Uitgelicht

De Springputten in het Meerdaalwoud – Explosief Oorlogserfgoed

Juli 2021

Ernst Gülcher

contact : ernst.guelcher (at) telenet.be

Op zoek naar het pokdaligste (!) natuurreservaat(je) in ons land? Dan kun je terecht aan de springputten in het Meerdaalwoud. Dit is oorlogserfgoed. Pak de kaart van het bos er maar even bij en zoek te voet je weg naar de kruising tussen Prosperdreef en Walendreef op het grondgebied van de gemeente Oud-Heverlee.

Vlak achter een Miradal-paaltje, een grote beuk  een picknictafel en twee metalen ‘shelters’ is het terrein bezaaid met (dikwijls diepe) putten, de een na de ander, zo ver als je kan kijken tussen de bomen en hier en daar staat er water in. Over de geschiedenis van deze merkwaardige zaak vind ik tegenwoordig niet zoveel meer en zeker niet op het internet. Gelukkig heb ik een kopie vastgekregen van een gedetailleerd verslag uit 2007 van de hand van Joseph Verbist, en wat daarin staat te lezen maakt grotendeels deel uit van wat ik hierna vertel, zij het dat je bij zijn tekst moet zijn voor veel meer details over de werkwijze.

Onmiddellijk na het staken van de vijandelijkheden groeven Britse militairen een hele serie stockeerplaatsen langs de Kromme Dreef en maakten ze een tweetal diepe putten om de obussen te doen ontploffen om er van af te geraken. Die stockeerplaatsen zijn er nog en vooral in de winter goed te zien.

Al snel werd de aanvoer te groot en nog in 1944 viel de keuze op een door de Duitsers kaalgekapt terrein ten noordoosten van de kruising van de Walendreef en de Prosperdreef in de ‘Omheining van de Vergerée’. Dat terrein was eigendom van het Ministerie van Landbouw en werd aan Defensie overgedragen. Sindsdien heet dit stuk ‘Omheining van de Put’.

Langs de noordzijde van de Walendreef werd vanaf de Naamsesteenweg een smalle spoorweg aangelegd die doorliep tot in het midden van het nieuwe vernietigingsterrein. Op het terrein werden langs beide zijden van het spoor drie putten gemaakt, waarin munitie opgestapeld en met grond overdekt werd.

Langs de Walendreef kwamen twee schuilplaatsen. Ze werden gebouwd met metalen golfplaten en bedekt met grond. Aan de dreef werden ze afgeschermd door een wand van met zand gevulde munitiekisten.

De schuilplaatsen bestaan nog steeds, de wanden ervan werden einde jaren 70 verwijderd.

De munitie werd aangevoerd op vrachtwagens die dan op de Naamsesteenweg werden overgeladen op de spoorwagonnetjes die door de ontmijners tot aan de putten werden geduwd. In de periode 1944-1945 kwamen er op verzoek van het Amerikaanse ontmijningsteam van de basissen van Beauvechain en Melsbroek twee putten bij.om niet-ontplofte Duitse bommen rond en op de vliegvelden onschadelijk te maken

Op een luchtfoto uit 1948 zijn 6 putten goed herkenbaar. Het spoortje werd al snel niet meer gebruikt omdat de aangevoerde munitie te zwaar werd om over te laden (er waren obussen bij van 500 kg) en lange wachttijden ontstonden voor het verkeer en de trams op de Naamsesteenweg.

De munitie werd tweemaal per dag tot ontploffing gebracht vanaf een plek achter een dikke boom aan de overzijde van de Prosperdreef. Blijkbaar moest je als ontmijner maar niet al te dik zijn. De ontploffingen gingen tot 12 meter diep en eenmaal per jaar werd het terrein door bulldozers geëffend. Met de spade werden nieuwe putten gegraven, op het laatste waren dat er wel zeventig, de ene al wat groter en dieper dan de andere.

Het werk was primitief en gevaarlijk. In feite is het een wonder dat er in de loop van de tijd aan de putten ‘slechts’ twee ongelukken zijn gebeurd. Op 15 januari 1946 ontplofte een zware 128mm granaat en daarbij vielen er twee doden, de soldaten Gerard Marchand en Marcel Vandermotten. Twee andere soldaten, August Berges en Fernand Carmois werden gewond. Op 29 augustus 1961 ontplofte er munitie bij het lossen van een vrachtwagen en maakte een eind aan het leven va de soldaten Armand Andries en Edmond Nuyts. Twee andere soldaten werden gewond: Louis Van Hauw en Désiré van Hove.

Om hen te gedenken staat er een monument aan de ingang van het militair Kwartier Meerdaal aan de Naamsesteenweg. Tot in 2004 stond het aan de ingang van de Walendreef maar bij de inrichting van het Ecoduct werd het verplaatst. Op het monument zijn de namen van de gedode slachtoffers gebeiteld zoals hierboven genoemd (bij J.Verbist luiden de namen een beetje anders).

Het ministerie van Defensie gebruikte dit terrein tot in de zestiger jaren. Tot in je jaren vijftig werden alle dagen grote hoeveelheden vernietigd in reeksen van twee ontploffingen, telkens op het einde van de voormiddag en de namiddag. Daarna gebeurde het nog om de twee of vier weken. Elke keer werd de Naamsesteenweg afgesloten, niet alleen voor de auto’s maar ook voor de tram. Hoeveel munitie er in totaal is vernietigd is nooit bekend gemaakt (misschien ook niet geweten) maar het moeten duizenden tonnen springstof geweest zijn.

Met het veranderen van de tijden kwamen er alsmaar meer klachten over de overlast (bij de ontploffingen rinkelden de ruiten tot in het centrum van Leuven en soms vlogen ze aan scherven) en bovendien moest er voortdurend wacht gehouden worden om dieven van lokale koper- en andere metaalverzamelaars uit het gebied weg te houden (de ‘Roemenen’ van toen).

Toen er dan ook nog grondig verschil van mening opdook tussen de diverse belanghebbende ministeries wie de aanvoerweg in het Meerdaalwoud moest onderhouden, droeg Defensie in maart 1967 het hele bijna cirkelvormige gebied met een doorsnede van ongeveer 150 meter en een oppervlakte van twee hectare over aan de overheidsdienst Waters en Bossen. De stilte in het bos keerde daarmee terug maar wat er overbleef leek in geen enkel opzicht nog op een bos.

Op een luchtfoto van 1969 ziet het springputtenterrein er uit als een maanlandschap. Op een andere foto in 1972 zie je dat er in bijna alle putten water staat en dat er hier en daar al berkjes en wilgjes beginnen te groeien terwijl een eerste plantendek de omgeving aarzelend groen begint te kleuren. Een tiental jaren trok het terrein heel wat biologen en botanici aan die tot hun verbazing ontdekten dat er in en rond de putten niet alleen heel veel soorten planten wilden groeien maar ook allerlei soorten die je elders in deze bosomgeving met zure bodem of zelfs in heel Vlaanderen niet snel zal vinden.

De oorzaak van die bijzondere begroeiing is de combinatie van water met al de uit de putten opgeworpen chemisch vervuilde leem- en kalkachtige grond. Meer details over alle inventarissen die toen zijn gemaakt vind je in het boek Miradal in het hoofdstuk ‘De Planten in de Springputten’ (pagina 216-218, geschreven door André Cresens).

Rond 1976 was de pret alweer afgelopen omdat de bomen en struiken het overnamen. Nadien werden die nog enkele keren weggekapt door vrijwilligers bij de scouts maar dat stopte in 1982 nadat bleek dat er zich in de putten hier en daar nog niet ontplofte munitie bevond. Het terrein werd afgesloten en tot officieus reservaat verklaard en sindsdien hebben de bomen en struiken het overgenomen en weten alleen de kenners nog in het  voorjaar de lentebloeiers te vinden voordat de bladeren aan de bomen komen.

Het beheerplan over het Meerdaalwoud van 2007 wijdt enkele pagina’s aan het gebied. Daarin vind je dat de putten, – ondertussen poelen geworden – erg geschikt zijn voor zeldzaam geworden amfibieën zoals salamanders: “de ‘Springputten’ vormen anno 2000 nog één van de interessantste plaatsen met zeer veel groene kikker en met de 4 salamandersoorten (kleine water-, kam-, vinpoot- en Alpenwatersalamander)”.

Maar het Meerdaalwoud bevat in die tijd ook een tamelijke groot volkje van de heel zeldzame vuursalamander en blijkbaar moet een groot deel daarvan zich in de Springputten hebben gevestigd. Ondertussen zijn we alweer 15 jaar verder en hoe de toestand nu is kan ik niet beoordelen. Na een excursie een tiental jaren geleden heb ik er niets meer over gehoord. Op zich zegt dat niets want het monitoren van zeldzame soorten (in dit geval door Natuurpunt) gebeurt om begrijpelijke reden in alle stilte en op ‘Waarnemingen’ zul je de locatie niet vinden.

Ik hoop dat een van degenen die het weten het tegendeel kunnen bevestigen maar ik vrees dat de vuursalamanders het slachtoffer geworden zijn van de gevreesde agressieve schimmelziekte Batrachochytrium salamandrivorans (Bs). Maar gezien de ontoegankelijkheid en de duisternis over en rondom de poelen denk ik ook dat de biotopwaarde voor amfibiën ook verloren is gegaan, al was het maar omdat er geen enkele open plek met een beetje zon meer is.

Na lang aandringen en veel discussie hebben bij de historische ontsluiting van het Meerdaalwoud de bosbeheerders de Springputten als te ontsluiten erfgoedrelict vrijgegeven en in de in 2013 gepubliceerde Miradalbrochure laten opnemen met bijbehorend paaltje en zelfs een paadje tussen de twee shelters.

Maar ik heb de indruk dat er niemand meer komt maar misschien is dat ook wel goed. Voor natuurliefhebbers is het een goede plek om te zien hoe een bos zich ontwikkelt tot een gemengd ‘oerbos’ als het totaal aan zichzelf wordt overgelaten. Al wat een bos te bieden heeft kun je hier vinden aan mossen, dood hout, zwammen, schimmels en voorjaarsbloeiers. Zelfs als je er in zou willen – wat niet aan te raden is want niet goed voor de natuur en wellicht nog altijd onveilig om in zo’n put af te dalen (er is echter nooit een ongeluk gebeurd) – houden al het kriskras door elkaar levende en dode hout en de bramen je wel tegen.

In de zomer wandel je er voorbij zonder iets te zien, in de winter kan je de putten tegenwoordig wel goed zien vanaf de Walendreef. En het hele jaar kan je natuurlijk je picknick opeten aan de monumentale tafel onder de al even eerbiedwaardige beuk aan de Walendreef en je de ietwat cynische vraag stellen of oorlog tussen mensen en volkeren nu wél of toch niet goed voor de natuur is. Op voorwaarde natuurlijk dat je achteraf je zakje ook graag weer meeneemt want menselijke afval in een bos heeft alleen maar slechte kanten …

+++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

+++

https://www.natuurpunt.be/pagina/vuursalamander

+++

Universiteitsbibliotheek Gent Zoekresultaten

https://lib.ugent.be › catalog

Floristische en fytosociologische studie van de “Springputten” in Meerdaalwoud. Maria Dewit Submitted in 1979 in Leuven. Dienstverlening · Dienstverlening.

+++

Hans Baeté en anderen; Miradal Erfgoed in Heverleebos en Meerdaalwoud, Davidsfonds Leuven2009, ISBN 978-90-5826-642-8

+++

Springputten Meerdaalwoud. Zeer uitgebreide tekst uit 2007 (ook met de in deze tekst vermelde foto’s) geschreven door Joseph Verbist (maar waar deze gepubliceerd werd weet ik nog niet)

bron voor beide plattegronden: artikel Joseph Verbist
https://bel-memorial.org/cities/vlaams-brabant/meerdaal/meerdaal_mon_ontmijners.htm

Trefwoorden: Meerdaalwoud, springputten, tweede wereldoorlog, munitie, natuurreservaat, defensie, erfgoed, salamander,

OP STAP IN DE BEGIJNENBEEKVALLEI – HET PAPENBROEK IN BEKKEVOORT EN HET K7 ANTI-OVERSTROMINGSSYSTEEM IN DIEST

Uitgelicht

juli 2021

Ernst Gülcher

contact: ernst.guelcher (at) telenet.be

Neem de kaart er maar weer bij en ga eens op stap in het natuurgebied Papenbroek. Bij Natuurpunt lees ik dat het een gebied is van ergens tussen de 10 en de 50 ha dat ligt in de Begijnebeekvallei. Die vallei is het eerste gedeelte van de Hagelandse vallei en wordt omsloten door min of meer evenwijdig lopende heuvelruggen met intrigerende namen zoals Blakenberg en Luienberg. Op die heuvelruggen is het ook mooi wandelen hoewel je er wel het lawaai van de veel te drukke ‘Staatsbaan’ of N2 Leuvensesteenweg tussen Bekkevoort en Diest moet bijnemen, zeker als je die hier of daar wil oversteken.

Het reservaat zelf ligt juist te oosten de Zandstraat in Assent, een deelgemeente .van Bekkevoort. Het is een tamelijk smalle strook rechts van de Begijnebeek en op de kaart lijkt het niet erg toegankelijk. Maar op het terrein zal je al snel merken dat er wel degelijk een aantal leuke wandelpaadjes zijn voor natuurliefhebbers die goed ter been zijn en op zoek zijn naar een wat ruigere natuurbeleving. Je er een mooie aangeduide luswandeling in en rond maken maar je kan ook helemaal door en dan weer terug.

Natuurpunt: “Het Papenbroek bestaat uit een aaneenschakeling van natte graslanden, ruigten, bos en kleine waterpartijen. De bloemrijke laagveenhooilanden van weleer worden opnieuw in ere hersteld. Het Papenbroek herbergt veel zeldzame en bedreigde soorten. … In 1253 behoorde het Papenbroek toe aan de abdij van Sint-Truiden. De paters of ‘papen’ hadden het voor het zeggen in het gebied, vandaar ook de naam. Centraal in het Papenbroek ontspringt een bekoorlijk watertje, de Gele Gracht, gevoed door helder kwelwater. De naam ‘Gele Gracht’ wordt in oude documenten ‘Geilengracht’ genoemd. Het woord ‘geil’ stond vroeger namelijk voor ‘vruchtbaar’ of ‘welig’.”

Op de Ferrariskaart van 1777 zie ik op de plaats van die gracht de naam ‘Beverbeek’ staan, dus misschien heeft het daarmee ook wel te maken. De Bevermolen die ook op die kaart staat is er niet meer.

Het natuurreservaat Papenbroek maakt tegenwoordig geheel of gedeeltelijk deel uit van de gemeente Bekkevoort maar samen met het dorpje Papenbroek en de Begijnebeek was het eeuwenlang een deel van Diest. Als je op de kaart kijkt zie je dat de vallei ten zuidenwesten van die stad ligt. De reden ken ik niet maar op de kaart van nu is de beek aangeduid als ‘Winterbeek’ terwijl hij op alle oude kaarten de naam Begijnenbeek draagt.

In de beschrijving op de inventaris va onroerend erfgoed lees ik dat hij “behoort tot het Demerbekken  (en) maakt mogelijk deel uit van een voormalige fossiele vallei die zou kunnen doorgetrokken worden naar het westen langs de vallei van de Winge. Sommige auteurs zien hierin een voormalige Demerbedding”. Als dat laatste waar is denk ik dat in de oude tijd het water in de vallei in de richting van Werchter moet zijn gestroomd terwijl het vandaag de dag richting Diest gaat. Wie weet daar meer over?

Om in Diest ter hoogte van de Saspoort aan de Demer te geraken maakt de Begijnenbeek samen met de Gele Gracht een grote lus om de noord van de Kloosterberg, een heuvel van zo’n 50m boven de zeespiegel die daar door de zee als duin is achtergelaten in het ‘Diestiaanse’ tijdperk, dat wil zeggen zo’n 4 tot 10 miljoen jaar geleden. Op oude kaarten zoals die van Villaret (1745) zie je dat de hellingen van de vallei nog grotendeels bebost zijn zoals het ‘Bois du Prince d’Orange’ aan de noordkant en het ‘Bois de Nebauris’ aan de zuidkant maar op de kaart van 1873 is er al heel veel omgezet in akkers met holle wegen naar de vallei. Op de kaart van nu zijn er nog nauwelijks bomen te zien maar wel veel huizen en autowegen. Richting Kloosterberg is er alleen nog een bosje overgebleven dat recent is ingericht als het ‘bosreservaat Gasthuisbos’.

De beek zelf is op de oude kaarten nog een lint met talloze kronkels maar na de Tweede Wereldoorlog is hij bijna volledig rechtgetrokken. Dat dit allemaal samen mede de oorzaak is van overstromingen in de afgelopen jaren hebben de bewoners in de vallei moeten ervaren maar daar kom ik nog op terug.

In de vallei van de Begijnenbeek zelf “vinden we een nog grotendeels oorspronkelijk beemdenlandschap met sporadisch nog perceelsrandbegroeiing. Het Papenbroek is een waardevol natuurgebied.”. Jammer genoeg sta je aan de ingang van het gebied in Assent aan de Zandstraat wel ook aan de voordeur van een in de jaren zeventig aangelegde ambachtszone die ter plaatse het grootste deel van de vallei in een betonzone verandert. Misschien kan die nog eens verhuizen om de historische natuur-eenheid te herstellen?

Het gebied is dankzij het zorgvuldig natuur- en maaibeheer van Natuurpunt-Bekkevoort in zo’n 30 jaar veranderd van een verruigte wildernis van oude turfputten en door de boeren verlaten natte hooilanden, nadien beplant met snelgroeiende populieren, uitgegroeid tot een topnatuurparel met allerlei bloemrijke zeldzame planten die er in het verleden waren en na een lange periode van afwezigheid door verstoring nu de een na de ander weer tevoorschijn komen.

De fotogenieke weiden waar je als bezoeker doorstapt zijn zogenoemde ‘blauwgraslanden’. Volgens Wikipedia is zo’n weide een “associatie uit de klasse van de matig voedselrijke graslanden, een bijzonder soortenrijke plantengemeenschap van schraal nat grasland dat voorkomt op voedselarme, natte gronden, overwegend in beekdalen en laagvenen. De bodem mag noch te voedselrijk, noch te zuur zijn…. Tot het begin van de twintigste eeuw vond men in de laagveengebieden van de Lage landen grote oppervlakten blauwgrasland, alsook in (de randen van) de beekdalen van regio’s met een zandige ondergrond. …. Schattingen over de oppervlakte blauwgrasland in Vlaanderen lopen op tot duizenden hectare…. Door de ‘kwaliteitsverbetering’ van landbouwgronden tijdens de 20e eeuw, waaronder het gebruik van kunstmest, verlaging van de grondwaterstand en verzuring is er nog maar heel weinig bewaard gebleven van dit vegetatietype.

Het herstel van dit soort natuur vergt jarenlang geduldig maaien en afvoeren. Het resultaat mag er zijn en het klopt wat op de website van Natuurpunt-Bekkevoort staat dat de bloemrijke laagveenhooilanden die al 25 jaar in beheer zijn een “ware streling voor het oog zijn”. Die worden alle jaren tweemaal gemaaid en het maaisel wordt gehooid of afgevoerd. Daarbij worden blijkbaar ook zwarte Schotse hebridean-schapen ingezet maar die zijn nu nog niet te zien.want de schapen waar ik foto’s van post zijn wit maar van welke soort ze zijn weet ik niet.

De hoofdzaak is dat alles zo kort en opgeruimd mogelijk de winter in gaat. Daarnaast wordt ook de opslag van wilgen bestreden om verbossing te voorkomen en de vroegere turfputten opengemaakt om te kunnen dienen als poelen voor amfibiën en watergebonden insecten. Omdat het een drassig en dus kwetsbaar landschap is kunnen er geen zware machines gebruikt worden en moet er veel met de hand gebeuren: “elke eerste zaterdag komen vrijwilligers hun handen uit de mouwen steken. In het kader van het project educatief natuurbeheer in Vlaams-Brabant, komen ook de Bekkevoortse scholen regelmatig helpen.” Op de website vind je de agenda met de aangekondigde werkdagen. Ik denk dat ik nog lang niet alles van dit natuurgebied gezien heb en er dus wel weer binnenkort een bezoek ga brengen.

Tegelijkertijd moet natuurlijk ook verhinderd worden dat milieuvervuiling het gebied binnendringt en de bodem aantast.

In de tijd dat de beek nog meanderde diende de vallei als opvangbekken bij zware regen, vooral tijdens de winter, maar omdat het water proper was konden de boeren het meekomende slib gebruiken om hun landjes vruchtbaar te maken zonder dat de natuur verstoord werd. Maar in onze tijd veroorzaken zulke overstromingen zeer grote schade.

Het reservaat werd in 1989 al eens onder water gezet door een ongewenste overstroming van de Begijnenbeek en bijna 20 jaar later was het opnieuw raak. Tijdens een zwaar onweer op 4 juni 2018 werd het hele reservaat herschapen tot een modderpoel waardoor tot ellende van Natuurpunt Bekkevoort jarenlang natuurbeheer op één dag vernietigd werd “door vervuild slib van de hoger gelegen akkers” maar ook door vervuild water uit de overgelopen rioleringen die niet voldoende op de waterzuivering zijn aangesloten. Tegelijkertijd stonden ook in de stad Diest hele straten onder water.

Als natuurbeheerder van graslanden met orchideeën is dat om wanhopig te worden want dat water zit vol met veel te voedselrijke en giftige landbouwresten en met huishoudelijk afval uit de nog niet voldoende aangesloten rioleringen. Maar tegelijkertijd is die beek in het verleden zodanig gekanaliseerd (rechtgetrokken en verdiept) dat ook in de stad Diest straten en kelders blank komen te staan omdat het water niet kan uitvloeien. Blijkbaar is het probleem niet nieuw want ik lees in een aankondiging in juni 2017 bij de Vlaamse Milieumaatschappij (VMM) dat ze dan al werken hebben uitgevoerd aan de beek en dat ze nog twee extra gecontroleerde overstromingsgebieden gaan aanleggen die begin 2018 moeten klaar zijn.

Ik ben het allemaal al eens ter plaatse gaan bekijken. Als ik het goed begrijp komt het er op neer dat men op de splitsing tussen de Begijnenbeek en de Leugenbeek ten zuiden van Diest en ten noorden van het natuurreservaat het water wil verhinderen om rechtstreeks naar de stad te stromen (via de Begijnenbeek west van de Kloosterberg) maar het wil afleiden naar het natuurgebied Webbekom (via de Leugebeek oost van de Kloosterberg).

Op de kaart zie je op die splitsing aan het eind van de Neerveldweg (grondgebied gemeente Diest) een ‘verdeelcentrum’ met de naam K7. Om een en ander op een ecologisch verantwoorde manier aan te pakken worden niet alleen schuiven en dijken aangelegd maar ook de oude loop van de Begijnenbeek in ere hersteld door die minder diep te maken en er opnieuw bochten in aan te leggen.

We zijn nu 2021 en of al die werken al voltooid zijn weet ik niet zeker. Ik lees bij VMM dat “de goede ecologische toestand van de waterloop ten laatste in 2027 moet worden gehaald”. Alleszins zijn er blijkbaar sinds 2018 geen overstromingen meer geweest.maar tegelijkertijd lees ik dat we “door de klimaatverandering … allicht … moeten leren accepteren dat wateroverlast op bepaalde momenten onvermijdelijk zal zijn”.

Begin juli 2021 stonden veel straten in Vlaams- en Waals Brabant weer onder modderwater maar of Diest ook getroffen is heb ik niet gezien. In elk gevam; plan je huis of bedrijf maar niet in overstromingsgebied zou ik zeggen. De overstroomde wijk in Diest was eind vorige eeuw nog een waterbergend moerasdeel van de vallei dus wie daar gebouwd heeft oogst de moeilijkheden die in die tijd gezaaid werden. Daar komt bij dat als gevolg van de klimaatverandering de heftigheid van zulke onweders eerder zal toe- dan afnemen.afgewisseld door lange perioden van overmatige droogte wat al evenmin goed is voor de natuur en de levende wezens die het daarvan moeten hebben. 

 Voor het natuurbeheer zoals in het Papenbroek is het uiteraard van vitaal belang dat de agrarische en rioleringsvervuiling worden aangepakt maar blijkbaar is vooral het eerste nog altijd erg problematisch. Die doos van Pandora doe ik een andere keer nog wel open.

Op foto’s van Natuurpunt-Bekkevoort gezien zie je de tot aan de rand gevulde Begijnenbeek die hier en daar al aan het overlopen is maar uiteindelijk zijn de beheerder er met de schrik afgekomen en is een ramp deze keer uitgebleven.

Conservator Fredric Gabrys meldt dat hij denkt “dat 2018 voorlopig de laatste keer was met modder en massa water in het papenbroek. Bepaalde delen zie je dit nog met veel brandnetel en distels maar dit beperkt zich grotendeels tot het eerste perceel vanaf de Zandstraat. De overige percelen zijn nog ok, weliswaar betekenen die overstromingen met voedselrijk water en slib weer dat we een 10 jaar terug in de tijd worden geslingerd met beheren, dus terug verder verschralen. De percelen verder ten zuiden, ten zuiden van de Gele gracht blijven normaal altijd gespaard van overstromingen. Behalve die keer in sep 1998”. 

De kanttekening is dat het niet zeker is of de beheerders gewoon geluk hebben gehad of dat dit het positief resultaat is van de waterbeheersingsmaatregelen die de Vlaamse Milieu Maatschappij de afgelopen jaren heeft genomen om overstromingen te vermijden door de ecologie van de waterloop te verbeteren en door het water te verhinderen in grote massa’s naar de meest zuidelijke woonwijk van de stad Diest te stromen door het af te leiden naar het natuurgebied Webbekom.

 Op mijn vraag naar de toestand in ‘zijn’ gebied antwoordt beheerder Bert  Vandebosch: “Nu eerder geluk gehad…Te veel water hou je toch nooit tegen. Je kan er wel voor zorgen dat het zo proper mogelijk is en dan is er nog heel veel werk aan de Begijnenbeek en omliggend landschap….. er zijn zeer nuttige werken geweest maar dat ligt stroomafwaarts van het Papenbroek en heeft dus beperkte impact voor ons. Maar water vind ik niet zo erg zolang er geen sediment en mest van de akkers en rioolwater bij zit. In samenwerking met VMM hoopt men in de toekomst wel terug meanders te herstellen in het Papenbroek om nog meer water te bergen en langzaamaan wordt de vuilvracht van de beek gehaald. Ook stroomopwaarts ter hoogte van het industriepark wordt de vallei gedeeltelijk terug afgegraven en gesaneerd.” 

Na al de wateroverlastfoto’s van de laatste tijd ben ik meer dan benieuwd hoe het staat met de tegenmaatregelen op onze waterlopen en – gebruik makend van de gelegenheid –  ben ik maar eens een kijkje gaan nemen aan dat eerder in deze reportage genoemde ‘verdeelpunt K7’ ten noorden van het Papenbroek op de plek waar de Leugebeek zich van de Begijnenbeek afsplitst en ten oosten van de Kloosterheuvel richting natuurgebied Webbekom gaat. Ik toon je enkele foto’s van dit bouwwerk, mooi vind ik het niet maar nuttig is het wel denk ik. 

Dankzij K7 is de vallei van de Begijnenbeek en de Leugebeek tussen het Papenbroek in Bekkevoort en de woonwijk van Poelst in Diest bij het wolkbreuken van deze week niet onder water komen te staan. 

Je kan zien dat het water nog een flink stuk hoger heeft gestaan maar dat het binnen de bedding van beide beken en ook van die van de Gele Gracht gebleven is (die naam staat niet meer op de kaart van nu). Door het ophalen of neerlaten van de stuwen aan het verdeelcentrum wordt met de hulp van de elektriciteit van de torenhoge windmolens in de omgeving de waterstand in de beken geregeld. 

Op dit ogenblik staat het water stroomafwaarts in de Begijnenbeek west een stuk hoger dan dat in de Leugebeek naar het oosten. Maar de hoogte van de stuw bepaalt ook het peil van het water stroomopwaarts en met dat niveau is de beek tot een meter onder de rand gevuld maar het zou dus nog hoger kunnen.

De brede waterplas is wel een enorm verschil met het diepliggende gootje van een paar dagen geleden van voor het onweer waarin nauwelijks enig stroompje te zien was. De oever is flink drassig maar met rubberbotten kom je er goed langs. Voor wandelaars zijn er zelfs knooppunten voorzien en bij een bosje kom je een bord tegen dat je waarschuwt tegen buizerds. De stad meldt zich door een reusachtige Carrefour supermarkt aan de Reustraat ter hoogte van de Romblokstraat maar tenzij je daar je boodschappen wilt doen kan je mooi groen verder langs de beek  richting Provinciaal Centrum Halve Maan hoewel je dan wel tussen de huizen terecht komt. 

Wat mij opvalt is dat het water ferm stroomt maar dat de velden niet overmatig veel tekenen vertonen van erosie. Om het slib vast te houden zijn er op veel plaatsen bloemstroken voorzien waarop ik zelfs korenbloemen zie staan. Tot mijn spijt kom je vanaf hier niet langs de beek naar het natuurgebied Papenbroek zelf. Aan het oude Piëta-kapelletje aan de Neerveldstraat gaat er wel een pad maar dat loopt dood op privéweiden en boomgaarden, een beetje eikenbos en heel wat wildernis. Ik vermoed dat in de komende jaren dit landschap ook wel in natuurbeheer zal worden genomen en dat zou ik een goede zaak vinden. Om je heel dat ingewikkelde watersysteem van de Begijnenbeek en Leugenbeek rondom de Kloosterberg ten zuiden van Diest te laten zien heb ik een kaart bijgevoegd gebaseerd op die van Googlemaps. Daar zie je wel dat je als voetganger hier gemakkelijk in moeilijkheden kan komen als de de bruggetjes niet weet zijn. 

+++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/135082

Kloosterberg en vallei van Begijnenbeek

+++

https://www.natuurpunt.be/afdelingen/natuurpunt-bekkevoort

+++

https://nl.wikipedia.org/wiki/Blauwgrasland

+++

https://www.hln.be/bekkevoort/zware-ravage-in-papenbroek~a422a074/

+++

Juni 2017 – Overstromingsgebieden en beekherstel voor de …

https://www.integraalwaterbeleid.be › in-de-kijker › ov…

+++

https://www.robtv.be/nieuws/overstromingen-in-wijk-van-poels-in-diest-voorgoed-verleden-tijd-79230

+++

Bijkomende maatregelen aan Begijnenbeek en Leugebeek …

https://holahageland.net › 2019/12/04 › bijkomende-m…

trefwoorden: Bekkevoort, Assent, Begijnenbeek, Leugebeek, Diest, Papenbroek, Natuurpunt, blauwgrasland, natuurbeheer, wateroverlast,

Uitgelicht

DE WATERMOLEN VAN ROTSELAAR – DAAR KRIJG JE ENERGIE VAN

juli 2018

Ernst Gülcher

contact: ernst.guelcher (at) telenet.be

De Watermolen van Rotselaar op de Dijle, in de erfgoedinventaris als Maalderij Van Doren vermeld, is van het turbinetype maar dat was niet altijd zo.  De oudste vermelding gaat terug tot 1217, jaar waarin Heer Arnolf II van Rotselaar sterft en zijn bezittingen nalaat aan zijn oudste zoon Arnolf III. In die tijd telt het dorp vier watermolens waaronder de onze die dan staat op het eilandje dat nu nog bestaat.

Door huwelijken komt hij in bezit van de hertogen van Aarschot; achtereenvolgens de families De Croÿ en D’Arenberg. In het Arenbergarchief in Leuven zie je de molen aan de overkant van de Dijle op een 16de -eeuwse pentekening (1544) van het Middeleeuwse Rotselaar. Het is dan een uit hout opgetrokken constructie met een vlechtwerk van leem en stro tussen de balken. Het oudste stenen gebouw, de nog bestaande molenaarswoning, dateert uit 1573. Op een mooie pre-kadastrale kaart in het Arenbergarchief waarop alle hertogelijke eigendommen in Rotselaar te zien zijn, zie je de molen staan. De muren zijn van baksteen, het dak is gedekt met natuurleien en de fundering is van plaatselijke Diestiaanse ijzerzandsteen.

De molen zelf, het nog bestaand witgekalkt gebouw met de hijsinstallatie, dateert uit 1664: hij vervangt het vakwerkgebouw dat op het moleneiland stond en dat tijdens de godsdienstoorlogen vernield is. Pas in dat jaar vindt de Spaansgezinde hertog de politieke en economische situatie terug geschikt om te investeren in de Molen van Rotselaar. Het bouwwerk wordt de op 2 na grootste molen van de Nederlanden met twee, een tijdlang zelfs drie raderen.

Er wordt niet alleen graan van boeren uit de omgeving vermalen, maar ook graan dat via de Dijle vanuit Antwerpen wordt aangevoerd. De Dijle is immers bevaarbaar voor vrachtschepen zij het dat die langs de molen via een sluis moeten passeren (als ik het goed zie op de kaart). Samen met de nieuwe molen wordt door de Brusselse bouwmeester Hanecart in 1662 ook een nieuwe sluis op de Dijle ontworpen waarvan de stenen wanden en het landhoofd nog altijd bestaan.

De watermolen van Rotselaar is het begin van de 18de eeuw al een voor die tijd groot bedrijf dat in de honderd jaar nadien gestadig groter wordt. Aanplakbiljetten van rond 1735 spreken over drie maalkoppels (‘drij paer stenen’) waarop koren, tarwe en mout gemalen wordt, dat laatste voor de plaatselijke bierbrouwerij. Na de aanleg van de Leuvense Vaart in 1752 komen de vrachtschepen voortaan rechtstreeks van Antwerpen naar Leuven en niet meer via de Dijle langs Rotselaar. Omdat alle in Antwerpen gekochte graan vanaf dan met paard en wagen uit Wijgmaal gehaald moet worden wordt in 1777 de nu nog bestaande paardenstal met knechtenverblijf gebouwd. Maar blijkbaar heeft dat geen schadelijke invloed op het molenbedrijf want enkele jaren later zijn er zelfs vier maalkoppels in plaats van drie.

Op de Ferrariskaart van 1777 staat de molen er duidelijk op. De molen werkt verder maar krijgt onder de Franse bezetting en in de periode daarna blijkbaar toch met problemen te kampen.

off Watermolen van Rotselaar – het oude heeft niet afgedaan

Rapporten van 1840 spreken over de slechte staat van de gebouwen. De molen heeft het statuut van ‘loonmolen’ wat betekent dat er alleen gemalen wordt op vraag van de boeren en blijkbaar gaat dat achteruit. Daar komt bij dat alleen inlands graan verwerkt wordt. In later tijd wordt het molenbedrijf een handelsnijverheid waarin de molenaar zelf het graan gaat kopen en de bloem aan de bakkers verkoopt.

In die vooruitstrevende zienswijze komt rond 1840 de familie Van Doren als pachter van de hertog van Arenberg op de Molen van Rotselaar en brengt deze van het ambachtelijke naar het industriële tijdperk. Bekend geworden als ‘Maalderij Van Doren’ schakelt de molen in die tijd over van het ambachtelijke naar het industriële tijdperk. Rond 1870 wordt een nieuwe schuur gebouwd langs de Molenstraat tegen de paardenstal om meer opslagruimte te scheppen.

Rond 1880 wordt de molenmachinerie, tot dan bestaand uit de vier stenen maalstoelen, uitgebreid met een paar cilindermolens. Zulke machines bevatten metalen cilinders die met een verschillende snelheid tegen elkaar indraaien. Tussen de cilinders wordt het graan geplet en uit elkaar getrokken.

In het erfgoeddossier lees ik dat deze maalmethode het “warm malen” genoemd wordt omdat door de grotere snelheid en wrijving dan bij het malen met stenen de temperatuur stijgt. Het resultaat is dat je wel snel een heel fijne witte bloem krijgt maar dat de kwaliteit daarvan iets minder is dan die bij het ‘koud malen’. 

Deze vorm van industrieel malen met cilinders is in die tijd nog een zeldzaamheid maar het maakt de molen erg bekend in de streek en de wijde omgeving want zelfs de boeren van tegen de Nederlandse grens brengen hun koren naar Rotselaar vanwege die fijne witte bloem. In het dossier lees ik ook dat de geïnstalleerde machines ondertussen niet nieuw waren maar tweedehands gekocht bij de industriële molen ‘Remy’ in Wijgmaal. Tegelijkertijd wordt ook werk gemaakt van vergaande automatisatie van het maalprocedé met ‘plansichters’, dat zijn automatisch op en neer gaande zeven om de verschillende delen van het graan te scheiden, en ‘elevatoren’, dat zijn jakobsladders waarlangs het meel in bakjes automatisch naar boven kan worden getransporteerd samen met het luiwerk dat dient om met waterkracht zware zakken op te hijsen.

off Watermolen van Rotselaar – het oude molengebouw

Tot 1902 wordt de molen nog altijd aangedreven door twee raderen groot genoeg om het verval van 2,5m. te benutten maar dan legt het provinciebestuur na grote overstromingen op de Dijle vergaande aanpassing op aan alle moleneigenaars van hun stuwen en sluizen. De hertogin van Arenberg wil de kosten niet dragen en verkoopt de molen aan haar pachter Victor van Doren. Die renoveert de stuwen, vervangt de raderen door een turbine en bouwt de hoge silo. Vanaf 1907 doet ook de elektriciteitsopwekking zijn intrede.

De watermolen van Rotselaar wordt sinds 1902 dus niet meer aangedreven door raderen maar door de in de nieuwe silo geïnstalleerd hypermoderne turbine ‘Phenix’ nr.40 van de Franse onderneming Schneider-Jacquet met een gegarandeerd rendement van 80%.

Met een debiet van 3500 liter water per seconde en een verval van 2,1m levert dat een productie op van 245 zakken elk met 100kg afgewerkt graan per 24 uur en dat is meer dan tweemaal zoveel als tevoren met de raderen.

off Watermolen van Rotselaar – het ijzeren wiel

Sinds 2007 wordt de turbine ook gebruikt om elektriciteit op te wekken door middel van een alternator. Bij een voltage van 230-240 volt kan gemiddeld 50 tot 60 kilowatt stroom geleverd worden. Die stroom is nodig om de molen van verlichting te voorzien opdat er voortaan met een drieploegenstelsel 6 op 7 dagen de klok rond kan gemalen worden. Met het surplus worden op voorstel van de molenaar – dan ook plaatselijk gemeentesecretaris – de beide bruggen over de Dijle van elektrische lantaarns voorzien, iets wat in die tijd nog nergens anders gebeurt.

De vijf verdiepingen hoge stevig gebouwde silo heeft een capaciteit van 60 ton en is een grote trechtervormige kuip die in zes compartimenten verdeeld is om de te stockeren soorten graan te bevatten. Dat wordt aangevoerd door de boeren of door de molenarbeiders. De molen is niet uitgerust om graan in bulk te lossen maar toch koopt de molenaar ook grotere partijen aan die dan door een vervoerbedrijf in zakken worden aangebracht.

off Watermolen van Rotselaar – Maalderij van Doren

De zakken worden gelijkvloers geleegd in een trechtervormige houten bak en vandaar met een ‘bakjeslift’ (elevator) naar het juiste compartiment gevoerd. Meer details over het hele maalprocedé vind je in het erfgoeddossier evenals een uitleg over alle noodzakelijke verbouwingen en over problemen die veroorzaakt worden door het trillen van de turbine. 

In de dertiger jaren wordt nog een loods bijgebouwd en een kantoorgebouw op de binnenkoer en in 1950 worden de gietijzeren schoepen van de turbine vernieuwd. Maar toch is al voor de Tweede Wereldoorlog duidelijk dat de molen met zijn verouderend machinepark en de te krappe behuizing het zal moeten afleggen tegen de grote maalderijen in het Leuvense zoals Remy in Wijgmaal, Hungaria, Van Orshoven en de Leuvense Dijlemolens. In 1968 maalt de molen voor het laatst, het maalcontingent wordt verkocht, de machines verzegeld en alle drijfriemen verwijderd. In 1973 overlijdt de laatste bewoonster en vanaf dan staat alles leeg en raakt in verval door het oprukken van de natuur en het gebruikelijke klein en groot vandalisme. Vooral dat laatste leidt tot razendsnel verval. De website van de molen toont een serie foto’s over de toestand van 1974 van de hand van fotograaf Jan de Vijver.

Vanaf 1976 dringen plaatselijke bewoners aan op bescherming als monument. Bij wijze van eerste stap kan afbraak en verkaveling van het terrein juist worden verhinderd doordat in het gewestplan de site wordt ingekleurd als natuurgebied. De eigenaar zet het geheel dan maar te koop en hoopt kennelijk nog altijd op een goede afbraakprijs want er zitten heel wat bakstenen en metalen in en op de affiche lees je dat de maalderij een massa waardevol hout en eiken balken bevat. Er komen toch geen kopers opdagen, ik vermoed omdat verkaveling tot nieuwbouw onmogelijk is geworden. 

Na tien jaar leegstand wordt op 22 juni 1983 de Molen van Rotselaar definitief beschermd als industrieel-archeologisch waardevol monument en de omgeving als dorpsgezicht. Twee jaar later slaagt de Leuvense VZW ‘TSAP’ (’t Samen Anders Proberen) er in om het geld te verzamelen om de molen aan te kopen.

De leden willen er komen wonen en werken op een soortgelijke manier zoals dat ook het geval is in de Dijlemolens in Leuven. Dit is het begin van het woon- en werkproject Molen van Rotselaar. 

Architect Rob Geys en zijn mensen gaan aan de slag om alles op te meten en plannen te maken. Omdat op verschillende plaatsen de gebouwen dreigen in te storten worden met een eerste overheidssteun in 1987 de eerste instandhoudingswerken uitgevoerd om erger te beletten. Toch is nog de algehele instorting nodig van de oude houten schuur voordat de restauratie echt kan beginnen nadat de toenmalig minister van Monumentenzorg het eerste subsidiedossier ondertekent op voorwaarde dat het aantal woonheden van 4 naar 8 zal worden gebracht.

Maar zoals dikwijls het geval is in restauratiedossiers blijkt de ligging in natuurgebied niet alleen de redding te zijn tegen verkaveling maar ook het begin van een lange en moeilijke weg om in dat gebied de nodige grote woon- en bedrijfswerken te mogen ondernemen. De molenwebsite wijdt daar maar één paragraaf aan maar ik vermoed (weet zeker) dat er toch heel wat mensen van velerlei slag en besluitvaardigheid om de vergadertafel hebben moeten zitten om samen een zeer gedetailleerd restauratie- en beheerplan te bestuderen en uiteindelijk er hun medewerking aan te geven.. 

Op de website van de Molen van Rotselaar lees je hoe na een leegstand van 10 jaar en het instorten van de antieke houten schuur in 1987 de echte restauratie begint. Over hoeveel miljoenen franken, euro’s en arbeidsuren en slapeloze nachten het in deze eerste fase allemaal gekost heeft wordt niet veel gezegd: “met eigen middelen en overheidssubsidie en over een periode van meer dan tien jaar wordt het molencomplex omgevormd tot een eigentijds woon- en werkproject waarin in 9 wooneenheden een dertigtal mensen hun plaats gevonden hebben”. 

In 1991 wordt de molenaarswoning grondig gerestaureerd door het Herselts gespecialiseerde bedrijf Memibo.

Zowel voorbereiding (zoals het opruimen en kuisen) als afwerking wordt door de eigenaars echter zelf gedaan met de hulp van dikwijls jonge vrijwilligers die daarvoor zelfs uit Letland komen afzakken. Het jaar daarna pakt het bedrijf ook de paardenstal met knechtenverblijf aan, het bakhuis en het gebouw van de turbine. Gebouw na gebouw wordt onder handen genomen en in het kader van de bewuste beslissing om oud en modern en de achtereenvolgende bouwstijlen samen te brengen wordt ook het ronde torengebouw op de binnenplaats gebouwd. 

