboel andere zaken onderzoeken over dit historische natuurlandschap, maar als je graag op zoek gaat naar een heel mooi boerennatuurlandschap op de maat van hard werkende en gastvrije gewone mensen en naar dieren die vrij mogen rondlopen denk ik dat je best eens klikt op een van de bijgevoegde links om er meer over te weten komen.

Dit is kleinschalige biologische landbouw op zijn best en volgens mij binnen de mogelijkheden van heel wat mensen die onze overspannen samenleving een beetje (veel) beu zijn en over wat grond beschikken om er hun creativiteit en productieve energie op los te laten.
Op de website lees ik dat de wortels van deze hoeve teruggaan tot diep in de vroege middeleeuwen. De naam van de familie van Hoven of Vander Hoeve komt in verschillende oorkondes voor. De oudste gekende bewoners (waren zij eigenaars of pachters?) zijn Ballo van Hoven (1327), Renerus van Hoven (1336) en Reneyrus van Hoeven (1370). De straat en de hoeve staan heel duidelijk aangegeven op de Villaretkaart van 1745 en de Ferrariskaart van 1777 temidden van weiden en een bos met de naam Hambos (Hambusch).
Honderd jaar later is het bos grotendeels verdwenen maar zien we wel op de NGI-kaart van 1873 de naam van de straat: Pottekestraat. Daarna verschijnen de populierenplantages en fruitboomgaarden in de weiden. In onze tijd koestert Natuurpunt het laatste stukje oud bos dat er toch nog is langs de Graasbeek.
Toen de huidige eigenaars de hoeve kochten, was ze 12 jaar een biologische schapenboerderij geweest. Een grondige renovatie drong zich op en is nu voltooid. Schapen zijn er nog altijd maar ook veel andere dieren. Sinds vorig jaar is er een klein stukje grond bijgekomen maar een boer heeft grond nodig en de uitdaging blijft levensgroot met al die niet-biologische plantages en boomgaarden als buren.

Op de facebookpagina en de website van de hoeve vind je er van alles over. En goed om te weten: je kan er ook logeren (en bij die gelegenheid krijg je vast ook veel te zien en te horen van en over de historische verzameling van munten en kogels die handelaars en soldaten in deze strategische en niet altijd vreedzame grensstreek op de velden achterlieten.
Mijn tip voor Rudy en Geert: laat deze hoeve eens op de Inventaris van Waardenvol Bouwkundig Erfgoed zetten want dat schept naast een beetje bescherming best wel een aantal leuke toekomst-mogelijkheden en het kost niets!
Hof ten Rhode met de Rosmolen
Vanaf Hof ter Hoeven aan de Pottekaasstraat in Zoutleeuw steek je via een brugje met wat moeite de Graasbeek over en dan sta je op het grondgebied van de gemeente Geetbets. Je bent dan de historische grens tussen het Hertogdom Brabant en het Prinsbisdom Luik (Graafschap Loon) overgestoken en via een oud voetweggetje zou je van hier naar het dorpje Grazen in Geetbets kunnen wandelen ware het niet dat je je op privéterrein – een drassige populierenplantage – bevindt en de onderhandelingen over de openstelling ervan nog niet zijn afgerond.
In afwachting van het resultaat moet je een beetje omlopenom daar te geraken en als je de wandelkaart er even bij neemt doen we dat het beste door via de Durasweg even richting Budingen te stappen en dan rechtsaf langs de populieren het pad te nemen naar Hof ten Rhode. Je bent dan nog altijd op het grondgebied van Zoutleeuw.

‘Duras’ verwijst naar de graven van Duras uit deze streek rond jaar 1100, een strijdbaar geslacht (duracio is keltisch voor ‘vesting’) dat het moest opnemen tegen de al even vechtlustige aanspraken van de Hertog van Brabant op Sint-Truiden en zijn abdij. In Sint Truiden staat het ‘Kasteel van Duras’, een beschermd monument uit de 18de eeuw.
De (voormalige) omgrachte en omwalde vierkantshoeve Hof ten Rhode of Hof ter Weiden is eind de 12de eeuw gesticht door de Norbertijnenabdij van Park van Heverlee om de drassige gronden langs de Graasbeek en Gete te ontginnen. De abdij krijgt het goed als geschenk van Graaf Gilbert van Duras.
Tot 1300 doen de geestelijken al die werken zelf maar daarna wordt het domein verpacht. In 1563 wordt er een bakstenen woning gebouwd.
Vanwege zijn strategische ligging op de grens tussen elkaar bekampende heren loopt het goed dikwijls schade op. Maar ook onvoorzichtigheid kan tot rampen leiden. Op 15 september 1765 gaan de stallen, de schuur, de brouwerij en de duiventil in vlammen op, naar ik begrijp omdat de werklieden aan ‘het smoren’ waren, iets dat hen nochtans streng verboden was vanwege het brandgevaar in een dergelijke hoeve vanwege het vele hout en het gebruik van stro voor het dak. Er is dus niets nieuws onder de zon. Vier jaar later is de hoeve herbouwd en op de Ferrrariskaart zie je hem met een U-vormige zuidvleugel,een L-vormige noordwestvleugel en nog een vrijstaande oostvleugel.

In het zeer uitvoerige erfgoeddossier van 2019 lees ik dat tijdens de Franse revolutie het goed wordt aangeslagen en openbaar verkocht aan Graaf Ferdinand d’Oultremontde Wegimont de Duras en door hem grondig verbouwd wordt tot een gesloten hoeve met woonhuis, koeienstal, paardenstal en graanschuren.
Uit die tijd dateert ook het veelhoekig-ronde gebouwtje dat je van de straat ziet aan de overkant van de gracht aan de oostflank van de schuur. Blijkbaar komt het niet voor op het vroege kadaster maar het is een ‘rosmolen’, ofwel een molen waar de maalstenen bediend worden met paarden. Dergelijke molens zijn gebruikelijk op veel plaatsen waar wind- en/of waterkracht niet voorhanden zijn. In de molendatabank Molenechos komen er een heel aantal voor maar deze is blijkbaar aan de aandacht ontsnapt.

Tijdens de 19de eeuw worden geen grote verbouwingen meer uitgevoerd aan de hoeve maar “Het woonhuis in de zuidvleugel werd in 1914 gesloopt en vervangen door een statig boerenburgerhuis door de weduwe en kinderen van Eugeen Michiels die de hoeve aangekocht hadden in 1900. In 1919 werd door echtpaar Peeters-Michiels een modelmelkveebedrijf ingericht met betonnen silo’s en bronnensysteem. Een verbouwing van de bestaande koeienstallen volgde in 1940. De stallen in het oostelijk deel van de zuidvleugel werden in 1945 gedeeltelijk als varkensstal en bijkomende kamers voor het personeel ingericht. De lemen westvleugel werd gesloopt en maakte plaats voor een moderne melkveestal. De agrarische functie van de hoeve eindigde in 1986. De betonnen silo’s en installaties werden kort erna afgebroken.”
Sindsdien wordt het huis bewoond als een privéwoning. Maar blijkbaar is er in 2015 een ferme brandstichting geweest in de schuur en worden de (er heel vriendelijke uitziende) bewoners nog in 2016 lastig gevallen door dieven en andere ongewenste indringers waarna ze verdere veiligheidsmaatregelen aankondigden waardoor het geheel er begrijpelijkerwijs een beetje ontoegankelijk uitziet.

Grazen
Van het Hof ten Rhode in Zoutleeuw-Budingen ging er in de oude tijd slechts één klein drassig voetweggetje – de Donckweg – met een bruggetje (pont) de Graasbeek over om over de grens tussen Brabant en Luik naar het dorp Grazen te komen. Je ziet dat weggetje op de Villaretkaart van 1745 en het is er vandaag nog steeds onder de aanduiding ‘voetweg 45’.
In die tijd heette Grazen ‘Graessem’ wat zoveel betekent als ‘huis voor de weideboeren’ en er is nog altijd een belangrijke vierkantshoeve – de ‘Grazenwinning’.
Het dorp is sinds die tijd wel flink groter geworden maar het heeft zijn landelijk karakter nog weten te bewaren, al zijn de huidige bewoners zeker geen arme boeren meer zo te zien aan de mooie paarden en geven niet ze erg veel om een wat robuustere natuur. Een beetje saai eigenlijk, al die aangelegde cultuurtuinen die zo afsteken tegen het omringende beemdenlandschap. De OLV kerk kan je van overal van ver zien staan. Het dorp is ook bekend om zijn iets naar het noordoosten gelegen ‘piskapel’ maar die heb ik nog niet gezien.

Tussen de boomgaarden zijn er ook met een ‘Jeuker haag’. In Jeuk, een deelgemeente van Gingelom, ontspringt de Melsterbeek. Maar een Jeuker Haag is een bij fruittelers bekende vorm van laagstamteelt waarbij aan elke onderstam slechts twee gesteltakken groeien tot op een hoogte van twee meter. Alle bomen in de haag worden op dezelfde wijze gesnoeid en het geheel wordt bij elkaar gehouden met palen en kabels. Het doel van deze snoeiwijze is om zoveel mogelijk nuttige breedte van de vruchttakjes aan het gestel te krijgen. Op de foto zie je dat het zeker een zeer efficiënte manier van kweken is maar erg veel natuur komt er niet meer aan te pas. Gelukkig zie ik hier en daar ook nog een hoogstamboomgaard.

Hoeve Orienteklooster
Een beetje ten oosten van het dorpje Grazen langs de Galgestraat in Rummen aan een bruggetje over de Melsterbeek kom je aan een indrukwekkend gebouwencomplex met de naam Hoeve Orienteklooster. De twee fiere Brabantse leeuwen die je begroeten zijn door de huidige eigenaar ergens in Turnhout op een afbraakmarkt gekocht en hebben dus niets met de geschiedenis te maken.
Het voormalige Orienteklooster werd opgericht in 1234 door de heer van Rummen, Graaf Arnold VII van Loon. Het was een cisterciënzerinnenabdij en de wat geheimzinnig klinkende naam heeft ze uitsluitend te danken aan het feit dat ze oostelijk ligt van de nog iets oudere zusterabdij van Maagdendal in Oplinter (Tienen) en Oriente een samentrekking is van Sorores domus Orientis (‘het zusterhuis in het oosten’) . Volgens het ook alweer opmerkelijk uitvoerige erfgoeddossier verbleven in het klooster nooit meer dan een twintigtal nonnen en kende het een zeer woelige en soms controversiële geschiedenis. Toch was het in zijn tijd toch een van de belangrijkste abdijen met vele bezittingen in het land van Loon, Brabant en het Prinsbisdom Luik. In Rummen zelf lag er een groot landbouwareaal rond de abdijhoeve met ook de Grazenmolen en het iets noordelijker gelegen (Kasteel)Hof Ter Lenen en hoeve Ter Borg.

Het erfgoeddossier: “Een eerder bedenkelijke reputatie verwierf Oriënte met haar mondaine abdis Margaretha van Oostenrijk (circa 1558-1604), natuurlijke dochter van de prins-bisschop van Luik, zelf onwettelijke zoon van keizer Maximiliaan van Oostenrijk. Tijdens de godsdienstoorlogen grotendeels verlaten, liepen de gebouwen, zoals veelal elders, zware schade op waarna de abdij in de loop van 17de- en 18de eeuw grondig werd vernieuwd.”
Op de Villaretkaart van 1745 en op die van Ferraris in 1777 zie je hoe het domein er in de 18de eeuw uitzag. De Ferrariskaart “toont, omarmd door een haakse bocht in de Melsterbeek, en toegankelijk via een dreef vanaf de oude weg van Binderveld naar Grazen, een omvangrijk, langgerekt en vrij grillig uitgewerkt ensemble van rond diverse binnenkoeren ingeplante volumes. Een eveneens langwerpige moestuin sluit aan op de grote noordwestvleugel terwijl de ruimere omgeving bestaat uit akkers, weiden en grote boomgaarden. Aan de zuidzijde komen vier vijvers voor.” Op de Villaretkaart zijn dat er nog drie. Beide kaarten tonen nog een vijver aan de oostkant.
Met het uitbreken van de Franse revolutie wordt het klooster in beslag genomen als ‘openbaar goed’ en in 1798 in twee loten verkocht. Een paar jaar later wordt de abdij afgebroken, alleen enkele niet-religieuze bijgebouwen blijven staan.

In en na 1841 het goed verbouwd tot een herenwoning door de familie Vinckenbosch die – naar mijn beste weten – vandaag nog eigenaar zou zijn. Het complex wordt sterk uitgebreid met een distilleerderij, stallen en een aantal bijgebouwen. Rond de hoeve liggen dan zo’n 100 hectare akkers en weiden. Nadien volgen nog de bouw van een volière, bakhuis, garage en tuinpaviljoen en begin 1900 beschikt het landbouwbedrijf nog altijd over 82 ha grond en wordt de distilleerderij met een stoommachine uitgerust. Sinds 2014 is het geheel beschermd als monument.
Tijdens mijn laatste bezoek was de oude boer daar maar of hij ook de eigenaar is weet ik niet. Het geheel maakte op mij een vreedzame maar een beetje een verlaten indruk alsof alles wacht op een nieuwe bestemming. Maar het duidelijk nog altijd een hoeve, omringd door boomgaarden en weilanden en officieel geregistreerd voor ‘de teelt van granen, zaden en peulgewassen; teelt van groenten; teelt van pit- en steenvruchten’.
Ik lees dat sinds 2018 de hoeve deel uitmaakt van het project ‘Fier op de Hoeve van Hier’ van de gemeente Geetbets en het Regionaal Landschap Hageland Zuid voor onderzoek naar de historische hoeves in Kortenaken, Zoutleeuw, Landen en Geetbets. Bij de foto’s zie je dat er een grote en mooie tuin bij de hoeve hoort met enkele monumentale bomen en struiken, opmerkelijke planten en een tuinpaviljoen.

Hambos met de narcissen
Via de Galgestraat en de Durasweg kom je langs de opnebare weg terug bij Hof ter Hoeven in de Pottekaasstraat. Maar als je echt het Hambos wilt zijn een beetje ten oosten van de hoeve denk ik dat je de toestemming van Natuurpunt Zoutleeuw en Rudy Collaer als gids nodig hebt.
Waarom het zo heet weet ik niet maar het is zo ongeveer het laatste oorspronkelijke natuurbosje in de wijde omgeving. Het bosje ziet er uit alsof het wel enige verzorging zou kunnen gebruiken om de licht nodig hebbende voorjaarsflora te kunnen behouden maar de wilde narcissen bloeien er in het voorjaar aan alle kanten samen met de meiklokjes en dat is best wel bijzonder. Het is ook van de weinige plaatsen in de omgeving waar je bosanemonen zult tegenkomen. Toch een welgemeende raad: kijken en foto’s nemen mag maar plukken is absoluut af te raden en verboden!


++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++
Valleien van de Grote en Kleine Gete – Erfgoedobjecten – Inventaris …
https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/301172
http://www.natuurpuntzoutleeuw.be/natuurgebieden/getevallei/
https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/120974 (Duras)
https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/307084
Hof ten Rhode | Inventaris Onroerend Erfgoed
inventaris.onroerenderfgoed.be › erfgoedobjecten
https://www.facebook.com/HofTerHoeven/

trefwoorden: hof ter hoeven, zoutleeuw, geetbets, grazen, graasbeek, melsterbeek, natuurpunt, hof ten rhode, orienteklooster, hambos, erfgoed, geschiedenis,

Op de door het riviertje de Laan uitgeslepen helling tussen Sint Agatha Rode en Terlanen kan je op verkenning in het Rodebos. Het is een bos met heel veel afwisseling en in alle seizoenen valt er wel iets te beleven. Het is er altijd doodrustig op de smalle en dikwijls drassige bospaden en zelfs de vliegtuigen lijken net even verderop te passeren.
Aan de bovenrand kom je aan het landbouwplateau dat de waterscheiding vormt tussen de vallei van de Laan en die van de Dijle. Daar sta je op een hoogte van iets meer dan 80m. boven de zeespiegel terwijl de Laan zich beneden je bevindt op een hoogte van 40m.
Voor het ontstaan van dit bos moet je tussen de 55 en 2 miljoen jaar geleden terug in de tijd en je voorstellen dat de hele omgeving onder de ondiepe zeespiegel ligt en dat met de getijdenwerking grof en fijn zand aangevoerd wordt dat zich op de bodem neerlegt. In dat zand worden ook banken gevormd van kiezelstenen en kalk. Onder die banken bevindt zich nog de kleibodem van een nog oudere en diepere zee. Het zand is waterdoorlatend maar de klei is waterdicht. Het regenwater zakt weg in het zand maar als het aankomt op de kleilaag, moet het zich een weg naar buiten zoeken. Waar dat gebeurt, ontstaat er een bron.

Dit is op zich niets bijzonders in onze streken maar in het Rodebos zijn er opmerkelijk veel van die bronnen gevormd, niet alleen laag in het dal waar de rivier zich heeft uitgeslepen maar ook op allerlei plekken op de helling (zoiets noemen de geologen een ‘hangende bronzone’) waardoor er ook kleine valleitjes zijn ontstaan dwars op die helling.
Bovendien bevindt zich onder de kleilaag nog weer een oeroude laag van fijn zand met waterlagen die dikwijls van ver komen en zich af en toe door de klei persen en het water naar boven komt als kwelwater.
Tijdens de ijstijden (150.000 tot 10.000 jaar v.Chr) is door de noordenwind fijn stof (leem) aangevoerd. Een groot deel daarvan is door erosie (landbouw) afgeschoven naar de vallei. Een deel is op de hellingtop blijven liggen. Onder dat leem bevinden zich hier en daar veenbanken (opgehoopte vegetatie van vroeger), gemengd met moeraskalk-travertijn), kalksteen die gevormd wordt door de neerslag van kalk uit calciumcarbonaat uit overzadigd water uit warme bronnen. Vanaf het pad ga je dit allemaal niet zien maar voor biologen is dit zeer belangrijk, vooral door de aanwezigheid van zeldzame mossen.
Voor de bosbezoeker betekent dit dat je onderaan het Rodebos bijna altijd met je laarzen in de modder staat en dat dit ook zo is in de dwarsvalleitjes (als je niet op de paadjes blijft) maar dat de bodem droger wordt naarmate je hoger op de helling komt en dat betekent dat op een heel korte afstand het karakter en de begroeiing van het bos totaal veranderen.

Beneden sta je in een moerasbegroeiing en boven zijn er velden van heide en bosbessen. Daartussen kan je van alles tegenkomen. De wetenschappers noemen dit: ‘gradiënten’ en op zo’n klein oppervlak is dat zeldzaam.
De naam ‘Rodebos’ is een beetje misleidend want het is officieel een ‘oud bos’, dat wil zeggen dat het sinds de tijd van Ferraris (eind 18de eeuw) onafgebroken met bomen bedekt is geweest en dus niet ‘gerooid’ is voor ontginningsdoeleinden zoals alles op het bovenliggende plateau of voor het dorp Sint Agatha Rode.
Dat is niet altijd zo geweest want er wonen hier al mensen sinds heel oude tijden. In het begin van de twintigste eeuw is er in dit bos een villa opgegraven uit de Romeinse tijd waarvan de bewoner kennelijk een boerenbedrijf uitoefende. Merkwaardig genoeg zijn er in onze tijd helemaal geen sporen meer van te vinden en heb ik nog niemand gevonden om de precieze plek aan te wijzen. Waarschijnlijk vond de eigenaar het beter om alles maar weer dicht te dekken met zand en dan met bomen te beplanten zodat er geen nieuwsgierige archeologen op zijn terrein zouden willen gaan rondneuzen. Wat nu de baan is tussen Sint Agatha Rode en Ottenburg was in 200 na Christus een Romeinse Heirbaan.

Sinds lang voor onze jaartelling en ook na het vertrek van de Romeinen is deze helling (en plateau) begroeid met ‘opgaand hout’, vooral omdat de mensen er lang met de hen beschikbare middelen niets nuttigs mee konden doen, noch voor de landbouw, noch voor de bosbouw. Daardoor hebben de natuurlijke vegetaties zich ongestoord (door de mens) kunnen ontwikkelen totdat uiteraard in de 19de eeuw de moderne bosbouw zich in dit proces gemengd heeft met het op grote schaal aanplanten van geselecteerde inheemse en uitheemse boomsoorten.
Zoals op veel andere plaatsen in Vlaanderen werden op het schralere droge zand in die tijd nogal wat monotone dennenbestanden aangeplant en veel daarvan staat er nog (Grove den, Corsikaanse den). Op de wat vochtiger delen staan veel eiken, zomereiken, Amerikaanse eiken en merkwaardig genoeg ook wintereiken wat tot voor kort in onze bossen niet zo gebruikelijk was. Beuken zijn er ook zeer veel evenals haagbeuken met soms grillige vormen. Hier en daar zie je hele dikke boskersen (inheemse bosbomen, voorouders van de kerselaars in onze boomgaard, te herkennen aan hun dwarsgestreepte schors en uiteraard hun bloesem in het voorjaar). Bovendien zie je ook veel berken en berkenstoven, vooral langs en op de heidevelden. Niet geplant maar ferm aanwezig zijn ook de Tamme kastanje en de Esdoorn. Hier en daar loeren de maserknollenmonsters naar je vanuit mysterieus gedraaide beukenstammen.

Toch is de menselijke inspanning om dit bos uit te baten beperkt gebleven en daardoor zijn een hele reeks natuurwaarden behouden. Dat is des te opmerkelijker omdat boven aan de helling tussen het landbouwplateau en de bomen geen groene buffer is aangelegd om te vermijden dat meststoffen en verdelgers in de bosbodem insijpelen. In de zomer is het donker onder de bomen maar in het voorjaar groeit er een bijzondere flora in de bronzones met veel voorjaarsbloeiers en moerasplanten zoals Echte koekoeksbloem en Pinksterbloem maar ook het zeldzame Goudveil. In april geurt heel de centrale bronvallei naar Daslook. Allerlei andere planten doen het ook goed in de zuivere bosbodem zoals Bosbingelkruid maar vreemd genoeg heb ik hier nooit veel bosanemonen gezien. Nochtans hebben die graag opborrelend water en kalk dus hier wacht nog een raadsel op de oplossing. Bij de varens zal je het Dubbelloof zien, meestal groeiend tussen een keur van mossen en zwammen. Op de droge zanderige vlakke stukken groeit dan weer Struikheide, Bosbes maar ook Adelaarsvaren.
In 1978 wordt het bos verkocht – op het kasteeltje na – door de erfgenamen Franchomme aan het Vlaams Gewest – en sinds 1992 is het staatsnatuurreservaat, beheerd door het Agentschap voor Natuur en Bos (ANB). De totale oppervlakte is thans zo’n 100 hectare.

Sindsdien wordt er niet veel meer gezaagd (tenzij vanwege de veiligheid) en dat begin je stilaan wel te zien aan de hoeveelheid dood hout, mossen en zwammen en te horen aan het gekwetter van de vele vogels. Gejaagd wordt er ook niet meer en af en toe kan je wel een ree tegenkomen. Wel wordt er blijkbaar sinds kort jacht gemaakt op everzwijnen hoewel ik zelf van die dieren nog geen sporen in het Rodebos heb gezien.
Het bosbeheer richt zich nu op het behouden van de inheemse soorten en het hier en daar weghalen van invasieve boomsoorten die hier van nature niet thuishoren zoals de Amerikaanse eik en de Amerikaanse vogelkers. Er wordt niet echt aan hout-uitbating gedaan, toch niet voor economische doeleinden en dood hout blijft staan of liggen.
Hier en daar leidt dit wel tot merkwaardige toestanden waarbij een onder het vorig beheer om economische redenen een ooit netjes aangelegd eiken- of beukenbos om op termijn kwaliteits-zaaghout op te brengen thans aan zichzelf wordt overgelaten en er dus ‘onnatuurlijk natuurlijk’ bijstaat.
Het duurt decennia voordat een geplant bos verandert in een natuurbos, al was het maar omdat er zoveel tijd nodig is om nieuwe spontaan opgroeiende inheemse zaailingen tot volwassen bosbomen te laten opgroeien zodat ze het uitzicht bepalen. Maar het gaat volgens mij wel de goede kant op.

In de bomen hoor je vooral de boomklever zich boos maken op voorbijgangers maar de boomkruiper moet er ook zijn, het gemiauw van buizerds in de lucht is nooit ver weg en wie er wat van kent kan nog heel veel andere soorten vogels horen en eventueel zien. Op het pad word je overal begeleid door het geklop van spechten en dat is niet verwonderlijk want hier huizen zowat alle soorten van die familie: Grote specht, Middelste bonte specht, Kleine bonte specht, Groene specht en zelfs de Zwarte specht. En omdat de bewoonde wereld nooit ver weg is stuitten bezoekers jarenlang midden in het bos op een tamme fazant, een vrouwtje van een koningsfazant die kennelijk ergens uit een tuin of hok ontsnapt was maar die zo wild geworden was dat wandelaars er niet zonder stok langs durfden. Ik denk dat het dier ondertussen wel door een vos zal zijn opgegeten want ik heb hem al een tijd niet meer gezien.
Naarmate het aandeel dood hout in het bos stijgt, nemen ook de aantallen en soorten zwammen toe met de tonderzwammen op kop maar elfenbanken, zwavelzwammen, vliegenzwammen en parasolzwammen kom je er eveneens tegen.
Mijn blik valt op een klont heksenboter zo groot als mijn hand. Verkouden heksen zijn nergens te zien maar deze boter is geen zwam maar een van de duizend slijmzwammen van deze wereld, een samengeklonterde massa cellen met maar één celkern.

Heksenboter verplaatst zich om voedsel te zoeken en dat kan je zien aan een slijmspoor. De bijnaam ‘runbloem’ lijkt me wel wat overdreven. De slijmzwam is een belangrijke milieuzuiveraar want hij neemt zware metalen op uit de bodem. Probeer hem niet te eten want dat gaat verkeerd lopen.
Volgens mij is dit bos een van de meest afwisselende in onze streken en het wordt erg zorgvuldig beheerd door de Vlaamse overheid (Agentschap Natuur en Bos). Jammer genoeg is het beheerplan niet openbaar toegankelijk. De beste vertrekplaatsen zijn van onderen aan de watermolen op de Laan in Terlanen of bovenaan op de ANB-bosparking langs de Leuvensebaan tussen St. Agatha Rode en Ottenburg.
Om het te verkennen trek je best wel flinke schoenen aan want hier en daar zijn de hellingen best steil naar Vlaamse normen en het kan flink drassig zijn. Je kunt je auto of fiets achterlaten onderaan de helling aan de kant van Terlanen of aan de bovenkant aan de kant van de baan tussen Sint Agatha Rode en Ottenburg.

De bezoeker kan op drie plaatsen het bos in de dwarste doorkruisen:
Vanuit Sint Agatha Rode volg je de Laan tot aan en in het Rodebos. Aan de bosrand vlak voor het kasteel gaat een smal pad steil omhoog. Links van je liggen de weiden maar op je rechterkant ligt een nogal wild valleitje. Als je zowat boven bent kijk je rechts naar beneden op enkele bemoste betonnen constructies. In april bloeit de Daslook hier ook welig. Uit de bron op deze hoogte voorzag in de bewoner van het in 1928 gebouwde kasteel zich van drinkwater. Je kan het deksel van de put nog optillen maar wees voorzichtig want als je er in valt kom je er niet levend uit.
Van hier volg je de plateaurand maar zorg er voor om in het bos te blijven want dan kom je via een smal paadje langs een beetje flink steile helling aan bij een kleine haagbeuk op poten.

2. De centrale bronvallei (Walvisdelle in de Volksmond)
Waarom de plaatselijke bevolking in oude bronnen deze midden in het bos gelegen dwarsvallei ooit de ‘Walvisdelle’ noemde heeft zelfs de zeer degelijke Heemkundige Kring van Huldenberg me niet weten te vertellen. In elk geval is het gebruik verloren gegaan. Als je echter de kaart van het bos een beetje draait totdat je vaag de vorm van een walvis ziet kan je deze vreemde naam misschien voorstellen.
Dit is het meest typische deel van het bos om de bronbegroeiing te zien. Aan de bovenkant is de is de helling steil met hoge bomen. Beneden je zie je in april langs de bronbeken grote tapijten daslook. Andere voorjaarsbloeiers zijn hier ook aanwezig zoals slanke sleutelbloemen, bosanemonen, pinksterbloemen, gevlekte aronskelk en – zeldzaam – bosbingelkruid. Naast het pad zie je een zeldzame varensoort: dubbelloof. Dit dal is een paradijs voor liefhebbers van veenmossen. Pluk graag niet van de bladeren of bloemen van de daslook en ga nergens op staan of liggen want menselijke voeten zijn een beetje te lomp voor dit soort kwetsbare natuur.
Bovendien zou je jezelf er ook ferm mee in problemen kunnen brengen vanwege de drassigheid van het terrein.

Aan het pad kom je langs een rij oude paalstompen. Hier bleven bij de gevechten aan de Dijlelinie in 1940 drie gloednieuwe Britse pantservoertuigen onbeschadigd achter in de modder. In 1997 waren ze er nog in goede staat heb ik gehoord, zij het roestig, nadien zijn ze afgevoerd naar het oorlogsmuseum in Brussel en daar zouden ze nog moeten staan. Eigenlijk vind ik dat wel jammer want als erfgoedrelict zouden ze hier wel goed staan samen met al die bunkers in de omgeving.
Onderaan dit pad kom je aan een veerooster en als je dan de bronbeek verder volgt kom je aan een bruggetje over de Laan en op de autoweg aan het hof Tervaeren. Het bruggetje is nog net in Huldenberg maar op de boerderij sta je in de gemeente Overijse (Terlanen) en ik heb gemerkt dat het belangrijk is om het onderscheid te weten.
3) tussen de ANB-parking en de watermolen
De heidevelden in het Rodebos bereik je zowel vanaf de watermolen in Terlanen als van de bosparking van het Agentschap voor Natuur en Bos (ANB) bovenaan de helling langs de Leuvensebaan (pas op leuvenseBAAN en niet -straat).
Vanaf het plateau daal je steil af naar de vallei. Halverwege de hoogte zie je de bronnen. Helemaal beneden kan je op rechts een al wat oudere privé-hoogstamboomgaard bewonderen. Via de asfaltweg bereik je de molen.

