OP STAP IN DE NATUUR: DE ROTTE GATEN IN MEERBEEK

Uitgelicht

November 2020, Ernst Gülcher

contact: ernst.guelcher (at) telenet.be

Meerbeek – het avonturenpad in de Rotte Gaten

Er zijn nog zekerheden in deze verbijsterende tijd van chaos en verwarring. Een daarvan is het natuurgebiedje ‘Rotte Gaten’ van Natuurpunt in Meerbeek/Kortenberg. Het heeft zijn naam niet gestolen. Verborgen tussen eigentijdse villaatjes, bedrijven en autowegen beheert Natuurpunt tussen de Broekstraat en Wijnegemhofstraat sinds 1998 een adembenemend mooi moerasgebiedje waar je als gewone wandelaar nauwelijks door kan vanwege al die spiegelende verraderlijke poeltjes en kriskras in het rond liggend dood hout.

Midden in de vallei van de Molenbeek ga je op zoek naar ijsvogels in een totaal nat broekbos met elzenbossen, staande en vallende berken, nog wat populieren, ruigtes, moerassige graslanden, veenmoerassen en zanderige kalkbodems waar je altijd maar moet hopen dat je er niet inzakt met rubberbotten en al.

Meerbeek (Kortenberg) – natuurreservaat Rotte Gaten – houtworstelaars

Het gebied is vergeven van bronnetjes en kwelwater en in het verleden hebben onze nijvere voorouders heel wat mislukte pogingen gedaan om dat water enigszins te verdrijven met het graven van poelen, drainagegrachten (rabatten) en ophogingen door het storten van zand en steengruis. Een deel van het gebied was vroeger hooiweide en een ander deel hakhoutbos en in recente tijden heeft men er – zoals overal in Vlaanderen – populieren geplant. In het oostelijk deel werd turf gewonnen.

Maar ondanks al deze menselijke pogingen leverde de Molenbeek op zijn beurt de nodige tegenwerking op door tijdens heftige of langdurige regenval buiten zijn oevers te treden en heel het gebied mooi onder water te zetten. Veertig jaar geleden moet er veel meer open water geweest zijn dan tegenwoordig maar vandaag de dag moet de natuurliefhebber het doen met een hele menigte poelen en één recent uitgegraven vijver die moest dienen om eenden te lokken om die dan dood te schieten tot algemeen vermaak van de jagers. Het schuilhuisje van de jagers staat nog langs die vijver maar er zit geen dak meer op en het is zowat totaal bedekt met klimop. Het is zelfs moeilijk te vinden maar ik wel een heel mooi een beetje geheimzinnig plekje.

Meerbeek – Rotte Gaten – jagershut

Sinds Natuurpunt het beheer heeft zijn de Rotte Gaten de comfortabele thuisbasis voor heel wat dieren. De ijsvogel broedt er tussen de wortels van omgevallen bomen. Het gebied herbergt een populatie reeën en je vindt er een pak vogels: zwarte specht, buizerd, boomklever, matkop, houtsnip, kerk-, rans-, bos- en steenuil. Bijzonder in de Rotte Gaten is ook de wijde verspreiding van de maretak. In het voorjaar wordt het gebied bontgekleurd door de prachtige voorjaarsflora. In de winter trekt vooral de rijkdom aan mossen en zwammen de aandacht. In de zomer tref je er orchideeën aan en in het najaar de herststijlloos.

Als je alles wil weten over het natuurreservaat Rotte Gaten in Meerbeek ga je natuurlijk mee met de sterke man en conservator van dit moerasgebiedje Paul van Leest en hij zal je vol geestdrift uitleg geven over ‘zijn’ jungle, de rijkdom ervan maar ook over de gevaren om daar onvoorbereid proberen binnen te dringen.

Paul schreef een prima tekst over het gebied als terreinstudie om natuurgids te worden en aangezien deze (nog) niet op het internet te raadplegen is hoop ik dat hij mij vergeeft dat ik er schaamteloos uit put om iets meer te vertellen over dit gebied. Zijn verhandeling bevat ook een aantal kaartjes maar om die zelf te zien zal je Paul moeten contacteren (hij stuurt het wel graag op denk ik).

Het natuurgebied in zijn geheel ligt iets ten noorden van Meerbeek tussen de Wijnegemhofstraat en de Schoonaardestraat met de Molenbeek aan de noordzijde en de Zoobeek aan de zuidkant. Waarom die beek zo heet leg ik nog uit.

Meerbeek – Rotte Gaten – de visvijver

Daarvan is iets minder dan de helft eigendom van en beheerd door Natuurpunt, in totaal 22 hectare en officieel natuurreservaat sinds 1998.

Er zijn vier delen. Het eerste is een zeer nat historisch elzenbroek dat in 1974 met Brussels bouwafval 2 meter werd opgehoogd en beplant met ondertussen al weer merendeels gerooide populieren waarvan het kruinhout overal in het rond ligt te rotten (avontuurlijk).

Het tweede deel is een lange maar smalle hooiweide. Op deze weide vind je tegenwoordig dankzij een doorgedreven maaibeheer in de zomer orchideeën en in het najaar de heel zeldzame herfststijlloos.

 Het derde deel gaat richting Molenbeek en is een ook zeer nat gebiedje met in het midden de al genoemde eendenjacht-vijver van de jaren 60. Een bordje vertelt je dat dit de thuisbasis is van de Rotten Gaten ijsvogels.

Het vierde deel is een echt moeras met trilveen aan deze kant van de van de Molenbeek dat gevaarlijk is om te betreden maar ik ben er nog niet geweest en zou ook niet weten hoe je er komt, zelfs niet met hoge rubberlaarzen. Aan de overkant van die Molenbeek is alles nog in privébezit op een héél klein stukje na dat van Natuurpunt is.

Voor wie wil weten waar al dat water vandaan komt: “De Rotte Gaten bevinden zich in het overgangsgebied tussen de zandleemstreek van laag België in het noorden en het Brabants Leemplateau in het zuiden. De bodemoppervlakte is leem. Een kilometer naar het zuiden bevindt zich de ‘Brabantse steilrand’ met een hoogteverschil van meer dan 40 meter.

Meerbeek (Kortenberg) – natuurreservaat Rotte Gaten – aan de grote vijver

Dit veroorzaakt een nogal sterke kwel. Het grondwater van de hoger gelegen delen stuit op een ondoordringbare kleilaag (Ieperiaan) en wordt in de ‘Brusseliaan’ laag (zand) meegevoerd naar de Rotte Gaten, waar deze laag ondiep ligt en soms aan de oppervlakte komt (dagzomen). Tussendoor gaat het water door kalkrijke lagen, zodat het uiteindelijk kalkrijk is en er daardoor in de Rotte Gaten kalkminnende planten voorkomen.” Om die planten te zien moet je er in het warme seizoen zijn.

Hoe de Rotte Gaten in Meerbeek er in de Middeleeuwen bijlagen is blijkbaar niet geweten maar volgens geschiedkundigen zouden er tussen het broekbos dan al hooiweiden hebben gelegen waar de Meerbeekse boeren hun vee op hielden.

Vanuit het natuurreservaat kijk je op de dorpskerk waarvan de toren gebouwd werd in de 13de eeuw. Zijn patroonheilige Sint-Antonius moest de boeren helpen om hun varkens en ander vee tegen de moeraskoortsen te behoeden. Het dorp zelf vierde in 2017 zijn 900 jarig bestaan en in de nabijheid is een Romeinse nederzetting gevonden. De eerste vermelding van het dorp (als Merbecka) dateert uit een kerkelijk document uit 1117.

Meerbeek – Rotte Gaten – zicht op de kerk vanuit het natuurgebied

De naam verwijst (hoogstwaarschijnlijk) naar het feit dat de eerste huizen al zo dichtbij aan het water en moeras stonden en dat de Molenbeek in die tijd een echte grens vormde (meer = grens).

Meerbekenaars worden door die van Kortenberg papboeren genoemd en het dorp zit vol van geschiedenis en oude verhalen maar daarvoor moet je ergens anders terecht (Wikipedia geeft een groot aantal bronverwijzingen).

De Rotte Gaten zijn te zien op de Ferrariskaart van 1775 en in die tijd wordt het gebied gebruikt als hooiland en om er hakhout te laten groeien. De eigenaars van die weiden mochten één keer het gras afdoen en vanaf september mochten alle arme dorpelingen hun koeien erop zetten. In die tijd graven de boeren de rabatten en de vijvers die we nu nog zien om van het kwelwater af te geraken (de Rotte Gaten).

Kennelijk hielp het allemaal niet veel want zo’n honderd jaar later lijkt alles nog altijd moeras te zijn.  In de twintigste eeuw wordt een deel van het terrein met bouwafval opgehoogd en worden elzen en populieren aangeplant zoals dat overal in Vlaanderen is gebeurd in dit soort gebied waardoor er veel oorspronkelijke natuur onherstelbaar beschadigd is.

Meerbeek (Kortenberg) – Rotte Gaten – maretak in de populier

Het natuurbeheer stelt zich ten doel om de natuurlijkheid en de biodiversiteit in het gebied te vergroten, vooral door een natuurlijke en onverstoorde (drainage, vervuiling) waterhuishouding op te bouwen. Het hooiland moet zich ontwikkelen tot een ‘vochtig schraalgrasland’ en waar bomen willen groeien zou deze zich tot een eikenhaagbeukenbos moeten ontwikkelen. Het eerste begint orchideeën op te leveren maar hoever het met dat bos gaat in deze moerasjungle kan ik niet zeggen (het bos lijkt me er veel te nat voor).

Wat mij wel opvalt is dat een te groot stuk van dit mooie gebied is ingepalmd door een bedrijf van tweedehands bestelauto’s (meer oud-ijzer) en privébewoning en dat vind ik jammer, ook al omdat er achter de ferm afgesloten vijver een grote poel is die je nu alleen op de kaart en vanuit de lucht kan zien. Hoe lang wordt dit hier nog geduld?

Sla aan de ingang van natuurreservaat Rotte Gaten in Meerbeek (Kortenberg) in de Broekstraat onmiddellijk even linksaf en je belandt meteen in een nogal modderige zone met het in 2018 geopende “avonturenpad met natuurspeelplaatsen voor kinderen”. Die modder is ondertussen opgedroogd en begroeid.

Meerbeek – natuurreservaat Rotte Gaten – avonturenpad

Na drie jaar voorbereiding is het dan toch gelukt om een terreintje van enige omvang mooi vrij te maken en te ‘beplanten’ met flink uit de kluiten gewassen houten toestellen naast en tussen een tweetal smalle lange plankenpaden waar je aan beide kanten in het (ondiepe) water (het “moeras”) kan vallen als je zin hebt in een nat pak. Zelfs kinderen kunnen elkaar hier moeilijk passeren en volwassenen zijn zeker te dik en te stijf. Die moeten het dan maar doen met de massief houten rustbank.

Voor wie nog niet zou weten dat je hier in de natuur bent is er ook nog een heel mooi bijenhotel neergezet. Het geheel is opgebouwd in overleg met allerlei instanties zoals de plaatselijke jeugdraad na het verkrijgen van de nodige bouwvergunningen en wordt bekostigd door de gemeente Kortenberg die daarvoor 63000 euro op tafel legde.

Het succes hangt natuurlijk af van de kinderen die hier willen ravotten en ondertussen iets opsteken over de natuur. Bij mijn eerste bezoek waren er toch al twee héél kleine kindjes die naast elkaar aandoenlijk stonden te bibberen op het plankenpad terwijl pappa een foto maakte. Maar sindsdien is het volop in gebruik genomen denk ik. Ondertussen staat er ook een bord waarop je leest dat er een ‘blote voeten pad’ is om je zintuigen te prikkelen.

Zoals overal in de natuurgebieden is er hier ook nood is aan natuuropvoeding van volwassenen in de omgeving en is er zeker een onderhoudsploeg van vrijwilligers aan het werk om regelmatig afval op te ruimen.

Meerbeek – op de kop van de paaltjes in de Rotte Gaten

Uit de Rotten Gaten facebookpagina begrijp ik dat er wel flink gewerkt wordt door de dappere vrijwilligers om alles in goede staat te houden, bijvoorbeeld door het wegruimen van bomen die omvallen en de weg versperren maar ook om het pad vrij te houden van zaken die de zintuigen wel prikkelen maar niet op aangename wijze zoals bramen en brandnetels.

Je bent altijd welkom om te komen helpen maar zo op het zicht is er geen probleem en ik zie zelfs nergens afval. Het vlonderpad door het ‘moeras’ (meer een ondergelopen bos) is wel een avonturenpad op zichzelf geworden omdat het in deze tijd van het jaar bedekt is met bladeren en als gevolg spekglad, een beetje riskant als je daar als stijve topzware volwassene met je fototoestel overheen moet zien te geraken. Misschien is het beter om hier op sokken of blote voeten overheen te gaan?

Meerbeek – Rotte Gaten – terwijl de opa’s en oma’s op avontuur gaan rusten de kinderen uit

Over het ‘waarom’ van heel deze installatie put ik even uit een bericht van de Jeugdraad van Kortenberg op 8 november 2016: “… wij vinden het belangrijk om de belangen van kinderen en jongeren uit de gemeente ter harte te nemen. Speeltuinen, speelzones, speelweides zijn belangrijke plaatsen voor ravottende en spelende kinderen … het feit dat zo’n natuurlijk terrein zal gebruikt worden voor het inrichten van een avontuurlijke speeltuin met de nadruk op het gebruik van voornamelijk natuurlijke middelen spreekt ons erg aan. We geloven in het feit dat het avonturenpad zodanig zal opgebouwd worden dat kinderen zowel op en aan de speelelementen kunnen ravotten, maar ook in en rondom de bomen in het natuurgebied zelf”.

Het is een hele mond vol maar ik vind wel dat Natuurpunt er ruimschoots in geslaagd is om er iets moois van te maken. Je bent hier inderdaad in de natuur, zij het op veel te kleine schaal. Ik reken er op dat kinderen als ze volwassen zijn niet gaan eisen dat heel hun omgeving mooi platgewalst wordt en ontdaan van bladeren en alles waarin de natuur verschilt van de mensen van nu met hun overdadige behoefte aan comfort en properheid.

Meerbeek – het plankenpad in de Rotte Gaten en het bijenhotel

Bij het bijenhotel zou Natuurpunt ook nog eens een bordje kunnen hangen om uit te leggen hoe je zoiets maakt als een klus om er in de eigen tuin ook een te zetten.

We zullen zien hoe lang de constructies opgewassen zijn tegen het gezamenlijk geweld van natuurkrachten (water) en opgroeiende volwassenen. Voorlopig heeft alleen de wilgenhut het alweer begeven maar die bestaat dan ook uit dunne takken en dat houdt nooit lang.

Vanwege dat avonturenpad vertrekken de meeste bezoekers aan de kruising tussen de Schoonaardestraat en de Broekstraat. De inwoners van Meerbeek komen er natuurlijk ook op een paar manieren vanuit het centrum van hun dorp dat juist ten zuiden van het natuurgebied ligt. Maar ik ben ook al eens helemaal aan de andere kant vertrokken vanaf de Wijnegemhofstraat die ten westen van de Rotte Gaten Meerbeek verbindt met Erps Kwerps.

Het is een nogal onopvallende toegang met indrukwekkende knotwilgen langs een privéwoning met tuin met shetland-ponies, schapen en een boomgaard. Aan het begin staat een bordje ‘Voetweg 17’ die op mijn OSM kaart even later verandert in ‘Voetweg 32’ en als je dan richting zuid oost doorsteekt naar ‘Buurtweg 12’ zit je al midden in het gebied want zo groot is het niet. Hou die namen en nummers maar even vast want later in dit hoofdstuk zijn die van groot belang voor diegenen die grotere delen van deze omgeving willen verkennen.

Meerbeek – hou de schaapjes op het droge in de Rotte Gaten

Dat het gebied aantrekkelijk is voor kinderen merk ik al meteen want terwijl ik nog wat schapen en daarna het een en ander aan dood hout en zwammen sta te fotograferen in een stukje bos dat volgens mij al een beetje ontdaan is van de populieren is om er op de duur anders te gaan uitzien, wordt ik zowat overvallen door een enthousiaste groep kinderen (met gemaskerde juffen) die mijn fotoplek als hun speelterrein beschouwen. Gezien de corona-maatregelen maak ik dat ik wegkom van het vrolijk gekwetter en ga een kijkje nemen aan de Zoobeek.

Het natuurgebiedje Rotte Gaten in Meerbeek wordt aan de noordkant afgegrensd door de Molenbeek en het ligt dan ook in de vallei van de Molenbeek samen met alle andere natuurgebieden in de ‘Groene Vallei’. Aan de zuidkant stroomt de Zoobeek.

Die zie ik voor het eerst op de Kaart Vandermaelen van 1864 als een soort van kanaaltje dat van de omgeving van de Wijnegemhofstraat tussen Everberg en Meerbeek naar het noordoosten stroomt en aan de Schoonaardestraat in de Molenbeek uitkomt. Er staan pijltjes op die kaart om de stroomrichting aan te geven.

Meerbeek – Rotte Gaten – de Zoobeek

De bron ligt nog iets verder naar het zuiden aan de Dorpsstraat aan een plek die aangeduid staat als ‘Ravin’. De huidige grens tussen Everberg en Meerbeek volgt vandaar de kronkels van de waterloop. Dat kronkelende zuidstuk is vandaag niet meer te zien maar het staat ook op Atlas van de Buurtwegen van 1840 en heet daar ‘Soy Riyole’. Op de kaart van 1939 staat de Zoobeek aangeduid als Ruisseau De Soo. Of dat ‘de Soo’ eerder stond voor ‘des eauxs’ weet ik niet maar het zou ook kunnen verwijzen naar de ‘zooi’ (Soy) die met het riool meekomt.

Dat laatste lijkt me waarschijnlijk want ik vermoed dat de beek geen natuurlijke waterloop is maar een in de 19de eeuw uitgegraven als ‘vloedgroebe uitgegraven gracht om het dorp Meerbeek tegen wateroverlast te beschermen. Ik zie er altijd een beetje water in maar van het internet begrijp ik dat de Zoobeek regelmatig geruimd moet worden om wateroverlast in het centrum van Meerbeek te voorkomen. Bovendien is er blijkbaar een probleem van chemische vervuiling omdat het regenwater van de E40 in de beek terecht komt en strooizout, rubber, zwerfvuil en benzeen meesleurt.