In het licht van mijn ervaringen met restauratie- en bestemmingsproblemen bij erfgoed-monumenten, zeker als die in natuurgebied liggen waar volgens de wet niet gebouwd mag worden vind ik de watermolen van Rotselaar een wel bijzonder geslaagd project waarvan ik verwacht dat het op veel andere plaatsen navolging zal vinden.

off Watermolen van Rotselaar – gedreven

In 1994 wordt de oude turbine gedemonteerd en gereviseerd en in 1995 opnieuw ingebouwd met tandwielkast en generator. De turbine heeft een vermogen van 100PK en levert ongeveer 500.000 KWh groene stroom per jaar ofwel zoveel als het gemiddeld verbruik van zo’n 140 Vlaamse huishoudens. Om de capaciteit te bereiken wordt in 1995 ook de oude 17de -eeuwse sluis vervangen door een dubbele klepstuw met vier schuiven. Op de in 2012 nieuw aangelegde ‘bypass’ (de vistrap) wordt ook zo’n stuw gezet en daar wijd ik nog een afzonderlijke bijdrage aan. Sindsdien wordt het water opgestuwd tot op een verval van 2,40 meter (het ‘pegelpeil’) en is de molen tot een moderne elektriciteitscentrale omgebouwd.

Dat is het begin van de groene stroom coöperatie Ecopower met maatschappelijke zetel in Rotselaar waar je aandelen van kan kopen. In 2006 begint de restauratie en gedeeltelijke vernieuwing van het in 1996 gedemonteerde en in depot gezette machinepark en sinds 2010 staat alles er weer zoals vroeger: 7 cilinderwalsstoelen en 3 steenkoppels. Onder leiding van Memibo is dit immense specialistenwerk grotendeels gedaan door Fons Verbeeck uit Rotselaar en Jan Lambrechts uit Hoeselt). Voor deze fase trekt Vlaams minister Dirk Van Mechelen in 2008 een premie uit van bijna 237.000 euro. Als kers op de taart krijgt de molen in 2013 het embleem van ‘Actieve Molen’ van het Molenforum Vlaanderen.

Als ik het goed begrepen heb zou in de Watermolen van Rotselaar sinds 2010 weer zowat dezelfde hoeveelheid graan verwerkt moeten kunnen worden als in 1902 na de installering van de turbine. In die tijd staat de capaciteit op 245 zakken elk met 100kg afgewerkt graan per 24 uur of wel 24.500 kg per etmaal. Daar kan je heel wat broden mee bakken denk ik dan. In werkelijkheid wordt er echter nauwelijks gemalen en dient heel de installatie bijna uitsluitend om bezoekers te tonen hoe het er vroeger aan toeging. De molen is geen werkende maalderij maar een museum.

off Watermolen van Rotselaar – belangrijk voor de waterzuivering

Er wordt wel alle donderdagen brood gebakken in de houtoven in het bakhuis maar het meel komt van andere molens in de omgeving. Op rondleidingen wordt soms een beetje gemalen maar met een klein losstaand boerengemaal met mini molenstenen. De belangrijkste reden is dat het produktieprocedé dat duizend jaar lang beproefd en goed was, in onze tijd door specialisten in ‘Brussel’ en ‘Europa’ niet meer aanvaard wordt door de wetgeving op de voedselveiligheid. Blijkbaar gaat het vooral om de hygiëne waarbij onder meer etenswaren niet meer in een houten machinerie mogen worden verwerkt. Alleen voor puur demonstratieve doeleinden mag er bij wijze van ‘uitzondering’ gemalen worden maar dan mag het gebakken brood niet worden verkocht.

Bovendien leidt onregelmatig gebruik van de stenen en andere machines tot overdreven schoonmaakproblemen.

Ik heb dit verhaal ook al gehoord van molenaars in andere molens en als het waar is vind het geen goede zaak. Zo verspillen we menselijke inspanningen, gepassioneerde inzet, professionele kennis en ook een massa geld want je hoeft toch niet een heel machinepark volledig te restaureren als je er daarna alleen maar mag naar kijken? Tegelijkertijd zie ik toch ook wel veel molenaars malen op contract, bij monumentendagen, open deurdagen en andere gelegenheden. Volgens mij is er dus nog een uitdaging voor de toekomst: hoe kan deze molen en alle andere molens die al gerestaureerd zijn of worden, opnieuw op ambachtelijke (kleinschalig) wijze voor ons hoogwaardig dagelijks brood zorgen? Voor de rest is heel dit project natuurlijk een fantastisch verhaal. De molen produceert groene stroom en is het centrum van Ecopower. Op de website vind je alle informatie over talloze sociale en culturele  activiteiten en wat er daar allemaal zo bij komt kijken. Binnenkort is het opnieuw molenfeesten en ik denk dat het de moeite waard is om dan een bezoekje aan de molen te brengen. Ik kom hier zeker nog terug.

De Watermolen van Rotselaar speelt een zeer belangrijke rol voor de waterzuivering. De Dijle heeft in Rotselaar een stroomsnelheid van ongeveer 5 kubieke meter per seconde. Tussen Leuven en Rotselaar daalt de rivier van 12m40 naar 10m00 op een afstand van slechts enkele kilometers. In de molen merken ze dat de Leuvenaars hun rivier al eeuwenlang beschouwen als de geregelde vuilnisdienst want ze gooien er nogal wat in zoals plastic flessen, glas, blik, meubilair, matrassen, Tv’s, ijskasten en diepvriezers. Op een jaar tijd spoelen er ook meer dan 2000 dierenlijken aan van ratten, katten, honden, kippen, konijnen, schapen, geiten, kalveren en zakken met slachtafval. Twee keer haalden ze er ook al een mensenlichaam boven. Dat mag absoluut niet in de turbine komen en om het water proper te maken moet het er gewoon allemaal uitgehaald worden. Er spoelt ook veel hout aan, zowel gezaagd als met de wind in de rivier gevallen al dan niet met hulp van de oprukkende bevers maar daarmee voorziet de molen zich tenminste van gratis brandhout. En dan is er natuurlijk ook al het natuurlijk materiaal zoals takken, bladeren en kroos. Met een grote machine wordt alle dagen 500 kg zwerfvuil opgehaald en dat is alle vijf weken een container vol. Na moeizaam onderhandelen wordt die container weggehaald door en op kosten van de Vlaamse Overheid maar al het ophalen en sorteren wordt door Ecopower gedaan en betaald.

Daarnaast is er een oplossing gevonden voor de migratie van de vissen. Vissen moeten de rivier op en af kunnen en bij molens is dat een probleem als er geen omleidingskanaal ofwel een vistrap is. Naarmate ons water weer properder wordt komt er weer vis op en om die reden legt de Vlaamse Overheid (Vlaamse Milieu Maatschappij) in 2011/12 een vierhonderd meter lange waterbedding rond de molen aan ter vervanging van de eeuwenoude Leibeek die enkele decennia geleden in een buis is gestoken en dus niet meer als vistrap kan dienen. Veel molenaars – vooral op kleine waterwegen – hebben bezwaren tegen zulke vistrappen omdat al dat afgeleide water ten koste gaat van het debiet bij hun molen. De oplossing daarvoor is om aan de vistrap een stuw te plaatsen die gesloten kan worden als de molen te weinig water heeft om te kunnen werken. Het is een mooie vistrap geworden met een natuurlijk uitzicht maar naar mijn goesting is er ter hoogte van de molen zelf te veel beton en koel staal gebruikt zodat het nogal afsteekt tegen de oude gebouwen. Daar zal wel een goede reden voor zijn maar ik houd meer van het gebruik van natuurlijke materialen in zulke omstandigheden. Maar er staan ondertussen ook veel bloeiende planten en zelfs druivenstruiken tegen en dat doet ook al goed.

+++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

https://www.molenvanrotselaar.be/

+++

https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/200216

(o.m.: technische beschrijving plus inventaris van het machinepark)

+++

http://www.molenechos.org/molen.php?AdvSearch=497

(hier ook veel literatuurverwijzingen)

+++

zie ook: http://ernstguelcher.blogspot.com/ met trefwoorden, watermolen, rotselaar, erfgoed, arenberg, geschiedenis

+++

https://dirkvansintjan.wordpress.com/waarom-groen/

een rondleiding door de molen

+++

https://www.samenhuizen.be/de-molen-van-rotselaar

+++

https://www.ecopower.be/over-ecopower/onze-investeringen/kleine-waterkracht-rotselaar

off watermolen van Rotselaar – ezels zijn van alle eeuwen

Trefwoorden: watermolen, energie, elektriciteit, dijle, rotselaar, arenberg, vistrap,

DE EZELSWEG AAN DE IJZERENBERG IN HERENT MOET OPEN BLIJVEN

Uitgelicht

juni 2021

Ernst Gülcher

contact: ernst.guelcher (at) telenet.be

Ik denk dat er weinig voetwegen in Vlaanderen zijn die al een eigen Facebookpagina hebben maar.die van de ‘Vrienden van de Ezelsweg’ in Herent is zeker een.van de meest actieve die ik al gezien heb. Het gaat over een verhaal dat helaas in onze soms ongastvrije op privé-eigendom gerichte streken al te vaak voorkomt. Een eigenaar sluit op eigen gezag om persoonlijke redenen een veel gebruikt en al heel oud wandelpad over zijn grote terrein af met borden ‘verboden toegang’, hekwerk en prikkeldraad en de wandelaars.moeten maar zien hoe ze op een andere manier rond dat terrein heen komen.

Het verschijnsel is van alle tijden maar jammer genoeg worden er meer en meer voetwegen op die manier ontoegankelijk gemaakt en het lijkt er op dat sinds de uitbraak van de COVID-pandemie met het stijgend aantal mensen op zoek naar natuurbeleving, meer en meer eigenaars op deze manier reageren.

Maar tegelijkertijd blijkt dat de wandelaars van nu zich niet altijd meer zo gemakkelijk laten doen en vinnig reageren op de afschaffing van hun geliefde wandeltraject en er zelfs een zaak voor de vrederechter voor over hebben om hun gelijk te halen.

Haal de kaart er even bij en dan zie je dat de Ezelsweg een heel mooie en oude holle weg is aan de oostkant van de woonwijk Schoonzicht in Winksele (Herent) .Die wijk was tot in de jaren zeventig nog deel van het Bertembos en toen kon dat nog maar dat is een ander verhaal. Via de Ezelsweg kan je via dat Bertembos een hele mooie natuurwandeling om die wijk heen maken waarbij je – tot mijn verrassing – nauwelijks huizen ziet. Via die Ezelsweg kan je ook vanuit die wijk onmiddellijk aansluiten op het wandelfietspad richting Leuven-Gasthuisberg en de stad zelf.

Als de Ezelsweg afgesloten wordt kan dat allemaal niet meer en moeten de bewoners (en andere bezoekers) verder maar via de drukke Brusselsesteenweg aan de noordkant zien hoe ze zich verplaatsen. Reden genoeg om mijn en jouw aandacht te trekken en omdat ik graag als voetganger op verkenning ga heb ik op de bijgevoegde kaart het trajectje uitgezet om rond Schoonzicht te wandelen door een heel mooi stuk van Bertembos dat ik zelf nog niet kende.

Hoe oud is die Ezelsweg en waar komen de ezels vandaan?.De Ezelsweg in Herent (Winkele) is volgens mij de oudste holle weg in die omgeving. Op de Villaretkaart van 1745 en de Ferrariskaart van 1777 staat hij er overduidelijk op maar ik vermoed dat er veel oudere kaarten zijn waar je hem ook kan vinden. Hij ligt aan de zuid-west kant van de IJzerenberg. Die heuvel dankt zijn naam aan het feit dat de ondergrond bestaat uit ijzerzandsteen. In feit is dat ook het geval voor het iets verderop gelegen Bertembos. In Bertembos zijn ook holle wegen en sommige daarvan zijn veroorzaakt door vroegere ontginningen van die steen.

Of er ooit een ontginning van ijzerzandsteen is geweest op de IJzerenberg weet ik nog niet. Het zou geprobeerd zijn wordt mij verteld maar nooit een succes geworden. Tegelijkertijd lees ik dat in 1365 de stad Leuven ijzerzandsteen liet aanvoeren vanaf de Rosselbergh (Roeselberg) in Herent voor de fundering van de tweede stadsmuur.

Op de kaart zie je dat IJzerenberg, Mollekensberg en Rosselberg één geheel vormen en ik heb een kaart gevonden waarop vindplaatsen van ijzerzandsteen in die omgeving staan aangeduid.  Dat zegt uiteraard allemaal niets over de ouderdom van de Ezelsweg maar omdat hij zo diep is durf ik te vermoeden ik dat hij toen al in gebruik was. Voeg hier aan toe dat Winksele als dorp al in verschillende documenten vermeld wordt vanaf 1133, dan is de Ezelsweg wellicht al zo’n duizend jaar oud.

Er is geen reden om aan te nemen dat hij al die tijd niet door velen gebruikt werd en wellicht – maar dat is een pure veronderstelling – hebben onze voorouders daarbij ezels als lastdieren  gebruikt en heeft hij daaraan zijn naam te danken. Op de Villaretkaart is er in die tijd nog bijna niets aan bebouwing en honderd jaar later is dat op de kaart Vandermaelen (1846) en de NGI-kaart van 1873 nog altijd zo. Op die laatste staat de Ezelsweg wel opperduidelijk aangegeven.onderaan het ‘Montagne de Fer’.

Ik doe een beroep op lezers met kennis van de plaatselijke geschiedenis om mijn beweringen te weerleggen of aan te vullen want de ouderdom van een publiek toegankelijk voetpad is belangrijk voor de vraag of je een oeroude verbinding voor je privé-van-nu  naar je toe kan trekken en afsluiten voor dat publiek.

De Ezelsweg is een holle weg die waarschijnlijk al zo’n duizend jaar oud is en al die tijd gebruikt is door wie – al dan niet per ezel – van Winksele naar Terbank moest gaan of wie op de IJzerenberg iets moest doen. Sinds de jaren 70 wordt hij door de bewoners van de wijk Schoonzicht gebruikt om een luswandeling te maken door het aan hun huizen grenzende Bertembos.

Van wie er al die tijd de eigenaar van was maakte niemand ooit een probleem. Dat veranderde in 1991 toen de heer Victor Spaes en zijn echtgenote een groot deel van de IJzerenberg, tot dan eigendom van de heer Bruylants, aankochten om er een kunstpark van te maken. Of de Ezelsweg onder aan de helling geheel of gedeeltelijk bij die aankoop was inbegrepen is nog altijd officieel niet uitgemaakt.

Volgens de nieuwe eigenaar staat het zo in zijn plannen maar om de echte waarheid te achterhalen is nader kadastraal onderzoek nodig.

Op zich lijkt het al vreemd dat een zo oude openbare en overduidelijk weg zomaar verkocht zou kunnen worden maar blijkbaar heeft niemand daar in die tijd vragen bij gesteld. In elk geval, de berg werd aan de kant van de Brusselse Steenweg 129 van het huis van de vroegere burgemeester van een toegang voorzien om kunst-tentoonstellingen en soortgelijke evenementen te kunnen organiseren die tegen betaling van een entreegeld bezocht kunnen worden. Bij die gelegenheid kan de bezoeker de kunstwerken ook aankopen.

De nieuwe eigenaar had natuurlijk kunnen weten dat dit aan de kant van de openbare holle weg problemen zou kunnen opleveren maar blijkbaar bleven die de eerste twintig jaar uit, vooral omdat vanaf de Ezelsweg de tenstoongestelde voorwerpen niet te zien waren en onbereikbaar omdat er geen verbinding was naar de hoger gelegen helemaal beboste helling.

In 2016 liet de eigenaar wel een hek zetten aan de ingang aan het fietspad met het doel om mountainbikers te weren.

De eerste tentoonstelling ging door in 2009 (begrijp ik uit de website van de organisatoren) maar in 2018 besloot de nieuwe generatie (Bruno) Spaes echter de zaken ambitieuzer, en professioneel-zakelijker aan te pakken door het oprichten van een VZW IJzerenberg en door de aankoop van enkele percelen aan de overzijde van de Ezelsweg met het doel om ook aan die kant kunstvoorwerpen ten toon te stellen die ook duidelijk vanaf het pad te zien zijn.

Dat was een ferme uitbreiding en sindsdien is het dan ook mis gegaan. In 2019 werd het wegje voor de eerste keer al eens tussen mei en oktober afgesloten. Een groot buurtprotest werd beantwoord met de belofte dat het ‘tijdelijk’ zou zijn.

In 1920 bleef het stil maar dat was omdat vanwege de COVID-crisis er geen tentoonstellingen doorgingen. Wel probeerde de eigenaar van het kunstenpark ‘zijn’ holle weg ontoegankelijk te maken door hem (gelijk de boeren dat op ruwe wijze doen) op te vullen met boomstammen en andere obstakels. Dat was niet verstandig want passanten maakten er prompt sporen omheen en het houtwerk werd door plaatselijke bewoners opzij gelegd.

Ondertussen was er toch door de ‘Vrienden van de Ezelsweg’ een rechtszaak opgestart voor de vrederechter.

Dan zou je verwachten dat tot die tijd alles blijft zoals het is (zo is de wet bij juridische betwistingen) maar in mei 2021 stonden er plotseling aan de twee kanten afgesloten ijzeren poorten afgezoomd met prikkeldraad en strenge verbodsborden. Dat leidde tot publieke aandacht maar ook tot een heftige reactie van kwade onbekenden waarbij vooral het prikkeldraad het moest ontgelden om de weg weer open te maken; de hekken zelf werden niet beschadigd (interessante vraag in moeilijke tijden: ben je een vandaal als je een onwettig geplaatste barrière op je weg openmaakt?).

Sindsdien kan je er weer door en hebben het buurtcomité en/of de gemeente ook fraaie borden gezet om de zaak uit te leggen en om tot een redelijk compromis op te roepen.

Zo’n compromis is natuurlijk niet moeilijk als iedereen van goede wil is. Als de eigenaar aanvaardt dat op de historische holle weg op zijn terrein een erfdienstbaarheid van openbare doorgang rust (dat is heel gebruikelijk) kan het buurtcomité aanvaarden om over die weg een ‘peterschap’ te aanvaarden van onderhoud en toezicht.

De verbinding vanaf de holle weg naar de kunstwerken kan worden afgesloten en de kunstwerken zelf kunnen worden verborgen achter hagen van bosrozen of andere mooi maar stekelig ondoordringbaar struikgewas (overigens is er langs dat pad nog nooit een kunstwerk beschadigd dus je moet de gevaarkans niet opdrijven om je gelijk te bepleiten).

En langs de holle weg kunnen borden gezet worden om de aandacht te trekken van mensen die ook het erboven gelegen park zouden willen bezoeken langs de officiële toegang (en de catalogus aankopen). En als de eigenaar dan ergens over de holle weg een mooie Chinese boogbrug laat zetten om van de ene kant van zijn park naar de andere kant te komen zou toch iedereen tevreden moeten zijn.

En dan kan de eigenaar alle bewoners van Schoonzicht eens uitnodigen op een verzoenings-open deur dag in zijn park in plaats van de zaak uit te vechten met eindeloze rechtszaken waarbij dure advokaten elkaar met juridische haarkloverijen proberen af te troeven om hun ‘eigen gelijk’ binnen te rijven waarbij er vooral verliezers zullen zijn en het kunstpark zeker imago-schade zal oplopen.

Ik vind de koppige houding van de eigenaar in schril contrast staan met het alom geprezen privé-kunstpark van het Whitehouse van Salve Mater in Lovenjoel en ik vind het ook raar dat noch op de facebookpagina, noch op de website van de IJzerenberg er ook maar iets over deze controverse gezegd wordt. Ik vermoed dat de kunstenaars er ook niets over te horen krijgen en ik vraag mij ook af of het in die publiciteit vaak genoemde Museum M wel voldoende geïnformeerd is.

Voor de volledigheid besluit ik deze reportage met een bijdrage over het deel van het Bertembos waar deze wandeling langs gaat. Voor de Schoonzichtlluswandeling moet de Ezelsweg open blijven. Bertembos is een geliefde natuurplek om op stap te gaan vanuit Bertem, Leuven maar ook vanuit de gemeente Herent (Winksele). Ook al om die reden is het Ezelsweggetje een veel gebruikte holle weg.

Dit is zeker zo sinds in de jaren zestig van de vorige eeuw het er aan grenzend deel van Bertembos verkaveld werd tot een villawijk die we sindsdien kennen als ‘Schoonzicht’. Gedane feiten maken geen keer en tegenwoordig is het eeuwenoude boscomplex tegen zo’n ingreep beschermd. Als dat deel van Bertembos tot de gemeente Bertem zou hebben behoord was het waarschijnlijk ook niet gebeurd maar dit perceel ligt juist aan de kant van wat sinds 1977 de gemeente Herent is maar toen nog bij Leuven hoorde.

Tot die tijd bleef Bertembos-Eikenbos-Grevenbos sinds de middeleeuwen min of meer bewaard in de vorm die we vandaag kennen met uitzondering van 18de en 19de eeuwse  veranderingen zoals de aanleg van de Bosstraat en nog wat ontbossing aan de kant van de Augustijnerhoeve.

De nieuwe wijk ligt op het vroegere bosperceel ‘Korenmonster’ en ondanks de huizen is de omgeving er nog opvallend landelijk. In het omringende bos staan volgens mij een paar van de oudste bomen van Bertembos. Op je wandeling komen we aan de westkant vanaf de statige dreef met de naam ‘Armenlosweg’ langs de ‘Warotweg’ (op de kaart ook aangeduid als voetweg 66). Het zijn namen waarvan ik nog altijd de betekenis zoek (wie helpt?).

Je gaat daar bovenlangs en uiteindelijk over een diepe vallei die deze wandeling bijzonder aantrekkelijk maakt, ook omdat je daar bomen passeert met bijzondere vergroeiingen. Een ervan – een enorme boskers – heeft de grootse maserknol die ik ooit gezien heb en zou om die reden best de meest kostbare boom van het bos kunnen zijn. Maserknollen zijn hun gewicht in goud waard om te gebruiken als kunstfineer voor kostbare siermeubelen. Maar beter is uiteraard om de boom gewoon te laten staan in de natuur hoewel hij er niet meer zo levend uitziet vrees ik. Ik kom ook nog een reusachtige berkenzwam tegen maar voor de bosanemonen zal ik vroeg in het volgend jaar moeten terugkomen.

De huizen zijn dikwijls dichtbij maar je ziet ze nauwelijks. Op het einde staan de akkers kleurig afgezoomd met margrieten en tenslotte kom ik ook nog een weide met schapen tegen. Dit deel van Bertembos kende ik nog niet maar het is best de moeite waard.

Daarmee rond ik deze reportage alweer even af maar ik beloof om er nog op terug te komen want het gaat tamelijk spannend worden begrijp ik van allerlei berichten op de facebookpagina van de ‘Vrienden van de Ezelsweg’.

+++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

https://www.facebook.com/EzelswegHerent

+++

IJZERENBERG VZW STAATSBLAD PUBLICATIES en …

www.staatsbladmonitor.be › bedrijfsfiche

 12-03-2018

+++

http://heemkundeherent.be/erfgoed-2/

+++

https://www.vlaanderen.be/publicaties/diestiaan-ijzerzandsteen-van-demergotiek-tot-restauratieproblematiek

+++

+++

Populaire trage weg dwars door domein kunstencentrum …

www.nieuwsblad.be › cnt › dmf20210506_93873971

6 mei 2021 — De populaire trage weg Ezelsweg in Winksele is sinds afgelopen … de trage weg bevindt zich namelijk op privé-eigendom van IJzerenberg.

+++

https://www.vrt.be/vrtnws/nl/2021/05/06/buurtweg-herent/

Buurtprotest tegen afgesloten trage weg in Herent: “Moet ook op privé-domein toegankelijk blijven”

+++

+++

https://opstapinhetlandvandedijleendedemer.home.blog/?s=bertembos

+++

https://ernstguelcher.blogspot.com/  – zoek op trefwoord Bertembos

+++

https://nl.wikipedia.org/wiki/Warrelknoest (maserknol)

Trefwoorden: Ezelsweg, Herent, Winksele, Schoonzicht, Bertembos, IJzerenberg, toegankelijkheid, voetweg, holle weg,

OP STAP NAAR HET PERTSEVELD IN DE JORDAANVALLEI

Uitgelicht

 

Juni 2021

Ernst Gülcher

contact: ernst.guelcher@telenet.be

Voor een verkenning van het Pertseveld in de vallei van de Jordaan vertrek je best vanaf de watermolen aan de Mene in Hoksem. Het dorp is sinds 1977 samen met Meldert deel van Hoegaarden. Tot die tijd heette het nog Hoxem en hoorde het gedeeltelijk bij het aan de andere kant van de E40 gelegen Kumtich maar die gemeente werd aan Tienen toegevoegd. Midden in het dorp prijkt de Sint Evangelist kerk samen met de pastorie als beschermd monument. De historische maar weer helemaal in bedrijf zijnde watermolen is ook waardenvol erfgoed en over zijn zeer merkwaardige geschiedenis schreef ik al een aantal bijdragen (zie de link). Met een beetje zoeken vind je aan beide kanten van de molen een weggetje dat je naar de bovenloop van de Mene brengt (zie de kaart).

Zodra je de huizen achter je laat ben ben je onmiddellijk en onmiskenbaar in Natuurpunt-gebied, dat wil zeggen zolang dat je in de laagte van de vallei blijft want zodra je hoger op de helling komt is alles één groot modern grootschalig boerenlandschap van akkers van graan en mais en – in toenemende mate – wel erg grote prozaische voorraadschuren. Klimop ertegen en populieren er rond zou al veel goed doen aan het zicht en de natuur.

Liefhebbers van lange staptochten kunnen van hier helemaal naar Meldert en terug via een bewegwijzerde grote lus die gedeeltelijk vlak langs de rivier gaat door het reservaat maar die aan de overkant een wel erg grote omweg om de noord maakt om via Babelom en de Carolushoeve terug in Hoksem te komen. Er ligt nog een op Atlas van de Buurwegen in 1840 geregistreerde veldweg tussen de Carolushoeve en de Oude Molen aan de Molenbeek maar sinds de boer die ondergeploegd heeft is hij aan het gezicht onttrokken. 

Op de tweede kaart toon ik je nog een luswandeling van 6,5km. In deze bijdrage houd ik het bij een kortere lus (4,5km) waarbij we zo dicht mogelijk bij de Jordaanbeek blijven en de er boven gelegen helling met de naam Pertseveld opzoeken. De paden zijn niet verhard maar wel geriefelijk en ook niet al te drassig, vooral omdat je bijna nergens echt in het moerasgebied kan binnendringen  Wat ik ook wel een beetje jammer vind want wat heb je aan al dat moois als je er nauwelijks bij kan komen? Gelukkig organiseert beheerder Natuurpunt Velpe-Mene regelmatig gegidste excursies in het gebied.

Pak de wandelkaart er maar bij en dan zie de hoe belangrijk het Pertseveld in Hoksem (Hoegaarden) is voor de natuuronwikkeling in de vallei van de Jordaan en de Mene. Het landschap tussen en op de hellingen van deze twee beken is één groot relief met moerassige weiden, ruigten, broekbossen maar ook droge akkers en een bodem met kalkstenen die hier en daar ook aan de oppervlakte komen. Op de Villaretkaart van 1745 zie je een valleilandschap met kleine weideperceeltjes langs de waterloop met daarboven grotere akkers. Honderd jaar later zie je op de kaart van 1873 nog altijd datzelfde landschap. Nog eens honderd jaar later – we zijn dan in de jaren 90 van de vorige eeuw, ziet het landschap er op de kaart nog altijd hetzelfde uit maar op het terrein heeft de traditionele akkerbouw wel plaats gemaakt voor de machinale landmethoden van nu met toepassing van chemicaliën om de gewassen te doen groeien, aantastingen te voorkomen en ‘onkruid’ te weren. 

Maar ondertussen wordt de gemeente Hoegaarden zich volop bewust van de waarde van dit gebied. In een gemeentelijk ‘Tekstboek’ in maart 2012 vind ik de volgende passage: “China en het natuurgebied van Pertseveld. De landbouwgebieden vormen samen met de natuurgebieden de dragers van de open ruimte. De landelijkheid en het open ruimtekarakter staan in de nederzettingsstructuur voorop. Van verstedelijkingsdruk vanuit het stedelijke gebied Tienen of manifeste industriële uitbreidingen in de ruimte rondom de E40 is in Hoegaarden hoegenaamd geen sprake. De aanwezige bedrijvigheid situeert zich in hoofdzaak aansluitend bij de kern van Hoegaarden en staat deels in relatie met de activiteiten van de brouwerij Hoegaarden. Het bedrijventerrein Bleyveld werd aangelegd om de lokale bedrijvigheid (ambachtelijke bedrijven en KMO) ruimte te bieden zich verder binnen de gemeente te laten ontwikkelen. De groengebieden op het gemeentelijke grondgebied komen verspreid binnen de beekvalleien voor. 

De voornaamste gebieden zijn Meldertbos, bosgebied Keverlo, het parkgebied van China en het natuurgebied van Pertseveld. Binnen de landbouwgebieden komt nog een aanzienlijk aantal aan kleine landschapselementen voor zoals knotbomen, holle wegen, struwelen en graften“.

Tegen die tijd zijn grote delen van de vallei al in beheer bij Natuurpunt. Het Pertseveld zelf wordt door Natuurpunt Velpe Mene rond het jaar 2000 aangekocht en als akkereservaat ingericht als deel van het project ‘Graan voor Gorzen’. Ondertussen kom na de ruilverkaveling van Hoegaarden die van Willebringen op gang en daar ga ik het hierna even over hebben.

Met de Vlaamse Landmaatschappij als coördinator is sinds het begin van deze eeuw de ‘ruilverkaveling Willebringen’ op gang getrokken als een geïntegreerd en modern Vlaams plattelandsproject waarbij landbouwverbeteringen gecombineerd worden met de ontwikkeling van natuurgebieden, kleine landschapselementen, erfgoedcomponenten,  waterbeheersing, infrastructuur, landelijk wonen en werken” . Het gaat om een grondige herinrichting van de open en landschappelijk gebleven ruimte op het grondgebied van de gemeenten Bierbeek, Boutersem, Tienen en Hoegaarden ter hoogte van de taalgrens, in totaal zo’n 2600ha.

Het spreekt vanzelf dat voor zo’n project er heel wat komt kijken en dat er ook een hele reeks belanghebbenden mee rond de voorbereidingstafel zitten zoals de gemeentebesturen, de boeren maar ook de natuurorganisaties waarvan Natuurpunt de belangrijkste en aktiefste is.


Voor Natuurpunt staan de mogelijkheden op het spel om een hele reeks natuurgebieden uit te bouwen zoals Mene-Jordaan-Willebringenbos-Pertseveld (Willebringen, Meldert en Hoksem), Zegelberg-Wijttebroek- Menevallei (Kumtich en Oorbeek), Snoekengracht-Vondelbeek-Kop van Koutemveld (Vertrijk), Aardgat (Tienen), Molensteen-Velpevallei-Hazeberg (Bierbeek), Meldertbos-Moeras Keulen- Molenbeek (Meldert). In 2011 werd op ministerieel niveau het ruilverkavelingsplan goedgekeurd, in 2013 werden de bestuursorganen voor dat plan opgericht, de jaren daarna worden gekenmerkt door heftige discussie, voorbereiding en gaan er hier en daar werken van start.

Uiteindelijk ligt er sinds 2019 een zeer gedetailleerd door alle betrokkenen aanvaard gedetailleerd ‘structuurplan’ op tafel en zou de echte uitvoering moeten beginnen. Daarbij heeft Natuurpunt, vooral door erg hard te werken in zijn officieel toch maar bescheiden rol als ‘neutrale adviesinstantie’, een uitbreiding van natuurontwikkeling kunnen bereiken voor in totaal 129ha.

Of dat allemaal naar tevredenheid op lokaal vlak zal gerealiseerd worden is altijd meer dan een beetje onzeker want blijkbaar verlopen de onderhandelingen nadien niet erg bevredigend maar alleszins is het erg belangrijk voor de vallei van de Jordaan en de Mene tussen Meldert en Hoksem en voor het Pertseveld en omgeving in het bijzonder.

Het Pertseveld maakt deel uit van de 129ha die de afdeling Velpe-Mene van Natuurpunt toegewezen krijgt in de vallei van de Molenbeek in Hoksem bij de uitvoering van de ruilverkaveling Willebringen. Dat lijkt veel maar het is natuurlijk toch maar een klein deel van de in totaal 2.578 hectare van het hele verkavelingsplan. Bovendien gaat het om gronden waar de boeren van nu niet zoveel mee aankunnen op de hellende valleiflanken van de Jordaan en de Mene en nog enkele beken die daarin uitmonden.

Met de woorden van conservator Pieter Abts: “Het zijn veelal moerassige graslanden of akkers … De nu nog door landbouwers bewerkte percelen zijn agrarisch van minder waarde. Er zit veel kalk en zelfs gobertingenkalksteen in de grond en er is ook veel erosie op de hellende flanken. De beherende boeren kregen elders landbouwpercelen toegewezen. Er was geen bezwaar van boeren om het gebied een bestemming te geven voor natuurontwikkeling. Op de valleiflanken en in de vallei zelf zijn hier en daar al percelen ingenomen door Natuurpunt voor natuurontwikkeling. “Je treft er moerassige en soortenrijke graslanden en broekbossen aan …Typische orchideeën en hondskruid groeien er weer. Elders tref je die nog maar zelden aan. De percelen natuur zijn snippers tussen graslanden en akkers. Het structuurplan biedt de mogelijkheid ze met mekaar te verbinden tot één groot natuurgebied in het Pertseveld met aan de rand het Willebringenbos en de Zegelberg.”

De Zegelberg ligt boven de Mene juist aan de andere kant van de E40. en ik zal in die streek nog eens dringend op verkenning gaan. Op de kaart zie je dathet resultaat is dat heel het valleigebied tussen Hoegaarden, Meldert en Hoksem nu één groot samenhangend natuurcomplex is geworden met naast het Pertseveld de natuurreservaten Rosdel, Meldertbos en de Jordaan. En als je ten zuiden van Meldert de taalgrens over steekt bij L’Ecluse en de Schoorbroekbeek stroomopwaarts volgt naar de Ferme de Wahenge zie je snel dat Natagora daar ook actief is om de natuur te bevorderen.en daarin wel kan slagen op voorwaarde dat dit deel van de vallei niet volgebouwd wordt.

Wat er nu bij de uitvoering van de ruilverkaveling al allemaal door Natuurpunt beheerd wordt en wat nog niet vind ik moeilijk om op de kaart precies aan te wijzen. Natuurpunt doet dikwijls een beetje geheimzinnig over de preciese grenzen van haar grondbezit. Dat is heel begrijpelijk want er wordt voortdurend gezocht naar mogelijkheden om die grenzen uit te breiden en daar komt veel geduld, tact en in stilte onderhandelen bij kijken waarbij discretie ook nodig is om geen ongewenste concurrentie (zoals paardenliefhebbers en jagers) aan te trekken.

Maar op het terrein zie je het verschil overduidelijk tussen de grootschalige kale maisakkers, wuivende graanvelden en eindeloze richels met aardappelplanten en zeeën van suikerbieten aan de kant van de landbouw en met houtkanten afgezoomde bloemrijke en soortenrijke weiden afgewisseld met kleine akkertjes aan de kant van de natuur.

Nu we met de onweders van de laatste dagen weer aan alle kanten modderwater over de straten en in de kelders zien stromen geven we er ons rekenschap van dat die manier van natuurbeleid niet alleen goed is voor de biodiversiteit maar ook dient om massale erosie tegen te gaan in de vorm van leem die van de kale grond tussen de gewassen van de helling wordt meegesleurd en de beken en grachten doet overstromen door dichtslibbing en die ook de rioleringen sneller verstopt dan dat de gemeentediensten ze kunnen leeghalen. Bovendien komen met die leem ook behoorlijk wat plantverdelgers en sproeistoffen tegen insecten en andere ongezonde stoffen mee wat niet bevorderlijk is voor de kwaliteit van het drinkwater en ook de plantenwereld bederft. Om dit te voorkomen heeft een landschap structuur nodig dat grond en water ‘buffert’ en in de Jordaanvallei zie je op stap op de boven elkaar liggende plateaus met graften heel goed hoe zoiets er dient uit te zien.

En hoe breder die buffer is hoe beter en dat er op de duur meer nodig is dan alleen de hellingen van de smalle vallei kan je ook voorstellen. Ook het niet-betonneren van veldwegen hoort daarbij want elke verharding in het landschap doet het slibverzadigde water met sneller wegstromen naar plaatsen waar je het niet wilt hebben.

Op de helling zie je dat de weiden van Natuurpunt niet allemaal in een keer kort gemaaid worden maar dat er overal cirkels en vierkanten zijn waar het lange gras nog staat. Dat dient om alle planten te behouden die het moeten hebben van de bloei om zich voort te planten maar ook om vogels, vlinders en andere insecten de kans te geven zich te handhaven.

Om het uitsterven van akkervogels tegen te gaan ontwikkelt Natuurpunt Velpe-Mene op het Pertseveld sinds 2002 het project ‘graan voor gorzen’ en om die reden worden kleine perceeltjes ingezaaid met graan en zelfs mais. Daarover zal ik het in een latere bijdrage nog wel eens hebben.

Om dit hoofdstuk af te sluiten nog dit voor wie zich afvraagt hoe het Pertseveld aan zijn naam komt. Naar verluidt zouden de hellingen hier in het verleden beplant geweest zijn met druivenstruiken en werden die in opdracht van de Heren van Meldert tot wijn geperst. Wie daarover meer weet is erg welkom om er mee voor de dag te komen.

+++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

https://www.natuurpunt.be/afdelingen/natuurpunt-velpe-mene

+++

https://ernstguelcher.blogspot.com/ zoek op trefwoord Hoksem en/of watermolen

+++

Parochiekerk Sint-Jan | Inventaris Onroerend Erfgoed

https://inventaris.onroerenderfgoed.be › …

+++

https://www.vlm.be/nl/projecten/vlm-projecten/willebringen

+++

Plan-Milieueffectrapport Ruilverkaveling Willebringen Niet …

https://mer.lne.be › uploads › merntech283

+++

uur van de waarheid – Natuurpunt Oost-Brabant

http://www.natuurpuntoostbrabant.be › docs › PDF

+++

http://www.velpe-mene.be/nbhoegaarden.htm

+++

https://www.yumpu.com/nl/document/view/20408216/graan-voor-gorzen-het-succes-van-akkerreservaten-robin-guelinckx

+++

Trefwoorden: Pertseveld, Jordaan, Hoksem, Mene, Molenbeek, Hoegaarden, Natuurpunt Velpe-Mene, Willebringen, ruilverkaveling, natuurbeheer, erosiebestrijding,

OP STAP IN HET BOIS DE LA QUENIQUE IN COURT ST.ETIENNE MET GRAFHEUVELS EN LA PIERRE QUI TOURNE

Uitgelicht

mei 2021

Ernst Gülcher

contact: ernst.guelcher@telenet.be

De streek van Court St.Etienne in Waals Brabant ten zuiden van Ottignies biedt heel veel mogelijkheden om tochten te ondernemen op zoek naar mooie natuur en indrukwekkend erfgoed. Zoals je op de bijgevoegde kaart kan zien neem ik op deze luswandeling van ongeveer 6 km lengte als vertrekpunt de gratis parkeerplaats onder aan de afrit van de N25 naar Beaurieux. Ik ga onder het viaduct over de Orne door en sla dan rechtsaf het bospad in. Op de kaart heet het bos Bois de Lausau maar het is beter bekend als het ‘Bois de la Quenique’ omdat er prehistorische grafheuvels gevonden zijn en die gaan we ook zien.

Het bos zelf is privé-bezit zoals alle bossen in de streek. Het is echter niet rechtstreeks van de familie Boël maar van de aanverwante familie Goblet-d’Alviella. Dat wil zeggen dat er zoals altijd veel paden zijn maar slechts enkele waar je als gewone sterveling langs mag en de weg wijst zich dus eigenlijk vanzelf. Na een kwartiertje stappen boven het moerasvalleitje in het geluid van de autoweg stijgen we linksaf het bos in op weg naar die grafheuvels.

Vandaar dalen we af naar Court St.Etienne en komen aan het Parc Goblet opnieuw aan de Orne. In dat park komt dat riviertje aan op la Thyle maar jammer genoeg kunnen we daar niet bij want hoewel de eigenaar van het park de burgemeester van het stadje is houdt hij zijn mooie domein voor het publiek gesloten. Van hier kan je langs de voormalige watermolen rechtstreeks terug naar Beaurieux. In feite zou er hier een heel mooi voetpad langs de Orne kunnen zijn maar aangezien dat er niet is moet je een eindje langs de smalle autoweg en dan kan je het fietspad volgen.

Op deze wandeling zoek ik echter Chemin 24 op die recht naar het zuiden gaat, passeert langs het Chateau de Beau Regard  en dan kruist met  Chemin 9 (de Nivelles). Via die laatste steken we de N25 over en gaan dan via de Chemin nr.12 noordwaarts richting Beaurieux (al die ‘chemins’ en ‘sentiers’ staan op de kaart aangegeven). Onderweg komen we de ‘pierre qui tourne’ tegen maar daar ga ik nog meer over vertellen.

In Beaurieux raad ik je absoluut aan om de Ferme en de Moulin te bezoeken. Over beiden maakte ik al enkele reportages (zie de link). Alles bij elkaar is dit een gemakkelijke wandeling met enkele hellingen, veel afwisseling en ondanks de nabijheid van de snelweg nog tamelijk rustig.

Court St.Etienne – bois des Queniques. Als je het niet weet zie je ze niet maar langs je pad staan tussen de dennenbomen tientallen prehistorische grafheuvels uit de ‘Nieuwe Steentijd’ (2600 – 1600 voor onze jaartelling), het Bronzen tijdperk (1600-650), de eerste IJzertijd  (de ‘Hallstatt-cultuur van 800 – 400) en de tweede IJzertijd (de Kelten – la Tène, 450 – 51). Sinds het einde van de 18de eeuw is er op deze plek al van alles opgegraven waarbij er heel veel vernietigd en geplunderd is.

Zelfs sinds het begin in de 20ste eeuw van systematische archeologische opzoekingen op initiatief van Graaf Eugène Goblet d’Alviella is er door het gebruik van onaangepaste graaftechnieken en vooral door een overgrote focus op voorwerpen zonder belangstelling voor de cultuur waarin ze pasten,  te weinig kennis van deze vroege beschavingen verzameld. Maar de vele in die tijd en nadien ontdekte voorwerpen zoals vuurstenen bijlen, pijlpunten, krabbers, sierraden, wapens, harnassen, paardentuigen en gebakken aardenwerk worden nu nog altijd bewaard in het Koninklijk Museum voor Kunst en Geschiedenis in Brussel.

Al die voorwerpen dienden om de overledenen te vergezellen naar het hiernamaals. Men heeft in de omgeving van de Ferme Rouge langs de Rue de la Quenique omvangrijke velden gevonden met netjes gerangschikte urnen met gecremeerde menselijke resten zo’n veertig centimeter onder het maaiveld waarbij de grafheuvels soms dienden voor de hele nederzetting en dan weer om vooral de leidende klasse bij te zetten.  Het moeten omvangrijke nederzettingen zijn geweest waarbij de culturen – van pro-keltisch tot keltisch  en van vreedzaam boerenvolk tot een volk van krijgslieden – in elkaar overliepen totdat ze rond het begin van de jaartelling door de Romeinen werden weggevaagd.

Ondanks uitvoerig eigentijds onderzoek weet men er blijkbaar eigenlijk nog altijd niet heel veel van behalve dat de streek heel geschikt is om zich te vestigen vanwege zijn steile en zanderige hellingen, verre uitzichten maar ook door de aanwezigheid van vruchtbare leemplateaus en diepe beekvalleien waar de mensen hun water konden halen. Omdat je op het terrein er niets van ziet stel ik voor dat de gemeente hier eens een geillustreerd infobord zou zetten.