Aan de ingang moet je door een hek met een veerooster. Links en rechts is het bos afgespannen om de schapen op de heide te houden.
De in de ijstijd afgezette leemlaag op het plateau is grotendeels door erosie afgevloeid naar het dal. Op de vrijgekomen ‘arme’ zandlagen komt struikheide heide als pioniersplant dikwijls als eerste op (samen met bosbes) maar wordt dan verdrongen door alles wat er daarna begint te groeien hoewel je zelfs onder een hoog opgaand bos nog wel heideplanten vindt als er maar even wat licht op de bodem komt. Om de heide te bewaren is er dan ook heel wat onderhoud nodig om die niet te laten verstikken niet verstikt door spontane opgroei van dennen, berken en ook bramen, adelaarsvaren en grassen zoals pijpestrootje.
Om die reden zal je hier dikwijls schapen tegenkomen op afgebakende ‘begrazingszones’. Zwarte schapen van Schotse oorsprong maar ook gewone witte schapen van Belgische oorsprong, gekend om hun zelfredzaamheid, gehoed door een plaatselijke herder/oppasser, zorgen voor de begrazing. In de zomer staan ze op de heide en in het voorjaar in de vallei op de graslanden.
Daarnaast wordt er gemaaid om het opgroeien van bomen (berken, dennen), struiken (bramen) en grassen zoals pijpestrootje tegen te gaan. De heideplekken worden ‘aangevallen’ door adelaarsvaren, een prachtige varen soort die zich langs zijn wortels bijna onstuitbaar weet voort te planten. Zonder altijd volgehouden maaibeheer groeit de heide onherroepelijk dicht tot bos. Tip: voeder de schapen niet want dat verstoort het maaibeheer en jaag ze ook niet op.

Anders dan het Meerdaalwoud heeft het Rodebos wel een geschiedenis van heide-handhaving mensen hoewel het niet heel duidelijk is waar de dorpelingen de velden voor gebruikten en je op oude kaarten ook geen open plekken ziet. Er wordt gezegd dat in het verleden door de plaatselijke bevolking op de open plekken regelmatig brand gesticht werd, blijkbaar vooral voor het plezier maar ook om ze open te houden, wellicht om er tijdelijk dieren op te kunnen laten grazen.
De brand-methode is verlaten en vervangen door een combinatie van grazen en maaien. Maar blijkbaar is dat allemaal niet genoeg en moet er regelmatig op grote schaal ‘geplagd’ worden, dat wil zeggen dat de hele oppervlakte van het open te houden perceel met grote machines afgeschraapt wordt tot op de kale bodem om de heideplantjes een nieuwe kans te geven. Het plagsel moet vervolgens tot buiten het natuurgebied worden afgevoerd.
In natuurbeheer moeten er altijd keuzes gemaakt worden en over natuursmaak kan getwist worden maar die geplagde rechthoekige percelen zien er in mijn ogen heel erg onnatuurlijk uit. Zoals dikwijls is het de industriële grootschalige aanpak die het natuurbeeld bederft. Ik vraag mij ook af waar de dieren die voor het plaggen in dit landschap leefden allemaal naar toe zijn.
Maar juist omwille van die dieren willen de beheerders de open heideplekken nog verder uitbreiden en met elkaar verbinden opdat hazelwormen, levendbarende hagedissen, zandbijen, vlinders en andere insecten zich van de ene plek naar de andere kunnen verplaatsen.

Naar hun mening gevraagd tijdens een bosexcursie enkele jaren geleden vroegen de deelnemers aan de beheerders om met die aanpak niet te overdrijven – want de basis van een bos zijn toch de bomen en zo groot is het Rodebos nu ook weer niet en Vlaanderen is al een van de bosarmste regio’s van Europa. Mijn indruk is dat er niet geluisterd is want iedere keer dat ik het Rodebos bezoek is er heidevlakte bijgekomen.
Bovendien zie ik weinig struweelranden langs die heidevelden en ik dacht toch dat die nodig zijn voor de overgang tussen vlakte en bosbomen. Er zijn nog een aantal percelen met dennen in het Rodebos en ik hoop maar dat ze daar niet ook heide van maken. Het woord ‘Rodebos’ betekent wel ‘bos om te rooien’ maar ik pleit er voor dat dit niet al te letterlijk genomen wordt want anders is de helft van het Rodebos bos binnenkort een open vlakte met hier en daar rijtjes bomen er tussen. Ik weet wel dat ik met deze bedenking boven op de lange biodiversiteits-tenen ga staan van een aantal mensen die ik ken maar dat moet dan maar.
Daarmee sluit ik dit hoofdstukje over het Rodebos af met de tip om ook eens te kijken naar het afzonderlijke hoofdstuk over de laanvallei en dat over de watermolen van Terlanen om een totaalbeeld te krijgen van dit mooi stuk topnatuur tussen Terlanen en Sint Agatha Rode.

+++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++
https://pureportal.inbo.be/portal/nl/publications/het-staatsnatuurreservaat-rodebos-en-laanvallei(4e6a2a77-a304-4421-8510-c005845df304).html: Het staatsreservaat “Rodebos en Laanvallei”, Piet De Becker (red.), De Vrienden van Heverleebos en Meerdaalwoud, 1997
https://www.natuurstudiegroepdijleland.be/rodebos-en-laanvallei/
http://www.bloggen.be/huldenberg/archief.php?ID=716338

Trefwoorden: rodebos, laan, franchomme, anb, natuurreservaat, begrazing, schaap, heide, bron, bos, geschiedenis, erfgoed, natuurbeheer, terlanen, sint agatha rode

Het riviertje de Laan heeft op het vlak van natuur en erfgoed heel wat te bieden. In dit hoofdstuk neem ik je mee naar Sint-Agatha-Rode en vandaar langs de rivier naar de watermolen van Terlanen. Over die molen heb ik een apart hoofdstuk gepubliceerd. Vanuit Terlanen ga ik de steile helling op om via het Rodebos naar het startpunt terug te keren. Over het Rodebos maak ik ook een afzonderlijk hoofdstuk.
De Laan is net zoals de Voer en de IJse een westelijke zijrivier van de Dijle ontstaan in het geologisch tijdperk van het Kwartair, zo’n 2,5 miljoen jaar geleden. In die tijd was Midden-België een kustvlakte waaruit de zee zich langzaam terug doordat het land omhoog kwam door het ontstaan van de Alpen. Heel die vlakte is bedekt met kalkhoudend zand uit nog veel oudere periodes waarin de zee af en toe eens tot hier of nog veel verder het binnenland introk. Als je op de kaart kijkt kan je zien dat de valleien van nu ontstaan zijn zoals de zandbanken in de huidige Noordzee dat nog altijd doen, de een na de ander en allemaal zowat evenwijdig aan de kustlijn. De Voer tussen Leuven en Tervuren ligt het noordelijkst, dan komt de IJse tussen Neerijse en Hoeilaart en ten zuiden daarvan zie de Laan.

De zandlagen laten gemakkelijk water door maar in de ondergrond rusten ze op een nog veel oudere laag van door de zee afgezette klei. Die klei laat geen water door en dat heeft een paar gevolgen. Het debiet van de drie rivieren is tamelijk hoog en door de stroomsnelheid hebben Voer, IJse en Laan zich betrekkelijk snel in het landschap uitgeslepen waardoor de valleien nogal smal zijn en naar Vlaamse begrippen nogal steil. In die ‘steilranden’ komen ook de typische bronnen voor en waar het water zich in de vallei door de kleilaag dringt ook het al even typische kwelwater. Bovenop het zand is dan nog in de laatste ijstijd door ijskoude winden vanuit de Noordzee een hele laag leemstof afgezet.
Voordat de mensen zich begonnen te bemoeien met de op deze wijze gevormde natuur waren de hellingen van de Laanvallei bedekt met bossen. Het vruchtbare leem spoelde van de hellingen af en vormde venige komgronden op de valleibodem tussen natuurlijke dijkjes (oeverwallen). Door de erosie veroorzaakt door het snelstromende water stond die vallei regelmatig flink onder water.
Zo’n 6000 jaar geleden is de mens begonnen met de ontginning van de vruchtbare gronden tot akkers en weiden en dat heeft naast veel voorspoed ook geleid tot nog meer erosie en overstroming, ook al omdat de bossen op de valleiranden op grote schaal gerooid zijn om plaats te maken voor landbouw en bewoning.

Dit proces is in de Laanvallei sterk bevorderd in de Romeinse tijd maar daarna is het bos weer wat kunnen terugkeren totdat in en sinds de vroege middeleeuwen de landbouw zich opnieuw ontwikkelde en ook in de vallei het bos plaats maakte voor een open landschap met grasland.
Net zoals in de Dijlevallei is in de vallei van de Laan een op oude kaarten en vandaag in het landschap nog altijd goed zichtbaar systeem van rechte leibeken en leigrachten aangelegd om de natte komgronden droger te maken zodat die konden worden benut als weide en hooiland. Veel van die percelen waren in het verleden ‘gemene’ weiden waar ieder seizoen tot juni-juli de eigenaars hun gras konden hooien maar daarna konden de dorpelingen er hun vee op laten grazen (het ‘vrijweidesysteem).
De Laan ontspringt in Waals-Brabant een beetje ten zuiden van de dorpskern van Plancenoit in de gemeente Lasne. Het water stroomt door Rixensart vlak bij het deftige Meer van Genval, steekt de taalgrens over en gaat dan door Tombeek en langs de watermolen van Terlanen. Daarna stroomt de rivier in vele meanders verder totdat ze een halve kilometer ten noorden van Sint Agatha Rode uitmondt in de Dijle op een plek die ‘Hoek’ genoemd wordt. In de bovenloop van de vallei vind je een aantal natuurgebieden zoals het natuurreservaat Le Confluent waar de Laan samenkomt met de Zilverbeek (l’Argentine) in Rixensart.
Aan de Vlaamse kant komen natuurliefhebbers aan hun trekken in het Staatsnatuurreservaat Rodebos en Laanvallei. Dit is allemaal topnatuur met moerassen, kwel en bronnen, komgronden en oeverwallen, hoogstamboomgaarden, bossen, schapen en uiteraard ook bevers.

‘Laan’ is een Keltisch woord dat staat voor ‘kalm’ of ‘rustig’ maar als het even doorregent wordt het beekje een woeste stroom die op volle kracht massa’s water bruisend naar de Dijle voert. Het water in de rivier staat dan hoger dan in de weiden (komgronden) ernaast en de wandelaar mag blij zijn dat de oeverwal nog functioneert als natuurlijke waterkering maar elke winter gaat het er toch flink overheen.
Af en toe bouwen de bevers flinke dammen in de rivier maar in het winterseizoen spoelen die blijkbaar ook al eens weg. De rivier ligt het hele jaar door vol met omgevallen bomen en tot zover mogen die allemaal blijven liggen als een bijdrage om het water te vertragen waar mogelijk om te verhinderen dat Leuven af en toe eens onder water komt. Hoe lang dat nog zal duren weten we niet want er is grote druk om kano’s op de stroom toe te laten en voor hen zijn bomen erg gevaarlijk.
In de bovenloop is het water nog altijd flink vervuild maar sinds de bouw van het zuiveringsstation in Rosières en forse rioleringswerken in Overijse is de rivier aan de Vlaamse kant redelijk proper zodat er zich opnieuw vissen op vestigen zoals – al dan niet na herintroductie – de kopvoorn, serpeling, baars, blankvoorn, paling, beekforel, rivierdonderpad, bermpje, riviergrondel en verschillende soorten stekelbaars. Zullen er ooit (weer?) echte forellen en zalmen te zien zijn vanaf het bruggetje naar Hof Tervaeren?
Het water in de rivier is zeker nog te voedselrijk maar omdat de bronnen op de oever erg zuiver zijn en ook een beetje kalk bevatten kan je hier veel planten vinden die elders in Vlaanderen niet meer kunnen gedijen, zoals vroeg in de lente paarbladig goudveil.

Ten westen van de Laan heeft het bos al eeuwen grotendeels plaats gemaakt voor de landbouw maar aan de oostkant is het Rodebos bewaard gebleven als hellingbos.
Sint Agatha Rode is in de 11de eeuw gesticht door de hertogen van Brabant. Op die plek komen de rivieren de Dijle en de Laan samen op het noordelijke uiteinde van een heuvelrug naar het plateau van Ottenburg. Op de kaart Vandermaelen van 1845 zie je dat je je hier in het strategisch belangrijke grensgebied bevindt waar het Hertogdom Brabant richting Ottenburg uitstulpt in het Prinsbisdom Luik.
In die Middeleeuwse tijd waren de heren van die gebieden elkaar zeer slecht gezind (tegenwoordig komt dat nog wel eens voor denk ik soms) en ik lees dat er daarom een kasteelburcht werd op het speciaal daarvoor gerooide land – vandaar het naamsdeel Rode – en een opvallend grote gotische aan Sint Agatha Rode gewijde kerk. Waar het kasteel gebleven is weet ik niet maar de kerk zie je nog altijd oprijzen. Ten oosten van het dorp bevond zich tussen de kerk en de Dijle in die tijd nog een zogenoemde ‘motte’, ofwel een opgeworpen verdedigingsheuvel en die zou je in afgevlakte versie nog in het landschap zou moeten kunnen zien als er tenminste ondertussen geen huizen op staan (wat ik denk). Ik lees dat die motte mogelijks zowel aan de oost-als aan de westkant beveiligd was door de Dijle via een combinatie van een afgetakte meander met de over een korte afstand rechtgetrokken en afgehoekte hoofdrivier. Op de Ferrariskaart van 1777 kan je de structuur nog zien maar de motte zelf is blijkbaar al sinds de 17de eeuw buiten werking.

Het dorp is sinds 1977 (fusie) een deelgemeente van Huldenberg. Doorheen de eeuwen zijn er nog wel meer bomen gerooid maar 100 hectaren gesloten bos zijn gered omdat in 1978 de erfgenamen Franchomme hun eigendom – op het kasteeltje na – verkochten aan het Vlaams Gewest.
Blikvanger in het dorp is de Sint-Agathakerk die al dateert uit de 13de eeuw en gebouwd is in witte Gobertangesteen. De brandglasramen van het koor werden in de 17de eeuw aangebracht maar zijn omstreeks 1950 vervangen door nieuwe ramen. Jammer genoeg is dit geen ‘open kerk’ dus je kunt alleen binnen voor de erediensten. Ik vind dat als kerken met gemeenschapsgeld worden gerestaureerd ze als tegenprestatie vrij toegankelijk moeten zijn voor het publiek als ‘Open Kerk’. De restauratiesteigers die er jaren lang hebben rondgestaan zijn nu bijna verdwenen en het gebouw staat te blinken als nieuw. Uiteraard is de kerk beschermd als monument. Ook de pastorie is als monument beschermd.
Hetzelfde geldt voor de reusachtige plataan aan het kerkplein. Die is daar geplant in 1830 ter gelegenheid van de Belgische onafhankelijkheid en is nu 35 meter hoog met een stamomtrek van bijna 5,5 meter. En erg belangrijk als je op schaduw gesteld bent in tijden van klimaatopwarming: de diameter van de kroon bedraagt meer dan 31 meter. Om zo groot te worden moet zo’n boom dus wel pak weg 200 jaar groeien en ik denk dat de dorpelingen in veel van onze Vlaamse gemeenten zich dat toch nog maar eens moeten bedenken voordat er aangedrongen wordt om ‘omzagen’ van hinderlijke bomen vanwege de ‘vuiligheid’ (de bladeren), de ‘veiligheid’ (er kunnen altijd takken uitvallen), omdat er juist op die plek een fietspad moet komen, er gebouwd moet worden of omdat de monumentale boom in wording om een andere reden in de weg staat.

Vellen en opruimen kost een dag, een nieuwe planten een uurtje maar je boompje zal tijdens jouw leven nog niet groot genoeg worden om schaduw te geven. Deze ferm moraliserende bedenking maak ik mij van op het terras van het cafeetje met de toepasselijke naam ‘De Plataan’ tegenover de eveneens als monument beschermde pastorie. Het geheel van het dorpscentrum is ook geklasseerd als ‘beschermd dorpsgezicht’.
Vanuit Sint Agatha Rode geraak je dus zowel aan de Dijle als aan de Laan. Voor de Dijle (en het natuurreservaat Grootbroek) moet je juist aan de oostkant van het dorp zijn, voor de Laan even zover maar dan aan de westkant. Iets ten noorden van het dorp komen beide rivieren samen en stromen dan richting Sint Joris Weert en de Doode Bemde.
Tussen Sint Agatha Rode en de stroomopwaarts gelegen watermolen van Terlanen is de vallei één smal maar langgerekt natuurgebied met als blikvanger het op de helling gelegen Rodebos. Het is een heel mooi wandelgebied maar hoewel je best wel wat buurtbewoners tegenkomt hebben de fotografen het nog niet echt ontdekt (behalve die van Natuurfotografen Dijleland dan). Sint Agatha Rode heeft vlak binnen de dorpsgrenzen nooit een watermolen gehad maar halverwege het traject naar Terlanen was er wel een molen om witte kiezel tot porseleinpoeder te malen, de Joskesmolen aan het kasteel Franchomme.
Vanaf de kerk in het dorp kom je via de Huldenbergstraat onmiddellijk langs het riviertje de Laan. Gelukkig staat er – voorjaar 2020 – wat meer water in dan vorige zomer want anders zouden we ons echt zorgen moeten maken denk ik. De bochten in het riviertje vertellen je dat de Laan valt onder de categorie ‘onbevaarbare waterlopen” want anders zou alles al lang geleden gekanaliseerd zijn. De oude knotwilgen langs het water worden kennelijk regelmatig geknot maar wie dat doet weet ik niet.

De huizen aan de veel te nabije horizon laten zien hoe smal de voor de natuur gereserveerde ruimte is.
Vlak over de (juist vernieuwde) asfaltweg tussen Sint Agatha Rode en Huldenberg begint het ‘Staatsreservaat Rodebos en Laanvallei’ waar het Agentschap voor Natuur en Bos (ANB) sinds 1992 de beheerscepter voert. Het laatste houten hutje dat er vorig seizoen nog stond is afgebroken en opgeruimd. Het pad is slijknat maar toch droger dan vorige winters.
Op dit traject zie je nog de ‘rabatten’ in de weide, dat zijn rechte ondiepe gegraven slootjes waarmee de boeren in het verleden aan drainage deden. Ik heb begrepen dat het woord ‘rabat’ niet slaat op het slootje maar op de bijna onzichtbare dijkjes aan beide kanten ervan. Die drainage praktijk is met het natuurbeheer opgegeven maar het is de moeite waard om zulke grachtjes niet allemaal te dempen omdat in het water een beetje andere planten- en dierenwereld ontstaat dan in het drogere grasland. Een beetje verder staan ook nog ooit geplante schilderachtige kerselaars. Erg florissant zijn ze niet meer maar de boomgaard is dan ook al een hele tijd verlaten.
In het voorjaar geniet je van de bloesems van de sleedoorn gevolgd door die van de meidoorns en de kerselaars. Daarna komen de bladeren uit en wordt alles groen. Zolang de nachten koud zijn ligt ’s morgens de nevel over het land als een rust brengende deken waaronder de dag nog een beetje slaapt. Maar in de verte hoor je wel het geraas van de autobestuurders op hun dagelijkse filetrip.

Het pad langs de rivier gaat een beetje over een dijkje en dat herinnert je er aan dat de vallei de erg belangrijke functie heeft om water te bergen. Om overstromingen in bebouwde kommen en over landbouwgronden te voorkomen moet het teveel aan water in de vallei kunnen uitvloeien. Bochten in de rivier maar ook het laten liggen van bomen die er in terechtkomen dienen ook om de kracht en snelheid van de stroom te temperen. In de winter zorg je best voor watervast schoeisel want het kan er nogal drassig zijn.
Op dit traject kom je zeer dikwijls de schapen tegen waarmee de graslanden kort gehouden worden en zelfs als je ze niet ziet ruik je keutels, zie je rafels witte en zwarte wol en stap je over hun hoefsporen. Vroeger waren het uitsluitend zwarte Schotse Hebridean kortstaartschapen maar de herder van nu heeft het blijkbaar toch meer voor gewone witte schapen ‘van-bij-ons’.Gebruik van meststoffen en plantverdelgers is uit den boze hier en zelfs de schapen worden op één weitje samengebracht om ze af en toe eens te ontwormen zonder dat de chemische stoffen zich overal verspreiden. Als je ze dag zegt kijken ze allemaal je richting uit, hollen allemaal weg of doen gewoon allemaal voort. Ik hou van schapen en hun gemekker maar ben blij dat ik geen schaap ben.

Langs het drassige pad staan houtkanten en knotwilgen. Hier en daar staan nog in de steek gelaten en verloren sparrenbosjes die ooit werden aangeplant voor het hout maar nu allemaal doodziek zijn en soms bedekt met indrukwekkende zwammen.
Overal langs de rivier zie je de sporen van bevers. Een jaar geleden waren er nog overal actieve beversporen te zien maar hoewel er nog veel dode bomen in de rivier liggen is er niets dat op beverdammen wijst en er zijn ook nauwelijks verse knaagsporen. Toch moeten ze er nog zijn want in de modder zie ik pootafdrukken.
Ik hoop dat er hier niet in stilte aan actieve of passieve bestrijding van deze beschermde dieren gedaan wordt om de kajakkers de kans te geven toch hier hun favoriete sport uit te oefenen op deze als onbevaarbaar geklasseerde waterloop. De bemoste bomen die in de rivier liggen hebben wel degelijk een functie, namelijk het vertragen van de stroom bij groot debiet. In het water staan nog oude beschoeiingspaaltjes en je ziet duidelijk dat de meanders zich daardoor niet laten tegenhouden.

Zelfs in de vroege ochtendnevel zie en hoor je wel dat ter hoogte van Sint Agatha Rode op de hellingen van de smalle Laanvallei veel nieuwe huizen (villa’s) gezet zijn en worden. Op http://www.geopunt.be/kaart kan je zien dat dit stuk van de helling deel is van een ‘woonuitbreidingszone’ en uiteraard willen alle nieuwe bewoners graag een vol uitzicht op de rivier. Ik hoop maar dat de akkers en de weiden richting Rodebos toekomstige bouwambities zullen overleven want anders blijven er alleen nog de smalle ecologisch onderhouden moerasveldjes en hooilandjes langs de rivier over voor de natuur. Heeft Huldenberg nog geen actiegroep ‘betonstop nu’?
Onder de huizen liggen akkers tot aan het wandelpad en zelfs een beetje er over. Ik vermoed dat er op deze plek een erosieprobleem is maar erger is dat alle mest- en sproeistoffen ongebufferd in de richting van het kwetsbare natuurgebied aan de rivier vloeien. Voorlopig staan er onder aan de akker nog bosjes stervende sparren dicht tegen elkaar maar met het oog op de toekomstnatuur zal het wel niet lang meer duren voordat de beheerders hier een meer eigentijdse plantengroei zullen proberen te verkrijgen.
Op dit traject voel je de spanning tussen spontane natuur en menselijke ontginningsdrang. Sinds jaren is de vallei rivier en Rodebos uitgeroepen tot natuurreservaat. Dat is een erkenning van het feit dat in dit soort landschap menselijke ingrijpen om ‘er iets van te maken’ gedoemd is om te mislukken tenzij je overgrote middelen inzet.

Vlak tegen het kasteeltje ‘Franchomme’ staat er bijvoorbeeld een sparrenbos dat tientallen jaren geleden daar kennelijk gezet is om kerstbomen te verkopen of om ze te laten groeien en er zaaghout van te maken. Tussen die bomen zijn drainagegoten gegraven en dat is nodig ook want die staan altijd vol water. Voor zover ik weet zijn van de naaldbomen alleen de moerascipressen echt gesteld op zoveel nattigheid maar merkwaardig genoeg doen die kerstbomen het wel. Waarschijnlijk omdat het te veel werk zou opleveren zijn ze nooit ‘gedund’ en om die reden staan ze nu veel te dicht op elkaar. Onder de bomen is het bijna volslagen duister en dat levert samen met het glanzen van het water een geheimzinnig sfeertje op. Dat is wel fotogeniek maar ecologisch van weinig meerwaarde terwijl de bomen in economisch opzicht helemaal waardeloos zijn geworden. Blijkbaar komen er wel af en toe reeën schuilen want hier en daar staan versleten jachtstoelen in het rond en ook slingert er wel het een en ander aan rotzooi. De bomen zijn door de eigenaar kennelijk opgegeven en zullen in de komende jaren wel afsterven. Rondom het sparrenbos zijn in het verleden ook allerlei loofbomen geplant met het doel om er hout van te hebben maar ook die zijn kennelijk in de steek gelaten en hangen en liggen overal in het rond. Op die manier krijg je een wildernis die je mensgemaakt oerbos zou kunnen noemen maar misschien was het dan beter geweest dat de mensen er zich nooit mee bemoeid hadden denk ik. Als wandelaar geniet ik wel van de mossen en zwammen die in dit soort natuur vrij spel hebben.
In de weiden naast de akkers staan paarden en dat is al heel wat beter voor de natuur denk ik. Een rijtje deze winter geknotte wilgen steekt scherp af tegen de nevel evenals de langzaam groter wordende fruitbomen in de hoogstamboomgaard die het Agentschap voor Bos en Natuur (ANB) in 2005 heeft aangelegd.

Er zitten nog geen bloemen in de takken en voor de speciale inheemse (zelfs autochtone) appels is het nog wachten tot na de zomer denk ik. De oogst is vooral bedoeld voor de dassen, eikelmuizen en andere zoogdieren die er op af zouden moeten komen hebben de boswachters me verteld. Of er al dassen in de buurt zijn moet ik nog horen want ze moeten wel helemaal vanuit Nivelles tot hier geraken (tenzij ze opnieuw uitgezet kunnen worden en daar ben ik absoluut voor want anders kan je met je investering wachten op Godot vrees ik). Uiteraard zijn bloesems en vruchten erg belangrijk voor vlinders, bijen, hommels en andere insecten. Door de nabijheid van het bos zal deze natuurontwikkeling wel ondersteund worden maar hoe dat zit vanuit de kale akkers die er rond liggen weet ik niet.
Onderlangs de ANB-hoogstamboomgaard, de akkers en de paardenweiden kom je aan een bareel dat je vertelt dat je bent aangekomen in het Rodebos.
Vanaf hier passeer je paden die hellingopwaarts het bos ingaan maar daarover maak ik een afzonderlijk hoofstuk.
Het pad langs de Laan gaat verder richting Onderbosstraat en langs het kasteel Franchomme. Uiteindelijk kom je dan bij de watermolen in Terlanen terug bij de rivier. In 1978 verkochten de erfgenamen van de familie Franchomme het Rodebos, tot dan hun privé-eigendom, aan het Vlaams Gewest waardoor zo’n 100 hectare tot publiek beschermd natuurgebied konden worden omgevormd. De villa zelf en het omliggende domein aan de rivier is nog altijd familiebezit en niet toegankelijk. Het is een statig gebouw maar zover ik kan zien staat het niet op de lijst van waardenvol bouwkundig erfgoed wat ik wel merkwaardig vind.

Tot 1928 stond er in deze omgeving aan de rivier een watermolen – plaatselijk bekend als ‘Jaskesmolen’ of ‘Joskesmolen’ – om de witte kiezelsteen in de ondergrond te vermalen tot grondstof om er in Brussel porselein van te maken.Alsik het goed begrepen heb was dat een van de weinige Europese producenten van dat materiaal dat verder alleen maar in China gemaakt wordt. Die steentjes zie je hier en daar nog op het pad. In het archief van ‘Molenechos’ staat de molen beschreven op het adres ‘Laansebroek, 3040 Sint-Agatha-Rode Huldenberg’ op het kadasterperceel B76d maar er is niets meer van te zien en op oude kaarten vind ik de molen niet terug. Het kasteeltje zelf is alleen zichtbaar in de winter.
Na het kasteel kom je op een kruising. Het pad naar boven brengt je in april tuinbij de daslook waarvoor het Rodebos beroemd is maar ook nog bij sporen van de Tweede Wereldoorlog.
Je kan ook rechts door het hek en over het veerooster en dan kom je aan de rivier. Voordat je daar bent steek je een leigracht over met aan de linkerkant het ontoegankelijke deel van het reservaat en aan de rechterkant een veld dat in de zomer vol staat met adderwortel en bosorchissen. Langs het pad loopt een kalkrijk bronbeekje met in het voorjaar een pracht van speenkruid, sleutelbloemen, goudveil, moeraslathyrus, echte koekoeksbloem en grote ratelaar. Er zou ook wilde betonie moeten voorkomen maar die heb ik nog nooit gezien. Wie zich rustig houdt kan ook reeën zien.

Vanaf het brugje over de Laan kijk je op een in deze omgeving nogal uit de toom vallende gesloten kippenkwekerij maar ook op de als monument beschermde vierkantshoeve Hof Tervaeren, bij kenners geroemd om zijn streekprodukten maar vooral om zijn ambachtelijk roomijs. Van hier kan je via de Vossekouter en -beek naar het centrum van Huldenberg. In de weiden staan koeien en in de zomer kan je die ook aantreffen in de rivier.
Als je op het bospad rechtdoor gaat kom je vanuit de Lanebroek naar de Onderbosstraat en even later aan de rijweg tussen Terlanen en Ottenburg. De namen Rodebos en Onderbos duiken in 1440 voor het eerst op in geschriften. Het pad, later de kasseienweg heet ‘Onderbos’. Dit is een historische naam waarmee de dorpelingen van Terlanen de scheiding tussen het Laanmoeras en het bos op de helling aangaven. Dit pad is altijd nogal drassig omdat de bosbronnen er zichtbaar op uitkomen en ook omdat er kwelwater uit de bodem opwelt. Bovendien stappen de schapen langs dit pad om van de ene graasplek naar de andere gebracht te worden en dat geeft ook wel wat modder. In de winter geniet je vooral van het lage licht tussen de kale bomen, in de lente en zomer staat het hier vol met bloemen en bijzondere planten. Heel typisch is hier de Hangende zegge. De enige zitbank in heel het gebied vind je langs dit pad.