Meerbeek – Rotte Gaten – populieren met maretak langs de Zoobeek

Als je zo langs de beek wandelt zal je echter daarvan niet direct iets merken want de natuur tiert er welig en het paadje is echt wel avontuurlijk vanwege al die omgevallen bomen. In het verleden zijn hier veel populieren gezet maar die zijn stilaan aan het verdwenen. Ik zie er toch een enkele tongvaren en dat wijst op proper maar voedselrijk water. Op veel plaatsen hangt er maretak in als teken dat de bodem kalkrijk is en dat je in warmere seizoenen wel van een mooie bloemenpracht kan genieten met onder meer orchideeën. Voor de herfststijlloos moet je er in het najaar zijn.

Hier en daar komen de weiden tot aan de beek en op een ervan zie ik hele dikke varkens met vlekken. Ze lijken me heel braaf te zijn en volgens de kenners zijn het ofwel gevlekte hangbuikzwijnen of Nieuwzeelandse kunekune varkens. Je ziet er een op de foto in de hoop dat er onder de lezers een kenner is (of de eigenaar want die leest misschien ook mee).

Meerbeek – Rotte Gaten – wat voor soort varken ben ik?

Vanaf de Zoobeek kom je terug aan ingang aan de Wijnegemhofstraat via een mooi plankenpad op Voetweg 32. Dankzij Paul Van Leest herinner ik me  dat de Atlas van de Buurtwegen van 1840 een onderscheid maakt tussen buurtwegen (Chemins, 3,5 m breed) en voetwegen (Sentiers, 1,75 m breed).

Die Atlas vormt nog altijd het referentiepunt voor de voetgangerspaden van tegenwoordig en ik heb voor de gelegenheid een plattegrondje bij de foto’s gevoegd waarop je de paden van vandaag ziet op de ondergrond van die oude kaart van 1840. Wat mij opvalt is dat de nummers van vandaag dezelfde zijn als die op de Atlas en dat het traject ook dikwijls nog hetzelfde is hoewel er hier en daar wel het een en ander verlegd is, ook de bedding van de Molenbeek lijkt mij een beetje veranderd te zijn.

Rotte Gaten – Atlas van de buurtwegen 1840 met verbinding tussen prinsendreef en rotte gaten

Als ik er geen voetgangers had zien ingaan had ik Buurtweg 17 niet opgemerkt maar langs het populierenbos aan de overkant van de straatweg gaat – volgens mij nog niet zo lang – een smal paadje langs de weide  waarlangs je zonder problemen mooi doorsteekt naar Everberg, de Prinsendreef en het daarachter gelegen Plantsoenbos (Warandebos) en de Abdij van Kortenberg.

Die verbindt Voetweg 32 in het natuurgebied met Voetweg 59 en die laatste komt mooi aan op de Wolvestraat en dan ben je op 100 meter van de Prinsendreef. Er staan bordjes bij en als je de Wijnegemhofstraat overgestoken bent volg je die en je neus tussen het populierenbos (rechts) en de koeienweiden (links) in de richting van de kerk van Everberg die je schuin links voor je ziet.

Onderweg heb je een prachtig zicht op de kasteelgebouwen op enige afstand enmet zeer ernstig kijkende koeien in de voorgrond in de weiden die er omheen liggen.

De voorgeschiedenis van het kasteel van Merode in Everberg gaat terug tot de vroege middeleeuwen wanneer de oudste heren Van Rotselaar van Everberg een waterburcht bezitten op de Everberg.

Everberg – Kasteel de Merode aan de Prinsendreef

Nadat deze verlaten wordt, waarschijnlijk wegens een brand, bouwt de familie de Montenaken in de 14de eeuw in de moerassige bronvallei van de bovenloop van de Molenbeek (Aderbeek en Wasbeek) het Hof van Montenaken. Door een huwelijk komt dit in handen van de familie de Rubempré.

Op 17de -eeuwse prenten zie je een renaissancekasteel met trapgeveltjes en hoektorentjes met een slotgracht er omheen. In 1704 trouwt Louise-Brigitte prinses van Rubempré en Everberghe met graaf Philibert François de Mérode Montfort en sindsdien is de familie de Merode de eigenaar. In de 18de eeuw krijgt de Franse architect Neuville opdracht om het kasteel om te vormen tot een classicistisch gebouw in de stijl van Lodewijk XVI. Rond 1850 worden de grachten gedempt en het Engels landschapspark met vijver aangelegd.

Sindsdien zijn er nog voortdurend verbouwingen geweest – met nog een landhuis – maar om die allemaal te beschrijven zal ik eerst nog eens een kans moeten krijgen om de rijkdommen op dit privédomein met eigen ogen te zien, misschien tijdens een Open Monumentendag. Of de familie er nog lang gaat blijven wonen is blijkbaar onzeker want iemand in de omgeving wist me al een tijd geleden te vertellen dat er onenigheid is onder de erfgenamen van de laatst overleden Graaf de Merode maar wat er daarvan waar is kan ik niet zeggen.

Vanuit de Rotte Gaten in Meerbeek naar de Prinsendreef in Everberg

Op het internet vind ik geen recente berichtgeving over een en ander. Voorlopig moeten we het dan maar doen met het zicht op de voorgevel met de prachtige Zwarte Notelaar en Plataan aan het toegangshek en het ernaast gelegen hoveniershuis. Het Warandebos (Plantsoenbos) aan de Kortenbergse kant van de Prinsendreef is gelukkig wel al sinds enige jaren vrij toegankelijk en je kunt daar ook de in 1840 gebouwde ijskelder zien die ondertussen ingericht is als winterverblijf voor vleermuizen. Via dat bos kom je aan de Abdij van Kortenberg.

Voorlopig moet je nog dezelfde weg terug om weer in de Rotte Gaten te belanden want een lus maken  via de noordkant van het kasteel terug te keren is nog niet mogelijk.

Even voorbij het kasteel kom je aan de Aderbeek aan mooie vijvers en een brede parkdreef maar die is afgesloten met een ijzeren hek met de vermelding ‘verboden toegang’. Dat is jammer want op oude en nieuwe kaarten zie je dat die dreef helemaal aan de andere kant uitkomt op de Wijnegemhofstraat en we zullen nog zien dat er daar ook al zo’n verboden toegang hek staat.

Die dreef is nochtans ver van de gebouwen verwijderd en passerende wandelaars hoeven de privacy van de kasteelheer niet of nauwelijks te schenden. Je moet er natuurlijk wel de moto’s en de bendes wielertoeristen uithouden en ook het achterlaten van afval en het maken van lawaai beperken, maar dat is overal zo in de natuur en daar zijn allerlei creatieve mogelijkheden voor ontwikkeld. Ik geef ook toe dat ik eigenlijk in deze tijd niet meer zo aangepast vind als een grootgrondbezitter niet een paar paden op zijn terrein open maakt voor de buurtbewoners en andere wandelaars.

Van de Rotte Gaten in Meerbeek naar de Abdij van Kortenberg – maar daarvoor moet dit hek wel open ….

Terug langs dezelfde weg ben ik de Molenbeek overgestoken op de Wijnegemhofstraat en sta aan de achteringang van het kasteeldomein van de familie De Merode. Een klein beetje verder zie je het Wijnegemhof waarnaar de straat genoemd is (zie de link).

Bijna recht tegenover het hek aan de Merode-parkdreef kom je aan Voetweg 50 naar de Leuvensesteenweg (je hoort en ziet die wel zeer overmatig). Het is een mooie veldweg op de rand van een overduidelijk broekbos met op één plaats een visvijver waar de eigenaar een manshoog en hermetisch afgesloten hek heeft rond gezet, kennelijk om te voorkomen dat de vissen ontsnappen denk ik dan. Zijn oud ijzer gooit hij wel buiten zijn terrein in de natuur.

Maar de paar zijweggetjes die ik als voetwegjes op een van mijn open street maps zie – nummer 9 en nummer 51 – zijn op het terrein nergens meer te zien. Dat is niet zo best want ze staan beiden geregistreerd op de Atlas van de Buurtwegen van 1840 en ik vind nergens dat ze officieel zijn afgeschaft.

Voetweg 9 staat aangegeven op alle latere kaarten maar de eerlijkheid gebiedt om te vertellen dat Voetweg 51 tot aan de Molenbeek richting Rotte Gaten alleen op die historische Atlas is aangegeven en niet meer op de latere kaarten. En zelfs op de Atlas staat er géén bruggetje over de beek om de verbinding te maken met Voetweg 32 die in het natuurgebied ligt (en die op dat traject ook wacht op heraanleg tot aan de beek, ongetwijfeld was dat bruggetje er in de oude tijd wél)).

Van de Rotte Gaten in Meerbeek naar de Abdij van Kortenberg – de Molenbeek aan de Wijnegemhofstraat

Heel deze uitweiding dient om duidelijk te maken dat je hier dus staat op een plek waar 200 meter nieuwe voetweg plus een brugje over een smalle waterloop een wonderbaarlijke uitbreiding zou zijn van de autoloze wandelmogelijkheden in de Groene Vallei van het ene natuurgebied naar de andere maar vooral een magnifieke luswandeling rond het kasteeldomein van de Merode zou mogelijk maken op voorwaarde dat in dat park de twee hekken van de doorgangsdreef worden opengezet.

Op de plek waar nu die voetweg ontbreekt is juist een perceel bos gekapt en het ziet er naar uit dat je met een beetje zin voor avontuur en rubber laarzen wel tot aan de beek kan komen (ik heb het niet gedaan). Wie de eigenaar is van het gekapte perceel weet ik niet maar het zou kunnen dat de hele noordkant ook nog behoort tot de familie De Merode en ik hoor dat er in het verleden wel beloften zijn gedaan (wanneer en van wie aan wie?) om dit stukje voor voetgangers open te stellen maar dat die blijkbaar in de vergeethoek zijn geraakt (waarom?).

Van de Rotte Gaten in Meerbeek naar de Abdij van Kortenberg – voetweg 50 – zicht op het broekbos aan de Molenbeek

Of er op dit ogenblik gesprekken aan de gang zijn over deze doorgang heb ik niet kunnen achterhalen maar – zoals dikwijls  – wat nog niet is kan komen en dan is het een kwestie van goede wil, geduld met een beetje gevoel voor de noodzaak om aan de mensen van nu een beetje meer mogelijkheden in de natuur te bieden.

Ik heb begrepen dat in de gemeente Kortenberg werk gemaakt wordt van een inventarisatie van de ‘Trage Wegen’ en ik bepleit dat het open maken van deze doorgang daarbij zou worden betrokken in goed overleg tussen de gemeente en de familie op het kasteel ((Werner de Merode: “Onze eerste taak bestaat eruit een voorbeeld voor anderen te zijn”) .

Daarmee ben ik rond met deze verkenning van het natuurgebied Rotte Gaten. Binnenkort kom ik er wel terug want er zijn voortdurend nieuwe ontwikkelingen te melden.

Meerbeek – Rotte Gaten – kaart OSM

+++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

https://www.natuurpunt.be/natuurgebied/rotte-gaten

+++

https://www.facebook.com/RotteGaten

+++

Paul van Leest – Rotte Gaten – terreinstudie – december 2015 – onuitgegeven, auteur te contacteren via: https://www.facebook.com/RotteGaten/

+++

https://adoc.pub/deelbekkenbeheerplan-deelbekken-leibeek-weesbeek-molenbeek-a.html

+++

w w w.ko rte nb e rg.b e

www.kortenberg.be › zoeklicht-2016-01

Van de Rotte Gaten in Meerbeek naar de Abdij van Kortenberg – lag hier ooit voetweg 51 naar de Molenbeek?

+++

+++

PDF]Page 1 ) rK- Kortenberg, 8 november 2016 Betreft; Inrichten …

https://www.kortenberg.be/jeugdraad-advies-inrichten-avonturenpad-en-toegankelijk…

+++

https://www.routeyou.com/nl-be/location/view/48102615/wijnegemhof

+++

https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/135116

Kasteeldomein Merode

Meerbeek – de mooiste knotwilgen in de Rotte Gaten staan aan de ingang aan de Wijnegemhofstraat

trefwoorden: rotte gaten, meerbeek, everberg, natuurpunt, moeras, merode, wijnegemhof, erfgoed, natuurbeheer, molenbeek, zoobeek,

MEERDAALWOUD – OP STAP OP HET PLATEAU VAN SAINT-NICAISE

Uitgelicht

OKTOBER  2020, ERNST GÜLCHER

ernst.guelcher (at) telenet.be

version française: à suivre

Hamme-Mille plateau- Meerdaalwoud op het Plateau van Saint-Nicaise komt de zon op

Het Plateau van Saint-Nicaise vind je aan de zuidrand van het Meerdaalwoud hoog en droog op de rand van het plateau boven de Ruisseau de la Néthen en het dorp Hamme-Mille in Beauvechain.

Het ligt ten westen van de langs de Naamsesteenweg/Chaussée de Louvain tussen Blanden en Hamme-Mille maar door de afsluiting van de kleine bosparking aan de toegangsweg naar de Warandevijver en de Kanselierdreef hebben onze boswachters de zuidkant van het Meerdaalwoud voor de toeristisch ingestelde bosbezoeker ontoegankelijk gemaakt. Maar als je iets van het bos weet en de paden kent vanuit Hamme-Mille vind je toch wel je weg naar het Plateau van Saint-Nicaise, de Warandeloop, het diepe ravijn, de fantastische bakenboom en de vijver waar de bosbeheerders er nog altijd niet in geslaagd zijn om vuursalamanders te kweken.

Je komt er nog altijd niet veel volk tegen hoewel ik wel de indruk heb dat die van Hamme-Mille de weg er naar toe beginnen te vinden. En ik geef hen groot gelijk want dit deel van het bos is aan hun kant van de taalgrens en als Vlaming ben je er te gast en doe je er goed aan om een vriendelijk ‘bonjour’ te geven aan iedereen die je tegenkomt want dat is in Waalse bossen nog echt de goede gewoonte.

Dit deel van het bos is wat steiler en ruiger dan de rest van het Meerdaalwoud en heel wat minder opgeborsteld en bewegwijzerd maar daar hou ik van hoewel je er dus niet moet komen als er van die typische luidruchtige Waalse drijfjachten worden georganiseerd maar gelukkig is dat niet dikwijls en ze worden altijd op voorhand aangekondigd en dan wordt ook heel de omgeving afgesloten (accès interdit pour votre sécurité).

Bois de Saint-Nicaise – een ree duikt op

Of er al weer dassen zijn heb ik nog niet gehoord maar het wemelt er van de vossen en reeën kom je bijna bij ieder bezoek tegen. Aan de uitbundige sporen te zien voelen ook de everzwijnen zich opperbest in de modder en tussen de varens op de hellingen van de vallei van Ruisseau de la Néthen. Als je er op let ga je overal dierenpaden zien vanaf de hoogte in de richting van de beek in het dal. Van mij mogen ze, niet alles kan van de mensen zijn en zeker het bos is voor de dieren (dat vind ik toch hoewel ik in die gedachte tegenwoordig wel bijna de enige ben denk ik).

Als je zou willen weten waarom het Plateau van Saint-Nicaise behoort tot het Franstalige en niet tot het Nederlandstalige deel van het Meerdaalwoud, dan kijk je best eens op de Kaart Vandermaelen van 1846. Daar zie je een blauwgele lijn die de verdeling van België aanduidt. Die lijn loopt door het Meerdaalwoud ten noorden van het Plateau van Nicaise (op de kaart: Ancien Bois de Nicaise).

Het plateau dankt zijn naam aan het feit dat het rond 1140 door het dorp Hamme als tiendenbelasting aan de abdij van St. Nicaise werd gegeven die in het dorp een priorij hadden. Waar dit priorij stond weet ik niet maar hij werd kort na 1231 opgeheven door de Hertog van Brabant om plaats te maken voor de door hem gestichte cisterciënzer-abdij Valduc (Hertogendal). In 1677 werden de gronden op het plateau verkocht aan  de Henegouwse norbertijnenabdij Bonne-Espérance en daarna aan de abdij Valduc. Beide abdijen werden tijdens de Franse revolutie opgeheven.

Meerdaalwoud – Plateau van Saint-Nicaise – waar de everzwijnen de baas zijn

De goederen van Valduc werden in beslag genomen maar na het vertrek van de Fransen slaagde Hertog Prosper Lodewijk van Arenberg er in om van Koning Willem I al de Valduc-gronden op te kopen.

De Hertog van Arenberg werd in de 19de eeuw dus wel de eigenaar van dit gedeelte van het bos maar toen op zijn beurt heel zijn gebied na de eerste wereldoorlog van hem werd afgenomen door de Belgische staat kwam het plateau definitief onder het beheer van de Franstalige overheid samen met de rest van de zuidrand van het woud.

Dit leidt vandaag de dag nog hier en daar tot merkwaardige vaststellingen zoals verschillen in het bos- en wildbeheer maar ook dat om hier te wandelen zonder te verdwalen je wel de klassieke topografische kaart op zak hebben of het kaartje van de Franstalige versie van de Miradal-brochure want in de Nederlandstalige versie staat alles wat Waals is er niet meer op, en dat ondanks het feit dat de belangrijkste prehistorische vondsten juist in het Franstalige deel van het woud zijn gedaan.

In die tijd van de hertogen moet heel het plateau bebost zijn geweest met dennen. Dat is gedeeltelijk nog het geval maar eiken en beuken hebben duidelijk de heerschappij overgenomen. Voor natuurliefhebbers is dit deel van het bos bijzonder aantrekkelijk door de grote verscheidenheid van bosplanten en -dieren die je er kan vinden maar eveneens en vooral door de zwammen die uitbundig bloeien op de bodem tussen de welige mossen maar ook op de vele liggende en staande dode bomen. 

Net zoals overal op de randen van het ooit boven de zee en grote rivieren uitstekende plateau waarop het Meerdaalwoud gelegen is leven er aan deze zonnige zuidkant al héél lang mensen. Het boek Miradal schrijft over hen (bladzijde 50 en volgende): al in de oude steentijd (35000 voor de jaartelling) en de middensteentijd (11000 jaar voor de jaartelling) hebben er in onze bossen mensen rondgelopen die leefden van het verzamelen van voedsel, vooral door middel van de jacht.