Over de betekenis van het woord Quenique vertelt Le Patrimoine Stéphanois ons dat  “La Quenique doit provenir du mot dialectal « quinique » qui signifie « caillou » (steen). Il proviendrait soit de la présence de cailloux dans les sables formant le sous-sol du plateau ou de celle de nombreux outils de silex, vestiges des tribus paléolithiques et néolithiques qui l’ont occupé”.

Vanaf de grafheuvelsite op het hoge plateau gaan we door een diepe holle weg naar beneden in de richting van het stadscentrum. Hier komen drie rivieren samen, la Dyle, la Thyle en de Orne. Wellicht haalden de mensen van vroeger hier hun water en gingen ze daarvoor langs onze holle weg, wie zal het zeggen? Hier moet ooit nog een kapelletje gestaan hebben hoewel het op geen oude kaart staat aangegeven. Maar meer dan enkele resten is er niet meer van te zien.

Verscholen in het bos van de familie Goblet schemeren hellingafwaarts mooie vijvers en de contouren van een kasteel maar daar kunnen we niet naar toe.

Beneden aan de helling komen we uit op de Rue de la Tienne en even verder aan een hek met daarachter een dreef met monumentale moerascipressen. Aan onze rechterkant staat een hoge en lang muur met daarachter het parc Goblet. In dat park komen de Orne en La Thyle samen zegt de kaart maar dat is onbereikbaar buiten ons zicht.

Voor één keer pak ik Wikipedia er eens bij: De bewezen stamreeks begint met Albert Jean Goblet die in 1719 in Avesnelles overleed en wiens dochter op 28 oktober 1668 werd gedoopt, eerste vermelding van dit geslacht. Op 21 april 1838 werd Albert Goblet (1790-1873) door koningin Maria II van Portugal verheven tot graaf d’Alviella, nadat hij als buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister van België aan het Hof te Lissabon in 1837 naar Portugal was getrokken om de koningin van raad te voorzien. Op 20 november 1838 werd hij ingelijfd in de Belgische adel onder de naam Goblet d’Alviella met de titel van graaf voor alle mannelijke afstammelingen. Hij werd de stamvader van de Belgische adellijke familie Goblet d’Alviella die ministers en andere bestuurders voortbracht. Door het huwelijk van zijn achterkleinzoon Félix met Eva Boël (1883-1956), dochter van senator Gustave Boël, ging de familie tot de rijkste families van België behoren met veel grond in Court-Saint-Étienne waar een afstammeling burgemeester is.”

Voor mij niet gelaten tijdens de boswandeling maar eigenlijk begrijp ik niet dat je als gekozen burgemeester (Michel Goblet d’Alviella) vandaag de dag nog alle bossen en parken in je gemeente als afgesloten privéterrein van je familie beschouwt en je zowat tienduizend mogelijke kiezers het moeten stellen met een paar wandelpaden er tussen door.

Hierna steken we aan de Moulin d’Haut de Orne over en gaan zuidwaarts richting Château Beau Regard. Vanuit het Bois de la Quenique zijn we aangekomen aan de achterkant van het Parc Goblet en staan we nu aan de brug over de Orne aan de Rue de Beaurieux.  Het opvallende witgegeschilderde gebouw aan de oever is de voormalige Moulin d’Haut. Het niet zo’n heel oude watermolen. Ik vind hem na enig zoekwerk voor de eerste keer op de ‘Carte du Dépôt de La Guerre’ van 1865 en volgens Molenechos is het een korenmolen geweest van voor 1880 met een bovenslag waterrad. Het rad is er niet meer maar het molenhuis zie je nog altijd boven de rivier. De binneninstallatie is verwijderd, het gebouw is niet beschermd, er is geen molenaar en het is niet toegankelijk tenzij je je auto er wil laten repareren want het is nu een garage. Daarvoor was het blijkbaar een tijd in gebruik als het gemeentelijk slachthuis.

Aan de overkant van de rivier staat ook nog de hoeve die er ooit bijhoorde maar ik begrijp dat die zal worden afgebroken om plaats te maken voor woningen. De bomen op het perceel zijn al gekapt. Heel blij word ik daar niet van en dus ga ik maar snel verder naar het zuiden langs een mooie groene holle veldweg (Chemin 24). Het mooie rose landhuis aan de rechterkant bevindt zich op het domein de Beauregard en om er meer over te weten kom ik al weer terecht bij de familie Boël: “Cette luxueuse demeure entourée d’un parc de 8 hectares est également située à Court-Saint-Etienne, pas loin du Chenoy. Elle est habitée aujourd’hui par Jacques Boël, son propriétaire. Jusqu’en 1975, elle l’était par son père Max (1901-1975) qui, ingénieur agronome et forestier, était le super-régisseur du Chenoy” (zie de link).

Op de kaart van 1989 zie je de contouren van het mooie domein zeer duidelijk. Maar zoals overal in deze streek is het voor de gewone sterveling-natuurliefhebber afgesloten met grote hekken en dus gaan we maar verder. Bij de kruising met de Chemin de Nivelles gaan we naar links richting van het geluid van de N25.

Na het tunneltje onder de weg komen we door een mooie holle weg terecht aan een beetje merkwaardige wand van kleine stenen met daartussen op de grond een grote zandsteen met een bord erbij dat je vertelt dat deze steen ronddraait als tijdens de kerstnacht in de kerktoren van Court St.Etienne de klok van twaalf slaat. Hoe oud dit verhaal is, of iemand de steen ooit heeft zien draaien en waarom dat nu precies gebeurt met kerstmis kan ik nergens vinden maar enig opzoekingswerk leert dat blijkbaar op veel plaatsen in Wallonië en Frankrijk eenzelfde verhaal de ronde doet, zeker als er toeristen in de buurt zijn.

De archeologen zijn het er ook nog niet helemaal over eens maar het lijkt toch waarschijnlijk dat deze brok  van vier ton, na door de natuur te zijn achtergelaten door water of ijs,  in de oude tijden door onze voorouders in de oude steentijd naar hier gebracht werd (op rollende boomstammen) als een dolmen of megaliet om rechtopgezet op een bijbehorende kleinere steen rituele plechtigheden te houden. Dat zou kunnen passen in het vermoeden dat deze holle weg al van heel oude datum is, zeker al lang voordat er nog maar iemand gehoord had van kerstnachten en zo en de kerkklokken ook nog niet waren uitgevonden. Een lezer vertelt me trouwens dat hij uit ervaring weet dat je vanaf de steen Court St.Etienne niet kan zien en de klokken niet hoort. Maar aangezien stenen toch geen ogen en oren hebben kan dat niet echt een probleem zijn denk ik.

Wel is het zo dat eind december de dagen weer langer beginnen te worden en dat is sinds de oudste tijden altijd overal gevierd in onze streken. Ik vind er niets over maar ik veronderstel dat deze wisseling van het seizoen wellicht de aanleiding is voor de mythe van het draaien van de steen hoewel ik ook een verhaal vind over de aanwezigheid van een schat onder zo’n steen die alleen gezien kan worden tijdens het draaien (maar als je die dan probeert te kapen krijg je de steen op je hoofd). De steen lag blijkbaar vroeger op de akker boven de weg en de huidige opstelling dateert van 2017. Op oude foto’s ziet ‘La Pierre qui Tourne’ (en Wallon ‘el pîre qui toûne’) er wel veel natuurlijker uit, nu vind ik het nogal kaal en weinig fotogeniek en het infobord maakt je niets wijzer.

Een lezer uit Mont Saint Guibert stelt zich de vraag hoe de druïden van vroeger precies wisten waar ze zo’n vanop afstand aangevoerde loodzware heilige steen rechtop wilden zetten en komt voor de dag met de theorie van Ernst Hartmann en Manfred Curry.

Volgens hen wordt deze besluitvorming bepaald door een aanvoelen van botsingen tussen de elektromagnetische golven van onze planeet aarde op bijzondere ondergrondse plekken waaraan dan door de ouden mythische eigenschappen werden toegekend. De theorie heeft fanatieke aanhangers maar stuit op evenzoveel sceptisme bij moderne wetenschappers die echter het tegendeel ook niet kunnen bewijzen noch een betere verklaring hebben kunnen geven in deze zaak die in het stenen tijdperk toch van vitaal belang moet zijn geweest. Overigens zijn veel van de latere tempels, kerken en kruisbeelden gebouwd op plekken waar zulke stenen stonden dus er moet toch iets van ‘vibratie’ te merken zijn geweest.

We laten het stenen tijdperk met rust en vervolgen onze weg naar het mooie dorp Beaurieux met zijn middeleeuwse  ‘ferme’ en ‘moulin’ en nog een handvol bezienswaardigheden. Om die te leren kennen verwijs ik je echter naar de reportage die ik hierover al eerder maakte (zie de link bij deze tekst).

+++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

http://www.patrimoine-stephanois.be/wp/

+++

http://www.patrimoine-stephanois.be/wp/les-promenades-2/

+++

Nécropoles celtes – Le Patrimoine stéphanois

http://www.patrimoine-stephanois.be › …

+++

http://biblio.naturalsciences.be/associated_publications/anthropologica-prehistorica/anthropologica-et-praehistorica/ap-114/ap114_113-137.pdf

+++

http://vandervaart-verschoof.com/archeology/findsfriday/court-st-etienne-la-ferme-rouge-tombelle-4/

+++

Mariën, M.-E., 1958, 142. Trouvailles du Champ d’Urnes et des Tombelles hallstattiennes de Court-Saint­Etienne (Monographies d’Archéologie Nationale 1), Brussels: Musées Royaux d’Art et d’Histoire.

+++

https://www.molenechos.org/molen.php?nummer=1346 Moulin d’Haut

http://www.frerealbert.be/fortunes/boel/le-patrimoine-immobilier-des-bol/

 +++

La Pierre-qui-tourne ou « el pîre qui toûne » – Le Patrimoine …

http://www.patrimoine-stephanois.be ›

+++

https://fr.wikipedia.org/wiki/R%C3%A9seau_Hartmann

+++

Réseau Hartmann – Bienvenue dans le monde des Pierres

https://www.lithomaria.eu › reseau-…

 +++

https://www.blogger.com/ zoek op trefwoord: beaurieux, court st.etienne

Trefwoorden: 

Court St.Etienne, Beaurieux, moulin, moulin d’haut, château beauregard, boël, goblet d’alviella, tombelles, bois de la quenique, la pierre qui tourne,

DEN INGHEL  IN HEVERLEE DE OUDSTE BROUWERIJ IN LEUVEN 

Uitgelicht

mei 2021

Ernst GÜLCHER

contact: ernst.guelcher (at) telenet.be

In Leuven-Heverlee kent iedereen uiteraard de Abdij van Park maar wist je dat die abdij – en zekers de vijvers ervan –  zowat de achtertuin zou kunnen zijn van een statig maar tussen alle huizen niet voldoende opvallend oud gebouw aan de Oude Geldenaaksebaan nummer 85 op minder dan honderd meter rechts van de Leeuwenpoort aan de Molenbeek?  ‘Den Inghel’ was in 1102 de oudste brouwerij in het gehucht Vinckenbosch in de streek van Leuven. 

Dat gehucht – tegenwoordig een nogal drukke stadswijk – was in die tijd nog lang geen deel van de stad en de abdij bestond ook nog niet. Over die vroege geschiedenis vind ik niet veel behalve dat de brouwerij onafhankelijk was van de latere abdij maar ook van de heren van Heverlee tot in de tijd van de Hertog van Arenberg. Eigenlijk wist ik niet dat dit kon in die tijd.

In 1584 brandt hij af met de rest van het gehucht – in die tijd waren de gebouwen in Vinckenbosch van hout – en hoe hij er tot die tijd kan hebben uitgezien weten we alleen van een oude figuratieve kaart van 1617 waar het gebouw is afgebeeld maar er wel uitziet als met bakstenen gezet.

Volgens ‘Leuven van Weleer’ wordt hij  “in 1672 terug opgebouwd door abt Libeer de Paepe, deze keer als brouwerij van de Parkabdij. De voorheen onafhankelijke brouwer was vanaf dan pachter … Het bruine en blonde Parkbier wordt nog steeds in licentie gebrouwen (in Ierland) en is te koop bij de Aldi”. 

Op de Villaretkaart van 1745 en andere kaarten zie je de brouwerij overduidelijk aangeduid op zijn huidige plek en wat mij opvalt is dat in die jaren het landschap nog erg landelijk geweest moet zijn met een kronkelende beek, heel weinig omgevingsbebouwing en de drukke stad nog altijd op flinke afstand. In die tijd is het geheel opperduidelijk een deel van het Parkdomein.

Als je heel goed kijkt zie je het jaartal 1672 nog ingebeiteld boven de boogpoort op het binnenhof en ook heel duidelijk onder de poort onder het ronde venster met het wapen van Leuven tussen de hoge vensters aan de straat.

In dat jaar werd en wordt nog altijd de brouwerij omringd door 17de eeuwse gebouwen zoals de voormalige wasserij van de Parkabdij op de hoek van de Abdijdreef en het voormalige Sint-Jorishof aan de overkant (nu de Sint-Norbertusschool tot en met Garage Albert). Over de oorsprong van de naam Ingel’ of ‘Engel’ (al dan niet met een ‘h’ ertussen) heb ik nog niets gevonden.

Over de oudste geschiedenis van Den Inghel blijkt toch iets meer bekend te zijn dan wat blijkt uit de publieke informatie. In de voorbereiding van de restauratie hebben de huidige eigenaar Bart Viaene en zijn echtgenote een zeer degelijke archeologische studie laten maken die hoofzakelijk technisch is maar toch een tipje van de sluier oplicht.

Op grond van nooit gepubliceerde gegevens van de voormalige archivaris van de Parkabdij Felix Maes zou er zeker in 1303 al een ‘broucamme’ gestaan hebben met ene Walter van Lier als brouwer. Die groeide later uit tot herberg “de Enghel”. Brouwerij en herberg waren samen met het omringende gehucht Vinckenbos en de nabijgelegen pachthoeve van de abdij vele jaren het onderwerp van processen tussen de Parkabdij die de heerlijkheid Vinckenbos bezat, de heren van Heverlee en de stad Leuven.

Die strijd eindigde rond 1584 toen het hele gehucht met inbegrip van de brouwerij afbrandde in het geweld van de opstand van de Nederlanden tegen Spanje. Pas na het einde van de tachtigjarige oorlog kon de wederopbouw beginnen. 

In 1643 liet abt Jan Maes de ruïne van de abdijhoeve afbreken maar pas dertig jaar later zag onder abt Libert De Paepe bovenop de blijkbaar bewaarde kelders van de oude Camme de nieuwe brouwerij het licht.

Vanaf daar put ik opnieuw uit ‘Leuven Weleer’: “Het bierbrouwen in pacht duurde niet lang, en Den Inghel kreeg dan ook alras verschillende functies: postkoetshalte (zoals ook De Keizer op de Tervuursesteenweg, De Oude Kantine aan het Arenbergkasteel en De Mol op de Tiensesteenweg), hotel voor het laag volk en het vrouwvolk dat niet mocht overnachten in de abdij als de stadspoorten gesloten waren, kazerne, huis van de rentmeester van de hertog van Arenberg, hospitaal voor trekpaarden, coöperatieve bakkerij Perfecta, viskwekerij/vijverwerken gebroeders Basiel en Antoon Bellefroid, studentenkoten en – de laatste twintig jaar – uiteindelijk voor het eerst: woon-erf.”

Den Inghel aan de Geldenaaksebaan in Heverlee werd gebouwd als fabriek en is zeer lang in  gebruik gebleven voor industriële doeleinden waarbij de woonfunctie duidelijk secundair was. De site is pas sinds halverwege de 20ste eeuw in gebruik en gerestaureerd als een privé-woonst.

Over dat industriële verleden vind ik eigenlijk bijzonder weinig details terug maar ik denk dat dit aan het internet ligt of dat er nog altijd van alles verborgen is in druk uitgegeven teksten en in ongeopende archieven (bijvoorbeeld die van de stad Leuven en van de hertog van Arenberg).

In Leuven Weleer staat een mooie foto van 1913  met de zaakvoerders, de koetsen en de paarden van Volksbakkerij Perfecta die in die tijd in het gebouw gevestigd was. Hoofdstuk III van een recente studie over de ontwikkeling van de voedingshandel in Leuven tijdens tweede helft van de 19de eeuw vertelt dat de bakkerij en vooral de droge voedingssector in totaal in tussen 1860 en 1910 opmerkelijk toenamen.

Auteur Wim Lefrebvre haalt uitvoerig een boek of artikel aan van ‘Hermans – La Boulangerie à Louvain’ waarin staat dat vanwege het toenemende aantal inwoners en door de kleinschaligheid er in 1904 zes broodfabrieken in bedrijf zijn, twee nogal groot (‘de Proletaar’ van de socialisten en ‘het Volksgeluk’ van burgemeester Vanderkelen) en vier wat kleiner. De bakkerij Perfecta stamt ongeveer uit die tijd (maar het preciese jaartal ontbreekt) en of deze bakkerij bij die zes gerekend wordt weet de auteur niet.

Over het reilen en zeilen van deze bakkerij vind ik alleen enkele zaken in de hieronder vermelde ‘Archeologische studie’ van 1993: Perfecta is voor WO-I gesticht als een samenwerkende maatschappij en “Henri Everaerts, bijgenaamd ‘Hanke Perfecta’ (Henke?), nam er het beheer waar. Men beschikte over moderne machines, zoals de kneedmachine … om massaal brood, koeken en wafels te bakken. Toch ging de zaak omstreeks 1929 over de kop”. 

De eigenaar woonde in het gebouw en heeft zeer belangrijke verbouwingen doorgevoerd, vooral aan de achterzijde om zijn grote machine te plaatsen en heeft daar ook een apart ovengebouw laten zetten. Veel (alles?) daarvan is teniet gedaan door restauratie in 1936 (Bellefroid-periode) en de archeologische studie wijdt hier grote aandacht aan.

Op oude foto’s zie je echter nog goed hoe het er in die tijd uitzag. Die foto’s werden door de heer H.Uytterhoeven aan eigenaar Bart Viaene gegeven en met zijn toestemming (dank!) laat ik ze je in deze bijdrage allemaal zien. Hierna vertel ik over de viskweek en de onder puin bedolven kweekbassins. 

Den Inghel in Heverlee trok na de faling van de volksbakkerij Perfecta in 1929 de aandacht van de familie Bellefroid. Over hen ga ik het in een volgende reportage nog eens hebben want in het Leuvense en ver daarbuiten staan zij bekend als kwekers van zoet watervis en waren ze bijna overal in dit deel van de Dijlevallei de eigenaars en dikwijls ook de aanleggers van de vijvers.

Rechts van de dreef valt het begin van de eerste abdijvijver op. De eerste en de tweede vijver dateren uit de 14de eeuw, de derde en de vierde werden eind 17de eeuw gegraven op initiatief van abt Filip van Tuycom.

De uitgestrekte vijvers (ongeveer 13 ha) voorzagen de kanunniken tijdens de talrijke vastendagen van de nodige zoetwatervis. In de 19de en de 20ste eeuw verhuurde Park de vijvers aan viskwekers. Vandaag wordt het vijvergebied met zijn talrijke natuurlijke bronnen gebruikt voor waterwinning.

Om de vis te ‘oogsten’ moesten de vijvers periodiek drooggelegd worden om de spartelende dieren in de modder bijeen te rapen. Het moet hard labeur geweest zijn, vooral in de winter als het vroor.  Vis – vooral karpers – werd opgekweekt in ‘vivaria’ – dat zijn bassins en daarna uitgezet in de grote vijvers. Op oude kaarten zie je zulke bassins nog naast de eerste grote vijver ten zuiden van de kapeldreef maar tot 1800 ook heel duidelijk op een sindsdien verdwenen zijarm van de Molenbeek naar de ‘Kapelbeemd’, dat is het afgesloten bosje links van de kapeldreef tegen de spoorweg, nu aangeduid als ‘kwelwatergebied Abdij van Park’.

De gebroeders Antoon en Baziel Bellefroid kochten Den Inghel in 1933 om het gebouw te restaureren tot een deftig woonhuis en op de vijvers een viskwekerij op te zetten (of ze die huurden of kochten weet ik nog niet). Ze braken de bakkerij af en maakten de veranderingen aan de achtergevel ongedaan.

Bart Viaene: “De familie Wellens-Bellefroid baatte de karperkwekerij nog uit tot aan de val van het IJzeren Gordijn, toen Polen en Tjecho-Slovakije de markt voor zoetwatervis veroverden. Die markt was echter al fel gedecimeerd in de tweede wereldoorlog : de grootste afnemers van karper waren immers de joden! Onder de verflagen van de achterdeur van “Den Inghel” kwam bij schilderwerken de ingekraste tekst tevoorschijn : <slecht leesbare naam> : JUDE!” waaruit kan worden afgeleid dat het leveren aan de Joodse gemeenschap door de Duitse bezettende macht niet werd gewaardeerd maar of het echt tot moeilijkheden heeft geleid weet ik niet.

De koppen van Baziel en Antoon staan (mét Lakense pet) gebeeldhouwd onder de sier-schoorsteenmantel in het gebouw. In Heverlee herinnert men zich nog dat je voor speciale gelegenheden aan Basiel Bellefroid mocht vragen om een een half uurtje op de vijver te roeien.

Jammer genoeg zijn echter ondank fel lokaal  protest de door de Bellefroids aangelegde vivaria verdwenen onder het asfalt van de bezoekersparking. Op de NGI kaart van 1989 zijn ze te zien en samen met het moerasbosje in de Kapelbeemd maken ze dan al deel uit van het statuut van beschermd landschap rond de Parkabdij.

Het voorstel van bewoners van de Geldenaaksebaan – ook sterk verontrust om nog eens meer auto’s in toch al veel te drukke straat – om de zone tot een eigentijds natuurbelevingsgebiedje te hervormen en die parking aan de leggen op de nabijgelegen Philipssite (met de brug over het spoor) stuitte op een veto van de Lodge, de uitbater van de gerestaureerde watermolen. Met een speciaal RUP is de Leibeek verlegd, de historische  waterregeling opgebroken en zijn de bassins opgevuld met bouwpuin. Om overstromingen tegen te gaan zou er tegenwoordig veel meer water uit de vijvers gewonnen worden dan vroeger waardoor het landschap dan ook ferm droger geworden is dan voorheen (zeggen mensen die het kunnen weten in de omgeving).

Den Inghel is sinds 1994 officieel beschermd als monument. Het erfgoeddossier bevat een minieme beschrijving maar (nog?) geen info over geschiedenis wat jammer is omdat uiteraard sinds de (her) bouw in 1672 de omgeving wel heel erg veranderd is. Die bescherming omvat het hoofdgebouw met inbegrip van de oude paardenstallingen die ook al dateren uit de tijd van Abt De Paepe. Dankzij lezer Jan Hollevoet kan ik je een figuratieve kaart laten zien van 1617 waarop je Den Inghel en omgeving ziet staan. Merk op dat  het dus gaat om een beeld uit de tijd dat het gebouw en de rest van Vinckenbos afbrandde en wederopbouw nog niet in zicht. Nog een kaart, maar dan uit 1769 toont de hele site waarbij Den Inghel duidelijk een deel is van het Parkdomein en je ook de vivaria (visvijver) in de kapelbeemd opperduidelijk ziet. 

Bij de bescherming van een privéwoning als monument zijn er onvermijdelijk discussies over de restauratie, de herbestemming en  het bewaren van de authenticiteit (nog afgezien van de vraag wie dat allemaal gaat betalen). Juist toen Bart Viaene en zijn huisgenoten het gebouw aangekocht hadden kregen ze te horen dat het als monument beschermd zou worden en dat ze er dus niets meer aan mochten doen zonder uitdrukkelijke toestemming.

Gelukkig was het gebouw al een woonhuis geworden dus er kon niet meer geëist worden dat het een industriële vestiging zou blijven. De vernieuwing van de vensters zorgde voor enige problemen maar dankzij de vastberadenheid en de inspanningen van de bewoners/eigenaars en met de hulp van de zeer uitvoerige archeologische nota van 1993 is een en ander toch in orde gekomen.

Ik denk dat het de moeite waard zou zijn als de mensen van de wijk ter gelegenheid van een Open Monumentendag ook eens hun licht zouden mogen opsteken over wat ik beschouw als een supergeslaagde, zeer authentieke met privé-middelen ondernomen restauratie van een eeuwenoude site tot een eigentijdse eersteklaswoning die geschikt is voor co-housing. 

Een en ander met uitzondering van de enorme zolder die nooit voor iets anders gebruikt is dan voor het bewaren van de grondstoffen (bloem) en er geen toestemming gegeven is om die te herbestemmen en dienovereenkomstig in te richten. Dat is ongebruikelijk want er zijn talloze beschermde monumenten waar die zolders met veel respect zijn heringericht. En eigenlijk is dat wel nodig want al dat schitterende houtwerk staat nu onbeschermd (onverwarmd) bloot aan de buitenlucht en dat is er op de duur niet goed voor en erg slecht als er eens een te laat ontdekt lekje is.

Ik vind dat je zo’n zolder tenminste van buiten onder de dakpannen zou moeten kunnen isoleren en dan van binnen kunnen verwarmen en aangenaam maken zonder ook maar iets aan het eikenhouten binnenwerk te veranderen. Maar dan moet je natuurlijk eerst wel toestemming krijgen om zo’n grote ruimte voor iets zinvols te gebruiken.

En zo blijft er altijd nog wel iets te doen. Voorbijgangers hebben dat niet altijd in de gaten en komen soms met gemakkelijke kritiek maar uit ervaring weet ik ook dat restaureren één zaak is maar dat het onderhouden in de goede staat een werk is van alle jaren dat nooit stopt en altijd weer heel veel aandacht en geld kost. Met dank aan Bart Viaene en zijn huisgenoten die deze inspanning dan toch al meer dan dertig jaar op zich nemen.

+++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

https://heverlee.weleer.be/geldenaakse-baan/1679

+++

Wim Lefebvre – De ontwikkeling van de voedingshandel in Leuven tijdens de …

http://www.ethesis.net › leuven › leuven_hfst_3

+++

Abdij van ’t Park…ing!? – PDF Gratis download – DocPlayer.nl

https://docplayer.nl › 10845919-Abdij-van-t-park-ing

+++

https://www.nieuwsblad.be/cnt/gtteknml

Buurt wil geen parking op kweekvijver 

+++

Abdij van Park – Je ziet er vandaag de dag enkel nog …

https://www.facebook.com › AbdijvanPark › posts › je-zi…

+++

Kwistig met kennis – Erfgoedcel Leuven

https://www.erfgoedcelleuven.be › getfile › bestand

+++

https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/42568?fbclid=IwAR0H8GjsH-hlYZ2gADSeQuHzHCp7rnnjgF1inFny0ZrEQSkbr786aBix8Uw

+++

https://inventaris.onroerenderfgoed.be/aanduidingsobjecten/1826

+++

https://inventaris.onroerenderfgoed.be/aanduidingsobjecten/42067

+++ 

+++

Het huis “De Engel” Geldenaakse Baan 85, Heverlee – Archeologisch onderzoek naar de evolutie van de inwendige structuur; A.Maesschalck 1993 (niet gepubliceerd)

Reeks van kaarten en oude foto’s

trefwoorden: den inghel, bart viaene, perfecta, bellefroid, heverlee, abdij van park, bakkerij, brouwerij, viskweek, erfgoed,

JODOIGNE – MARAIS DE GENNEVILLE EN PRE SAINT JEAN

Uitgelicht

April 2021

Ernst Gülcher

contact: ernst.guelcher (at) telenet.be

  

Pak de kaart van Jodoigne er even bij (zie de afbeelding in het album) en ga op zoek naar het dorpje Saint-Remy-Geest. In een eerdere reportage met de titel ‘op stap in het land van de Gobertange – op verkenning in Melin en Saint-Remy-Geest’ (zie de link) vertelde ik al iets over le Moulin de Gen(ne)ville. Die vind je op het riviertje Le Chebais aan de Rue du Moulin de Genville ten oosten van Saint Remy Geest op weg naar de brug over de Grande Gette in Sainte-Marie Geest. Vlak ten noorden van de molen zie je op de OSM kaart een soort van blinde vlek maar op zijn topografische voorganger van 1989 staat er een ‘pompage’ aangeduid en een ‘réserve naturelle’ en ook een beek met de naam La Trislaine. Die beek ontspringt in het reservaat en komt een beetje verder uit op de Grande Gette. Op de Villaretkaart van 1745 ziet het gebiedje er uit als een verzameling van hooilandjes die van elkaar gescheiden zijn met hagen of rijen wilgen. En als je op die kaart kijkt naar al het gekronkel van de waterstroompjes in de omgeving weet je meteen dat het er in die tijd ferm moerassig was net als in de andere gedeelten van dit valleigebied en dat er voor de boeren van toen en in latere tijden van mechanisatie niet veel mee te beginnen was.

Om die reden zal het gespaard gebleven zijn van de grootschalige intensieve akkerontwikkeling die kenmerkend is voor de hele streek van de beroemde Gobertangekalksteen. Maar terwijl de rest van de vallei in onze tijd is omgevormd tot weiden voor paarden en schapen, tot visvijvers met chalêts, bosjes van populieren en naaldbomen en zelfs hier en daar de grond is opgehoogd om er huizen te kunnen zetten, is dit kleine stukje door de eeuwen heen toch min of meer moeras gebleven. Om die reden is het al in 1976 een ‘Réserve Naturelle et Ornithologique’ (RNOB) en wordt nu beheerd door NATAGORA (de Waalse tegenhanger van Natuurpunt). Het gebiedje is ook opgenomen op de lijst van ‘Sites de Grand Intérêt Biologique’. Wie ‘het kleine niet eert is het grote niet weert’ zullen we maar zeggen want in totaal gaat het maar om een natuurterreintje van iets meer dan 1,5 hectare waarvan het grootste deel pas in 2012 kon worden aangekocht.

Maar “malgré son isolement, le site héberge une biodiversité assez remarquable avec notamment près de 180 espèces de plantes supérieures et plus de 90 espèces d’oiseaux » lees ik in de officiële beschrijving van het reservaat en dat is ruim voldoende om er eens op verkenning te gaan.

De ingang van het natuurreservaat Les Marais de Genneville in Saint Remy Geest (Jodoigne) is helemaal aan het einde van de Mont à Lumay, een charmant straatje met enkele boerenhuizen tussen bomen in de weiden. Naast het reservaat is een comfortabel fietspad dat aansluit op de RAVeL L 142 tussen Zétrud-Lumay en Sainte Marie Geest. Het infobord met de voorstelling van de site aan de ingang vertelt je dat ‘Arcadis aide le plus petit rongeur d’Europe à devenir grand’. Het gaat om de kwetsbare ‘Rat des moissons’ (Micromys minutus), een dwergmuis die amper 6 gram weegt en daarmee het kleinste knaagdier van Europa is. Dit diertje houdt van rietlandjes (roselières) en grasruigtes (mégaphorbiaies) waartussen het nesten maakt en kan zich handhaven op voorwaarde dat er éénmaal per jaar gemaaid wordt.

Door de huidige industriële landbouwmethoden is de soort bedreigd maar hier in deze natuur-oase leeft blijkbaar een tamelijk grote kolonie tussen het opgestapelde maaisel. Hoewel de site desondanks niets eens onder het Europese Natura-2000 beschermingsstatuut valt en pas in 2019 als een echt natuurreservaat erkend is bruist hij van biodiversiteit “avec notamment près de 180 espèces de plantes supérieures et plus de 90 espèces d’oiseaux. Le bruant des roseaux (Emberiza schoeniclus), la bouscarle de Cetti (Cettia cetti), l’hypolaïs ictérine (Hippolais icterina) sont quelques-unes des espèces de l’avifaune peu commune qui fréquentent l’endroit durant la période de nidification, tandis que, durant l’hiver, on peut y contacter la bécassine des marais (Gallinago gallinago) ou le râle d’eau (Rallus aquaticus)’’, ook de houtsnip (Bécasse de Bois) en wintertaling (Sarcelle d’hiver) voelen zich hier thuis. Daarnaast leven er uiteraard ook zeer veel insecten, waaronder kevers, vlinders, libellen en wilde bijen.

Het moeraslandschapje ondervindt wel nadelen van de droogte van de laatste jaren en omdat er een grondwater-oppompstation vlak aan grenst, maar vertoont toch alle kenmerken van natte graslanden met een uitbundige begroeiing, meidoornhagen, een rij oude knotwilgen, een moerassig elzenbosje en massa’s schots en scheef over elkaar heen groeiende en vallende wilgen. Bij mijn bezoek in de winter was er nog niet veel van te zien maar in de informatie van Natagora lees ik dat in de lente het hier bol staat van de dotterbloemen. En hoewel ik niet denk dat het water van het beekje La Trislaine nog door de dorpelingen als drinkwater gebruikt wordt, groeien er waterplanten in zoals waterkers (cresson de fontaine) en watermunt (la menthe aquatique). Er zijn geen paadjes in het gebied en in de broedtijd zijn mensen met hun grote voeten en honden er uiteraard niet welkom maar als je de ploeg van vrijwilligers voor het beheer zou willen versterken ben je hoogst welkom begrijp ik.

Het zou wel fijn zijn als in de komende jaren de aangrenzende terreintjes ook binnen het natuurreservaat komen te liggen want op het ogenblik staat er zelfs nog een bosje van naaldbomen en dat past helemaal niet in deze natuur-omgeving. Dan kunnen ook de ongastvrije afsluitingen en verbodsborden (privé, access interdit) bij de buren worden weggeruimd.

Le Marais de Pré Saint-Jean juist ten oosten van het centrum van Jodoigne vind je aan het einde van een straatje met de idyllische naam ‘Allée des Ormes’ iets ten zuiden van de Rue de Piétrain. Ik ben er een kijkje gaan nemen op aanraden van conservator Hervé Paques van Natagora die me vertelde dat het een nieuw natuurreservaatje is van het type ‘natte ruigte’ (‘zone humide’) met een oppervlakte van 6,5 hectare en dat is toch al weer wat meer dan de 1,5 hectare van Les Marais de Genneville. Le Ruisseau Saint-Jean kronkelt hier op de Villaretkaart van 1745 en op de kaart Vandermaelen van 1846 door een volledig onbebouwd moerasgebied. Hij komt in Jodoigne uit in La Grande Gette. Waar hij precies ontspringt is me niet helemaal duidelijk maar hij maakt enkele honderden meters naar het zuiden een haakse bocht naar rechts op een plek of gehuchtje met de naam Molembals St.Job en Grunendael en gaat dan verder naar Huppaye waar op de oude kaart enkele keren het woord ‘font’ staat.

Op één plek is er een rechtgetrokken stuk wat duidt op de aanwezigheid van een watermolen en verder zijn er op het traject nauwelijks huizen te zien. Op de Open Street Map van vandaag is de beek nauwelijks meer te zien. Alleen aan de Ferme de Baron/Le Grand Château ten westen van Huppaye is er nog een open stuk, bijna al de rest lijkt volledig te zijn ingebuisd om bebouwing toe te laten. Bijna, want aan die Allée des Ormes en nog iets verder tot aan de RAVel L 125 is er ook nog een strookje voor de natuur overgebleven met zelfs nog wat (privé-)bos. Toen ik er aankwam moest ik wel even slikken want niet alleen dat er geen ‘Ormes’ (iepen) te zien zijn maar je staat daar midden in en bovenop een gloednieuw industrieterrein dat heel de vallei lijkt te vullen met covid-ontvolkte blokkige gebouwen. Om in het reservaat te komen moest ik een steile helling afklauteren achter het laatste gebouw en paadjes zijn er nergens te zien.

Rechts kijk je op een tamelijk recente woonwijk op de plaats waar op de kaart van 1969 nog de ‘Villa des Ormes’ staat, maar links zijn er gelukkig nog open weiden. Tussen die beiden strekt zich een wildernis uit die niet toegankelijk lijkt en het ook niet is zodra de bramen en de brandnetels uitlopen. Als je er gaat kijken, trek je best hoge waterdichte laarzen aan want dat van die ‘natte ruigte’ moet je volstrekt ernstig nemen als je er ook maar een beetje in wilt doordringen om foto’s te maken. Op het internet vind ik dat het pas sinds 2020 officieel een reservaat is waarover na een jarenlang conflict over ‘le contournement de Jodoigne’ de gemeente Jodoigne met Natagora tot overeenstemming is gekomen waarbij de natuurvereniging een beheer-concessie gekregen heeft voor een periode van 30 jaar. Daarover zal ik het misschien nog hebben (de info is gesluierd) maar je krijgt alvast enkele foto’s, zelfs een van een ree die zich hier beter lijkt thuis te voelen dan de mensen. Ik hou wel van dit soort ongetemde natuur maar ik denk dat ik bijna de enige ben want waarom anders hebben we er nog maar zo weinig van?

Onderaan de helling van het opgehoogde industrieterrein aan de Allée des Ormes strompel ik zo goed en zo kwaad als het gaat door een moerassige wildernis waar de bramen naar me grijpen, omgevallen bomen in de weg liggen en ik ieder ogenblik diep in de nattigheid zou kunnen wegzinken. Dat laatste blijkt in de praktijk nogal mee te vallen omdat de bedding van de beek bij nader inzien niet in het reservaat is maar aan de westrand. Ik ken de geschiedenis van het eens zo mooie valleitje van de Ruisseau du Pré Saint-Jean nog niet goed maar ik lees dat dankzij NATAGORA nog maar in juni vorig jaar besloten is om dit stukje toe te voegen aan de lijst van officieel door het Vlaams gewest erkende ‘sites de grand intérêt biologique’. Op de website van die sites vind ik er nog geen beschrijving van maar dat zal wel komen.

Voor hetzelfde geld was het helemaal verdwenen onder het metershoge puin onder het zich uitbreidende industrieterrein want ik vermoed dat dit toch wel de bedoeling zal zijn geweest van de gemeente Jodoigne die jaren geleden de gronden in de vallei heeft aangekocht. Ik weet nog niet genoeg wat de natuurvereniging met het terrein gaat doen maar de uitdaging is levensgroot en het zal heel wat inspanningen vragen denk ik ‘om er iets moois van te maken’. Ik lees dat het de bedoeling is om de biodiversiteit te verhogen en om het toegankelijk te maken voor educatieve doeleinden. Ik heb nog geen inventaris gezien van wat er hier allemaal groeit en bloeit maar ik denk dat het wat dat betreft wel goed zit en nog snel zal verbeteren als er maaibeheer wordt ingesteld en de woekerplanten zoals de bramen worden beteugeld. Dat laatste zal wel niet eenvoudig zijn want zo te zien is het grond- en beekwater veel te voedselrijk om goed te zijn en daar zal de natuurvereniging niet veel aan kunnen veranderen. Hier en daar kom je ook wel wat bouwafval tegen en dat zal opgeruimd moeten worden. Er staat zelfs nog de ruïne van een oud huis of châlet van een vroegere bewoner – een lezer vertelt mij ooit het clubhuis van de plaatselijke scouts – midden tussen de bomen.

Op die plek is er ook een ooit door een van de bewoners gegraven visvijver die ik in zijn verlatenheid heel mooi en natuurlijk vind. Ik hoop dat die niet wordt gedempt maar omgezet in een kweekplek voor kikkers en salamanders. Ik hoop ook dat men niet te veel van de bomen er zal willen afhalen want die geven het gebiedje een heel bijzonder sfeer, ook al omdat ze schots en scheef door en over elkaar groeien zoals dat gebruikelijk is in een moerasbos.

De erkenning van het natuurreservaat Pré Saint-Jean in Jodoigne is het resultaat van harde onderhandelingen tussen de gemeente en NATAGORA en is een leerzame les over de spanning tussen mens en natuur. Neem de kaart er maar bij en dan zie je dat zoals alle steden Jodoigne tegen de zich altijd maar opdringende koning auto kampt. Het stadscentrum dateert uit een tijd dat dit vervoermiddel nog nauwelijks gebruikt werd en alle grote wegen elkaar zowat aan de kerk kruisten.

Niet alleen dat er nog voortdurend in en rond de stad nieuwe gebouwen en dus auto’s bijkomen maar ook moet al het doorgaand verkeer dwars door het centrum via de loodrecht op elkaar staande assen tussen N240 Chaussée de Wavre-Hannut en N29 Chaussée de Tirlemont-Charleroi. Ik lees dat “ Il suffit de venir au centre-ville aux heures de pointe, on voit que tout est bloqué. Evidemment, il y aura toujours des véhicules puisque Jodoigne est une ville scolaire, il y a 5.000 élèves qui viennent tous les jours ici. Mais les 2.000 camions en transit et les véhicules qui vont vers Wavre ou vers Hannut pourront éviter le centre, de même que les personnes qui viennent de la Chaussée de Charleroi” (reportage RTBF, zie de link). Sinds 1979 ligt er een plan op tafel voor een ‘contournement’ waarbij juist ten zuiden van het centrum een ringweg wordt aangelegd van de N240-N29-N240 met uiteindelijk ook een nieuwe verbinding richting Tienen. Voor het tracé kijk je best even op de bijgevoegde afbeelding.

Contournement de Jodoigne zoals gepland – kaart van de gemeente

De straatnamen staan daar niet bij maar je ziet dat – zoals bijna altijd bij dit soort door ingenieurs op de tekentafel uitgezette plannen – de nieuwe weg dwars door enkele groene zones is getekend. Een eerste etappe van uitvoering tussen de N240 (Waver) en de N29 (Charleroi) dwars door het natuurreservaatje ‘le marais du faubourg Saint-Médard’ ten zuiden van de Ferme/Château du Stampia had al lang voltooid moeten zijn. Ik heb dit reservaatje nog niet bezocht maar het is ondanks zijn omvang van slechts 14,5 hectare een bij wet erkende en beschermde ‘Site de Grand Intérêt Biologique’ en om zijn biodiversiteit beroemd bij alle natuurliefhebbers in de regio. Het plan heeft om die reden geleid tot een jarenlange politieke en juridische strijd tussen de overheid en de natuurverenigingen waarbij Natagora met ferme steun van de plaatselijke publieke opinie in 2017 heel het dossier heeft aangespannen bij de Raad van State met de eis om de vergunning van het Waals Gewest voor het project te vernietigen. Voor de ecologische en juridische details verwijs ik je naar de eerste drie links onder deze tekst maar hierna geef ik er toch al een samenvatting van.

Jodoigne – het Marais Saint-Jean en het geplande ‘contournement’. Er is vinnig over gestreden maar er is een compromis bereikt tussen Natagora en de gemeente. Zoals ik al schreef bracht de natuurvereniging het conflict in 2017 voor de Raad Van State. Voor zover ik de juridische argumentatie goed begrijp gaat in een notendop om het volgende. De bescherming van wettig erkende natuurreservaten is vastgelegd in verschillende internationale en nationale wetten zoals Le loi sur la Conservation de la Nature. Uit die wetten blijkt dat de gemeente verplicht is om in geval van projecten met mogelijke aantasting van die reservaten verplicht is om zich rekenschap te geven van de ecologische gevolgen met het doel om die te voorkomen of minstens te beperken. Natagora verwijt de gemeente dat die zelfs geen studie heeft laten maken van de ecologische gevolgen (évaluation des incidences) voor de kwetsbare flora en fauna in de natuurgebieden waar die weg moet komen (Marais faubourg de Medard en Marais Pré Saint-Jean) noch op de aantasting van peil en de stromingen van de water in die gebieden.