Naar verluidt vluchtten de dorpelingen in tijden van nood (onlusten, oorlog en belastingaanslagen) met heel hun hebben en houden het bos in om zich te verschuilen. Ik vrees dat tegenwoordig het bos als schuilplek voor zo’n dreiging niet meer voldoende is, maar als er wat mist hangt over de Laanvallei ben je er toch goed verborgen.
In de Onderbosstraat stuit ik op iets nieuws (voor mij toch). Daar staan altijd al enkele woonhuizen uit vroeger tijden toen de vallei nog niet als natuurgebied was ingeschreven. Op een daarvan hangt nu een groot bord met de vermelding van een website waarop te lezen staat dat dit de vestiging is van de VZW Vanzelfnatuurlijk waar Hedwig en Maarten onder het motto ‘Zorg voor de Mens -Zorg voor de Aarde – Deel de Overvloed’ “mensen willen ondersteunen om te leven vanuit een natuurlijke staat van zijn. Vanuit verbondenheid, met een bevrijde geest overvloed ervaren in uitwisseling met je omgeving. We willen je graag inspireren om concrete stappen te zetten in harmonieus en duurzaam samenleven op deze Aarde.” Wandelen langs de Laan vind ik best passen in deze opvatting. Ik ben er nog niet binnengeweest en je kan het ook niet goed zien maar achter het hek verbergt zich sinds 1990 een mooi aangelegde Japanse tuin.
Aan de overkant van de straat is blijkbaar ook een en ander aan het veranderen want er staat een groot bord van het Regionaal Landschap Dijleland dat hier onder het motto ‘samen zorgen voor natuur en landschap’ een project heeft uitgevoerd op de weide. Wat het project inhoudt staat er niet bij maar ik denk dat er op de weide een spiksplinternieuwe hoogstamboomgaard is aangeplant. Bij mijn vorige bezoek liep er op deze plek een uiterst fotogenieke ree rond maar die laat zich vandaag niet zien.

Vanaf de straat kan je links opnieuw de helling op om de heidegebieden in het Rodebos te bekijken. Onderaan de helling kijk je op een heel mooie al wat oudere privé hoogstamboomgaard aan de linkerkant van het mooi met bomen afgezoomde wandelpad. Aan de rechterkant staat een beetje verder een nieuwe collector voor het afvalwater uit de omringende woonhuizen. Links ga je naar het dorp en naar de watermolen aan de rivier. Vandaar kan je verder de Laan volgen richting Ferme de Bilande. Terlanen is een zeer oude bevolkings- en landbouwkern aan een belangrijk bruggenhoofd over de Laan (verbindingsweg naar Ottenburg). Er werden vazen en andere resten uit de Gallo-Romeinse periode teruggevonden. De Laanovergang staat op de Kabinetskaart van de Ferraris vermeld als ‘Gué’.
Daarmee sluit ik dit hoofdstuk af. Vergeet niet om ook de hoofdstukken over het Rodebos en over de watermolen er eens bij te nemen om het beeld te vervolledigen.

+++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++
https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/300138 Valleien van Dijle en Laan ten zuiden van Leuven
https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/43320 (de kerk)
https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/130754 (de plataan)
https://www.molenechos.org/verdwenen/molen.php?nummer=5657 joskesmolen
http://www.vanzelfnatuurlijk.be/ en https://www.facebook.com/vanzelfnatuurlijk/

trefwoorden: laan, sint agatha rode, terlanen, rodebos, franchomme, joskesmolen, hof ter vaeren, geschiedenis, erfgoed, natuurbeheer, natuurreservaat, ANB

De watermolen in Terlanen vind je op de kruising van de Moskesstraat en de Molenstraat in het gelijknamige dorp. Je bent hier nog net in Overijse maar de grens met Huldenberg is niet ver. De molen zelf staat op de Laan die er aan de oostkant langs stroomt. Aan de noordkant van de molen loopt – grotendeels ingebuisd – de Kleine Laan en beide rivieren komen samen aan de overkant van de Molenstraat.
Volgens het erfgoeddossier gaat het om een “Gaaf bewaarde site met ten noorden van de gebouwen een boomgaard met poel, langs de Kleine Lane deels omringd door knotbomen. Langs de gebouwen loopt de gekasseide Moskensstraat. Ten zuidwesten ligt een met meidoorn omhaagde tuin. In deze gaaf bewaarde site, heeft de nog bestaande moleninrichting belangrijke industrieel-archeologische waarde, met bewaard waterrad, sluiswerk en binnenwerk. Ten zuidwesten van de site zijn nog sporen zichtbaar van een oude verbinding tussen de Laan en de Kleine Laan. Op de Ferrariskaart, tweede helft 18de eeuw, is ook zichtbaar dat de molen op een eiland lag in de Laan. Langs de molen is twee keer een verval gecreëerd van 0,4 meter.”

Al vermeld in de middeleeuwen
Deze molen wordt voor het eerst vermeld in 1290 en daarna opnieuw in 1429. In die oude tijd bestond het dorp Terlanen eigenlijk alleen maar uit een watermolen en enkele belangrijke hoeves zoals Hof ten Hove waar ik het nog even over zal hebben. Terlanen maakte deel uit van de heerlijkheid IJse (Yssche) met heren van het geslacht Isque die op hun beurt vazallen waren van de hertog van Brabant.
De historische gegevens zijn vaag maar een eeuw later – in 1529 – zou een zekere Andries de Coninck de molenaar geweest zijn. Op het einde van de 16de eeuw wordt de molen vernield tijdens de godsdienstoorlogen. Maar enkele tientallen jaren later is hij herbouwd en blijkt uit de pachtbetalingsregisters dat de molenaars elkaar opvolgen: Hendrick de Becker (1640), Henri Cuppens (1647) en Guillaume Arts (1670).
Al die eeuwen maakt de molen deel uit van de heerlijkheid Ten Hove, een achterleen van hier boven genoemde heerlijkheid Yssche. Het Hof ten Hove is een voormalige hoeve aan de (nu) Bollestraat 87 in Terlanen, hoog op de helling aan het einde van de Moskesstraat. Op de kaart Vandermaelen van 1845 zie je de hoeve staan. Het 18de eeuwse boerenhuis is beschermd als monument en de omgeving als dorpsgezicht. Het was niet zomaar een boerderij want behalve de watermolen beschikte het ook over een smoutmolen, akkers, een leenhof met achterlenen en een schepenbank. De eigenaar inde ook de tol op de brug over de laan en stond in voor het onderhoud er van.

Het erfgoeddossier: “In de 15de-16de eeuw was het geslacht Vandenhove eigenaar van het landgoed. Daarna ging het in de 16de eeuw over op het geslacht Du Blioul. Hierna veranderde het nog verschillende keren van eigenaar waarna het in 1772 in eigendom kwam van het geslacht Salm – Kirbourg, de toenmalige heren van Overijse.” Deze deftige familie uit het Rijnland kwam door erfopvolging en huwelijk halverwege de 18de eeuw in het bezit van de in 1677 tot prinsdom verheven heerlijkheid IJse en vestigde zich op het kasteel in Overijse. Dat liep niet helemaal goed af want Prins Frederik III van Salm-Kyrburg verloor in 1794 zijn hoofd onder de guillotine vanwege zijn prinselijke titel met bijbehorende over-uitbundige levensstijl. Na het vertrek van de Fransen kreeg de familie wel het kasteel terug maar niet de heerlijke rechten en dus ook niet de hoeve en de watermolen.
Hou eigenaars en molenaars uit elkaar
Terwijl over de eigenaars veel is geschreven, is over de molenaars in de 18de eeuw de toestand minder duidelijk. Molenechos meldt dat ene Jan Coopmans uit Terlanen op 27 maart 1756 het molenhuis en de molen voor zes jaar verhuurde aan ene Jan de Bonth voor de prijs van 450 gulden per jaar. Ik vermoed dat Coopmans dan de scepter voert over Hof Ten Hove en dat de Bonth de molenaar van dienst is.
Wie zijn voorganger was weet ik niet maar zijn opvolger is waarschijnlijk Johannes De Coster. De watermolen wordt in 1774 vernieuwd en dat staat nog te lezen op een gevelsteen in de noordgevel van het molenhuis: “Renovatum anno MDCCLXXIV”. Renovatie luidt dikwijls een nieuw molenaars-tijdperk in en de naam van De Coster duikt op wanneer de molen in 1794 wordt aangeslagen door de Fransen.

Zoals steeds bij oude hoeves en watermolens is het zelfs in de 19de eeuw tot in onze tijd belangrijk om een onderscheid te maken tussen de eigenaars en de pachters.
De watermolen in Terlanen is na de Franse revolutie tot op de dag van vandaag de eigendom gebleven van elkaar opvolgende adellijke families die ondanks hun verschillende namen aan elkaar verwant zijn door huwelijk en erfopvolging.
Ik haal het erfgoeddossier er maar weer even bij: “In 1817 werden de molen en ook de andere goederen van de Van Salms verkocht ten voordele van de schuldeisers. Tijdens de opmaak van het primitief kadaster (circa 1820) was Louise Joseph Demeester (de Meester de Tilbourg) uit Brussel eigenaar van deze graanwatermolen.” In de databank van Molenechos staat dat hun eigenaarschap duurt tot 1868 en dan wordt overgedragen aan achtereenvolgens de familie Villegas de Clercamp (tot 1881), de Beaurepaire de Louvagny (tot 1912), de Meeus (tot 1945), Pecsteen (tot 1951) en Maximilien Carton de Wiart en zijn echtgenote Winnie de Schaetzen (tot op heden).
Vanaf de 19de eeuw zijn het de families Van Roy en daarna Van Pee die de molen pachtten en het er het molenaarsberoep uitoefenden.

Onderhoud, verbouwing en restauratie
Een molen is een ‘levend bedrijf’ en dat betekent dat er voortdurend modernisering, restauratie en onderhoud nodig is. Honderd jaar na de vorige ingrijpende verbouwing is het opnieuw zover. Eigenaar Louis de Meester de Tilbourg vraagt en krijgt eind 1855 een vergunning om een deel van de rivier ter hoogte van de watermolen recht te trekken. Dat kanaaltje zie je vandaag langs de molen lopen. De sluis wordt vernieuwd en er wordt een nieuw waterrad geplaatst van 3,86 meter doorsnee en 1,3 meter breed. Ik vermoed dat het verval van bijna een meter ter hoogte van de molen vandaag de dag hetzelfde is als in die tijd.
Het is ook dat rad dat je vandaag de dag nog kan zien in het bij die gelegenheid neergezette bijgebouwtje met dak naast de molen: het is er een van het type ‘onderslag’, het water valt onderaan op de achterzijde van het rad waardoor het tegen de klokwijzer in draait. Als ik het goed begrijp is dat nodig als je met deze aandrijving hout wil zagen.
Maar nog geen veertig jaar later is het alweer raak. In 1891 stort bij een winterstorm de brug over rivier in en een jaar later wordt de molen vernield bij een brand. In die tijd waren er nog geen tijd vergende verzekeringsprocedures want het jaar daarop wordt hij al weer opgebouwd in opdracht en op kosten van graaf de Beaurepaire, dan de eigenaar samen met zijn echtgenote (?) gravin de Villegas. Een tweede gevelsteen in de noordgevel van het molenhuis herinnert aan deze gebeurtenis: “Incendio destructum anno MDCCCLXXXXII. Restauratum anno MDCCCLXXXXIII Comite Carolo de Beaurepaire de Louvagny”. In die tijd wordt de molen uitgebaat door de familie van Roy.

De zagerij is er niet meer maar er zijn andere plannen
Tot aan de Tweede Wereldoorlog was er ook een zagerij aan de molen verbonden en tijdens de oorlog werd er elektriciteit geproduceerd voor de lokale bevolking. Op de elektriciteits-produktie kom ik nog terug. De zagerij heeft jammer genoeg de oorlog niet overleefd. De nabijgelegen brug was een strategisch onderdeel van de ‘ijzeren muur’ aan het begin van de tweede wereldoorlog en de Britten hebben hier heel even de Duitse opmars kunnen stuiten. Bij het opblazen van de brug ging de zagerij echter mee de lucht in. Een oude foto is al wat we er nog van hebben.
De molen bleef in bedrijf tot 1972, onder de laatste molenaar Maurice Van Pee en ik lees dat het onder zijn molenaar-schap nog gebruikelijk was dat de deftige eigenaar (dan André de Meeûs d’Argenteuil) eenmaal per jaar op de molen langs kwam om de pacht te innen. Vanaf 1974 zijn de eigenaars er zelf gaan wonen. In 2019 zijn zij omwille van gezondheid en leeftijd verhuisd naar Waver en is de molen verhuurd in afwachting van een nieuwe toekomst.
Wie woont in een watermolen waar het waterrad en ook de binnen-installatie nog aanwezig is wordt natuurlijk geconfronteerd met de vraag hoe je het energie-potentieel van zo’n oude krachtcentrale op een eigentijdse manier weer tot leven zou kunnen brengen om het te benutten. Ik lees dat de laatste eigenaar op eigen initiatief een uitgekiend systeem ontwierp om in het molenhuis de centrale verwarming te voeden met een vernuftig systeem van compressoren en waterpompen. Over de details van dat systeem heb ik geen informatie maar in 2015 richtten een groep van inwoners van Terlanen een feitelijke vereniging op met de naam ‘Laanstroom’ met het doel om het project ‘Rivier wordt Stroom’ op poten te zetten.

Dit project dient om het molenrad en de stuw van de molen in Terlanen te vernieuwen tot een kleine hydro-elektrische centrale die past in het Terlanense landschap. De opgewekte elektriciteit zou via een directe aansluiting op het net worden geplaatst tegen een vergoeding die moet volstaan om de site en de apparatuur in stand te houden.
In eerste instantie vroegen de initiatiefnemers financiële steun voor een haalbaarheidstudie. Met de steun van de gemeente Overijse is die studie inmiddels gemaakt en over de resultaten ervan laat ik even initiatiefnemers Sim van Caenegem en Fons Jena aan het woord “De molensite heeft een interessant potentieel voor groene stroom; de Laan, een bijrivier van de Dijle, heeft 90% van het jaar een debiet van minimum 1000 liter per seconde (dankzij de vele bronnen in de vallei).Het stuwrecht maakt een verval van +/- 1,5 meter mogelijk. Samen resulteert dat in een potentieel van 100.000 kWh dat nu jaarlijks naar de zee stroomt. De … studie … bevestigt dat 75% van dit potentieel kan benut worden – het jaarlijks verbruik van ongeveer 20 gezinnen – via renovatie van de stuw en het vervangen van het rad door een performanter Zuppingerrad of vijzelturbine. Daarbovenop komt natuurlijk ook de generator, de overbrenging, de automatisering etc. En dit met respect van het landelijk karakter van de site en het goed functioneren van de vistrap. Mits vrijwilligerswerk, sponsoring, hier of daar een subsidie en crowdfunding via een coöperatieve kan er een interessante kostprijs gehaald worden”. Alles bij elkaar zou het gaan om een investering van meer dan 100.000 euro wat wel een boel geld is maar ook niet on-overkomelijk.

Tot daar het goede nieuws met de mededeling dat de evolutie van het project zal te volgen zijn op http://www.terlanen.be/#!laanstroom-1/kcy7m.
Het slechte nieuws is dat het project onverbiddellijk afgeketst is op de geldende wetgeving op de energieproductie en het delen van energie. Energie opwekken is één zaak maar het verspreiden en gebruiken ervan is in ons land blijkbaar een strijd tegen legale en ambtelijke windmolens. Anders dan bijvoorbeeld de watermolen in Rotselaar of Sint Joris Weert beschikt de molen van Terlanen niet meer over een eigen bedrijvigheid (zoals de zagerij van vroeger) om de zelf opgewekte stroom te gebruiken en moet de uitbater zoeken naar andere afzetmogelijkheden.
Vanwege het distributiemonopolie kan artisanale groene stroom echter alleen maar via het algemene net verspreid worden naar potentiële gebruikers in de buurt. En dat betekent dat door al de taksen, bijdragen, heffingen en andere beperkende maatregelen de kostprijs van zelf opgewekte energie veel te hoog wordt om nog aantrekkelijk te zijn voor geïnteresseerde afnemers. Daar komt nog bij dat dit soort energie sinds 2013 ook niet meer in aanmerking komt voor het systeem van de groene stroom certificaten.

Uitgesteld maar niet afgesteld
En om die reden is het project sindsdien stilgevallen maar hoop doet leven. Op mijn vraag naar de stand van zaken bij Fons Jena krijg ik het volgende antwoord: “Bedankt voor uw interesse in het project, het is ondertussen al een tijdje geleden! Het project Laanstroom is al een paar jaar in de koelkast wegens financieel niet haalbaar door de huidige wetgeving rond energieproductie en -delen. De studie die de gemeente heeft laten maken heeft dat duidelijk gemaakt. Maar er zijn wel enkele recente ontwikkelingen die de realiseerbaarheid van het project doet toenemen. Zo hebben inwoners van de Druivenstreek sinds eind vorig jaar een eigen energiecoöperatie opgericht, Druifkracht cv (zie www.druifkracht.be). De bedoeling van deze energiecoöperatie is dat ze inwoners van de streek de kans geven om mee te investeren in duurzame energieprojecten door aandelen te kopen. De eerste concrete projecten zouden zonnepaneel installaties zijn op de twee woonzorgcentra’s in Huldenberg. De watermolen van Terlanen staat ook op de projectenlijst maar is momenteel nog geen prioriteit. Zodra de wetgeving rond energieproductie en -delen veranderd zal het project opnieuw bekeken worden. Druifkracht zal dan klaar staan om het nodige kapitaal samen te brengen – met steun van de inwoners. Verder is er een Europese richtlijn die alle lidstaten verplicht om energiedelen mogelijk te maken. Als ik me het goed herinner moet België dat tegen eind 2021 vertalen in eigen wetgeving. Dat België dat tegen dan zal gedaan hebben is nog de vraag, maar als het deftig vertaald wordt dan zal het vele nieuwe duurzame energieprojecten mogelijk maken, onder anderen het project rond de watermolen van Terlanen.”
En Fons voegt er aan toe dat als het zover komt er ook bedrijven zijn die geïnteresseerd zijn om hun nieuwste technieken van ‘micro-hydro’technologie te demonstreren op een site zoals de watermolen van Terlanen.

Dus ik denk dat het een kwestie van tijd, geduld en doorzettingsvermogen is om voor de watermolen in Terlanen een nieuwe eigentijdse zinvolle bestemming te geven die past in het verleden van deze mooie site.
Daarbij kijk ik ook wel even naar soortgelijke projecten aan andere kleine historische watermolens zoals de Ruisbroekmolen in Bierbeek, de molen aan het Kasteel van Loonbeek en de molen van Hoxum. Twee daarvan zijn in vergevorderde staat van restauratie en in Hoxum is dat proces voltooid en wordt er al een tijdje gemalen. Alle drie liggen ze in natuurgebied, geen van de drie heeft een bijbehorend energie-verbruikend bedrijf op de site maar ze focussen ook geen van alle op de economisch rendabele opwekking van elektriciteit maar op het ambachtelijk malen van meel, het bakken van brood en al wat daarbij te pas komt om plaatselijke bezoekers en toeristen van overal van dienst te zijn. De nodige investeringen worden vooral gedragen door de passionele eigenaars in het bezit van twee rechterhanden, met een beetje hulp van erfgoedpremies, andere subsidies en met de volle medewerking van alle instanties. En gezien het verleden in Terlanen zou je in de molen toch ook weer een zagerij naar historisch model kunnen opstarten? En een investering van 100.000 euro kan toch niet een onoverkomelijke barrière zijn in onze tijd waarin de minste renovatie al een klein fortuin kost maar vastberaden bouwers zich desondanks nergens door laten afschrikken?

Bovendien is investeren in een erfgoed-watermolen zowat het toppunt van een duurzame en ecologisch verantwoorde vastgoed-belegging zou ik zeggen. Als het dus echt niet gaat met de elektriciteits-droom vanwege de tegenwerking van de overheid kan er misschien naar een andere piste overgeschakeld worden kan ik me inbeelden.
Een ding is me wel opgevallen. Ondanks zijn goede staat is de watermolen niet geklasseerd als beschermd erfgoed. Hij staat wel op de ‘inventaris’ van waardenvol bouwkundig erfgoed maar dat geeft lang niet dezelfde bescherming. Dat betekent dat iedere volgende eigenaar mits de nodige omgevingsvergunningen met het gebouw kan doen wat hij of zij wil. Wat dat kan betekenen in de praktijk in bouw- en moderniserings-lustig Vlaanderen weten we maar al te goed!

De vistrap
Vanwege de waterverontreiniging in de afgelopen eeuw waren we een beetje vergeten dat een rivier zoals de Laan vissen nodig heeft en dat die dieren langs de stuw van een watermolen moeten kunnen passeren om stroomopwaarts hun eitjes te kunnen leggen. Maar dat afvalverleden behoort dankzij de waterzuivering stilaan tot het verleden en de vis begint al een tijdlang terug te komen. Door de sterke stroming en het grote hoogteverschil vormt een watermolen een zogenaamd vismigratieknelpunt: de vissen raken niet stroomopwaarts, vanwege het plotse verval aan het rad. Aangezien vissen zich vrij moeten kunnen verplaatsen (migreren) naar en tussen geschikte paai-, rust- en voedingsplaatsen, kan zo’n visbestand zich niet goed ontwikkelen. Hoe dat dan in het verleden werd opgelost weet ik niet – ik denk via een omleiding met de Kleine Laan – maar in onze tijd moet er in zo’n geval een ‘vistrap’ gemaakt worden en om de (toekomstige) molenaar niet ongelukkig te maken moet er van bij de aanleg voor gezorgd worden dat het waterdebiet aan de sluis krachtig genoeg blijft om het toekomstige rad of de turbine op bedrijfssnelheid te laten draaien.
In Terlanen is dit in twee fasen opgelost. Eind 2003 schreven de milieudiensten van de Vlaamse overheid een aanbesteding uit voor een ontwerp van ‘nevengeulen’ (kanaaltjes langs de rivier) aan Molen Vanden Bempt op de Nethen in Sint Joris Weert en de molen van Terlanen aan de Laan voor ‘het herstel van de vrije vismigratie … in het Dijlebekken’. Eind 2007 kwam er een aanbesteding van de Vlaamse Milieu Maatschappij voor de bouw zelf om naast en op de Laan een instroomconstructie aan te leggen met drempels, het uitgraven van de nevengeul, de aanleg van oeververstevigingen, de bouw van twee bruggetjes en het maken van een uitstroomconstructie door de bestaande metselwerkmuur te herstellen.

In 2009 is het werk uitgevoerd. De kostprijs van de werken bedroeg 174.374 euro en om het resultaat te zien moet je zelf maar eens gaan kijken. Vanwege de lengte van het kanaaltje is een en ander op een opvallend natuurlijke wijze ingericht en er zitten zelfs een paar meanders in. In normale wateromstandigheden blijft er ook voldoende debiet voor de molen over en indien nodig kan de molenaar met een schuif tijdelijk de vistrap even afsluiten om te kunnen stuwen voor een maalbeurt.
In 2013 is de visstand aan de vistrap onderzocht en zijn er 18 soorten vis gevangen zij het in kleine hoeveelheden. In de Laan zwemmen zowel vrij algemene vissoorten (riviergrondel en bermpje) als de wat zeldzamere soorten (beekforel, kopvoorn, winde, serpeling en elrits). Ik neem aan dat sindsdien de toestand alleen maar verbeterd is.
Op de sluis aan de watermolen zie (met een beetje geluk) de grote gele kwikstaart, een vogel die graag nestelt aan stuwen en sluizen.
De omgeving
Niet alleen de watermolen zelf is van belang maar ook de directe omgeving. Op vraag van de eigenaars van de molen heeft in de zomer van 2014 het Regionaal Landschap Dijleland naast de bakoven een poel op de hoek van de Molenstraat en de Moskesstraat aangelegd om er een echt paradijsje voor amfibieën van te maken. Eveneens op de wens van de eigenaars zijn in 2019 op de weide aan de andere kant van de molen ook een aantal fruitbomen geplant en helemaal achteraan een gemengde houtkant (momenteel is die nog afgeschermd door een draad om de jonge bomen te beschermen tegen vraatschade van reeën en bevers).

De eigenaars hebben ook de knotwilgen laten knotten. Op de duur zou dit terrein beschermd kunnen worden en opengesteld voor gemeenschapsgebruik maar daarover wordt nog overlegd.
In feite sluit dit ook aan op een historische toestand. Achter de molen gaat een voetbrug de rivier over en was er vroeger een voetweg over de Ettingen naar een plek die om mij nog onbekende reden Holland wordt genoemd (op grondgebied Overijse/Waver). Het kan zijn dat de grondvesten van een ouder bruggetje hier nog te zien zijn. De naam ‘Ettingen’ zou verwijzen naar ‘het land waar de dieren grazen’ en het zou afgeleid zijn van ‘eten’. Dus in de richting van die weg hebben vroeger de mensen/landbouwers hun dieren laten grazen wat betekent dat de weiden achter de molen in die tijd ‘gemene weiden’ waren, dat wil zeggen dat na een eerste hooibeurt door de eigenaar, de dorpelingen hun vee daar mochten laten rondwandelen.
Als je dat bruggetje niet oversteekt maar aan de Terlaanse kant van de rivier blijft kan je zowel stroomopwaarts als stroomafwaarts nog de overblijfselen van turfputten vinden. Tot op het einde van de 19de eeuw werd turf gestoken. Het werd nat in bakjes gelegd om door er op te stampen het meeste water er uit te verwijderen. Daarna werd de turf uitgedroogd en als brandstof gebruikt.

Ik heb er geen ervaring mee maar het is blijkbaar niet ongevaarlijk om die putten te betreden omdat je er in weggezogen zou kunnen worden. Op de topografische kaarten van 1981 en 1989 zijn de putten duidelijk ingetekend, op oudere kaarten zijn ze als moeras aangegeven.
Misschien blijf je beter even staan bij het kapelletje aan de Moskesstraat vlak aan de molen. Wie het gezet heeft en wanneer weet ik niet maar er hangt een mooi gedicht op.
Verder naar Ferme de Bilande
De Laan kronkelt vanuit Sint Agatha Rode stroomopwaarts en heel schilderachtig tot ver over de taalgrens in Tombeek maar jammer genoeg zijn er niet veel mogelijkheden voor de natuurliefhebber om erlangs te stappen. Veel van het oevergebied is in beheer bij het Agentschap voor Natuur en Bos (ANB) en heel wat jaren geleden vertelde de regiomanager mij (en de groep op de beheer-excursie) dat het agentschap een pad zou aanleggen om vanuit Terlanen naar de Ferme de Bilande te komen en uiteindelijk naar Tombeek. Dat was een prima voorstel en nu heb ik gezien dat het er zowaar toch een beetje van gekomen is. Tot vorig jaar moest je door de moeras-wildernis van het Schaatbroekbos langs de Laan en dan kwam je er wel. Misschien gaat dat nog wel maar in de winter is dat veel te nat. Ik vermoed dat de bevers daar ook wel voor iets tussen zitten.
Maar sinds kort is er vanaf het houten bruggetje over de Laan een echt wandelpad gemaakt langs het kanaal van de vistrap en een ingestort sparrenbos en dan verder boven aan de bosrand tot je links omhoog moet langs een maisveld en uitkomt op voetweg 65 en vandaar verder stapt naar de Ferme de Bilande. Je bent dan de grens overgestoken tussen Overijse en Huldenberg en blijkbaar heeft het zo lang geduurd omdat Aquafin op het grondgebied van Huldenberg eerst een watercollector wilde aanleggen aan de Neerpoortenstraat maar vooral omdat de pachter van het maisveld zich niet zomaar heeft laten overhalen om wandelaars over zijn grondgebied te laten passeren. Pas in 2018 kwam het tot een akkoord en sindsdien moesten er blijkbaar nog allerlei administratieve zaken geregeld worden.
Op mijn Open Street Map staat het pad er nog niet op maar in de toekomst zou het aangeduid moeten zijn met het nummer 165. Iemand wist me te vertellen dat de toch nog niet zolang helemaal gerestaureerde Ferme de Bilande alweer verkocht zou zijn. Als je als wandelaar vandaar naar Tomberg zou willen is dat echter onmogelijk want er is wel een mooi pad maar het is allemaal privé en verboden toegang.
***
Hiermee sluit ik dit hoofdstuk over de Watermolen in Terlanen af. Hou er graag rekening mee dat het een deel is van een geheel van bijdragen over de Laanvallei en het Rodebos die ik elk in een afzonderlijk hoofdstuk opneem.

+++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++
https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/40505 (watermolen Terlanen)
https://www.molenechos.org/molen.php?AdvSearch=990
https://inventaris.onroerenderfgoed.be/themas/14295 (Terlanen)
https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/40500 (terhoven)
docs.vlaamsparlement.be/pfile?id=268397
uit Terlanen Turft, de Turfput:
https://www.terlanen.be/maximilien

trefwoorden: terlanen, laan, watermolen, geschiedenis, erfgoed, vistrap, energie, waterkracht,

Het Steentjesbos vind je in het noorden van de gemeente Kampenhout. Het vormt samen met het er naast gelegen Schiplakenbos, het Snijsselbos en het gebied Hellebos-Rotbos een groene zone tussen de gemeenten Berg, Perk, Elewijt, Kampenhout en Hever (Schiplaken). Het is niet zo heel groot – zo’n 42 ha – maar het is wel een ‘oud’ bos, dat wil zeggen dat je het al ziet op de Ferrariskaart van 1770 en dat het sindsdien nooit ontbost is geweest. Op die kaart zie je wel dat het in die tijd heel wat groter was en onder de naam ‘Plantsoenbosch’ deel uitmaakte van het domein rond het kasteel van Schiplaken.
Het is een bos met een aantal soorten loofbomen, vooral eiken, maar ook veel naaldhout. Dat het een oud bos is betekent dat je hier eigenlijk beter in het voorjaar dan in de winter kan rondwandelen want dan kan je genieten van de voorjaarsbloeiers zoals bosanemonen, dalkruid, donkersporig bosviooltje, slanke sleutelbloem en eenbes . Uit deze opsomming begrijp ik ook dat het een nat bos moet zijn en dat er kalk in de bodem zit.
De natheid komt ongetwijfeld van de Bergbeek die samen met nog enkele grachten door het bos loopt en het feit dat heel deze laaggelegen streek zich al tamelijk dichtbij de monding van de Zenne en de Dijle bevindt. Het gebied maakt deel uit van de zogenoemde Groene Vallei en het is inderdaad een ‘oase van rust’ voor mensen met gevoelige oren ondanks de erg dichtbijgelegen autowegen en de omringende bebouwing, zeker ook omdat je er helemaal geen vliegtuiglawaai hebt.