Plateau van Saint-Nicaise – onderlangs de nederzetting

Tussen de ijstijden door moet vooral de hoog gelegen zuidgerichte rand van het Meerdaalwoud mogelijkheden gegeven hebben om kampementen op te richten. Vandaar kon men de vlakte overzien en zich voorbereiden op aanvallers. Vanwege de vele bronnen waren de bewoners ook altijd zeker van water. Behalve enkele stenen pijlpunten zijn er uit deze tijd zijn er echter niet veel vondsten gedaan en is het wachten op moderne archeologische technieken om dieper onder de grond liggende voorwerpen en sporen te ontdekken.

Maar met het begin van de nieuwe steentijd (6000 jaar voor de jaartelling) schakelden de mensen in onze streken langzaam over van een nomadenbestaan naar een leven als boer en veeteler. Deze overgang is wellicht een van de belangrijkste omwentelingen in de menselijke geschiedenis, omdat het allerlei sociaal-economische en culturele processen in gang zette zoals het ontstaan van vaste woonkernen en het gebruik van aardenwerk (keramiek). In de omgeving van het Meerdaalwoud, de Tomberg, Bierbeek, Blanden, Haasrode, Oud-Heverlee maar vooral nabij Hamme-Mille en de zuidrand van het woud op het plateau van Saint-Nicaise en de Warande, maar ook verder richting Nethen en verder toe naar De Kluis, zijn op alle uitstekende hoogtes zeer veel resten gevonden van onversierde keramiek met bolle bodem en uitstaande rand en van vuurstenen bijlen, schrabbers en andere voorwerpen. Archeologen delen al deze vondsten in bij de zogenoemde ‘Michelsbergcultuur’.

Hamme-Mille – Plateau van Saint-Nicaise – dit pad kan gerust 6000 jaar oud zijn ….

De Michelsbergcultuur is een neolithische cultuur, die rond 4400 tot 3500 v. Chr. voorkwam in Zuid-Nederland, West-Duitsland en België. De cultuur is genoemd naar de eerste vondst bij Untergombach in 1888 en was een van de eerste culturen waar aardenwerk gebakken werden. De daarvoor nodige klei is in het Meerdaalwoud aan elke bron te vinden en door die te boetseren in lange slingers en die op elkaar leggen kon men zelfs bij de betrekkelijk lage temperatuur van houtvuurtjes waterdichte vuurvaste potten en schotels vervaardigen, zij het dat die wel zwaar waren met hun dikke wanden en dus niet echt vervoerd konden worden. Behalve door dit aardenwerk is de cultuur gekenmerkt doordat zij minder afhankelijk was van de jacht dan van de veeteelt, dat er handel gedreven werd en dat het karakter ervan kennelijk nogal oorlogszuchtig was aangezien er veel schedels gevonden zijn met gaten in het achterhoofd.

Sommige vondsten doen vermoeden dat er in die tijd al uitgebreid handel gedreven werd – tot in Zwitserland toe. Maar omdat in het Meerdaalwoud niet of nauwelijks splijtbare harde vuursteen te vinden is moest men daar voor naar andere oorden zoals de vuursteenmijn bij Bergen in Henegouwen (de mijnen van Spiennes staan op de lijst van UNESCO werelderfgoed en je kan ze bezoeken). Er moet dus al in die tijd al een uitgebreid netwerk van paden geweest zijn waarbij je moet weten dat alle goederen (dus ook de vuursteen) te voet moest worden getransporteerd omdat het gebruik lastdieren of karren nog niet was uitgevonden.

Meerdaalwoud – Plateau van Saint-Nicaise – Ruisseau de la Nethen ter hoogte van het waterzuiveringsstation

Uit de laatste millennia voor onze tijdrekening – op de grens waar de mens van stenen op metalen voorwerpen overschakelde – dateert vermoedelijk de prehistorische nederzetting waarvan de resten zich bevinden op het boven de vallei van de Molenbeek (Ruisseau de Nethen, La Nethen) uitstekende plateau van Saint-Nicaise (spreek uit: nikaise) op het grondgebied van Hamme-Mille, vlak achter de boerderij-villa in het Bois de Saint-Nicaise op de rand van de steilte boven le Forge de la Moulin.

Hier was een versterkt kamp, naar het noorden toe afgeschermd door een opgeworpen verdedigingswerk. Nog zichtbaar is een aarden wal van ongeveer een meter hoog, 9 meter breed, in een halve cirkel met een straal van 50 meter. Aan de zuidkant is de rivierkant steil en wel 25 meter diep zodat daar geen verdedigingswerk nodig was. De eigenlijke nederzetting stond tussen de aarden wal en de riviervallei. Op deze plaats werd verbrande hutteleem gevonden en afval van vuurstenen werktuigen (silex). Op bladzijde 51 in ‘Miradal’ vind je een schets van zo’n nederzetting. Overigens diende de wal waarschijnlijk ook om de dieren naar wens binnen of buiten te houden.

Vlak ten noorden van de wal zijn er zes prehistorische grafheuvels en verder in het bos nog vier, allen uit dezelfde periode als het kamp. Een daarvan bevindt zich in het Warandedal in de buurt van de vijver. Op andere plaatsen in en rond het woud waren of zijn er nog meer van dergelijke heuvels.

Bois de Saint-Nicaise – pad van de everzwijnen

Als je ze weet zijn kan je de heuvels meestal wel terugvinden hoewel in het begin van de twintigste eeuw de zichtbaarheid veel beter moet zijn geweest dan vandaag omdat er toen (even) geen bomen stonden. De wal is nauwelijks zichtbaar of alleszins toch slechts met enige verbeelding apart te onderscheiden. De wal zelf heeft de archeologen wel voor enkele raadsels geplaatst omdat zij er voorwerpen uit verschillende tijden en van allerlei aard in hebben gevonden. Tegenwoordig denkt men dat net als tegenwoordig onze voorouders hun afval gebruikten voor van alles en nog wat en dus ook om er zo’n wal mee te maken of te verstevigen.

Achter de nederzettting bevindt zich ook een opvallende zeer grote metersdiepe kuil in de vorm van een omvangrijke rechthoek. Vlak bij de boerderij is nog zo’n kuil, maar veel kleiner. Hierover vond ik nog niets in de literatuur. Soortgelijke kuilen elders in het woud wijzen op prehistorische landbouw-beoefening (uit de kuil werd kalk opgedolven om de grond van de nabijgelegen akkers te verbeteren). Of de kuilen op het Plateau van Saint-Nicaise ook daarvoor werden gebruikt weten we niet maar wat je wel kan zien is dat de omgeving ervan opvallend vlak is en dat kan wijzen op de aanleg van akkertjes heel lang geleden.

De Romeinen hebben – zoals een gewoonte is bij veroveraars – achteraf het beeld doen ontstaan dat het ging om een zeer primitieve beschaving maar dat moet waarschijnlijk wat bijgesteld worden. Te zien aan de omvang van hun nederzetting kunnen ze niet met veel geweest zijn, een twintigtal tegelijk en waarschijnlijk trok de gemeenschap ook wel af en toe eens verder. De huizen waren van hout en leem met strooien daken.

een neolitisch dorp – zo kan de nederzetting op het Plateau van Saint-Nicaise er hebben uitgezien (Gerdi Fonk)

Heel oud werden de mensen niet, zo rond de dertig jaar schatten de archeologen. Waarschijnlijk was de kindersterfte hoog maar wie daardoorheen kwam kon wel een stuk ouder worden. Van landbouw wisten ze opmerkelijk veel en het is tamelijk zeker dat ze ook de dieren hielden die we vandaag nog kennen: koeien, varkens, schapen, geiten, kippen maar ook katten en honden. De jacht was belangrijk maar om aan vlees te komen werd er ook geslacht. Het paard schijnt pas veel later in dienst te zijn gekomen. Zoals gezegd bemestten zij hun akkertjes met de kalk en leem die in de bosbodem vlak onder oppervlakte zit en om die op te halen groeven ze grote kuilen. De Romeinen pasten veel later die methode ook nog toe en lieten een merkwaardig plantje achter dat je normaal niet op de zure bosgrond zal aantreffen: maagdenpalm. Ongetwijfeld wisten ze zeer veel over eetbaarheid en geneeskracht van de hen omringende planten, bloemen en zwammen.

Gekookt werd er in de in houtskool gebakken potten en schalen. Bomen werd omgehaald met vuurstenen bijlen, speren en pijl en boog dienden om te jagen of om vijanden te bestrijden. Ze woonden hoog en droog op het plateau voor hun veiligheid en water was toch dichtbij in de vallei. Hout was in overvloed aanwezig maar de steen werd aangevoerd van de mijnen in Spiennes (Mons).  Die stenen werden niet allen gebruikt om wapens of landbouwwerktuigen te maken maar ook om er mee te snijden, te malen, leer te looien (het schrabben van de binnenkant van de dierenvellen om die zacht te maken) of als weefgewicht.

Meerdaalwoud Plateau van Saint-Niçaise – grafheuvels en versterking – plan Dens

Rond hun vuren zongen ze liederen en werd gedanst. Dat de vrouwen al verf gebruikten om hun haren en kleren te versieren is waarschijnlijk,  even zo goed als dat de mannen al sterke verhalen vertelden en moppen tapten want dat is van alle tijden. Kinderen moesten veel leren en al meteen helpen in het huishouden maar we denken dat ze ook speelgoed hadden en dieren voor hen alleen.

Vermoedelijk moest er voortdurend gewerkt worden om te leven en het was zeker geen romantisch aards bestaan want in ons klimaat is de natuur allerminst lieftallig maar eerder meedogenloos voor wie zwak is of de kansen niet weet te benutten.

Over hun goden weten we niets maar heel de natuur was een en al magie waarmee terdege rekening moest worden gehouden. En wie het aards bestaan verliet werd na verbranding samen met zijn of haar beste aardse bezittingen in een grafheuvel bijgezet op weg naar een nieuwe toekomst.

Op die heuvels staan tegenwoordig bomen, maar in die oude tijd waren ze waarschijnlijk omgeven door een houten hekwerk en greppels om de wereld van de doden te scheiden van die van de levenden en was er een grasveld rond. In één heuvel zijn meerdere generaties bijgezet, oorspronkelijk in boomkisten, later gecremeerd in urnen. Grafgiften werden meegegeven om de dode in het nieuwe leven bij te staan.

Plateau van Saint-Nicaise – grafheuvel

In 1906 onderzocht archeoloog Charles Dens – nog in opdracht van de hertog van Arenberg – vier van de grafheuvels. Hij ontdekte dat overledenen steeds op dezelfde plek werden verbrand, samen met meegegeven gebruiksvoorwerpen. De resten werden iedere keer toegedekt met een laag aarde, zodat met de jaren of eeuwen de heuvels steeds hoger werden. In de heuvels werden in de asselagen verkoolde beenderen gevonden maar het is niet altijd duidelijk of die van mensen of dieren zijn.

In een ervan vond men aardenwerkscherven uit de ijzertijd en een bronzen naald. Die naald is het enige metalen voorwerp dat gevonden is maar uiteraard kan het zijn dat bij vroegere plunderingen er veel meegenomen is. In een andere heuvel werden aardenwerken scherven gevonden uit dezelfde periode en uit een derde heuvel  groef hij een bewerkt benen voorwerp op, wellicht de sluiting van een halssnoer. Op grond van dit alles dateerde Dens het kamp in de ijzertijd (2800-2000 voor onze jaartelling). IJzeren voorwerpen zijn dus ook nooit gevonden maar behalve door plundering kunnen die ook door verroesting zijn verdwenen. Overigens is geen van deze vondsten bewaard gebleven want ze werden afgevoerd naar het kasteel van de Arenbergs in Heverlee maar daar zijn ze in de loop van de tijd verdwenen.

In 1927 startte Edmond Devadder, Dens’ opvolger – in opdracht van de Belgische staat – een archeologisch onderzoek waarin hij zich helemaal concentreerde op het plateau van Nicaise en De Warande. In dit nieuw onderzoek kwamen er naast verkoolde mensenbeenderen en de overblijfselen van een grote haard ook twee potten aan het licht die duidelijk bleken thuis te horen in de bronstijd (dus nog zo’n 1200 jaar ouder). Tegelijkertijd ontdekten de onderzoekers op het plateau een grote hoeveelheid vuurstenen voorwerpen zoals klingen, krabbers, pijlpunten en stukken van gepolijste bijlen die allen wijzen op een veel oudere bewoning in de nieuwere ijstijd, dus zo’n tien- tot zesduizend jaar voor Christus.

Deze vondsten, samen met een dagboek, een schets van het terrein, een getypt opgravingsverslag en een inventaris van al wat er al eerder op deze plaats gevonden werd,  bevinden zich vandaag de dag in het Koninklijk Museum voor Kunst en Geschiedenis in Brussel.

Nadien zijn nog vondsten gedaan door leden van de lokale vorsersgroep Hona (Homo et Natura) , boswachters en liefhebbers-archeologen, maar verdere systematische opgravingen laten nog op zich wachten en dat is jammer want de opgravingsmethoden van het begin van de vorige eeuw waren uiteraard nog bijzonder primitief en hebben waarschijnlijk ook veel sporen vernield die met moderne methoden zouden zijn opgemerkt.

Foto’s van al die vondsten en beschrijvingen van wat er in elke grafheuvel gevonden is, vind je in de onvolprezen licensiaats-thesis van Sara Adriaenssens aan de VUB in 2006. Dankzij dit werk hebben we een goed overzicht van alles wat er aan historisch erfgoed in het Meerdaalwoud en Heverleebos gevonden is. Een samenvatting ervan is opgenomen in het boek ‘Miradal, Erfgoed in Heverleebos en Meerdaalwoud.

Omdat de natuur alles altijd bedekt met bomen was er vele jaren voor de bosbezoeker niet veel te zien maar dankzij het recent historisch ontsluitingsproject ‘Miradal’ is er hier en daar de te dicht begroeiing van de grafheuvels verwijderd en zijn er houten paaltjes geplaatst met een nummer dat verwijst naar een specifieke bladzijde in een wandelbrochure (zie de bronvermelding hieronder).

Plateau van Nicaise – grafurne

Waar de mensen gebleven en waarom ze vertrokken zijn weten we eigenlijk niet. Sporen van de Romeinen en de Kelten zijn op het plateau niet aangetroffen (verderop in het woud wel).

In de tijd van de Heilige Nicasius en de Hertog van Brabant waren ze er al niet meer en sindsdien is het plateau nooit meer echt bewoond geweest behalve dan door de eigenaar van die ene grote hoeve-met landbouwmachines op de rand van het plateau.

Besluit

Mijn advies is om zeker eens op dit plateau een kijkje te nemen. De grafheuvels zie je het beste in de winter maar de helling waarboven de nederzetting zich bevond biedt in alle seizoenen een spectaculaire blik door de beuken die er op staan en door zijn steilte. Vanaf de hoeve aan de bosrand aan het einde van de Ruelle Saint-Nicaise en de Rue Bois Nicaise ga je links in de richting van het dal. Je daalt af tot aan een smal paadje naar rechts midden op de helling en je volgt dat maar. De nederzetting torent boven je uit en beneden je zie de plekken water en de rand van het bos waar de Ruisseau de la Néthen stroomt. Naar die beek kan je ook afdalen en dan kom je over een wat bouwvallig bruggetje terecht aan het waterzuiveringsstation. Overal zie je sporen van everzwijnen en reeën en als je vroeg genoeg bent zie je de dieren zelf ook wel eens als je geluk hebt. Terug boven zoek je met de kaart in de hand verder je weg langs de vele paden. Meestal zijn die goed te doen, hier en daar is het steil maar je bent de eerste niet die een paadje om de steilte heen zal vinden.

+++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

Hans Baeté, Marc De Bie, Martin Hermy en Paul Van den Bremt – Miradal, Erfgoed in Heverleebos en Meerdaalwoud;  Davidsfonds/Leuven 2009; ISBN: 978-90-5862-624-8 – nog verkrijgbaar bij Vrienden van Heverleebos en Meerdaalwoud VZW.

+++

https://docs.google.com/file/d/0B-o-XUhsphXnSW5laHFIa2tRRnM/edit) : Sara Adriaenssens – een archeologische prospectie van Heverleebos en het Meerdaalwoud, VUB-licentiaatsthesis, 2006-2007 (dit is geen officieel gepubliceerd document , graag alleen gebruiken met volledige bronvermelding en met inachtneming van auteursrechten)

+++

Meerdaalwoud – Plateau van Saint-Nicaise

MIRADAL – Ontdek je erfgoed in Hverleebos en Meerdaalwoud – brochure (met kaart) uitgegeven in 2014 (te verkrijgen bij de Geschied- en Heemkundige Kring van Oud-Heverlee)

(er is ook een Franstalige versie)

+++

Voor een fototentoonstelling kan je terecht bij de Geschied- en Heemkundige Kring van Oud-Heverlee

+++

(http://nl.wikipedia.org/wiki/Michelsbergcultuur:

+++

SILEX’S Bergen | De neolitische vuursteenmijnen van Spiennes

walloniebelgietoerisme.be › content › silexs-bergen-de-…

+++

Spiennes (http://nl.wikipedia.org/wiki/Spiennes

+++

Over de heilige Sint Nicasius: http://saints.sqpn.com/saint-nicasius-of-rheims/

+++

Over Valduc: http://ernstguelcher.blogspot.com/2013/04/aan-de-zuidkant-van-het-meerdaalwoud.html

Hamme-Mille – Plateau van Nicaise – herfstlicht

Trefwoorden: meerdaalwoud, miradal, plateau van nicaise, erfgoed, prehistorie, michelsbergcultuur, archeologie, valduc, arenberg, charles dens, edmond devadder,

NETTOYAGE EN COURS: MET AER AQUA TERRA OP DE NETHEN IN GREZ-DOICEAU

Uitgelicht

Oktober 2020, Ernst Gülcher

version française: à suivre

La Néthen – Aer Aqua Terra – nettoyage en cours

In Vlaanderen zijn ze nog veel te weinig bekend maar in Wallonië kan je er niet naast kijken: als je op stap gaat in het land van de Dijle en je ziet twee mensen – tegenwoordig heel dikwijls vergezeld van een groepje enthousiaste vrijwilligers – met een bootje in de rivier met op de oever een grote troep vuilnis, dan zie je Ann-Laure Furnelle en Marc Verheyden van de VZW Aer Aqua Terra aan het werk.