Op de bescherming wordt geen beperking aanvaard tenzij er zeer uitdrukkelijk een afwijking (derogatie) wordt toegestaan. Zo’n afwijking kan alleen worden toegestaan als de gemeente zou bewijzen dat ze alle mogelijkheden heeft onderzocht die zouden kunnen dienen om de impact van de nieuwe ring te beperken met inbegrip van onderzoek naar alle mogelijke alternatieven en als zou blijken dat die alternatieven allemaal totaal onmogelijk zouden zijn: “Comme stipulé à l’article 5 de la Loi sur la Conservation de la nature : « …la dérogation ne peut être accordée qu’à condition qu’il n’existe pas d’autre solution satisfaisante… » . Ook op het vlak van de alternatieven heeft de gemeente niets onderzocht, laat staan opgenomen om uit te voeren. Bovendien brengt Natagora naar voren dat de geplande ring zelfs geen oplossing zal bieden voor de verkeersproblemen in de binnenstad zelf: “Nous regrettons le manque de prise en compte des autres mesures qui pourraient soulager le centreville de ses embouteillages. Il n’est pas question d’interdire les poids lourds sur ces axes, ni d’améliorer les transports publics, les parkings extérieurs, le co-voiturage, les bus scolaires, etc. Sans oublier la mobilité douce, piétons et vélos. Car le contournement ne résoudra pas tout. Une grande partie du trafic se rend dans les écoles et les commerces du centre-ville”.

De gerechtelijke procedure had jaren kunnen duren en omdat de natuuropvattingen ook in de wijdere samenleving aan het veranderen zijn is de kans groot dat Natagora de zaak had kunnen winnen en de gemeente haar hele procedure opnieuw zou mogen beginnen.

Zover is het niet gekomen want in 2018 maakten de partijen bekend dat ze een compromis hadden gevonden waarin de natuurvereniging zich niet langer gerechtelijk tegen de aanleg zou verzetten in ruil voor een drietal toegevingen vanwege de gemeente. In 2020 is over dit compromis een conventie gesloten. 1) Het traject door de marais Faubourg du Medard blijft ongewijzigd maar de wateroppervlakten aan beide kanten blijven met elkaar verbonden. Er zullen ook drie amfibietunnels worden aangelegd; 2) Ter hoogte van Zétrud-Remy wordt een boer tot de orde geroepen die een natuurgebied van 6 hectare illegaal in een maisveld heeft veranderd 3) Het Marais Pré Saint-Jean wordt erkend als reservaat en Natagora krijgt een concessie van 30 jaar voor het beheer en zal in ruil natuureducatieve activiteiten ontwikkelen. In het kader van deze tekst is natuurlijk vooral punt 3 van belang.

We zullen zien hoe het in de komende jaren verder zal verlopen, zeker wanneer men konkreet aan dit deel van het traject zal gaan werken. Ik veroorloof mij om een balletje op te gooien om inplaats van een autoweg op die plek daar een fietspad aan te leggen want dat zou perfect aansluiten op de noord-zuid RAVel-L142.

++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

+++ 

https://www.natagora.be/reserves/marais-de-genneville

+++ 

http://biodiversite.wallonie.be/fr/159-marais-de-genneville.html?IDC=1881&IDD=251660860 

+++ 

http://biodiversite.wallonie.be/fr/r-n-o-b-1982-reserves-naturelles-gerees-par-les-rnob-bruxelles-rue-vautier-29-1040-bruxelles-les-reserves-naturelles-et-.html?IDD=167775042&IDC=3046

 +++

Dwergmuis – Wikipedia https://nl.wikipedia.org › wiki › Dwergmuis De dwergmuis (Micromys minutus) (ook oogstmuis genoemd) is een knaagdier dat voorkomt in Europa en Azië. Het is het kleinste knaagdier van Europa.

+++

https://www.dhnet.be/regions/brabant/contournement-de-jodoigne-la-ville-et-natagora-s-engagent-a-preserver-des-zones-humides-5f9c36c17b50a6525bb142d0

+++ 

https://www.tvcom.be/video/info/societe/une-nouvelle-reserve-naturelle-geree-par-natagora-le-long-du-contournement-de-jodoigne_27268_89.html

+++

+++

https://brabantwallon.natagora.be/decouvrez-nos-projets/pole-vigilance/contournement-de-jodoigne

+++ 

+++ 

+++ 

https://www.rtbf.be/info/regions/brabant-wallon/detail_contournement-de-jodoigne-natagora-retire-son-recours-les-travaux-vont-pouvoir-commencer?id=9957591

+++ 

https://brabantwallon.natagora.be/decouvrez-nos-projets/pole-vigilance/contournement-de-jodoigne

+++ 

http://biodiversite.wallonie.be/nl/2907-marais-du-faubourg-saint-medard.html?IDD=251659955&IDC=1881 (marais du Faubourg du Medard)

trefwoorden:

jodoigne, natagora, marais de genville, marais pré saint jean, contournement,

L’ETANG DE PECROT – LA FABULEUSE HISTOIRE

Uitgelicht

Mei 2021

Ernst Gülcher

contact: ernst.guelcher (at) telenet.be

L’Etang de Pécrot – kaart

De vijver van Pécrot (Gréz-Doiceau) aan la Petite Marbaise vlak langs de spoorlijn tussen Leuven en Ottignies is één van die plekken in onze streek waar ik altijd weer naar terug ga. Ik heb er al veel over geschreven omdat ik het een mooie maar ook uitdagende combinatie vindt tussen de inspanningen van een plaatselijke visclub en de natuurorganisaties.

Ik dacht dat ik er al veel over wist maar dankzij enkele vrienden uit de omgeving (dank aan Béatrice Denis) weet ik nu dat er door de ASBL PECROT DEMAIN ENSEMBLE al even geleden een mooi boek gemaakt is met tekst en foto’s over de geschiedenis van de vijver met de titel LA FABULEUSE HISTOIRE DE L’ETANG DE PECROT. Ondertussen staat het geheel ook op het internet en dankzij de inspanningen van Marie-Christine & Jean-François Misonne van GELURA (zie de link) kan je het allemaal zelf lezen bij je thuis of met behulp van een app op de bordjes die sinds enige tijd langs de oevers van de vijver en de vallei zijn neergezet.

Dat verhaalt begint zo : ‘’ En 1952, Monsieur Bellefroid (pisciculteur) demande l’autorisation de créer un étang à Pécrot. En effet, à ce moment, toute la vallée de la Dyle (Gastuche, Archennes, Pécrot et Weert-Saint-Georges) est dédiée à la reproduction de poissons. La Marbaise passait à cette époque au milieu du terrain actuel de l’étang. Un chemin de promenade la longeait d’ailleurs. Mr Bellefroid fera dévier la rivière estimant qu’il y avait suffisamment de sources pour alimenter l’étang. Vous pouvez encore voir cette déviation de nos jours. Lorsque vous prenez le sentier vers l’étang (en suivant les panneaux fléchés), la Marbaise est à votre droite. Au bout ce sentier, en passant le petit pont, vous constaterez que la Marbaise fait un coude vers la gauche. Elle ne rejoindra à aucun moment l’étang.”

Je kan dat inderdaad op oude kaarten nog zien. De familie Bellefroid is sindsdien uit het zicht verdwenen maar de vissen zijn gebleven en het natuurbeheer heeft zich ook ontwikkeld. Hierna vertel ik meer  over deze spannende geschiedenis.

De vijver – lees ik in  het verhaal ‘LA FABULEUSE HISTOIRE DE L’ETANG DE PECROT’ in Pecrot Ensemble Demain – wordt door de heer Bellefroid zo’n twintig jaar uitgebaat als visvijver maar na een grote droogte in 1976 heeft hij er genoeg van en overtuigt de gemeente Gréz-Doiceau om de site aan te kopen.

Vier later vraagt en krijgt de VZW Amis du Parc de la Dyle de toestemming om er de natuur te beheren en twee jaar daarna, we zijn dan 1882, krijgen een twintigtal vissers toestemming om hun sport op de vijver uit te oefenen.

Eind jaren 80 is het water nergens meer dieper dan 30 cm. Om hem opnieuw interessant te maken voor de visvangst moet hij worden uitgediept tot 1,5 meter, een dure ingreep (750.000 fr) waarvoor “le collège communal marque son accord à condition que le comité des pêcheurs participe à hauteur de 50.000 francs par an pendant 9 ans, le reste étant pris en charge par la commune. Ce contrat a été parfaitement tenu par le comité des pêcheurs qui comptait alors une bonne soixantaine de membres. Les berges furent nettoyées”.

In de jaren daarna moeten opnieuw grote kosten gemaakt worden om de verdroging tegen te gaan maar ook om een heel aantal bomen aan weerskanten van de vijver te vellen. In de winter van 1997/98 spant de natuurvereniging zich samen met de vissers in om de natuur van het eiland in de vijver te verbeteren en nadien worden ook de nog overblijvende populieren langs de vijver verwijderd en de oevers zo ingericht dat ze voor de vissers aantrekkelijk zijn.

Tegen die tijd zwemmen er toch heel wat soorten vissen rond zoals.

·        Ziverkarper – Carpe amour blanc et argenté (Hypophthalmichthys molitrix)

·        Lederkarper – Carpe Cuir (Cyprinus carpio carpio)

·        Gewone karper – Carpe Commune (Cyprinus carpio)

·         Spiegelkarper – Carpe Miroir (Cyprinus carpio carpio)

·        Blankvoorn – Gardons (Rutilus rutilus)

·        Ruisvoorn – Rotengle (Scardinius erythrophthalmus)

·        Winde – Ide mélanote (Leuciscus idus)

·        Zeelt – Tanche (Tinca tinca)

·        Kroeskarper – Carassins (Carassius carassius)

·        Brasem – Brèmes (Abramis brama)

·        Snoek – Brochet (Esox lucius)

·        Snoekbaars – Sandre (Sander lucioperca)

·        Paling – Anguille  (Anguilla anguilla)

·        Baars – Perche  (Perca Fluviatilis)

Of die er allemaal spontaan komen of worden uitgezet en wat de verhouding daartussen is weet ik nog niet. Veel van die vissen kunnen een verbazende omvang bereiken maar om ze in klaargemaakte vorm te willen proeven moet je in een restaurant zijn want op de L’Etang de Pécrot worden ze wel opgehaald maar ook weer terug in het water gezet om de te vermijden dat de visstand vermindert.

Nauwelijks is het natuurinrichtingswerk gedaan of er dient zich een nieuwe fase aan. Overeenkomstig de nieuwe Europese regelgeving op de verbetering van de waterkwaliteit zet de Région Wallonne zich vanaf eind 2000 in om aan de oostkant van de vijver van Pécrot buizen in te graven om het huishoudelijk afvalwater af te voeren. Op aandringen van Oscar Maricq van het Département Nature et Forêts (DNF) wordt bij die gelegenheid – ook al weer tegen hoge kosten – een ‘monnik’ geplaatst om het waterpeil te regelen en de uitstroom van vissen te vermijden. De visclub moet ook een nieuw toiletgebouw zetten om zich op de riolering aan te sluiten. 

De aanleg van het rioleringssysteem levert massa’s aarde op. Om enorme hoge afvoerkosten te voorkomenen wordt de grond ter plaatse gebruikt om de fragiele oevers aan beide zijden van het water te vergroten en te verstevigen.  Om arbeidskosten te besparen worden de werken uitgevoerd door de leden van de visclub zelf. Een deel van het hout wordt afgevoerd aan de plaatselijke boer maar met grote massa’s houtsnippers van wilgen – afkomstig van onderhoudswerken en aangevoerd door de gemeentearbeiders – worden de oevers ‘ontmodderd’. Reeksen in de grond geslagen oeverpaaltjes – eveneens van wilg – zorgen voor stabilisatie. 

Aan de kant van de Rue Cyrille Bauwens (langs het spoor) worden ook nog dure stabilisatiewerken uitgevoerd om het afglijden naar het water bij regen te verhinderen.

Wie vandaag terugkijkt op de veel te droge zomers van de laatste jaren kan het zich niet voorstellen maar in 2010 komt heel de omgeving van de vijver onder water te staan. In het boekje ‘La Fabuleuse Histoire de l’Etang de Pécrot’ zie je spectaculaire foto’s van een tot een bergstroom aangezwollen kolkende Marbaise en de ondergelopen visclub. Maar blijkbaar heeft dat toch geen grote schade opgeleverd want ik lees daar toch niets over.

In onze tijd vestigen de bevers zich in het riviertje. Dat is kennelijk een delicate materie want het boekje zegt daarover niet zo heel veel konkreets. Wie mijn teksten van de afgelopen jaren gevolgd heeft kent mijn bewondering voor de beheersystemen met horizontale buizen die de gemeente Gréz-Doiceau (?) jarenlang in de beek heeft geplaatst om deze nijvere dieren met hun dammen het water te laten stabiliseren maar ook om te voorkomen dat ze het waterpeil altijd maar verder verhogen. 

Voor zover ik weet hebben ze voor de vijver nooit een probleem opgeleverd – integendeel denk ik want de zomers zijn inderdaad veel te droog als gevolg van de opwarming van het klimaat en bovendien eten bevers geen vis  – maar blijkbaar houden enkele boeren in de omgeving niet van ze en tot mijn pijnlijke verbazing zijn al die installatie weggehaald en de dammen ook.

Aangezien bevers beschermde dieren zijn en de vallei valt onder de Europese regelgeving op natuurbehoud vind ik dat niet kunnen dus ik verwacht dat er een ferme oplossing wordt uitgewerkt in het voordeel van de bevers.

In het boekje ‘La Fabuleuse Histoire de l’Etang de Pécrot’ van de ASBL PECROT DEMAIN ENSEMBLE vind je helemaal op het einde twee hele mooie kaarten over wat toch een van de belangrijkste zaken in dit vis- en natuurverhaal is : het grotendeels ondergrondse systeem van de waterzuivering. 

Wat je er van ziet zijn aan de kant van Florival het grote zuiveringsstation en naast de brug over de Dijle een pompstation om het gezuiverde water aan de rivier terug te geven. Maar aan de kant van Pécrot staat er ook een onopvallend gebouwtje aan het begin van La Petite Marbaise en op de kaart zie je dat dit moet dienen om al het huishoudelijk afvalwater van de huizen rond de vijver met een persleiding op te pompen naar het stroomopwaarts gelegen zuiveringsstation.

Voor meer gegevens zou je terecht moeten kunnen op de website van de Société Publique de Gestion de l’Eau (SPGE) http://www.spge.be/fr/index.html?IDC=1. Maar ik vind daar niets over Gréz-Doiceau dus dat zal nog even moeten wachten.

Een van de vissers vertelde me dat het waterpeil van de vijver gevaar loopt door het stroomopwaarts oppompen (captage) van (drink)water maar daar heb ik nog geen bijzonderheden over gevonden.

Daarmee ben ik zo ongeveer rond met dit reeksje. Om het karakter van deze unieke vijver te handhaven is een maximale samenwerking tussen de vissers, de natuurliefhebbers en de gemeente nodig en ik neem aan dit hier ook wel goed verloopt.

Als buitenstaander waag ik me toch aan een paar ‘knelpunten’ die volgens mij gemakkelijk te verhelpen zijn.

Dat van de bevers heb ik al genoemd. Het tweede punt is het beheer over het unieke veldje van dotterbloemen (en andere voorjaarsbloeiers) op het moerasje aan de ingang. Iemand (?) heeft daar hout op gestapeld en een grote hoeveelheid maaisel op gestort. Daar kan dat veldje absoluut niet tegen en dat kan je ook zien. Dat zou dringend moeten worden weggehaald of een tiental meters verplaatst.

Het laatste knelpunt betreft de beschoeiing langs de oevers zoals die gemaakt is tijdens de werken vorig jaar. Het ziet er wel mooi recht uit maar zo’n ‘muur’ van loodrechte planken verhindert de migratie van amfibieën en zal zelfs moeilijkheden opleveren voor (jonge) watervogels denk ik. Hier en daar zullen er dus openingen (of zoiets) gemaakt moeten worden om de natuur een handje te helpen maar dat kan toch geen probleem zijn. Ik heb al vermeld dat men voor die versteviging in het verleden levende wilgentakken in de grond plaatste en dat ziet er toch veel natuurlijker uit (en biedt ook mogelijkheden voor schaduw).

Ik kom hier graag en uit de reacties te zien geldt dat ook voor anderen in onze streek. Dat leidt natuurlijk ook tot heel wat meer bezoekers dan in het verleden en vissers en natuurliefhebbers zijn het er kennelijk roerend over eens dat dit niet mag leiden tot het verstoren van de rust en de natuur. Op je mountainbike mag je in elk geval het gebied niet in zo te zien aan de grote borden die op veel plaatsen zijn opgehangen. Feestvierders zijn ook niet welkom met uitzondering van het traditionele jaarlijkse evenement van de visclub.

+++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

http://biodiversite.wallonie.be/fr/262-etang-de-pecrot.html?IDD=251659108&IDC=1881http://www.etangdepecrot.com/

+++

http://www.pecrot.be/1952-a-1985/

+++

+++

http://biodiversite.wallonie.be/fr/262-etang-de-pecrot.html?IDD=251659108&IDC=1881

+++

http://www.etangdepecrot.com/

+++

https://www.facebook.com/P%C3%A9crot-Demain-Ensemble-asbl-1801514173496967

Zie ook:

https://opstapinhetlandvandedijleendedemer.home.blog/2020/06/30/letang-de-pecrot-en-de-vallei-van-la-dyle-en-la-marbaise/  (nederlands)

+++

https://ernstguelcher.blogspot.com/2020/09/letang-de-pecrot-grez-doiceau.html (frans)

Trefwoorden : L’Etang de Pécrot, natuurbeheer, vis, brochet de la dyle, les amis du parc de la dyle, pécrot demain ensemble,

BEAUVECHAIN – OP BEZOEK IN LA FERME DE LA GRANDE GRAYETTE

Uitgelicht

 

Ernst Gülcher

April 2021

Contact : ernst.guelcher (at) telenet.be

Beauvechain – la Ferme de la Grande Grayette aan de Rue des Anges 67. Ik heb nogal vaak last met mijn computer maar soms ben ik dankbaar omdat hij mijn geheugen veel beter weet vast te houden dan mijn verwarde hersenen.

Van deze monumentale historische vierkantshoeve helemaal op de uiterste oostrand van de gemeente Beauvechain op de grens van het voormalige oorlogsvliegveld Les Burettes (zie de link naar mijn reportage) heb ik al eens een keer uitvoerig foto’s mogen maken in november 2014 ter gelegenheid van de 52ste Fêtes de Saint Martin. Ik kwam daar terecht vanwege de magnifieke beelden-tentoonstelling van onze Leuvense Gerdi Fonk en de gedichten van Joost Tresignie uit Bierbeek.

Die foto’s zijn onder de titel ‘fluidum tussen vorm, vormeloosheid en poezie’ allemaal nog terug te vinden op Facebook (zie de link). Bij die gelegenheid heb ik ook de hoeve zelf al een beetje in beeld gebracht.

Kort geleden ben ik terug geweest om kennis maken met de bewoners van nu en ik heb gezien dat er veel veranderd is maar eigenlijk zijn de gebouwen nog helemaal hetzelfde wat ik in onze tijd van supersnelle en dikwijls stresserende veranderingen best wel eens leuk vind. Sinds enkele jaren wordt de hoeve gekoesterd door een groep van jonge mensen die er aan werken om er een paradijsje van de biologische tuinbouw van te maken en tegelijkertijd allerlei culturele activiteiten organiseren hoewel die laatste wel tijdelijk een beetje stil lijken te liggen vanwege de corona-crisis.

Een van hen, Lucia Ab Out, reageerde op mijn reportage over Tourinnes-la-Grosse met de vraag of er iemand weet wat de oorsprong en betekenis is van de naam Grayette en omdat ik hou van zulke vragen heb ik aangeboden om te helpen zoeken en tegelijkertijd nog eens werk te maken van het verhaal over de geschiedenis van deze hoeve die teruggaat tot de vroege middeleeuwen.

Op de Ferrariskaart van 1777 en de Villaretkaart van 1745 staat de hoeve aangeduid als Cense de la Graette. Op die kaarten zie je ook het grote plateau ‘les Burettes’ en de Arbre de Ermelinde aan de ‘Grand Chemin’ tussen Beauvechain en Meldert.

De hoeve maakt deel uit van de enclave van het (voormalige) Prinsbisdom Luik binnen het Hertogdom Brabant en op de kaart zie je grens op enkele honderden meters ten oosten van de hoeve. Honderd jaar later staat hij op de kaart Vandermaelen van 1846 aangeduid als ‘Ferme de la Grande Gregette’ samen met (in dezelfde straat) la ‘Ferme de la Petite Gregette’.

Op mijn vraag van gisteren naar gegevens over zijn geschiedenis hebben al enkele vrienden in Beauvechain heel behulpzaam gereageerd met als gevolg dat ik nu beschik over de pagina’s over deze hoeve in het boek ‘Les sentiers de l’histoire à Beauvechain et environs’ van Joseph Schayes.

Ik moet het allemaal nog eens goed lezen maar is waarschijnlijk dat hij er al was rond 1200 als bezit van de Abdij van Gembloux. Hij wordt voor de eerst genoemd in 1474 als ‘Cense del Gret’ (pachthof Gret). In 1720 wordt hij verkocht aan ‘Le Grand Collège de Louvain’. Zoals zoveel hoeves in de streek is hij in de jaren daarvoor grotendeels verwoest door de plunderingen van de troepen die deze streek uitkozen om er hun godsdienst- en andere oorlogen op uit te vechten.

Een lezer vertelt dat Schayes een legende aanhaalt over een ‘onderaardse gang’ van de hoeve naar een plek die volgens J.Schayes in zijn boek ‘Tourinnes Beauvechain terres d’enclave de la Principauté de Liège en Brabant’ op een oud plan (dat ik niet heb) zou zijn aangeduid als ‘La cense d’Aulne’. Op mijn kaarten vind ik dat niet maar het zou een beetje naar het zuiden zijn ter hoogte van de Ruisseau de la Néthen. Zoek er maar niet naar want die tunnel bestaat niet meer. Dit soort ‘legendes’ verwijst naar het feit dat bewoners van hoeves, kastelen en abdijen altijd nood hadden aan een geheime snelle vluchtweg in geval van nood.

De universiteit bouwt alles weer op waaronder de grote boogpoort waarop een steen is ingemetseld met het jaartal 1734. De overige gebouwen zijn ook die tijd of van later datum. Er moet een heel grote schuur geweest zijn maar die is rond 1860 afgebroken. In 1776 wordt het goed verkocht aan Jean-Guillaume van Hamme.

In de 19de eeuw staat de hoeve bekend als ‘la Ferme Nélis’. Guillaume Nélis wordt hier geboren op 18 maart 1803 en ontwikkelt zich als een van de meest geniale industriëlen van het nieuwe België als de grondlegger van het latere ‘imperium Solvay’.

Het moet een heel grote hoeve geweest zijn want in 1680 bedraagt het grondbezit 76 bunders en honderd jaar later loopt dat op tot bijna 100 bunders. Een bunder is juist iets meer dan een hectare.

Over de oorsprong van de naam weten we nog niets zeker. De hoeve ligt aan de rand van een zeer grote vlakte met een ondergrond van zand en een vruchtbare toplaag van leemstof. Dat is een uitstekende basis om granen te verbouwen en uiteraard moeten die na de oogst onder dak worden opgeslagen. Totdat er iemand komt met een betere uitleg houd ik het er op dat ‘gre(t)’ of ‘gri(et) een vroege vorm is van ‘gra(in)’. De uitgang ‘in’ wijst op ‘huis (heim) om op te slaan’ en dat is later ‘grange’ geworden. Het naamsdeel ‘ette’ wijst ook op ‘verzamelen’. Alles bij elkaar heb je dan een Graette: een plek om het graan te bewaren. Wie biedt een waarschijnlijker scenario (graag!)?

Beauvechain, la Ferme de la Grayette. Soms (dikwijls) kom ik heel onverwacht terecht op opmerkelijke zaken. Zoals gezegd staat de hoeve begin 1800 bekend als ‘la Ferme Nélis’. De boer in kwestie is in 1796 Jean-Joseph Nélis die – gehuwd met Marie Catherine Constance Van Hamme – op zeer dynamische wijze de hoeve weer tot bloei brengt, de gronden ervan aanzienlijk uitbreidt en ook la Ferme des Burettes opricht, iets verderop.

Maar het is hun vijfde kind, Guillaume Joseph Nélis die in 1803 op de hoeve geboren wordt die zich zal ontwikkelen tot – dixit Ernest Solvay in hoogst eigen persoon in 1883 – een van de meest geniale industriëlen van het nieuwe België als de grondlegger van het latere ‘imperium Solvay’.

Over hem schrijft Schayes het volgende: “Guillaume fit ses études de médecins à l’Université de Bruxelles et s’installa comme médecin à Wavre. En 1837, il entra comme communautaire dans les Papeteries de Gastuche et cette société porte le nom de ‘Mathieu Nélis et Cie’. Elle a depuis pris une expansion continue. Aimant l’entreprise, en 1863, il fut un des commanditaires-fondateurs du procédé de fabrication de la soude à l’ammoniaque dit procédé Solvay qui exigea des années de recherche avant d’arriver au stade industriel, à tel point que Ernest et Alfred Solvay et leurs parentées de même que les bailleurs de fonds les Pirmez, Nélis, Lambert furent mis à rude épreuve. Leur tenacité et leur foi dans l’avenir les récompensa. En quelques années la fortune leur sourit par la rapide expansion des usines Solvay. Déjà en 1875, Guillaume Nélis fit un don de 200.000 fr à la Commission des Hospices de Jodoigne en vue de créer ‘L’orphelinat Nélis’ également pour les orphelins de Beauvechain. Plus tard, en 1893, il fit construire un hospice à Beauvechain qu’il dota d’un capital de 120.000 fr dont l’intérêt suffisait à assurer l’entretien, mais fut insuffisant pour le tenir ouvert après la guerre 1914-18. Entretemps, il acheta quantité de terres sur la campagne de Beauvechain et racheta la ferme des Burettes …

Il fut élu représentant de l’arrondissement de Nivelles. Il habitait Virginal-Samme où il fut bourgmestre et avait son château. Il avait épousé Thérèse Kumps mais ils n’eurent pas d’enfants. Il mourut à Bruxelles le 19.4.1896 laisant une importante fortune à ses neveux et nièces. Il fonda deux bourses d’études destinées aux étudiants du Canton de Jodoigne et de préférence aux descendants de sa famille. Ce fut un homme animé de profonds sentiments”. Joseph Toirdoir voegt er in een eigen studie aan toe: “Il fut un véritable self-made man. On estime que sa fortune dépassait très largement les 3 millions de francs. A savoir 600 millions de francs d’aujourd’hui.” Zoveel geld zullen de bewoners van de hoeve vast nooit bij elkaar zien maar toch werken ze aan een bij hen passende mooie eigentijdse toekomst.

Ik keer terug naar de tijd van nu. Van de grote vierkantshoeve met bijna 100 bunders grond in de tijd van de familie Nélis staan de gebouwen nog fier overeind maar de grond die er bij hoort is nog maar twee hectares. Zoals zoveel vierkantshoeves is het duidelijk geen klassieke hoeve meer die gerund wordt door een dynamische boer, laat staan een boer van nu met enorme machines met alles wat daarbij te pas komt.

Sinds enkele jaren heeft zich hier een groep van een zestal jonge mensen gevestigd die op hun manier een geheel nieuwe duurzame herbestemming aan de hoeve willen geven maar met de opbrengst van die bestemming er tegelijkertijd ook wel geheel of gedeeltelijk van moeten kunnen rondkomen.

Omdat het nog winter was als ik er was en ook vanwege de Covid-crisis heb ik ze er zelfs tijdens mijn bezoek er nog niet echt over kunnen aanspreken en ben ik even aangewezen op wat ik er zag en wat ik op het internet vind. Het is duidelijk een project van ‘cohousing’ met bewoners die investeren in een gezamenlijk project op de hoeve, daar ook eigen projecten ontwikkelen en die daarnaast ook een (halftijds) job hebben om te kunnen overleven.

In een bericht in mei 2017 lees ik dat zij – ‘Xavier, Delphine, Vincent, Adeline, Camille et Simon (et Capucine), alias les p’tits gras’ – op zoek zijn naar iemand die aan hun project wil deelnemen. Hun project: ‘Nous vivons dans une (ancienne) ferme située à Beauvechain et nous avons un grand potager, un élevage de chèvres (et une fromagerie), une grange pour stocker du foin et organiser des fêtes, un four à pain, des ateliers, des poules, des chiens, un chat, des souris et une jolie vue sur la campagne…’.

En een beetje verder in dezelfde zin: ‘Sur les deux hectares de terrain qui entourent la ferme, une partie a été mise en culture fruitière et légumière et une autre partie servira de pâturage pour les chèvres. La Grande Grayette est avant tout un lieu d’expérimentation, de partage de connaissances et d’apprentissage autour de l’agriculture et de la réappropriation de son alimentation.’

Het bericht dateert van 3 jaar geleden en ik heb van de week kennis gemaakt met een (de?) nieuwe bewoonster. Mijn gastvrouw Lucia is helemaal uit Zuid-Italië gekomen om zich hier te vestigen. De geiten, de honden en de kat heb ik niet gezien maar wel kippen en eenden en een boomgaard. Voor de groententeelt  ligt alles gereed.

Ik denk dat de op de hoeve geboren beroemde mede-oprichter van het Solvay-imperium er zijn ogen zou bij opentrekken maar de tijden veranderen en niet iedereen is nog geïnteresseerd in dikke aandelenportefeuilles en een kasteel om je levensdagen in te besluiten.

Ik lees ook dat er op 28 september open deur dagen gepland zijn maar dat op 28 juni de boerderij ook haar deuren opent met een markt van lokale producten, een ‘repas maison’ en activiteiten voor groot en klein. Blijkbaar vinden zulke evenementen er alle jaren plaats maar gezien de Covid en ook omdat de website niet helemaal duidelijk is over het jaartal moet je wel even nakijken of het inderdaad allemaal doorgaat voordat je er heen gaat denk ik. Ik vind ook info over muzikale en andere culturele activiteiten (jazz) maar ook daar ontbreken konkrete gegevens over toekomstige evenementen vooralsnog. Ik zou zeggen, ga er nu zelf maar eens een kijkje nemen want binnenkort staan de bloemen rond de hoeve open en dan ga ik er zelf ook terug.

++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

+++

https://ernstguelcher.blogspot.com/ – trefwoorden: burettes, tourinnes

+++

http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/fiche/index?sortCol=2&sortDir=asc&start=0&nbElemPage=10&filtre=&codeInt=25005-INV-0014-02

(ferme de la Grande Grayette)

+++

Tarlier & Wauters: Retranscription: Commune de Beauvechain

http://www.echarp.be › twcjod16

 +++

PORTRAIT DE GUILLAUME NELIS SOLVAY DOIT … – LeSoir.be

https://www.lesoir.be › art

+++

Les sentiers de l’histoire à Beauvechain et environs (Joseph …

https://nl.bibliomania.be › item › les…

door Joseph SchayesPaperback / 212 bladzijden / uitgave 1990

taal (talen) : frans

uitgever : Nauwelaerts Editions Historiques

https://nl.bibliomania.be › item › les…

https://www.habitat-groupe.be/petites-annonces/divers/autres-pays-regions/recherche-personne-desireuse-de-rejoindre-le-projet-a-la-grayette/

+++

https://www.kisskissbankbank.com/fr/projects/des-chevres-pour-faire-du-fromage

+++

https://www.jazzinbelgium.com/venue/ferme-de-la-grande-grayette

+++

https://gowork.fr/grayette-les-mees

+++

https://beauvechain.blogs.sudinfo.be/archive/2019/07/17/la-grayette-en-fete-283436.html

trefwoorden: Beauvechain, Ferme de la Grande Grayette, Guillaume Nélis, Solvay,

OP STAP IN TOURINNES-LA-GROSSE, LUSWANDELING LANGS DE KERK, TWEE KAPELLEN EN EEN MOLEN

Uitgelicht

Voorjaar 2021

Ernst Gülcher

Contact: Ernst.Guelcher (at) telenet.be

Ter inleiding bij een mooie luswandeling in Tourinnes-la-Grosse

Tourinnes-la-Grosse – luswandeling Eglise St.Martin, Chapelle du Rond Chêne, Chapelle Saint-Corneille, Moulin Wuyts – 6km

Dit is ter inleiding van mijn verkenning van een wandeling in Beauvechain, vooral in Tourinnes-La-Grosse en Mille. Ik vertrek op de Place Saint Martin waar ik niet alleen aandacht besteed aan het plein, de kerk, het kanon, de pastorie en het cultureel en parochiaal centrum maar ook aan het er achter gelegen oude voetbalterrein, nu een speelterrein voor jongeren en een parking met nogal krachtige muurschilderingen. In de kerk bewonder je ook de keramiek van Max Vanderlinden. Vandaar neem ik de Ruelle Collin en de Ruelle Sainte Barbe naar de Chapelle du Rond Chêne. Dat is een gekasseide veldweg met grootse uitzichten over het landschap maar ook met een afslag naar een fantastisch diepe holle weg die al héél oud moet zijn en aangeeft dat in de Romeinse tijd, in de middeleeuwen en nog lang daarna de mensen hier langs passeerden en zich minder waagden in de laaggelegen en dikwijls moerassige valleien. Vanaf de kapel du Rond Chêne – ooit een oord voor de melaatsen – ga ik naar La Chapelle Saint Corneille. Dat kan via het de Rue Jules Coisman door het gehucht Mille maar ik neem een paar veldwegen door het boerenlandschap ten noorden ervan. Aan de mooi gerestaureerde kapel St.Corneille staat ook de in ruïneuze staat verkerende hoeve vierkanthoeve Vercammen. De kerk en de kapellen waar we langs komen zijn erg bekend en ik heb er al veel over geschreven (zie de links) maar eigenlijk is de aanleiding van deze tocht de voormalige watermolen Wuyts (officieel le Moulin Crèvecoeur) op de kruising tussen de Rue du Grand Brou en de Rue du Moulin vlak bij het dorp.

Tourinnes-La-Grosse – Place Saint Martin met de oude waterpomp

Die aanleiding is het verhaal van Els Coremans uit Oud-Heverlee dat haar voorouders, de molenaarsfamilie Wuyts veel molens bezaten waaronder de Moedermeulen in Gelrode, een windmolen in St.Pieters Rode, de afgebroken windmolen van Bierbeek en dus ook Le Moulin Crèvecoeur op La Néthen in Tourinnes-la-Grosse. Het was mij al opgevallen dat de stiel van molenaar voorbehouden is aan families maar het grote gebouw aan de ingang van het dorp (vlakbij de camping) had ik zelfs nog niet herkend als een voormalige watermolen en dus besteed ik er op deze wandeling ruim aandacht aan. Het is een heel mooie tocht langs oude huizen en schitterende uitzichten in het boerenland van Beauvechain met zijn twee heel kleine beken, Le Ruisseau de La Néthen en de Mille en met zijn vriendelijke bewoners want bijna iedereen die je tegenkomt is best bereid om een praatje te maken en dat is ook wel leuk hoewel ik mijn oren goed moet openzetten want het plaatselijk dialect is hier nog de leidende melodie. Op de in het album bijgevoegde kaart zie je het traject en in totaal zou het toch niet langer zijn dan 6 km. Er zijn daar veel veldwegen dus wie wil kan de tocht naar wens inkorten of langer maken.

Tourinnes-la-Grosse

Tourinnes-la-Grosse in het dal van het riviertje ‘La Nethen’ is – volgens Wikipedia – sinds 1977 een deelgemeente van Beauvechain in Waals Brabant juist over de taalgrens. In het Vlaams zou het ‘Deurne’ heten maar dat zegt natuurlijk niemand en in het Waals ‘El Grosse Tourenne’ (en wie zegt dat nog?). ‘Deurne’ zou kunnen komen van het Germaanse woord ‘thurina’:  ‘braamstruik’ of ‘doornenhaag’. ‘La Grosse’ is aan Tourinnes in de 19de eeuw toegevoegd vanwege de imposante omvang van de toren van de  ‘Eglise Saint Martin’, een van de oudste kerken in onze streek.

Tourinnes-la-Grosse – dorpsplein, kerk en scheepskanon uit de eerste wereldoorlog

Samen met Beauvechain maakt Tourinnes tot aan het einde van de 10de eeuw deel uit van het kleine graafschap Brunerode. Gravin Alpayde van Hoegaarden schenkt beide dorpen (en omgeving) aan de Luikse Bisschop Notger en zo worden zij in de middeleeuwen een enclave van het prinsbisdom Luik in het hertogdom Brabant. Dat is tegen de zin van de hertogen die ettelijke keren en soms met geweld proberen om de enclave ten eigen bate op te doeken met telkens flink wat akelige gevolgen voor de dorpelingen. In 1635 valt het Frans-Hollandse leger de streek binnen en zowat heel de rest van die eeuw is een tijdperk van grote verpaupering en vernieling als gevolg van de strijd tussen de grootmachten van die tijd (net als heel de rest van de grote omgeving trouwens, het is overal hetzelfde verhaal). Het scheepskanon  aan de kerk dateert wel van enkele eeuwen later en wie kan al vertellen waarom dat er staat? Tijdens de Franse revolutie worden ze samengevoegd tot één gemeente om vervolgens in 1841 opnieuw gescheiden te worden. De plaatselijke Eglise Saint-Martin is een van de oudste kerken in onze streken en een van de weinig die nog dateert van het Karolingische tijdperk. Het schip wordt gebouwd in de 10de eeuw en het koor omstreeks 1250. De opvallende massieve maar niet erg hoge donjon-toren is van dezelfde periode maar een precieze bouwperiode heb ik nog niet kunnen vinden (wie helpt?). Gelegen bovenop een heuvel domineren de kerk en de omliggende historische gebouwen heel de omgeving (met soms merkwaardige effecten) en als er even niet veel auto’s op het dorpsplein staan kan je gemakkelijk verbeelden te zijn verplaatst naar een eeuwenoud verleden. Ik vind het heel jammer dat de mensen hier hun auto niet op de parking achter de kerk zetten want nu is het moeilijk om stijlvolle foto’s te nemen. Tot ver in de omgeving is het dorp bekend om zijn ‘fêtes de la Saint-Martin’ die alle jaren plaatsvinden in de maand november met theater- en muziekvoorstellingen tentoonstellingen bij honderden mensen in het dorp zelf en de omliggende dorpen.

Tourinnes-la-Grosse – de hertog van Brabant?

Sinds 1946 en nog eens extra in 2002 is heel het centrum beschermd als uitzonderlijk monument en gezien de absurde bouwwoede van de mensen van nu in onze regio is dat maar goed ook. Ik begrijp dat er sinds enkele jaren heftig plaatselijk protest is tegen plannen om achter de oude ‘vicarie’ het veld voor de schapen vol te bouwen (wie weet daar meer over? Zie de link). Met de auto kun je de kerk bereiken maar te voet kom je er best langs de stenen trap die vertrekt aan het café Relais St. Martin aan de Rue de Beauvechain 56, 1320 Tourinnes-la-Grosse. Overigens is niet alles nostalgie in dit dorp, op de parkeerplaats achter de kerk vind je zeer eigentijdse muurschilderingen die – mooi of aartslelijk is een kwestie van smaak – getuigen van de kunstzinnige aanwezigheid van een erg eigentijdse generatie. En midden op het plein staat naast de oude waterpomp een voor de toekomst geplante opvolger van de door beschadiging van de wortels gesneuvelde ‘marronnier’ met een wel heel eigentijds gedicht van Julos Beaucarne.

L’Eglise Saint-Martin

De ‘Eglise Saint-Martin’ in Tourinnes-la-Grosse kan je van bijna overal zien in de vallei van het riviertje ‘la Nethen’ en hij is gemakkelijk te herkennen aan zijn wel heel dikke toren. De voordeur is in beginsel altijd open want de kerk is een ‘Eglise Ouverte’. De laatste keer dat ik kwam foto’s nemen was er juist een heel muzikaal koor aan het oefenen en er worden dikwijls concerten gegeven. Het interieur is opvallend sober en ademt om die reden een enorme rust uit. Sedert de bouw in de vroege middeleeuwen is heel de streek voortdurend geteisterd door onlusten maar de kerk heeft dat allemaal weten te overleven.

Tourinnes-la-Grosse – L’Eglise Saint-Martin


Voor zover ik kan nagaan is er alleen in 1640 een grote brand geweest waarna vooral de zijbeuken opnieuw moesten worden opgetrokken. Of bij die gelegenheid de toren ook door de arbeid van plaatselijke metselaars zijn dikke vorm gekregen heeft en sindsdien ‘la Grosse’ aan de dorpsnaam is toegevoegd is een verhaal waarvoor ik bevestiging zoek. Door de eeuwen heen zijn er wel een aantal verbouwingen en aanpassingen doorgevoerd maar in 1954 is onder leiding van Professor R. Lemaire bij een grote restauratiecampagne het gebouw opnieuw in zijn oorspronkelijke toestand gebracht. Als gevolg daarvan ziet alles er uit alsof het nog maar net gebouwd is, zeker de binnenzijde aan het imposante gewelfde metselwerk van de toren en de houten constructies in het middenschip. Achter de kerk sta je binnen de muren van de eeuwenoude begraafplaats waar alles ook zo goed als in perfecte staat wordt gehouden en het onderhoud op ecologische wijze gebeurt. De mooie brandschilderingen in de ramen staan symbool voor het feit dat Saint-Martin in zijn tijd opkomt voor de armen. Saint-Martin (Sint-Maarten) wordt rond het jaar 316 geboren in Tours waar hij later ook bisschop wordt en is een van de populairste middeleeuwse heiligen. Zijn sterf- en feestdag valt op 11 november en zijn leven staat in het teken van de liefdadigheid nadat hij als jong Romeins soldaat (de helft van) zijn mantel afstaat aan een blinde bedelaar. Als heilige is Sint-Maarten vooral belangrijk voor de boeren en zijn feestdag was vroeger de datum waarop de oogst binnengehaald moest zijn en het vee op stal ging. Op 11 november werden grote Sint-Maartensvuren ontstoken. Ironisch genoeg gaat dit gebruik terug op een Germaans feest ter ere van Wodan (maar dat geldt voor bijna alle christelijke feesten denk ik). De dorpelingen brachten dankoffers en brandden reinigende vuren om de vruchtbaarheid van het land en vee te bevorderen. Op die dag werden ganzen geslacht. Dat laatste gaat terug op de overlevering dat Saint-Martin zich niet waardig genoeg vond voor het ambt van bisschop en zich in een ganzenhok verstopte toen als zijn aanhangers hem komen ophalen om hem in Tours op de troon te doen zetelen. Maar omdat die dieren altijd veel laweit maken tegen verstoorders, werd zijn schuilplaats ontdekt en kon hij zijn roeping niet ontgaan. Ik denk niet dat ganzen zich ooit zullen laten bekeren en nederig zijn ze zeker niet, maar als je bewaking nodig hebt kan ik ze aanbevelen. Even iets rechtzetten: het kanon aan de voordeur is géén luchtafweer maar een Duits scheepskanon uit de eerste wereldoorlog dat als oorlogstrofee door Graaf de Hemricourt de Grunne aan de dorpelingen werd geschonken uit dank voor hun gastvrij onthaal tussen 1914 en -18.

Tourinnes-la-Grosse – de ‘bedelaarskist’ van Saint-Martin

Max van der Linden

Ben ik oneerbiedig door te stellen dat de echte heilige van Tourinnes la Grosse, Nodebais en de gemeente Beauvechain niet Saint-Martin is maar – naast Julos Beaucarne – Max van der Linden? Geboren in Nodebais op 1 juni 1922 op de familiehoeve d’Agbiermont en eveneens daar overleden op 25 november 1999, heeft hij met zijn persoonlijkheid en met zijn keramiek een enorm en blijvend stempel gedrukt op zowat de hele wijde omgeving. In zowat iedere kapel en kerk en in en aan talloze andere gebouwen in Beauvechain en buurgemeenten kom je zijn werken tegen en ik heb aan dit album een kaart toegevoegd met een typische ‘max-van-der-linden-wandeling’. Het eerste wat mij telkens opvalt is dat ze altijd zowel erg gedetailleerd-herkenbaar zijn als gebaseerd op de heel gewone zaken die er in het leven van mensen toe doen: het dagelijks leven op het platteland, de familie, de muziek, geboorte, huwelijk en dood, de hoop op beterschap en solidariteit en de angst voor eenzaamheid en chaotische verandering maar dat alles doordrongen van een diepe christelijke spiritualiteit die altijd weer leidt naar een onverwoestbaar optimistische kijk.