Natuurgebieden in overbevolkt en overstressed Vlaanderen zijn kostbaar en schaars kwetsbaar goed. Kort geleden post ik voor de eerste keer een bijdrage over dit mooie bos en nog diezelfde dag loopt er een bericht met foto binnen dat er een of andere ongrappige in de nacht meer dan 100 zakken bouwafval is komen storten. De gegevens zijn bekend, de politie zal het wel uitzoeken en de troep zal wel worden opgeruimd maar voor de zoveelste keer blijkt dat natuurorganisaties en natuurliefhebbers voortdurend waakzaam moeten zijn opdat de natuur niet nog meer gehavend zou worden.
Ere wie ere toekomt: op de vele plaatsen waar ik kom zijn het toch vooral de gebieden onder het beheer van Natuurpunt waar je geen afval zal vinden. De waarheid is dat veel privé-eigenaars zelf hun gebiedjes nogal eens vervuilen (tegenwoordig wel meer in Wallonië dan in Vlaanderen en dikwijls gaat het om oude storten) maar evenzo goed is het achterlaten van groot en klein afval door buitenstaanders overal ook voor hen een groot probleem.
Het is dus maar goed dat het OCMW van Mechelen in september 2010 besloot om het beheer over haar al haar bossen in de gemeente en bij de buren over te dragen aan Natuurpunt. In totaal ging het om 300 hectare waarvan in Kampenhout behalve het Steentjesbos, het Weisetterbos en percelen in het Rotbos. Daardoor steeg de oppervlakte beheerd natuurgebied in deze gemeente van 130 naar meer dan 200 hectare.

Eind 2013 wordt het bos opengesteld voor het publiek met een nieuwe infrastructuur voor wandelaars en kinderen. In het bos wordt een nieuw wandelpad gemaakt en een totempaal en zitbank geplaatst.
De erkenning als natuurreservaat volgt 1 jaar later en in het bericht daarover lees ik dat hierdoor de beheerders ieder jaar 21.000 euro van de Vlaamse overheid krijgen om hun bos te onderhouden. Een klein stuk van het bos wordt dan ook een speelzone.
Uit een brief van de Minaraad begrijp ik dat die erkenning er komt ondanks enkele in het advies overdreven veel ruimte innemende gebruikelijke tegenwerpingen van enkele belangenorganisaties zoals Landelijk Vlaanderen, de Hubertusvereniging en de Boerenbond die er op wijzen dat strikt genomen dit bos niet opgenomen is in de Europese Habitat richtlijn, dat de omzetting naar natuurreservaat de recreatiejacht zou beperken en dat er vooral ten noorden van het gebied problemen met de boeren zouden kunnen zijn.
Over de oorsprong van de naam van het bos heb ik blijkbaar een discussie op gang gebracht door een foto te publiceren van het infobord aan de ingang waarop staat dat de ‘steentjes’ wellicht afkomstig zijn van een Romeinse nederzetting die hier ooit geweest zou zijn. Onderzoek daarna levert echter niets op behalve dat ooit er enkele potscherven gevonden zijn en het opschrift berust niet op een archeologische basis. De naam ‘steenkes’ komt al wel voor op oude kaarten dus de vraag is of er steentjes in de bodem zitten of zaten, hoe diep en van welke aard.

Mijn in eigen inschatting is dat het Steentjesbos gelegen is in de bedding van een oude rivier uit een voorbij geologisch tijdperk, dat er in die bedding kiezelstenen zijn blijven liggen en dat wellicht de eerste boeren last hadden om hier te ploegen, zelfs in die mate dat ze er mee opgehouden zijn en het terrein aan de bomen hebben overgelaten. Maar anderen denken dat er sprake kan zijn van steenslag op de paden door vroegere eigenaars. Maar dat laatste zou toch de aanwezigheid van resten van tegels of bakstenen moeten opleveren en daarvan is niets te zien. Dit raadsel kan alleen worden opgelost door verder bodemonderzoek denk ik ….

Het Schiplakenbos. Terwijl de discussie over de oorsprong van de naam Steentjesbos in Kampenhout nog niet is opgelost, ga ik op verkenning in het juist iets ten noordoosten ervan gelegen Schiplakenbos in de gemeente Boortmeerbeek. Beide bossen liggen aan de twee kanten van de Bergbeek, op de kaart ook vermeld als Zwarte Beek. Op de topografische kaart zie je de dat de twee bossen vandaag de dag opnieuw met elkaar verbonden zijn door een smalle strook bosgroen. Op de kaarten van de 19de eeuw is die verbinding er niet. Zowel op de kaart Vandermaelen van 1846 als de NGI kaarten van 1873 en 1904 is het Steenkesbos zelfs een stuk groter dan het Schiplakenbos. In feite is er op die plek bijna alleen maar het domein van het ‘Château de Schiplaeken’ en dat zie je daar ook heel mooi liggen.
Op de Ferrariskaart van 1777 is heel de streek nog ferm bebost onder de naam ‘Plantsoenbosch’. Op de kaart van nu is het Steentjesbos zowat hetzelfde gebleven (50 ha) maar het Schiplakenbos is kennelijk in een niet te ver verleden bijna helemaal opnieuw bebost voor een oppervlakte van zo’n 100 ha met (bijna volledig) naaldbomen. Aan de westkant zie je een sinds de jaren 1970 gegraven visvijver die niet toegankelijk is voor het publiek.

Het domein is privé-bezit met verschillende eigenaars van wie graaf Hughes Terlinden de belangrijkste is. De graaf is heel vriendelijk maar je moet hem wel om toelating vragen om in zijn bossen rond te zwerven. Dwars door het bos loopt echter wel één geregistreerde openbare weg, de Schiplakenvoetweg en daarlangs kom je heel dicht langs het mooie kasteel met zijn slotgrachten en monumentale beuken met soms merkwaardige opschriften. Er staat een kapelletje langs waarvan ik hoop dat een lezer wil vertellen hoe dat er gekomen is.
Het Schiplakenbos. Hoe meer ik er over opzoek, hoe meer ik stuit op nog op te lossen raadsels over het bos en over het mooie kasteel dat er midden in ligt. Het komt uiteraard over mijn onbekendheid met de streek maar vooral over de huidige situatie spreken de gegevens elkaar tegen. Van wie is het ‘voormalig kasteel Terlinden’ tegenwoordig en wat gaat de toekomst zijn voor het park, het hoofdgebouw en de bijgebouwen? Van wie het bos, wie is verantwoordelijk voor het beheer en wat zijn de beheerdoelstellingen? In afwachting van antwoorden (wie er weet mag het graag zeggen) heb ik toch al veel gevonden over het verleden.
Een van de erfgoeddossiers (er zijn er meerdere) bevestigt wat we ook al zagen op de kaart, namelijk dat de beekvalleien van deze ‘Ankerplaats’ op de grens tussen Boortmeerbeek behoren tot het Dijlebekken en dat er van oudsher veel bos geweest is. Aan de noordkant van het domein liggen nog landhuis Het Lant en het domein Gottendijs.

Het kasteel zelf is de opvolger van een vroeg middeleeuwse burchtsite die bestond uit een motte met daarop een versterkte herenhoeve (hooghof) en een pachthoeve waar het vee werd gehouden (neerhof). Die motte moet nog zichtbaar zijn in het landschap maar het oude kasteel wordt in 1822 afgebroken door Antoine de Vischer om plaats te maken voor een nieuw landhuis in neo-classissistische stijl ontworpen door architect Van der Straeten. Naar de mode van die tijd wordt het gebouw omringd door een Engels landschapspark. Een van zijn dochters huwt met graaf August Nompar de Caumont la Force. Zij wordt in 1856 in Parijs vermoord en de graaf verkoopt het domein aan de Mechelaar de Nelis die het enkele jaren later opnieuw verkoopt aan graaf Paul de Meeûs.
In 1886 wordt Burggraaf Georges Terlinden de laatste huurder want hij koopt het kasteel met toebehoren in 1894 aan. Omdat blijkbaar het in 1822 neergezette gebouw mankementen vertoont vanwege het gebruik van slechte materialen laat hij het afbreken om plaats te maken een nieuw kasteel naar Italiaans model met grote terrassen. In 1897 is alles klaar.
Maar nog geen twintig jaar later wordt het tijdens de slag van Schiplaken in de zomer van 1914 geplunderd en dan in brand geschoten door de Duitse troepen. De slag van Schiplaken is een van de meest tragische gebeurtenissen in de plaatselijke geschiedenis. Een Belgische moedige maar zinloze militaire operatie om de fortengordel van Antwerpen te versterken liep hopeloos mis en daarvan zijn honderden soldaten en burgers het slachtoffer geworden, ook omdat de Duitse soldaten zich bijzonder wreedaardig gedroegen.

Aan de kerk van Schiplaken staat nog een ereperk met 90 grafstenen in twee rijen aan beide zijden van een geknielde vrouwenfiguur. De deze gebeurtenissen zijn zeer nauwkeurig en uitvoerig gedocumenteerd en in de streek nog allerminst vergeten. Zowel aan de kerk als aan het kasteel vind je een infobord.
In 1920 verrijst het kasteel uit de as in zuiver neo-classissischische stijl op ontwerp van de Brusselse architect Jules Petit. Samen met de oudere bijgebouwen is het deze versie die je vandaag ziet want tijdens de Tweede Wereldoorlog ontsnapte het kasteel aan vernieling hoewel zowel de Duitse als de Amerikaanse troepen het gebouw opvorderden. Tijdens de 18daagse veldtocht begin mei 1940 dient het op aanbod van Kolonel SBH baron Jacques Terlinden zelfs even als hoofdkwartier voor het zich terugtrekkende artillerie-regiment onder zijn bevel. Het omliggende Schiplakenbos en Steentjesbos worden wel grotendeels verwoest door de gevechten.
Burggraaf Georges Terlinden overlijdt in 1947 op de eerbiedwaardige leeftijd van 96 jaar. Zijn borstbeeld staat ook aan de kerk in Schiplaken. Daarna wordt het kasteel verkocht aan de familie Verstrepen-Lamot. Wie er nu woont en hoe de familieverhoudingen zijn is voor mij een nog onopgelost raadsel. Ik lees dat het in 2006 bewoond werd door een kleinzoon, Jean François de Lantsheere. Die achternaam komt ook voor op het door het Agentschap voor Bos en Natuur (ANB) op 1 september goedgekeurd natuurbeheerplan ‘type 2’ voor een gebied van zo’n 50 ha in het Schiplakenbos.

Maar voor de toestemming om het bos te betreden wordt aangeraden om contact te nemen met graaf – ik vermoed burggraaf – Hughes Terlinden. Een bezoeker van buiten kan niet alles onmiddellijk weten zullen we maar zeggen.
Zoals ik al zei heet Schiplakenbos op de Ferrariskaart van 1777 nog Plantsoenbosch en is het in die tijd nog een heel groot loofbos dat zich samen met het Steentjesbos uitstrekt ten zuiden en zuidoosten van het ‘Château de Scheplaeken’. Aan de westkant van het kasteel is het allemaal open veld opgedeeld in percelen. Honderd jaar later is er op de NGI kaart van 1873 niet veel bos meer. Ten zuidwesten van het kasteel zie je het ‘Engelse stijl romantisch rivierlandschap’ met zevenster, dreven en vanaf het kasteel naar het zuidoosten een groen gazon als ‘vista’ op de overgebleven smalle strook bos. Het domein herbergt ook een ijskelder die sinds 2014 omgebouwd is tot vleermuizenkelder maar die heb ik zelf nog niet gezien.
Van die zevenster is nu niet veel meer te zien maar in het open veld en aan de dreven staan nog veel monumentale beuken, waaronder rode beuken zo te zien aan de nog zichtbare entvorm. Qua natuurpotentieel is het domein van dezelfde hoge waarde als het steentjesbos door de combinatie van de niet zo voedselrijke zandlemige bodem met de aanwezigheid van waterlopen in het gebied. Op de biologische waarderingskaart wordt het Schiplakenbos op het vlak van flora en fauna aangeduid als waardenvol vanwege de nabijheid van het Steentjesbos, door zijn omvang maar ook door de ‘aanwezigheid van oude naaldhoutbestanden’.

Het systematisch planten van dennen en sparren moet denk ik begonnen zijn na de Eerste Wereldoorlog want ik zie op de NGI-kaart van 1939 dat het bosareaal enorm is toegenomen in vergelijking met de kaart van 1904.
Al dat naaldhout is echter ook een tweesnijdend zwaard en wel in twee opzichten. Ik lees in de uitleg bij de biologische waarderingskaart dat op het vlak van de biodiversiteit het bos vooral belangrijk is waar er géén naaldbomen zijn, namelijk onder enkele verspreide kleine populierenaanplantingen en rond de vijver van Terlinden op de open zandgrond. Open graag de bijgevoegde link voor een volledige opsomming van de waargenomen soorten. Bij de bloemsoorten worden rond het kasteel Kruipend zenegroen, Bosanemoon, Muskuskruid, Gewone Salomonszegel, Dagkoekoeksbloem en Groot heksenkruid vermeld. Merkwaardig genoeg zijn de sneeuwklokjes en de wilde narcis die in maart bloeien daar nog niet eens bij en ook niet een voorlopig nog niet benoemde plant met blauwe bloemen.
Daar komt bij dat de naaldhoutbestanden blijkbaar nogal veel te lijden hebben van de beruchte ‘letterzetter’, de kever die zich nestelt de schors van vooral fijnsparren en Corsicaanse dennen met onherroepelijk de dood van de bomen als gevolg. Al dat kevergedoe wordt bevorderd door een gebrek aan deskundig bosbeheer (op tijd uitdunnen en monobestanden vermijden) maar ook door de opwarming van het klimaat. Ik lees dat men in 2014 en in 2019 op hele percelen in het Schiplakenbos alle naaldbomen heeft moeten vellen waarbij men ook werk heeft gemaakt om de Amerikaanse eiken te verwijderen.

De positieve keerzijde van dit droevige verhaal is natuurlijk dat zulke ingrepen ook mogelijkheden scheppen om het bos minder kwetsbaar en diverser te maken en blijkbaar zijn de beheerders daar nu mee bezig. Eind 2019 is voor zo’n vijftig hectare van het Schiplakenbos een bosbeheerplan goedgekeurd en in werking getreden van het ‘type 2’. Ik heb het plan nog niet gezien en op het terrein zal je er niet direct iets van merken maar het gaat er toch om dat de beheerder zich verplicht om op basis van een aantal criteria tot een hogere natuurkwaliteit te komen. Ik neem aan dat dit voor het Schiplakenbos betekent dat er in de nabije toekomst heel wat inheemse loofbomen zullen worden geplant.
Met deze hoopvolle verwachting sluit ik dit reeksje even af. Aanvullingen en verbeteringen zijn altijd heel welkom. Met name ben ik nog op zoek naar het verhaal over het kleine kapelletje aan de Schiplakenvoetweg en naar de oorsprong van de naam Steentjesbos.

+++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++
https://www.natuurpunt.be/natuurgebied/steentjesbos
https://www.ringtv.be/nieuws/steentjesbos-kampenhout-erkend-als-natuurreservaat
Klik om toegang te krijgen tot sb141119-5.pdf
. https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/214987
https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/135076
https://inventaris.onroerenderfgoed.be/aanduidingsobjecten/41319
https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/41003


Klik om toegang te krijgen tot brochure-125%20jaar%20Schiplaken_0.pdf
Biologische Waarderingskaart – Databanken en Apps
data.inbo.be › files › DeSaeger_etal_2000_BioligischeWaarderingskaart
‘Letterzetter’ veroorzaakt kaalkap in Schiplakenbos (Zemst …
www.nieuwsblad.be › cnt › dmf20191024_04682715
25 okt. 2019
Duizend naaldbomen gekapt in Schiplakenbos Zemst | Ring TV …
www.ringtv.be › nieuws › duizend-naalbomen-gekapt-schiplakenbos-…
5 sep. 2014

Trefwoorden: kampenhout, boortmeerbeek, steentjesbos, schiplakenbos, natuurbeheer, natuurpunt, terlinden, kasteel, erfgoed, geschiedenis, schiplaken, oorlog,

Ter inleiding
Loonbeek is – zegt Wikipedia – “een dorp in de Belgische provincie Vlaams-Brabant en een deelgemeente van de gemeente Huldenberg”. Het dorp ligt langs de weg van Leuven naar Overijse maar de meeste passanten zullen het zelfs niet opmerken denk ik. Die weg is smal, bochtig en vreselijk gevaarlijk, er staan overal huizen langs en autobestuurders, motorfietsen en autobussen proberen er zo snel mogelijk langs te komen in hun haast om naar Brussel te komen (of terug; tip: blijf met je fiets weg van de steenweg en zoek de rivier op, het leven is al kort genoeg). Binnenkort of ooit gaan ze die weg eindelijk verbreden en rechttrekken en daarvan zal het misschien wel veiliger worden maar niet mooier.
En toch is dit het dal van de rivier de IJse en een paradijsje voor wandelaars en fietsers die het smalle pad langs het water weten te vinden. Zoals overal in de vallei kan mist hier lang blijven hangen en dat geeft kans op een reeksje wat ietwat mysterieuze foto’s maar ik hou daar wel van, ook al omdat mist bijdraagt aan de afwezigheid van het lawaai van ijverige mensen en hun machines. Loonbeek is het beste vertrekpunt om het Margijsbos te verkennen en in dat bos met zijn statige beuken en holle wegen zal je de mist in zon zien veranderen.

Samen met het Rodebos aan de Laan is het Margijsbos op de helling aan de overkant van de rivier de IJse tussen Loonbeek en Huldenberg een zeer oud en waardevol natuurgebied met mooie holle wegen, taluds, bronnen en een rijke flora en fauna. In de Romeinse tijd was hier al een nederzetting en de eerste voorganger van het huidige indrukwekkende kasteel van Loonbeek wordt in de 13de eeuw vermeld.
Het is een publiek toegankelijk privébos van zo’n 90 hectare en op de kaart van het wandelnetwerk Zuid-Dijleland zie ik een aantal knooppunten met behulp waarvan je het kunt verkennen: 25, 26, 216, 219, 220 en 223.
Ik vertrek bijna altijd vanaf de parking in de bocht van de Sint Jansbergsesteenweg (N253) onder het witte Sint Antonius kerkje. Het kleine éénbeukige gotische kerkje werd gebouwd in de 15de eeuw en is herhaaldelijk verbouwd, onder meer in de 18de eeuw door de kasteelheren Van der Vorst, dan de bewoners van het kasteel.
Het grootste deel van het bos is in handen van privé-eigenaars, met name de familie Verstraeten die het kasteel bewoont. Dat kasteel met het omliggende park is niet toegankelijk en hetzelfde geldt voor de ‘Normandische’ villa midden in het bos en enkele andere huizen die je er ook tegenkomt. Maar voor de rest ben je vrij om de vele paadjes te volgen zoals je wil.

Ik ga altijd op zoek naar het stenen kruis dat op een hoog punt op een sokkel staat. en dan naar boven tot op het plateau waar je een prachtig uitzicht krijgt op de vallei van de Laan en de Dijle tot in Sint Agatha Rode. Vandaar kan je dan linksaf terug richting Neerijse om via een hele mooie holle weg of via een andere mooie veldweg aan de rivier te komen. Je krijgt vol zicht op de Sint Pieter en Pauwel kerk van Neerijse met zijn twee torens zonder uilen. Via de oude brouwerij Sint Pieters (Bruffaerts met bijbehorende hoeve De Biesbemd), de verlaten camping Les Chalêts, de visvijver en het al even verlaten tramviaduct kom je op je gemak weer terug aan de molen. Op het laatste stuk kom je ook nog langs een speelbos of weide. Het is leuk om te weten dat het oude watermolengebouw onlangs flink gerestaureerd is hoewel het molenrad zelf nog op fondsen wacht om weer in bedrijf gesteld te worden.
Het bos zelf bevat naast majestueuze beuken, hoog oprijzende naaldbomen, massieve inheemse en Amerikaanse eiken, dwarsgestreepte boskersen, berkstoven, holle wegen, steile hellingpaadjes ook nog het een ander aan geschiedenis zoals een bunker uit WO-II en een kruis dat NIET van Charles Lepoigne is. ‘Cousin Charles’ (Charlepoeng) verzette zich tussen 1790 en -99 met enig succes tegen de Franse bezetting maar dan werd hij verraden en na een gevecht gevangen en onthoofd in het Margijsbos.

Over de ijse
De IJse is net zoals de Voer en Laan een zijriviertje van de Dijle. Voor wie (zoals ik) de drie nogal evenwijdig lopende beken niet altijd uit elkaar kan houden: de Voer stroomt een beetje noordoostelijker tussen Leuven en Tervuren. De Laan stroomt ten zuidoosten tussen Sint Agatha Rode en Rosières/Rixensart. Al die beekdalen zijn nog altijd wel mooie groene routes naar Brussel op voorwaarde dat wij mensen ophouden er nog huizen en al wat daarbij hoort neer te zetten.
De IJse mondt uit in het natuurreservaat de Doode Bemde iets voorbij het kasteel van Neerijse. De bron ligt in het Zoniënwoud ten zuiden van Brussel op de grens tussen Sint-Genesius-Rode en Hoeilaart. Vlakbij, aan de Ganzepootvijver, staan nu nog altijd de ruines van de Priorij van Groenendaal. Daar vind ik het altijd wel erg mooi. Voor fietsers en wandelaars is het riviertje vooral aantrekkelijk tussen Neerijse en Huldenberg omdat je er daar overal langs kan. In Huldenberg stroomt hij door groen maar ontoegankelijk privégebied. Stroomopwaarts vanaf Overijse kan je er volgens mij nergens meer langs vanwege de bebouwing.
Zoals alle rivieren in onze streken is de IJse van nature zeer kronkelig maar in de dorpen en ter hoogte van alle watermolens (ik ken er vijf, zijn er meer?) zijn de oevers over een flinke afstand en met hoog liggende oevers kaarsrecht getrokken om het water aan de molen te kunnen opstuwen. Als gevolg daarvan kampen Huldenberg en Loonbeek regelmatig met overstromingen want pas in Neerijse in het natuurgebied kan het water uitvloeien.

De in het verleden veroorzaakte zware verontreiniging is ondertussen wel weer gestopt hoewel ik lees dat er nog te veel riolerings-overstorten op de rivier uitkomen om waterplanten in de rivier te krijgen. Er kan dus weer gevist worden hoewel ik er nog niet veel hengelaars gezien heb anders dan op de visvijver aan de Kamstraat richting Neerijse.
Net als jagen is vissen kennelijk erg leuk voor wie het doet. Of het voor de vissen ook een sport is weet ik niet. Aan de brug bij Bertelsheide staat een bord aan de rivier als ‘bericht aan de hengelaars’ met de mededeling dat ‘op vraag van de hengelsport zelf’ gevangen vissen ‘voorzichtig’ moeten worden teruggezet, dat je ze niet mag meenemen om ze op te eten maar dat je ook geen aasvisjes mag gebruiken. Dat alles moet dienen om lopende herstelprogramma’s voor zeldzame vissoorten te ondersteunen en om zeldzame en kwetsbare vissen die hier leven, zoals de Kopvoorn, de Rvierdonderpad en de Beekforel beter te beschermen. Het wachten is op de echte forellen zoals die er zijn op de riviertjes in Waals-Brabant.
Merkwaardig genoeg zitten er geen bevers op deze rivier voor zover ik weet en ik zie ook nergens sporen van deze dieren.
In 2012 maakte Peter Lombaert een documentaire ‘De IJse van bron tot monding’ maar of die nog ergens te zien is weet ik niet

Over het bos
Net als het Rodebos boven de Laan in Terlanen is het Margijsbos aan de IJse in Loonbeek een heel mooi bronbos met een zanderige en leemachtige bodem op een onderlaag van klei. Het is moeilijk om je dit nu nog voor te stellen maar geologisch nog niet zo héél lang geleden (zo’n 50 miljoen jaar terug) was het hier nog allemaal zee en toen die wegtrok kwamen er duinen zoals je die thans aan de Noordzee aantreft maar dan wel zonder al die appartementsgebouwen want de mens was nog niet aangekomen.
Anders dan het Rodebos is het Margijsbos niet een erkend natuurreservaat beheerd door de Vlaamse overheid maar een privébos in het bezit van de bewoner van het kasteel aan de watermolen.
Dat zie je ook wel aan de manier waarop het beheerd wordt, het is allemaal wat woester en minder in natuurvakjes verdeeld, er lopen geen schapen rond om heide te beheren en er staan geen borden om je te vertellen wat je hier allemaal kan zien en wat je mag en niet mag. In het verleden is er duidelijk massa’s naaldhout geplant maar ook veel loofhout zoals beuken, dwarsgestreepte kerselaars en inheemse en amerikaanse eiken. Wat mij altijd weer opvalt zijn de magistrale berkenstoven. Esdoorns en tamme kastanjes staan overal in het rond maar ik denk niet dat die ooit geplant zijn. Ik kan er nooit achter komen of en hoe en door wie dit bos eigenlijk beheerd wordt behalve dat er af en toe bomen gezaagd worden om brandhout te leveren (maar ook niet heel veel).

De stormen van de afgelopen tijd lijken ook in dit bos ferm huisgehouden te hebben want ik zie veel omgevallen stammen en afgebroken kruinen. Tegenwoordig moeten bossen van deze omvang een door het Vlaams Gewest goedgekeurd beheerplan hebben en dat moet bij het Agentschap voor Natuur en Bos (ANB) op een register vermeld staan maar daarover heb ik nog niets gevonden.
In het Margijsbos is nooit een bosarchitect aan het werk geweest hoewel op oude kadasterkaarten de paden wel worden aangeduid met deftige namen zoals Keijserstraat, de Kapelledreef, de Molenweg en de Sentier De Weert. Er was en is nog altijd één geregistreerde openbare voetweg die dwars door het bos van de rivier naar het plateau gaat: de Margijsbosweg. Op die oude kaarten is nauwelijks een wegpatroon te ontdekken maar richting onze tijd ziet het er iets georganiseerder uit met als meest herkenbaar punt het kruisje op de zes-ster midden in het bos.
Er staan hier en daar huizen in, kennelijk vergund en gebouwd in de tijd dat zoiets nog kon. Maar zolang je van de bewoning weg blijft is al de rest wel toegankelijk en kan je genieten van de rust, de stilte, de steile hellingpaadjes en de holle wegen. In een uur of twee kan je de meeste wel verkennen en de kans is klein dat je iemand tegenkomt (anders dan een eenzame fietser of iemand die de hond uitlaat). Reken wel op een beetje drassigheid, zeker in de winter.
Nog een op te lossen raadsel: op de Ferrariskaart van 1771 (blad 94, Neerijssche) heet het hier al Margijsbos. Is dat een verbastering van ‘Tergijs – bos aan de IJse’? Wie helpt ….?

Charlepoeng
Het Margijsbos bevat het een en ander aan geschiedenis. Langs de Margijsbosweg kom je nog een telefoon-bunker uit WO-II tegen hoewel er op deze plek nooit gevochten is voor zover ik kan nagaan.
Midden in het bos staat een natuurstenen kruisje op een sokkel. Waarom de bewoners van de in het bos gebouwde witte Normandische villa, de familie Malou, dat daar gezet hebben blijft een mysterie. Een ding staat ondertussen wel vast, het is niet het historische kruis om Charlepoeng te herdenken want dat staat al vele jaren een beetje verborgen achter de kapel aan het scoutscentrum De Kluis in Sint-Joris Weert.
Zoals iedereen in de streek weet verzette de Brusselse nijveraar Charles Lepoigne zich onder de koosnaam ‘Cousin Charles’ zich tussen 1790 en -99 met enig succes tegen de Franse bezetting maar dan werd hij verraden en na een gevecht midden in de nacht gevangen in het Margijsbos. Zijn afgehakte hoofd stond een tijdje op een paal op de Grote Markt in Brussel heb ik gehoord maar dat lijkt niet helemaal te kloppen.
Om de een of andere reden doet Big Billy, de merkwaardigste tamme kastanje in het Margijsbos en de wijde omgeving, op de een of andere manier aan dit voorval denken maar ga die zelf maar eens bekijken.
Hoewel onze held Franstalig was en zich altijd heeft beschouwd als een officier in dienst van de Oostenrijkse keizer werd hij jarenlang naar voren geschoven als een voorvechter van de Vlaamse onafhankelijkheid. Het verhaal is in 1994 uitvoerig beschreven in het boek ‘Cousin Charles de Loupoigne’ van Erik Martens en G.Janssens de Varebeke dat je nog in de bibliotheek kan vinden

Over het kasteel van Loonbeek en de Normandische villa Malou
Verborgen achter de gevel van het koetshuis en omringd door hoge hekken staat het kasteel. In 1500 wordt ridder Jan van der Vorst eigenaar van het kasteel van Loonbeek, het bos, de watermolen, de kapel en enkele pachthoven. Samen met een deel van het dorp worden de gebouwen in 1579 door de Geuzen in brand gestoken. De familie Van der Vorst blijft echter eigenaar tot het begin van de 19de eeuw en laat het kasteel heropbouwen en belangrijke veranderingen aanbrengen tot in de 18de eeuw: er wordt onder meer rondom een bakstenen muur opgetrokken.
Op de poort naast het koetshuis staat hun wapenschild: een schild met daarin gebeiteld vijf kruiswijs geplaatste ringen met twee naar elkaar gewende kraaien op een takje, links en rechts van de bovenste ring. Dat wapenschild is ook te zien op de watermolen.
Met de Franse revolutie raakt het erfgoed in verval, het kasteel wordt gebruikt als boerderij en grote delen worden gesloopt.
Met de oprichting van de nieuwe Belgische staat doet een nieuwe adellijke familie haar intrede, eerst Graaf Florimond de Quarre en daarna via erfenis de grafelijke familie De Ribeaucourt.