Ik kwam ze kort geleden nog eens tegen aan dat mooie riviertje La Néthen aan de zuidkant van het Meerdaalwoud en ik moest opnieuw denken aan die oude legende die je wel kent en die ongeveer gaat als volgt: ‘er was eens een koppel jonge mensen en ze woonden aan de mooiste rivier van het land. Ze konden die echter niet zien omdat er tussen hun huis en het water een oude afvalberg stond van zowat een kilometer hoog met allemaal van die materialen die de natuur niet kan afbreken. Er was al veel over geklaagd, vergaderd, geschreven en geconfereerd met opruimingsaanbevelingen voor de ‘verantwoordelijke instanties’ maar het hielp niets.

Integendeel, de berg leek elke dag groter te worden omdat afval altijd méér afval aantrekt, zeker als je er niets aan doet. Bovendien zag het er naar uit dat het zo zou beginnen te stinken dat je er alleen nog maar met mondmaskers langs zou kunnen.

AER AQUA TERRA in la Néthen – nettoyage en cours

Op een dag waren ze het beu en ze besloten het zootje zelf weg te ruimen om hun zicht op de wereld terug te krijgen. Zo gezegd zo gedaan, ze trokken er alle dagen op uit met hun emmertjes, schepjes en een kruiwagen en begonnen de berg af te graven. Soms bleven er mensen staan en af en toe kwam er ook wel eens iemand helpen maar zoals je begrijpt ging het niet erg snel want zo’n berg is erg groot en een kruiwagen is maar heel klein en bovendien was het ook niet zo duidelijk waar je met al die troep naar toe moet als je geen vergunning, invloed en geld hebt. Maar ze hielden vol want met verstand, energie, geduld en goede zin kan je tenslotte alles bereiken wat je wilt dachten ze.

Op een dag zag de god van de vallei ze bezig en hij besloot om ze een handje te helpen. Hij stuurde een paar engelen en die pakten heel die berg in één keer mee en daarmee was het probleem opgelost.

Jammer genoeg hebben we in de Dijlevallei niet meer van zulke goden en moeten we als mensen onze eigen afvalbergen opruimen en er geen nieuwe bijmaken. Of dat gaat lukken mag je aan jezelf vragen (je mag ook komen helpen) maar in dit verhaal ga ik even met Ann en Marc mee langs La Néthen om je te vertellen welk belangrijk werk zij daar doen (ze lachen veel maar het was en is niet altijd zo gemakkelijk!) en je er een paar ‘natuur’foto’s van te laten zien. Tip: kijk ook eens op hun mooie website en facebookpagina.

AER AQUA TERRA in la Néthen – nettoyage en cours

La Ruisseau de la Néthen zie je op de kaart als een blauw kronkelend lint tussen iets ten westen van Beauvechain en de Dijle in Sint joris Weert. Vanaf zijn ietwat onduidelijke bron in de bebouwde kom tussen de Rue du Village en de Ruelle de la Cure volgt hij de door hemzelf uitgeslepen vallei altijd op het diepste punt langs Tourinnes-la-Grosse, Hamme-Mille en Néthen om in Sint Joris Weert een beetje opgestuwd te passeren langs het nieuw gemaakte rad van watermolen Vandenbempt.

Stroomopwaarts zijn er nog twee voormalige watermolens, die aan het kasteel van Valduc (op die plaats is de rivier omgeleid, de molen is er nog helemaal) en die aan de Rue des Claines (de voormalige ijzermolen is nu een woonhuis). Al die molens hebben een indrukwekkend verleden maar dat is een ander verhaal.

Het is een heel mooie waterloop die op veel plaatsen als natuurgebied beschermd is en zeker bijzonder omdat hij overal onderlangs het zuiden en westen van het Meerdaalwoud stroomt. Iets ten noorden van Hamme-Mille komt de Nodebais erbij in het natuurreservaat Le Grand Brou dat ook moet dienen als ‘bassin d’orage’. Ten zuiden van Hamme-Mille is er nog een natuurreservaat met dezelfde functie. Vanuit het bos komen ook de Warandeloop en de Paddenpoel op de Néthen aan.

AER AQUA TERRA – nettoyage en cours

In het verleden kon bij hoge waterstand de watermassa overal in de vallei worden opgevangen maar omdat de mensen hun huizen op veel plaatsen er te dichtbij gezet hebben en plaatselijk de beek teveel hebben gekanaliseerd zijn er blijkbaar nogal eens overstromingen en dat wordt er met de klimaatverandering niet beter op. Het water is helder maar ondanks het waterzuiveringsstation aan de Rue des Claines zou ik er toch maar niet van drinken want de beek heeft een beetje al te lang als open riool gediend.

Hij stroomt flink want op een totale lengte van zo’n 15km daalt hij af van een hoogte van 95m naar 30m. Als je al die troep ziet op de foto’s is het in de eerste plaats onbegrijpelijk waarom vroeger en nu nog altijd zoveel mensen hun overbodige spullen in dat water dumpen. Veel plastiek zal er wel met de wind in terecht komen en betonnen afrasteringspalen kunnen er ook wel invallen maar waarom zou je de moeite doen om je zware autobanden, motorfietsen, bidons, schoenen, waterketels, ijzeren paardenspannen en zelfs speelgoedpoppen naar hier te brengen om ze in het water te gooien in een samenleving waar iedere belastingbetaler betaalt voor een georganiseerde en zelfs selectieve afvalophaling? Wie het antwoord weet mag het graag zeggen.

De Néthen en de andere rivieren in het stroomgebied van de Dijle: wat er in gegooid wordt moet er uit en met woorden zal dat dat niet lukken! Dat werd in 2012 het persoonlijke credo van Ann-Laure na alweer een internationaal rapport over de schadelijkheid van afval in onze waterlopen en die van de rest van de wereld.

Air Aqua Terra – la Néthen

Wat toen begon als een individueel en even later met de komst van Marc als een tweepersoons avontuur werd zeer snel een dagelijkse strijd voor de reiniging van rivieren, oevers en verwilderde natuurplekken. Het sleuren met afval in alle seizoenen en het selecteren, tellen en wegen van al die troep heeft voor hen geen geheimen meer.

Sedert 2015 werken ze in nauwe samenwerking met de Franstalige organisatie ‘Le Contrat de Rivière Dyle Gette’ en op 1 januari 2017 zag de VWZ AER AQUA TERRA het licht.  Sindsdien gaat de aandacht voor hun werk in  stijgende lijn met milieuprijzen, persaandacht, bezoeken van persoonlijkheden (de Koning is nog niet geweest maar is altijd welkom) en steun van oever-gemeenten en de provincie Waals-Brabant.

Maar toch blijft het dweilen met de kraan open met zijn tweeën en de hulp van mede-vrijwilligers. Op hun website vind je overzichten van de systematische schoonmaakacties op al de rivieren in Waals-Brabant en de Néthen komt daarin opvallend vaak voor. In 2015 begon een actie in beek ter hoogte van het dorp Néthen en toen werd al direct duidelijk dat de voltooiing daarvan een werk van lang adem zou worden.

La Néthen – Aer Aqua Terra – nettoyage en cours

Het werk werd voortgezet in 2016 op het domein van Savenel en ik lees dat om een strook van 960m schoon te maken 46 werkdagen nodig waren! In 2017 werd tussen de Rue des Claines en Hamme-Mille een volledige bidon met Round-Up opgevist die als bewijs kan dienen hoe gevaarlijk zulk afval kan zijn voor het leven van planten en dieren in en rond het water.

Alles bij elkaar werden in die twee jaren over een afstand van 2572 meter en na 123 werkdagen 332 zakken huisvuil opgevist, 23 zakken PMC, 16 autobanden, 1660 flessen, 365 zakken plastic en 1388 kg oud metaal. Bij dat metaal zaten allerlei auto-onderdelen (dikwijls bevuild door motorolie) maar er was ook een geweer en munitie bij en veel prikkeldraad.  Dikwijls gaat het ook om grote of gevaarlijke  stukken zoals vast tapijt, ballatum, dekzeilen, platen, vensterglas en medicamenten. Een probleem apart vormen de kledingstukken waaronder grote zoals mantels en schoenen of hele kleine zoals ondergoed en maandverbanden.

En omdat alles onder het zand verborgen zit volstaat het niet om één ronde te doen maar vind je bij elke terugkomst nieuwe zaken. Toch even vermelden dat plaatselijke vrijwilligers van de natuurorganisaties en de jongerenverenigingen in aanzienlijk aantal aan deze acties meehielpen (zie de foto’s op de website).

AER AQUA TERRA – nettoyage en cours

Jij gooit het er in, wij halen het er uit! Een riviertje zoals La Néthen maak je niet in één keer schoon en jammer genoeg komt er ook altijd weer bij. Alles wat er in terecht komt wordt door de natuur afgedekt en als je de bovenste afvallaag er uithaalt stuit je daaronder op oudere resten. Wat opvalt is dat alles wat er uitkomt bijzonder goed bewaard bleef door het gebrek aan zuurstof onder water maar dat het er wel vreselijk uitziet bij het opvissen en soms kunnen de dikwijls jonge vrijwilligers het niet aanzien want er zijn grenzen aan het menselijk incasseringsvermogen.

Het gevaar van al die onverteerbare voorwerpen is dat ze bijdragen tot erosie van de oevers maar ook tot overstromingsgevaar omdat ze de stroom blokkeren. Een apart probleem vormen zaken zoals harde en zachte plastiek omdat dat een materiaal is dat niet afbreekt maar wel door de stroom en de kracht van het water in kleine en altijd kleinere fragmenten uit elkaar scheurt en al die deeltjes worden door het water meegevoerd om vroeg of laat in de zee uit te komen.

Maar niet alleen de biologisch niet afbreekbare spullen veroorzaken problemen, ook onvoorzichtig omgaan met organisch afval kan schadelijke gevolgen hebben.  Ann wees me op een grote hoeveelheid snoeihout die arbeiders van elektriciteitsbeheerder ORES (Opérateur des Réseaux Gaz et Electricité) uit het zicht hebben opgestapeld achter een electriciteitskast vlak op de oever in Wéz. Als dat in de rivier terecht komt kan het de hele waterloop afdammen en zeg dan maar niet dat de bevers het gedaan hebben!

La Néthen – AER AQUA TERRA – nettoyage en cours

In 2018 en 2019 concentreerde AER AQUA TERRA zich op andere rivieren maar in 2020 was La Néthen opnieuw aan de beurt. Tot ontzetting van de vrijwilligers kwam er in juni een volledige mensenschedel te voorscheen maar hoewel dat de nationale pers haalde komt zoiets blijkbaar wel vaker voor.

Soms zie je een paard aan het werk. Dat is de brave Quinoa die werkt voor de VZW Cordiante. Dat is een organisatie om jongeren met een mentale handicap in te zetten voor maatschappelijke werken en je kan hen vinden op de Ferme de l’Abbaye de Villers-la-Ville. Het zijn duidelijk ervaren professionele werkers want in minder dan geen tijd laadden ze alles wat op de oever klaarstond op hun kar om het klaar te zetten om naar het containerpark te worden afgevoerd.

En ook bij deze actie stond er véél klaar dankzij het werk van jongeren van het Maison des Jeunes de Braine l’Alleud, een heel aantal scouts – onder meer uit Beauvechain – en enkele volwassen vrijwilligers van diverse pluimage. In totaal hebben zo’n 21 mensen meegewerkt maar of er ook vrijwilligers bij waren uit Grez-Doiceau (Néthen) heb ik eigenlijk niet gehoord (ik zou het graag willen weten ….).

AER AQUA TERRA in la Néthen – Nettoyage en cours

Het inzetten van paard en wagen is dikwijls nodig want je kan op heel veel plaatsen niet met een vrachtwagen ter plaatse komen en dat is ook het geval aan deze beek op het stuk tussen Wéz en Hamme-Mille ondanks het feit dat er wel een veldweg is, namelijk de bedding van de voormalige buurttram Zwarte Jean.

Op het stukje van zowat een kilometer tussen Wéz en het zuiveringsstation werd deze keer in vijf dagen 1036 kg afval opgehaald, in totaal 7 kubieke meter onverteerbare rommel ofwel 22 zakken (pour ‘une Wallonie plus propre’) huishoudelijk afval; 8 zakken plastiek, 54 glazen flessen (leeg), 9 autobanden, 315 kg oud metaal en nog eens 330 kg materialen voor het containerpark. Wie zijn spullen herkent of het kan gebruiken mag het allemaal gratis komen ophalen maar je moet wel snel zijn.

Met Ann en Marc van AER AQUA TERRA op de Ruiseau de la Néthen : nettoyage en cours. Ok, wij gooien het er in en zij halen het er uit. Allemaal vrijwilligerswerk en alom bewonderd en geprezen. Aandacht in de pers en op TV, loftuitingen allerhande en de ene milieuprijs na de andere. Maar wat gaat de toekomst zijn?

AER AQUA TERRA in la Néthen – nettoyage en cours

Van een tweepersoonsactie in 2014 organiseert de kleine VWZ sinds 2015 ieder jaar een volledige campagne om systematisch de rivieren in Franstalig Dijleland schoon te maken en te houden.  Dat is een forse ambitie want het gaat over zo’n 1000 km van in het verleden ferm vervuilde waterlopen waarvan de Néthen er maar een kleine is.

Op het grondgebied van Gréz Doiceau stroomt vooral Le Train maar ook de Piétrebais en dan heb ik het nog niet over La Dyle zelf want die beschouw ik als ‘bovenlokaal’. Daarnaast kwamen en komen aan de beurt: Grande Gette, Petite Gette, Ruisseau Henri-Fontaine, de Orbais, de Orne, La Houssière, L’Ornoy, L’Argentine en de Lasne.

Meestal wordt in de winter gewerkt of in de lente als de begroeiing nog niet uitgelopen is en de vissen nog niet aan hun seizoen begonnen zijn. Het jaar 2020 startte met een grootse aankondiging in het kader van ‘BeWapp’ ofwel ‘Ensemble pour une Wallonie Plus Propre’. De tussenkomst van het gemene Covid 19 virus en de daarop volgend ‘confinement’ leverde heel wat moeilijkheden op maar lijkt dankzij de toestroom van vrijwilligers en de ondersteuning van de provincie en de gemeenten toch een succes te worden. Met de ondersteuning door het Contrat de Rivière Dyle Gette dienen zich uiteraard mogelijkheden aan om de zaken op professionele manier aan te pakken.

La Néthen – AER AQUA TERRA – nettoyage en cours

Op de website lees ik dat in totaal in 2015 20 ton afval werd opgevist, in 2016 21 ton, in 2017 25 ton, in 2018 34 ton en in 2019 29 ton. En dat dus allemaal met de hand! Voor de treurige details kan je terecht op de website maar geef je er graag rekenschap van dat om administratief in orde te zijn (bijvoorbeeld voor het containerpark) alles door Ann en Marc tot in detail moet gewogen, geteld en geselecteerd worden.

Voor de acties zelf komen blijkbaar wel veel vrijwilligers opdraven, vooral jongeren denk ik, in 2019 waren dat er maar liefst 600. Wanneer bepaalde stukken afval te zwaar zijn om met de hand uit de rivier te worden getild moet er een hijskraan aan te pas komen en daarbij wordt er soms geholpen door de gemeentelijke technische diensten maar ik zie toch vooral de naam opduiken van BIG MAT uit Grez-Doiceau die als ondernemer zijn vrije zondagen ter beschikking houdt voor het zware werk. Maar ook de daarvoor nodige afspraken moeten door hen beiden worden geregeld. En hetzelfde geldt voor alle vraagstukken van financiering en subsidiëring.

Als erkende VZW komen ze tegenwoordig wel in aanmerking voor belastingvrije giften maar toch vraag ik mij af of een werk van deze omvang louter op basis van vrijwilliger-statuten en vrijwillige medewerking van instanties moet blijven gedaan worden. Uiteindelijk gaat het toch allemaal om zogenaamde ‘onbevaarbare waterlopen’ en het onderhoud daarvan komt voor de verantwoordelijkheid van de Provincie en gemeenten.

AER AQUA TERRA in la Néthen – Nettoyage en cours

Dat veronderstelt minstens een professionele monitoring, bijvoorbeeld om vast te stellen wanneer en waar en waarvandaan er nieuw afval in het water terecht komt en de opstelling van een goed gefinancierd werkprogramma om zowel het historische als het nieuwe afval te verwijderen, af te voeren, te verwerken en daders in kaart te brengen en te sanctioneren.

Ik denk dat het laatste woord hierover nog niet gezegd is. Met deze bedenking ben ik wel rond met deze reportage. Maar het zal wel niet de laatste keer zijn want ik vind dat Ann en Marc heel erg belangrijk werk doen.

Meerdaalwoud – Plateau van Nicaise met LaNéthen – kaart NGI 1989

+++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

https://aeraquaterra.wordpress.com/page/2/

Aer Aqua Terra asbl – Stop Déchets Errants | Voor een proper …

aeraquaterra.wordpress.com

+++

https://www.facebook.com/pages/category/Community/Aer-Aqua-Terra-asbl-101586747009361/

Aer Aqua Terra asbl – Startpagina | Facebook

nl-nl.facebook.com › … › Aer Aqua Terra asbl

+++

https://www.giveaday.be/nl-be/vrijwilligerswerk/vacature/nettoyage-de-riviere-la-nethen/10383

+++

AER AQUA TERRA – nettoyage en cours


http://www.crdg.eu/actions-2/atteintes-aux-cours-d-eau/dechets-cours-d-eau/aer-aqua-terra-une-nouvelle-asbl-au-service-de-nos-rivieres

Aer Aqua Terra, une nouvelle asbl au service de nos rivières !

www.crdg.eu › dechets-cours-d-eau

+++

http://www.cordiante.be

+++

https://upbeauvechain.be/tag/aer-aqua-terra/

Aer Aqua Terra – Unité Pastorale de Beauvechain

upbeauvechain.be › tag › aer-aqua-t…

Aer Aqua Terra – met de hoofdpersonen in beeld

Trefwoorden : milieuvervuiling, afval, rivier, la néthen, aer aqua terra, ann-laure furnelle, marc verheyden, cordiante, contrat de rivière dyle-gette, beauvechain, gréz-doiceau,

HET HAACHTS BROEK – OP STAP IN DE DIJLE VAN VROEGER

Oktober 2020, Ernst Gülcher

klik op de foto’s om ze te vergroten

ernst.guelcher (at) telenet.be

Haachts Broek – beheerd door Natuurpunt

Het natuurgebiedje Haachts Broek vind je op de kaart heel gemakkelijk: het is een helemaal groene vlek die nogal ferm afsteekt tegen de huizen van het stadje Haacht ten westen er van en het dorp Wespelaar aan de zuidkant. Samen met de befaamde antitankgracht aan de (noord)oostgrens in de richting van de Dijle werd dit gebied in 1939 door de Belgische en Britse troepen haastig ingericht als de ruggegraat van het Belgische verdedigingssysteem tegen het vijandige Duitse leger.