Tourinnes-la-Grosse – Max van der Linden – dit is een van mijn favoriete werken van de kunstenaar

Als mens is Max van der Linden zijn hele leven bewonderd door zijn vermogen om mensen bij elkaar te brengen en als zodanig is het logisch dat hij beschouwd wordt als de grondlegger en bezieler van de jaarlijkse Fêtes de la Saint-Martin (met in 2019 de 54ste editie). Tot in 2015 waren de meeste van zijn werken te bewonderen in zijn atelier in de Ferme D’Agbiermont maar na de verbouwing in meerdere woningen van de hoeve konden zij daar niet langer blijven en door het groot publiek bekeken worden. De VZW “Max van der Linden” die het werk beheert sloot in 2018 een overeenkomst met de gemeente Beauvechain en de plaatselijke kerkfabriek. Als gevolg daarvan zijn heel veel wereldse werken van de kunstenaar nu te zien in de zaal Vert Galant in het gemeentehuis van Beauvechain terwijl de meeste sacrale stukken te bewonderen zijn in de kerk Saint-Martin in Tourinnes la Grosse. Enkele werken zijn nog op de hoeve (zoals “La Maison de mes Amis) en niet vrij toegankelijk maar of daarvoor nog altijd een oplossing gezocht wordt weet ik niet. Er is een speciale website http://www.maxvanderlinden.be/ maar daar heb je niets aan omdat die al vele jaren op non-actief gezet is en volgens mij beter opgeheven zou worden als hij niet gedeblokkeerd kan worden. Als er iemand is die nog eens kan vertellen waar en hoe je info kan vinden over de betekenis van de afzonderlijke werken van de kunstenaar (of over het verhaal waarin ze passen), vooral die in de kerk, ben ik zeer dankbaar.

Tourinnes-la-Grosse – Rue de la Bruyère Saint-Martin

La Rue de la Bruyère

Tourinnes-La-Grosse. Om vanaf L’Eglise Saint Martin naar La Chapelle du Rond Chêne te gaan, volg ik vanaf het parochiale centrum ‘Le Beau Vignet’ (vroeger de pastorie), de begraafplaats, de beschilderde elektriciteitskast en het kruisbeeld op de hoek de kasseien van de Rue de la Bruyère Saint Martin in noordelijke richting. Op het plein staat nog de oude pomp van 1861 en ik vraag me af hoe diep die wel gaat om hier op de heuvel water op te halen. Sinds wanneer beschikt men hier over een eigentijdse waterleiding? De naam van de straat zie je op de kaart op veel plaatsen in het dorpscentrum en hij stelt me voor een raadsel want een ‘heideachtig landschap’ is hier nergens te zien maar wellicht was het hier in de oude tijd wel veel droger dan nu. In deze straat staan veel huizen op de erfgoedlijst waarvan we er op deze wandeling drie passeren. De oude ‘vicarie’ naast het kerkhof dateert uit het einde de 18e, begin 19 eeuw. Het is een statig maar een beetje vervallen gebouw, half verborgen achter zijn indrukwekkende omheiningsmuur maar er zijn grote restauratiewerken aan de gang en ik ben benieuwd wat daarvan het resultaat gaat zijn. Daarnaast staat een al even statig woonhuis, dat uit dezelfde tijd stamt en oorspronkelijk een boerderij was. Nu is het een privé-woning en kantoor en met stevige hekken afgesloten. Een beetje verderop staat een in dit dorp nogal uit de toom vallende grote begin 20ste eeuwse villa die je onmiddellijk herkent als een typisch doktershuis. Wie er nu woont weet ik niet maar het was lang de praktijk van dorpsdokter Duchesne lees ik in het erfgoeddossier. Ik kom altijd weer onder de indruk van de indrukwekkende rij monumentale bomen die aan de rechterkant staan aan de rand van de schapenweide. Ik dacht aan eiken maar een lezer zegt dat het lindes zijn.

Tourinnes-la-Grosse – Ruelle Sainte Barbe

Zoals ik al eerder verteld heb is het die wei die de projectontwikkelaars graag nog zouden willen volbouwen tegen het protest van de plaatselijke bevolking in. Zo’n project gaat inderdaad wel heel erg in tegen het landelijke erfgoedkarakter van dit dorpscentrum dus ik reken er op dat het niet doorgaat. Is er iemand die de laatste stand van zaken kan vertellen? Op de hoek van de weide slaan we rechtsaf de Ruelle Collin in en dan staan we onmiddellijk helemaal buiten de bebouwing tussen de akkers. Hierna volg ik vanaf hier de Ruelle Sainte Barbe om een heel eind verder buiten het dorp uit te komen bij la Chapelle du Rond Chêne. Dat die kapel zo ver verwijderd staat van het centrum is geen toeval maar aan dat verhaal kom ik nog toe.

Ruelle Sainte Barbe

Op deze etappe van onze verkenningstocht in Tourinnes-la-Grosse (Beauvechain) stappen we langs de Ruelle Sainte Barbe richting la Chapelle du Rond Chêne. Over die kapel kom ik nog uitgebreid te spreken. Je bent hier aan de zuidkant van het Meerdaalwoud op het plateau dat je op oude kaarten aangeduid ziet als de Keiberg (zie de link naar mijn reportage over de keiberg). Die keien zijn daar miljoenen jaren geleden achtergelaten door de grote rivieren van toen en ze bezorgen de boeren last bij het ploegen. Die boeren zijn hier tot mijn verwondering duidelijk nog van de zeer onecologische grootschalige industriële stempel want er zijn nauwelijks bomen te zien, geen enkele heg en op de akkers spelen mais, suikerbieten en aardappelen de hoofdrol. Naast de veldwegen is zelfs geen stukje groen overgelaten om te vermijden dat het slib van de akkers er op terecht komt en richting dorp vloeit.

Tourinnes-la-Grosse – een wel zeer diepe holle weg

Zeldzame planten moet je hier dus niet verwachten en of er veel soorten dieren in dit landschap kunnen overleven betwijfel ik, ook al omdat het jagersgilde in deze streken nog wel erg opvallend actief is. De weg is hier en daar hol en op één plaats is er een indrukwekkende diepte geplaveid met kasseien. Dat duidt op zeer grote ouderdom en als je op de kaart kijkt zal je zien dat in de oude tijden de verbindingen vanuit Leuven met Jodoigne en Tienen hier over dit plateau gingen. In het verhaal over de Chapelle du Rond Chêne kom ik daar nog op terug. Ik hoop dat iemand van de streek me nog eens kan vertellen waarom deze veldweg genoemd is naar de heilige Barbara van Nicomedia. Deze schone Kleinaziatische dame leefde volgens de overlevering zo rond het jaar 300. Haar heidense pappa Dioscurus sloot haar op in een toren om haar te vrijwaren tegen de jonge mannen in de omgeving. Om haar helemaal aan de openbaarheid te onttrekken kreeg ze een eigen badhuis met twee ramen. Maar omdat ze zich in het geheim tot het christendom bekeerde vroeg ze om een derde raam om de heilige drievuldigheid te eren. Haar boze vader folterde haar vanwege die bekering maar als bij wonder genazen al haar letsels in de nacht. Wikipedia: “Uiteindelijk onthoofdde hij haar eigenhandig, maar werd daarop zelf door de bliksem dodelijk getroffen”. Blijkbaar gebeurde dat op 4 december want op die datum wordt ze als heilige gevierd door een hele reeks van uitoefenaars van gevaarlijk beroepen zoals brandweerlieden, geniesoldaten en wapensmeden, infanteriesoldaten en artilleristen, mijnwerkers, dakdekkers, bouwvakkers, steenhouwers, metaalgieters, telegrafisten maar ook van boeren, beiaardiers, hoedenmakers, gevangenen, stervenden en tenslotte ook van jonge meisjes. Op onze veldweg lijkt alleen haar bescherming van boeren en andere passanten tegen bliksem en storm van mogelijk belang te zijn want in die omstandigheden kan het op dit kale plateau wel gevaarlijk zijn denk ik.

Tourinnes-la-Grosse – Ruelle Sainte Barbe


La chapelle du Rond Chêne

Vanuit Tourinnes-la Grosse ben ik via la Ruelle Sainte Barbe aangekomen bij La Chapelle Du Rond Chêne helemaal op het einde van de Rue du Coulot op de kruising met de Rue du Stocquoi in het Waalsbrabantse dorpje Mille (deel van Hamme-Mille, Beauvechain). Daar staat zowat aan de bron en waterbekken van de Ruisseau ‘Le Mille een robuust maar sober gebouwde kapel met de naam ‘Chapelle Notre Dame du Rond-Chêne’. Over die kapel heb ik al veel geschreven, de laatste keer nog maar kort geleden in mijn verhaal over de wandeling op de Keiberg en het zuiden van het Meerdaalwoud (zie de link). Voor aandachtige lezers heb ik even weinig nieuws maar toch enkele vragen. Binnen lees je dat er hier al een kapel stond in 1358 en dat in die tijd op de kruising een dikke eik (Chesne) gestaan moet hebben. Het huidige gebouw in (ooit witte maar nu vuildonkere) Gobertange kalkzandsteen in klassieke stijl dateert van 1768 en dat staat ook (met enige moeite) te lezen in een steen in de boog boven de voordeur. Niet voor niets betekent ‘le Culot’ zoveel als ‘helemaal aan de rand’ want vanaf de 15de tot de 18de eeuw mochten de elders verdreven lepralijders uit het dorp hier hun geloof komen belijden vanuit hun ‘gesloten centrum’ met de naam ‘Cortil des Lattes’ (een met een schutting omheind terreintje) dat hier ergens in de buurt was (waarschijnlijk ten noordoosten van de kapel, maar het staat niet op de topografische kaarten die ik heb). Later werd deze kapel samen met de nabijgelegen ‘Chapelle de Saint-Corneille’ een belangrijk passeerpunt voor pelgrims.

Beauvechain – la Chapelle du Rond Chêne

Ter ere van de Heilige Maagd wordt er nog altijd elke zondag in de maand mei een rozenhoedje gebeden en op 15 augustus is er een hoogmis. Het oorspronkelijke Mariabeeld is in 1978 gestolen dus wat er nu staat is een kopie. De kapel wordt duidelijk in ere gehouden door de buurtbewoners want er staan bloemen en een harmonium. Sinds 1994 is hij beschermd als monument. Waarom veel van de ruitjes al jaren lang gebroken zijn en wanneer ook de binnenkant weer eens gerestaureerd wordt en aan de buitenkant het wit van de gobertange weer tevoorschijn zal worden gehaald zal worden weet ik niet. Waar de eik naar toe is me ook een raadsel.  Er staan wel twee esdoorns en op een foto van 2014 staat er nog derde maar die is sindsdien gesneuveld. Zo’n mooie eeuwenoude kapel verdient wel een staanplaats in een kring van robuuste eiken om de al dan niet devote voorbijganger de weg te wijzen. Ik stel voor dat er twee jonge eikjes geplant worden zodat die groot zijn tegen de tijd dat de esdoorns het laten afweten. Kan er niet iemand van het dorp een initiatief in die richting nemen? Maar dan zou de kapel ook wel op en iets groter stukje eigen terrein mogen staan want zoals het nu is lijkt hij wel erg slachtoffer te zijn van de behoefte aan akkergrond.

La ferme d’Evrard

Ik blijf nog even staan aan la Chapelle du Rond Chêne in Beauvechain. Enkele honderden meters verder staat nog de in de 18de eeuw gebouwde vierkantshoeve ‘Ferme du Rond-Chêne’ maar of dat nu hetzelfde is als de vroegere ‘Ferme de Stakenborg’ die al in 1356 vernoemd wordt, moet ik nog uitvinden.

Mollendaalbos – omgeving Brise Tout en Keiberg – zicht op la Chapelle du Chêne Rond en Ferme D’Evrard

Op de kaart Vandermaelen van 1856 zie ik wel op die plek “Château Sainte Barbe” en dat verwijst ook naar een versterkte woning. De kapel ligt aan de bron van de Ruisseau de Mille op de grens tussen het Hertogdom Brabant en het Prinsbisdom Luik waarvan Beauvechain in die tijd nog altijd een kleine enclave is (Parti du Pays de Liège). Heeft de Chemin Sainte Barbe zijn naam aan het château te danken of andersom? Zoals ik al vertelde beschermt deze heilige wel de soldaten maar blijkbaar niet de smokkelaars en ik vang geruchten op dat de enclave in die tijd juist voor hen een paradijs was tenzij je betrapt werd en dan wel in de misère kon belanden. Wie meer weet over al deze raadsels mag het graag zeggen Rond de kapel vind je infoborden over het belang van de ‘arbres isolés’ op het kruispunt van holle wegen in een open boerenlandschap en over het belang van die wegen voor de natuur. En als troost voor iedereen die altijd opnieuw problemen heeft met de juiste naam (ik verwar die met de ‘Chapelle au Chêneau’ in Longueville): op die kaart staat heel uitdrukkelijk ‘Chapelle du Rond Chêsne’. Als je aan de kapel de vriendelijke herdershond (Lara) tegenkomt geef hem dan een aaitje want daar houdt hij van. Hij is helaas wel erg oud geworden en hoort en ziet niet meer zo goed. Zijn baas is Paul Evrard van de hoeve die naast de kapel staat. Paul is ver over de tachtig en altijd in voor een praatje. Hij weet alles over deze streek en ik denk dat alle akkers rond de kapel van hem zijn. Zijn hoeve zie ik pas voor het eerst op de NGI-kaart van 1969. Een laatste raadsel: op oude kaarten, voor de eerste keer op die van Vandermaelen van 1846 zie ik dat het eigenlijk de streek iets ten noorden van La Chapelle Du Rond Chêne is die ‘misère’ heet en niet het gehucht zelf. Aan de Rue Mollendaal staan op die kaart twee hoeves aangeduid als Ferme de la Petite Misère en Ferme de la Grande Misère.

Beauvechain – zicht op de Rue de Mollendaal – ferme de la petite misère en ferme de la grande misère – gezien vanuit la Chapelle du Grand Chêne

Vanaf de kapel zie je beide hoeves staan. Het is van hier een heel mooi uitzicht die kant uit want aan de Rue de Mollendael (met kasseien) is er nog geen lintbebouwing en dat is zeldzaam tegenwoordig. Er is wel een aanvraag om nieuwe stallen te mogen bouwen dus ik vrees dat er verandering op komst is. Het woord ‘misère’ tref je in Waals-Brabant dikwijls aan op plaatsen waar in de oude tijd de oogsten gemakkelijk mislukten door droogte, vorst of een teveel aan water of waar er voortdurend plunderende troepen voorbij kwamen. Toch denk ik dat ‘la Misère’ aan La Chapelle du Rond Chêne vooral slaat op de leprozenkolonie en het ‘cortil des lattes’ waarbinnen die zieken moesten blijven. Op  het infobord zie je waar dat cortil geweest moet zijn.

La Mille et ces inondations

Beauvechain. Om van la Chapelle du Rond-Chêne naar la Chapelle Saint-Corneille te stappen zijn er twee mogelijkheden. Neem de kaart (in het fotoalbum) er maar bij en dan zie je dat de eerste en kortste gaat langs  la Ruisseau de Mille en dan via de Rue Jules Coisman rechtstreeks naar de kapel. Langs die straat staan nog wel enkele oude boerderijen maar nieuwe huizen en de auto’s nemen het straatbeeld over en om die reden neem ik liever enkele veldwegen iets noordelijker, de Rue de Stocquoy, Rue(elle) Jules Coisman en de Ruelle Simon dwars door het akkerlandVlakbij la Chapelle du Rond Chêne sta je echter in de Rue du Culot aan een tamelijk nieuw uitziend ‘bassin d’orage’ en daar wil ik het even over hebben. Dat bekken maakt me nieuwgierig want de bron van het kleine beekje Le Mille is op deze plek dus hoe kan je daar nu al wateroverlast verwachten?

mille – bassin d’orage

In de infofolder van het Contrat de Rivière Dyle-Gette lees ik dat de naam van het gehucht en het beekje Mille afstammen van de combinatie van het oude Frankische woord ‘haima’ dat ‘woning’ betekent en het Germaanse woord ‘Melna’ dat staat voor ‘fijn zand’. Dus de mensen wonen hier op een ondergrond van fijn zand en geologisch is dat volstrekt juist want het hele plateau bestaat uit oud zeezand met een toplaag van fijne leemstof. Op de Villaretkaart van 1745 zie je dat er alleen aan de rechterkant van het stroompje enkele hoeves zijn en verder overal weiden. Boven de bron was er in die tijd nog wel een en ander aan bos. Op de kaarten van vandaag zie dat de oevers aan beide kant helemaal volgebouwd zijn en het bos is nergens meer te bekennen. Bij heftige regenval kan het water niet anders dan tussen de gekanaliseerde smalle en dikwijls gebetonneerde kanten op grote snelheid naar beneden stromen en dat doet het dan ook. Er zijn elk jaar overstromingen op de laagste punten en met de klimaatverandering hebben die eerder de neiging om te verergeren dan te verbeteren. Hier en daar zijn er nog wel plekken om het teveel aan water op natuurlijke wijze over de weiden te laten uitvloeien maar als ik de berichten goed begrijp zien de overheden als belangrijkste oplossing om op een aantal plaatsen ‘bassins d’orage’ aan te leggen en die aan de bron van de Mille is daar blijkbaar  een van de eerste van hoewel het denk ik tot 2017 geduurd heeft om plannen van 1998 te voltooien. Dergelijke bassins kosten veel om aan te leggen en stuiten bijna altijd op onteigeningsproblemen met de omwonenden. Bovendien is het niet alleen water dat meekomt bij onweer maar ook erg veel achtergelaten afval en slib van de hoger gelegen akkers. Dat slib komt ook terecht in de ondergrondse rioleringssystemen en dat zorgt voor extra moeilijkheden. De installatie waarvan ik je enkele foto’s toon is in feite bedoeld om vooral dat slib tegen te houden en moet dus ook regelmatig gereinigd worden.

zicht op Le Mille aan de Ferme de Rond Chêne

Maar als ik zie dat de hellingen van de omringende akkers overal nog zeker tien meter hoger liggen dan de beekbedding en dan ook zie hoe de akkers geploegd worden denk ik dat de strijd tegen de erosie hier nog lang niet gewonnen is.

De Keiberg

Beauvechain – Tourinnes-La-Grosse. Ik ben op weg van La Chapelle du Rond Chêne naar La Chapelle Saint-Corneille. Ik kies er voor om niet via de lintbebouwing in het gehucht Mille te gaan maar via enkele veldwegen iets noordelijker, de Rue de Stocquoy, Rue(elle) Jules Coisman en de Ruelle Simon dwars door het akkerlandEen deel van dit traject heb ik al beschreven in mijn reportage over de Keiberg en het bosreservaat ‘le Renissart’ (zie de link). Het is een (naar mijn goesting veel te) open akker-landschap dat veel aan aantrekkelijkheid voor mens en dier zou winnen als de boer van de verderop gelegen Ferme des Biches zich zou laten overhalen om groen- en bloemstroken langs het pad aan te leggen, hagen te laten groeien zoals in de oude tijd en rijen bomen zou hebben langs de randen van zijn grote percelen met hier en daar een echte hoogstamboomgaard. Ik vind het moeilijk om te begrijpen waarom moderne bedrijfsgerichte boeren van nu zoals op deze plek dat niet doen want het gaat om de aanleg van zogenoemde ‘kleine landschapselementen’ en je hoeft er zelfs helemaal niet je grootschalige aanpak voor te wijzigen naar kleinschalige biologische landbouw. Voor aanleg en onderhoud krijg je premies (nog afgezien dat er tegenwoordig heel wat natuurorganisaties zijn met vrijwilligers om een handje toe te steken). Ik vrees dat het gebruik van grote hoeveelheden insecten- en onkruidverdelgers op dit plateau wel nogal zware gevolgen heeft voor de waterkwaliteit van het kleine riviertje Le Mille waarover ik het gisteren heb gehad.

een bloempje op de Keiberg

Zeldzame planten kom je hier niet tegen maar gelukkig wel hier en daar bloempjes die erg goed tegen grote hoeveelheden stikstof kunnen en zelfs als bemesters worden gezaaid. Reeën zie je wel uit de verte (nooit dichtbij want daarvoor wordt er teveel gejaagd) maar hazen zie ik nooit meer in deze omgeving, die worden systematisch afgeschoten. Zwarte kraaien zie je hier massaal en in de zomer kan je veldleeuweriken spotten. Veel andere soorten zie ik hier niet. Mais, suikerbieten en andere veevoedergewassen zijn toonaangevend naast aardappelen en af en toe vlas. Dat laatste kleurt de akkers tijdens de bloei wel heel mooi blauw. In mijn Keiberg-reportage vertel ik ook over onze voorouders die hier woonden en werkten in het stenen tijdperk en over de meteoriet die in 1863 in deze omgeving ergens ‘op de straatstenen’ is ingeslagen. Het ging om een brok van 14,5 kilo en dat moet een flinke knal gegeven hebben. Het waren echter niet die van de Rue de Culot maar van de Chemin de Ramiers een beetje verderop richting Beauvechain.

La Chapelle Saint-Corneille

La Chapelle Saint Corneille staat op het grondgebied van Beauvechain. Maar als je niet door de mand wil vallen als vreemdeling moet je wel weten dat de mooie holle weg ‘La Ruelle de la Chapelle Saint-Cornélis’ behoort tot het gehucht Mille. Neem de kaart er even bij en dan zie je dat je er als voetganger komt vanaf het domein Valduc in Hamme-Mille of vanuit het Meerdaalwoud langs de Milsebaan langs de Ferme des Biches. Lang voor de bouw van de kapel moet hier in de Romeinse tijd de weg naar Tienen gelopen hebben die in het Meerdaalwoud bekend staat als de ‘Tiense Groef’ maar daar zie je nu niets meer van.

Mille – La Chapelle Saint-Corneille

De Milsebaan is ook zeer oud. Die gaat dwars door het Meerdaalwoud en dan langs het kerkhof en de kerk van Blanden richting Leuven waar je hem opnieuw tegenkomt als holle weg ter hoogte van het Parkveld. Langs deze weg gingen de edelen, de kooplieden en de pelgrims. Hij is een belangrijke verbinding totdat in 1757 de steenweg tussen Namen en Leuven wordt aangelegd. De kapel wordt in 1460 gebouwd door Heer Willem van Bierbeek en zijn echtgenote Elisabeth de Berchimont en is sindsdien meermaals gerenoveerd. Op de Villaretkaart van 1745 zie je hem staan maar de naam zie ik pas op de op de kaart Vandermaelen van 1854. Hij staat op de kruising met de Rue Jules Coisman (gefusilleerd vrijheidstrijder) en is gewijd aan de heilige Cornelis die het tot Paus bracht maar toch in de woelige tijden van toen in 253 aan zijn einde kwam door onthoofding of ontbering. Cornelius betekent ‘zo sterk als een hoorn’ en op het platteland wordt hij vereerd als de beschermheilige voor de grote en kleine dieren met horens maar ook tegen epilepsie (de Corneliusziekte), krampen en zenuw- en oorkwalen. In Brabant noemt de volksmond hem ook Sint Knillis en zijn gedenkdag is op 16 september. Elk jaar gaat in Mille op initiatief van alle omliggende parochies op de 4de zondag na Pasen een kleurrijke processie uit om Sint Corneille te vieren en op andere zondagen worden de deuren geopend zodat je de binnenzijde kunt bewonderen. De keramiekwerken in de kapel zijn duidelijk van de hand van eigentijds devoot kunstenaar Max van der Linden. Sinds 1990 is de kapel beschermd als monument. Aan de kapel kan je onder een enorme linde op een bankje je dagelijkse beslommeringen even opzij zetten. Of die linde ook beschermd is weet ik niet maar ik hoop van wel.

Beauvechain – Mille – Chapelle St-Corneille

Hof Ter Cammen

De gemeente Beauvechain is bekend om zijn mooie oude Brabantse vierkantshoeves. De bekendste en grootste daarvan zijn la Ferme de Grayette en de Ferme de Wahenges maar er zijn er veel meer tot in het centrum van het dorp en de verschillende deelgemeenten zoals Tourinnes-la-Grosse en Nodebais. Hoeveel er zijn in Hamme-Mille zou ik niet precies weten (wie helpt?). Een ervan staat recht tegenover la Chapelle Saint Corneille: het Hof ter Cammen. In het erfgoeddossier lees ik dat de hoeve gebouwd wordt in 1665 en dat er in 17de en 18de eeuw belangrijke verbouwingen zijn geweest. Wie hem gebouwd heeft wordt niet vermeld en over de eigenaar(s) vind ik ook niets. Het was een pachthoeve (métairie) maar waarom hij zo heet blijft duister. Werd er bier gebrouwen (het woord ‘Cammen’ wijst daarop), werd er vlas ‘gekamd’ of heeft het te maken met de manier van bouwen van de topgevel in het schuurdak (een houten ‘kamstructuur’ opgevuld met kalk)? Wie er meer over weet mag het graag zeggen. Sinds het jaar 2000 (?) is de hoeve ‘inscrit comme monument’ op de Waalse inventaris van waardenvol bouwkundig erfgoed. Maar terwijl la Chapelle Saint Corneille in  zeer goede staat verkeert is de boerderij er uiterst slecht aan toe. Blijkbaar waren de gebouwen in de 17de en 18de eeuw nog helemaal in orde en zelfs op een oude foto van 1981 ziet het hoofdgebouw er nog in redelijk goede staat uit. Ik heb lang gedacht dat er niemand meer woont maar dat is blijkbaar nog wel het geval. De troosteloze staat van de hoeve getuigt van de noodzaak om na bescherming als monument ook toe te zien op restauratie en daarvoor ook de nodige publieke middelen te verschaffen. Op een foto die ik vijf jaar geleden nam zie je dat het dak van de schuur naar beneden hangt en diezelfde foto kan je vandaag ook nemen, zij het dat alles nog verder vervallen is.

Mille – Hof Ter Cammen – de binnenkoer met de oude pomp en mesthoopplek

Daar staat tegenover dat je nog kan zien dat in vroeger tijden de mesthoop en de drinkwaterput en pomp op dergelijke hoeves zich gebroederlijk naast elkaar op de binnenplaats bevonden. Die schilderachtige maar niet erg gezonde toestand wordt meestal na eigentijdse restauratie al dan niet decoratief weggewerkt door de nieuwe eigenaars-van-nu (niet-boeren) die liever geen onhygiënische toestanden recht aan hun voordeur hebben. Van de traditionele notelaar die op dergelijke plekken werd geplant om de insecten weg te houden is op deze plek dan weer niets meer te bespeuren. Ik pleit ervoor dat de diensten verantwoordelijk voor de erfgoedbescherming wat meer initiatief zouden tonen om te vermijden dat Hof ter Cammen binnenkort alleen nog op foto’s te zien is. Misschien kan de gemeente er ook eens wat aandacht aan besteden? het zou toch wel leuk zijn als hoeve en kapel samen voor de komende generaties bewaard blijven en eventueel zelfs met een gezamenlijke bestemming. Wie heeft een oplossing?

Le moulin Crèvecoeur – Wuyts

Ik kom toe aan het laatste aandachtspunt in deze luswandeling in Tourinnes-la-Grosse en zoals beloofd gaat deze over de voormalige watermolen Crèvecoeur (Wuyts) op de kruising tussen de Rue de Grand Brou en Rue du Moulin juist aan de ingang van het dorp vanuit Hamme-Mille. Vanaf  het pleintje met de kasseien en op de Open Streep Map is de tot een smalle goot gekanaliseerde Le Ruisseau de la Néthen nauwelijks meer te zien maar dat is wel nog het geval op de NGI-kaart van 1989.

Tourinnes-la-Grosse – Moulin Wuyts

De molen zelf zie ik voor de eerste keer aangeduid op de Villaretkaart van 1745 dus die kan best heel veel ouder zijn. In de databank van Molenechos wordt hij beschreven als een bovenslagrad watermolen om koren te malen en dat betekent dat er in die tijd ter plekke een groot verval moet zijn geweest wat je op de oude kaart kan vermoeden omdat stroomopwaarts La Néthen dan al rechtgelegd is om te kunnen stuwen terwijl de beek stroomafwaarts nog in vele kronkels verder stroomt. In 1884 en 1901 werd hij nog flink vergroot. In 1907 kwam er een petroleummotor gevolgd door een armgasmoter (‘gaz pauvre’) in 1920 maar in die tijd werd er ook nog gemalen met waterkracht. Waarom hij de naam draagt van ‘moulin Crèvecoeur’ weet ik niet want bij de eigenaars-molenaars vanaf 1834 vind ik alleen de naam van de plaatselijke familie Maisin en Wuyts. Hubert Joseph Napoléon Wuyts-Sallets – molenaar te Haasrode – koopt de molen in 1932 en ik denk dat Joseph Evarist Anastasia Wuyts-Steeno vanaf 1950 de laatste molenaar was want hij wordt aangeduid als ‘molenaar te Tourinnes-la-Grosse’. Wanneer hij er mee opgehouden is weet ik niet maar sindsdien is het bovenslagrad en binnenwerk verwijderd en het grote bakstenen gebouw omgebouwd tot privéwoning met verscheidene appartementen. Als je het weet herken je het gebouw wel als een voormalige molen maar ik moet eerlijk toegeven dat ik er al vele jaren passeer en maar pas sinds kort weet dat het vroeger een molen was en wel dankzij Els Coremans, telg van een bekende molenaarsfamilie (Vertessens) die in het verleden goed bevriend was en nog is met de familie Wuyts en we samen eens een kijkje zijn gaan nemen. Dankzij een heel oude maar nog springlevende en heel vriendelijke dame in het huis tegenover de molen weten we nu dat ‘Wuyts’ in Tourinnes-La-Grosse wordt uitgesproken als ‘Wiets’ en dat hij als zodanig nog leeft in de herinnering.

Tourinnes-la-Grosse – Moulin Wuyts

Met Els ga ik binnenkort nog andere molens bezoeken je gaat er nog van horen. Le Ruisseau de la Néthen is maar heel kleine beek. Ik heb even geteld hoeveel watermolens er gebouwd zijn en ik kom tot zes (!): Sint-Joris Weert (Molens Vanden Bempt), Néthen (domein Savenel), Hamme-Mille (Les Claines), Hamme-Mille (Valduc), Tourinnes-la-Grosse (Crèvecoeur-Wuyts) en Beauvechain (Moulin de Robermont). Ze zijn er nog allemaal maar alleen die in Sint Joris Weert is nog in bedrijf. In die van Valduc zijn alle installaties er nog maar de nieuwe eigenaar houdt niet van bezoekers op zijn domein en heeft alles ferm afgesloten wat ik helemaal niet meer van deze tijd vind. De molen in Tourinnes is niet echt beschermd maar hij staat wel ‘inscrit comme monument’ in de Waalse inventaris van het waardenvol bouwkundig erfgoed. Einde van het verhaal op deze tocht.

+++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/recherche/recherche (Place Saint Martin, Rue de la Bruyère Saint-Martin, Rue de La Haye – Tourinnes-la-Grosse)

+++

http://tourinnes-lotissement.org/ NON au lotissement à côté de l’église de Tourinnes-la-Grosse tourinnes-lotissement.org (Réagissez au permis d’urbanisation introduit pour un lotissement de 17 maisons dans le coeur du village de Tourinnes-la-Grosse)!

Tourinnes-la-Grosse – L’Eglise Saint Martin in kerststemming

+++

Over de Eglise St.Martin’ met een beschrijving van het interieur:

Inventaire du patrimoine culturel immobilier

spw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/…/25005-INV-0060-02

+++

Saint-Martin : https://nl.wikipedia.org/wiki/Martinus_van_Tours

+++

Max van der Linden – Fêtes de la Saint-Martin tourinnes.be/oeuvres-max-van-der-linden-nl/?lang=nl

+++

http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/fiche/index?sortCol=2&sortDir=asc&start=0&nbElemPage=10&filtre=&codeInt=25005-INV-0126-02 (pomp)

+++

Tourinnes-la-Grosse – het dorpsplein

http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/fiche/index?sortCol=2&sortDir=asc&start=0&nbElemPage=10&filtre=&codeInt=25005-INV-0062-02 (Parochiaal centrum, Place Saint-Martin 1)

+++

http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/fiche/index?sortCol=2&sortDir=asc&start=0&nbElemPage=10&filtre=&codeInt=25005-INV-0180-01 (doktershuis Duchesne)

+++

http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/fiche/index?sortCol=2&sortDir=asc&start=0&nbElemPage=10&filtre=&codeInt=25005-INV-0181-01

(Rue de la Bruyère Saint-Martin 25)

+++

http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/fiche/index?sortCol=2&sortDir=asc&start=0&nbElemPage=10&filtre=&codeInt=25005-INV-0084-02 (ancienne vicairie, Rue de la Bruyère – Saint Martin)

+++

Tourinnes-la-Grosse – zicht op de pastorie

https://nl.wikipedia.org/wiki/Barbara_van_Nicomedi%C3%AB

+++

http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_thema/index.php/dossier/viewpdf/BC_PAT/25005-CLT-0004-01/?printpdf=true (la Chapelle du Rond Chêne)

+++

http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/fiche/index?sortCol=2&sortDir=asc&start=0&nbElemPage=10&filtre=&codeInt=25005-INV-0061-02 (la Chapelle du Rond Chêne)

+++

http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_thema/index.php/dossier/viewpdf/BC_PAT/25005-CLT-0004-01/?printpdf=true (la Chapelle du Rond Chêne)

+++

la Chapelle du Rond Chêne met de hond Lara

Pieter Evers

(intérieur de la Chapelle du Rond Chêne)

+++

+++

https://www.tijd.be/dossiers/nergens-zonder-weg/nergens-zonder-weg-in-tourinnes-la-grosse/10232185.html (ferme Evrard)

+++

La Nethen – Protégeons notre rivière ! www.crdg.eu 

+++

De Mille op de grens tussen (Hamme)Mille en Tourinnes-la-Grosse

Expropriations contre les inondations – La Libre www.lalibre.be › Régions › Brabant

+++

«Marre d’être inondés depuis vingt ans» (Beauvechain) www.lavenir.net › cnt › marre-d-etr..

+++

Beauvechain Le deuxième des trois bassins d’orage … www.lesoir.be › art › beauvechain-l…

+++

Beauvechain : “On en a marre des inondations” – DH Les … www.dhnet.be › … › Brabant wallon

+++

Mille – Hof Ter Cammen

COMMUNE DE BEAUVECHAIN www.beauvechain.be › form_pcdn_bilan_actions

+++

BEAUVECHAIN Enquête publique à Hamme-Mille Le bassin … www.lesoir.be › art › beauvechain-e…

+++

Beauvechain : “On en a marre des inondations” – DH Les … www.dhnet.be › … › Brabant wallon

++++

http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/pdf/fiche/25005-INV-0023-02?fbclid=IwAR2mPmzOT1x6xEoOAToHeUpyVA79GRrvjAqO4mM8EQ4RlVUC8Q8jHX712Tw (Chapelle Saint-Corneille)

+++

Mille – la Chapelle Saint Corneille

http://www.hesbayebrabanconne.be/sites/default/files/b2_promenade_dame_et_mlin.pdf

+++

http://walloniebelgietoerisme.be/nl/content/processie-saint-corneille

+++

https://www.destinationbw.be/fr/procession-saint-corneille-hamme-mille-1

+++

http://www.heiligen.net/heiligen/09/16/09-16-0253-cornelius.php

+++

http://spw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/pdf/fiche/25005-INV-0024-02 (hof ter cammen)

+++

Molenechos: https://www.molenechos.org/molen.php?nummer=2153 (moulin Crèvecoeur-Wuyts)

Tourinnes-la-Grosse – Le Moulin Wuyts

+++

http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/fiche/index?sortCol=2&sortDir=asc&start=0&nbElemPage=10&filtre=&codeInt=25005-INV-0194-01 (moulin Crèvecoeur-Wuyts)

+++

https://opstapinhetlandvandedijleendedemer.home.blog/2020/12/13/verkenning-over-de-keiberg-ten-zuiden-van-het-meerdaalwoud-mollendaalbos-van-la-chapelle-du-rond-chene-in-tourinnes-naar-het-bosreservaat-le-renissart-en-dan-terug-via-brise-tout-de-rachierhoeve-en-d/ +++ https://www.lpi.usra.edu/meteor/metbull.php?code=24038&fbclid=IwAR0fHkkcGz77fX2cWzoucM5zemw_csVq1jyQiZmdK0MDHe9kQb_VYpecf1w

trefwoorden :

beauvechain, tourinnes, chapelle du rond chêne, chapelle saint-corneille,  saint-martin, bierbeek, waterwandeling, brunerode, église, max van der linden, nodebais, chapelle gosin, keramiek, keiberg, mille, culot, hof ter cammen, moulin wuyts, crèvecoeur, evrard,

Tourinnes-la-Grosse – de lammeren worden al groot

LOVENJOEL – HET GROOT PARK SALVE MATER MET WHITEHOUSE EN HET KLEIN PARK AVE REGINA

Uitgelicht

Voorjaar 2021

Ernst Gülcher

Contact: ernst.guelcher (at) telenet.be

Lovenjoel – Whitehouse met sneeuwklokjes

Sla naar rechts af vanaf de Tiensesteenweg uit de richting Leuven ter hoogte van Lovenjoel (Bierbeek) en dan sta je enkele honderden meters verder bij de Sint Lambertus kerk aan de ingang van het vroegere domein van de familie de Spoelberch. Drie jaar geleden maakte ik hier al eens een reportage over maar nu de sneeuwklokjes in bloei staan kom ik terug. De smeedijzeren wapenschilden en andere delen van de poort aan de ingang van de dreef naar het landhuis zijn zo’n twintig jaar geleden gestolen, of de poort er zelf nog is weet ik eigenlijk niet (wie wel?),  maar de Molenbeek stroomt nog altijd in het midden van het ‘Groot Park’ zoals dat al eeuwen het geval is. Aan de rechterkant staat een hele verzameling massieve gebouwen met een torentje dat er boven uitsteekt. In 1915 schonken de erfgenamen van de adellijke familie heel dit gebied van 35 hectare aan de Katholieke Universiteit Leuven. Die verpachtte het aan de Zusters van Liefde van Gent om er de psychiatrische kliniek Salve Mater op te bouwen. De eerste gebouwen van die toen ultramoderne kliniek werd in 1927 plechtig geopend door koningin Elisabeth. Na een bewogen bestaan waarin sinds de jaren 1980 het park langzaam in verval raakt, verlaten de laatste patiënten de kliniek in 2007 en sindsdien staan de gebouwen lang grotendeels leeg (maar nooit helemaal!). In 2004 wordt maakt de universiteit duidelijk dat zij de zorg voor het domein wenst af te staan en na veel discussie wordt het park in delen opgesplitst om te verkopen. Het gebouwencomplex wordt sindsdien omgebouwd tot een residentieel park met appartementen en enkele kantoren en na jaren verbouwen is een en ander opgeleverd en in gebruik.

Lovenjoel – Groot Park – Salve Mater

Onder het torentje van de kerk van het vroegere klooster moet er nu een gedeeld privé-zwembad zijn voor de bewoners die blijkbaar met grote belangstelling intekenden op het renovatieproject. Het vallei-deel naast de Molenbeek komt rond de eeuwwisseling voor een klein deel in het bezit van Natuurpunt en voor een veel groter gedeelte – waarin ook het 18de eeuwse landhuis – in handen van Leuvenaar Bert Verlinden en zijn echtgenote Elly Kog. In 1994 is heel het Groot Park samen met het nabijgelegen kloosterpark van Ave Regina beschermd als dorpsgezicht en cultuur-historisch landschap. Dankzij die bescherming,  maar vooral door de natuurbelangstelling van de nieuwe beheerders zijn de natuurwaarden van dit stukje vallei bewaard gebleven  samen met het (gespaarde) gedeelte van de) verzameling monumentale bomen die de familie de Spoelberch in hun tijd liet aanplanten.

Hier en daar in het Groot Park van Salve Mater in Lovenjoel kom je pijlen tegen naar het ‘Whitehouse’ maar eigenlijk kun je het sneeuwwitte gebouw niet missen want het hele park is zo aangelegd dat je vanuit het in 1750 gebouwde landhuis ‘van Plaisanterie’ alles kunt zien. Sinds 1999 is deze voormalige buitenresidentie van de familie De Spoelberch een prachtig gerestaureerde privéwoning maar sinds 2014 ook een in heel Leuven en omstreken bekende kunstgalerij.

Lovenjoel – Groot Park – Salve Mater

Dankzij de toegewijde eigenaars is het park publiek toegankelijk op voorwaarde dat bezoekers niet al te dicht bij de woning komen, op de paadjes blijven en de bomen met rust laten. De oevers van de beek – natte lemige gronden en een aantal kalkminnende venige bronzones – zijn waarschijnlijk een tijdlang parkgazons geweest maar worden thans als soorten- en bloemrijke hooilanden beheerd zoals in de oude tijd. De bomen zijn al vele tientallen jaren beroemd. Zowel Jan-Hendrik-Jozef de Spoelberch (1766-18­38) als zijn zoon Maximiliaan-Antoon-Theodoor (1802-1873) hadden grote belangstell­ing voor dendrologie. In de loop van de 19de eeuw werden talrijke, vaak zeldzame soorten en variëteiten aangeplant, een collectievorming die tot circa 1870 intensief werd voortgezet. In 1894 wordt in het Bulletin de la Société Centrale Forestière de Belgique een gewone moerascipres (Taxodium distichum) vermeld, toen al met een stamom­trek van 308 centimeter. Die boom bevindt zich nu nog vlakbij het kasteel en de omtrek is ondanks een recente blikseminslag aangegroeid tot 463 centimeter. In die tijd worden 350 soorten ‘houtachtigen’ geteld waarvan er in 1990 nog 120 over zijn. Het Groot Park van Lovenjoel mag beschouwd worden als een van de belangrijkste dendrologische collecties van België. Op mijn foto’s van mei 2017 zie ik dat ik hier in een later seizoen moet zijn om de volle pracht van die bomen te kunnen bewonderen. Wel denk ik  dat er in de afgelopen jaren toch enkele gesneuveld zijn want er liggen boomstammen, al dan niet in stukken gezaagd. Bomen hebben van nature wel een lang leven maar toch niet voor de eeuwigheid en dus moet je er regelmatig nieuwe aanplanten.

Lovenjoel – Salve Mater – Groot Park – een monumentale beuk

Behalve enkele vazen en een ijskelder met paviljoentje trekt vooral de rond 1836 door plaatselijk smid Van Schoonbeeck vervaardigde ‘Chinese’ boogbrug over de Molenbeek de aandacht. Het is een zeer fotogeniek roestig geval dat volgens het erfgoeddossier ooit gerestaureerd zal worden maar voorlopig waag je je er beter niet op denk ik want elke stap kan er een teveel zijn. Over de betekenis van die bruggen heb ik een romantisch Chinees sprookje gevonden en dat gaat als volgt. 

De Chinese brug in het Groot Park in Lovenjoel is daar in opdracht van de kasteelheer van toen, naar ik aanneem Burggraaf Maximiliaan-Antoon-Theodoor  De Spoelberch gezet rond 1836 door plaatselijk smid Van Schoonbeeck. Zo’n brug was toen de mode die tijd in van die deftige parken en je vindt ze nog op veel plaatsen waar een beetje romantiek in de lucht hangt. In afwachting van restauratie mag je de fotogenieke maar sterk geroeste brug niet betreden en zul je het moeten doen met het Chinees sprookje over de koeherder en het weefstertje dat ik op het internet vond op een Nederlandse website (zie de link). Lang geleden dwaalde een arme herder met zijn kudde rond in een verafgelegen dal aan een bergrivier. Terwijl hij onder een dikke boom uitrustte hoorde hij stemmen van lieftallige meisjes die in de rivier aan het baden waren. Hij ging er op af en kon het niet laten om de kleren van een van de meisjes te pikken en zich daarmee achter een boom te verstoppen. Wat hij niet wist was dat hij aan het loeren was naar de zeven bloedmooie dochters van de Jadekeizer, de Heerser van de hemelen en dat hij zich meester had gemaakt van het gewaad van de jongste van de zusters die beroemd was om haar weefkunst van wolkenbrokaat voor haar vader.