In 1923 wordt het aangekocht door de Brusselse industrieel A. Smits die midden in het Margijsbos een ruime villa in Normandische stijl laat bouwen als woonst. Sindsdien wordt het domein onder opeenvolgende eigenaars steeds verder versnipperd.
Sinds enkele jaren heeft het kasteel nieuwe bewoners – de familie Verstraeten – die zorgvuldig het geheel hebben gerestaureerd waarbij oude nog bestaande fragmenten opnieuw in ere zijn hersteld. Op de Ferrariskaart zijn 4 vijvers te zien waaronder een ‘huisvijver’ met twee eilandjes waarop de kasteelgebouwen staan. Die vijvers zijn vermoedelijk uitgegraven tussen 1755 en 1770 maar in de eeuwen nadien verdwijnen ze een voor een uit de kaarten. In 1864 wordt ook de huisvijver als weide ingetekend. Waarschijnlijk zijn ze niet echt gedempt maar gewoon door slecht onderhoud verland zoals iedere vijver doet. Toch denk ik dat met de restauratie ook werk gemaakt is om een deel van vijvers weer te herstellen want door het hek zie je waterspiegels van enige omvang.
De toegangspoort naar het kasteel via het koetshuis blijft onverbiddellijk gesloten voor nieuwsgierige ogen maar blijkbaar kan je af en toe toch eens bezoeken ter gelegenheid van Open Monumentendag.
De villa Malou ligt op het hoogste punt midden in het bos. Vanuit de verte zie je de witte achtergevel en aan de voorkant is de parkachtige omgeving beplant met monumentale bomen. Verscholen in het bos liggen nog de restanten van de vroegere wateraanvoer naar de villa en aan de IJse vind je nog de restanten van de dam vanwaar in de eerste helft van de vorige eeuw met een generator de villa van elektriciteit werd voorzien.
Langs de Margijsbosweg staan nog twee woningen waarvan een zomerhuis met een mooie vijver. Beiden zijn privé en net als de villa dus niet open voor het publiek.

De watermolen
Zoals overal in het stroomgebied van de Dijle zijn er al sinds de middeleeuwen watermolens op het riviertje de IJse. Als je wilt kun je in deze streek een ‘watermolenwandeling’ organiseren van Loonbeek naar Sint-Joris Weert naar Hamme Mille, Bierbeek en dan terug naar Leuven via de Abdij van Park en het Arenbergkasteel in Heverlee, en dat allemaal zonder auto’s tegen te komen (maar niet in één dag denk ik). Voor zover ik weet is er echter langs de IJse niet één meer in werking. Zowel in Huldenberg als in Neerijse zijn de molens ontmanteld en omgebouwd tot woonhuis. Maar in Loonbeek is de molen er nog wel en meer dan dat, de bedoeling is om hem in de niet al te verre toekomst opnieuw ‘maalvaardig’ te maken.
Deze molen wordt voor het eerst vermeld in 1495 en is dan de ‘banmolen’ van de heerlijkheid Loonbeek, dat wil zeggen dat de dorpelingen verplicht zijn om hun graan op deze plek te laten malen en daarvoor een belasting te betalen aan de heer van het er tegenover gelegen kasteel. Ridder Jan van der Vorst koopt heel deze heerlijkheid met kasteel, molen en dorp (enkele pachthoeves) en al op in 1500 en zijn nakomelingen blijven de eigenaars tot in 1811 wat opmerkelijk lang is als je weet dat de Fransen al voor 1800 de molenban afschaften en bijna alle geestelijke en adellijke eigendommen in beslag namen als ‘openbaar goed’.

Het wapenschild van de familie van der Vorst is nog altijd zichtbaar vanaf de weg op de gevel van de watermolen.
Het gaat er niet altijd vredig aan toe want rond 1579 verwoesten de geuzen het kasteel, de molen en een groot deel van het dorp en pas in de 17de eeuw zal de wederopbouw voltooid worden. Joannes Bruffaerts – een naam die in dit verhaal nog een keer voorkomt maar dan als bierbrouwer – treedt in februari 1692 in het huwelijk met Maria Guns uit Neerijse. Waarschijnlijk woonde hij met zijn gezin in Loonbeek. Zijn zoon Petrus is dan de molenaar en in die tijd is dat een belangrijk beroep want hij brengt het zelfs tot schepen en baron Joannes van der Vorst treedt op als de doopheffer van Petrus’ eerste zoontje.
Het huidige molengebouw dateert uit de 18de eeuw (en een kern uit de wederopbouw in de 17de eeuw). In diezelfde periode wordt de IJse stroomopwaarts rechtgetrokken over een lengte van 700 meter op een iets hoger niveau om de molen meer water te geven en dat is vandaag de dag nog altijd de toestand. Het verval is toch niet erg groot voor een molen van deze omvang: nooit meer dan een meter. In zijn beste tijd kon het waterrad daarmee twee steenkoppels aandrijven.
Wanneer de Franse republikeinen in 1794 in onze gewesten de macht overnemen worden alle heerlijke rechten afgeschaft en dus ook de belasting op het malen van het graan samen met de verplichting om het graan op één bepaalde molen te laten malen.

Blijkbaar stond de familie Van der Vorst tamelijk goed met de Franse bezetter want het duurt nog tot 1811 voordat de molen samen met het kasteel moet worden afgestaan om als ‘publiek goed’ om te worden verkocht. In 1901 verkoopt kasteelheer graaf Adolf de Ribeaucourt de molen aan molenaar Petrus Bosschaerts. Of de molen in die tijd echt rendabel is weet ik niet maar zeker tijdens de oorlogsjaren hebben de Duitse troepen er flink van geprofiteerd.
Petrus’ zoon Felix verkoopt na op zijn beurt een lange loopbaan als molenaar het geheel in 1952 aan een zekere Guillaume Wijnants, een handelaar in Neerijse. Met deze laatste doet de moderne tijd zijn intrede in de molen. Hij vervangt onmiddellijk het waterrad door een turbine. Of er al in die tijd niet meer gemalen wordt op de steenkoppels, kan ik niet meteen terugvinden maar het is zeker dat eerst op de dieselmotor en later op elektriciteit wordt overgeschakeld om drie dan hypermoderne cilinderwalsen en twee aan elkaar gekoppelde plansichters (heen en weer gaande zeven om gemalen graan te zeven). Al deze installaties zijn nu nog in het molengebouw aanwezig maar sinds de uitbating even voor 1970 definitief werd stopgezet staat alles ferm weg te roesten.
Sinds die tijd hebben Guy Vloeberghs en zijn vrouw de molen gekocht en bovenop de grondvesten van de stal tegenover het molengebouw een nieuw woonhuis laten bouwen.

Vanaf het begin is het hun droom om de molen opnieuw maalvaardig te maken. In 1990 beginnen de eerste restauratiewerken, met name herstellingen aan de buitenmuren. Dankzij hun toewijding staat de molen met zijn omgeving sinds 1994 op de lijst van beschermde monumenten.
Of ze erin zullen slagen nog bij leven en welzijn mee te maken dat hun droom van 1990 zal uitkomen weet ik echter niet zeker. Die droom was en is nog altijd om de molen opnieuw maalvaardig te maken. Als ik het goed begrepen heb gaat het er daarbij om de turbine opnieuw op gang te krijgen ofwel een nieuw waterrad te plaatsen zodat de twee maalsteenkoppels opnieuw graan zouden kunnen malen. De sinds 1952 geïnstalleerde moderne cilinderwalsen en hun toebehoren mogen blijven staan maar het is niet de bedoeling om die te restaureren, slechts om het bederf te stoppen en de machinerie een beter aanblik te geven.
Maar zover is het dus nog lang niet. Na de eerste dringende restauratiewerken zoals het herstellen van de buitenmuren van het molengebouw heeft Guy de erfgoeddiensten wel kunnen overtuigen van het belang om deze molen te restaureren. Vlaams minister Geert Bourgeois van Onroerend Erfgoed kent in november 2013 een premie van 155.000 euro toe voor de restauratie waarbij in een eerste fase de daken van de schuur en het molengebouw worden aangepakt.

Na een openbare aanbesteding wordt de uitvoering van deze werken toevertrouwd aan het architectenbureau Sabine Okkerse in Oudenaarde. Die werken zijn ondertussen gedaan en daarmee is voorkomen dat het dak (het grootste gedeelte ervan) nog verder instort omdat het houtwerk totaal verrot is.
In 2014 wordt de molen opengesteld op monumentendag ter gelegenheid van het feit dat hij in dat jaar samen met de omgeving wordt opgenomen op de lijst van beschermde monumenten. Ook de monumentale kastanjeboom valt onder die bescherming en wordt in 2016 zelfs bevorderd tot ZEN-boom. De afkorting staat voor erfgoed Zonder Economisch Nut dat met subsidie in stand gehouden kan worden.
Hoe het zal gaan in de toekomst is me niet helemaal duidelijk. Aan de ene kant zijn er berichten over besparingen en ingediende dossiers die veel tijd vragen. Aan de andere kant is er een zeer positieve reactie vanuit de Erfgoeddiensten dat als gevolg van een in 2016 goed gekeurd beheerplan voor de molen alle daarin opgenomen werken mogen worden uitgevoerd zodra de aanvragen vanwege de eigenaar daarvoor zijn binnengekomen (en dat ze daarop aan het wachten zijn). Dat klinkt hoopvol maar nu zijn we al een stukje in 2020 en er lijkt niet veel te veranderen voor zover ik kan zien. Om heel eerlijk te zijn zie ik ook niet goed hoe je als privé-eigenaar 30 jaar en langer kan wachten om je erfgoed volgens (officieel goedgekeurd) plan te restaureren tenzij je miljonair bent natuurlijk. Passie is noodzakelijk voor dit soort projecten maar zelfs de meest gedreven mens moet het toch opgeven tegen de tijd en de lengte van procedures.

Om de maalderij weer in werking te stellen zal er ook een zogenaamde ‘vistrap’ moeten worden aangelegd om de vissen in de IJse de kans te geven om stroomopwaarts te zwemmen zoals gebeurd is bij de molens van Rotselaar op de Dijle en op de molen van Terlanen op de Laan. Naar mijn beste weten is daar nog geen sprake van.
En tenslotte ben ik ook niet zeker of na al die jaren van stilstand de maalrechten voor deze molen nog wel gelden en die heb je nodig om de rivier te mogen opstuwen tot het overeengekomen ‘pegelpeil’.

De IJse onderlangs het Margijsbos tussen de watermolen en de brouwerij
Een beetje voorbij de molen stuit je op het gemeentelijk speelterrein voor kinderen. Het ligt er verlaten bij. Het bord van de jeugddienst van de gemeente Huldenberg vraagt bezoekers om de speeltoestellen in orde te houden maar ik zie er helemaal geen en het enige wat kapot is, is het bord zelf. Aan de volgende brug is de amfibiepoel aan Bertelsheide weer een beetje vrijgemaakt. Ik heb nog altijd een beetje andere voorstelling van een ‘parel’ maar je kan hem weer zien en op het infobord lees je wat de bedoeling is. Mijn korte zoektocht op het internet naar de laatste stand van zaken in en over deze poel levert niets op maar misschien is er een lezer die de juiste weg weet? Even later stuit ik op een nieuw raadsel, een gloednieuw blinkend metalen bord aan de overkant van de rivier met het opschrift ‘laten we gaan’. Slaat dit op de promotie van het voetbal in Huldenberg, op de bevordering van de trage wegen of op plaatselijke aktie ten voordele van het klimaat? Dank aan wie er alles over kan vertellen!

Bertelsheide
Tussen Neerijse en Loonbeek kom je ook nog Bertelsheide tegen waar in 2009 op initiatief van de VZW Planteenbos door plaatselijk jong en oud een bos geplant is met inheemse boomsoorten en fruitbomen op een perceeltje van 1 ha. Bij die gelegenheid werd het perceel beplant met zomereik, es, zwarte els en in de rand sleedoorn, meidoorn, gelderse roos, spork, rode kornoelje en hazelaar. In 2011 is een deel van de aanplant vervangen vanwege de droogte en daarna zijn de meeste essen afgestorven door de ‘essenziekte’ en in 2015 vervangen door zwarte els, zomereik, winterlinde en Ratelpopulier. Als bos-demonstratieproject kan het tellen en het infobord staat er nog maar sindsdien hoor je er niet veel meer over. Hoe het staat met de fruitbomen kan je best in de zomer eens komen bekijken denk ik.

Zwarte Jean
Het verhaal over de stoomtram (en later dieseltram) ‘Zwarte Jean’ valt een beetje buiten het bestek van het Margijsbos. Hij verbond vanaf het begin van de 20ste eeuw tot in de jaren 60 de steden Tienen en Jodoigne met Brussel/Tervuren/Vossem. Grote delen van die trambedding zijn nog altijd zichtbaar in het landschap en stukken daarvan zijn de laatste jaren opnieuw in gebruik genomen als wandelpad, meestal lopend door natuurgebieden. Al heel wat jaren kun je vanaf het station van Sint-Joris Weert de trambedding volgen via de Doode Bemde tot aan het kasteel van Neerijse. Je kunt hem vandaar verder volgen langs de IJse tot in Loonbeek en dan omhoog naar het plateau van Duisburg aan de Rootstraat. Vandaar ga je verder – soms via mooie omwegen – naar Vossem.
Het traject tussen het kasteel van Overijse en Loonbeek wordt wat minder vaak bewandeld maar toch is het echt de moeite waard. Voor een groot deel loopt het langs het riviertje de IJse (dus dat is zeker mooi) en daar is zelfs nog een echte oorspronkelijke brug waar je op de tramdijk klimt en die dan richting Loonbeek kan volgen. Maar aan de overzijde van de IJse richting Neerijse zit de doorgang potdicht, kennelijk omdat het vroegere tracé aan een privé-eigenaar verkocht is. In Neerijse stopte de tram vroeg in de morgen aan de tramstatie aan de herberg De Près, bijgenaamd ‘A la Salle d’Attente du Vicinal’ en eigendom van de ernaast gelegen melkerij Emmerechts. Het witgeschilderde hoekhuis kan je nog zien op 50 meter van een bushalte met de toepasselijke naam ‘oud station’. Vandaar stapten de mensen via de Prins de Bethunelaan en het in 1775 gebouwde Lindenhof naar het kasteel van Neerijse. In Loonbeek is van Zwarte Jean niet veel meer te zien. De plaats waar de spoorweg over de Sint-Jansbergsteenweg liep en waar de halte stond wordt nog altijd ‘den tram’ genoemd.

De visclub
Aan de brug ter hoogte van de Kamstraat pik ik nog een mooi zicht mee op de vijver van de IJseclub Neerijse. Daar zijn nu nauwelijks hengelaars te zien maar op hun facebookpagina wemelt het van stoere mannen, jongens met een enkele vrouw en massa’s enorm grote vissen. De club beschikt volgens de eigen informatie over een rijk bestand aan grote brasem, kruiskarper, giebel en snoek. Je kan er als lid of tegen dag/nacht vegoeding karpers vangen tot 18kg. Alles wordt streng gecontroleerd en ik neem aan wat je hier vangt ook mee naar huis mag nemen en opeten.

Over de brouwerij en de camping
Aan de brug over de IJse aan de visclub staat aan beide zijden van de Kamstraat een bezienswaardigheid. Het vervallen gebouw aan de rivier is de voormalige watermolen en brouwerij Sint Pieter, gebouwd door de familie Decoster en voor het eerst vermeld in 1762. In het begin van de 20ste eeuw nam de familie Bruffaerts de zaak over en bracht het lokale bier op de markt onder verschillende namen zoals Christmas, Spéciale Bruffaerts, Overlord Pale Ale, Staf Ale en St Pieters White and Super. Je kan via het internet nog etiketjes op de flessen kopen heb ik gezien. Vlak naast de brouwerij stond ook rond 1825 al een hoeve waar de bedienden van de bouwerij vlees, zuivel en groenten gingen halen waarmee ze in die tijd betaald werden. Er werden melkkoeien, schapen en varkens gekweekt en allerlei groenten, onder meer en vooral witloof. Die hoeve is er nog op nr.33 en heeft zich omgevormd tot een gastvrije en natuurvriendelijke Bread & Breakfast met de naam Biesbemd. Zo heette de omgeving hier vroeger. Het woord ‘Bemd’ komt van beemd en betekent land of veld. De ‘Bies’ groeit welig langs de oever en werd gedroogd om er mee te kunnen vlechten. De straat heette vroeger Molenstraat maar is nadien veranderd in Kamstraat wat ‘brouwerij’ betekent’. Tot mijn verbazing vind ik niets over deze site op de inventaris van waardenvol bouwkundig erfgoed en dat vind ik ook jammer want de brouwerij ziet er toch nogal verkommerd uit en verdient volgens mij een waardige herbestemming zoals gebeurde met de andere brouwerij in Neerijse, De Kroon.

Aan de overzijde van de straat staat nog altijd het receptiegebouw van de Camping en Caravaning ‘Les Chalêts’. Er is geen ‘stort van bemoste stacaravans’ meer te zien maar de eens zo bloeiende camping is sinds 2013 gesloten wegens ‘zonevreemdheid’ en uit wat ik lees begrijp ik dat de uitbater er als een van de weinige campinghouders in onze streken niet in geslaagd was om zijn kampeerterrein in natuurgebied te doen regulariseren. Het geheel ziet er altijd maar droeviger uit maar nu staat er een bord met een aanvraag tot verkaveling dus ik denk dat er gebouwd gaat worden. Even verder stuit ik opnieuw op aankondigingen over de opheffing van geregistreerde maar niet meer zichtbare voetwegen. Dat maakt mij altijd ongerust maar ter plekke kan je niet goed zien waar het op slaat, voor meer info moet je langs het gemeentehuis in Huldenberg (!) en de termijn voor bezwaarschriften is juist verlopen.

Over de holle weg
Via de Kleine Hollestraat – een indrukwekkende zeer diepe holle weg – gaat het steil omhoog tot aan de bovenrand van het Margijsbos. Op de kaart met het ‘Wandelnetwerk Zuid-Dijleland’ staat dit trajectje aangegeven tussen de knooppunten 216-219-220-215. In de winter is hier alles somber groen met varens, mossen en zwammen maar als de lente doorbreekt komen de voorjaarsbloeiers uit de grond omhoog. In het verleden is hier nogal wat zware steenslag gestort om de bodem vast te houden dus wees niet verbaasd als je over halve muren en vloeren moet klauteren. Bewonder vooral de grote bomen die zich amechtig vastklampen in de steile wanden. Opvallende soorten zijn hier de wilde boskersen met hun dwars gestreepte schors en de grillige robinia’s met grote bulten in hun bast. Robinia’s werden vroeger overal aangeplant op steile stukken omdat hun wortels de grond vasthouden. Ik vind ze erg mooi en ze zijn erg nuttig voor vlinders en bijen maar eigentijdse natuurliefhebbers beschouwen ze als ‘exoten’ en halen ze weg. In een natuurbeheerde zandgroeve zijn ze natuurlijk erg lastig maar in een holle weg of langs een spoordijk zijn ze perfect op hun plaats.

De bosrand
Aan de bosrand op het plateau kom je langs grote paardenweiden, boerenakkers, een enkele boomgaard en enkele grote villa’s van tamelijk recente datum. Op de horizon heb je een mooi zich op de vallei van de Dijle en Laan en vooral op de hoeve Celongaat ten zuiden van Sint Agatha-Rode. Deze Semi-gesloten hoeve genaamd “Withof” uit de 17de-18de eeuw is met zijn bakhuis sinds 1996 beschermd als monument. Samen met de hoeve Hinnemeure is de omgeving ook beschermd als dorpsgezicht omdat het omringende beemdenlandschap er nog altijd redelijk ongerept bijligt met zijn natuurhoogwaardige afwisseling van bouw- en cultuurgrasland, natte ruigten, rietvelden, oude knotbomen en essenhakhout en aanplantingen van populieren en eiken. Als je hier rechtdoor gaat kom je in Ottenburg uit maar het Margijsbos ligt hellingafwaarts. Er zijn enkele bospaden maar de belangrijkste is de Margijsbosweg.

Daarmee ben ik aan het eind van deze reportage gekomen en kan ik je alleen maar aanraden zelf maar eens een kijkje te nemen in het Margijsbos.
+++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++
http://onroerenderfgoed.github.io/la2001/ankerplaatsen/a20043.html
https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/135099 (Margijsbos)
https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/43315
https://www.natuurpunt.be/nieuws/rapport-levende-beken-vlaanderen-20160823#.V712w49OK71
https://docplayer.nl/11852369-Poelen-parels-in-het-landschap.html
https://www.facebook.com/ijseclub/
http://www.biesbemd.com/location.html
https://www.biesbemd.com/index.html

https://www.etwie.be/publicatie/de-brouwerij-en-mouterij-st-pieter-te-neerijse
http://www.trekkings.be/grdijlelandetappe5.html
https://www.yumpu.com/nl/document/read/17141001/00-overzicht-trage-wegen-neerijsepdf-bloggenbe/5
Klik om toegang te krijgen tot Brochure-Charlepoeng.pdf
http://www.molenechos.org/molen.php?AdvSearch=984
https://plannen.onroerend.erfgoed.be/plannen/200/bestanden/1009
watermolen van loonbeek en omgeving – Plannen …
plannen.onroerenderfgoed.be › plannen › bestanden
http://docs.vlaamsparlement.be/pfile:id=1147401
docs.vlaamsparlement.be › pfile

http://www.planteenbos.be/loonbeek.php Loonbeek 2009 – planteenbos.be www.planteenbos.be › loonbeek
https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/43314 Hoeve Celongaet met bakhuis | Inventaris Onroerend Erfgoed
inventaris.onroerenderfgoed.be › erfgoedobjecten
https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/43315
Parochiekerk Sint-Antonius | Inventaris Onroerend Erfgoed
inventaris.onroerenderfgoed.be › erfgoedobjecten

trefwoorden: margijsbos, loonbeek, ijse, watermolen, kasteel, erfgoed, geschiedenis, charlepoeng, bruffaerts, brouwerij, biesbemd, malou, vorst, holle weg, sint antoniuskerk

Diest op het ritme van de Demer. Ik heb al het een en ander over enkele aspecten van deze Oranjestad geschreven maar nog niet veel over de binnenstad zelf. Ik vind Diest het meest plezante stadje van Vlaams-Brabant. Op het ogenblik zijn er nogal wat wegenwerken maar normaal gezien kom je heel gemakkelijk aan de Demer met de Lindenmolen, de Halve Maan, de vestingwerken en het Begijnhof. Je kan ook kiezen om direct op de Grote Markt uit te komen en dan neem je aan de citadel de trap naar beneden langs de Allerheiligenkapel. Heel groot is de stad niet, ik lees dat Groot-Diest zo’n 25.000 inwoners telt van wie er binnen de wallen zo’n 9000 de stad bevolken. Blijkbaar is dat aantal juist genoeg om van een stad van nu zowel een levendige gemeenschap van mensen te maken met winkels, restaurants, scholen, voorzieningen en groen en tegelijkertijd nog op mensenmaat te blijven zonder grootstedelijke allures.

Wel vind ik dat er nog wat teveel auto’s rondrijden en geparkeerd staan om al die mooie historische gebouwen ongestoord te kunnen fotograferen. En dat is jammer want Diest is bezaaid met getuigen uit een welvarend verleden en er wordt heel wat energie gestoken om al dat erfgoed mooi en respectvol te bewaren. Diest was al een graafschap tijdens de Karolingers. De stad kreeg in 1229 stadsrechten van hertog Hendrik I van Brabant en beleefde in en na die tijd een grote welstand vanwege zijn gunstige ligging aan de handelsweg tussen Keulen en Brugge en aan de Demer. Alle vormen van landbouw producten werden hier op de markt gebracht maar vooral het Diestse laken was overal in West-Europa te koop. Na de eerste helft van de 15de eeuw ging het een tijdlang wat minder goed. In dit hoofdstuk besteed ik vooral aandacht aan de geslaagde werken om in de stad de Demer weer bovengronds te halen en de positieve gevolgen daarvan voor ieder die houdt van frisse lucht, groen en de afwezigheid van gemotoriseerd verkeer.

Diest staat gekend als Oranjestad maar wie nog hoe dat precies zit? In de middeleeuwen ligt de stad op de grens tussen het elkaar vijandig gezinde hertogdom Brabant en het Prinsbisdom Luik. Die grens zie je nog op de Ferrariskaart van 1770 maar in feite is de stad in de 15de eeuw van Gravin Maria van Loon (van het vroegere Graafschap Loon). Zij trouwt in 1440 met Jan IV van Nassau en daarmee belandt de stad even later in het bezit van het huis Oranje-Nassau en dat blijft zo tot aan de Franse revolutie in 1795. Prins Filips Willem, de oudste zoon van Willem van Oranje ligt begraven in de Sint-Sulpitiuskerk en koning Willem-Alexander der Nederlanden is nog altijd Baron van Diest dus misschien zijn er nog wel Diestenaars die terug naar Nederland willen in deze politiek onzekere tijden?

Heel leuk voor de stad moet die Nederlandse tijd niet geweest zijn. In 1572 wordt ze met geweld ingenomen door Willem van Oranje maar die wordt nog hetzelfde jaar verdreven door de Spaanse bevelhebber Don Frederik. Een grote halve eeuw later – in 1635 – doen Frankrijk en de Republiek der Verenigde Nederlanden een mislukte poging om met de bezetting van Diest de Zuidelijke Nederlanden onder elkaar te verdelen en in het begin van de 18de eeuw krijgt de stad nog Franse, Noord-Nederlandse en Spaanse troepen over zich heen.
Daarna is het onder de Oostenrijkers in de 18de eeuw een stuk rustiger maar de Habsburgse monarchie is in Diest niet populair, onder meer door haar onderdrukking van het Katholicisme. De Fransen worden in 1792 als bevrijders gezien maar dat draait nog slechter uit. In 1798 breekt de Boerenkrijg uit maar het boerenleger wordt verpletterend verslagen hoewel een deel ervan kan ontsnappen over de Demer. Die van Diest zijn nog altijd trots op die ontsnapping maar het stadje wordt door de Fransen voor de gelegenheid nog maar eens flink geplunderd.

Maar blijkbaar breekt daarna de vrede toch aan en het feit dat je in Diest zoveel meer erfgoedgebouwen aantreft dan in Aarschot ligt ongetwijfeld aan het feit dat de stad – ondanks haar strategische ligging en grote verdedigingswerken – de Eerste en Tweede Wereldoorlog blijkbaar tamelijk ongeschonden heeft weten door te komen. Die 19de eeuwse vestingwerken waren bij de aanvang van Wereldoorlog I blijkbaar al volledig verouderd en daardoor zo militair nutteloos dat het geen zin had om ze te bombarderen. Wel is er een groot deel er van afgebroken maar dat is een ander verhaal.

Diest en de Demer. Net zoals andere Vlaamse en Nederlandse steden heeft de stad zijn historische welvaart aan de rivier te danken en dat in onze tijd beloond door er een altijd maar weer overstromend riool van te maken en dat onder de grond te verbergen. In welke mate Diest in het verleden doorsneden werd met kanalen kan je ongetwijfeld op oude kaarten zien (op de Ferrariskaart zie ik nog op drie plaatsen grachten) maar stuk voor stuk zijn ze gedempt, ook al om plaats te maken voor koning auto. Tot op de topografische kaart van 1939 zie je het water echter nog door de stad lopen en zelfs op latere kaarten is er nog blauw te zien. Maar sinds 1960 is de Demer ter hoogte van de Zichemse en de Schaffensepoort van de stad afgesloten en stroomt al het water aan de noordkant rond de stad via de Zwarte Beek.
Op de kaart van 1989 is in de stad geen water meer te zien maar tegen die tijd moeten er toch al stemmen zijn opgegaan om te zeggen dat daarmee de stad haar ‘kloppend hart’ was kwijtgeraakt (tenzij je zoals de vorige generatie motorgeronk en verkeersdrukte als een bewijs van stadsgeklop beschouwt natuurlijk, met beeldspraak moet je soms een beetje oppassen). Ondertussen zijn we dertig jaar verder en ziet de toestand er al weer een beetje anders uit.

In september 2012 ging een gezamenlijk project tussen de stad Diest en de Vlaamse Milieumaatschappij (VMM) van start om in vier fasen de historische ‘oude’ Demer weer boven de grond te halen tussen de Saspoort, de Omer Vanaudenhovelaan, de Ezeldijkmolen, de Schaffensestraat, de Demerstraat, de Kaai, de Refugiestraat, het Spijker en de Zichemsepoort. In totaal gaat het om een afstand van 1,5 km en een bouwtijd van 4 jaar en op de bijgevoegde kaart zie je het tracé in blauw met een donkere lijn die de weg wijst voor de voetganger.
Op 4 september 2016 werd het nieuwe traject officieel ingehuldigd en het ziet er inderdaad indrukwekkend uit hoewel ik niet zeker ben dat alles al helemaal klaar is. Op veel plaatsen kan je vlak langs het water wandelen maar niet overal. In elk geval is het nog wachten op de restauratie van de stuw aan ‘de Grote Steunbeer’ voordat de echte Demer weer door de stad kan stromen want tot nu toe wordt de oude Demer gevoed vanuit de Begijnenbeek via een inlaat aan de Saspoort en ik begrijp dat dit in tijden van droogte soms een probleem is.

Zelfs de onvoorbereide bezoeker van Park Cerckel in Diest merkt op dat je je hier op een bijzondere plek bevindt. Hier vestigen zich in 1228 monniken van de orde van de Minderbroeders, een van de oudste kloostergemeenschappen van de stad zich aan de Demer. Hun klooster wordt in 1580 door de troepen van Willem van Oranje verwoest maar na drie jaar ballingschap terug opgebouwd. Zoals overal komt het einde wanneer de Fransen het klooster in 1795(?) openbaar voor afbraak verkopen en alleen de infirmerie en de rondboogpoort blijven bestaan.
In de 19de eeuw wordt Diest de grootste producent van bier in onze streken. Brouwersfamilie Pieck – later Cerckel – koopt rond 1880 de helft van het domein op en maakt er een mooie tuin van met een vijver met cascade, de prachtige smeedijzeren brug, de grot en een aantal merkwaardige bomen waaronder een zilverlinde die nu een stamomtrek heeft van bijna 5 meter.