Ik vind niet onmiddellijk heel veel over de geschiedenis van het broek maar op je wandeling merk je onmiddellijk dat het er heel nat en glad is en ik lees bij Natuurpunt dat dit komt omdat zoals overal in onze streek de bodem van lemig zand en klei heel moeilijk doordringbaar is voor water. Vanwege al dat water zie je op oude kaarten ook dat er nooit veel huizen gebouwd zijn. Maar je ziet ook dat de mensen door de eeuwen heen toch altijd geprobeerd hebben om het te ontginnen door de natte gronden te gebruiken als weiland en dat er op hoger gelegen stukken zelfs akkertjes werden aangelegd. Zowel op de Villaretkaart van 1745, de Ferrariskaart van 1777 als op de topografische kaart Vandermaelen zo’n honderd jaar later is het allemaal aangeduid als moeras, op latere kaarten zie je bos verschijnen, broekbos maar vooral massa’s populieren met daartussen ontgonnen percelen.

Je komt ook overal opvallend diepe grachten tegen die in het verleden zijn aangelegd om het terrein droger te maken. Vlak voor mijn bezoek had het hard geregend maar met de droge periode in de afgelopen tijd heb ik nergens in die grachten water zien staan en als je er in afdaalt zak je zelfs niet weg in modder want alles is hard geworden.

Haachts Broek – de leigracht staat droog

Natuurpunt raadt aan om laarzen aan te trekken. Op het ogenblik heb je eigenlijk vooral een stevig profiel nodig om stevig te blijven staan maar natte voeten zal je er niet krijgen.

Er staat nauwelijks water in en je ziet hem nauwelijks vanwege de begroeiing maar in het Haachts Broek is de belangrijkste waterloop de zogenoemde ‘Leibeek’. Die zie je op de kaart van oost naar west aan de zuidkant van het gebiedje tussen de antitankgracht en de Wespelaarsesteenweg. Hij gaat met een sifon onder de antitankgracht door. Op de website van de gemeente Haacht lees ik dat deze beek de historische grens is tussen Haacht en Wespelaar en tot ongeveer 700 jaar voor onze jaartelling de bedding was van de Dijle: “zo wordt duidelijk waarom de Leibeek bij de vorming van de bisdommen in de zesde eeuw na Christus nog steeds als grens genomen werd. Dit is de reden waarom Wespelaar en Tildonk bij (het bisdom) Kamerijk kwamen, terwijl Haacht en Werchter bij (het prinsbisdom) Luik werden gevoegd. Wespelaar wordt voor het eerst vermeld in 1154 als ‘Wispelaer’, opnieuw een bosnaam (wisp = weidebeek, laar = open plek in een bos)”.

In later tijden valt toch heel het gebied onder het wereldlijk gezag van de Hertog van Brabant maar wat mij boeit is dat je die heel oude dichtgeslibde Dijlebedding nog altijd kan zien gaan als een zogenoemde ‘paleomeander’, zij het hier en daar onderbroken. Op de huidige kaart maar ook op de Villaretkaart van 1745 vertrekt de Leibeek namelijk een beetje ten oosten van Wakkerzeel aan een loodrechte hoek van de Dijle ter hoogte van de Provinciebaan. Vandaar kronkelt de beek een beetje ten noorden van de spoorlijn naar het oosten totdat hij als ‘Wees(p)beek’ (de historische naam van de hele Leibeek) uitmondt in de Dijle tussen Rijmenam en Hever. Het is een heel vlakke waterloop maar ik begrijp dat vanwege zijn ligging in deze natte vallei hij door de jaren of eeuwen heen altijd overstromingsproblemen heeft gegeven bij hevige neerslag.

Haachts Broek – vogelkijkhut
Haachts Broek – de zon komt er door

In 2009 besloot de Provincie om de Leibeek op het grondgebied van het Haachts Broek te saneren door hem te ruimen omdat er alsmaar hogere waterstanden werden vastgesteld. Een jaar eerder had men bij het ruimen van de sifon onder het antitankkanaal ook al erg veel slib vastgesteld. In vroeger jaren moet het water van de Leibeek ook zwaar verontreinigd zijn geweest, onder meer door het bedrijf Remy aan de Leuvense Vaart dat tot 2000 zijn industrieel afvalwater ongezuiverd op de Lipsebeek loosde en die mondt in het Haachts broek op de Leibeek uit. Sindsdien bevat de beek blijkbaar weer vis en is het water in de bodem van het Haachts Broek blijkbaar van redelijke zij het zichtbaar erg voedselrijke kwaliteit.

Het Haachts Broek is sinds 2001 samen met de ernaast gelegen antitankgracht een erkend natuurreservaat en in beheer gegeven aan Natuurpunt Haacht. Dankzij het werk van de vrijwilligers is heel deze lappendeken van bos, weide, akkert en struweel nu een topnatuurgebied maar ook een heel mooi wandelgebied. In het voorjaar staat het vol met bloemen zoals bosanemonen, muskuskruid, slanke sleutelbloemen donkersporig bosviooltje. Iets later op het seizoen kom je zeldzame dauwnetel tegen lees ik op de website.

In het recent verleden zijn er massa’s populieren geplant op de vroegere kleine hooilandjes en veel daarvan  wordt wel weggehaald om de weideplanten en dieren opnieuw een kans te geven. Maar tegelijkertijd zie ik in het bos tussen de andere bomen nog heel veel populieren staan die kennelijk gerust gelaten worden om af te sterven en als dood hout de bosnatuur te bevorderen. Sommige van die bomen staan vol met indrukwekkende tonderzwammen. De wielewaal allerlei soorten spechten moeten het hebben van boomtoppen en zacht hout. Andere vogels zoals de nachtegaal hebben dan graag weer ruigtes op de bosbodem.

Haachts Broek – koraalzwam

Voor de vleermuizen is er een levensgrote gevechtsbunker als overwinteringsplaats ingericht. Op de weiden en akkertjes tieren de insecten en voor de amfibieën is er een klein poeltje aangelegd waar geen vis kan komen omdat het regelmatig helemaal opdroogt. Voor de vogelspotters is er een kijkhut ingericht die hoog boven de ruigte uitrijst. Volgens mij is het een herbestemde oude hoogzit voor de jagers en om er in te komen moet je wel een steile ladder op.

Het moet hier toch wel heel nat kunnen zijn denk ik want overal kom je vlonderpaden tegen en ik vind die opvallend hoog. Aan die paden kan je ook wel zien dat die zeer regelmatig vernieuwd moeten worden want houten paaltjes in water is niet zo’n duurzame combinatie. Reeën heb ik nog niet gezien maar volgens de infobordjes moeten ze er wel zijn. In elk geval kom je er een hele kudde schapen tegen die dienen om de vegetatie kort te houden. Het viel mij op dat die dieren bijzonder tam zijn maar ik denk toch wel dat je je hond best aan de lijn houdt om misverstanden te voorkomen.

Of er al everzwijnen en bevers gesignaleerd zijn heb ik niet gehoord maar het zou mij niet verwonderen want ik lees (en je ziet het ook op de kaart) dat het natuurgebied ‘Haachtse Leibeekvallei’ zich uitstrekt over de gemeenten Haacht en Boortmeerbeek en in het westen aansluit op het natuurgebied ‘Beneden Dijlevallei’ en dat leidt tot een vrijwel aaneengesloten groen lint van in de Dijlevallei tot in Mechelen.

Om er niet te verdwalen heb ik op mijn wandelkaartje voor een keer de knooppunten aangegeven zodat je tussen al dat groen altijd kan weten waar je bent en waar je naar toe wil.

Haachts Broek – Kaart OSM met knooppunten


+++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

https://www.natuurpunthaacht.be/haachts-broek

+++

Provincie steunt bijzondere natuurprojecten – Tie Roefs

www.tieroefs.be › provincie_steunt_bijzondere_natuurpro…

+++

https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/300492

Dijlevallei tussen Wijgmaal en Haacht | Inventaris Onroerend …

Haachts Broek – schapen

+++

https://www.integraalwaterbeleid.be/nl/bekkens/dijle-en-zennebekken/oud/bekkenbeheerplan/8_DZ_BBP_LR.pdf

+++

Trajectbeschrijving van Leuven naar Mechelen

www.kanaalgidsen.be › LeuDij › KaLeuvDijleTraject10

+++

https://www.nieuwsblad.be/cnt/wy_4_888_159979_2009

Provincie saneert Leibeek (Haacht) – Het Nieuwsblad Mobile

http://www.nieuwsblad.be › cnt

+++

https://www.haacht.be/korte-geschiedenis

+++

1 BEHEERSPLAN DORPSKERN WESPELAAR GEMEENTE …

plannen.onroerenderfgoed.be › plannen › bestanden

Haachts Broek – bunker

Trefwoorden: haachts broek, natuurpunt, erfgoed, geschiedenis, dijle, leibeek,

OP STAP IN NODEBAIS

Uitgelicht

KUNST, NATUUR EN HET GOEDE LEVEN

Ernst Gülcher

Oktober 2020 

ernst.guelcher (at) telenet.be

klik op de foto om de originele versie te zien

Version Francaise à suivre

Nodebais, in het Natuurreservaatje Le Grand Brou – hij of zij wacht op de tram

Nodebais, deel van Beauvechain en vlak over de taalgrens gelegen. Vlakbij en toch niet zo erg bekend bij Vlamingen. Misschien is dat maar goed ook want als er te veel vermoeide stedelingen van-bij-ons daar zouden willen gaan wonen denk ik dat het landelijke en artistieke karakter van dit mooie dorp wel snel in de verdrukking zou kunnen raken.  Tot nu valt het nog wel mee, je hoort er wel veel Vlaams maar dat komt toch vooral voor bij huizen die aansluiten op het behoud van het historische landelijke patrimonium met veel natuur rond de woning, respect voor een wat meer schilderachtige manier van bouwen en ook heel veel groene ruimte met dieren en bomen in de bebouwde kom.

Ik kom er echt heel graag om vanaf de vijver met reigers midden in het dorp (waar vind je dat nog?) op zoek te gaan naar het kapelletje Gosin, La Ferme d’Agbiermont, een hele reeks andere klassieke oude vierkanthoeves, het kerkje met pastorie en kapel, de watermolen, maar ook naar de tramdijk van Zwarte Jean met het mooie  gerestaureerde tramstation en het natuurreservaatje met ‘bassin d’orage’ Le Grand Brou. Nodebais ligt vlak aan de drukke Chaussée de Namur maar omdat het verscholen ligt in het valleitje van de beek waarnaar het genoemd is merk je daar niets van en ik geniet er altijd van de rustige stilte die in de dorpen aan de Vlaamse kant van de taalgrens bijna overal verloren is gegaan.

Nodebais – Max Van der Linden

Het woord ‘Node’ is blijkbaar een oud Frans woord voor ‘weide’ en in Nodebais is er nog veel weidegrond tussen de huizen en voorlopig zonder bordje ‘bouwgrond te koop’. Het woord ‘Bais’ staat natuurlijk voor het beekje dat slecht enkele honderden meters stroomopwaarts niet ver ten zuiden van het dorp uit de helling tevoorschijn komt, met een kanaaltje langs de Chemin des Soeurs naar de molenvijver stroomt en dan als een echte beek richting Ruisseau de la Néthen en het ‘bassin d’orage’ gaat.

Een beetje geschiedenis

Een beetje geschiedenis. Nodebais bestaat al in het jaar 1000 wanneer Gravin Alpaïde, de laatste heerseres over het Graafschapje Brunerode en stichtster van het chapiter van Hoegaarden al haar bezittingen in deze omgeving afstaat (met Nodebais inbegrepen) aan de abdij van Hastière (Waulsort), dat wil zeggen juist binnen het Prinsbisdom Luik. Daar zijn oorlogszuchtige moeilijkheden van gekomen tussen de heren van Luik en die van Leuven waarbij uiteindelijk heel het Brunerodegebied in handen komt van de Hertog van Brabant op een paar enclaves na zoals Hoegaarden zelf maar ook Chaumont en Beauvechain. Vandaag is Nodebais samen met Tourinnes en Hamme-Mille deel van Beauvechain. Maar op de Ferrariskaart van 1777 zie je de grenzen van die enclave en wat blijkt: Beauvechain en Tourinnes liggen er juist binnen maar Nodebais valt er net buiten (zie de afbeelding). Daaruit begrijp ik dat de Hertog van Brabant zich vanuit Leuven de wereldlijke heerschappij over Nodebais heeft toegeëigend terwijl de geestelijke overheid het in die tijd vanuit Luik/Waulsort voor het zeggen had met zetel in het plaatselijke bijgebouw van de abdij, nu de Ferme d’Agbiermont.

Nodebais (Beauvechain) – het licht gaat aan voor de paarden

De naam Nodebais wordt ook gebruikt door enkele leden van het geslacht de Tilborg die tijdens het bewind van de Hertog van Brabant Henri I in deze omgeving blijkbaar grote bezittingen hadden. In 1230 was er dan ook nog een ridder Gilbert die van Nodebais kwam. In 1371 wordt het dorp met de naam ‘Nodebeke’ vermeld op een lijst van steden die van de Hertog van Brabant een hele reeks privileges verkregen en om die te krijgen moeten de dorpelingen de hertog gesteund hebben in belangrijke economische en krijgszuchtige zaken. Als je dus bij de volgende bezoek in Nodebais langs de Ferme des Vignes door de Rue de la Justice komt, weet dan dat in de middeleeuwen daar op de driesprong misschien een eik of linde stond waaraan je op last van de Hertog van Brabant ter afschrikking kon worden opgehangen na te zijn terechtgesteld op het schavot in Leuven. Maar ik geef toe dat ik hiervoor geen enkel bewijs of getuigenis heb gevonden en op oude kaarten is ook niets te zien.

De onafhankelijke “République Royale Libre d’Oultre Nodebay”

Alles bij elkaar heeft dit alles de bewoners van dit dorp van kunstenaars niet tegengehouden om een ferm onafhankelijkheidsbewustzijn te koesteren waarbij nog in 1976 een groepje burgers op initiatief van het kunstenaarsechtpaar Kira en Claude Rahir samen met kunstenaar-vrienden zoals Max Van der Linden, Lucienne Camus en André Kersten unilateraal de onafhankelijkheid van het dorp uitroept door de oprichting van de République Royale Libre d’Oultre Nodebay’. Het moet een gezellige republiek geweest zijn met jaarlijkse feesten en een rabarberwijn met geheim recept als bindmiddel voor verdraagzaamheid tussen mensen van alle culturen en opvattingen als motto. De wapenspreuk van de republiek lees je op het dak van het huis van Kersten aan de Chemin des Soeurs: ‘Rian todi tin qu’ l’est co timps’ ofwel ‘laten we lachen nu het nog kan’. Die wapenspreuk is nog altijd overduidelijk te lezen en ik vind hem eigenlijk in onze tijd nog meer toepasselijk dan in de jaren dat hij bedacht werd.

Nodebais – hoeve Kerstens

Vandaag de dag is het in Nodebais toch wel iets gekalmeerd denk ik want het ziet er overal erg braaf uit (misschien wel iets té braaf), vooral denk ik omdat de oude generatie er ondertussen niet meer is en er ook wel veel nieuwe mensen van buitenaf in het dorp zijn komen wonen met andere gewoonten en tradities. Het valt me ook op dat er geen enkele dorpskroeg te zien is en blijkbaar ook nooit geweest is. Het is allemaal wel erg gemoedelijk, de mensen groeten je vriendelijk, kijken niet wantrouwig en geen aanstalten om de politie te roepen als je huizen en tuinen fotografeert. En dat is fijn want het dorp staat vol met fotogenieke huizen, tuinen en er zijn overal grote en kleine dikwijls aan de natuur gebonden kunstwerken te zien. Zelfs de openbare vuilbakken zijn mooi beschilderd. Op de jaarlijkse november-feesten van Saint-Martin kan je op veel adressen ook een en ander gaan bekijken.

Claude en Kera Rahir, Lucienne Camus, de bio ferme D’Evrard

Het begint al meteen in het centrum waar achter het schooltje – het vroegere gemeentehuis – een atelier staat voor het maken van nestkasten met vlak daarnaast een tuin waarin de meest merkwaardige voorwerpen zijn opgesteld.

Het schooltje zelf heeft trouwens een zijgevel met een verrassende eigentijdse architectonisch uitzicht  verrassing in de vorm van een aangebouwd trappenhuis dat helemaal met hout is afgewerkt. Ik vind het wel mooi passen bij het verder heel klassieke gebouw.

Aan de voorkant van de school is een enorme fresco gemaakt in 1995 door de schoolkinderen onder de leiding van Claude Rahir en rond het dorpscentrum tref je op vele plaatsen keramiek aan van Max Van der Linden. In de wortels van de rode beuk op het pleintje zou op initiatief van Claude Rahor een brief van de schoolkinderen aan hun nazaten verborgen zijn maar niemand weet wat er in staat (en helemaal geloven kan ik het niet want de boom is vast een stuk ouder dan 1995). Het wachten is op een lezer die er het fijne van kent.

Op de hoek van de Rue de L’Etang met de Chemin du Jacotia staat op het eerste huis ook een fresco van Rahir, in dit geval door de meester zelf gemaakt.

Nodebais – Claude Rahir

Op Max Van der Linden kom ik nog terug. Beeldhouwer Claude Rahir wordt in 1937 in Verviers geboren maar woont en werkt in Nodebais tot zijn dood in 2007. Zijn vrouw en actieve geestesgenoot Kira overleed in 2014. Hun huisje en atelier staan in de Chemin du Jacotia op nr.15 en hoewel het wel een verfje nodig heeft kun je het niet missen vanwege de Komeet Hale-Bob die op de gevel is ingeslagen.

Claude Rahir heeft de wereld een monumentaal kunstpatrimonium nagelaten in de vorm van muur mozaïeken, bas-reliëfs, beelden, tuindecor in steen maar ook monumentale muurschilderingen. Typerend voor Rahir is zijn zoektocht naar nieuwe materialen en technieken en de wil om die te integreren in datgene wat de mens al sinds de prehistorie heeft ontdekt en gebruikt. Er zijn nog alle jaren tentoonstellingen met zijn werk dat permanent te zien in vele Belgische steden maar ook in Zuid-Korea, Japan, Bolivia, Jamaica en in Guyana.