Lovenjoel Groot Park – chinese brug

Na hun bad kleedden de prinsessen zich weer aan behalve de jongste want die vond haar kleren niet meer terug. Tenslotte zat ze wenend aan het water. Toen kwam de herder tevoorschijn en gaf de kleren terug op voorwaarde dat zij met hem zou trouwen. Heel netjes was die handelwijze niet maar in die tijd was in de liefde blijkbaar nog alles geoorloofd. Het weefmeisje kon niet anders dan toestemmen. De bruiloft vond  plaats en ze werden zowaar allebei heel erg gelukkig. In hun geluk vergat de herder echter om nog aan zijn koeien te denken en de prinses raakte haar weefstoel helemaal niet meer aan. Ze speelden de hele dag alleen nog maar met elkaar. Dat ging dus mis want vanuit de hemel had vader Jadekeizer alles zien gebeuren en in zijn misnoegdheid zond hij een bode naar de prinses met de opdracht voor de levering van wolkenbrokaat. Omdat zijn wens niet werd opgevolgd zette hij het bruidspaar aan de hemelse rivier met de herder aan de ene kant en het weefstertje aan de andere oever. Door de breedte van het water konden ze elkaar niet meer zien, laat staan dat ze ooit nog bij elkaar zouden kunnen komen. Hun verdriet was zo groot dat de eksters medelijden met het echtpaar kregen. Op de zevende dag van de zevende maand kwamen ze allemaal aangevlogen, legden hun vleugels over elkaar en vormden zo een lange boogbrug over de hemelse rivier. Over deze brug konden de koeherder en het weefstertje naar elkaar toekomen voor een ontmoeting halverwege op het hoogste punt: “vanaf dat moment herhaalt zich elk jaar op de avond van de zevende dag van de zevende maand hetzelfde tafereel: de eksters vormen een brug voor het liefdespaar. Op warme zomeravonden zien we aan de hemel nog de Melkweg met de hemelse rivier; aan de éne kant de koeherder en aan de andere het weefstertje.” Nu weet je waarom zo’n brug ook ‘Eksterbrug’ genoemd wordt.

Lovenjoel – Groot Park Salve Mater – de Chinese brug over de Molenbeek

Wikipedia: ‘Hoewel eksters bijna altijd als slecht worden gezien in Europa, worden de vogels in Korea aanzien als de vogel van voorspoed, een brenger van een zekere toekomst en een voorteken van geluk. Ook in China is de ekster een teken van een goed lot’. Ik hou wel van eksters. Overigens vind je deze bruggen ook in Japan.

Aan de lage en enigszins uitgeholde vorm van het landschap met een “eilandje” met een beuk er op, maar ook aan de vegetatie (riet) kan je vermoeden dat er aan de Molenbeek in het Groot Park in het verleden een vijver moet zijn geweest. Dat wordt bevestigd door de Ferrariskaart van ca 1775 (blad 112, Hougarde). Je ziet daar één grote vijver rechts van het dan gloednieuwe ‘Chateau de Sp(o)elberg, nog twee kleine vijvers er juist boven en nog enkele gebouwen zoals een hoeve een watermolen. De vijvers en de hoeve zijn er niet meer maar de molen staat er nog altijd en is zelfs in 1994 als monument beschermd onder de naam Heystmolen. Vande watermolen van Lovenjoel is al sprake in 1354. In 1747 kwam hij in het bezit van de familie de Spoelberch. Het huidige molenhuis draagt het jaartal 1749 en dat is dus waarschijnlijk het jaar waarin het gebouwd werd. De molen kwam daarna in handen van achtereenvolgens de Zusters van Liefde en de KUL. De molen bleef in bedrijf tot in 1896 om graan en boekweit te malen. Bijna een eeuw later werd hij in 1989 als bijna-bouwval verkocht aan een privépersoon die het geheel renoveerde tot woning. Als je niet weet dat dit ooit een molen was kun je het nauwelijks zien want alle inrichting en bovenslagraderen zijn verwijderd en ook de aftakking van de Molenbeek naar de molenvijver is verdwenen. Hierna steek ik over naar het ‘Klein Park’.

Jovenjoel – Groot Park Salve Mater – de oude Heystwatermolen

Vanaf het Groot Park en de kerk van Lovenjoel zie je er niets van vanwege de grote gebouwen die er voor staan maar daarachter ligt richting Tiense Steenweg nog een tamelijk groot parkgebied met de naam ‘Klein Park’. In het erfgoeddossier lees ik dat vandaag het park gedomineerd wordt ‘door het Medisch Pedagogisch Instituut Ave Regina, gelegen tussen het Hof ten Poele, later Felixhof, en de dorpskerk. Net voor de Tweede Wereldoorlog werd gestart met de bouw ervan. De instelling is uitgegroeid tot een zorg- en begeleidingscentrum voor jongeren en volwassenen. De centrale toegangsweg van de instelling loopt uit op het U-vormige Felixhof, gelegen ten oosten van de instelling.’ De familie Spoelberch kocht het dorp Lovenjoel in 1649 en hun domein strekte zich uit over het Groot Park, het Klein Park en de kerk er tussenin. In die tijd bestaat dat Klein Park met een oppervlakte van 11 hectare nog uit akkers en hooilanden en het kasteel was nog een van de vierkantshoeve Hof ten Poele afstammend landhuis met de naam ‘Château de Lovenjoul’ met een dreef naar de huidige Tiensesteenweg.  Nogmaals het erfgoeddossier: ‘Op het einde van de 18de eeuw was de aanleg zelf beperkt tot de omgeving van het kasteel: er was toen een moestuin, een grote en een kleine vijver en een boomgaard; een kleine laan verbond het kasteel met de kerk. Het park werd pas aangelegd in de periode 1807-1810  in een vroege landschappelijke stijl met een tot vijvers opgestuwde beek; een cascade met waterspuwers is nog aanwezig. Omstreeks 1860 liet de toenmalige eigenaar Felix Xavier de Spoelberch (1808-1868) belangrijke aanplantingen uitvoeren waarvan diverse oude en zeldzame bomen bleven bewaard. Ook de groentekelder die bewaard bleef ten zuidoosten van het kasteel zou gebouwd zijn door Felix de Spoelberch.

Lovenjoel – Klein Park – Felixhof

 Hij was de broer van Maximiliaan de Spoelberch, die op dat ogenblik eigenaar was van het Groot Park. Een laatste fase in de aanleg van het park dateert uit het einde van de 19de eeuw, toen het bezit was van Karel de Spoelberch; ook hij liet een generatie parkbomen aanplanten; de meest opmerkelijke realisatie uit die periode is echter de beplanting van de huidige Dreef met zwarte walnotelaars.’ Wie het park zoals ik voor een eerste keer bezoekt zal merken dat van die mooie beschrijving tegenwoordig nog nauwelijks iets te zien is. Na de nog wel statige voorhof van het kasteel wandel je langs smalle paadjes door een best wel mooi boslandschap waar behalve de Molenbeek nog wel enkele natte plekken zijn maar een vijver zal je er tevergeefs zoeken. Het kan zijn dat op moerassige plekken in het voorjaar heel wat voorjaarsbloeiers te zien zijn maar als geheel is het park vooral een vrolijk speelbos geworden met hutten en andere zelfgebouwde constructies. Wel staan er veel sneeuwklokjes in bloei. Of er nog zeldzame bomen zijn kan ik in dit seizoen niet goed zien maar er liggen wel veel dikke stammen tegen de grond.

Het fijne van het Klein Park – Ave Regina in Lovenjoel is natuurlijk dat anders dan veel voormalige kasteelparken het publiek toegankelijk is en bovendien erg rustig, ik denk vooral omdat het voor passanten niet zo duidelijk is dat er achter de grote gebouwen van het instituut en het kasteel nog een plezierige natuur-omgeving is. In het park zelf hoor je wel het geluid van de veel te drukke Tiensesteenweg die er vlak aan de noordkant langsgaat. Op de kaart zie ik dat je zonder problemen kunt doorsteken naar het Koebos van Natuurpunt aan de andere kant van de baan.

Lovenjoel – Klein Park

Aan de zuidkant zou je de Kerselarenlaan moeten kunnen oversteken om in het Bruulbos te komen maar blijkbaar gaat dat niet omdat er een pad afgesloten is en moet je eerst een eind langs de drukke baan stappen wat ik minder interessant vind. Het park is als erfgoedlandschap beschermd sinds 2004 en wordt naar ik begrijp beheerd door de eigenaars want op een bordje staat dat Ave Regina VZW de ‘verantwoordelijke uitbater’ is. Of er een beheerplan is weet ik nog niet maar kennelijk is het niet de bedoeling om het erfgoedkarakter te bewaren of in ere te herstellen. In de tijd van de familie Spoelberch zijn er heel wat bijzondere bomen aangeplant. In 1991 waren er daarvan nog een hele reeks over (zie het erfgoeddossier en de studie van Roger Deneef) waaronder een mammoetboom, een plataan, een varenbeuk, verschillende soorten beuken, een ginkgo biloba en een bonte Engelse iep maar of die er nu nog zijn heb ik nog niet kunnen ontdekken. In tegenstelling tot het Groot Park is in het Klein Park in de vorige eeuw heel wat productiebos aangelegd met Amerikaanse eiken en naaldhout. Voor de bouw van het instituut is overwogen om het neer te zetten in het park zelf. Uiteindelijk is het aan de voorkant van het kasteel Felixhof gebouwd maar om het laag gelegen terrein bouwrijp te maken zijn wel grote hoeveelheden bouwpuin aangevoerd. In 1955 werd op voorstel van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen een rij van majestueuze rode beuken ‘één der mooiste beukencomplexen van het land’ langs de Stationsstraat beschermd maar een halve eeuw later zijn ze bijna allemaal verdwenen door aantasting van de reuzenzwam.

Lovenjoel – Klein Park – Felixhof

Ik lees in het erfgoeddossier dat er een en ander aan monumentaal  ‘tuinmeubilair’ geweest moet zijn, onder meer ‘een dubbele ardui­nen drempel geflankeerd door twee stèles met elk twee waterspuwende bronzen leeuwenkoppen, een medaillon met een sierlijk bas-reliëf van brons of terra­cotta en een boogvor­mige opening onderaan’ aan de overstort van de vijver naar de Molenbeek. Daarvan zou nog het een en ander moeten over zijn maar door het gebruik van beton in onze tijd ‘zijn de oorspronkelijke vormen en materialen niet meer zichtbaar’. In het park is de enige brug over de Molenbeek die ik gezien heb een betonnen plaat die niets romantisch heeft. Als ik de houten boswachter was van wie er een beeld in het bos staat bij het ontmoetingsbord zou ik toch er voor pleiten om in de komen jaren de verwaarlozing stop te zetten en naast het aanbrengen van educatieve natuurelementen de erfgoedwaarden van het park te herwaarderen. Zo moeilijk kan dat nu toch ook weer niet zijn zou ik denken.

+++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

Over het Groot Park:

https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/300760

+++

https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/127005

+++

http://www.thewhitehousegallery.be

+++

https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/200196

(de Heystmolen)

+++

Roger Deneef ea – Historische tuinen en parken van Vlaanderen – Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap – Brussel 2004 (ISBN 90-403-0196-4) – p.67-76

Lovenjoel – Salve Mater – Groot Park – ingang van de the white house gallery – merk op het kunstobject op rechts …

Over het Klein Park:

+++

https://inventaris.onroerenderfgoed.be/themas/16557

+++

https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/300774

+++

https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/215123

+++

DENEEF R. (redactie) 2004: Historische tuinen en parken van Vlaanderen, Bierbeek, Boutersem, Glabbeek, Oud-Heverlee, M&L Cahier 9, 76-83.

Lovenjoel – Klein Park – Molenbeek

Een Chinees ekstersprookje:

http://www.ekstersenzo.nl/cultuur_sprookjes-china/

Chinees sprookje

De koeherder en het weefstertje
(Chinees sprookje, vertaald uit het Engels/Duits door Peter van Nies)

+++

https://nl.dreamstime.com/redactionele-fotografie-de-eksterbrug-image54366292

+++

http://www.ekstersenzo.nl/cultuur_sprookjes-china/

Lovenjoel – Groot Park – chinese brug
Lovenjoel – Grot Park – chinese brug

trefwoorden: Lovenjoel, Groot Park Salve Mater, Klein Park Ave Regina, Spoelberch, Whitehouse,  China, eksterbrug, Heyst, watermolen,

OP STAP IN GREZ-DOICEAU – LANGS LE TRAIN NAAR MORSAINT EN BIEZ

Uitgelicht

april 2021

Ernst Gülcher

contact: ernst.guelcher (at) telenet.be

Gréz-Doiceau – le Train

Gréz-Doiceau vormt samen met Beauvechain een heel mooi wandelgebied juist over de taalgrens aan de zuidkant van het Meerdaalwoud. En als je dan nog verder naar het zuiden gaat kom je in de streek van Chaumont-Gistoux en Jodoigne. Wie in Vlaanderen een beetje genoeg heeft van de drukte en de platgetrappelde paden in onze veel te schaarse natuurgebieden en op zoek is naar een plek om een beetje rustig van de mooie natuur en erfgoed te genieten en ook openstaat voor een ‘bonjour’ en een praatje met de erg vriendelijke bewoners, kan ik heel de streek bijzonder aanbevelen. Zoals overal in Brabant biedt de Toeristische Dienst van Gréz-Doceau een aantal wandeltrajecten aan in het centrum en in de deelgemeenten en in overleg heb ik beloofd om die eens af te stappen om foto’s te nemen en die te voorzien van een beetje meer inhoudelijk commentaar dan dat er nu bijstaat en met telkens een overzichtelijk plannetje om je de weg te wijzen.

Haal de kaart er even bij en dan zie je dat het grondgebied van deze gemeente zo’n 55 km² bestrijkt en sinds de fusie van 1977 naast het centrum bestaat uit de deelgemeenten of gehuchten Néthen, Gastuche, Archennes, Florival, Pécrot, Bossut-Gottechain, Biez, Hèze en Cocrou. Hier en daar sta je boven op het plateau maar meestal ben je op stap in de dalen van de grote en kleine rivieren en beken die allemaal op weg zijn naar La Dyle: Le Train, Le Piétrebais, Le Pisselet, Le Lembais, Le Glabais, Le Ruisseau de Hèze, maar ook Le Ruisseau de La Néthen en La Grande et la Petite Marbaise. De streek is al heel lang ontgonnen door de landbouw maar er is toch nog wel wat bos ten vinden, meestal in handen van adellijke families en om die reden dikwijls nog niet toegankelijk (dikwijls bezet door jagers): Bois de Laurensart, Bois de Beausart, Bois de Bercuit. Maar aan de noordkant sluit de gemeente aan op het Meerdaalwoud dat met uitzondering van het domein van Savenel volledig toegankelijk is.

Gréz-Doiceau – le Piétrebais

Helaas zijn de twee tramlijnen (le vicinal) door de gemeente (lijn Leuven-Jodoigne en Jodoigne-Wavre) verloren gegaan maar in de vallei van La Dyle kom je via de vier treinstations Pécrot, Florival, Archennes en Gastuche onmiddellijk in topnatuurgebied en je hebt dus echt geen auto nodig om daarvan te profiteren. Echte autostrades zijn er hier niet dus dat is ook mooi meegenomen.

Net als in Vlaanderen wordt wel veel nieuwbouw gezet en dikwijls op de mooiste hellingen. Dat veroorzaakt asfaltering van paden, de bouw van sportterreinen, het aanbrengen van schuttingen en anti-inbraakborden (‘les voisins veillent’) en het lawaai van bladblazers, bosmaaiers, maaimachines, heggescharen en kettingzagen maar anderzijds is de tuincultuur in Waals-Brabant een stuk natuurvriendelijker dan aan de andere kant van de taalgrens en het respect voor oude huizen en gevels is best wel groot.

In deze reportage ga ik vanaf de Place Communale in het centrum van Grez-Doiceau langs de Train met een ommetje langs het Château naar het zuiden naar het gehucht Morsaint. Daar steek ik de rivier over en maak de tamelijk steile klim naar ‘de butte’ van Biez met zijn mooie Eglie Saint Martin die je van overal in de omgeving ziet. Daarna daal ik af en steek via een smal paadje tussen de voormalige Moulin de Pir®oir en het Château opnieuw de rivier over terug naar het punt van vertrek. Deze wandeling gaat langs comfortabele paden en is maar zo’n 4 km lang maar er zit dus wel een steil stuk in. Als je dat wilt vermijden kan je ook onderlangs de kerk in Biez de Chemin de Vicinal volgen maar dan mis je de mooie vergezichten.

Grez-Doiceau – Place Communale Ernest Dubois – een monumentale linde

 We vertrekken op la Place Ernest Dubois tussen de Eglise Saint-Georges en de pastorie, beiden geklasseerd als erfgoed-monument. Als er zich iets minder auto’s zouden langs wringen op weg langs de N240 van Waver naar Jodoigne zou je hier best ook heel je vrije dag kunnen doorbrengen want zowat ieder gebouw op dit plein en in de omgeving staat op de Waalse lijst van bouwkundig en cultureel erfgoed en er zijn ook enkele café’s die er gezellig uitzien. Dat dit mooie plein niet al lang parkeervrij (en bordenvrij) gemaakt is vind ik jammer want ik zie op de kaart een publieke parking ietsje verderop. Fietsen doen ze hier kennelijk niet aan want er is er zelfs geen één te zien. Zelfs de monumentale zomerlinde op het plein is door auto’s ingesloten. Hij doet het nochtans goed denk ik maar hij staat niet op de erfgoedlijst. Of hij daar ooit geplant is als ‘vrijheidsboom’ of om welke andere reden kom ik niet te weten maar het lijkt wel eker te zijn dat hij er voor 1930 als een tijd stond.

Het monumentale neoklassieke gemeentehuis op de hoek met de Rue de jodoigne is gebouwd in 1885 met onder meer de plaatselijke ‘calcaire grésieux’. Iets verder op deze wandeling komen we nog een oude steengroeve tegen. De pastorie er naast dateert uit de 18de eeuw en de Romaanse kerk op het plein is in 1782 gebouwd door de Abdij van Valduc in Hamme-Mille als de opvolger van zijn 12de eeuwse voorganger. In de brochure van de toeristische dienst lees ik dat: ‘L’intérieur, mérite l’attention de par son maître-autel, ses stalles du XVIIe siècle, son grand Christ du XIIIe et sa chaire de vérité du XVIIe. Vous pourrez également y admirer une lignée de Sainte Anne gothique, des statues de Saint Roch et de Saint Nicolas (XVIIe) et des céramiques de Max vander Linden ainsi que de très belles boiseries et un banc de communion. Elle fut jadis le centre de pélerinage dédié à Saint Marcoul (tableau et statue)’.

Gréz-Doiceau – L’Eglise Saint-Georges

Het is het de moeite waard om een rondje om de kerk te stappen. Diep beneden je zie je de rivier stromen in een opgemetselde bedding tussen steile grauwe muren van oude nogal haveloze deels begroeide gebouwen.  Volgens de kaart Vander Maelen van 1845 kijk je hier op een molen en een brouwerij. In de directe omgeving staan er nog vier brouwerijen aangeduid. Hoeveel daarvan nog in gebruik is weet ik nog niet, om er meer van te zien moet je aan Rue Lambermont zijn maar je moet wel erg lang zijn om over de omheiningen te kijken. Het prozaische anti-overstromingsmuurtje langs de kade vertelt je dat deze problematiek een wat minder toeristisch hoofdstuk vormt in ons verhaal over Le Train. Ik kom daar nog op terug.

Ik volg even de aanwijzing van de touristische dienst: « Passez devant l’église pour déboucher dans la rue de la Barre et tournez à gauche. Au coin se trouve une maison du XVIIIe  siècle, dite maison espagnole, qui a gardé son aspect d’origine. Dans la rue de la Barre (No 7, 8, 9) se trouvent de belles maisons villageoises du XVIIIe siècle. Juste avant le pont, prenez le chemin à droite qui suit la rivière dit quai Saint Michel. Une allé d’aubépines rend cette partie du parcours très agréable. » Aan de overkant staat nog een bijzonder monumentale boom (zomerlinde) bij een heel mooi statig wit huis (Avenue Compte Jean Dumonceau 1). Even verder staat een al even monumentale treurwilg.

De rivier is op dit stuk helemaal gekanaliseerd hoewel de oevers wel afgeschuind en groen zijn. Het water is helder. Ik lees dat de waterkwaliteit varieert van ‘goed’ tot ‘slecht’ en over het algemeen ‘gemiddeld’ is. Op de door de Contrat-de Rivière-Dyle-Gette gepresenteerde kaartjes kan ik niet zien of en waar er waterzuiveringsstations zijn maar blijkbaar zijn er de laatste jaren wel op een aantal plaatsen  collectoren geplaatst om het rioolwater op te vangen. Sinds de natuurwaarden beter worden beschermd, zwemt er in toenemende mate weer vis in het water zoals donderpad, baars, stekelbaars en –  ondersteund door een programma van herintroductie – ook weer forel. Er wordt dan ook uitgebreid gevist maar zo te zien aan de borden niet zonder vergunning van de plaatselijke visautoriteiten.

Grez-Doiceau – Le Train aan de achterkant van de kerk

Speciaal voor de vissers zijn de autoriteiten in Grez-Doiceau al enkele tientallen jaren geleden begonnen met het aanleggen van rotsachtige ‘drempels’ in de rivier ter hoogte van de aansluiting van de Piétrebais op de Train en sinds 2016 worden die ook op andere stukken aangebracht met de steun van de Provincie Waals-Brabant. Wie goed kijkt zal zien dat de rotsblokken zo zijn geplaatst dat het water aan de oevers vertraagd wordt terwijl de snelstroom midden door de rivier gaat. Daarmee dienen de stenen ook als middel om erosie tegen te gaan en zorgen ze voor zuurstof in het water. Ik vind het mooi gedaan omdat het de rivier een natuurlijker uiterlijk geeft ondanks de rechtgetrokken bedding.  

Le Train in Gréz-Doiceau ziet er uit als een onschuldig riviertje maar als je even op het internet zoekt naar het verband met ‘inondation’ krijg je een waslijst van rampenmeldingen wanneer na een zwaar onweer het water weer eens in de straten staat. Een systematisch overzicht heb ik nog niet gevonden maar het is duidelijk dat na een grote ramp in het jaar 2002 (misschien ook al eerder) tot en met 2020 zowat ieder jaar en dikwijls in de zomer er groot alarm is, dramatische verhalen en foto’s gepubliceerd worden en er maatregelen en plannen worden aangekondigd om toekomstig ongemak te voorkomen.

De stenen drempels in de rivierbedding worden blijkbaar op veel plaatsen gelegd sinds 2016, ik lees dat er ook veel werk gemaakt wordt van het onderhoud van de oevers en het ruimen van slib, afval en bomen en andere obstakels die in de rivier terecht komen. Er wordt ook opgetreden tegen lieden die nog altijd hun brandstoftanks en andere vuiligheden op de rivier lozen. Daarnaast worden telkens plannen voorgesteld om opvangbekkens aan te leggen op laag gelegen plekken maar die vergen zeer grote investeringen, houden al te dikwijls geen rekening met de natuur-ecologische opvattingen van deze tijd, geven geen garantie op voldoende werking en stuiten op groot verzet van de plaatselijke bevolking, zowel natuurliefhebbers als boeren. Is dit een probleem van onze tijd of was het er al in de middeleeuwen? In de historische databank van Echarp (Tarliers en Wauters) vind ik er niets over en oudere mensen vertellen dat in hun tijd er geen overstromingen waren.

Le Train – niet altijd kalm en onschuldig

Op de Villaret-kaart van 1745 zie je Le Train en al zijn zijrivieren in talloze kronkels door de vallei gaan. Alleen op plekken waar er molens zijn is de waterloop stroomopwaarts over een korte afstand rechtgetrokken om te kunnen stuwen. Honderd jaar later is die toestand op de kaart Van Der Maelen nog altijd zo. De kronkels vertragen de stroomsnelheid en als het debiet toch te groot werd kon het teveel over de weiden en de moerassen in de vallei wegvloeien zolang dit nodig was. Op eigentijdse kaarten zie ik nog wel kronkels maar er zijn ook op veel plaatsen verdwenen doordat de bedding rechtgetrokken is, hetzij om het land te kunnen bewerken, hetzij om huizen te bouwen en wegen aan te leggen. Dit is bijvoorbeeld het geval ter hoogte van Bonlez, juist ten zuiden van het centrum van Gréz-Doiceau. Ook op de Piétrebais hebben veel kronkels plaatsgemaakt voor woningen en wegen. De Piétrebais komt in een rechte goot aan op Le Train aan de Pont d’Arcole juist voordat de rivier het stadscentrum bereikt. Het water wordt dus gewoon veel te snel afgevoerd en stropt aan de eerstvolgende ‘flessenhals’ 

Het probleem wordt verergerd door de toenemende ‘verharding’, lees nieuwbouw, asfaltering, betegeling en betonnering door huizen en wegen en door de veranderende klimaatomstandigheden (die laatste zorgen op hun beurt ook voor het tegendeel: de verdroging doordat de regen wegblijft). De oplossing lijkt toch te zijn om de vallei terug te geven aan de rivier, de bochten weer aan te leggen, de oevers af te schuinen en vooral alles te doen om de ‘natuur-van-toen’ weer te herstellen en voor die aanpak zijn er ondertussen heel wat goede voorbeelden voor wie ze weet te vinden.

Gréz-Doiceau – langs Le Train – een geit klaar voor de modeshow

Gréz-Doiceau aan Le Train. Vanuit het centrum staan we nu op le Pont d’Arcole op de plek waar het riviertje Le Piétrebais uitmondt in Le Train. De brug dankt blijkbaar zijn naam aan een inwoner van het dorp met de naam Thiry en in 1872 staat hij nog aangeduid als “le pont du Noir Trou” en dat zou betekenen dat er toen een sluisje was. Het zou de oudste brug zijn in het dorp waarlangs de oude weg tussen Jodoigne en Waver passeerde. Dat moet dan toch heel lang geleden zijn want op mijn oude kaarten (Villaret 1745) ziet het er zo niet uit (hoewel je je het oude tracé wel kan voorstellen).

De kasseien op het pleintje komen waarschijnlijk uit de nabijgelegen steengroeve richting Morsaint waar we nog zullen langskomen. Langs de Avenue Comte Jean Dumonceau kom je bij het Château van Gréz. Jean-Baptiste Dumonceau, graaf van Bergendael speelde een belangrijke rol als maarschalk van de Hollandse troepen in de tijd van Napoléon en hij en/of zijn erfgenamen waren in die tijd de eigenaars.

Het kasteel is volgens de gemeentelijke toeristische dienst “sans conteste le monument le plus important de la vallée du TrainSitué le long du Piétrebais dont les eaux alimentent ses douves le château fut habité par les seigneurs de Grez dont la première lignée pourrait remonter à la fin du Xe siècle. Le donjon trapu et garni de meurtrières est le seul vestige de l’époque féodale. Ses murs ont une épaisseur de 1,45 m à la base et il ne reçut sa toiture qu’au XVIe siècle. A côté se situe l’entrée primitive du domaine où l’on accédait par un pont-levis. Sa grande porte cochère surmontée d’une magnifique pointe de pignon à volutes de style Renaissance est remarquable. Dans la maçonnerie son gravés les armes des van den Berghe et des Liminghe. La seule tour ronde subsistante est un colombier remarquable avec 500 boulins et son échelle tournante intérieure. Le château, rectangulaire et limité à l’origine par quatre tours d’angle a subi d’importantes modifications au XIXe siècle. Il est actuellement séparé en deux habitations distinctes (propriétés privées) ».

Gréz-Doiceau – Château

Sinds de vroegste middeleeuwen was hier de burcht van zeer hooggeplaatste heersers over de omgeving en ook na de verbouwing tot het complex dat je nu ziet in de 19de eeuw is het de eigendom gebleven van voorname families. In de tiende eeuw is Grez een klein graafschap met graven waarvan er tenminste één (Werner de Greis) beroemd is geworden als een geducht strijder in de eerste kruistocht met de bestorming van de stad Jerusalem onder Godfried van Bouillon. Nadien lijkt het er op dat de hertog van Brabant de macht van de leden van dit ridder-geslacht iets heeft willen beperken door hen niet meer als ‘graaf’ te vermelden en ook door in het kader van het Charter van Kortenberg in 1372 met de burgers van het nabijgelegen dorp een pact te sluiten over een zekere zelfstandigheid. Om alles te weten over deze ingewikkelde geschiedenis verwijs ik je naar de link van Echarp onder deze bijdrage. De naam van die burcht en seigneurie in de documenten van de Hertog van Brabant  – Greis, nadien Grez – wijst er op dat er al in die tijd kalksteen-groeven waren.

Wie het nu bezit weet ik nog niet. Jammer genoeg zie je er niet veel van want de privé-bewoners van nu hebben kennelijk niet graag in hun erfgoed geïnteresseerde voorbijgangers aan of op hun terrein en hebben – zoals dikwijls het geval is – het domein omringd met een dichte begroeiing. Toen ik laatst even iets naderbij kwam om toestemming te vragen om toch een foto te maken werd ik vanuit de verte meteen bestraffend aangeroepen door een dame die juist uit haar auto stapte. Om er meer over te weten is het dus waarschijnlijk wachten op een gunstige gelegenheid zoals een open monumentendag denk ik. Of is er iemand in Gréz-Doiceau die een introductie kan bezorgen bij de kasteelbewoners?

Grez-Doiceau – Quai Michel

Vanaf de Pont d’Arcole volgen we het pad naar het zuiden richting Morsaint langs de rivier. Dankzij Thierry Spreutel weten we ondertussen dat de brug zijn naam dankt aan een buurtbewoner Thiry en dat hij nog in 1872 de naam droeg van ‘le pont du Noir Trou’. Dat zou er dan weer op wijzen dat er in die tijd nog een sluisjes was. Het is een heel mooi natuurtraject. Langs de kasseien van de Quai Saint-Michel staan mooie huisjes. Bij een ervan kijkt een geit ons nieuwsgierig aan. In de oude tijd moet hier nog een aan het kasteel toebehorende ‘fabrique des cloux’ (ijzeren nagels, later nog motoren) gestaan hebben aan een klein groevetje zie ik op de oude kaarten. De kasseien maken plaats voor een veldweg die op de kaart ‘chemin des Prés Sains’ heet. De gezonde weiden zijn nu akkers geworden maar zo te zien niet van een biologische hoeve. Jammer genoeg staat er ook een helemaal niet bij het natuurlijke landschap passende gloednieuwe megastal. Op de geploegde helling daarachter staat een groot gebouw omgeven door mooie bomen waaronder een monumentale kastanje: het vroegere hospice van Pery (zie de link naar het erfgoeddossier), nu een verzorgingscentrum voor bejaarden. Aan een brugje gaat aan de overkant het ‘Sentier de la Bar’ – dat is voor de terugweg. Onmiddellijk daarna staat verborgen achter een dichte begroeiing aan de overkant de watermolen ‘Franc Moulin’ die nu een niet toegankelijke privéwoning is. De informatie over die molen is een beetje verwarrend maar als ik het goed begrepen heb gaat het over de vroegere ban-molen van Grez die al heel oud is. Hij was voor de helft van de Hertog van Brabant en voor de andere helft van de Seigneur de Grez (Piétrebais). De huidige gebouwen van de molen zouden dateren van 1773 en later. In het erfgoeddossier vind je een mooie foto maar vanaf het pad zie je er bijna niets van.

Gréz-Doiceau – langs Le Train richting Morsaint – in de verte de voormalige watermolen

Op een van mijn foto’s zie je hem van een afstand aan de overkant van de rivier. In Molenechos vind ik de molen wel onder deze naam maar op een andere plek (Rue de la Barre) en met een er niet op lijkende foto maar het kan zijn dat er verwarring is doordat er in deze omgeving sinds de oudste tijden veel molens hebben gestaan. De rivier is hier en daar toegankelijk vanwege de plekjes met borden van de visclub. In een bosje een beetje verder zie je als ‘privé’ aangeduide vijvers en als je goed kijkt kan je al vermoeden dat het gaat om een vroegere steengroeve. Op de kaart Vandermaelen van 1846 staat deze plek aangeduid als ‘carrière des pierres à paver’. Dus waarschijnlijk zijn de kasseien op het pad nog uit die tijd. Of de stenen in de muur van de donjon van het Château uit deze groeve zijn gehaald weet ik niet maar hij moet al heel oud zijn. De productie van kasseien begon hier in het begin van de 19de eeuw en ik lees dat de groeve toen al heel lang verlaten was. Het gewonnen materiaal bestaat uit ‘quartzite gedinien’, gevormd door kalkachtige afzettingen (vissen, schelpen) in de warme zee tijdens het zeer boeiende geologisch tijdperk van het ‘devoon’ zo’n 400 miljoen jaar geleden. Nadien bedekt met dikke lagen zand zijn die afzettingen door de druk chemisch omgevormd tot rotsachtige harde kalk-houdende bleekgrijze, blauwige, soms groenachtige of witte harde zandsteen. In de oude tijd werd dit met de hand gewonnen en weggevoerd maar naarmate de groeve dieper werd moesten er paarden aan te pas komen en kon men ook het water niet meer met emmers de baas. In 1839 sloot de eigenaar een overeenkomst met de molenaar van de molen van Pirroir (of Piroir, aan de Rue de Basse Biez) om het water weg te pompen maar in 1856 was het er mee gedaan. De ondertussen alweer verdwenen (en/of gerecupereerde) kasseien van de weg tussen Waver en Jodoigne kwamen voor een groot deel van hier lees ik (details in Echarp, zie de link). Ik denk dat in die tijd het landschap er hier heel wat minder idyllisch moet hebben uitgezien dan nu en of het toen echt zo ‘gezond’ was betwijfel ik een beetje.

Gréz-Doiceau – een voormalige steengroeve langs Le Train

Boven op de helling aan de overkant zie je hoog op de heuvel de l’Eglise Saint Martin van Biez maar daar komen we nog wel. Het dal wordt breder en in de weiden staat een rij indrukwekkende wilgen. Langs de rivier grazen de koeien en paarden in de weiden. Op het einde staat op het einde van de winter een groot stuk onder water maar het pad blijft droog en is zelfs niet modderig.

Vandaar kun je rechtdoor naar het zuiden langs het heel mooie ‘Sentier de Bonlez’ maar dat valt een beetje tegen omdat je aan het einde terecht komt aan de Rue de Bonlez, een smalle maar toch beetje te drukke autoweg waar je niet meer afgeraakt tot aan het helemaal afgesloten en onzichtbare Château de Bonlez  waar je dan links kan om ook al weer tussen de auto’s terug naar Gréz-Doiceau te komen. 

Van de belangrijkste historische bezienswaardigheid in deze omgeving is helaas niets meer te zien. Ik lees in Echarp: “Ce qui est plus important et incontestable, c’est la précieuse trouvaille faite, vers 1860, au Champ de Présenne, près de Morsain, à 1,300 m. S. de l’église paroissiale, à l’est du grand chemin conduisant à Bonlez, dans un terrain appartenant à M. Rouchaux. Il y eut là, évidemment, une villa romaine. » Onder de leiding van de toenmalige eigenaar van le Château de Gréz, Graaf Du Monceau werd een zeer grote ruïne blootgelegd van 16 bij 6 meter met beschilderde muren van verscheidene kamers en zuilen en een oven. Het veld ligt aan de rechterkant van ons pad maar de ruïne heeft men achteraf maar weer begraven om de boerenactiviteit te kunnen voortzetten. Waar het precies is weet ik nog niet, zelfs vanuit de lucht is er niets te zien tussen de ploegsporen en het gras.

Grez-Doiceau – langs Le Train op weg naar Morsaint – een wal van knotwilgen

Echarp : « les nombreux débris trouvés en cette occasion servirent aux fondations des nouveaux bâtiments de la ferme Rouchaux, à Morsain; M. Du Monceau a toutefois conservé : deux grandes tuiles, de 35 c. sur 53; deux grandes dalles, de 40 c. sur 26; trois carreaux, de 22 c. de diamètre, du genre de ceux qui, par leur superposition, formaient des piliers; trois rondelles en terre cuite, dont 2 de 29 c. et 1 de 25 c. de diamètre, rondelles qui formaient des colonnettes; de larges briques épaisses de 2 c., d’autres débris de maçonnerie, le fragment de pierre meulière mentionné plus haut, neuf échantillons de peintures murales etc.». Wellicht bevinden die zich nog op het kasteel. De Ferme de Morsaint (ik denk dat het nu een manege is) staat een beetje verder op de Rue de Bonlez 6 en is ingeschreven op de Waalse inventaris van het bouwkundig erfgoed (zie de link voor de technische beschrijving). Ik heb er echter nog geen foto van.

De naam Morsaint heeft voor een keertje niets te maken met een heilige maar verwijst naar een plaatselijke chef met de naam Morc(h)e die hier rond het jaar 1000 zijn ‘heim’ ofwel ‘hain’ of huis zou hebben gehad. Hij was een van de vele ‘fiefs’ in de streek van Gréz en we weten van hem omdat rond het jaar 1000 de echtgenote van Graaf Werner van Grez verschillende huizen (manses) afstond aan de Abdij van Gembloux waarvan twee in Morceshem tegen een jaarlijkse belasting van ’10 sous de Louvain et 4 poules’. Zijn opvolgers worden opnieuw genoemd in 1530 maar dan heten ze al ‘de Morchain’, nadien vervormd tot ‘Morsain(t)’. Naar het zuiden richting Bonlez kom je in de Rue de Royenne maar waar die naam vandaan komt weet ik nog niet. Op de kaart zie je op deze plek ook de naam ‘Basse-Biez’ maar waar nu precies de grenzen zijn kan ik niet zien.

Morsaint

Op deze tocht gaan we richting (haute)-Biez en l’Eglise Saint Martin. Over Biez als dorp vind ik niet direct zo heel veel informatie. De naam betekent Berk en dat zou rond 1200 naar ‘berg’ verwijzen en niet naar de boom. Ik lees dat rond 1200 Biez nog toebehoorde aan Guillaume de Piétrebais die een vazal was van het Prinsbisdom Luik maar dat het honderd jaar later in handen kwam van Ridder Rodolphe de Greis (Grez) en het daarmee deel uitmaakte van het hertogdom Brabant. Sinds 1977 is het dorp officieel deelgemeente van de fusiegemeente Gréz-Doiceau. 

Op de Villaret-kaart van 1746 staan er nog maar heel weinig huizen op en rond de beroemde ‘butte van Biez’ en honderd jaar later zijn het er nog altijd niet veel. Ook vandaag is – anders dan in zusterdorp Hèze – de bebouwing bescheiden maar daar lijkt verandering in te komen want het is duidelijk dat de belangstelling om villa’s met uitzicht op de vallei te bouwen flink groot is. In de Rue de Beau Site zie ik plakkaten van bezorgde buurtbewoners over geplande bouwprojecten en vlak onder de historische kerk is een weelderige villa gebouwd die zowel het zicht op de kerk als dat op het dal ferm belemmert. Voor het ogenblik kan je vanaf de helling tussen de huizen nog wel in het dal kijken maar als de bebouwing toeneemt en de nieuwe bewoners hun tuinen afsluiten met hagen en schuttingen (zoals de gewoonte is)  gaat die mogelijkheid verloren. En bovendien kijk je dan vanaf de rivier niet meer op een groene natuurhelling maar op gebouwen, een aspect van landschapsverandering dat naast ontbossing en grondverharding bij het afleveren van bouwvergunningen systematisch over het hoofd gezien wordt.

Gréz-Doiceau – Biez – Rue du Beau Site

Dwars door het dorp liep vroeger de buurttram waarvan nu nog de ‘Chemin de Vicinal’ over is die ik op een afzonderlijke verkenningstocht in de verf zal zetten. In de tijd van en voorafgaand aan die tram waren de dorpsbewoners heel wat minder welgesteld dan tegenwoordig want ik lees dat rond 1852 100 van de 650 dorpelingen, onder wie de meeste leden van de plaatselijke protestantse gemeenschap wegens de armoede naar de Verenigde Staten emigreerden samen met honderden lotgenoten uit Gréz. Hun afstammelingen zouden vandaag nog in de staat Wisconsin terug te vinden zijn als deel van een actieve Belgische kolonie. Aan de ingang van de Rue Royenne staat een bordje ‘Musée 40-45’ maar waar het is weet ik nog niet en op het internet vind ik er niets over.

De Eglise Saint Martin is onbetwist het hoogtepunt van deze verkenningstocht in Biez. Neem de kaart er even bij en dan zie je dat je vanaf de honderd meter hoge heuvel (butte) uitkijkt over de gehele omgeving zoals Morsaint, le Bercuit, le Centry, Archennes, Gréz, Bossut en Cocrou. Bij helder weer zou je zelfs de zuidrand van het Meerdaalwoud moeten kunnen zien.

In het erfgoeddossier lees ik het volgende: “Bien campé au sommet de la colline, édifice de style classique construit en brique et calcaire gréseux en 1772 (soubassement, base de la tour, encadrement des baies et des trous de boulin, chaînages d’angle, corniche) et restauré à la fin du 19e siècle. Tour ouest semi-engagée entre deux annexes courbes; nef unique de deux travées, et, dans un même volume rétréci en arrondis, choeur d’une travée droite suivi d’un chevet en abside. Sacristies aux nord-est et sud-est. Remontée en 1893, tour de trois niveaux séparés par des bandeaux. Rez-de-chaussée en moellons assisés et pierre de taille, dont le noyau provient de l’église précédente. » In 2010 zijn er opnieuw uitvoerige restauratiewerken gedaan waarbij schilderingen in de linker muur  zijn blootgelegd die in de tijd van de Franse revolutie voor de veiligheid waren verborgen.

Grez-Doiceau – de Sint Maartens kerk van Biez

Sinds wanneer er hier al een kerk staat weet ik nog niet maar ik vermoed al in de 12de eeuw. De parochiale registers van Biez beginnen op 14 februari 1616 en ik begrijp dat ook de inwoners van Hèze hier de mis bijwonen maar dat die van Morsaint en andere dorpen in de omgeving officieel naar de Eglise Saint-Georges in Grez-Doiceau zouden moeten. Maar op de website www.egliseinfo.be lees ik dan weer dat de kerk nu tot de pastorale eenheid van Dion behoort. Gods wegen zijn ondoorgrondelijk en de kerkgeschiedenis is ook al niet rechtlijnig zullen we maar zeggen. Ik ben er nog niet binnen geweest want het is jammer genoeg niet een ‘Eglise Ouverte’ maar het interieur moet erg mooi zijn. Op het kerkplein binnen de muren heeft het oude kerkhof blijkbaar wel plaats moeten maken voor een parking maar de poort en de oude bomen zijn gebleven. Rond de kerk zie je nog verscheidene 18de en 19de eeuwse grafstenen, waarvan één voor Grégorius Van Dormaal, pastoor in Biez en overleden in 1789. Juist buiten het bereik van onze wandeling vind je op nr.17 in de Rue de Beau Site nog de pastorie en op nummer 12 een eveneens als erfgoed beschermde hoeve. Op nummer 30 sta je voor het vroegere 19de eeuwse  gemeentehuis en dorpsschool. Het is nu ‘la maison de quartier de la butte de Biez’ en wordt samen met de mooie boekenkast beheerd door de VZW ‘les amis de la Butte de Biez asbl’.