De infirmerie wordt verbouwd tot tuinpaviljoen met orangerie. De brouwerij stopt – als laatste in Diest – in 1979. Het huis komt leeg te staan in 1990 en daarmee komt de site in dramatisch verval ondanks diverse beschermingsbesluiten als monument en aankoop door de stad.
Ik haal er even het erfgoeddossier bij: “Foto’s uit 1988 tonen aan hoe snel en hoe grondig het verval om zich heen heeft gegrepen. Het woonhuis en het tuinhuis-infirmerie-gebouw benaderen momenteel, ondanks beschermingsbesluiten en andere bezweringsrituelen, het stadium van niet meer te recupereren ruïnes; het fraaie ingangspaviljoen van de serre is herleid tot schroot en glasscherven; het enige tuinbeeld dat er in 1988 stond – vermoedelijk Hercules na afloop van zijn ‘eerste werk’ – is verdwenen; de houten vloer van de brug is grotendeels weggerot; de tuin wordt razendsnel gekoloniseerd door opslag (gewone esdoorn, boswilg, vlier; maar ook beuk, taxus…) en dreigt eerlang onder het bosdecreet te vallen; en de schilderachtig kronkelende Demer is al meer dan 40 jaar uit de stad verdwenen.”

Dat is dus ondertussen verleden tijd of toch bijna. Na een grondige renovatie wordt het park in april 2011 toegankelijk voor het publiek. In 2014 trekt de stad ook 772.954 euro uit voor de restauratie van het hospitaal, in 2019 steekt de Vlaamse overheid daar nog een half miljoen bij en zo te zien zijn de werken nog volop in voorbereiding of aan de gang. Wat de toekomstige bestemming van het gebouw is weet ik nog niet. Het park is prachtig gelegen langs de nieuwe Oude Demer en het is ook keurig verzorgd hoewel ook hier de aanwezigheid van druggebruikers zichtbaar is. Wel geef ik als tip mee om juist buiten het park een goed controleerbaar openbaar toilet te voorzien, al was het maar een pissein. Maar volgens mij zou dat bij alle parken zo moeten zijn.

Vanuit Park Cerckel volg je de Oude Demer ‘stroomopwaarts’ langs het AZ (Algemeen Ziekenhuis) naar de Verversgracht en dan via het vlonderpad naar de Schaffensestraat met de Ezeldijkmolen en het deftige herenhuis op nr.54. Daarna moet je even weg van de rivier om er dan via de Bogaardenstraat op terug te komen richting Saspoort waar de Oude Demer aansluit op de Begijnenbeek. Onderweg kom je opvallende zaken tegen zoals een alleenstaande fabriekstoren, een parkje met een eiland-vijver, reeksen nieuwe appartementen en hier en daar ook nog wel wat bouwterrein. Infoborden doen verslag van de gedane werken zoals het ruimen van slib, het graven van een nieuwe bedding met groene of betonnen wanden, het aanleggen van wandel- en fietspaden, de aanleg van een trap en het herstellen van historische elementen.

De Ezeldijkmolen in Vlaamse renaissancestijl is gebouwd 1553 in opdracht van de prins van Oranje als de opvolger van eerdere watermolens. Hij dankt zijn naam aan de ezels die vroeger op de dijk van de Demer de boten trokken of schors naar de molen moesten dragen om die te malen voor de leerlooierijen of huidevetters. Hij werkte tot 1946 en deed daarna dienst als sluis totdat de Oude Demer werd afgesloten. In september 2012 is het oude sluizencomplex herontdekt. Van de drie raderen is er nog één aanwezig en ook de binnen-installatie is er nog. In 1980 is hij grondig gerenoveerd tot feestzaal en vergaderruimte en vier jaar later verhuurd aan NV Ezeldijkmolen die in 2002 het gebouw ook kocht. Sinds 2003 is de molen beschermd als monument. Afgezien van een enkele keer op monumentendag is hij gesloten voor het publiek. Tot mijn verbazing staat het gebouw nu blijkbaar al een tijd leeg en wacht op een nieuwe bestemming. Mijn korte zoektocht op het internet naar het hoe en het waarom van deze leegstand levert helemaal niets (!) op, maar natuurlijk kan iedere Diestenaar er wel iets over vertellen (dank!).

Het witte Eclectisch herenhuis aan de Schaffensestraat nr.54 met zijn achtertuin naast het vlonderpad is sinds 2003 ook beschermd als monument. Het werd gebouwd in 1876 en dat zal ook de leeftijd zijn van de monumentale beuken in de tuin. De woning is onlangs gerestaureerd. Het rijke neoclassicistische interieur zou nog volledig bewaard zijn maar als je dat wil zien moet je contact opnemen met de makelaar die het gebouw te koop aanbiedt denk ik.

Het Diestse Sint Catharina Begijnhof wordt in 1253 gesticht door Arnold IV, heer van Diest als een klein stadje van lemen huisjes binnen de stad op goedkope slechte drassige gronden buiten het centrum aan de Begijnenbeek en met een eigen kerk in ijzerzandsteen. Over die oude tijd heb ik nog niet zoveel gegevens. Begijnen waren en zijn nog altijd geen kloosterlingen en in die tijd moeten de bewoners vooral vrouwen geweest zijn die zich op vrome wijze van de harde wereld wensten af te zonderen zonder zich echt onder de kerk te plaatsen. Blijkbaar behielden zij een grote mate van zelfstandigheid, bleven eigenaar van hun bezittingen en moesten blijven instaan voor hun eigen inkomen. Dat betekende dat ze veel contacten moesten hebben met de buitenwereld en daartoe bijvoorbeeld een aantal handelsactiviteiten uitoefenden en reizen ondernamen.

Maar de tijden veranderen en in 1538 krijgt het Diestse begijnhof Nicolaas van Essche (Esschius) als pastoor en die ziet al dat werelds gedoe als een uiting van te losse zeden, bijgeloof en verminderde godsvruchtigheid. Als volger van de Moderne Devotie en Ruusbroeck is hij een strever naar waarachtig en persoonlijke geloofsbeleving zonder enig uiterlijk vertoon en met grote nadruk op onthechting, gebed en verering van de Heilige Geest. Hij stelt nieuwe statuten op die hem meer gezag geven om wereldse wantoestanden in te perken, de handelsactiviteiten en bezoekers worden aan banden gelegd, de begijnen moeten verder in het hof blijven en hun kleed wordt grijs in plaats van zwart als teken van boete en inkeer.
Heftige protesten van de begijnen en de omwonenden tegen deze maatregelen raken tot bij de Diestse schepenbank en door de zware beschuldigingen tegen de pastoor komt zelfs de inquisitie er aan te pas. Uiteindelijk wordt pastoor Esschius van alle beschuldigingen vrijgesproken en vanaf dan verschilt het begijnhof nauwelijks nog van een echt besloten klooster. Op zijn aandrang treden in 1553 vijftien begijnen in bij de orde van de grauwzusters wat voor dat klooster leidt tot een heropleving.

Tegen die tijd zijn we zowat aangekomen in de tijd van de contrareformatie en in de 17de eeuw groeit en bloeit het Begijnhof als nooit tevoren. Omstreeks 1675 wonen er ongeveer 400 begijnen en zijn er vijf conventen, het H. Geestconvent (zeven begijnen), Calvariebergconvent (zeven begijnen), Engelenconvent (negen begijnen), Apostelenconvent (twaalf begijnen), Novitieconvent en een tachtigtal woningen. Daarna begint de aantrekkelijkheid af te nemen.
Zoals overal vormt de Franse revolutie een absoluut breekpunt op het vlak van de godsdienstbeleving. Het Begijnhof wordt niet verwoest zoals veel kloosters, waarschijnlijk omdat begijnen over voor die tijd uitstekende verpleegbekwaamheden beschikten, maar alle gebouwen worden aangeslagen door de staat in de vorm van ‘la Commission des Hospices Civils’, het later OCMW.

Aanvankelijk mogen de begijnen er blijven wonen maar in 1801 komen Napoleon en de Paus tot een concordaat dat een einde maakt aan de verwoestingen maar ook de wereldlijke macht van de katholieke kerk ferm inperkt. Daartegen ontstaat een verzetsbeweging onder de leiding van priester Cornelis Stevens, vicaris-generaal van het bisdom Namen die terug wil naar de kerk van voor de revolutie. Deze beweging krijgt veel volgelingen in het Begijnhof van Diest. Maar omdat zowel de Keizer als de Paus er niet van moeten weten worden in 1813 de begijnen uit hun Begijnhof gezet. Onder de protestantse koning Willem I mogen ze terugkeren maar in de 19de eeuw is hun tijd voorbij en het Begijnhof raakt in verval.
Pastoor Esschius brengt rond 1550 niet alleen zijn begijnen onder controle maar laat ook de lemen huisjes afbreken en het geheel opnieuw netjes geordend aanleggen met kerk, plein en infirmerie als middelpunt. De woningen en conventen worden de een na de ander herbouwd in bak- en zandsteen en met verwerking van de streekeigen Hagelandse ijzerzandsteen.

Een openbare straat wordt afgesloten en hij bouwt een muur langs de Vestenstraat en een pastorie buiten de poort.
De huizen die je er nu ziet dateren echter meestal uit de bloeitijd in de 17de en 18de eeuw. In die periode telde het begijnhof tot 600 bewoners, zowel begijnen, novicen, inwonende kinderen en dienstpersoneel. De gebouwen krijgen muurankers, gesinterde bakstenen, opschriften, fraaie barokke deuren met rijk versierde nissen met heiligenbeeldjes.
De barokke ingangspoort aan de Begijnenstraat wordt gebouwd in 1671 en draagt het opschrift ‘besloten hof/comt in mijnen hof/myn suster bruyt’. Dit is een zin uit het Hooglied in het Oude Testament waarin koning Salomon de bruid bezingt als een omsloten hof, voor de begijnen een metafoor voor hun besloten geestelijk leven.

De hofjes staan voor hen symbool voor de verborgen paradijstuin waarin zij spiritueel in contact staan met God. Aan de binnenzijde van de poort staat het beeld van Sint Catharina van Alexandrië, patrones van het Begijnhof.
Volgens het erfgoeddossier straalt de poort de triomf, gulheid en overdaad van de zegevierende kerk uit maar heel stilletjes vraag ik mij af of de op soberheid, boete en inkeer gerichte pastoor Esschius een eeuw eerder deze overdaad ook zou hebben geapprecieerd.
Tijdens de Franse bezetting gaat de kerk dicht en daarna blijft de begijnengemeenschap slechts moeizaam bestaan. In de 19de eeuw komen er alsmaar meer niet-religieuze bewoners en vanaf 1926 zijn er geen begijnen meer.
Sinds 1938 en 1939 is het als monument beschermd en sinds 1998 is het samen met 12 andere begijnhoven erkend als UNESCO-Werelderfgoed. En omdat de tijden altijd veranderen is het van een besloten hemelgericht hof herbestemd als een open op de wereld afgestemde ruimte.

De infirmerie is omgevormd tot een cultureel centrum met vergaderzalen en tentoonstellingsruimten. In de huizen wonen vooral senioren maar sommige zijn als kunstatelier in gebruik. Er is een kantschool, het Engelenconvent is ingericht als een museum en – heel eigentijds – is het Convent van de Heilige Geest veranderd in een taverne. In het huis ‘Xaverius’ bevindt zich het Vlaams Centrum voor Eet- en Tafelcultuur met kruidtuin, culinair museum en bibliotheek.
Om ondanks al die wereldlijkheid pastoor Esschius te eren is in het poortgebouw een kunstgalerij met zijn naam ondergebracht. Over de kerk beloof ik in de toekomst nog een bijdrage maar ik ben er nog niet binnen geweest en achter de gesloten deuren loert een dreigend alarm. Tip: mag deze kerk niet ook deel worden van de ‘Open Kerken’?
Binnenkort keer ik terug naar Diest om ook de kerken en de citadel eens van binnen te bezoeken. Wie meer wil weten over de Vestingwerken, de Halve Maan, de Lindenmolen en de Webbekom kan ook al eens kijkje nemen in de hoofdstukken die over die onderwerpen gaan in dit digitale boek ‘op stap in het land van de Dijle en de Demer’ (zie de link bij de bronvermeldingen).

+++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++
https://www.vmm.be/water/beheer-waterlopen/projecten/heropening-van-de-demer-in-diest
https://www.toerismediest.be/cat-018/cultuur/erfgoed/
https://inventaris.onroerenderfgoed.be/themas/13542

https://www.staddiest.be/park-cerckel.html
https://www.hln.be/in-de-buurt/diest/infirmerie-park-cerckel-eindelijk-gered~a6170685/
https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/134476 (een zeer uitgebreide beschrijving maar wel van voor de restauratie)
https://www.monumentaltrees.com/nl/bel/vlaamsbrabant/diest/13758_parkcerckel/
https://www.toerismediest.be/detail-053/ezeldijkmolen/
https://www.molenechos.org/molen.php?nummer=968

https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/200060
https://www.immoweb.be/fr/imprimer/8546919
https://www.luxevastgoed.be/nl/pand/19100155887/prachtig-gerestaureerd-pand-te-diest
https://www.toerismevlaamsbrabant.be/producten/bezoeken/bezienswaardigheden/begijnhof-diest/

https://www.toerismediest.be/detail-016/begijnhof-werelderfgoed/
https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/121558
https://www.onroerenderfgoed.be/blog/de-begijnhofkerk-diest
https://opstapinhetlandvandedijleendedemer.home.blog/?s=diest

Trefwoorden: diest, demer, erfgoed, geschiedenis, oranje, begijnhof, esschius, park cerckel, ezeldijkmolen, herenhuis,

Waar en algemene situering
Het kasteeldomein van Meldert, tegenwoordig nog dikwijls prozaïsch betiteld als ‘Meldertbos’ vind je langs de Molenbeek vlak ten zuiden van het schilderachtige dorp Meldert ten westen van Hoegaarden. Je komt er vanuit Leuven snel via Beauvechain of Bierbeek. Het is in alle seizoenen een toplocatie voor het verkennen en fotograferen van natuur en erfgoed. Op de topografische kaart van 1939 zie je dat de bron van dat beekje even buiten en ten westen van het bos ligt in het gehucht met de wel erg deftige naam ‘Keulen’. Op de honderd jaar oudere kaart Vandermaelen (1846) staat de naam van de beek er op: ‘Source de Molenbeek’. Van hier stroomt het water naar het noordoosten richting Meldert (Maillard) Jordaan en China om dan via Hoksum (Hoxem) uiteindelijk met de naam ‘Mene’ in Tienen aan te komen.

Geschiedenis
De Franse naam voor Meldert was vroeger Maillard en dat was ook de naam van het kasteeldomein: Chateau de Maillard. Vanaf de vroege middeleeuwen tot aan het einde van het ancien régime is Meldert een leen van de hertog van Brabant, in het bezit van de ridders van Meldert die voor het eerst in 1279 worden vermeld. In de 14de eeuw zetelen de ridders in de nog bestaande donjon langs de kerkstraat in het dorpscentrum. In 1572 maken geschreven bronnen voor het eerst melding van het kasteel van Meldert maar er kan ook vroeger al een burcht hebben gestaan. In het erfgoeddossier lees ik dat na een brand in 1586 700 meter zuidelijker op een hoger gelegen plaats een nieuw kasteel wordt gebouwd. Volgens kaartboeken van de Abdij van Park en die van Averbode gaat het om een gesloten complex met twee binnenplaatsen en twee torens bewoond door de adellijke familie van Montenaken d’Oyenbrugghe. Op kaarten aan het einde van de 18de eeuw zoals de Ferrariskaart en de eerste kadasterkaarten zie je aan de noordwestkant van het kasteel een eilandachtige moes- en siertuin met een omvang van 28 are met een padenkruis er in en omringd door een gracht of vijver. Rond het kasteel staat ook een vier hectare grote boomgaard en de rest van het huidige park bestaat dan uit weiden, hooilanden, akkers en bos.

Rond 1830 staat het landgoed op naam van Charles-Ferdinand-Joseph d’Oultremont (1789-1852), voormalig ceremoniemeester aan het hof van koning Willem I. Deze deftige heer dankt zijn eigenaarschap aan zijn huwelijk met gravin Louise-Joséphine vander Noot de Duras, weduwe van prins Louis-Lamoral de Ligne en erfgename van de laatste feodale herenfamilie van Meldert. Onderschat deze dame maar niet want alleen al in Meldert bezit de gravin in die tijd 80 hectare grond ofwel één tiende van heel het gemeentelijk grondgebied. Maar al dat grondgebied vormde geen aangesloten blok rond het kasteel en vooral de boeren van het gehucht Keulen waren aanvankelijk niet gemakkelijk bereid om hun hooilanden op het toekomstig park zonder slag of stoot op te geven. Ook de dreef die later de toegang tot het kasteel vanuit Meldert zal worden is dan nog een openbare weg. Er moet zelf een lang proces over ruilverkavelingsachtige eigendomsrechten gevoerd zijn dat aansleepte van 1767 tot 1820.

In 1845 laat de gravin het oude kasteel – misschien na een brand maar dat is niet zeker – voor het grootste deel afbreken om het te vervangen door het huidige neogotische landhuis. Georiënteerd van noord naar zuid bestaat het uit een geheel in gobertange rechthoekig volume met twee bouwlagen onder een zadeldak van natuurleien. Het flamboyante en op schilderachtigheid gericht ontwerp komt oorspronkelijk van architect Auguste Vivroux en zijn zoon Jules. Het erfgoeddossier bevat een uitvoerige beschrijving van de verschillende ontwerpen en wat men er in die tijd uiteindelijk van gemaakt heeft. Wat mij daarbij sterk is opgevallen is dat de hoofdingang duidelijk aan de voorkant is waar je nu de school binnengaat maar dat ook de parkgevel met zijn terassen, balkons en opengewerkte bogengaanderij eveneens het karakter van een voorgevel uitstraalt met uitzicht over de hoofddreef vanuit Meldert-dorp. In augustus 1877 brandt het kasteel bijna tot een ruïne af. De wederopbouw in opdracht van kasteelheer Adrien d’Oultremont de Duras duurt tot 1782 en versterkt aanzienlijk het hoog oprijzende karakter van het gebouw met een hoog zadeldak geflankeerd door twee vooruitspringende torentjes en met zijn vierkante donjon-uitzichtstoren met elementen uit de middeleeuwse vestingarchitectuur zoals spietorentjes op de hoeken en schietgaten. Ga aan de achterkant van het kasteel het trapje op en kijk eens naar de wapenschilden boven de poort. Dat met de vijf schelpen behoort toe aan gravin Van der Noot. Aan de leeuw zie je dat deze adellijke familie verbonden is met het Hertogdom Brabant

Andere gebouwen: Wagenhuis en kapel (de voormalige orangerie)
Behalve het kasteel zelf staan er op het huidige schoolplein nog een aantal merkwaardige gebouwen. Het bakstenen wagenhuis met stallingen en de personeelswoning staat tegenover het kasteel. Je herkent het aan de klok en aan de ‘lisenen’, dat zijn de verticale stroken die uitspringen op de muren. Anders dan steunberen hebben ze alleen een decoratieve functie, namelijk om de muur in vlakken te verdelen.
Een heel bijzonder gebouw is de voormalige orangerie. Hij is in 1867 gebouwd op een ontwerp van Henrik Beyaert. Neem het erfgoeddossier er even bij en dan zie je dat het “eenlaagse bakstenen constructie … is … in ‘zebrastijl’ (regelmatige afwisseling ban lagen bak- en zandsteen) onder een scherp zadeldak met neogotische dakkapellen, een hoge ronde toren met schietgaten, steunberen met pinakels, een trapgevel aan de noordzijde, maaswerk en een tweebeukige binnenruimte met graatgewelven. Fraaie architectuur, maar als orangerie, winterbewaarplaats voor vorstgevoelige planten totaal ongeschikt”. De vijfhoge steekboogdeuren met smeedijzeren hekwerk kijken nu uit op het sportplein met toestellen en vuilbakken maar in die tijd was daar een ommuurde moestuin met serres en een waterbekken.

Aanleg van het park
Het erfgoeddossier geeft een zeer uitgebreide en boeiende beschrijving van de verschillende landschapsstijlen die door de eeuwen toegepast zijn om het park van 50 hectare vorm te geven en vooral dan de aanleg van het romantisch-pittoresque ‘Rivierlandschap’ met eiland en cascade onmiddellijk 1845, de bouw van een orangerie in 1867 en na een bewonerswissel in 1910 de aanleg van een schilderachtig-functionele strakke tuin als ‘weerspiegeling van de gang des levens’ maar ook van de sportieve genoegens van de kasteelheer door tuinarchitect Louis Van der Swaelmen jr. in 1910 met zwembad, een golf, tennisbaan, moestuin, bloemenweide, rozentuin en een ‘naar modernisme zwemende’ parterre.
Om de gronden om het huidige park aan te leggen, lijft de familie d’Oultremont tussen 1845 en 1850 zo’n 1800 meter openbare weg in bij het domein en laat zij het grootste gedeelte van het plaatselijke gehucht Keulen afbreken, met name een tiental woningen met tuintjes van dagloners. Het totale grondbezit van de familie in Meldert zal in de loop van de 19de eeuw meer dan verdubbelen. Het is nooit helemaal duidelijk geworden welke pressiemiddelen werden gebruikt om de dorpelingen te overhalen om hun goederen aan de adellijke familie af te staan maar vermoedelijk waren de dorpelingen gewoon niet opgewassen tegen de adellijke overmacht.

Om het erfgoeddossier te citeren: “Op de stafkaart van 1864 beslaat het landgoed ‘Maillard’ – de tuinen en het park rond het pas gebouwde kasteel van Meldert – ongeveer de hele ruimte tussen de Waverse steenweg, de Bosbergstraat, de Meerstraat en de Keulenstraat (huidige straatnamen). De uitbouw van een esthetisch-landschappelijk ‘cordon sanitaire’, het zich opsluiten in arcadische coulissenlandschappen, de ruimtelijke scheiding die ook de uitdrukking is van de groeiende afstand tussen de sociale klassen in de loop van de 19de eeuw, worden vooral vanaf 1850 bepalend voor de aanleg of heraanleg van landgoederen. De overdrachten werden door het kadaster droogweg als verkoop geregistreerd, maar we hebben er het raden aan welke pressie- of lokmiddelen graaf d’Oultremont gebruikte om tien huisgezinnen ertoe te brengen in volle landbouwcrisis bijna gelijktijdig hun eigendom af te staan.”

In 1898 overlijdt Adrien d’Oultremont en zijn erfopvolgers stellen het kasteeldomein te huur. Voor de volledigheid geef ik mee dat het voor zijn dood ook al eens even verhuurd wordt, van 1888 tot 1990 wordt het bewoond door Henry Shelton Sanford, Amerikaans ambassadeur in ons land.
Ridder de Schouteete de Tervarent wordt huurder, in 1905 opgevolgd door burggraaf August de Lantsheere met zijn echtgenote Jeanne de Bayens en hun vier dochters. In de 25 jaar dat hij burgemeester van Meldert is doet hij volgens het erfgoeddossier alsof het van hem is en dat levert voor die tijd zeer moderne zaken op: “Hij rustte het kasteel uit met waterleiding, centrale verwarming en acetyleenverlichting” en laat het park moderniseren: “in 1911 werd een gedeelte van het landgoed heraangelegd naar ontwerp van de bekende stedenbouwkundige en tuinarchitect Louis-Martin Van der Swaelmen (1883-1929). Zoon van een beroemd vader is deze jonggestorven landschapsspecialist een heftig tegenstander van de romantische tuin als ‘leugenachtige’ natuurbeleving en pleitbezorger voor “de regelmatige, geordende, ‘moderne, Engelsche’ tuin, waarin (huishoudelijke) doelmatigheid wordt gekoppeld aan het ‘schilderachtige’ van de natuur zelf als leverancier van ontelbare ‘biologische associaties’ en ‘met bloemen bestarde grasperken’”.

De in deze opvatting aangelegde tuinen dienden bij te dragen tot de bescherming en de verrijking van de natuur en van het natuurlijke landschap. In Meldert kon hij zich volledig uitleven in de aanleg van een op het kasteel aanluitende tuin met stenen terrassen die met trappen verbonden zijn met gazons, bloemenperken, struiken, bosmassieven, hagen, lanen en dat alles met een mooi uitzicht. Zoals je vandaag de dag nog kan zien concentreert zijn ontwerp zich op de onmiddellijke omgeving van het kasteel. Alles ten noorden van de vijvers heeft hij onaangeroerd gelaten en blijkbaar heeft hij ook geen gevolg gegeven aan ambities om de natuur rechtstreeks te verrijken met plantensoorten waarmee Natuurpunt honderd jaar later wellicht wel blij zou zijn geweest: “in de floristische opnamen uit de jaren 1980 van de meer bosachtige gedeelten van het domein, is … geen spoor merkbaar van verrijking met meer spectaculaire soorten knol- en bosgeofyten als narcis, wilde hyacint of herfsttijloos.”
Voor een uitvoeriger lyrische beschrijving en duiding van Van der Swaelmens werk en opvattingen en de toepassing daarvan in Meldert verwijs ik opnieuw naar het erfgoeddossier. Hijzelf noemde de tuin een weerspiegeling van ‘de gang des levens’ maar als eigentijds toeschouwer kan ik niet terugvinden hoe dat er dan moet hebben uitgezien.

De terrassen rond het kasteel zijn er nog altijd en worden zo te zien ook onderhouden maar heel boeiend vind ik de daar groeiende bestruiking niet en aantrekkelijke bloemperken heb ik er eigenlijk nooit opgemerkt (ik heb er toch geen foto’s van). Natuurlijk is het wel zo dat het schoolplein en aangrenzend sportterrein voor de hoofdpoort dat gedeelte van de tuin heeft weggevaagd, ook al omdat er aan de zijkant ook nog een modern en vreugdeloos schoolgebouw is neergezet. Vanuit de lucht is het vroegere patroon van lanen (‘landingsbanen’) tussen aangelegde bospartijen van coniferen aan de tuinzijde van het kasteel nog vaag zichtbaar maar op de grond zie je er niets meer van. Wel vind ik dat het dat het goed zichtbaar en vrij maken van het kasteel vanaf de kant van Meldert door het op een ‘sokkel’ van trappen en terrassen te plaatsen erg goed gelukt is. En vanuit het kasteel heb je uiteraard dus ook een riant uitzicht over het daarachter gelegen domein.

Verval en de tijd van de Aalmoezeniers
Ik haal er opnieuw het erfgoeddossier bij: “De renovatie van het kasteel en de heraanleg van het park waren nauwelijks voltooid toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak. Het kasteel werd geplunderd en bewoond door Duitse troepen; sommige vertrekken op de benedenverdieping werden zelfs als paardenstal gebruikt. Na de oorlog werd het landgoed opgeknapt, maar in 1932 overleed Auguste de Lantsheere.” Zijn echtgenote woonde er tot in 1940 maar toen werd het huurcontract door de familie de Lantsheere opgezegd. Tijdens de Tweede Wereldoorlog heeft het kasteel opnieuw zwaar te lijden onder de Duitse bezetting. In de barre winter van 1944-’45 zijn er Amerikaanse militairen ingekwartierd. Van het oorspronkelijke neogothische meubilair is nauwelijks nog iets overgebleven.
Op initiatief van de stichting AEP (Aide aux Enfants de la Patrie) dient het kasteel na de oorlog als opvang voor jeugdige oorlogsslachtoffers. In die tijd heet het ‘Home Beauduin’, een benaming die ik als ‘Prins Boudewijnhome’ terugvindt tot op de topografische kaart van 1969. Een lezer meldt dat er ook nog een kokschool geweest moet zijn. In die tijd is het oorspronkelijk patrimonium van gebouw opnieuw ferm aangetast door allerlei aanpassingen.

In 1957 wordt deze wat droevige periode afgesloten doordat barones Rosalie de Beeckman, afstammeling van de familie d’Oultremont het kasteel en een derde deel van het park verkoopt aan de Aalmoezeniers van de Arbeid. Dit is een katholieke congregatie die in 1894 in Seraing wordt opgericht door de Vlaamse pater Theofiel Reyn om on de slogan ‘Gerechtigheid en Liefdadigheid’ vakonderwijs te geven aan de kansarme jeugd en het apostolaat te verspreiden onder de arbeiders. Zijn doel is om de wantoestanden in de fabrieken aan te pakken door het zelfrespect van de arbeidersklasse te versterken zonder dat het moest komen tot een gewelddadige klassenstrijd. In de periode voor de Tweede Wereldoorlog kent de orde – ondanks af en toe voorkomende spanningen met de officiële kerk vanwege het ‘linkse’ karakter – een opmerkelijk succes met de vestiging van vakscholen – ook als internaat- scholen in beide landsgedeelten. Sommige van die scholen bestaan nog altijd en er bestaat een omvangrijke samenwerking op het vlak van sociaal werk met jeugdbewegingen zoals de Katholieke Arbeiders Jeugd (KAJ). Na de oorlog zijn uiteraard de verhoudingen ferm gewijzigd en ik lees niets over de oprichting van nieuwe scholen na die tijd met uitzondering van het Sint Jans College in Meldert. De orde is heel lang tweetalig gebleven, heeft zich altijd ver verwijderd gehouden van de taalstrijd en richt zich tegenwoordig ook op de internationale solidariteit (asielzoekers) en de verdraagzaamheid tussen culturen en religies.

Het College is een school met internaat voor meisjes en sinds ettelijke jaren ook voor jongens met lagere en hogere humaniora en op de website kan je alles vinden over deze spannende school behalve hoeveel leerlingen er vandaag de dag zijn maar het zijn er zeker enkele honderden. Als je hier in de week komt is het soms bijzonder druk maar op zaterdagen zondagen is er niemand te zien.
In het erfgoeddossier lees ik dat deze overname de redding geweest is van het kasteel ondanks het feit dat de orangerie werd omgebouwd tot kapel en het wagenhuis ferm vergroot is. De open delen van het park werden beplant met ondertussen alweer verdwenen canadapopulieren en het voorhof verdween onder asfalt met alleen nog een groene rotonde vlak voor de voordeur. Grote sportvelden hebben de ommuurde snijbloemen- en moestuin van vroeger vervangen. Toch is het enige wat ik echt architectonisch storend vind, het in 1959 neergezette 65 meter lang moderne blokkige en enigszins sombere appartementsgebouw met de klaslokalen. Een zo fiere locatie verdient de inzet van een architect met wat meer verbeelding en aandacht voor het verleden. Maar gezien de leeftijd van het bouwwerk zijn er misschien wel plannen in de richting?