Een klein beetje eerder in dezelfde straat kom je op nr.9 al het heel schilderachtige en charmante huis en atelier van Lucienne Camus tegengekomen, bekend om haar beeldhouwwerk. Zij nam nog in 2019 deel aan de Fêtes de Saint Martin en nu de editie van 2020 is uitgesteld naar 2021 zul je wellicht bij haar moeten aankloppen om haar mooie werken van het jaar nog te zien.

De kasseien van de Chemin de Jacotia maken plaats voor een wandelpad en langs het enorm grote groene grasplein met ponies en fruitbomen (met aan de overkant het dak met de hierboven genoemde republeinse slagzin) kom je op de hoek van de Chemin du Vivier de Saint Laurent een mooi gemetseld bronnetje tegen met de mededeling ‘aqua non potable’.

Je staat aan de ingang van een er heel gewoon uitziende grote boerderij. Als toevallig voorbijganger zal je er niet snel binnengaan maar dit is de Ferme Evrard, als familiebedrijf sinds 25 jaar alom in de streek bekend voor de teelt van aardappelen. Maar in de huidige moeilijke tijden is de hoeve duidelijk een aanvullende en veelbelovende weg ingeslagen als bioboerderij voor het kweken van allerhande soorten groenten en fruit die vooral gericht zijn op de verkoop ‘direct du producteur au consommateur’, dat wil zeggen voor de ‘landbouw voor de  korte keten’ inplaats van voor de grote agro-industriële markt.

Nodebais (Beauvechain – non-potable maar toch een bronnetje midden in het dorp

In de winkel op het terrein kan je hun produkten aankopen lees ik op de zeer uitgebreide website en facebookpagina. Kortom, je komt hier dus opnieuw boeren tegen die niet klagen en zich laten doen door de agro-industrie maar die resoluut kiezen voor de toekomst van duurzame biolandbouw.

In de Rue Vivier- Saint Laurent vind je op nr. 5 nog een hoevetje uit de 18de eeuw met originele deur met lijst van witte gobertange zandsteen. Je herkent het onmiddellijk aan de mooi geschilderde brievenbus.

Domein d’Agbiermont

Neem kaart er maar even bij en dat zie je dat deze kasseiweg met de naam ‘Vieux Chemin de Namur’  inderdaad in de oude tijd – dat wil zeggen voor de bouw van de militaire basis – rechtstreeks aankwam op de huidige Chaussée de Namur

Het Domein van D’Agbiermont aan deze oude weg neemt in het dorp Nodebais een zeer speciale plaats in. De naam komt waarschijnlijk van ‘Dagobert-Mont’ wat kan wijzen op een Merovingische oorsprong ergens tussen het jaar 500 en 800. Op het domein bevinden zich zowel het landhuis als de ferme d’Agbiermont. Dat landhuis is de opvolger van een kasteel in Vlaamse nereniassancestijl  dat in het bos gebouwd werd 1853 door architect Edouard Laverne uit Leuven op vraag van Baron Maximilien Michaux. De baron was een beroemd geneesheer aan de Leuvense universiteit. In 1849 treedt hij in het huwelijk met Marie Thérèse Gosin, de dochter van de familie Gosin die op de naast het kasteel gelegen hoeve woont. Zij is de in 1907 overleden overgrootmoeder van Max Vanderlinden en de stichtster van de kleine kapel die iedereen kent als ‘La petite Chapelle Gosin’ vlak buiten het dorp. Over die kapel vertel ik hierna. Het kasteel brandt in 1945 af. Nadien  werd het grotendeels met de oorspronkelijke materialen als een grote villa terug opgebouwd. Het ligt volledig afgesloten in een park met beroemde bomen, alleen in de winter kan je er iets van zien.

Nodebais – kasteel d’Agbiermont – oude foto

Nodebais (Beauvechain) – Chateau d’Agbiermont

De boerderij wordt al vermeld in de 14de eeuw en is dan in het bezit van de Abdij van Waulsort-Hastière. Op de Ferrariskaart van 1777 heet het ‘Waulsor’. Deze periode eindigt met de Franse Revolutie hoewel er zich nadien opnieuw kloosterlingen van de orde van de Benedictijners gevestigd hebben.

De indrukwekkende gebouwen die je nu ziet dateren vooral van het midden van de 18de eeuw. De vierkantshoeve is merkwaardig door zijn ‘normale’ uitzicht aan de voorkant in de Vieux Chemin de Namur en de steile wand aan de ‘Chemin de la Petite Chapelle’ met de enorme recent gerestaureerde steunberen. De hoeve is sinds 1952 het hoofdkwartier van de familie Vanderlinden die zich in de streek vooral toelegt op de fruitteelt. De boomgaarden tref je hoog op de helling aan de overkant van de Chemin d’Agbiermont naast een recent gebouwde villa die naar ik denk het huidige centrum is van de tuinders-activiteiten van de familie en daartoe hoort sinds enkele jaren ook de productie van wijndruiven. Maar dat is voor later.

Zowel het kasteel als de hoeve zijn op de Waalse lijst van Waardevol Bouwkundig Erfgoed ingeschreven ‘comme monument’ maar toch denk ik niet dat ze echt als zodanig beschermd zijn want hij staat niet op de lijst van ‘monuments classé). In hoevere er gerestaureerd wordt kan je van de buitenkant niet zien en de foto in het beschermingsdossier van de hoeve toont niet de indrukwekkende muur met de grote peilers maar de aan de zijkant hoger gelegen toegang tot de vierkanthoeve. Die peilers zijn altijd een boeiende bron van discussie over het restaureren van oude gebouwen door de aanwending van nieuwe technieken en eigentijdse stijlen.

Tegenover de ferme D’Agbiermont staat de Ferme Delchay, een 18de vierkantshoeve die eveneens ingeschreven is als ‘monument’. Met de steun van de zeer katholieke bewoners van de Ferme d’Agbiermont werd in dit gebouw na de oprichting van de gemengde gemeenteschool aan de vijver de vrije meisjesschool voor basisonderwijs Saint Charles ingericht. De Delchay-school werd geleid door de zusters Annunciaden. Van hier ging men naar de mis in de parochiekerk via de naamtoepasselijke  ‘Chemin des Soeurs’. Om die reden heet de hoeve nog altijd ‘l’école’.

Nodebais – Ferme Delchay ‘l’Ecole’

Max Van der Linden

De oude hoeve is het geboortehuis van de internationaal erkende keramiekkunstenaar Max Van der Linden. Hij woonde en werkte er van 1922 tot aan zijn overlijden in 1999. Hij moet een uiterst vriendelijk en kleurrijke mens geweest zijn die zich vooral toelegde op religieuze kleurrijke keramiek. Zijn thema’s zijn de muziek, eenzaamheid en dood en hij inspireerde zich op het dagelijkse boerenleven in zijn dorp en de primitieve kunst. Zijn werk kan je op veel plaatsen in het dorp nog zien (in de kerk, het nabijgelegen grafkapelletje, het oorlogsmonument aan de vijver, aan vele huizen in het dorp en op evenzoveel kapellen en andere plekken in de omgeving.

Over de kunstenaar, vind je van alles (zijn persoon en werk, vrienden, les Fetes de la Saint-Martin, de VZW met zijn naam) op de aan hem gewijde website http://www.maxvanderlinden.be/. Daar staat wel al een paar jaar op dat zijn werken pas weer aan het publiek getoond zullen worden als men een goede expositieruimte gevonden heeft in het dorp. Die website is vanwege ‘hacking’ niet meer bijgewerkt maar inderdaad waren tot 2015 zijn atelier en werken nog op de hoeve te zien. Maar sindsdien is de hoeve verbouwd tot privé-appartementen waarin nog lang en naar ik denk nog steeds leden van de familie wonen. Een van hen, Stéphane Terlinden (neef van Max) is bekend door zijn prachtige keramieken en schilderijen. Let op de naamsverandering: Stéphane is de zoon van de zuster van Max. Die zuster huwde een echtgenoot met de naam Terlinden (van het kasteel in Nethen-Savenel) en zo gaan de namen Van der Linden en Terlinden harmonisch samen.

Zijn werken zijn sindsdien niet meer tentoongesteld in Nodebais, behalve dan in La petite Chapelle Gosin, maar in L’Eglise Saint Martin in Tourinnes – la Grosse wat betreft het sacrale werk en in het vroegere gemeentehuis van Beauvechain in la Salle du Vert Galant met de meer wereldlijke stukken. Zijn werken zijn zouden ook te zien zijn in het universitaire museum in Louvain-la-Neuve.

Nodebais – la Ferme d’Agbiermont – mooi of niet mooi – altijd even stevig

Ter nagedachtenis worden sinds 2015 ook ieder jaar in maart in Beauvechain het internationale Max Van der Linden muziekfestival georganiseerd

La Petite Chapelle Gosin

Helemaal aan het einde van de dorp Nodebais in Waals Brabant stuit je op de grens met de militaire luchthaven van Beauvechain aan het achterhek van het domein van d’Agbiermont op de Chemin de la Petite Chapelle op een allerliefst kapelletje waarvan de deur (bijna) altijd open is en dat helemaal versierd is met keramiekwerk.  De kapel is gewijd aan Onze-Lieve-Vrouw van Goede Bijstand, en beter bekend als de Gosin-kapel. De afbeeldingen bracht Max Van der Linden aan tussen 1950 en -65 en allemaal samen vertellen ze het verhaal van zijn overgrootmoeder Marie-Thérèse.

Wie zich verwondert dat dit kwetsbare kapelletje altijd open, staat mag bedenken dat het ferm bewaakt wordt. Het personeel van de First Wing Bevekom zorgt voor het onderhoud en het schilderwerk en om die reden staat hun insigne op de zijkant (audeo aciem = ik durf te vechten, Tacitus).

Aan beide zijden van de ingang vertellen mozaïeken je “dat in 1831 op de ferme d’Agbiermont in Nodebais, Jean Charles Gosin en zijn echtgenote hun eerste kindje verwachten. Zij doen een gelofte aan Onze Lieve-Vrouw dat zij deze kapel zullen bouwen ter erkenning van deze heuglijke gebeurtenis. Op 2 oktober komt een klein meisje ter wereld met de naam Marie Thérèse. Maar helaas, kort na de viering van deze geboorte, luiden de klokken voor de jonge moeder die door God wordt teruggeroepen. Men besluit om de kapel te bouwen maar kort daarna verlaat de vader op zijn beurt deze wereld en laat zijn kind als wees achter.

Nodebais – kapel Gosin

In 1836 legt de kleine Marie Thérese Gosin op 5-jarige leeftijd de eerste steen van deze kapel, zoals beloofd aan de koningin van de Hemel door haar ouders bij haar geboorte. Zoals we al zagen huwt zij in 1849 met kasteelheer baon Maximilien Michaux

Zij overlijdt in 1907 en laat ons deze kapel na die haar naam draagt. De benedictijner monniken die sinds de Franse revolutie verblijven op de ferme d’Agbiermont hebben deel aan de bloei op deze plaats van de cultus van Onze Lieve-Vrouw van Goede Bijstand.

Iedereen in Nodebais zal je vertellen dat Marie Thérèse Gosin de overgrootmoeder is van de verteller van dit verhaal en de maker van de mozaïeken.

En dat blijkt nog waar te zijn ook als we weten dat zijn vader Ernest een zoon is van Caroline Michaux die op haar beurt de dochter is van Ernestine Gosin. In die stamboom komt de naam Marie-Thérèse echter maar eenmaal voor als de naam van de moeder en dus niet de overgrootmoeder van de kunstenaar. Maar ondertussen kreeg ik van een aandachtige lezer een doodsprentje toegestuurd en daar staat op te lezen dat Ernestine Gosin in werkelijkheid Marie Thérèse Caroline Gosin heet en met deze kennis lijkt dit raadsel opgelost, waarvoor grote dank. Om de afstamming helemaal rond te krijgen moet je weten dat Max Van der Linden de zoon is van Ernest Van der Linden die op zijn beurt de zoon is van Caroline Michaux. Caroline is de dochter van Ernestine Gosin die op een doodsprentje Marie Thérèse Caroline Gosin genoemd wordt (en zij is dus gehuwd met Baron Maximilien Michaux).

Nodebais (Beauvechain) – kapel Gosin

Nodebais – Gosin – doodsprentje Marie Thérèse – oude foto


La Verte Voie, de vijver in het dorp

Vanaf de kapel en het monumentale achterhek van het Château d’Agbiermont volg ik de kasseien van de Chemin de la Petite Chapelle onderlangs het bosrijke kasteeldomein. Heel in de verte zie je de Chaussée de Namur en op de weiden grazen de koeien langs het begin van de Nodebais zou kunnen zijn maar hier een greppel is. Jammer genoeg zijn langs deze weg de majestueuze en schaduwgevende populieren allemaal gekapt. Je ziet de stronken nog staan en ik zou willen dat er nieuwe exemplaren zouden worden aangeplant maar de boer lijkt dat niet van plan te zijn. Bij wijze van schrale troost kan je op de zanderige helling dichtbij de kapel in de zomer het mooie zeldzame blauwe zandblauwtje aantreffen als je het verschil weet met de al even blauwe maar helemaal niet zeldzame beemdkroon die hier welig groeit.

Onderweg naar het dorp kom ik een groot bord  ‘la Verte Voie’ tegen. Op weg op Franstalige wandelpaden stuit ik dikwijls op die uitdrukking en aangezien mijn vrienden natuurgidsen me niet kunnen vertellen wat hier achter steekt heb ik het zelf maar eens opgezocht. Op de website http://www.vertevoie.be/ lees ik het volgende: « La Verte Voie est une équipe de professionnels indépendants ayant comme objectif commun l’aide à l’enfant/adolescent en difficulté et à sa famille …. Cet Espace Pluridisciplinaire a la volonté de collaborer étroitement avec les structures scolaires et médicales avoisinantes et lie, depuis sa création en 2006, des contacts avec les écoles, les centres psycho-médico-sociaux, les pédiatres et neuro-pédiatres de la région ainsi qu’avec les thérapeutes extérieurs. »

nodebais – Une mosaïque orne le muret del’ancienne maison communale(AU N°7 DE LA PLACE). Elle a étéréalisée en 1995 par les enfantsde l’école, dans le cadre d’unatelier avec le sculpteur ClaudeRahir, que vous découvrirez aufil de la promenade.

Op die website kan je alle contactadressen en activiteiten vinden en lees je ook dat er in Nodebais een consultatiebureau is aan de Rue de L’Etang in of naast het schooltje.

Daarmee ben ik terug aan de vijver. Die werd in het begin van de 19de eeuw uitgegraven om de molen van water te voorzien. Daarover ga ik het nog hebben maar eerst blijf ik even onder de prachtige platanen staan op het dorpsplein langs het water. Vanaf het bankje kan je de reiger bewonderen die er bijna altijd is en enkele meters verder is een echte Barbecue plek voor wie van het dorp is. Zoals in ieder dorp staat op het pleintje ook het oorlogsmonument maar in Nodebais is die sombere zuil gedecoreerd door Max Van der Linden en dat geeft hem een aparte allure.

Het is absoluut de moeite om rond de vijver te wandelen want aan de overzijde zijn er enkele heel mooie kunstenaarswoningen. Naast het schooltje staat opnieuw een kleine kapel. Het is een nogal onopvallend sober bakstenen neo-gotisch gebouwtje, gewijd aan Notre Dame de Lourdes en gebouwd in 1910. Jammer genoeg is het altijd gesloten en kan je nauwelijks de door Max Van der Linden gedecoreerde binnenkant zien.

Nodebais – de vijver – het vroegere reservoir voor de watermolen

De watermolen Le Doyen en de Ferme de la Brasserie

De vijver is er nog maar de molen maalt niet meer. Tussen de beiden ligt de boogbrug, gebouwd in de 19de eeuw en aan beide kanten een steen in gobertange met de naam van de brug (J.P.Doyen) en van de beek. In ‘Molenechos’ lees ik dat de Moulin Le Doyen in 1802 gebouwd werd bovenop de Nodebeek in een langwerpig gebouwtje aan de Rue de l’Etang.Met een verrekijker lees je de inscriptie op de steen in de gevel van het onopvallende gebouwtje: SIMON JOSEPH – LE DOYEN – FIT LA FOLIE – EN 1802. Mijn Franstalige vrienden kunnen me niet vertellen of de molenaar hier nu touw maakte of dwaasheden uithaalde. Ergens lees ik dat hij altijd een goed humeur had en de wapenspreuk leverde voor de in 1976 geproclameerde “République royale libre d’Oultre Nodebais”: “laten we lachen nu het nog kan”. De molen diende om graan en draft (gerst?) te malen; rond 1870 zijn er één waterrad en twee steenkoppels en staat naast de molen een brouwerij met twee stoommachines met elk een vermogen van 10 PK. Rad en binnenwerk zijn verwijderd en het geheel ziet er een beetje treurig uit.

Dat laatste kan je niet zeggen van de mooie en opvallend grote witte vierkantshoeve naast de molen die nog echt een boerderij is. In het erfgoeddossier lees ik (met een uitvoerige beschrijving) dat dit de 18de/19de eeuwse ‘Ferme de la Brasserie’ is.

 Zo’n brouwerij hoort uiteraard bij elke watermolen en werd hier ook samen met de molen in 1802 neergezet. Overal in ons land gaan die oude brouwerijen samen met de molens  weer open maar in Nodebais heb ik nog geen geluiden in die richting opgevangen.

Nodebais – alles wat er nog over is van de watermolen Doyen

Het elegante neoklassieke herenhuis met schilddak aan de overkant op nummer 12 tegenover de kerk was vroeger het woongebouw van een boerderij. Het erfgoeddossier vertelt dat de voorgevel symmetrisch opgetrokken is rond de centrale as van de ingang. In de tegel boven de deur zijn een origineel motief – een bijenkorf – en een inscriptie gehouwen met de naam van de opdrachtgever en de datum waarop het gebouw werd opgericht: ˝SIMON DOYEN / ANNO 1831˝. De familie Doyen deed kennelijk niet alleen in bier maar ook in honing tenzij die bijenkorf een andere betekenis heeft die ik nog niet ken. In hun tijd moeten de Doyens een invloedrijke familie geweest zijn in Nodebais maar zijn er nog nazaten die hier wonen en er meer over kunnen vertellen?