We zijn toe aan de laatste etappe in onze rondtocht vanuit Grez langs Le Train naar Morsaint en Biez. Ik kijk nog even bij het kruisbeeld op nummer 38 van de Rue du Beau Site. Het komt van het kerkhof in Audergem en staat hier sinds 1952 onder een vrijheidslinde.  Vanaf de kerk nemen we een heel klein hol paadje naar beneden met de naam ‘Chemin de la Bar’. Het komt beneden uit op de ‘Chemin Vicinal’, ofwel de bedding van de vroegere tram

Gréz-Doiceau – Biez – afdalng naar le Moulin du Pirroir

Even verder rechtdoor staan we op de Rue de Basse Biez recht tegenover de gebouwen van de voormalige Moulin de Pir(r)oir. De deur is potdicht want het is nu een ontoegankelijke privéwoning maar hij wordt al genoemd in het jaar 1312. In die tijd was het een korenmolen met een onderslagrad boven Le Train. De molenaar moest in die tijd een cijns betalen aan het Kapittel van Cambrai (Kamerijk) en een jaarlijkse vergoeding van 10 mudden graan aan de prior van Basse Wavre op voorwaarde dat die iedere zondag een hoogmis zou zingen. Wikipedia: In Vlaanderen was één mud gelijk aan 6 zakken (= 12 halsters = 24 veertellen = 48 meukens = 96 achtelingen = 384 pinten = 218 liter).”  In de 19de eeuw kwamen de molenaars-eigenaars van de familie Devroye. In 1934 eeuw neemt de familie Bogaerts het over. In 1829 wordt op de andere oever een hennepbreek-watermolen opgericht.

De huidige gebouwen stammen vooral uit de 19de eeuw. In 1914 wordt het gebouwencomplex vergroot. In die tijd wordt er ook elektriciteit opgewekt maar dat stopte al kort na de eerste wereldoorlog. Ik vermoed dat in die tijd ook het onderslagrad vervangen werd door een gietijzeren turbine. Die is nog aanwezig samen met een deel van de binneninstallatie. Alles zou in goede staat zijn en de molen is ‘inscrit comme monument’ op de Waalse Inventaire du Patrimoine Culturale. In 1944 is de molen nog eens vergroot maar in die tijd werd er gemalen met een elektrische motor en niet op waterkrachtDe laatste molenaar was Jean Ghislain Bogaerts en ik begrijp dat sinds 1980 de molen niet meer maalt. Het erfgoeddossier : « Dans un pré à l’ouest, vanne de régulation du ruisseau posée sur piliers de pierre bleue ». Die heb ik nog niet gezien. 

Vanaf de molen volgen we even de straatweg richting Gréz-Doiceau totdat we linksaf een klein paadje met een wel erg grote schutting kunnen volgen naar een bruggetje over de rivier waarna we naar rechts gaan terug naar het vertrekpunt. Einde van deze tocht.

off Gréz-Doiceau-Morsaint-Biez 4km

+++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

village Grez-Doiceau – Tourisme Grez-Doiceau

www.otl-grez-doiceau.be/villGrezHistoireFr.php

+++

http://www.otl-grez-doiceau.be/promFr.php (nos promenades)

+++

http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/recherche/recherche

(via zoekopdracht: alle erfgoedgebouwen op de Place Dubois) 

+++

http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/fiche/index?sortCol=2&sortDir=asc&start=0&nbElemPage=10&filtre=&codeInt=25037-INV-0038-02

Place E. Dubois 2, GREZ-DOICEAU (Grez-Doiceau) 

+++

http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/fiche/index?sortCol=2&sortDir=asc&start=0&nbElemPage=10&filtre=&codeInt=25037-INV-0206-01 (gemeentehuis)

Gréz-Doiceau – gemeentehuis en pastorie

+++

http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/fiche/index?sortCol=2&sortDir=asc&start=0&nbElemPage=10&filtre=&codeInt=25037-INV-0036-02 (l’Eglise Saint-Georges)

+++ 

http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/recherche/recherche (Rue de la Barre, Rue Henri Bruneau, Rue Fontaine, Quai Saint Michel))

+++

http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/fiche/index?sortCol=2&sortDir=asc&start=0&nbElemPage=10&filtre=&codeInt=25037-INV-0059-02

(‘Spaanse’ hoekwoning Quai Saint-Michel 6) 

+++

http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/fiche/index?sortCol=2&sortDir=asc&start=0&nbElemPage=10&filtre=&codeInt=25037-INV-0045-02

(Avenue Compte Jean Dumonceau 1 – aan de brug)

Gréz-Doiceau – Avenue Comte Jean Dumonceau

+++

http://www.crdyle-gette.be/site/etat-des-lieux-qualite/733-le-train-a-grez-doiceau.html 

+++

https://www.yumpu.com/fr/document/view/45916375/le-train-a-grez-doiceau-contrat-de-riviere-dyle-gette

 +++ 

http://www.echarp.be/twcwav20.php 

+++

Grez-Doiceau – Décision de principe du conseil pour …

www.lesoir.be › art › %2Fgrez-doic…

28 aug. 2003 — Le conseil communal de GrezDoiceau de mardi a pris la décision de principe de … Cette décision intervient un an après les terribles inondations des 27 et 28 … Ils ne concernent ni le Train, ni le Piétrebais, mais des affluents.

Grez-Doiceau – Décision de principe du conseil pour aménager trois bassins d’orage ou zones inondables

Grez-Doiceau – Le Train met een aangelegde drempel van steenblokken

+++

Se protéger contre les risques d’inondation par ruissellement …

www.grez-doiceau.be › actualites

Site de GrezDoiceau … Avec elles, revient le risque d’inondations boueuses lors des premiers orages … Check-list INONDATION (Je suis inondé, que faire ?)

00

+++ 

https://www.lalibre.be/regions/brabant/grez-doiceau-la-zone-d-immersion-temporaire-est-imminente-57548eae35702a22d80e9ae6

+++

http://sybilledecoster-bauchau.com/grez-doiceau-ma-commune/ 

+++

http://www.crdg.eu/site/index.php?option=com_content&view=article&id=733:le-train-a-grez-doiceau&catid=72:etat-des-lieux-qualite&Itemid=150

Gréz-Doiceau – Biez – brugje over Le Train

 +++

La province de Brabant wallon retire sa demande de permis …

www.rtbf.be › info › regions › detai… 

+++

La lutte contre les inondations continue à Court-Saint-Etienne …

lacapitale-brabant-wallon.sudinfo.be › …

27 jan. 2019 — les communes de GrezDoiceau et de Court-St-Etienne, les assureurs et les riverains.

+++ 

https://prezi.com/mzdajdb8bbtl/lutte-contre-les-inondations-a-grez-doiceau/

La Belgique touchée par les inondations: Les pompiers …

www.lalibre.be › belgique › la-belgi…

24 jun. 2016 — … Dans l’entité de GrezDoiceau, la chaussée de Jodoigne ainsi que les .. 

+++.

Le cours d’eau du Train pollué aux hydrocarbures à Grez …

www.rtl.be › … › Régions › Brabant

10 sep. 2020 — Cette fois, c’est le Train à Grez Doiceau qui est impacté. Une fuite s’est produite dans une ancienne citerne à mazout proche.

Gréz-Doiceeau – le Train aan de Pont d’Arcole

+++

Inondations, orages, mini-tornade: la nuit a été mouvementée …

www.lesoir.be › article › 2020-08-14

14 aug. 2020 —  Dans la région de Wavre, GrezDoiceau et Ottignies/Louvain-la-Neuve, les services de secours ont aussi …

+++

Grez-Doiceau en zone inondable (Grez-Doiceau) – Lavenir.net

www.lavenir.net › cnt

24 aug. 2010 — La Région wallonne recense les zones à risque d’inondationGrezDoiceau n’en manque pas, avec le Train.

+++ 

http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/fiche/index?sortCol=2&sortDir=asc&start=0&nbElemPage=10&filtre=&codeInt=25037-INV-0037-02

(le Château) 

+++

http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/fiche/index?sortCol=2&sortDir=asc&start=0&nbElemPage=10&filtre=&codeInt=25037-INV-0045-02

 (Avenue Comte J. Dumonceau 1, GREZ-DOICEAU (Grez-Doiceau))

Grez-Doiceau – nog een monuentale Zomerlinde aan de rue Saint Georges langs Le Train

http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/fiche/index?sortCol=2&sortDir=asc&start=0&nbElemPage=10&filtre=&codeInt=25037-INV-0047-02 (ferme) 

+++

http://www.otl-grez-doiceau.be/villGrezHistoireFr.php#:~:text=En%201209%20il%20est%20fait,*scabinor*%20de%20*gravia.

+++

http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/fiche/index?sortCol=2&sortDir=asc&start=0&nbElemPage=10&filtre=&codeInt=25037-INV-0055-02 (hospice aan de Rue des Béguinages)

Gréz-Doiceau – Rue des Béguinages – het oude hospice – de boom is een monumentale kastanje

+++

http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/fiche/index?sortCol=2&sortDir=asc&start=0&nbElemPage=10&filtre=&codeInt=25037-INV-0235-01 (watermolen ‚ Le Franc Moulin)

+++

https://www.molenechos.org/molen.php?nummer=1335

(watermolen, le Franc Moulin) 

+++ 

http://www.geolsed.ulg.ac.be/geolwal/geolwal.htm

(Une introduction à la-GEOLOGIE de la WALLONIE)

+++

https://nl.wikipedia.org/wiki/Devoon

+++

http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/fiche/index?sortCol=2&sortDir=asc&start=0&nbElemPage=10&filtre=&codeInt=25037-INV-0195-01

(Ferme de Morsaint – Rue de Bonlez 6, Gréz-Doiceau) 

+++

http://www.netradyle.be/biez.htm

Gréz-Doiceau – L’Eglise Saint-Martin – de ceder aan de kerk

+++

http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/fiche/index?sortCol=2&sortDir=asc&start=0&nbElemPage=10&filtre=&codeInt=25037-INV-0009-02

(l’Eglise Saint-Martin)

Adresse principale : Rue de l’Eglise Saint-Martin, GREZ-DOICEAU (Biez)

+++

https://www.dhnet.be/archive/l-eglise-saint-martin-restauree-51b7e648e4b0de6db99660a1

+++

https://www.egliseinfo.be/lieu/13/biez/saint-martin—biez

+++

http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/fiche/index?sortCol=2&sortDir=asc&start=0&nbElemPage=10&filtre=&codeInt=25037-INV-0131-01

(maison communale)

Biez – het oude gemeentehuis aan de Eglise Saint-Martin

+++

http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/fiche/index?sortCol=2&sortDir=asc&start=0&nbElemPage=10&filtre=&codeInt=25037-INV-0133-01

(calvaire rue du Beau site 38)

+++

https://www.molenechos.org/molen.php?nummer=705

(Moulin du Piroir, met mooie foto’s van de aan de straat onzichtbare delen)

+++

http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/fiche/index?sortCol=2&sortDir=asc&start=0&nbElemPage=10&filtre=&codeInt=25037-INV-0128-01

(moulin Pirroir)

Gréz-Doiceau – Moulin du Pirroir

Trefwoorden : Gréz-Doiceau, le Train, Morsaint, Biez, Château, moulin, l’Eglise Saint Martin, inondation, carrière, villa romain,

CHASTRE – LANGS DE ORNE NAAR MONT-SAINT-GUIBERT

Uitgelicht

Februari 2021

Ernst Gülcher

Contact: ernst.guelcher (at) telenet.be

De Orne in Mont-Saint-Guibert

Het riviertje de Orne in Waals-Brabant is volgens mij in Vlaanderen niet zo heel bekend. Omdat ik dankzij de plaatselijke natuurorganisaties hoorde dat het zo’n mooie omgeving is waarin er van alles te zien en te beleven valt ben ik er toch al een paar keer op stap geweest en heb ik de resultaten daarvan met tekst en foto’s gepost op facebook. Nu krijg je het hele verhaal op mijn internet-blog.

Op deze tocht concentreer ik me op het traject tussen Chastre, Walhain en Mont-Saint-Guibert. Tussen die gemeenten stap je over een afstand van zo’n tien kilometer vlak langs de rivier over ‘sentiers’ zonder dat je ergens in de bebouwde kom komt.

Met de ‘Ferme Rose’ in Chastre als vertrekpunt kom je dan langs achtereenvolgens le Moulin de Godeupont, le Château de Blanmont, Le Moulin Al Poudre, Het waterzuiveringsstation, Le Moulin D’Alvaux, La Tour de Sarrasins, het viaduct van de spoorlijn Brussel-Luxemburg en tenslotte aan het Domaine de Bierbais met zijn Château en Tour. Eenmaal daar aangekomen ben ik wel langs de rivier de weg teruggegaan want een echte aantrekkelijke luswandeling heb ik er niet van kunnen maken.

Langs de Orne in Walhain

Maar eerst vertel ik iets meer over de rivier zelf. Neem de kaart er graag even bij en dan zie je dat de Orne een beetje ten westen van Gembloux op het grondgebied van Corroy-le-Château ontspringt in een moerasje waar twee bronnen samenkomen precies op de grens tussen de provincies Namen en Waals-Brabant aan de Ferme de Bertinchamps.

Op het grondgebied van de fusiegemeente Chastre-Villeroux-Blanmont kronkelt hij rechtstreeks naar het noorden via Cortil-Noirmont, Chastre en Blanmont. Vervolgens buigt hij af naar het noordwesten om via Mont-Saint-Guibert en Beaurieux uit te komen in de Thyle in Court-Saint-Etienne die op zijn beurt enkele honderden meters verder in de Dyle stroomt.

Van bron tot monding is het ongeveer 18km en op dat traject wordt hij gevoed door een hele reeks zijbeken: le ruisseau de l’Joncquière, l’Ardenelle, l’Ernage, le Ry de Perbais, le Ry d’Almez, le Ry des Lovières, le Nil, le Ry de Corbais, le Ry de la Fontaine au Corbeau, la Houssière, le Ruisseau de l’Ornoy, le Ry de Beaurieux en le Ry Glorie. Al die namen vind je voortdurend terug in de straten van de omliggende dorpen. In Chastre is hij nog maar een meter breed maar stroomafwaarts groeit hij aan tot een breedte van bijna twee meter. Diep is het water volgens mij nergens.

In Blanmont is er een groot waterzuiveringsstation maar desondanks is de waterkwaliteit niet heel goed vanwege het afvalwater vanuit het groot aantal huizen dat in de nabijheid van de waterloop gebouwd is, maar vooral door problemen met de landbouw.

De meest voorkomende vissoorten zijn bermpjes (loches franches), stekelbaars (épinoches), voorns (gardons), rivierdonderpad (chabot, zeldzaam) en forel (truite fario). Vooral vanwege die laatste kom je overal langs de rivier borden tegen van de plaatselijk visclub (Les Pêcheurs de l’Orne – Pêche privée). Vissen mag je dus niet zonder vergunning maar vanwege al die vissersplekken kan je wel op veel plaatsen vlak langs het water komen.

Chastre – de Orne ter hoogte van Le Nil

Ondanks de bebouwing is het landschap langs de rivier in zeer goede staat bewaard gebleven. Toch zie ik niet veel voetpaden langs de rivier, eigenlijk vooral tussen Chastre en Mont-Saint-Guibert (Sentier de l’Orne) en in veel mindere mate in Beaurieux en aan de kant van Court-Saint-Etienne. Je komt veel historische watermolens tegen hoewel ik niet weet of er nog één echt werkt. Hier en daar zijn er bevers aan het werk en op één plaats moet je onder de spoorlijn Brussel-Luxemburg door.

De oorsprong van de naam Orne wordt verklaard door de vroegere aanwezigheid van iepen (ormes) ofwel zou teruggaan op een Keltisch woord dat ‘waterloop’ betekent.

De heel mooie landelijke Waalsbrabantse gemeente Chastre aan de riviertjes de Orne en de Houssière ligt iets ten zuiden van Louvain-La-Neuve. Het heet officieel Chastre-Villeroux-Blanmont als de samenvoeging van drie historische dorpen en krijgt vanuit Vlaanderen niet zo veel bezoek denk ik hoewel je er via de E411 (afrit Corroy-le-Grand) zo naar toe rijdt en de trein er op meerdere plaatsen stopt.

Dankzij plaatselijk natuurgids Patricia Cornet (die er alles over weet) ging ik er al enkele keren verkenning en ga ik er zeker nog terugkeren want je vind hier een perfecte combinatie van natuur en erfgoed die ook door de eigentijdse bewoners wel zorgvuldig gekoesterd wordt.

Langs de Orne in Mont-Saint-Guibert – hier komt de rivier aan de brug over de Rue du Nil

De naam staat voor ’Castra’, het legerkamp uit de Romeinse tijd langs de Romeinse heirbaan die in de 1ste eeuw Bavai verbond met Keulen. Dat kamp zou zich onder het huidige treinstation hebben bevonden. De grafheuvel in Cortil-Noirmont herinnert nog aan die tijd en in Villeroux is een Romeinse villa opgegraven.

De 7de eeuw is de tijd van de Merovingers en vanaf het jaar 1100 maakt de streek deel uit van het Hertogdom Brabant en valt op geestelijk vlak onder de Abdij van Gembloux. Het administratief toezicht ligt bij Mont-Saint-Guibert maar in de praktijk wordt de heerschappij uitgeoefend door een aantal plaatselijke feodale ‘seigneurs’ (leenheren) die samen met de abdijen grote delen van de omgeving ontbossen om de gronden voor de landbouw te ontginnen.

De eerste van die seigneurs was blijkbaar ridder Libert de Chastre want die wordt genoemd in 1223 en in 1232. Zijn zoon Arnoul de Chastre wordt genoemd in 1256. In hun tijd behoorde Chastre blijkbaar bij het graafschap Walhain. Uit die tijd hebben we de kastelen, vierkantshoeves en watermolens overgehouden. Maar het is ook de tijd van de burchten en donjons (tours de Sarasins) op de grenslijn tussen het hertogdom Brabant en het Graafschap Namen.

Vanaf 1500 is de streek net als de rest van ons land het onophoudelijk strijdtoneel van plunderende krijgsmachten op doortocht. Het is een tijd van grote armoede waarbij in het begin van de 17de eeuw de gemeenschap ook geteisterd wordt door de pest.

de Orne met blokken kwartsiet van Blanmont

De Franse revolutie brengt het einde van de feodale en religieuze privileges (met ook de in beslagname en verwoesting van paleizen en kloosters) en opent de weg naar de industriële ontwikkeling in deze landelijke streek. Met de aanleg van grotere wegen en de opening in 1854 van de spoorlijn tussen Brussel en Luxemburg dwars door de gemeente wordt de horizon verbreed. Sinds 1855 is er ook een honderd jaar later afgeschafte buurtspoorweg (vicinal) tussen Incourt en Gosselies.

Op het einde van de 19de eeuw moet de streek en Chastre zelf er totaal anders hebben uitgezien dan nu vanwege de vele steengroeven die er uitgebaat worden om kasseien te leveren voor het Belgische wegennet van die tijd en waarover ik het nog zal hebben.

In 1977 worden de dorpen eindelijk verenigd in één fusiegemeente met Chastre, Villeroux, Blanmont, Cortil, Noirmont, Gentinnes en Saint-Géry als onderdelen. Sindsdien is het een rustige en zeer vreedzame plek om te wonen en duidelijk in trek bij de wat meer welgestelden in ons land.

Ik vind dat er wel veel gebouwd wordt en op de duur zal dit het landelijk zicht wel aantasten als de plaatselijke overheid daar geen stokje voor steekt.

‘La Ferme Rose’ in Chastre aan de Avenue de Castillon vlak naast het riviertje de Orne heeft haar naam te danken aan de kleur waarin ze ooit geschilderd was. Bij de restauratie is er blijkbaar fel gediscussieerd om die te behouden als onderwerp van bescherming maar zo te zien hebben de voorstanders het niet gehaald (een foto met een lik verf toont hoe het vroeger moet zijn geweest).

Chastre – La Ferme Rose – bureau de toerisme

De oorsprong gaat terug tot in het jaar 1200. De site was lang de zetel van de Heren van Walhain en van de Chevaliers de Chastre in dienst van de Hertog van Brabant. Andere namen zijn ‘Ferme de Perbais’ en ‘Ferme du Château’. Op een van de gevels op de koer van deze indrukwekkende vierkantshoeve hangt het jaartal 1688. In 1614 koopt de familie d’Onyn de boerderij. Het gemeentewapen bestaat uit twee schilden waarvan het rechtse het wapen van deze familie is (het linkse is dat van de familie Kessel, de heren van Blanmont in de 18de eeuw).

Einde 19de eeuw wordt de familie d’Udekem d’Acoz de nieuwe eigenaar met de familie Raucent als pachter. In 1953 legt een door een elektrische panne veroorzaakte brand de grote schuur in de as en die is nadien nooit meer helemaal opgebouwd. Tien jaar later komt er nog een nieuwe eigenaar die tot 1980 het boerenbedrijf voortzet maar dan koopt de gemeente de site aan om er haar administratief centrum in te vestigen. Het gebouw is beschermd als monument en van buiten haarfijn gerestaureerd, naar mijn aanvoelen zelfs een beetje op het saaie af.

Om de voorkant van de ferme Rose te fotograferen moet je er wel de niet zo fotogenieke enorme tractoren, het opslagmateriaal en een houten schuur van de gemeentelijke technische diensten bijnemen want dat staat allemaal zowat voor de ingang in het zicht. Waarom men een fortuin uitgeeft voor een middeleeuwse restauratie en er dan vervolgens de werkplaatsen pal voor zet gaat mijn begrip nogal te boven. Het getuigt wel dat niet iedereen echt overtuigd is van het nut van het bewaren van erfgoedgebouwen. In het gebouw is ook de dienst toerisme gevestigd.

Chastre – Ferme Rose – huis voor de gastarbeiders uit Vlaanderen – al wat rest van de vroegere burcht

Op de site staat nog een ietwat uit de toom vallend gebouw – het Maison des Flamands – waar blijkbaar tussen 1850 En 150 Vlaamse seizoens-landarbeiders werden gehuisvest die kwamen helpen met de suikerbieten en andere oogsten. Het was min of meer comfortabel maar wel nogal ‘hard’. In Vlaanderen stoppen we tegenwoordig zulke arbeiders in gammele caravans heb ik gemerkt want zoveel aardiger zijn we niet geworden.

Bij wijze van paradox is dit in kwartsiet van Blanmont opgetrokken maison het laatste overblijfsel van de middeleeuwse burcht van de Seigneurs van Chastre. In de oude teksten wordt het ‘Tour’ genoemd en het is na de Tour des Sarrasins het oudste gebouw in de omgeving (13de eeuw). In de 18de eeuw werd het verlaten want de Seigneurs verhuisden naar Brussel of Leuven. De pachter-boer van de kasteelhoeve was in het complex zelf gevestigd.

Dwars over de koer van de ferme Rose kom je langs de Drève des Prisonniers de Guerre en het monument voor de gesneuvelden uit de Eerste Wereldoorlog.

En vandaar gaan we naar de rivier via een heel mooie kleine amfibiepoel met een fantastische haagbeuk, een serie knotwilgen en een infobord over alles wat hier tussen de Avenue Castillon en het spoorviaduct enkele honderden meters verderop te zien is aan natuurzaken en het belang daarvan.

La Ferme Rose – langs de Orne – Mare de Chastre

Vanuit de langs denderende sneltrein tussen Brussel en Namen ga je er niets van zien maar je staat hier midden in een heel charmant natuurlandschapje waar de rivier met vele kronkels naar de dichtstbijzijnde watermolen stroomt, le Moulin du Godeupont.

Blijf even staan bij het infobord over deze ‘Mare de L’Orne’ want de gemeente maakt er werk van om hier de moerasnatuur te behouden maar ook om de voetganger de kans te geven er van te genieten. Vanaf de monumentale haagbeuk aan de kleine vijver kan je het kaarsrechte ‘Sentier du Bois’ met de knotwilgen volgen bovenlangs de rivier, je kan zelfs door de weide gaan maar dan moet je oppassen voor de stier die daar op graast (dus dat is af te raden!) maar ik ga liever zo dicht mogelijk langs het water en tussen de bomen.

Lange tijd was hier een paradijs gevestigd voor bevers met spectaculaire dammen, massa’s afgeknaagde bomen en een ferme verhoging van de waterspiegel. Volgens mij kon (kan) dat allemaal in deze omgeving helemaal geen kwaad maar vanwege protesten van een lokale boseigenaar maar vooral op aandrang van de Infrabel zijn al die dammen opgeruimd met de bewering dat ze het even verderop gelegen spoorviaduct in gevaar zouden brengen.

Bevers zijn officieel beschermde dieren maar in de praktijk stelt dat nergens heel veel voor heb ik gemerkt en worden ze bij de minste klacht uit hun woonplaatsen verdreven tenzij er burgerinitiatieven op gang komen om dat te voorkomen. Ik snap eigenlijk nooit waarom beheerders van waterlopen zich niet verdiepen in de beschikbare natuurtechnieken om bevers in bedwang te houden zonder ze te verjagen.

Chastre – haagbeuk aan de vijver achter la Ferme Rose0

Gelukkig is er ook een gloednieuw klein herbebossingsproject te zien op de helling boven het Sentier du Bois met een hele reeks van bomen-van-bij-ons.

Aan het einde kan je op links een kijkje nemen aan het witte kapelletje gewijd aan St Ghislain en Sainte Rita. Ik vind het niet op de lijst van Waardenvol Bouwkundig Erfgoed maar het dateert uit het einde 18de/begin 19de eeuw. Sainte Rita is voor de wanhopigen en St Ghislain doet wonderen om stuiptrekkingen bij kinderen te genezen.

Wij gaan echter rechts onder het spoorviaduct door, steken de Orne over en komen aan de Rue des Trois Ruisseaux bij een massief gebouw dat bekend staat als de Moulin de Godeupont (of Moulin de Blanmont want zo heet deze deelgemeente van Chastre).

Hoeveel watermolens er op dit riviertje staan moet ik nog uitvinden maar op het grondgebied van de fusiegemeente Chastre alleen al staan er blijkbaar al acht en of er behalve le Moulin Dussart op de Houssière nog een werkt weet ik niet.

De molen van Blanmont wordt voor het eerst vernoemd rond het jaar 1100 als eigendom van de abdij van abt Liethard de Gembloux. Daarna is hij de banmolen (moulin banal) van de Heren van Walhain. In 1544 bedraagt de pacht 18 karolusgulden en 18 mudden rogge. De molen diende altijd als korenmolen maar in de gezaghebbende databank van Molenechos vind ik een hoogst opmerkelijk bericht dat hij voor en in de tijd van het Franse bewind ook gebruikt zou zijn om buskruit te produceren. Van de Cercle Historique in Chastre heb ik begrepen dat deze informatie pertinent verwarrend onjuist is in die zin dat hij niet slaat op de Moulin du Godeupont maar op Le Moulin al Poudre waar we nog langs zullen komen. 

Chastre-Blanmont – Le Moulin Godeupont

De stuw is buiten gebruik en totaal overgroeid. De rivier stroomt nu ongehinderd door het stuwkanaal dat vroeger moest dienen om te vermijden dat het water te hoog zou worden opgestuwd wanneer er niet gemalen werd. Het metalen bovenslag waterrad is nog zichtbaar maar alle houten onderdelen zijn weggerot.

Het goede nieuws: al het binnenwerk – met inbegrip van de stenen maalkoppels – er nog is en zelfs gedeeltelijk gerestaureerd. Einde 19de en begin 20ste eeuw is de molen lang de eigendom van de familie d’Udekem d’Acoz. In 1930 wordt hij verkocht aan (de laatste) molenaar Ferdinand Fre(n)net. In 1946/47 is hij nog in bedrijf maar dan valt hij stil.

Op de Inventaire du patrimoine culturel immobilier staat de molen beschreven als ‘Bien inscrit comme : Monument’ maar hoeveel deze bescherming waard is ben ik niet zeker. De huidige eigenaars-bewoners Agnes en haar echtgenoot Jean-Pierre Draye-Decelle zijn geen molenaars maar hebben het gebouw wel mooi en met veel liefde opgeknapt waarbij ze de maal-installatie zelfs in hun leefruimte hebben geïntegreerd.

Het Château de Blanmont in Chastre aan de Rue du Château is samen met de Moulin du Godeupont het opmerkelijkste gebouw in dit deel van de gemeente. De oorsprong gaat terug tot in de 13de eeuw wanneer het goed de eigendom is van een zekere Jacques de Blanmont (Walhain). In de 15de eeuw wordt het Seigneurschap uitgeoefend door de familie Jupplu die ook de baas is in het nabijgelegen Noirmont.

Chastre-Blanmont – le Moulin Godeupont – het rad is enigszins overgroeid

In de databank van Echarp lees ik het volgende: ‘En 1607-1619, Blanmont appartenait à Jean de Cissel ou Kessel, dont le père en avait fait l’acquisition de la dame de Ligny. Guillaume de Kessel, qui opéra, le 16 mai 1661, le relief d’une prairie tenue à cens de la cour allodiale de Mont-Saint-Guibert, épousa Anne de Roly, fille de Charles, seigneur de Corroy-le-Grand, et fit bâtir à Blanmont « un bon et fort château », qu’il laissa à son fils, Nicolas-Joseph. Sa descendance s’étant éteinte, la seigneurie passa à une autre branche de la même famille, les Kessel de Watermael. Joseph-Guillaume, créé baron de Kessel le 20 janvier 1751, appliqua son titre sur la terre de Blanmont, qu’il laissa à son fils aîné, Joseph-Benoît-Casimir-Hyacinthe (relief du 5 juin 1779), mort en 1780. L’héritage des Kessel a été morcelé et aliéné. Blanmont, après avoir appartenu à un M. Laloux, est devenu la propriété de M. Alexandre Namèche.’ Nadien is de eigendom blijkbaar nog overgegaan naar Everaert de Velp, een naam die we hierna nog zullen tegenkomen.

Op de Ferrariskaart zie je de site heel mooi afgebeeld met veel meer gebouwen dan dat er nu staan. Daar kan je ook zien dat waar nu de spoorweg is het terrein in die tijd nog flink moerassig was: vandaar de naam van het nu kurkdroge akker-voetpad van de Moulin du Godeupont naar het kasteel – Sentier du Marais.

De gedeeltelijk bewaarde muur rond het parkdomein is gebouwd met plaatselijk gedolven kwartsiet en op de foto’s zie je wel dat er enig restauratiewerk nodig is.

Chastre – Blanmont – de afgebrokkelde muur van het Château

Het in de 19de eeuw heringerichte woonhuis stamt nog uit de Kessel-tijd maar de poort met vleugels dateert uit het midden van de 18de eeuw. Aan welke familie het wapenschild boven de poort toebehoort weet ik nog niet (wie helpt?). Vanaf 1863 stond er ook nog een suikerfabriek op het terrein met Victor Docte als directeur. Het château is ‘ingeschreven als monument’ op de Waalse inventaris van waardenvol bouwkundig erfgoed maar het is niet echt ‘geklasseerd’.

In onze tijd is het nog altijd een privé-woonst en je wandelt er dus niet zomaar naar binnen. Het is mooi en stijlvol gerestaureerd. Het park met de vijvers dat je nu ziet wordt in 1895 aangelegd door de landschapsarchitect Edouard Galoppin. De monumentale beuken, haagbeuken en kastanjes kan je van ver zien als je over de afgebrokkelde domeinmuur kijkt.

Maar om de ingang van de ijskelder te vinden moet je binnen die muur zijn. Hoe het er precies heeft uitgezien bij de aanleg heb ik nog niet uitgevonden omdat ik niet beschik over de bij de bronnen vermelde inventaris van Tarlier en Wauters maar het is duidelijk in de Engelse landschapstijl zoals in die tijd de mode was.

Op de topografische kaart van 1904 zijn geen details te zien en ook niet op de kaart van 1939. Op die beide kaarten staan geen vijvers van betekenis aangegeven wat vreemd is want op oudere kaarten zijn die er wel, zij het in heel andere (rechthoekige) vormen dan vandaag en ook gedeeltelijk op een andere plaats. Op die oude kaarten staan er ook veel meer gebouwen.

Chastre – Château de Blanmont

Een grote en een kleine vijver zie ik voor de eerste keer op de kaart van het Ministerie van Openbare werken van 1950. Die kaart geeft wel heel helder de contouren van het domein weer. Je ziet de rivier door het domein kronkelen met enkele charmante bruggetjes en de muur in Blanmonts kwartsiet.

De oude bomen zijn inderdaad wel heel indrukwekkend. Sommige beuken zijn volgens mij ooit geplant als ‘bundelbomen’, dat wil zeggen als jonge boompje zowat tegen elkaar zodat de stammen door de jaren heen tegen en in elkaar gegroeid zijn waardoor de boom er extra dik uitziet. Een aantal ervan doet het nog heel goed maar anderen vertonen toch wel ouderdomskwetsuren.

Een van kastanjes (of is het toch een haagbeuk?) is zelfs helemaal hol en dichtgemetseld met een muurtje dus ik vermoed dat hij een van de eerstvolgende zware stormen niet zal overleven. Een reusachtige beuk is kennelijk niet heel lang geleden omgevallen. Enkele robinia’s tonen ook de reusachtige knobbels die zulke bomen krijgen naarmate ze toegestaan worden om op leeftijd te komen.

De tennisbaan is al heel lang niet meer gebruikt en is eigenlijk vooral vanwege het hek er rond goed te onderscheiden van de grasweiden met brave rijpaarden. De mooi gemetselde ijskelder is ook al een hele tijd niet meer in gebruik zo te zien.

Een groot deel van het park is bebost maar aan de Rue du Château is een deel van het park ingenomen door een niet meer zo nieuwe maar toch eigentijdse villa met een eigen tuin die niet in stijl is met de rest van het park. Het herinnert me er aan dat wie gesteld is op het bewaren van te herbestemmen erfgoednatuur toch best voorzichtig is met het te verkavelen zonder erfgoed-bewarende voorwaarden.

Chastre – Château de Blanmont – de Orne op het domein met de ijskelder als inzet op deze foto

Van het Château de Blanmont naar Le Moulin Al Poudre in Hévillers aan de Orne op de grens tussen Chastre en Mont St. Guibert is niet zo heel ver. Om er te komen zijn er twee mogelijkheden.

De eerste weg passeert langs de L’Eglise Saint-Martin en dan via de Rue de L’Eglise en het Sentier de la Fesse en de Rue de Bau. Op die route kom je ook langs de mooie 19de eeuwse Villa Bauer met torentjes en op de Waalse inventaris van Waardenvol Bouwkundig Erfgoed ingeschreven als ‘monument’. Behalve de mededeling dat er achter het hek een mooi park is en een beschrijving van het niet-toegankelijke gebouw heb ik nog niet ontdekt door wie het gebouwd is en in welke historische samenhang.

De tweede gaat langs het stationnetje van Blanmont juist op de gemeentegrens met Hévillers (Mont-Saint-Guibert). De trein stopt juist ten zuiden van de Rue de Blanmont (op de kruising met de Rue de la Gare). Tot 1980 stond er daar een mooi klein stationsgebouw (http://www.garesbelges.be/blanmont.htm) maar het witte woonhuis aan de ingang van de veldweg juist over die grens aan de noordkant met de mooie vogel is volgens mij een vroeger stations-café. Waarom dat stationnetje is afgebroken begrijp ik niet goed want er is eigenlijk niets comfortabelers voor in de plaats gekomen.

Chastre-Blanmont – Hévillers – het stationnetje was aan de andere kant – dit is aan de Chemin des Carrières

Die veldweg is het Sentier du Moulin Al Poudre dus vandaar kan je het niet missen. Bij de aanleg rond het begin van de 20ste eeuw heette hij overigens Chemin des Carrières en was er een spoortje om de kasseien van de groeves naar het station te brengen. Onderweg krijg je nog een prachtig zicht op de rivier en de vallei. 

Aan het vreedzame karakter, de mooie natuur en de mooie witte kleur van het voormalige gebouw aan het Sentier du Moulin al Poudre zou je het niet zeggen maar deze etappe voert langs een deel van het dorp dat nog niet zo heel lang geleden het toneel was van grote industriële activiteit. De aanleg van de spoorlijn tussen Brussel en Namen in 1855 en daarna de opening van de belangrijke buurtspoorwegenlijn (Vicinal) tussen Incourt en Courcelles luidt een periode van industriële ontwikkeling in die deze landbouwstreek bijna een eeuw lang een totaal ander gezicht geeft.

Van de suikerfabriek die tussen 1863 en 1940 220 mensen tewerkstelde en die zowat naast het Château de Blanmont gestaan moet hebben we waarschjnlijk alleen nog oude foto’s over. Maar van de 19de eeuwse ‘carrières’ voor de ontginning van de ‘kwartsiet van Blanmont’ in het nabijgelegen rotsachtige gebiedje dat op de kaart vermeld staat als ‘Les Montagnes’ zijn voor de aandachtige toeschouwer behalve oude foto’s nog wel wat littekens te zien.

Onderlangs de rotsachtige hellingen komen hier drie riviertjes samen waarvan de Orne uiteraard de belangrijkste. De andere twee zijn de Ri des Lovières en de Nil. Over de steengroeven ga ik het nog hebben maar vandaag is de streek bezaaid met residentiële woningen. Op een van de foto’s zie je vanaf een brug aan de Rue de Bau over een diepe holle uitgehakte weg zo’n villa midden in een oude steengroeve staan (Rue de Bau nr.24, mooi te zien op de carte des travaux publics van 1950). Op diezelfde weg staat ook nog de 19de eeuwse villa Namèche, een nogal vierkant gebouw uit 1893.

Chastre – Blanmont – Rue de Bau 18 – vlilla Namèche

Le Moulin Al Poudre – aan de Orne rechts langs de spoorlijn, maar juist over de gemeentegrens tussen Chastre – Blanmont en Mont-Saint-Guibert – Hévillers wordt voor het eerst genoemd in 1608 in een proces van de Kasteelheer van Blanmont tegen de dan blijkbaar nieuwe eigenaar van de molen, de burgemeester van Mechelen(!). Waarover dat proces ging weet ik nog niet. Op de Ferrariskaart staat hij als Moulin Delval maar dat is kennelijk een vergissing want die bevindt zich nog een eindje verder stroomafwaarts aan de Tour Dalvaux.

De naam ‘Al Poudre’ zie ik voor het eerst op de kaart VanderMaelen van 1846. Rond de oorsprong van die naam hangt een waas van geheimzinnigheid. Het is een korenmolen met ingebouwd bovenslag waterrad maar in alle bronnen die ik vind staat dat hij in 1815 door de troepen van Napoleon Bonaparte gebruikt zou zijn als munitiedepot en dat om die reden de term ‘Al Poudre’ aan zijn naam werd gehangen. Bron van deze bewering is blijkbaar een in 1993 verschenen artikel in de brochure “Itinéraire d’une rivière brabançonne” uitgegeven door de Société Royale Belge de Géographie et l’Administration Communale de Chastre maar die brochure heb ik niet.

Sinds enkele jaren wordt door mensen die het kunnen weten in Chastre gezegd dat dit een slechts een populair geworden legende is waarvan de echtheid door geen enkel archiefdocument wordt aangetoond. Volgens de Cercle Historique kom de naam ‘Poudre’ komt blijkbaar al voor in 1787 en is die afkomstig vanwege het malen van eikenschors voor de leerlooierijen van Waver.

Chastre – l’Orne tussen le Moulin Godeupont en le Moulin Al Poudre

Zoals ik hierboven echter al gezegd heb in het tekstdeel over Le Moulin du Godeupont bevat de databank van Molenechos echter de volgende opmerkelijke passage met een citaat uit een document waarvan de echtheid wel lijkt vast te staan en dat in werkelijkheid betrekking heeft op Le Moulin al Poudre:

“in 1789 was de watermolen tevens ingericht als kruit- of poedermolen. Deze werd in juli van dat jaar te koop aangeboden. In de Gazette van Gend verscheen in juli 1789 niet minder dan 5 keer de volgende advertentie: ‘Men presenteert te koopen zekeren Poeder- ofte Kruyd-Molen, gelegen tot Blamont, twee meylen van Waver, bestaende in eene groote opene plaetse, welkers omloop wel bebouwd is, eenen Water-Molen met vier Steenen, eenen Polister-Molen met alle de betrekkende Gereedschappen en het Geheym tot het fabriqueeren van dit Kruyd, Pakhuizen en eene schoone Wooninge met Hof voor den Bestierder, met noch een stuk Land, daer tegen gelegen, te samen groot ontrent twee bunderen, alles ten pryze van 14000. guld. Wisselgeld. De gene die daer toe genegen zyn, konnen hun begeven by Sr. Knapen op de groote Merkt tot Brussel, woonende by Sr. Pauwels, Boekdrukker.’  Opvallend is dat het fabrieksgeheim mede werd verkocht!. Deze poedermolen werd voor 1830 verwijderd maar de korenmolen bleef in werking.”

Voor wie zich vragen stelt over ‘het geheim van de productie’  van een explosief goedje als buskruit in een historische watermolen heb ik uit een goede bron laten vertellen dat het in dit geval gaat om ‘zwart’ buskruit dat tot in de 19de eeuw bestond uit een poeder (sas) met een welbepaalde samenstelling (zeer nauwkeurig maar de details geef ik je niet) van salpeter (gewoonlijk kaliumnitraat), houtskool en zwavel,  of als zwavelloze mengeling van kaliumnitraat met houtskool.

(Chastre) Hévillers – le Moulin al Poudre

Als alle ingrediënten fijn gepoederd en vermengd zijn, heet het mengsel green powder of slangenpoeder; het mengsel verbrandt traag en laat veel residu achter. Als het mengsel nog een paar uur met een kogelmolen wordt gemalen, heet het resulterende heel fijne poeder ‘meal powder’ (letterlijk: ‘meelkruit’). Dit is zeer brandbaar en prima bruikbaar voor uitstootladingen in raketten en vuurpijlen; bovendien laat het vrij weinig tot geen residu achter. Vooral het salpeter, oorspronkelijk uit mestkelders en dergelijke gewonnen, was schaars en moest deels gewonnen worden uit ‘salpeterbedden’ van mestrijke aarde met urine rond boerderijen. De grondstoffen moeten zeer zuiver zijn en vanwege de instabiliteit van het mengsel was het er mee omgaan bijzonder gevaarlijk en werden voor het vervoer speciale troepen ingeschakeld. Op het einde van de 9de eeuw is het rookzwak buskruit ontwikkeld dat bestaat uit cellulosennitraat en glycerinenitraat en sindsdien in allerlei vormen in de hedendaagse munitie gebruikt wordt.

Het feit dat dit in het oud-Vlaams gestelde document ten onrechte is toegeschreven aan Le Moulin du Godeupont in plaats van aan Le Moulin Al Poudre kan de oorzaak zijn van het ontbreken van bewijs voor het gebruik van de laatstgenoemde molen als buskruit-producent maar het woord ‘kruyd’ met de toevoeging ‘geheim van fabricatie’ wijst toch wel sterk in deze richting en niet op kruiden (planten, specerijen) in de botanische zin. En gezien de oorlogszuchtige atmosfeer op het einde van de 18de eeuw was er zeker vraag naar explosieven. (Toegang tot de Gazette van Gend is mogelijk via de Ugent bibliotheek (https://lib.ugent.be/catalog/ser01:000289548).

Chastre – Moulin al Poudre – de spaarvijver

Of dan bijna twintig jaar later in 1815 aan de vooravond van de Slag bij Waterloo de troepen van Napoleon Le Moulin Al Poudre dan ook gebruikt hebben voor de productie of opslag van dit poeder is uiteraard nog een heel andere vraag waar ik geen antwoord op kan geven. Volgens de Cercle Historique van Chastre is dit niet het geval. Op oude kaarten zie je echter wel dat er in die tijd in de omgeving Franse troepen waren gelegerd om vandaar naar het slagveld op te trekken. En als dat inderdaad het geval was zullen die toch zeker niet anderen dan zichzelf hebben toegelaten tot de buskruit-productie in deze molen vermoed ik. Maar evenzogoed werd er in die tijd hier helemaal geen buskruit meer geproduceerd.