Het kasteel is samen met de kapel en het wagenhuis minutieus gerestaureerd en staat te blinken met al zijn witte gobertange muren en torens. Op schooldagen bruist het van leven op het nogal kale schoolterrein, maar buiten de werkuren staat het zwijgend te pronken en kijkt uit over het schitterende park dat na zoveel jaren verwaarlozing weer eigentijds tot leven wordt gebracht door Natuurpunt. Wat ik mij wel afvraag of en in welke mate de leerlingen betrokken worden bij het beheer van het mooie natuurpark achter hun school. Ik krijg altijd een beetje de indruk dat ze er misschien zelfs niet mogen komen en zeker niet zonder begeleiding. Op de website van de school vind ik geen enkel natuurgericht project of thema. In de buurt van het zwembad heb ik één keer een geboeid groepje scholieren met begeleiders aangetroffen maar dat is alles tot nu toe. Dat vind ik wel weinig in deze tijd waarin overal geprobeerd wordt om jonge mensen opnieuw het belang van natuur en natuurwaarden proberen te laten ontdekken. Maar misschien heb ik het mis?

De weg naar bescherming en herwaardering
In 1993 zijn het kasteel, de dienstvleugel en het tuinpaviljoen en het zwembad met kleedhokje beschermd als monument. Het parkgebied is na een paar grondige cultureel-historische onderzoeken zo’n tien jaar later erkend als natuurreservaat en aangeduid als Europees Habitatgebied onder het beheer van een goedgekeurd natuurbeheerplan. Het geheel is samen met de dorpskern van Meldert beschermd als dorpsgezicht en opgenomen in de Atlas van de Landschappen. En zeker niet het minst belangrijk: het eens gesloten privé-domein is toegankelijk gemaakt voor de wandelaar/natuurliefhebber op voorwaarde dat die zich aan de paden houdt en de natuur niet verstoort.
Toen ik hier zo’n vijftien jaar geleden werd rondgeleid door de fiere conservator van Natuurpunt dat in 2002/3 de eigendom en het beheer van het park (niet van het kasteel met directe omgeving) had overgenomen, viel ik heftig ten prooi aan tegenstrijdige gevoelens bij het zien van de totale boswildernis met drooggevallen vijvers, onherkenbare oprijlanen, een vervallen zwembad, kapotte trappen, talloze dode bomen en overal bramen in plaats van bloemen en riet waar er vroeger gazons waren. Ik denk dat in die tijd ook Natuurpunt nog niet zo goed wist wat ze met het nieuwverworven bezit wilden en konden aanvangen. Sindsdien ben ik al een paar keer teruggegaan en het is duidelijk dat op dit domein geprobeerd wordt om topnatuurwaarden en cultuurhistorische elementen met elkaar te verzoenen.

Op de erfgoeddag van 22 april 2018 mocht het groot publiek voor de eerste keer een kijkje nemen naar de verwezenlijkingen van het Erfgoedbeheerplan opgesteld door Natuurpunt in samenwerking met de Aalmoezeniers van de Arbeid en de directie van het Sint Jans College. Op dat ogenblik was de restauratie van kasteel en de orangerie al flink gevorderd.
Na een eerste concentratie op het toegankelijk maken van het bosgedeelte is in het najaar van 2017 het oude parklandschap terug hersteld zodat je van de oprijlaan vanaf de kerk van Meldert het kasteel weer kan zien en de oude bloemrijke graslanden opnieuw in goede staat zijn. Om dat te bereiken zijn onder meer heel wat recent geplante dikke populieren weggehaald. De lagergelegen gronden rond de dichtst bij het kasteel gelegen vijver – in feite de bodem van wat eens een vijver was – wil Natuurpunt ontwikkelen tot bloemrijke hooilanden met kalkmoeras met ook zeldzame tufbronnen.
Over die bronnen moet ik ooit nog eens iets meer te weten komen want uit de literatuur maak ik op dat ‘tuf’ een kalkachtige stenige afzetting is van as die ooit door een vulkaan werd uitgestoten. Dat ‘ooit’ moet toch al wel even geleden zijn denk ik dan.

Hierna overloop ik de verschillende delen van het park.
Toegangshek en kasteeldreef
Er is heel hard gewerkt maar het toegangshek aan de kant van het dorp is dan wel opengezet maar kreunt nog altijd onder zijn eigen roestig gewicht. Het is wel gedemocratiseerd want af en toe hangt er een spandoek aan om de Meldertse kermis aan te kondigen. Het hek is nu de achteringang maar ooit was het de hoofdingang naar de toegangsdreef tot het bordes van het kasteel. Je zou er nog altijd met je koets wel langs kunnen maar aan het einde moet je dan wel de verweerde en bemoste trappen op om aan de ingang, nu de achterzijde van het kasteel te komen. Langs de dreef staan geen typische laanbomen maar ik begrijp dat die er vroeger ook niet waren.

De twee vijvers en de cascade
De twee langwerpige vijvers op het kasteeldomein van Meldert zie ik voor het eerst op de topografische kaart van 1873. Ze zijn dan iets meer dan 20 jaar eerder aangelegd door de uitgraving van enkele komgronden en door opstuwing van de Molenbeek. In het begin van de twintigste eeuw moet er over of aan de grote vijver een soort aanlegsteiger geweest zijn maar daar is niets meer van te zien. De ‘cascade’ ofwel de uit kwartsietblokken opgebouwde dam tussen de beide vijvers zie je niet op die kaart maar hij is er dan al wel. Je ziet wel dat in de noordelijke kleinere vijver een groot eiland is gemaakt. Op de kaart van 1939 staat er nog water in maar op die van 1969 is alleen de drooggevallen vorm nog te zien en zo is dat gebleven totdat Natuurpunt in 2017 in het kader van een Europees Life project de onderste vijver opnieuw heeft opengemaakt en met de hulp van zandzakken het water weer is beginnen opstuwen. Het eiland is ook weer mooi zichtbaar en zelfs op een mistige winterdag zie je dat de aangeplante lindebomen al flink groot geworden zijn. vanaf het wankele bruggetje word ik luidruchtig aangekwaakt door een koppel canada-ganzen en een groepje eenden.

Reigers hebben de vijver ook al lang gevonden. Weet iemand of die hier al broeden? In het voorjaar staat de vijver vol met gele lissen en andere planten waarvan ik de naam niet weet. Kikkers kwaken dat het een aard heeft.Het is de moeite om ook even een kijkje te nemen aan de indrukwekkende metselwerken stroomafwaarts in de beek.
Op de grote vijver staat het riet manshoog maar ook het water is alweer wat gestegen en op de overgang naar de kleine vijver is de vroegere artistieke betonnen ‘cascade’ ferm versterkt met een stapel zandzakken om het water tegen te houden. Tussen de brokstukken tonen de tongvarens onbekommerd hun altijd groene bladeren. Wie op zoek is naar een portie pure romantische nostalgie kan zijn of haar hart ophalen in deze opstapeling van oude stenen maar je moet wel voorzichtig zijn om er niet op zeer prozaïsche wijze uit te glijden en op je achterste ertussen te belanden want dat zou kunnen tegenvallen.

Graslanden en het golfterrein
In de tijd van Van der Swaelmen had je vanaf het kasteelterras een idyllisch zicht op “groote weiden naar Engelschen trant, omringd door witgeverfde houten hekken … waartussen … de koeien … grazen, die zoozeer leven en kleur aan het landschap verleenen”. De koeien en de hekken zijn verdwenen maar het leven en de kleur is teruggekomen sinds in 2005 Natuurpunt de populieren heeft geveld en verwijderd. In 2005 zijn de vroegere gazons en het golfterrein ontdaan van de populieren. Van dat golfterrein(“pelousse de jeux” met 9 holes) zie je tussen de coniferen alleen nog iets dat misschien vroeger een ‘green’ was, de plek waar golfers hun bal in het gaatje moeten zien te droppen. Is er nog wel iemand bij Natuurpunt die het edele golfspel beoefent?

In het kader van het Europees project Life Hageland zijn de graslanden hersteld en opnieuw ingericht om het zicht op het kasteel vanaf de dreef verder te openen en het domein zijn karakter van Engels landschapspark van grote natuurwaarde terug te geven. Midden in de winter staat op het grote grasveld zowaar een Slanke sleutelbloem in bloei. In het voorjaar verschijnen de dotterbloemen, gevolgd door de ratelaars, margrieten, echte koekoeksbloemen en pinksterbloemen. Na het bloeiseizoen begint het hooien en ziet alles er weer even als een gazon uit, maar niet voor lang want de natuur begint altijd opnieuw. Terwijl ik er ben staan er enkele bezoekers met grote kijkers naar vogels te turen en blaft er tussen de bomen een zeer verontwaardigde reebok.
Het zwembad en kleedhokje
Het zwembad met betonnen rand is volgens sommigen het oudste openluchtzwembad van ons land. Het werd aangelegd in 1910 in een tijd dat zwemmen in de open lucht vast nog niet door het gewone bijbel-gehoorzame Hoegaardse boerenvolk in het openbaar gedaan werd.

Volgens het erfgoeddossier is het nog in restaureerbare staat maar die bestemming zit er niet meer in. Het wufte bijbehorend betonnen kleedhokje met puntdak en versierd met boommotieven in rustiek cement is door Natuurpunt weer mooi zichtbaar gemaakt en binnenin kan je je laten verrassen door een wegvluchtende eekhoorn, wegdromen op het bankje of proberen de ijsvogel te spotten. Het trapje naar het bad – nu een poel voor amfibieën – is er ook nog maar daar waag je je beter niet op denk ik. Probeer ook maar niet om op die schuine rand te stappen want onder het mos verbergt zich bikkelhard en spekglad beton en je ligt in het water voordat je het weet en dan zou je kunnen kennis maken met een ringslang die het niet leuk vindt dat je zijn of haar winterslaap verstoort.

Ringslangen kunnen goed zwemmen en zijn volstrekt ongevaarlijk. Ze zijn heel zeldzaam en Natuurpunt legt al jaren broedhopen in Meldertbos aan omdat ze hier blijkbaar goed gedijen. In de winter kan je ook op de dam (“barrage avec Iris et plantes aquatiques”) komen en even daarachter een kijkje in het bos kan nemen (maar niet te ver want dan zit je in de modder). Achter het badhokje zie je het beekje die het zwembad van water voorziet en dan stroomafwaarts verder gaat naar de vijvers
Sportterrein (gymnase) en de tennisbaan
Het aan het zwembad aansluitend door haagbeukenhagen afgeschermd ‘gymnase’ – een sportterreintje dat vermoedelijk werd gebruikt om te zonnebaden – heb ik nog niet teruggevonden. Maar het ‘met palissades van leilinden afgebakend, licht verzonken tennisveld in spiegelvorm met lunetachtige uitstulpingen’ vind je nog wel in de wildernis van bomen maar alleen als je iets weet van lindes, bijvoorbeeld dat je die ook in de winter kan herkennen aan hun wortelopslag, en als iemand je vertelt dat de baan met deze bomen is afgezoomd en dus een rechthoekig parkoers volgen.

De meeste lindes staan er nog maar de baan zelf ligt vol met dode bomen van allerlei soorten en als je daar goed zoekt vind je in het midden van de winter de Rode kelkzwammetjes (Sarcoscypha coccinea) in bloei wat bijzonder merkwaardig is op deze uitermate verstoorde bodem. Ze groeien bijna altijd op het dode hout maar ik heb gezien dat ze in Meldertbos ook hier en daar op de bosbodem groeien dus wees graag heel voorzichtig want ze zijn heel zeldzaam en houden niet van betreding, zelfs niet door topfotografen en natuurspecialisten
Het bos
Het daarachter op de helling gelegen bos is indertijd speciaal aangeplant om het kasteel zo deftig mogelijk te doen uitkomen en je hebt er hier en daar vanaf de bosrand nog altijd prachtig zicht op maar dan sta je wel met je voeten in het water.

Liefhebbers van een wat natuurlijker bosomgeving zullen in dit moerasbos zeker aan hun trekken komen. Sinds de bomen aan zichzelf worden overgelaten en niet meer om hun houtopbrengst gekweekt worden – en dat is in dit bos al een heel aantal decennia – begin je stilletjes aan een voorstelling te kunnen maken van wat bos is dat niet door mensenhanden wordt ingericht en betutteld. Het staat en ligt vol dood hout en aan de dikte van sommige afgeknakte bomen te zien moeten we ons misschien zorgen maken over de heftigheid van de stormen die we tegenwoordig meemaken. In de winter loeren mossen, zwammen en merkwaardige grillige houtstructuren naar je. In het voorjaar moet je hier zeker komen om de wondere wereld van de voorjaarsbloeiers te bewonderen, zeker als het de tijd is van de bosanemonen. Natuurpunt doet al het mogelijke om de paden vrij te houden en de vlonderpaden begaanbaar maar je trekt toch best wel stevige schoenen en kleding aan. De Molenbeek stroomt erdoor en zelfs de aangelegde paden zijn hier en daar flink drassig.

De monumentale bomen
Bij een historisch kasteelpark horen monumentale bomen, zowel inheemse als soorten die ‘niet-van-hier’ zijn. Het erfgoeddossier doet een uitvoerige uitleg over een ‘bult’ langs het pad ten noordoosten van de vijvers waar volgens oude kaarten een groep oude beuken zou moeten staan in een ovaal plantverband dat kan duiden op een ‘Twaalf Apostelen’ stijlfiguur. Op die plek zouden nu ook een groep van taxussen staan. Op de Carte du Dépôt de la Guerre van 1865 en latere kaarten zie je een aantal bomen aangegeven rondom het kasteel maar ik vind het moeilijk om in deze vernatuurlijkte bosomgeving nog aangelegde aanplantingen van vroeger te onderscheiden. Feit is dat een beetje ten westen van de kleine vijver erg dikke beuken staan tussen een groep taxussen maar of het de bedoelde bomen zijn weet ik niet. Bovendien lijken de stormen van de laatste tijd flink huis te houden in de wat oudere en dikkere bomen in het park. Ten noordoosten van het kasteel zou aan de overkant van de beek nog zo’n beukenperceel moeten staan maar dat heb ik nog niet gevonden. Halverwege de centrale toegangsdreef (aan de parkzijde) staat een groepje mammoetbomen (Sequoiadendron giganteum) die vermoedelijk dateren van rond 1910.

Kort na de aankoop van het park heeft de werkgroep Meldertbos Natuurpunt deze bomen vrijgesteld zodat je ze opnieuw heel goed ziet. In die tijd waren het er nog vier, in 2007 is er een omgewaaid en in de winter van 2019 is er opnieuw een door de storm gesneuveld. Zolang ze er nog staan kan ik je absoluut aanraden om op het grasveld vlak naast het kasteel de laatst overgebleven bruine beuk te bewonderen die daar vermoedelijk ook rond 1910 geplant is. Met een stamomtrek van meer dan 5 meter is dit indrukwekkende exemplaar vermoedelijk een ‘bundelboom’, dat wil zeggen een met de jaren samengegroeid geheel van meerdere bomen in hetzelfde plantgat, een methode om op relatief korte termijn zware bomen te kweken. Jammer genoeg is zijn nog veel dikkere buurman deze winter doodgegaan net als een van de andere dikke bomen vlak onder de kasteelmuur aan. Aangezien bomen wel lang leven maar niet eeuwig is de enige manier om opnieuw monumentale bomen te verkrijgen, op tijd jonge exemplaren te selecteren of aanplanten om reuzengroot uit te groeien.

Meestal kan je ook wel lang van te voren zien aankomen wanneer een oude boom aan het einde van zijn bestaan begin te komen.
belangrijke schakel in een reeks van natuurgebieden:
In het op 22 april 2018 ter gelegenheid van Erfgoeddag uitgegeven persbericht van Natuurpunt Velpe-Mene lees ik dat de afdeling ‘bijzonder blij … is … met deze nieuwe realisatie, waardoor Meldertbos te samen met de eveneens door Natuurpunt beheerde natuurgebieden van Rosdel en Mene-Jordaan nog meer een parel is in een groene ruggengraat van Nerm over Sluizen naar Meldert en zo over Babelom naar Willebringen en via Hoksem naar Oorbeek. Een groene ruggengraat als een samenhangend complex met een grote biodiversiteit, een synthese van natuur en erfgoed en een grote belevingswaarde voor de bevolking en de toeristen.” Ondertussen kan je daar naar het zuiden over de taalgrens ook nog de Ferme de Wahenge en het nieuw verworven gebiedje van Natagora langs de Schoorbroekbeek aan toevoegen
Als scharnierpunt tussen al die fantastisch mooie natuurgebieden van Natuurpunt vind ik Meldertbos niet alleen een van de mooiste plekken om naar toe te gaan maar ook een goed vertrekpunt voor zowat alle natuurverkenningstochten in deze omgeving. En iedere keer dat ik in deze omgeving kom valt er opnieuw iets te beleven.

+++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++
https://www.natuurpunt.be/natuurgebied/meldertbos
https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/134188
http://www.sint-janscollege-meldert.be/
https://nl.wikipedia.org/wiki/Aalmoezeniers_van_de_Arbeid
https://www.natuurpunt.be/pagina/gevlekte-ringslang
https://waarnemingen.be/species/20818/ (rode kelkzwam)
https://www.monumentaltrees.com/nl/bel/vlaamsbrabant/hoegaarden/50_sintjanscollege/

trefwoorden: meldertbos, erfgoed, geschiedenis, natuurpunt, rode kelkzwam, aalmoezeniers van de arbeid, sint jans college, kasteel, van der swaelmen, molenbeek, montenaken, d’oultremont, vander noot, de lantsheere,

Het landelijke maar levendige dorpje Sart-Messire-Guillaume vind je op de kaart enkele kilometers ten zuiden van Court St.Etienne (waar het deel van uitmaakt). Je komt er met de trein door af te stappen in Faux of in La Roche op de spoorlijn tussen Ottignies en Villers-la-Ville maar ik denk wel dat je geduld moet hebben. Het ligt wat hoger op het plateau ten oosten van La Dyle, vlak langs La Thyle en juist ten noorden van de tamelijk grote bossen rond de beroemde abdij-ruïnes (Bois de L’Heuchère, Bois de Ste.Cathérine, Bois de Sartage). Sinds enkele jaren ligt het maar juist buiten de geluidszone van de N25 aan de noordkant maar die heeft ook het voordeel van een vlak bij het dorp gelegen oprit. Je auto kan je kwijt op de parkeerplaats midden in het dorp aan de spannend beschilderde lokale basisschool. Het is schitterend wandelgebied en op een eerdere wandeling nam ik je mee naar de beverdammen in het moeras (Marache) aan La Thyle in Suzeril. Het dorp is de hoofdzetel van de lokale natuur- en erfgoedvereniging Le Patrimoine Stéphanois en dankzij die VZW krijg ik af en toe eens de kans om op een wat gerichtere manier deze streek te verkennen. De luswandeling op het bij de foto’s afgebeelde kaartje zoekt het wat hogerop in het landschap. Hij voert je langs L’Eglise St.Antoine in het dorpscentrum en vandaar via een omweg langs een aantal genummerde alleen voor voetgangers toegankelijke ‘sentiers touristique’ en ‘chemins’ naar het oude pompstation en la ‘Chapelle Castrale de Sart-Messire-Guillaume’.

Gebouwd rond 1550 door de plaatselijke seigneur Joachim de Tenremonde is de kapel nadien verbouwd, in onze tijd bijna tot een ruïne vervallen maar dan als monument beschermd en in het begin van de jaren 80 van de vorige eeuw mooi gerestaureerd. In de verte kijkt de ‘Arbre de la Belle Alliance’ (of ‘Belle Madame’) naar je en juist buiten het zicht staat de aloude maar gloednieuwe ‘Arbre de la Justice’ als waarschuwing voor het geval dat je slechte bedoelingen zou hebben. De mooie dame is Eva Ernestine Célestine Boël die op 4 september 1906 in het huwelijk trad met Graaf Félix Albert Joseph Goblet d’Alviella en de boom – een Es (Fraxinus excelsior) – is op de aloude ‘chemin no. 7 geplant (in dat jaar of later?) als herinnering en baken voor de plaatselijke boeren en handelaars.
De oorsprong van Sart-Messire-Guillaume gaat terug tot 1272 waarin ene Guillaume de Sart een aantal sommen geld (‘rentes’) afdraagt aan de Abdij van Villers die op dat ogenblik op zijn hoogtepunt is. De naam van het dorp duikt op in een verkoops-akte van 1387. Het woord ‘Sart’ betekent ontbossing ofwel voor de landbouw ofwel voor de productie van houtskool. Het heeft blijkbaar een paar eeuwen met enkele ruzies geduurd voordat de kerkelijke overheden van Court St.Etienne toegaven aan de wensen van de ‘Seigneurs de Sart’ en hun onderdanen om in het dorp Sart-Messire-Guillaume en omgeving een zelfstandige parochie te mogen oprichten met een eigen kerk (en niet alleen de aloude kapel waarover ik het nog zal hebben) gewijd aan patroonheilige Saint Antoine l’Ermite. Het opvallend grote kerkgebouw in neo-romaanse stijl werd ingewijd in 1912 en de bouw zou ongeveer 60.000 frank gekost hebben, een som die bijna helemaal bijeengebracht werd door de dorpelingen zelf. Van de twee klokken hangt alleen de kleinste nog in de toren, de grote is door de Duitsers in de Tweede Wereldoorlog meegenomen.

Het feest van deze heilige valt op 17 januari en zoals in heel veel Waalse parochies wordt hij in het dorp vooral aangeroepen als bescherming tegen de voor mensen en dieren besmettelijke, pijnlijke en gevaarlijke huidziekte ‘wondroos’ (l’érysipèle contagieux). Anders dan ‘gordelroos’ wordt wondroos veroorzaakt door een bacterie die zich ontwikkelt bij de weinig hygiënische omstandigheden in de goede oude tijd. St.Antoine wordt afgebeeld met een klokje in de hand en een varkentje aan zijn voeten. Op zijn sterfdag wordt zijn beeld – dat al dateert van het einde van de 14de eeuw – plechtig rondgedragen waarbij in het verleden de vrome pelgrims in grote massa’s kwamen opdagen. Bij die gelegenheid werd in vele gezinnen ook een feestelijke ‘Repas du Cochon’ klaargemaakt maar die folkloristische traditie is blijkbaar al vele jaren verloren gegaan hoewel ik lees dat er pogingen gedaan worden om hem in ere te herstellen. De kerk is van binnen sober maar ik vind de gebrandschilderde glasramen erg mooi.
De bossen rondom Sart-Messire-Guillaume zijn allemaal privébezit en hoewel er geen bord bij staat denk ik dat ze behoren tot het immense fortuin van een van rijkste Belgische seigneurs van onze tijd met de familienaam Boël en de titel van Graaf. Voor een recent overzicht van het enorme bosbezit van deze familie en een kritische analyse waarvoor al dat hout moet dienen verwijs ik naar een van de links onder deze bijdrage. Het hoofdkwartier van de familie bevindt zich iets ten oosten van het dorp op het Château de Chenoy midden in het gelijknamige bos. Aan de westkant daarvan ligt het landbouwplateau Petit Chenoy dat met zijn oostkant aanleunt tegen het Bois de Wignets in Sart-Messire-Guillaume. In dat bos staan aan het Sentier 108 een vijftal magnifieke eiken maar die heb ik nog niet gezien.

Wignets zou zoiets betekenen als ‘kersenbomen’ (cerisiers) maar het bos is voor de gids op de wandeling telkens vooral een reden om met enkele streekverhalen voor de dag te komen. Rond 1650 moet er op het plateau en in het bos tijdens maanverlichte nachten een geheimzinnige ruiter op een wit paard hebben rondgezworven. Hij wordt door iedereen gezien maar niemand durft hem te benaderen. Op een dag besluit een moedige boer met de naam Oleffe om hem dan toch aan te spreken. Dat lukt maar blijkbaar alleen tegen de belofte van totale geheimhouding van het besprokene. De ruiter is daarna nooit meer terugkomen. Misschien heette hij Boël en kwam hij al eens een kijkje nemen? Een andere legende vertelt over een violist die op bruiloften het gezelschap onweerstaanbaar aan het dansen bracht. Op een keer wordt hij beloond met een in vier stukken gesneden taart. Op weg naar huis wordt hij in het bos omsingeld door een bende wolven die hem dwingen om in een hoge boom te klimmen. Om de dieren te verschalken voert hij hen het ene na het andere stuk van zijn taart maar daar worden ze alleen nog hongeriger en woester van. Hij ziet zijn laatste uur naderen en om zich in orde te stellen bij de hemel speelt hij op zijn viool een cantate gewijd aan de maagd Maria. Na nog geen tien noten neemt de hele bende in allerijl de poten. Was het een wonder, waren het heidense wolven of speelde onze man zo slecht dat hun kwetsbare wolvenoren er niet tegen konden? Niemand die het weet maar als je binnenkort dan toch een wolf tegenkomt weet je nu wat je moet doen en ik heb horen zeggen dat het ook helpt tegen everzwijnen. Hoe dan ook, het merkwaardige betonnen gebouw dat je op deze wandeling tegenkomt staat op de kaart nog vermeld als ‘pompage’ maar ondertussen zitten er everzwijnen noch wolven in maar wel vleermuizen.

Op de driesprong tussen de Rue de la Chapelle en de Rue de l’Arbre de la Justice vind je op de rand van het bos twee bezienswaardigheden van formaat tegenover elkaar met de weg ertussen: Le Chateau-Ferme de Sart en ‘La Chapelle Castrale de Sart-Messire-Guillaume’. De vierkantshoeve dateert uit de tweede helft van de 18de eeuw en is gebouwd op de fundamenten van een 14DE eeuws ‘manoir seigneurial’ dat in 1787 afbrandde. Dat landhuis behoorde in die tijd toe aan Messire Arnoul du Sart. In 1465 verkrijgt de familie de Stalle de eigendom. In de 16de eeuw komt het goed in handen van de Heren van Dendermonde (Tenremonde, Termonde). Voor een boek over de geschiedenis van de deze zeer aanzienlijke Waals-Vlaamse adellijke familie tussen 1268-1864 verwijs ik je naar de onderstaande links. Vast staat dat de ertegenover gelegen kapel rond 1850 gebouwd is door Seigneur de Sart Joachim de Tenremonde. In 1633 neemt de al even aanzienlijke familie De Fusco de scepter over maar die geeft er na de brand de brui aan. De huidige hoeve kent ook aanzienlijke eigenaars zoals senator Théodore Mosselman en is heden ten dage de eigendom van de familie Boël. De uitbating is in handen van de familie Vandevoorde en het gaat nog altijd om een vrij grote lap grond van 112 ha, vooral voor de teelt van suikerbieten, granen, vlas en doperwten voor de conservenindustrie. Dankzij le Patrimoine Stéphanois bestaat er een beschrijving van de indrukwekkende gebouwen. Maar die zijn niet publiek toegankelijk en dus ook niet vanaf op de binnenplaats te fotograferen. Om die reden kan ik je slechts beelden tonen van de buitenkant.

Dankzij Le Patrimoine Stéphanois beschik ik over een beknopte beschrijving van la ‘Chapelle Castrale de Sart-Messire-Guillaume’. De kapel op de met grove dennen beboste heuvel tegenover de kasteelboerderij Ferme de Sart zou rond 1550 gebouwd zijn door kasteelbewoner Seigneur Joachim de Tenremonde en dat komt ook overeen met de gotische bouwstijl. Het gebouwtje heeft een enkel schip bekroond door een vijfzijdig koor, verlicht door vier ramen. Het is gebouwd van bakstenen uit de regio (Villers-schalie). De hoekwanden en kozijnen zijn versterkt met kalksteen (klein graniet). Nadien hebben er wel nog verbouwingen plaatsgevonden en blijkbaar is de toegangspoort verplaatst. Plaatselijk bekend als ‘Chapelle Notre-Dame’ of ‘Chapelle Saint Antoine’ diende hij als een klein oratorium om deze heilige te vereren. Zijn standbeeld staat tegenwoordig in de dorpskerk. Zoals ik eerder schreef hing het dorp in die tijd tegen de zin van de plaatselijke seigneurs af van de moederkerk in Court-St.Etienne en dat heeft in het verleden herhaaldelijk tot moeilijkheden geleid over de toestemming (of verbod) om hier erediensten te houden. Na de bouw van de dorpskerk in 1912 werd de kapel niet meer gebruikt en is snel in verval geraakt. In juni 1926 stortte het klokken-torentje in en daarna ging het van kwaad tot erger, de grafstenen van nobele overleden van de families de Fusco, de Lemminghe en de Roly werden gestolen met inscripties en al en de stoffelijke resten werden in de natuur verspreid. De kluis onder het altaar is opengebroken en het houten binnenwerk vernield. Delen van de houten preekstoel zijn overgebracht naar de huidige dorpskerk.

Een bij deze kapel horend mysterie is de aanwezigheid en herkomst van verschillende soorten (vage) tekens op stenen die aangebracht kunnen zijn door de leveranciers ofwel door diegenen die ze in de juiste volgorde moesten plaatsen tijdens de bouw of bij latere verbouwingen of reparaties. De site en het beboste perceel zijn als monument beschermd sinds 1975 maar in het erfgoeddossier wordt er dan gesproken over een ‘ruïne’. De kapel werd in 1986 gerestaureerd door graaf Boël. Sindsdien heet hij ‘Chapelle des Arts’ en wordt gebruikt voor culturele activiteiten maar niet meer voor godsdienstige vieringen wat ik eigenlijk wel jammer vind want nu ziet hij er van binnen nogal leeg uit. Hiermee beëindig ik deze verkenning van Sart-Messire-Guillaume maar ik beloof om hier snel weer terug te komen.