Nodebais – herenhuis, in 1831 gebouwd door SIMON DOYEN – Rue de l’Etang 12 – eertijds de herberg van een boerderij

Het kleine Sint Waltrudis kerkje met pastorie, kapel en kerkhof

Ik vind het jammer dat alle gebouwen in deze omgeving zo dicht en ontoegankelijk zijn want het straatje met de pastorie, de kerk, et kapelletje en het kerhof is echt van de meest charmante plekken in het dorp. De pastorie in witgekalkte baksteen en gobertange dateert uit het einde van de 17de eeuw en is sindsdien door de elkaar opvolgende pastoors telkens vergroot, verhoogd en uitgebreid en de details daarover lees je ook in het erfgoeddossier.

Vlak daarnaast en daarachter staan de neoklassieke Sint Waldetrudiskerk (opgericht in 1837 door architect Antoine Moreau, voor een beschrijving zie het erfgoeddossier). Anders dan l’Eglise de Saint Martin in Tourinnes-la-Grosse is de kerk geen ‘eglise ouverte’ en zijn de deuren dus gesloten tenzij er een plechtigheid is.

Daarentegen is het neogotische kapelletje aan de ingang van het ommuurde kerkhof wel open, toch om er binnen te kijken want zo groot is het niet. Het is rond 1900 in witte steen gebouwd door de familie Van der Linden. Aan de binnenzijde is het in onze tijd versierd door Max Van der Linden en zijn ook twee stenen aangebracht met de namen van de voornaamste familieleden.

Als de zon er op schijnt is het grote witte kruisbeeld juist voorbij de pastorie heel fotogeniek. Het werd in 1930 door de dankbare parochieleden aan hun pastoor aangeboden (en dat staat er ook op) en stond lang achter de muur van het kerkhof een beetje verscholen tussen het groen.  Sinds wanneer het naar de straat verplaatst is weet ik niet maar je kan het niet missen op je wandeling.

Nodebais – De Sint Waltrudiskerk en de pastorie

Ferme des Vignes

Nog even verder kom je kruising tussen de Rue Draye en de Chemin de la Justice.

Als je hier links gaat naar de Rue Draye kom je op je linkerhant langs de achterzijde van een zeer mooi huis met een tuin als van een klein park en een wandelpad geflankeerd met knotwilgen dat je terugvoert naar de dorpsvijver, absoluut de moeite waard!

Als je rechts gaat naar de Chemin de la Justice kom je eerst op de hoek de indrukwekkende witgekalkte vierkantshoeve ‘Des Vignes’ tegen. De deuren zijn altijd potdicht en ik denk niet dat het nog een boerderij is maar het huis met zijn opvallend grote schuur dateert uit het midden van de 18de eeuw. Het erfgoeddossier geeft een omvangrijke beschrijving maar vertelt niets over de aanwezigheid van wijngaarden in deze omgeving die er toch moeten geweest zijn.  Ik zie hier nergens wijnstruiken maar met een beetje zoeken ontdek ik de je dichtstbijzijnde wijngaard zou moeten kunnen vinden op de – hoe kan het anders –  Ferme d’Agbiermont waar Pierre Van der Linden al enkele jaren een droge witte wijn ‘Fonds des Loups’ (Rivaner, Pinot Auxerrois) bottelt. Afhankelijk van het jaar levert de oogst 1000 tot 2000 flessen op en “alles gebeurt op de boerderij: druiventeelt, oogst, bottelen en rechtstreekse verkoop. U kunt de wijn ook drinken in de Relais-Saint Martin (Tourinnes-la-Grosse) en hij is in depot in de Ferme de la Chise (Beauvechain) en de Ferme Evrard (Nodebais).” Dat is dus alweer een goede reden om Nodebais een bezoekje te brengen wanneer je in de buurt bent.

Nodebais – ferme des Vignes

De veldweg brengt je naar een splitsing waar ooit de gerechtsboom zou kunnen hebben gestaan maar omdat oude en nieuwe kaarten er niets over zeggen gaan we hier rechtsaf en komen dan via een andere veldweg zowat uit op de bocht tussen de Rue de Tourinnes en de Rue du Grand Brou.

La Réserve Naturelle Domaniale Le Grand Brou en het bassin d’orage

Hier moet je opnieuw naar rechts over een veldweg die zelfs voor niet-kenners de bedding is van de oude buurtspoorweg ofwel de Vicinal tussen Hamme-Mille en Beauvechain, bij uitbreiding tussen Tervuren en Tienen/Jodoigne. Over die buurtspoorweg kan je alles lezen op een andere plaats. In deze reportage richt ik mijn schijnwerper alleen even op het voormalige tramstation in Nodebais.

Voordat we daar zijn nemen we even kijkje in enkele opmerkelijk plaatselijke natuurprestaties. Vlak voordat je aan de achterkant van de grote camping komt sla je een onopvallend paadje in en dan sta je plotseling in het 8 ha grote natuurgebiedje ‘Le Grand Brou’ aan een houten kijkwand met zicht op een kleine vijver omgeven met een overvloed van plantengroei.

Je bent hier zowat op de plek waar de Nodebeek (Ruisseau de Nodebais) stroomafwaarts van de watermolen Le Doyen in de moerassige vlakte aankomt en met kleine waterstroompjes via de Ruisseau de Nethen naar de Dijle afwatert. Het slib dat de beek hier door de jaren heen afzet zorgt volgens mijn bronnen voor »une mosaïque de milieux intéressants (prairies humides, plans d’eau, roselières, fourrés, saulaies, etc.) riches d’un point de vue botanique et faunistique.

Nodebais – le Grand Brou – zicht over het water op de kijkwand

L’endroit est surtout connu pour son avifaune très diversifiée, notamment durant les migrations qui sont suivies par une station de baguage». Om die reden is dit stukje natuur dan ook sinds 2002 als ‘Réserve Naturelle Domaniale’ beschermd. Vogels komen hier zeker aan hun trekken – er zijn al meer dan 100 soorten waargenomen – en regelmatig zijn er acties om ze te ‘ringen’.

De begroeiing vind ik echter wel mooi maar veel te uitbundig om goed te zijn. Zo te zien aan de vele brandnetels, balsemienen en andere woekerplanten is dit het soort ruigte dat je krijgt als gevolg van een overdaad van voedingstoffen in het water. De nabijheid van het dorp, de camping, akkers en een er vlak naast gelegen recent wel opgeheven boomkwekerij zal daar wel de historische oorzaak van zijn. Vlak ernaast is ook nog een heel groot wachtbekken wat er op wijst dat de omgeving bij tijd en wijle wel eens helemaal onder water kan komen te staan zoals dat overal in onze streken het geval is waar beken aankomen op andere beken of op ‘flessenhalzen’.

Het in 1998 gegraven ‘bassin d’orage’ tegenover het natuurreservaat heeft een oppervlakte van maar liefst 85.305 vierkante meter en is een van de drie op het grondgebied van Beauvechain. Wat ik er interessant aan vind is dat het zo is aangelegd dat het is ingericht als een natuurlijke plek met rietvelden en niet als een kale betonnen bak en op die manier sluit het volkomen aan op het natuurreservaatje zelf. Het water moet tamelijk zuiver zijn want er komen allerlei soorten vogels voor waaronder de ijsvogel en er is ook een ‘station de baguage’ gevestigd om vogels te vangen om ze te kunnen ‘ringen’ en daarna weer vrij te laten.

Nodebais – zicht op het bassin d’Orage an de vroegere trambedding

Blijkbaar zal men in de toekomst nog meer van dergelijke systemen nodig hebben want ik lees dat ondanks de optimistische verwachtingen er toch nog altijd overstromingen voorkomen, bijvoorbeeld in Hamme-Mille en over de oevers van de Ruisseau de Néthen en de Mille. Maar als je de kaart erbij pakt zie je ook wel dat er op veel plaatsen de beken tot rechte goten herleid zijn en  de huizen veel te dicht langs het water zijn gebouwd en er lijken er altijd nog bij te komen. Als je dat combineert met de heftiger neerslag als gevolg van de klimatologische verandering dan lijken de problemen me alleen oplosbaar door meer water-ruimte te maken in de vallei maar dat valt buiten het bestek van dit verhaal.

Het station van buurtram Zwarte Jean

Van buurttramstation Nodebais vind ik nauwelijks oude foto’s. Ik vind dat merkwaardig want na het grote station in Sint Joris Weert is dat van Nodebais volgens mij het mooiste in zijn soort. Ik vind er ook weinig informatie over. Op pagina 99 van het boek van René Hallet zie je een spoorauto AR 185 in dit Nodebais en daar wordt terloops aan toegevoegd dat dit station waterbevoorrading had. In het boek van Marc Deconinck staat op p.109 en 110 een foto van de Rue de la Station en het stationsgebouw zelf. Het station « comportait, outre l’habitation dont jouissaient le préposé et sa famille, une salle d’attente qui servait également de café ainsi qu’un magasin-entrepôt où étaient stockés matériels ferroviares et marchandises. A l’époque du tramway à vapeur, la présence à proximité de la gare, comme c’était le cas à Nodebais, d’un réservoir d’eau conférait à celle-ci une relative importance ». De stationsstraat, tegenwoordig de Rue de la Liberté ziet er op de oude foto heel wat drukker uit dan tegenwoordig en op het witte huis tegenover het station – met de merkwaardige gevelsteen – staat de vermelding ‘Delhaise et Cie’.

Nodebais – station

Het stationsgebouw staat in het verlengde van de Chemin des Prés, de straat gaat nog even verder tussen de bomen en loopt dan onverbiddellijk dood op een altijd groene haag van de privétuin die over de spoorbedding is aangelegd. Om naar het allercharmantste stationnetje van Tourinnes-la-Grosse te komen moet je een beetje omlopen en van hier tot in La Bruyère is de bedding nergens meer rechtstreeks te volgen maar gelukkig nog wel via een mooi wandelparcours. Sinds 2006 is het gebouw ‘inscrit comme monument’  en dat verdient het ook ten volle. Ik ben er nog niet binnen geweest maar ik weet dat de eigenaar van het ernaast gelegen Aquiflor ook de eigenaar is van het nu als woonhuis ingerichte station en het is werkelijk onberispelijk gerestaureerd. Het moet een tijdlang helemaal wit geschilderd zijn maar al die kleur is er weer af en de bakstenen en opschriften zijn weer zichtbaar gemaakt zoals in de tijd dat het voor Zwarte Jean dienst deed. Ook het houtwerk aan de gevel en de dakgoten zien er als nieuw uit in de originele staat. Alleen staan er op de oude foto geen bomen en die zijn er nu wel en zelfs in indrukwekkende omvang. Wie hier woont moet wel een echte liefhebber zijn! Ik denk dat ik nog wel eens zal durven aanbellen om er meer over te weten te komen. Ik heb in elk geval al gehoord dat het gebouw neergezet is boven op een bron met heel zuiver water dus ik vermoed dat de vestiging van de handelszaak op deze plek niet toevallig is.

Van hier keer ik terug naar het dorpscentrum via de Le Petit Champ en de Chemin des Prés en onderweg kom ik zowaar nog een kapelletje van Max Van der Linden tegen. Maar daarmee kom ik dan toch onherroepelijk aan het einde van deze verkenning. Op de bijgevoegde kaart heb ik alle plekken aangeduid waar ik ben langsgegaan.

Nodebais – kaart OSM met aanduidingen

++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

http://www.beauvechain.eu/ma-commune/presentation/les-localites/nodebais

‘biens inscrit comme monument’ in Nodebais : (zowat alle in deze tekst genoemde gebouwen kan je hier vinden en daarom heb ik ze niet allemaal apart nog eens opgegeven):

http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/recherche/recherche

Over Claude Rahir :  http://www.clauderahir.be/  (La galerie planétaire de Claude Rahir)

Over Lucienne Camus : https://tourinnes.be/parcours/lucienne-camus-6/

Over de ferme evrard: http://ferme-evrard.be/

https://www.lesoir.be/art/republique-royale-d-oultre-nodebay-rire-pendant-qu-il-e_t-19910118-Z03HXP.html

http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/fiche/index?codeInt=25005-INV-0055-02 (château en ferme d’Agbiermont)

http://www.maxvanderlinden.org/fr/main.php?idban=2&idprinc=10

http://gw.geneanet.org/lard?lang=fr&pz=jean+charles&nz=terlinden&ocz=0&p=maximilien&n=van+der+linden

Max van der Linden – Tourinnes.be

tourinnes.be › parcours › max-van-…

https://www.lavenir.net/cnt/dmf20130724_00339335

Le « Fond des loups », cru de Nodebais – Lavenir.net

www.lavenir.net › cnt › dmf201307…

https://www.destinationbw.be/nl/ontdekken/de-terroir/wijnen-en-sterkedranken/

www.molenechos.org/molen.php?AdvSearch=6399.

http://biodiversite.wallonie.be/fr/1770-le-grand-brou.html?IDD=251660948&IDC=1881

https://www.rtbf.be/info/regions/brabant-wallon/detail_beauvechain-le-martin-pecheur-se-plait-dans-le-bassin-d-orage-de-nodebais?id=9683760

Nodebais – het schooltje

https://www.lesoir.be/art/beauvechain-le-deuxieme-des-trois-bassins-d-orage-domes_t-20010602-Z0KJE5.html

https://www.rtbf.be/info/regions/brabant-wallon/detail_beauvechain-le-martin-pecheur-se-plait-dans-le-bassin-d-orage-de-nodebais?id=9683760

https://www.dhnet.be/archive/beauvechain-presque-sauvee-des-eaux-51b86a63e4b0de6db9a4e883 – Beauvechain presque sauvée des eaux

https://www.dhnet.be/regions/brabant/beauvechain-on-en-a-marre-des-inondations-5838a7b8cd7035613076c380

http://www.hesbayebrabanconne.be/sites/default/files/b4_promenade_de_nodebay.pdf

Nodebais – aan de school kom je deze tegen

Trefwoorden: nodebais, beauvechain, d’agbiermont, van der linden, rahir, doyen, watermolen, grand brou, station, vicinal, erfgoed, geschiedenis,

DE VALLEI VAN DE DRIE BEKEN IN DEURNE-MEILRIJK – EEN BEWOGEN MILIEU-GESCHIEDENIS

Uitgelicht

Ernst Gülcher

September 2020

eguelcher (at) telenet.be

Vallei van de Drie Beken

De Vallei van de Drie Beken – zegt beheerder het Agentschap voor Bos en Natuur (ANB)  – “strekt zich uit van aan de Paalse plas op de grens van Beringen en Tessenderlo tot in Molenstede (Diest). Het gebied, van ongeveer 351 ha,  dankt zijn naam aan de drie beken die naast elkaar stromen: de Kleine, Middel-, en Grote Beek. Het landschap vol onverharde wegen, bomenrijen, greppels en grachten, hooilanden, bos en heide zal velen aangenaam verrassen. Wandel-, fiets-, mountainbike- en ruiterroutes doorkruisen het gebied. Bovendien is de vallei een thuis voor wel 20 verschillende soorten sprinkhanen!”. Die sprinkhanen heb ik er nog niet gezien maar de beschrijving lijkt me wel juist hoewel je in het gebied toch ook veel nieuwe huizen en verharde wegen zal vinden want de mens drukt er al eeuwen zijn stempel op en doet daarmee onverdroten voort. Eerder verkende ik al het natuurgebied Dassenaarde. In dit verhaal neem ik je mee naar het gebied van de beken tussen het dorp Deurne dat als deelgemeente van Diest nog juist in Vlaams Brabant ligt en het dorp Paal dat deel is van Beringen in Limburg. Mijn eerste verkenning begint aan de bosrand aan het einde van de straten Molenberg-Meilrijk (nr.85) bij een bospad met een infobord van het ANB. Van hier kan je één mooie lus maken van een vijftal kilometers die bijna helemaal door de natuur gaat maar om helemaal buiten de vebouwing te blijven moet je vooral de door mij uitgezette route op de kaart volgen en niet de wandelknooppunten die wel de afstand vergroten maar daarbij flink wat asfaltwegen kruisen of volgen buiten het kerngebied. Voor wie de streek goed kent zou het kunnen dat er paadjes tussendoor gaan maar die staan niet op open street map en ik heb ze ook nog niet gevonden op het terrein. Voor de rest lijkt het gebied me weinig toegankelijk voor menselijk vertier zoals dat (helaas) nodig is voor natuurreservaten. Tegelijkertijd is het er heel stil, blijkt er nergens enige overlast en zijn de hooivelden alleen afgesloten waar er schapen grazen.

Vallei van de Drie Beken

Het pad op de lus is heel comfortabel maar je moet wel een liefhebber zijn van vlonderpaden (zoals ik) en ik denk dat het normaal gezien wel heel wat natter en drassiger is dan tijdens mijn nazomer-verkenning. Hoogtepunt zijn ongetwijfeld de vennen die je in het gebied tegenkomt. Buiten het gebied rijzen reusachtige windmolen boven de bomen op.

De Vallei van de Drie Beken in Deurne . De drie beken waar het over gaat in deze wandeling zijn de Kleine -, de Middel- en de Grote Beek. Op de kaart zie ik nog veel meer waterlopen in de omgeving maar deze zijn toch telkens de meest opvallende. De Grote Beek kan ik op de kaart nog zien tot vlak over de spoorweg ten noorden van Beringen maar dan verdwijnt hij mysterieus van de kaart in iets dat er uitziet als een open veld. Zwaar gekanaliseerd kruist hij stroomafwaarts via een sifon het Albertkanaal zie ik en stroomt door de daar gelegen industrieterreinen. Als een rechte lijn blijft hij juist ten noorden van de Paalse Plas. Maar dan komt blijkbaar de natuur in zicht want hij kronkelt naar het zuiden tot in ons wandelgebied rond de Meilrijk ten oosten van Deurne. Daarna gaat hij vele kilometers verder tot in het natuurgebied Dassenaarde (Molenstede) waar hij samenkomt met de Kleine Beek en zijn weg vervolgt met de naam Zwart Water. Ten noorden van Zichem komt hij dan als Hulpe terecht in de Demer. De Middelbeek loopt een stuk zuidelijker en ziet er meer uit als een rechtgetrokken kanaal. Ik vermoedt dat deze waterloop begint in de Paalse Plas maar op de kaart lijkt hij midden in het dorpje Brelaar-Heide een bron te hebben. Iets ten westen van Dassenaarde komt hij uit op de Kleine Beek. Die laatste is een beetje een mysterie voor wie de streek niet kent (zoals ik). Na een beetje turen op de kaart zie ik namelijk twee waterlopen met de naam Kleine Beek. De zuidelijke komt ook uit de Paalse Plas en gaat daarna naar het Zwart Water. Onderweg pikt hij de Middelbeek op. De noordelijke Kleine Beek begint in het dorp Hulst ten westen van Tessenderlo (op de kaart te zien zowat aan de kerk) en stroomt vandaar als een hoekig kanaal recht naar het zuiden tot in ons Meilrijk-wandelgebied waar hij in de Grote Beek uitkomt.