Om de legende dus definitief uit de wereld te helpen (als je dat zou willen, waarom eigenlijk?) lijkt me verder onderzoek nodig. Voor 1824 staat aan de overzijde van de rivier nog een olie- en hennepbreekmolen (een ‘stordoir’) maar die wordt in 1861 afgeschaft. In 1865 wordt er een brouwerij bij gebouwd en het daar geproduceerde bier is bekend geworden als de oorsprong van de ‘Vieux Temps’ van de Brasserie Grade in Mont St. Guibert. 

In 1884 wordt de molen verbouwd tot de vijf bouwlagen van vandaag en met twee metalen waterraderen. Van voor 1830 tot ver in de twintigste eeuw is het de stek van de molenaarsfamilie Everarts. De molen maalt tot in 1940.

Sinds 1953 is hij ingericht als woning en zijn de indrukwekkende moleninrichting (twee staande en vier liggende steenkoppels) en raderen jammer genoeg verwijderd. In de jaren 1970 wordt hij omgebouwd tot een centrum voor feesten, nadien zijn er appartementen gekomen en in 2007 is er nog een hypermoderne nieuwe ontvangstruimte van 300 vierkante meter aan toegevoegd.

Moulin al Poudre – Gele kornoelje

Samen met de vijver en het park er omheen is het een mooie maar wel nogal merkwaardige eigentijds gerenoveerde site. Ondanks alle verbouwingen is de molen op de Waalse Inventaris van Waardenvol Bouwkundig Erfgoed ‘inscrit comme monument’.

Het hagelwit geverfde gebouw is niet toegankelijk maar langs de achterkant zie je over de heg een (in maart bloeiende) gele kornoelje die driehonderd jaar oud zou zijn. Vanaf hier ga ik richting waterzuiveringsstation, steengroeven en de Tour des Sarrasins.

Om van de Moulin al Poudre op de grens tussen Hévillers (Mont-Saint-Guibert) en Blanmont (Chastre) naar de Tour des Sarrasins te komen kan je het pad langs de Orne nemen onderlangs spectaculaire kwartsietwanden. Vandaag volg ik echter het landelijk ‘sentier’  langs de spoorweg , de holle weg langs de Colline de Penuel en het Station d’épuration de Chastre’. Een reiger staat te slapen in de wei, verder is er niemand te zien. Onder het spoorwegviaduct daveren enkele treinen voorbij. Aan de overkant van dat viaduct gaat ook een sentier richting Château de Bierbais maar dat ziet er op de kaart niet zo aantrekkelijk uit.

Ik duik de holle weg naar rechts in  langs een bord dat me vraagt om stil te zijn. Op en achter de helling ligt de Colline de Penuel verborgen, de eigentijdse versie van een ‘heilige woestijn’ (zoals in Nethen het domein Savenel) ofwel een plek voor stilte, gebed en afzondering. Bezoekers, zowel ‘passants’ als pelgrims zijn welkom maar wel graag na voorafgaandelijke aanmelding. Op hun website lees je er alles over.

Moulin Al Poudre aan de spoorlijn Brussel – Luxemburg

De holle weg staat op de kaart aangeduid als ‘Rue du Gros Chêne’, genoemd naar de plaatselijke majestueuze zomereik. Omdat hij waarschijnlijk op een veldje juist verborgen staat achter struikgewas heb ik hem nog niet gezien.

Aan het einde van dit pad komen we terug aan de rivier op een veel prozaischer plek, le Station d’épuration de Chastre, tussen alle kastelen, molens en hoeves sinds zijn oprichting in 2008 (?) misschien toch wel een van de belangrijkste bezienswaardigheden hoewel je het bij het toeristisch aanbod niet zal vinden denk ik.

Ondanks zijn naam bevindt het station zich juist op het grondgebied van Mont-Saint-Guibert. Het moet  het huishoudelijk afval van zo’n 10.500 mensen zuiveren voordat het water op de rivier de Orne kan worden geloosd. Dat wordt aangevoerd via ondergrondse leidingen vanuit collecteurs en verzameld in een op een diepte van 7,7 m onder de installatie aangelegde gracht. De capaciteit bedraagt per dag 1890 m³ en als bij zware neerslag de aanvoer te groot is gaat het naar een bassin d’orage met een inhoud van 1050 m³. Maar als dat vol is moet het teveel met een overstort rechtstreeks naar de rivier afgevoerd worden. Of dat vaak gebeurt vertelt de brochure niet maar bij de huidige klimaatontwikkelingen is er reden voor bezorgdheid denk ik.

Iedere druppel afvalwater brengt 36 uur in het station door voordat hij naar de rivier gaat volgens een procedé dat voldoet aan de hoogste Europese normen om alle koolstofhoudende, stikstofhoudende en fosforhoudende materialen te verwijderen. Een deel van het afval wordt naderhand verwerkt tot mest en ter beschikking gesteld aan de boeren: per jaar 371 ton droge stof ofwel 82 containers.

Mont-Saint-Guibert – Station d’épuration de Chastre

De bouw en inwerkingstelling heeft ongeveer 4,6 miljoen euro gekost en vanwege de hoge natuurkwaliteit van de omgeving (natura 2000) hebben de architecten zoveel mogelijk gebruik gemaakt van de ondergrond om de installaties te verbergen en is ook bovengronds zo onopvallend mogelijk gebouwd. En ik moet toegeven dat je er inderdaad nogal weinig van ziet, ook al vanwege een alles omringend groenscherm. Er zijn bezoekmogelijkheden en maar daarvoor contacteer je best zelf de op het bord vermelde email denk ik.

Om van de Moulin al Poudre op de grens tussen Hévillers (Mont-Saint-Guibert) en Blanmont (Chastre) naar de Tour des Sarrasins te komen je ook het pad langs de Orne nemen onderlangs spectaculaire kwartsietwanden. Vanwege die wanden geniet dat traject wel mijn voorkeur, ook al omdat je dan bijna altijd vlak langs de rivier gaat.

Het eerste stuk gaat langs de buitenrand van ‘Les Montagnes’ door een gebiedje wat vroeger waarschijnlijk deel uitmaakte van de steengroeve maar waar nu een heleboel nieuwe villa’s zijn gebouwd. Het pad gaat achter de huizen langs en er tussendoor en het eerste stuk valt een beetje tegen omdat de bewoners blijkbaar niet zo graag wandelaars een blik op hun achtertuin gunnen en alles hebben afgespannen met hoge hekken en groene plastieken zeilen waar je dan maar tussendoor moet stappen.

Ik vind dat nooit erg sympathiek en zelfs een beetje verdacht maar gelukkig kom je al snel aan het begin van de Rue des Montagnes aan een bruggetje waar Le Ruisseau du Nil uitkomt op de Orne. Over Le Nil beloof ik ook nog een afzonderlijke reportage maar dan moet ik eerst nog meer weten over al die steengroeves die daar langs waren en er ook een bezoek aan hebben mogen brengen om foto’s te maken. Bovendien is er wel een pad langs Le Nil maar er zijn problemen met het recht van doorgang voor voetgangers omdat sommige privé-eigenaars ook al niet houden van wandelaars-natuurliefhebbers langs hun achtertuin en plaatselijke natuurliefhebbers-wandelaars er niet in slagen om zich voldoende te organiseren om hun rechten op te eisen.

Chastre – aan de monding van Le Nil

Waar het fabrieksachtige gebouw aan de brug voor dient weet ik nog altijd niet maar het steekt wel nogal af tegen de groene omgeving. Je bent hier nog altijd op het grondgebied van de gemeente Chastre maar niet lang meer. De Orne is hier een levendig kabbelend bergriviertje van toch al een flinke breedte zo te zien. Tussen de bomen zie je een ijzeren constructie die ooit een stuw geweest moet zijn in de richting van de Moulin d’Alvaux waar we ook nog zullen komen. Een bord van de milieumaatschappij vertelt je dat er hier een collector is voor het huishoudelijk afvalwater. Vanaf de hoge oevers heb je mooi zicht op het achterliggend landschap. In de rivier heeft een visser zich al een mooie plek gebouwd.

Van hier gaan we verder langs het kwartsiet van Blanmont. Als je heel goed op de kaart kijkt zal je zien dat we dan niet meer in Chastre of Mont-Saint-Guibert zijn maar in de gemeente Walhain.

Het kwartsiet van Blanmont in de ondergrond van Chastre en omgeving geldt met dat van Dongelberg en Opprebais (en andere plaatsen) bij kenners als de hardste steen van België. Leken (zoals ik) moeten weten dat het géén stollingsgesteente is maar tot rots gevormde zandsteen onder honderden meters dikke lagen van zand-met-silicium, afgezet door de zee van 500 miljoen jaar geleden. Samengeperst door het eigen gewicht en 100 miljoen later omhoog verticaal omhoog gewrongen door de botsing van tektonische platen tussen continenten is het van chemische samenstelling veranderd tot heldergrijze rots met dikwijls een warme bronzen of roestige kleur en andere tinten veroorzaakt door kristallen of begroeiing (zoals mos).

Chastre Walhain – oude steengroeve aan het riviertje de Orne

Bijna overal is dit ‘Massief van Brabant’ diep verborgen onder het veel later afgezet ‘Brussels zand’. Maar in de door het water uitgeslepen valleien van de Orne en bijrivieren zoals de Nil, de Ri de Lovières en de Ruisseau de Corbais komt het zichtbaar aan de oppervlakte.

Vanaf de middeleeuwen bouwen de mensen er op artisanale of ambachtelijke wijze hun forten, huizen, schuren en bruggen mee en verharden ze de plaatselijke wegen met steengruis of kasseien. In Chastre zijn nog heel oude huizen te vinden die met deze steen gebouwd zijn en bestaat ook de omheiningsmuur van het Château van Blanmont uit dit materiaal. Ook de muren van het ‘seizoen arbeidershuis’ (de laatste resten van de vroegere burcht) op de site van de Ferme Rose zijn ermee gebouwd maar volgens mij zijn de kasseien op het plein van andere oorsprong (?). Ook de onderkant van de Moulin D’Alvaux, de campinghoeve en in Mont-Saint-Guibert de Tour de Bierbais zijn met dit kwartsiet steen gebouwd.

Het meest spectaculaire voorbeeld dat ik ken staat echter juist over de gemeentegrens in Nil-Pierreux  (‘steenachtig”, Walhain) op de camping Val D’Alvaux: de ietwat spookachtige middeleeuwse ‘Tour des Sarrasins’ die daar in de middeleeuwen is gezet als schakel in het systeem van de grensverdediging in die tijd.

Walhain – Camping d’Alvaux – Tour des Sarrasins

Op die toren kom ik terug maar eerst vertel ik nog iets over de industriële ontginning van het kwartsiet in de 19de eeuw in de tijd dat de Belgische wegen voor de eerste keer bestraat worden en de kasseien hun grootste bloeitijd beleven.

Op het einde van de 18de eeuw komen op initiatief van de hoge bestuurders in ons land grootschalige initiatieven op gang om het wegennet tussen de grotere steden te bestraten met kasseien. Dat leidt in Chastre en op andere plaatsen tot de aanleg van echte groeves maar de overgang van artisanale naar grootschaliger industriële ontginning gebeurt in de 19de eeuw.

Aan het begin van die eeuw zijn in Chastre zo’n 10 groeves in bedrijf die in de daarna volgende decennia voortdurend uitgebreid worden in capaciteit en aantal. De steen wordt gebruikt om er mee te bouwen maar de echte massale ontginning loopt evenwijdig met de ‘bekasseiing’ van de provinciale wegen tussen 1840 en 1900. Om je een idee te geven, een van de grotere groeves (Molignias) produceert in 1878 35.000 kubieke meter steen waarvan een derde gedeelte kasseien en de rest grotendeels gemalen of vergruisd.

In die tijd moet zowat heel de omgeving er als een steengroeve hebben uitgezien: vandaar de naam Blanmont vanwege al dat wittige stof om nog niet te spreken van het lawaai en de stank die zo’n productie met zich meebrengt: explosieven, vallende en ratelende zware stenen, vervoer van al dat materiaal.

Chastre – Blanmont – villa in de voormalige steengroeve (Rue de Bau 24)

De grote spoorlijn levert uiteraard een competitief voordeel op maar vanuit sommige groeven worden ook privé-sporen aangelegd (zoals de Chemin des Carrières). Het plaatselijke riviertje de Nil wordt omgelegd. Wie kasseien produceert kan rekenen op ferme subsidies van de hogere overheden en dus investeert de gemeente samen met particuliere ondernemers/notabelen zoveel als ze kan in de uitbating van de groeves om er zoveel mogelijk aan te verdienen. Hoeveel arbeiders er hun dagelijks brood in verdienden en of die er ook rijk van geworden zijn is blijkbaar niet echt gekend.

Op de overgang naar de 20ste eeuw is het sprookje over en uit. De automobiel doet zijn intrede samen met het asfalt en later het beton maar  de vraag naar Blanmont-kwartsiet stort al vroeg ineen, vooral omdat de markt overspoeld wordt met meer bewerkbare kassei-soorten uit groeves in andere streken. De laatste groeve gaat dicht rond 1910, de anderen zijn dan al lang gesloten, sommigen staan onder water.

In de jaren nadien worden die gebruikt om in te zwemmen, anderen dienen als stortplaatsen. De natuur ontfermt zich snel over al dat verlaten erfgoed en in onze tijd bouwt men er villa’s in en over.

De kasseibanen die je in Chastre nog ziet zijn blijkbaar meestal niet gelegd met het kwartsiet van Blanmont maar pas al flink in de twintigste eeuw met de veel goedkopere Quenast-kasseien uit Edingen. Reden tot nadenken over de mens als wroeter en nostalgie alom maar volgens mij zijn er in Chastre niet veel die dit alles heel droevig vinden.

Moulin d’Alvaux

Aan het einde van het pad langs de rotswanden langs de Orne op weg tussen Le Moulin Al Poudre, nog juist in Mont-Saint-Guibert (Hévillers) en de Tour des Sarrasins, juist in Walhain kom je aan de monding van de Ry Corbais aan een groot gebouw recht tegenover de camping dat er uitziet als een echte fabriek. Het is nu een groothandel in geestrijke dranken maar het is de voormalige Moulin d’Alvaux.

Het indrukwekkende bakstenen gebouw is vier verdiepingen hoog. Hij wordt voor het eerst vermeld in 1505 als ban-korenmolen in de kleine plaatselijke heerlijkheid Vaux (betekenis: waar rivieren en beken samenkomen). Hij is tot na 1960 de stek van de molenaarsfamilie Demanet onder wiens beheer de molen in de jaren 1880 sterk verbouwd wordt door het grote gebouw er bij te zetten en het molenrad te vervangen door een turbine. Bij het stilleggen van de molen (wanneer precies weet ik nog niet) zijn turbine en binneninrichting verwijderd, is het gebouw ingericht met privé-appartementen en heeft er zich een drankenhandel gevestigd (Moulin d’Alvaux Covineur).

Het oorspronkelijke molengebouw (?), de stuw en waterval zijn er nog maar die zie je van buiten slechts van een afstand. Plaatselijk is de rivier in het verleden omgeleid of gesplitst om het water naar de molen op te stuwen (la Fausse Orne) en naar het zuiden zie je op de kaart nog de contouren van de voormalige spaarvijver naast het nieuwe waterzuiveringsstation. Op de Ferrariskaart van 1777 kan je min of meer zien hoe een en ander er in die tijd uitzag door in te zoomen naar ‘Moulin Delval’.

Chastre-Walhain – Moulin d’Alvaux

Er is wel een mooie tuin aangelegd en aan de achterkant is een theater. Wat de industriële functie is geweest van het langgerekte verhoogde platform aan de zuidkant weet ik niet. Het gebouw is in heel goede staat. Op de Waalse Inventaris van Waardenvol Bouwkundig Erfgoed is het complex ‘inscrit comme monument’ maar zonder veel commentaar.

 Van hier ga ik verder langs de rivier richting Château Bierbais in Mont-Sant-Guibert. Over de middeleeuwse donjon aan het riviertje L’Orne in Walhain (Nil-Saint-Vincent-Saint-Martin) op de camping d’Alvaux met de naam Tour des Sarrasins gaat het volgende stukje.

De Tour des Sarrasins in Nil-Pierreux (Walhain) staat midden op de Camping d’Alvaux tussen de Orne en een beekje La Fausse Orne. Doe nog één stap en dan sta je plotseling in Chastre (Orne stroomopwaarts) of Mont-Saint-Guibert (stroomafwaarts). Hier sta je niet alleen zowat op het geografisch middelpunt van België maar ook terug in de 12de eeuw.

In 1199 verkoopt abdis Berthe de Nivelles aan de machtige kasteelheer Arnould (II) van Walhain een moerassig en onbebouwd stuk grond tussen rivier en beek. Deze laat daar de donjon bouwen samen met een watermolen en een schuur om er een deel van zijn familie te huisvesten. Hun afstammelingen verkopen het domein in 1472 maar waarom en aan wie verklappen mijn bronnen niet, noch wat er daarna mee gebeurd is dus wie dat weet mag het graag zeggen. De camping dateert van 1970.

Walhain – Camping d’Alvaux met de Tour des Sarrasins juist nog op rechts in net beeld. Het campinggebouw is een sterk verbouwde versie van de rond 1200 gebouwde schuur die bij de toren en de watermolen hoort

Het hoge gedeelte van de voormalige 18de/19de eeuwse hoeve met de muren in kwartsiet van Blanmont staat samen met de toren op de Waalse inventaris van Waardenvol Bouwkundig Erfgoed als ‘inscrit comme monument’ en ‘geklasseerd’. De dikke muren van de toren zijn van kwartsiet van Blanmont en kalkzandsteen van Gobertange. Er zijn vijf verdiepingen, twee open haarden, enkele vensteropeningen, schietgaten, een wc en een kelder. Van binnen zou er een trap zijn. Het dak is er niet meer en of er ooit een gracht rond is geweest is niet bekend.

Het indrukwekkende geheel is jammer genoeg vervallen hoewel het sinds 1989 beschermd is als monument. Er wonen kauwen en duiven in en in het metselwerk zie ik een boom uitsteken. Als woning zal de donjon nooit geriefelijk zijn geweest denk ik maar als burcht heeft hij al die eeuwen overleefd dankzij het opmerkelijk zorgvuldige metselwerk van die tijd.

De naam ‘Sarrasins’ is een raadsel maar het was wel de tijd van de ridderkruistochten tegen de ‘moordlustige Saracenen’ en misschien was de term dan wel een synoniem voor ‘vijanden’ in het algemeen (niets nieuws onder de zon). Overigens betekent het woord in het Frans ook zoiets als ‘koren’ of ‘boekweit’. Soortgelijke donjons in deze omgeving (Tour de Griffon in Corbais en Tour de Bierbais in Mont-Saint-Guibert) heten ook ‘Tour des Sarrasins.

Walhain – Camping D’alvaux – Tour des Sarrasins

Deze torens staan allen op de historische zuidgrens van het hertogdom Brabant en dienden om de vijandelijke Graaf van Namen tegen te houden. Volgens de legende staan ze ondergronds met elkaar in verbinding alsook met het grote kasteel in Mont-Saint-Guibert. Wie durft bewijzen dat dit niet waar is?

Van hier gaan we verder langs het sentier de l’Orne richting Mont-Saint-Guibert. Op stap langs deze rivier raak ik nogal eens in de war met de grenzen van de aan het riviertje liggende fusiegemeenten. De oprijlaan naar de Moulin Al Poudre vertrekt nog juist in Chastre-Blanmont maar het domein zelf ligt al in Mont St. Guibert-Hévillers. De Camping en le Moulin d’Alvaux met de Tour des Sarrasins liggen samen met de Ry de Corbais en le Nil op het grondgebied van Walhain.

Voor de wandelaar-natuurliefhebber die de rivier de Orne volgt van de Tour des Sarrasins naar de Tour de Bierbais geeft dat allemaal niet want je volgt gewoon het water langs het aangegeven ‘sentier de l’Orne’. Als ik het goed heb ligt dat pad tot aan de brug aan de Rue du Nil in Walhain maar de oever aan de overkant van de rivier is vanaf het einde van de camping alweer Mont-Saint-Guibert.

Als je iets meer wilt weten over de historische gebouwen waar je langs komt is het verwarrend want de erfgoeddossiers vind je voor iedere gemeente en zelfs per deelgehucht (‘unité) afzonderlijk dus dan moet je die historische grenzen op de kaart van nu goed weten te vinden. Ik heb trouwens gemerkt dat de bewoners zelfs nogal gesteld zijn op een preciese aanduiding van de plek waar ze wonen, misschien een erfenis uit de tijd van de met elkaar rivaliserende plaatselijke ‘seigneurs’?

Kwartsiet van Blanmont – Oude steengroeve boven de camping d’Alvaux in Walhain

Aan het pad achterlangs de Camping vanaf het bord ‘la Fausse Orne’ zie je tussen de bomen aan de rotswanden wel de resten van steenhakkers-activiteiten. Op de kaart staat ‘Scavées du Sart’ en ‘Bief d’Alvau’, woorden waarvan de betekenis mij niet heel duidelijk is (wie helpt?). Ik denk dat de toren gebouwd is met stenen uit deze muur en dat er sinds die tijd nog veel gewerkt is in deze groeve. Het zicht op de camping is van hier niet heel boeiend maar boven de caravans rijst de toren altijd hoog op.

Na de camping dalen we terug af naar de Orne die we volgen door een bosachtige moerasomgeving met vele vissersplekjes langs de rivier. Op veel plaatsen staan bordjes om je duidelijk te maken dat je hier niet zomaar je hengel mag uitwerpen maar om foto’s te maken tot in de rivier zijn die plekjes wel gemakkelijk.

Aan het bord Sentier de L’Orne bij de brug aan de Rue de Nil nr.53 staat een geheel overgroeide vrij grote kapel zonder enige aanduiding met een deur die zo te zien ook al lang niet meer openging. Binnenin zie je in de duisternis een donker Mariabeeld. Plaatselijke mensen wisten er niets over maar ondertussen heb ik het erfgoeddossier gevonden (de kapel staat juist in Mont-Saint-Guibert) en daar lees ik dat boven de deur van La Chapelle Notre Dame de Hal een inscriptie zou moeten zijn met het jaartal 1908 maar dat het gebouw zodanig overgroeid is dat je dat niet kan lezen.

Het bakstenen gebouwtje is ‘inscrit comme monument’ maar wie het gezet heeft en waarom staat er niet bij. Notre Dame de Hal is een heel beroemde zogenoemde ‘zwarte (maar lieflijke) madonna’. Haar bijstand wordt onder meer ingeroepen om te genezen van zeer zware ziektes.

Mont Saint Guibert – Sentier de l’Orne – la chapelle Notre Dame de Hal – aan de Rue de Nil

Aan het hekje ga je opnieuw de rivier-natuur in van Walhain en volgens het blauwe bordje ben je hier op de officiële pelgrimsweg naar Santiago de Compostela.  Het pad heet hier officieel ook le Chemin de St.Jacques de Compostelle maar ik ben er nog geen pelgrims tegengekomen.

We volgen het verder tot en na de tunnel onder de spoorweg. Gelukkig dat ze hier niet op elke grensovergang nog tol heffen zoals dat in het verleden wel gebruikelijk kan zijn geweest.

Na de tunnel onder de spoorweg komen we op de Rue du Nil waar we aan de brug ook al weer een kapelletje tegenkomen. Tegen die tijd zijn we alweer een tijdje vanuit Walhain de grens overgestoken naar Mont-Saint-Guibert. Als je op de kaart kijkt dan zie je dat de omgeving hier nogal sterk bebouwd is maar vanaf het wandelpad zie je daar niet veel van omdat de oevers blijkbaar zorgvuldig vrijgehouden worden van de verkavelingsdrift. Hier en daar gaat het aan de rand van een weide maar meestal stap je vlak langs de rivier tussen de bomen.

De rivier is hier al flink breed met stroomversnellingen maar niet diep. Er zijn even geen watermolens te zien en dat maakt dat de stroom nergens is rechtgetrokken maar gewoon zijn natuurlijke kronkels volgt. Ik vind geen berichten over overstromingen en dat valt eigenlijk ook op in vergelijking met andere rivieren en riviertjes in het stroomgebied van de Dijle en de Dyle.

De natuur wordt hier duidelijk goed in stand gehouden. Volgens Le Contrat de Rivière Dyle et Affluents – de organisatie die dit deel van het stroomgebied van de Dijle opvolgt – is de kwaliteit van het water op dit traject nog altijd maar ‘middelmatig’ maar het is wel helder en er zit duidelijk veel vis op zo te zien aan de vele vissersborden. Het valt mij ook op dat ik weinig afval in en naast de rivier zie.

De Orne – Pêche Privée

Ik slaag er echter niet in om te ontdekken of en zo ja welke stukken van deze rivier – behalve aan de bron – zijn opgenomen in het Europese natuurbeschermingsnetwerk Natura 2000 of in andere Belgische of Waalse beschermingsregimes. Maar ik geef toe dat ik moeite heb om mijn weg te vinden in de Franstalige natuurbeschermingswebsites.

De dubbele spoorwegtunnel is wel een spectaculaire doorgang en vanwege de duisternis ook een beetje geheimzinnig. Je ziet ze nauwelijks maar boven je hoofd razen de treinen voorbij op weg naar Brussel of naar Namen en Luxemburg. Van mij mogen ze, ik ben liever hier langs het water om te luisteren naar het gekabbel tussen de stenen.

Op de Rue du Nil: Terwijl de rivier onder de straat rechtdoor gaat moeten wij hier even rechtsaf om enkele honderden meters verder opnieuw een smal pad tussen de huizen naar links te nemen, nog altijd aangeduid met die blauwe bordjes van Santiago de Compostela dus het is niet moeilijk te vinden. Op de kaart is het aangeduid als ‘sentier 40’.

Het witte kapelletje aan de brug is echt zo’n typisch klein oud familieheiligdom wat in Wallonië nog overal gekoesterd wordt. In het erfgoeddossier lees ik dat de ‘potale’ is ‘inscrit comme monument’ maar verdere details ontbreken. Zoals al dit soort kapelletjes is het ferm afgesloten met ijzerwerk om diefstal tegen te gaan maar een vriendelijke dame maakt het speciaal voor mij open voor een foto van het mariabeeldje.

Aangekomen op de Rue des Tilleuls staan we aan een met bloemen versierd brugje aan de plek waar La Houssière uitkomt in de Orne. De Houssière ken je al van mijn reportage over Le Moulin Dussart in Chastre-Gentinnes. Die komt hier aan vanuit het zuiden  maar je ziet er weinig van want hij stroomt door het privé-domein van het Château de Bierbais.

Mont-Saint-Guibert – Walhain – het riviertje de L’Orne laat zich niet tegenhouden, ook niet door de spoorlijn

De Orne zelf gaat verder naar het westen via een grillig traject tussen en hier ook onder de huizen richting Beaurieux en voor de natuurliefhebber ziet het er op de kaart even niet zo aantrekkelijk uit. Op de kaart zie ik dat er wel nog een drietal zuiveringsstations zijn en ook dat er water wordt opgepompt maar er is nergens een wandelpad langs het water.

Aan de brug hangt ook een bord met de wat raadselachtige aanduiding Ry de la Fontaine aux Corbeaux. Op de kaart zie je dat die beek een 750 meter verder naar het noordoosten (richting Corbais) ontspringt in een sinds de tijd van Ferraris zo goed als helemaal  onder de huizen verdwenen Bois de Béclines, dan als een kanaaltje verder stroomt evenwijdig aan de Rue Fontaine aux Corbeaux en vervolgens onder de spoorweg door moet tot aan de (verdwenen?) ‘fontein’ waar de mensen vroeger hun water haalden. De kraaien heb ik nog niet gezien maar nu weet ik dat Corbais in deze streek misschien niet slaat op zoiets als Korbeek of Kortebeek maar op zwarte vogels.

Om spectaculaire foto’s door een avontuurlijke fotograaf te zien van het ondergrondse deel van al dit water onder de Place de la Fosse open je best de link naar http://tchorski.morkitu.org/2/drains-01.htm.

Op de Rue des Tilleuls (geen lindes of andere laanbomen te zien) kan ik je aanbevelen om even binnen te gaan in het allervriendelijkste Café des Pêcheurs. Het witte gebouw is niet als monument beschermd – ik vind het toch niet op de inventaris – wel een ander gebouw dichter tegen het centrum in dezelfde stijl waarvan gezegd wordt dat het heel typisch is voor de historische stadsbouw in deze streek.

Mont-Saint-Guibert – Café des Pêcheurs aan de Rue des Tilleuls

Op onze verkenningstocht langs de Orne tussen Chastre en Mont-Saint-Guibert zijn we aangekomen op het laatste deel van het traject. Langs een massieve muur aan de rechterkant van de Rue des Tilleuls komen we aan een brugje over het riviertje La Houssière en slaan rechtsaf naar de Rue de Bierbais. Het is een mooi straatje dwars door een groot park dat jammer genoeg aan beide kanten hermetisch afgesloten is met rechts een hoge muur en links een ferme afrastering.

Achter de muur verbergt zich het beroemde ‘Château de Bierbais’. Voordat je aan het kasteel bent kom je langs de vroegere watermolen en een bord met de geheimzinnige aanduiding ‘Pavillon de Bierbais’.

Volgens het erfgoeddossier gaat het om twee heringerichte ‘pavillons d’orangerie’ aan de binnenzijde van de achtermuur rond het domein met de resten van vroegere serres en een eigen tuin. Het dossier geeft een uitvoerige beschrijving maar van de straat zie je er niets van (wel op googlemaps-luchtfoto) en blijkbaar zijn de paviljoens in gebruik als privé-conferentie-zaaltjes en bed and breakfast.

Als je het niet weet zie je het niet maar recht voor de Donjon de Bierbais kom je langs de vroegere heerlijke banwatermolen van het Château op het riviertje La Houssière . Hij is gebouwd als een vierkantshoeve en lang geleden was hij uitgerust met twee waterraderen om graan te malen maar ook om de apparaten aan te drijven van de plaatselijke boerderijschool of schoolhoeve.

Moulin de Bierbais met de donjon op de achtergrond

Over die vroege tijd weet ik nog niets maar na 1830 werd hij uitgebaat door achtereenvolgende plaatselijke eigenaars-molenaars Deman en Everaerts. De graanwatermolen brandde af in 1889 en werd een jaar later herbouwd als ‘fabrique de vernis de pommade et de boîtes à métaux à eau”, volgens Molenechos een dozenfabriek. Een in 1897 toegevoegde houtzaagmolen wat blijkbaar niet winstgevend want vier jaar later werd hij al weer opgeheven. Sindsdien werd het gebouw lang gebruikt om er landbouwproducten op te slaan.

Het gebouw is witgekalkt en gerenoveerd maar de watertoevoer is afgesneden, het sluiswerk is er niet meer en van het metalen bovenslagrad is blijkbaar niet veel meer over. De molen is ingeschreven op de Waalse Inventaris van Waardenvol Bouwkundig erfgoed Van buiten aan de straat zie je er ook niet veel van want als privébezit met verscheidene wooneenheden is het ferm afgeschermd en ontoegankelijk. Bovendien is het huis aan de straat van recenter datum ter vervanging van de afgebroken historische schuur. Naast het ijzeren hek hangt een merkwaardige steen met het opschrift SIDONIE/D.M.DL./8 MAI/1816, misschien de naam van de eigenaar op dat ogenblik.

Aan de linkerkant zie je de rivier La Houssière gaan langs een drietal parkachtige vijvers omringd door groene gazons met in de verte een witte villa. Die vijvers zie ik voor het eerst op de topografische kaart van 1873 heel duidelijk als spaarvijver voor de watermolen maar dan zien ze er nog helemaal anders uit en het park en de rivier heten dan ‘Rau dit Feauseau’. Hij is ook nog heel duidelijk te zien op de kaart van 1989. Waarvoor dit park of liever een weide moet dienen en waarom er geen enkel openbaar pad doorheen gaat weet ik niet.

Langs de straat is er een heel grote school en verzorgingscentrum voor andersvalide jongeren en volwassen (Institut de Bierbais) en ik zou mij kunnen voorstellen dat het voor de bewoners wel leuk zou zijn om hier af en toe naar toe te mogen gaan, ook al omdat er in de omgeving volgens mij verder nauwelijks openbaar groen is.

Mont-Saint-Guibert – Rue de Bierbais – Ferme de la Michaëtte

Volgens het erfgoeddossier is de villa de voormalige ‘Ferme de la Michaëtte’. De oude hoeve staat nog achter het hoofdgebouw staan maar de heel mooi gerestaureerde hagelwitte villa dateert uit de 19de eeuw. De naam ‘La Michaëtte zou volgens Tarlier en Wauters verwijzen naar ‘Muche Hayette’ ofwel naar ‘Bois Muytsaert Haytte” dat vermeld wordt in een in het Vlaams document van 1440 (TARLIER J., WAUTERS A., 1865, Géographie et histoire des communes belges. Province de Brabant. Canton de Perwez, p. 66, 69.).

Op postkaarten van het begin van vorige eeuw is het blijkbaar in gebruik als het ‘Instituut Agricole et Horticole de Bierbais’ maar sindsdien is het als privéwoning met voorhof, zwembad en tennisbaan maar verder vind ik er geen nuttige informatie meer over.

Van de Tour des Sarrasins in Alvaux zijn we bij de andere Tour aangekomen. Waar in Mont-Saint-Guibert (Hévillers) de Orne samenkomt met La Houssière ligt achter een muur het Domaine de Bierbais. De Rue de Bierbais gaat er dwars door en langs daar kan je het een en ander zien.

De machtige Leuvense familie de Bierbeek, heerser over de gelijknamige heerlijkheid, is in de 12de eeuw samen met de abdij van Gembloux de eigenaar van zowat alle gronden in de streek van Hévillers en Mont-Saint-Guibert. Op dringend verzoek van de Hertog van Brabant bouwt de familie de donjon (de Tour de Bierbais) en kerk op de plek waar later ook het kasteel zal staan. Om het geheel compleet te maken wordt er ook de watermolen gezet.

Château de Bierbais met de donjon

De familie sterft uit op het einde van de 14de eeuw en hun domein komt in handen van de Heerlijkheid Walhain onder het bewind van de familie de Glymes die de naam de Bierbais verder blijft gebruiken. Nadien komt het in handen van de familie Everart de Velp. Om de namen van de families De Glymes,  De Bierbeek en De Velpe terug te vinden ga je best ook eens kijken in het Vlaamse Bierbeek en Opvelp.

Aan het einde van de 18de eeuw wordt het domein met alles er op en er aan verkocht aan Charles-Ernest de Man de Lennick. Die bouwt het huidige kasteel in neo-klassieke stijl dat nadien vergroot wordt en omringd met een door een muur omheind park in Engelse stijl met vijvers, watervallen, oranjerieën en paviljoenen dat er tot op de dag vandaag nog grotendeels is. Het geheel is sinds 1977 beschermd erfgoed.

Aan de donjon kan je zien hoe hij in de elkaar opvolgende eeuwen zijn huidige hoogte en vorm krijgt: onderin gebouwd met steenbrokken van kwartsiet van Blanmont uit 12de en 13de eeuw, gevolgd door een 3de verdieping in witte bakstenen in de 17de eeuw en dan nog twee verdiepingen in baksteen uit het begin van de 19de eeuw met daarboven op de torentjes.

Het kasteeldomein was sinds 1988 de woning van Prinses Stéphanie de Windish-Graetz, een zeer boeiende excentrieke afstammelinge van de keizerlijke Habsburgers en deel van onze koninklijke familie. De prinses heeft zich kosten nog moeite gespaard om het dan vervallen kasteel en bijgebouwen te restaureren om er allerlei projecten te kunnen realiseren maar heeft het dan in 1995 moeten verkopen omdat de schulden te hoog waren opgelopen.

Over die verkoop hangt een mysterie. Plannen van de prinses om er publiek seminarie- en kunstencentrum van te maken (en een opvang voor in de steek gelaten kinderen) stuiten in die jaren op zoveel plaatselijk overlast-protest van de omwonenden dat de zakenman die er blijkbaar 65 miljoen euro voor over had, van zijn project afziet, niet meer deelneemt aan de publieke verkoop en het geheel na een gedwongen veiling verkocht wordt voor 26 miljoen aan een niet nader genoemde vennootschap van een anoniem blijvende ‘zakenman of bankier in Ukkel’ die het graag ‘kocht als privéwoning voor zijn dochter’.

Mont-Saint-Guibert – Château de Bierbais

Die verkoop was een teleurstelling voor de prinses want de opbrengst dekte zelfs de uitstaande schuldenlast bij de bank Anhyp (het latere AXA) niet. Juridische pogingen van de prinses om de verkoop nietig te doen verklaren wegens ‘onder de waarde’ lopen op niets uit en tenslotte wordt ze er met een rechterlijk bevel uitgezet.

Daarna wordt het doodstil en vind ik alleen nog maar een RTBF-bericht in 2013 met een protest dat het privé-domein zelfs op monumentendag niet bezocht mag worden en dat de gemeente nooit meedoet aan open monumentendagen. Het is een raar verhaal maar het komt er toch op neer dat midden in de mooie gemeente Mont-Saint-Guibert een reusachtig historisch kasteel staat in een al even historisch park en dat niemand mag weten wie de bewoner is en wat men – na het missen van een fantastische kans op eigentijdse kunstzinnige opwaardering – op termijn met dat beschermde erfgoed zou willen doen. Ben ik de enige die dit niet meer zo eigentijds vindt? Zeg het dan maar!

Daarmee ben ik in elk geval aan het einde van deze verkenningstocht langs de Orne gekomen en heb ik het in zijn geheel op mijn webblog gepost zodat ook de niet-facebooklezers kunnen meelezen.

Chastre naar Mont-Saint-Guibert langs de Orne – deel 1 traject zuid kant Chastre – Blanmont

+++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

Over de Orne:

l’Orne (à Chastre) – Protégeons notre rivière !

www.crdg.eu › send › 132-feuillets-cours-d-eau › 395-or…

 http://www.crdg.eu/component/jdownloads/send/132-feuillets-cours-d-eau/395-orne-chastre (PDF) Le Contrat de rivière Dyle et Affluents

+++

http://biodiversite.wallonie.be/fr/2922-sources-de-l-orne.html?IDD=251661304&IDC=1881
+++

Natura 2000 en Wallonie | La biodiversité en Wallonie
natura2000.wallonie.be

.+++

Réseau Natura 2000 en vigueur – Géoportail de la Wallonie
geoportail.wallonie.be › catalogue

+++

Réseau Natura 2000 – Etat de l’environnement wallon – Wallonie
etat.environnement.wallonie.be › in…

De Orne – bevers aan het werk


over Chastre:


http://www.crdg.eu/component/jdownloads/send/132-feuillets-cours-d-eau/395-orne-chastre

+++

Chastre | Beleef Waals-Brabant

www.beleefwaalsbrabant.be/nl/chastre 

+++

http://www.chastre.be/loisirs/tourisme/decouvrir-chastre/histoire/village-de-blanmont

+++

www.chercha.be (Cercle d’histoire de Chastre)
artikelen in hun bulletin zijn dat jammer genoeg niet op het internet te vinden is

+++

http://www.echarp.be/twcper5.php (Tarlier & Wauters: Retranscription: Commune de Chastre)

+++

Chastre-Blanmont – l’Eglise Saint Martin


http://users.skynet.be/chercha/chastre/HISTOIRE.htm

+++

http://www.cheminsdurail.be/doc/fiche_balade_chs.pdf promenade vicinal de éà&!-05-19 1929Chastre)

+++

+++

+++

Chastre et Walhain
https://books.google.be/books?isbn=2870099991

Chastre – paadje tussen La Ferme Rose en Le Moulin du Godeupont

Over la Ferme Rose :

La Ferme Rose, bescherming als monument:

http://spw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/fiche/index?sortCol=2&sortDir=asc&start=0&nbElemPage=10&filtre=&codeInt=25117-INV-0003-02

+++

[PDF]PROMENADE DE LA FERME ROSE, CHASTRE la Ferme Rose …

http://www.chastre.be/loisirs/…ferme-rose…/promenade-de-la-ferme-ros&#8230;

+++ 

http://www.echarp.be/twcper5.php (Tarlier & Wauters: Retranscription: Commune de Chastre)

+++

Chastre – la Ferme Rose – linksonder nog de kleur waaraan hij zijn naam te danken heeft

Over Le Moulin du Godeupont :

Moulin de Godeupont | Moulin de Blanmont | Belgische … – Molenecho’s
www.molenechos.org/molen.php?nummer=706

+++

http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/pdf/fiche/25117-INV-0092-01

+++

http://www.journees-europeennes-des-moulins.org/recherchesites/moulin-de-godeupont/

Chastre – Moulin du Godeupont

Over het Château de Blanmont:

http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/fiche/index?sortCol=2&sortDir=asc&start=0&nbElemPage=10&filtre=&codeInt=25117-INV-0011-02
(Château de Blanmont)

+++

TARLIER et WAUTERS, Canton de perwez, p. 66.
Inventaire des parcs et jardins.

Chastre – Château Blanmont – wapenschild

Over de Villa Bauer, Villa Namèche en L’Eglise Martin:

http://spw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/pdf/fiche/25117-INV-0055-01
villa bauer: huis met de torentjes

+++

http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/fiche/index?sortCol=2&sortDir=asc&start=0&nbElemPage=10&filtre=&codeInt=25117-INV-0048-01
Rue de Bau 18 – villa Namèche

+++

https://www.chastre.be/ma-commune/autres-services/cultes/cultes/blanmont-eglise-st-martin

Chastre villa bauer (patrimoine culturelle)

Over Le Moulin Al Poudre :

Historique | Les Délices de l’Orne
www.alpoudre.com/

+++

http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/fiche/index?sortCol=2&sortDir=asc&start=0&nbElemPage=10&filtre=&codeInt=25068-INV-0047-01

+++

Moulin à Poudre | Moulin Al Poudre | Belgische … – Molenecho’s
www.molenechos.org/molen.php?AdvSearch=715

Moulin al Poudre – zicht vanuit Chastre



Over het waterzuiveringsstation en Colline de Penuel :

(la station d’épuration de Chastre)

+++

https://www.penuel.be/

(Colline de Penuel | Un lieu, un temps pour Dieu)

Chastre – van de Moulin al Poudre naar de Tour des Sarrasins – de holle weg langs de Colline du Penuel

Over het kwartsiet van Blanmont:www.chercha.be (Cercle d’histoire de Chastre)plus verwijzing naar artikelen in hun bulletin ( dat jammer genoeg niet op het internet te vinden is):La Mémoire de Chastre no.108 en 109, 2017, 3de en 4de trimestre

+++http://www.canalzoom.com/une-evocation-de-la-pierre-de-blanmont/Une évocation de la pierre de Blanmont

+++http://www.echarp.be/twcper5.phpTarlier & Wauters: Retranscription: Commune de … – echarp
+++https://nl.wikipedia.org/wiki/Kwarts
Kwarts is een vorm van siliciumdioxide, SiO2 en behoort tot de meest voorkomende mineralen op de aardkorst.

Langs de Orne – wanden van het kwartsiet van Blanmont

Over Le Moulin d’Alvaux :Moulin d’Alvaux | Belgische Molendatabase | Molenecho’swww.molenechos.org/molen.php?nummer=1170
+++

http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/fiche/index?sortCol=2&sortDir=asc&start=0&nbElemPage=10&filtre=&codeInt=25124-INV-0146-01

Walhain – Moulin d’Alvaux – hier zie je de sluis

Over de Tour des Sarrasins :spw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/…/25124-INV-0056-02(de toren)
+++
http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/fiche/index?sortCol=2&sortDir=asc&start=0&nbElemPage=10&filtre=&codeInt=25124-INV-0003-02(de schuur)
+++

https://www.interglot.nl/woordenboek/fr/nl/vertaal/sarrasin