+++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++
https://fr.wikipedia.org/wiki/Antoine_le_Grand
Klik om toegang te krijgen tot promenade_7_descriptif.pdf
http://www.frerealbert.be/fortunes/boel/le-patrimoine-immobilier-des-bol/
https://lib.ugent.be/catalog/ggc01:398885028 en https://books.google.be/books?vid=KBNL:KBNL03000138062&redir_esc=y

Trefwoorden: sart-messire-guillaume, court st.etienne, chapelle des arts, l’église saint antoine, ferme de sart, l’arbre belle madame, boël, geschiedenis

Natuurgebied ‘Den Battelaer’ vind je op de kaart een beetje ten noordwesten van de stad Mechelen. Het ligt pal ten westen van het afritten-complex E-19 Mechelen-Noord en het daarboven gelegen industrieterrein. Aan de westkant grenst het aan de Zenne ter hoogte van het dorpje Heffen, aan de oostkant wordt het afgegrendeld door het kanaal Leuven-Dijle ofwel de Leuvense Vaart. Nog een beetje verder naar het oosten kronkelt de Dijle en in het noorden komen al die waterwegen samen aan in de Rupel. Op grond alleen al van deze gegevens wordt duidelijk dat het een nat gebied is en dat wordt op de kaart nog eens benadrukt door de vele grote vijvers in de omgeving en verschillende keren de aanduiding overstromingsgebied. Ik laat even Natuurpunt aan het woord: “Ooit kronkelden de Dijle en de Zenne door het landschap tussen Mechelen en Rumst. Even verder komt de Nete erbij en wordt de rivier de Rupel. Vanaf de 10de eeuw begon de mens onder invloed van kloosters de rivier in te dijken. De polders die zo ontstonden werden honderden jaren kleinschalig beheerd door plaatselijke landbouwers. Gras was de voornaamste teelt, want dat was de brandstof voor paarden, de auto avant la lettre. Het land was nat en water werd maar moeilijk afgevoerd. Langzaam aan werd de eb- en vloedwerking sterker. Door de rivier recht te trekken en dijken aan te leggen, werd dat proces versterkt. De dijken moesten alsmaar hoger en breder…. Aan het Zennegat ontstond een afgesneden bocht doordat de Dijle rechtgetrokken werd: een oude Dijlearm.” Op den duur werd het gebied zo dikwijls door overstromingen getroffen dat er door de overheid wel iets moest worden ondernomen om de gang van zaken beter te controleren.

Dat ”iets” is het Sigmaplan geworden waarover ik hierna nog iets meer vertel. In dit hoofdstuk vind je alvast een eerste reeksje winterse foto’s van het gebied dat ik enkele weken geleden bezocht heb onder de goede leiding van een van de vrijwilligers van de plaatselijke afdeling van Natuurpunt-Mechelen. Het is zeker een heel mooi wandelgebied maar je trekt best je rubberbotten aan zodra je van de dijken naar beneden gaat.
De naam ‘Battel’ kom ik voor het eerst tegen op de Villaretkaart en op die van Ferraris halverwege de 18de eeuw. Op de website van het Mechelse stadsarchief lees ik dat er in deze omgeving van de Dijle al 6000 jaar geleden mensen woonden om gebruik te maken van de rivier. Blijkbaar hielden ze hun voeten en huizen droog op de wat hoger gelegen gebieden zoals de Battelse Bergen. Die bergen zijn ondertussen al onder de huizen en het kanaal verdwenen maar de naam duikt voor het eerst op in de 12de eeuw. Op deze plek zou de Heilige Lambertus ooit een gevecht – een ‘battle’ met de Noormannen gewonnen hebben. De geleerden denken echter dat dit een legende is en komen voor de dag met een nog onwaarschijnlijker klinkende uitleg, namelijk “dat de naam een samenvoegsel is van ‘lo’ (een bos op hoger gelegen zandgrond) en ‘bachten’ (= achter)”. Hoe dan ook, een Battelaer was in de 14de eeuw een inwoner van het gehucht Battel en moest belastingen betalen aan de heren van Mechelen. In die tijd en nog lang daarna waren de Battelaers vooral boeren op meestal kleine hoeven die op de hoogste plekken in de omgeving ook wel versterkt waren. Het moet een hard bestaan geweest zijn, misschien wel een ‘battle for life’. In de zestiende eeuw waren er ook enkele ‘schansen’, militaire gebouwen als deel van de vooruitgeschoven verdediging van de stad Mechelen of door de Spanjaarden opgericht. In Battel zelf staat nog een tolhuis want wie aan zo’n schans voorbijkwam moest betalen.

Op de Villaretkaart van 1745 zie je dat heel het huidige natuurgebied opgedeeld is in kleine perceeltjes. Je ziet ook de Dijle en de Zenne er langs gaan met geweldige kronkels. Aan de oostkant zie je Heffen aan de rivier met een ‘chateau’. Battel staat als gehucht (Ha<meau>) aan de juist ten westen van de Dijle met een ‘chapelle’. Op de Ferrariskaart van 1777 – dus maar dertig jaar later – staat het kanaal er op als een zeer opvallende rechte lijn met een bocht. Even ten zuiden van die bocht zie je twee sluizen met een brug aan de ‘Chemin de Dendermonde’, de latere Gentsesteenweg. Op de Poppkaart van 1842 – dus weer honderd jaar later – zie je nog veel méér perceeltjes en verschijnt de naam ‘het Thiebroek’. Op de topografische kaart van 1904 zijn er veel kronkels uit de Dender verdwenen, is het natuurgebied overvloedig voorzien van rechte gegraven drainagesloten en staat er een ‘chateau’ tussen het kanaal en de Dijle. Op die van 1939 is de omgeving van dat kasteel een mooi aangelegd park. Ik begrijp dat het een van de landhuizen van Baron Edouard Empain is geweest maar alleen het koetshuis is er nog van over. Op die smalle strook parkgroen na is aan die kant alles onder de huizen verdwenen. En dan zijn we nog jaren verwijderd van de het autosnelwegcomplex Mechelen Noord en het enorme gelijknamige industrieterrein. Ik hecht aan deze saaie vergelijkende opsomming omdat het duidelijk maakt hoe wij als moderne mensen de groene open ruimte koloniseren totdat er nog slechts enkele restgebiedjes over zijn waar dan heel het natuurgebeuren zich moet afspelen met inbegrip van de recreatie.
Op de kaart zie je dat het natuurgebied Den Battelaer uit drie of vier heel verschillende delen bestaat. Ingeklemd tussen de Zenne, de Leuvense Vaart en de Gentsesteenweg zie je helemaal in het noorden aan de samenvloeiing van de Zenne met Dijle en vaart een kajaksteiger.

Ten zuiden daarvan is een langgerekt groen ingekleurd vlak landschap ten westen van de vaart met de naam Den Battelaer. Aan de oostkant is de oude Dijlearm temidden van een als moeras aangegeven overstromingsgebied met schorren en slikken die onder water staan of droogvallen naar gelang het getij en de regenval. Om de overstromingen te controleren zijn er in dit gebied Sigmawerken gepland of al aan de gang om in dit gebied zoveel mogelijk water te kunnen bergen doordat vanuit de Dijle grote buizen twee maal per dag water afvoeren naar de Oude Dijlearm. Het ziet er uit als een heel bijzonder landschap maar omdat ik er nog niet geweest ben kan ik er niets meer over zeggen. Ten zuiden daarvan ligt richting Gentsesteenweg een groot krekengebied met sloten, poelen, broekbos en met zomerdijken afgezette graslanden. Het westelijke gedeelte ligt wat hoger en staat bekend als het Thiebos, het oostelijk deel staat vermeld als Den Battelaer. Tussen de beiden ligt een moerasje waar binnenkort de dotterbloemen welig zullen bloeien want de plantjes komen al op. Het is ook heel mooi wandelgebied met veel afwisseling maar met gladde vlonderpaden en hier en daar wel flink drassig. Natuurpunt beheert Den Battelaer een gebied van 33 hectare en als ik het goed begrijp beheert de organisatie samen met het Agentschap voor Natuur en Bos in opdracht van de stad Mechelen ook nog de 14 hectare van het Thiebroekbos. Het geheel maakt deel uit van het beschermd erfgoedlandschap Zennegat-Battenbroek, een geheel van een hele reeks natuurgebieden met erfgoedwaarde waarin het Fort van Walem en het Mechels Broek ook door Natuurpunt beheerd worden. De naam ‘Zennegat’ of ‘Sennegat’ kom ik voor het eerst tegen op de oude kaarten van halverwege de 19de eeuw (Atlas der Buurtwegen 1840 en Vandermaelen 1846).


Als ik het goed begrijp is Natuurgebied Den Battelaer met zijn 33 hectare nog altijd eigendom van het Mechelse OCMW (Sociaal Huis) maar is het enkele jaren geleden in beheer gegeven aan Natuurpunt om er een mooie schakel van te maken in de groene gordel rond de zich alsmaar uitbreidende en opdringende stad. Het feit dat het hele gebied vandaag de dag officieel erkend is als een natuur- en erfgoedlandschap maakt dat er een beheerplan kan worden opgemaakt dat kan worden uitgevoerd met hulp van onderhouds- en landschapspremies. Maar als je er gaat wandelen moet je toch wel weten dat al dit beheer en onderhoud gedaan wordt door een niet zo heel grote groep vrijwilligers op geregelde werkdagen waarbij gelukkig wel tientallen jongeren komen meehelpen. Aan de sloten, sluizen en grote en kleine dijken zie je dat hier eeuwenlang de kwetsbare want drassige weilanden op een gecontroleerde manier bevloeid werden met het water van de rivieren de Zenne en de Dijle om zoveel mogelijk gras en hooi op te leveren. Vooral de zomerdijken zijn mij opgevallen in het landschap. Maar in onze tijd van grote machines en dwangmatige economische groei is dat verloren gegaan doordat de weiden zo droog mogelijk werden gemaakt en vol gezet werden met snelgroeiende populieren. Je ziet ook dat door de verwaarlozing er overal wilgen langs de sloten en in de graslanden zijn beginnen te groeien. Natuurbeheer vergt altijd het maken van keuzes maar naarmate de graslanden hersteld worden door ze regelmatig te maaien en te begrazen, de populieren terug te dringen, de wilgen te knotten en op sommige wat drogere plaatsen stilaan te vervangen door een wat gemengder bos, de planten- en dierenwereld van vroeger begint terug te keren. Om vogels zoals de blauwborst en de nachtegaal zien(te horen) zal ik in de zomer moeten terugkomen maar alle soorten eenden en zilverreigers en andere steltlopers voelen zich er kennelijk ook goed thuis. In het riet verbergen zich karekieten, rietgorzen en bosrietzangers.

Een insectenhotel vertelt je dat er ook volop werk is voor alle vormen van bestuivers. In de lente moet het vol staan met dotterbloemen en daarna volgen de echte koekoeksbloemen en de moeras-vergeetmijnietjes.
Waar in Mechelen de naam Thiebroek vandaan komt heb ik nog niet kunnen vinden anders dan dat het aan de westkant ligt van de Leuvensevaart ter hoogte van Battel naast het deel van die vaart dat Thiebroekvaart heet. Ik lees bij Natuurpunt dat dit gebied ontstaan is na de 19de eeuw in de tijd dat Zenne en de Vaart werden ingedijkt en daartussen de gronden werden drooggelegd. Zoals we al gezien hebben in de beschrijving van De Battelaer werd daardoor het historisch beheer als vloeibeemden en hooiweiden opgegeven hoewel op veel plaatsen het oude bevloeiingssysteem met greppels en sluizen nog aanwezig is. Zoals overal in Vlaanderen zijn sinds die tijd bijna al die beemden met populieren aangeplant. Het gebiedje van 14 hectare ten westen van De Battelaer dat we nu kennen als het Thiebroekbos is in de jaren 1930-1950 het slachtoffer geworden van de landbouwopvattingen van die tijd. Het is jarenlang opgehoogd met ‘schipmest’ die vanuit Antwerpen per boot werd aangevoerd. In een licentiaatsstudie over de landbouw in Vlaanderen ‘historische stront op Vlaamse grond. Een inleidende studie in de historische faecologie’ van Bruno Debaenst ’ (Universiteit Gent, 1998-1999) lees ik in het hoofdstuk over bemesting dat schipmest voor de tijdgenoten zowat symbool stond voor de roem van de Vlaamse landbouw en het gebruik ervan gold zowat als het toppunt van moderne agro-industrie in die tijd. Vanuit heel Europa kwamen deskundigen het hoge mestniveau in Vlaanderen bewonderen. Schipmest is niet anders dan het tot mest verwerken van als menselijke uitwerpselen en uiteraard waren die in een stad als Antwerpen volop aanwezig en gemakkelijk en goedkoop via de waterwegen over de boerenbuiten te verspreiden.

De boeren waren er erg tevreden over maar het moet in deze omgeving verschrikkelijk gestonken hebben. Daarnaast staat schipmest bekend als de veroorzaker van ziekten zoals dysenterie en roodkoorts (roodvonk?). Maar wie zich de decennialange stinkende doodsheid herinnert van de Vlaamse waterlopen weet nu nog eens hoe dat gekomen is. In het Thiebroekbos is de schipmest niet echt gebruikt als landbouwgrondstof maar diende het gebied om het teveel ervan te storten, blijkbaar samen met allerlei ander huishoudelijk afval. Als gevolg daarvan is de bodem er iets minder nat dan in den Battelaer en ligt het ietsje hoger. Het moet er raar uitgezien hebben maar nadien zijn bovenop het stort populieren aangeplant. In die tijd en nog jaren later klagen de omwonenden blijkbaar vooral over de konijnenplaag die het stort opleverde. In 1981 koopt de stad Mechelen het grootste deel van het bos aan en in de loop van de jaren worden veel populieren gekapt en verschillende soorten loofhout aangeplant – vooral zwarte elzen – en pogingen gedaan om agressieve exoten zoals de Japanse Duizendknoop op te ruimen. Er is één boomsoort die opvallend ontbreekt: ik mis de berken. Sindsdien is het vroegere stort officieel erkend als natuur- en bosgebied en sinds 2009 is er ook een beheerplan opgemaakt door het Agentschap voor Bos en Natuur (ANB). Van de verontreiniging is niets meer te zien en er zou geen gevaar meer zijn, maar plannen om er een speelbos van te maken zijn niet doorgegaan. In het beheerplan staat dat “alle activiteiten die gepaard gaan met rechtstreeks contact met de bodem en/of afvaldeeltjes zijn verboden … bedoeld: inname via de mond of … via de huid. In de grond graven, kampen bouwen … zijn verboden”. Volgens mijn gids groeien de bomen er niet zo snel als dat ze eigenlijk zouden moeten volgens hun natuurlijke aard. Ze zien er uit alsof ze nauwelijks 20 jaar zijn maar werden blijkbaar al in 1987 geplant onder de goede leiding van koningin Paola. Maar het is wel een mooi wandelbos (hoewel de wandelaars hun honden beter aan de lijn zouden moeten houden) en zoals in heel het gebied: het wordt door vrijwilligers onderhouden en kijk daar graag niet naast! Binnenkort ga ik terug voor de dotterbloemen.

+++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++
https://www.natuurpunt.be/natuurgebied/den-battelaer-en-de-oude-dijelarm
https://www.mechelen.be/bos-en-natuurgebieden
https://stadsarchief.mechelen.be/enkele-historische-weetjes-over-battel
https://inventaris.onroerenderfgoed.be/aanduidingsobjecten/6373
https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/135357
https://www.s-p-a.be/artikel/zennegat-krijgt-vlaamse-primeur-als-erfgoedlandsch/
Klik om toegang te krijgen tot merntech932.pdf
Klik om toegang te krijgen tot 36946.pdf
https://www.groenmechelen.be/persbezoek_thiebroekbos
http://www.ethesis.net/faecologie/faecologie_hfst_2.htm
geopunt reis door de tijd: https://www.geopunt.be/catalogus/applicationfolder/agiv-reisdoordetijd
https://play.osm.be/historischekaart.html#9/51.0526/4.3616/osm

Meer info: Bezoekerscentrum Mechels Rivierengebied, Muizenhoekstraat 7, Muizen, bc.mechelsrivierengebied@natuurpunt.be, 015 43 61 09
Trefwoorden: mechelen, den battelaer, thiebroekbos, zenne, dijle, leuvense vaart, natuurpunt, natuurbeheer, erfgoed, schipmest, milieuverontreiniging, afvalstort, sigma,

Hoog boven de noordrand van Leuven torent de Keizerberg tot bijna in de hemel. Acht hectare groot, 52 meter hoog en met uitgesproken steile hellingen domineert hij met zijn afgevlakte top het Leuvense landschap als schakel in de rij van zuidelijke getuigenheuvels van het Hageland. Net zoals de Kesselberg is de Keizersberg een bank van ijzerzandsteen ontstaan in de ondiepe kleiachtige bodem van de Diestse zee tijdens het Mioceen, tussen de 23 en 5 miljoen jaar geleden, afgedekt met een wisselende laag van zandleem afgezet door de wind tijdens de laatste ijstijd die 100 miljoen jaar geleden begon. Vanaf de oertijd is de berg met aan zijn voet zowel de Dijle als de Voer door de mens in bezit genomen vanwege zijn strategische ligging en ik lees in het erfgoeddossier dat het niet onmogelijk is dat er “ooit een prehistorische, late ijzertijd, (Gallo-) Romeinse of vroegmiddeleeuwse nederzetting of hoogteversterking heeft bestaan”. Daarvan is niets teruggevonden maar volgens de legende zou dit de reden zijn voor de naam Keizersberg. Rond 1414 schrijft Hennen van Merchtenen in zijn “Cronijcke van Brabant” dat Julius Ceasar tijdens een van zijn veldtochten in onze streken in Leuven het huwelijksfeest van zijn nicht Suena met de Antwerpse held Brabo zou hebben bijgewoond en achteraf besloot om op de berg een keizerskasteel te bouwen. Als de legende juist is moeten de families van Ceasar en Brabo elkaar goed gekend hebben want zoals ik een tijdje geleden ontdekte was het Aurelianus, de broer van Ceasar die na een formidabel schot op een arend een compliment kreeg van Brabo en daardoor kreeg de stad Aarschot van Julius Ceasar zijn naam.

Nu hoop ik maar dat er bij de lezers niet iemand is die komt bewijzen dat het hoogst onzeker is dat Julius Ceasar ooit in Leuven, laat staan op de Keizersberg geweest is want dan gaat dit verhaal ook al weer de mist in. Het kasteel dat er ooit stond hoorde nooit toe aan een keizer maar was wel gebouwd in het begin van de 13de eeuw door een heer met hoge ambities, hertog en kruisvaarder Hendrik I van Brabant. Maar vlak ernaast aan de oostkant op de Wolvenberg stond sinds 1187 ook al een ander kasteel (met kerk), gebouwd door Graaf Godfried III van Leuven als ‘commanderij’ voor de Tempeliers (na afschaffing van deze orde in 1312 voor de hospitaalridders/de Maltezer orde). Van beide kastelen en die kerk is niets meer te zien dan enkele resten.
De Nieuwsbrief nr.1 van november 2018 van de Abdij Keizersberg maakt samen met het erfgoeddossier helaas komaf met de legendarische vriendschap tussen Julius Ceasar en de held Brabo. Zes eeuwen lang herbergt de Keizersberg een burcht van de hertogen van Brabant die als opvolgers van de graven van Leuven hun grondgebied tot in de late middeleeuwen kunnen uitbreiden. Voor bouwheer Hendrik I van Brabant is deze burcht in het begin van de 13de eeuw zijn belangrijkste residentie en bestuurscentrum maar ook ontspanningsplek. De burcht wordt opgetrokken op de heuvel buiten de stadswallen van Leuven vanwege zijn strategische ligging maar volgens het erfgoeddossier wellicht ook “om zich aan de bemoeienissen van het Leuvense stadsbestuur te onttrekken”. Waarvan akte!

Vanaf 1357 wordt de burcht echter toch opgenomen binnen de stadsomwalling want de groeilust van de Leuvenaars is nu eenmaal onweerstaanbaar, ook in die tijd al. Wanneer Brabant in 1430 bij het hertogdom Bourgondië wordt gevoegd omvat Brabant een uitgestrekt grondgebied tussen de belangrijke rivieren de Schelde en de Maas. Maar tegen die tijd is de hoofdzetel van het rijk al van Leuven verplaatst naar Brussel en komt de hertog alleen nog maar af en toe eens richting Keizersberg, bijvoorbeeld voor een Blijde Inkomst. Lokale kasteelheren voeren de scepter op de burcht. Maar het is een feit dat de jonge Karel V, dan nog geen keizer, er af en toe verblijft om les te krijgen van Adriaan Floriszoon, dan de deken van Sint-Pieter maar later gekend als paus Adrianus VI. Karel laat de burcht nog uitbreiden en mooier maken en er onder meer een dierentuin aanleggen. Aan hem dankt de berg zijn naam: Castrum Caesaris. Na zijn troonsafstand komt de burcht in handen van kasteelheer en humanist Erycius Puteanus, de meest succesvolle leerling van Justius Lipsius. In die tijd is de belangrijkste activiteit op de berg misschien wel de teelt van druiven en blijkbaar heeft dat sommigen in onze tijd nog eens op gedachten gebracht. Puteanus voert nog een aantal restauratiewerken uit maar na zijn dood in 1646 raakt het bouwwerk in verval. Op bevel van de Habsburgse keizer Jozef II van Oostenrijk wordt de site in 1783 grondig gesloopt en de materialen verkocht. Alleen een waterput, enkele restanten van de zuidelijke schoormuur en de groene zone van 6 ha blijven over. Niets is eeuwig en erfgoed zeker niet.

In 1786 koopt Leuvens meester-schrijnwerker Jacques Verheyden de Keizersberg. Hij laat de muur aan de Mechelsestraat bouwen en ook het huis boven de ingang. Een deel van het domein verkoopt hij aan de Leuvense handelaar Albert Impens. Die bouwt in 1796 een graanmolen naast de waterput maar die brandt twaalf jaar later af. Ook de deken van het kapittel van Sint Pieter, Leopold Mandelier koopt een stuk aan. De nieuwsbrief van de Abdij Keizersberg van november 2018 vertelt dat op het einde van de 19de eeuw de abt van Maredsous zijn oog laat vallen op Leuven. Op de kasteelsite begint de bouw van het kloostercomplex in neoromaanse stijl “bedoeld als studiehuis voor monniken die aan de Alma Mater hun ‘certificaat van wijsheid” wilden behalen. ”Maar de eerste die bekroond werd, was de hemelse koningin Maria, de patrones van Keizersberg”. Abt Robert de Kerchove laat in 1906 het bekende door Benoît van Uytvanck vervaardigde Mariastandbeeld plaatsen. Het is bijna 10 meter hoog, staat op een sokkel van vijf meter en is gemaakt van Franse kalksteen. In de Tweede Wereldoorlog wordt haar hoofd er af geschoten in een bombardement dat de abdij ook zwaar beschadigt en de resten van de vroegere commanderij wegvaagt. De Benedictijner abdij groeit ondanks al het oorlogsgeweld uit tot een gigantisch geheel met vier hoge massieve vleugels rond een binnentuin. Pas in 1936 is de bouw voltooid met de bouw van de grote ingangspoort. Het complex overleeft ternauwernood de Slag om Leuven wanneer op 28 augustus 1914 de Duitse Kolonel Gustav Reinbrecht een vernietigingsbevel van zijn commandanten weigert uit te voeren. De dag daarna wordt de binnenstad in brand geschoten maar niet de Keizersberg.

In 2010 wordt de Keizerberg als monument beschermd. Maar uit de hierboven genoemde nieuwsbrief begrijp ik ook dat de gebouwen dringend aan restauratie en renovatie toe zijn en daarvoor de financiële middelen ontbreken zonder welke “de monniken gedwongen zullen zijn hun historische site te verlaten en … de Keizersberg ontzield achterblijft”. De nieuwsbrief is een oproep tot ‘crowd-funding’ en omdat ik aan de binnenzijde van de gebouwen alleen de kerk even gezien heb weet ik niet hoe de toestand nu is in het begin van 2020. Voor de renovatie van de oude burchtmuur en van het Mariabeeld heeft de Stad Leuven halverwege december 2019 een dossier ingediend van 1,4 miljoen euro bij ‘Vlaanderen’ (te subsidiëren voor 80 procent) maar de werken zelf zullen ten vroegste pas over drie jaar beginnen. Ook nog midden december bracht de abdij zelf haar eerste speciale ambachtelijk gebrouwen Konnektus-bier op de markt en organiseerde voor die gelegenheid een buurtontmoeting samen met INBEV. De opbrengst van de verkoop gaat integraal naar de restauratiewerken maar of het voor INBEV alleen een publiciteitsstunt is of het begin van renovatie-sponsoring weet ik nog niet.
Leuven – het park op de Keizersberg is niet alleen een archeologische site maar ook een waardevol natuurgebiedje. In het erfgoeddossier lees ik dat de ondergrond bestaat uit massieve ondoorlatende ijzerzandsteenbanken met daarboven op een laag van kalkrijke leem: “de vegetatie … wordt bepaald door zure en kalkrijke bodemopbouw. Het vlakke deel bovenaan wordt gedomineerd door matig tot zeer waardevolle graslandvegetaties. Op de heuvelflank komt een Essen-Olmenbos voor waarin de boomlaag voor een groot deel is vervangen door Gewone esdoorn en Robinia. …

Historische bronnen wijzen op een intensief gebruik van de site: moestuinen, boomgaarden, wijngaarden, parken, graslanden, akkers, struwelen en bos zijn in het ancien régime terug te vinden op de Keizersberg”. Tot in 1944 stond er nog de hoeve van de commanderij uit 1471 en als ik alles goed begrijp moeten in die oude tijd de trappen vanuit de Burchtstraat en de Wolvengang (nu de toegang vanaf de Vaartkom) er ook al geweest zijn. In de 18de en 19de eeuw raakte de berg versnipperd met meer en meer woonhuisjes en werd de open ruimte vooral gebruikt om groente te telen. Waar nu het Mariabeeld staat was in die tijd een park dat dienst deed als toeristische trekpleister. Op die plek stond een enorme stenen siervaas en “een oude Robinia die pas in de jaren ’30 door een storm werd geveld”. Met de komst van de abdij kwam er ook de omheiningsmuur en een achthoekig prieel. In het erfgoeddossier lees ik dat de structuur van het huidige park zich geleidelijk gevormd heeft tussen de wereldoorlogen. Er zijn nog oude sporen van bouwkundig en archeologisch erfgoed maar ook landschappelijke overblijfselen: “heden is de parkaanleg evenwel vervaagd. Een belangrijk deel van de padenstructuur, de plantsoenen en de moestuin, evenals de boomgaard met halfstam fruitbomen en de omgeving van het Mariabeeld werden opgenomen in een grote grasvlakte. Verspreid over het domein komen enkele merkwaardige bomen voor, zoals een mammoet boom en een oude paardenkastanje, en is de beeldbepalende L-vormige dreef afgezet met zomerlindes.”

Het park rond de Abdij op de Keizersberg wordt in 2009 voor een periode van 99 jaar in erfpacht gegeven aan de stad Leuven. In eerste instantie maakte de stad werk van de restauratie van oude muren en het installeren van info-panelen, picknicktafels en banken. Eind 2010 wordt het parkje officieel geopend voor het publiek en bij die gelegenheid wordt ook nog een gietijzeren poort geplaatst om het park te kunnen afsluiten. Alleen de directe omgeving rond de abdij blijft voor het publiek gesloten. Sindsdien grazen er in de zomer schaapjes (van het ras Lovenaar) in de eeuwenoude boomgaard. Het geheel is opgezet als een gebiedje van rust en stilte ver weg van het drukke stadsverkeer dat er vlak onder door gaat. Er staat zelfs een bord dat je er niet mag dansen en muziek maken.
Dat de buurtbewoners het park in hun hart gesloten hebben blijkt enkele jaren later wanneer in 2016 bekend wordt dat de stad een akkoord gesloten heeft met de bvba Daems & Zn voor een periode van dertig jaar om op het grasland en in de boomgaard een wijngaard aan te leggen met diverse druivensoorten om de wereld nog eens het belang van de traditionele Leuvense en Hagelandse wijnen te tonen. De aanleg zal gebeuren door Rik Daems’ eigen wijnbedrijf Vinobelga en wordt gemotiveerd met het argument dat men hiermee ten bate van het toerisme wil aansluiten op de middeleeuwse traditie van wijnbouw op deze locatie door hertog Godfried van Brabant.
Sinds het jaar 1121 zijn de tijden en opvattingen echter veranderd en het regent protesten van alle kanten tegen deze privé-aanslag op de nog maar onlangs geopende publieke groene ruimte en de gevaren die wijnbouw zal opleveren voor de rust- en natuurwaarden van de site.

Er worden klachten ingediend en uiteindelijk besluit de Gouverneur van Vlaams-Brabant dat de zaak niet door gaat, ook al wegens belangenvermenging. Sindsdien is de rust teruggekeerd. Omdat er in het Hageland nogal wat plekken zijn waar privé-eigenaars kostbare stukjes natuur proberen om te zetten in wijn (voor prestigieuze en commercieel-toeristische redenen en wie kan daar nu tegen zijn?) denk ik dat dit voorbeeld van georganiseerd protest navolging verdient. Ik sluit deze verkenning af met het boeiende verhaal over de treintunnel onder de Keizersberg met een citaat uit ‘railations’ (zie de link): “In 1939 verkreeg de abdij toestemming tot oprichting van een eigen monastiek kerkhof binnen het abdijdomein. Tot dan dienden de monniken hun medebroeders te begraven op het kerkhof van Vlierbeek. Tijdens een grafdelving in 1991 ontdekte men een circa 12 meter diepe holte, die meteen hier de lokalisatie bevestigde van een 150 jaar oude spoorwegtunnel. In 1845 was aan ingenieur Tarte en twee Engelse investeerders de concessie verleend voor de aanleg van een spoorlijn van Leuven naar Jemeppe-sur-Sambre, vertrekkend aan de voet van de Keizersberg, namelijk aan de Vaartkom ter hoogte van het Engels Plein. Hiertoe boorde de maatschappij dwars doorheen de Keizersberg een tunnel op het traject Vaartkom-Mechelsestraat. Na instortingen als gevolg van wateroverlast werden de tunnelwerken echter in 1847 stopgezet en de plannen afgevoerd”. In het erfgoeddossier lees ik dat er in de geschiedenis van de Keizersberg er ook nog wel mysterieuze verzakkingen en instortingen geweest zijn maar dat is voor een andere keer. Er is hier nog van alles te beleven dus ik kom zeker terug.

+++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++
https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/301310
https://www.nieuwsblad.be/cnt/ia308bfp
https://www.railations.net/tunnelkeizersberg.html

trefwoorden: leuven, keizersberg, abdij, erfgoed, geschiedenis, park, natuur,