Vallei van de Drie Beken

Het traject van de Grote Beek langs de Paalse plas heet op de topografische kaart van 1989 nog Winterbeek en tenzij ik me vergis is het vooral deze waterloop waarover in 2014 door Natuurpunt-Dassenaarde geklaagd wordt omdat hij decennia lang totaal verontreinigd is door lozingen van Tessenderlo Chemie waardoor alle beken en dan vooral de Kleine Beek in de vallei natuurdode waterlopen zijn geworden. Deze vervuiling wordt in het kader van de sanering van de Winterbeek ondertussen wel aangepakt en ik ga het daar hierna nog even over hebben. Die naam vind je niet op kaart maar ik begrijp dat de bovenloop van de drie beken samen ook wel Winterbeek genoemd worden. Het zijn allemaal maar heel kleine waterloopjes maar tijdens de wandeling zie je toch wel dat de begroeiing opvallend weelderig is wat typisch is voor de veel te voedselrijke bodemomstandigheden in Vlaanderen. Toch is dit niet het soort vervuiling waar het in dit verhaal over gaat.

Je zal er op het infobord van ANB niets over vinden maar er zijn of waren heel ernstige problemen met de drie beken in hun natuurgebied in Deurne. Decennia lang loosde Tesenderlo Chemie in Ham zijn afvalwater met een hoge concentratie chloriden in de Winterbeek waardoor deze de op een na vuilste rivier van Vlaanderen werd met brak (zout) in plaats van zoet water. Dit was al bekend van voor de jaren 70 van de vorige eeuw maar een ‘smeerpijp’ naar Antwerpen werd nooit in gebruik genomen. Pas in de jaren 90 werden inspanningen gedaan om de lozingen te beperken opdat ze onder de toen geldende milieu-normen zouden komen te vallen. De Franse bedrijfsleiding achtte echter zulk een ‘optimale zuivering van het lozingswater economisch niet rendabel’ en de lozingen gingen door tot in 2014. In een rapport van de Vlaamse milieu-administratie uit 2003 is er sprake van chloridenconcentraties tot bijna 6000 mg/l, waar de norm voor oppervlaktewater op 200 mg chloriden per liter lag.

Deurne – Vallei van de Drie Beken

Ook werd er een historische vervuiling met zware metalen zoals zoals arseen, barium, cadmium en radium in de waterbodem en oevers tot op het punt dat het water als licht-radioactief werd bestempeld. Men verklaarde de beek dan ook ‘biologisch dood’: “Fauna noch flora komt in de waterloop voor.” Het was zo erg dat eigenaars van de vervuilde percelen door de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij) vrijgesteld werden van saneringsplicht door deze ‘historische vervuiling’ en sanering ook geen zin had omdat het bedrijf bleef lozen en weigerde om voor de saneringskosten op te draaien ondanks de wettelijke verplichting om dat te doen. In 2013 komt het bedrijf in problemen en komt opnieuw in Belgische handen. Blijkbaar veranderen de tijden dan toch want sinds 2014 verklaart de onderneming zich bereid samen met OVAM aan de sanering van de Winterbeek te beginnen. Het duurt nog tot 2017 maar dan beginnen de beiden samen met de Vlaamse Milieumaatschappij aan de grote werken. Ik lees dat die tegen 2021 voltooid moeten zijn. Er is een heel stappenplan ontwikkeld waarover ik het morgen nog zal hebben maar ik lees dat in de VMM-nieuwbrief van oktober 2018 dat men uit de beek en van de oever al 65.000 ton zwaar verontreinigd materiaal verwijderd had. Ondertussen heb ik ook antwoord gevonden op vragen zoals wat de kosten van deze absoluut noodzakelijke operatie zijn, wie ervoor opdraait en wat er met het gevaarlijke materiaal gebeurt. Ik vind dat belangrijk want ik vind dat de generatie van morgen best mag weten wat de consequenties zijn van de daden van hun voorgangers. Ondertussen zien de vennen in de Vallei van de Drie Beken er wel mooi proper uit maar die zijn dan ook niet met de beken verbonden tenzij die buiten hun oevers treden wat blijkbaar ook wel gebeurt.

Vallei van de Drie Beken

Het opruimen van het giftige lozingsafval van Tessenderlo-chemie in de vallei van de Drie Beken moet toch in de streek voor heel wat beroering zorgen maar desondanks vind ik er toch maar af en toe persaandacht voor. Gelukkig heeft de Vlaamse Milieumaatschappij voor heel wat info en communicatie gezorgd en op de website van de VMM lees ik dat tussen 2017 en 2021 de Winterbeek en de vallei vanaf het lozingspunt van Tessenderlo Group aan de Paalse plas tot de monding in de Demer over een afstand van 17 kilometer gesaneerd worden. Volgens de stroomrichting verloopt die sanering van bron tot monding in 4 stappen: Schoesters Vliet en Meilrijk (2017, 2018), Rietbroek en Dassenaarde (start 2018), Molenstede en Kraanrijk (2019, 2020), Kloosterbeemden en Demerbroeken (2019-2021). Ik begrijp dat in ons wandelgebied/kwetsbaar natuurreservaat geen heel ingrijpende bodem- en oever-afgravingen zijn gedaan of zullen worden (ik zie toch geen werfsporen). Een lezer vertelt dat in de jaren zeventig en tachtig de beken al eens uitgegraven zijn, dat wil zeggen in de tijd dat Tessenderlo Chemie het lozen van zware metalen zou gestopt hebben. Stroomopwaarts is in 2017 de vervuilde bodem van de Winterbeek en zijlopen over een afstand van 6 kilometer tussen het hierboven genoemde lozingspunt tot aan de grens met Diest volledig en tot op diepte verwijderd en heeft men ook de oevers afgegraven en tientallen duizenden tonnen slib en ander materiaal verwijderd.

Na uitdroging is (wordt nog?) alles per vrachtwagen afgevoerd naar een door de Tessenderlo Group ingerichte site ‘Kepkensberg’ in Ham om het daar op ‘een duurzame en veilige manier te slaan’ (storten en afdekken met grond). Op Googlemaps zie ik op die plek bos en weiland (luchtfoto) en nu vraag ik mij af of Vlaanderen er niet een duur chemisch stort bijkrijgt want over wat het bedrijf er in de toekomst mee gaat doen vind ik niets.

Deurne – Vallei van de Drie Beken

In mei 2018 begon de Vlaamse Milieumaatschappij (VMM) met het uitbaggeren van een even lange strook tussen de Hasseltsebaan en de Turnhoutsebaan in Diest en ondertussen zouden ook de overige baggerwerken moeten zijn aangepakt. Over de kosten van de ruiming en ‘wie gaat dat betalen?’ vind ik op de VMM-website niets maar volgens een persbericht in het Laatste Nieuws van maart 2016 gaat het om 15 miljoen Euro waarvan de Vlaamse overheid (de belastingbetaler dus) 8 miljoen ophoest voor de ruiming (OVAM en VMM ieder voor de helft) en het bedrijf 7 miljoen voor de berging. Helemaal volgens het beginsel van ‘de vervuiler betaalt’ kan ik dat toch niet vinden. Om te voorkomen dat slib-deeltjes van de Winterbeek nog stroomafwaarts meegevoerd worden, zijn er ondertussen twee slibvangen gebouwd (en moeten er nog vier komen). In feite gaat het om plaatselijke verbredingen van de waterloop zodat de stroomsnelheid daar vermindert en de zware deeltjes bezinken en dan periodiek kunnen worden geruimd. Dus het werk is nog niet gedaan.

De Vallei van de Drie Beken. Na de wat onverwachte uitstap naar Tessenderlo om te speuren naar de vervuiling van de drie beken in onze vallei in Deurne-Meilrijk ga ik graag nog even terug naar het gebiedje zelf want het was er toch om te doen om dat als natuur- en wandelgebied te verkennen en daarvoor hoef je niet in de beek te springen of van het water te drinken om te weten of je er nog dood aan gaat. Ik vind er niet zoveel over op het internet maar naast de indrukwekkende vlonderpaden vind ik de vennen in het zuiden van het Meilrijkgebied wel zowat het mooiste wat er te vinden is. Of het echte tijdens de ijstijden gevormde vennen zijn weet ik niet zeker want ik zie ze pas verschijnen op de topografische kaart van 1989 dus erg oud kunnen ze niet zijn. Op de kaarten van 1981 en vroeger is alles nog langs en tussen de beken gelegen moeras. In Wikipedia vind ik een hele opsomming over wat een ven is en welke soorten er zijn maar het begint met “Een ven is een klein, meestal ondiep meer dat voorkomt op Pleistocene zandgronden. Vennen hebben wisselende waterstanden en zijn zelden groter dan enkele hectaren. Onder vennen worden uitsluitend natuurlijke wateren verstaan.

Deurne – Vallei van de Drie Beken

Ik vermoed dus dat onze meertjes strikt genomen geen ven zijn maar einde van de vorige eeuw aangelegd om te vissen of te zwemmen en misschien hebben er zelfs wel huisjes bijgestaan die met de opkomst van het natuurreservaat zijn weggehaald. Maar ze zijn wel ondiep en – belangrijker – de bodem is hard zand en dat wil zeggen dat je er niet in de modder terecht komt zoals in bijna alle andere poeltjes. Er staat nu in de nazomer niet overal nog veel water in maar waar dat wel het geval is valt de helderheid ervan op en er groeit er ook geen overmaat van planten rond wat vertelt dat het voedselarm is. Anderzijds groeien er helemaal geen planten in en dat is dan weer minder. Als je dit ziet weet je hoe belangrijk het is dat zo’n poel niet overstroomd wordt met vuil en giftig beekwater maar blijkbaar is dat bij deze toch niet echt het geval (wel bij andere dichterbij een van de beken gelegen poelen). Ik weet niet waarom maar als je de knooppuntenwandeling volgt kom je niet langs de mooiste vennen, daarvoor moet je echt het door mij op kaart (foto) aangegeven pad volgen. Daarmee ben ik rond met deze verkenning maar ik kan je sterk aanbevelen om zelf in het gebied op stap te gaan.

Vallei van de Drie Beken – Diest- Deurne – kaart OSM met wandellus

+++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

https://www.natuurenbos.be/driebeken

+++

(PDF) De Vallei van de Drie Beken in Diest: het meest …

www.researchgate.net › publication › 292152326_De_Va…

+++

Asdonk, Grote Beek en Kleine Beek | Inventaris Onroerend …

inventaris.onroerenderfgoed.be › erfgoedobjecten

+++

Vallei van de Drie Beken — nl

www.integraalwaterbeleid.be › gebiedsgerichte-werking

+++

https://www.hln.be/in-de-buurt/diest/kleine-beek-is-vuilste-waterloop~a9d3bc9f/ Kleine Beek is vuilste waterloop | Diest | In de buurt | HLN http://www.hln.be › In de buurt › Diest

+++

http://www.winterbeek.be/

+++

https://www.vlaanderen.be/publicaties/de-winterbeek-naar-een-ecologisch-herstel-van-waterloop-en-vallei

+++

https://nl.wikipedia.org/wiki/Ven_(water)

Deurne – Vallei van de Drie Beken

Trefwoorden: deurne-meilrijk, tessenderlo, chemie, vallei van de drie beken, natuurgebied, milieuvervuiling, ven, ANB,

BOVENOP DE BENINKSBERG IN WEZEMAAL (ROTSELAAR)

Uitgelicht
Beninksberg – Wezemaal (Rotselaar)

De Beninksberg in Rotselaar steekt zo’n vijftig meter uit boven de omgeving en hoewel dat natuurlijk nog niet zo erg bergachtig is heb je er prachtige uitzichten over de Wingevallei. De berg is een heel mooi voorbeeld van de voor het Hageland typische ijzerzandsteenheuvels ofwel Diestiaanheuvels. In tegenstelling tot vele soortgelijke heuvels bleef de heuvel grotendeels onbebouwd en omdat hij met de nabije omgeving sinds 1977 beschermd is als cultuurhistorisch landschap zal dat gelukkig ook wel zo blijven.

In 1991 kocht de Vlaamse overheid het grootste deel van het gebiedje aan en dat was in 1993 het begin van het 50 ha grote Vlaamse natuurreservaat Beninksberg. Er zijn een paar mogelijkheden om als voetganger de berg te verkennen en daarvoor neem je best het Klein-Vlasselaarpad dat vertrekt van de parking op de hoek van de Blauwmolenstraat – Klein-Vlasselaar, 3221 Holsbeek (zie de kaart). Tussen enkele akkers aan de voet van de berg ga je naar boven en dan rechtsaf een bijzonder mooie holle weg die al direct opvalt door de mooiste Robinia’s die ik ooit gezien heb. Je kan ook linksaf en dan kom je al snel onderlangs een heel mooi berkenbos.

Naarmate je hoger komt krijg je mooie vergezichten, in het bijzonder bij het passeren van een hele grote wijngaard. Aan het einde van de holle weg ga je links langs enkele huizen en dan even verder opnieuw links om het pad langs de andere zijde te volgen. Op de knooppuntenkaart van het wandelnetwerk Hageland staat de hele route netjes aangegeven. Op het bovenpad kan je je verwachten aan heidevelden, Konikpaarden, nog veel bos (kastanjes) maar ook aan lawaai van de autosnelweg en afdalende vliegtuigen.

Beninksberg – Wezemaal (Rotselaar)

Het meest noordelijke lage pad gaat zo vlak langs de E314 dat mijn oren er zonder oordoppen niet tegen bestand zijn zolang die weg niet helemaal overkapt wordt dus daar ga ik niet langs. Maar dat overkappen komt nog wel en dan kan men misschien een fietssnelweg juist buiten de kap leggen.

Vondsten uit het stenen tijdperk op de Beninksberg in Holsbeek wijzen op zeer oude bewoning. In de late middelleeuwen staat de berg vermeld op oude kaarten als Hellegaterberg en Burinsberg (zie Villaretkaart van 1745) en is hij bedekt met bos. Rondom de berg zijn er dan al akkers en op de berg wordt wijn verbouwd. Het is onzeker of er ooit ijzerzandsteen gewonnen werd, aan de westkant is er een plek die op een groeve lijkt maar door wie en naar wat daar gegraven werd weet men niet.

Op de Ferrariskaart van 1777 en de Vandermaelenkaart van 1854 verschijnen de namen Benninckbergh en Beeninkxberg. Na de 16de eeuw wordt naaldhout aangeplant maar op het einde van de 19de eeuw wordt dat omgezet in loofbos. In de loop van de twintigste eeuw worden enkele percelen op de berg en de zuidelijke helling in gebruik genomen als akkers maar vooral als hoogstamboomgaarden.

Beninksberg – Wezemaal (Rotselaar) – wijngaard met uitzicht

De door de zon opgewarmde kalkstenige bodem is uitermate geschikt voor de teelt van steenvruchten zoals perziken. Het hoogtepunt is na de Tweede Wereldoorlog – waarbij veel ‘nutteloos bos’ in boomgaarden wordt omgezet – maar twintig jaar later gaat het alweer achteruit vooral door de invoer van fruit uit de zuidelijke lidstaten van de dan nog Europese Gemeenschap (Europese Unie). Hier en daar werd overgeschakeld naar appels maar tegenwoordig is de commerciële fruitteelt helemaal verdwenen hoewel er nog altijd een aantal boomgaarden staan (onder andere peren).

Op de zuidhelling kom je wel een flink uit de kluiten nieuw aangelegde wijngaard tegen die je ook op afspraak kan bezoeken. De Beninksberg zelf is bedekt met loofbos (robinia, berk, tamme kastanje, zomereik) en enkele percelen naaldhout (fijnspar, douglas). De zuidelijke helling kent een eigen microklimaat en is warm en droog, hier zijn droge heidebegroeiingen en eiken-berkenbos kenmerkend. De noordelijke helling is koeler en herbergt ook vochtige heischrale graslanden. In deze tijd van het jaar (september) kwam ik bij een vorig bezoek opvallend veel parasolzwammen tegen maar dit jaar zie ik ze niet (te warm en te droog?). Zowat op het hoogste punt stuit ik op een heuse mierenhoop van rode bosmieren. Wie wil genieten van de rust en de uitzichten kan gebruik maken van de mooie banken die het ANB hier heeft gezet, zeker als de zon schijnt. Onder langs de berg loop de oude bedevaartweg die tegenwoordig het Sint Jobs pad heet.

Beninksberg – Rotselaar

De Beninksberg in Rotselaar is niet alleen een natuurgebied. Aan de ingang staat het bordje Sint-Jobs pad en over die (deels) holle weg lees ik in het erfgoeddossier dat hij eeuwenlang gebruikt is door pelgrims die van heinde en ver naar de Sint-Martinuskerk in Wezemaal kwamen om Sint-Job te vereren in de hoop om genezen te worden van de akelige geslachtsziekte die we nu kennen al syfilis. Daarvan krijg je zweren over je hele lichaam en Sint-Job staat bekend om daar wonderen tegen te kunnen doen.

De kerk staat er al in het jaar 1000 maar het heiligenbeeld in de kerk dat het onderwerp was van de devotie is vervaardigd op het einde van de 14de eeuw en uit een archiefstuk uit 1437 blijkt dat het uitgeven van door de Paus gedekte aflaten toen al flink wat inkomsten opleverde. Het aantal bedevaarders groeide gestadig in de 14de eeuw om tot een hoogtepunt te komen rond 1515. Syfilis brak als plaag uit in Napels rond 1494 en verspreidde zich vandaar over heel Europa. Dat was een gelukje voor die van Wezemaal want in 1498 werd de kerktoren in brand gestoken en dankzij een ferme lokale anti-zweren campagne kon massaal pelgrims gelokt worden met wiens offergeld de herbouw werd bekostigd. De pelgrims langs de Beninksberg kwamen uit Nederland, Engeland en Lotharingen.

Wezemaal (Rotselaar) – Beninksberg – geit in actie

Het Sint-Jobs pad staat voor het eerst op een kaart van 1657 met de eigendommen van de Abdij van Park en nadien ook op latere kaarten zoals die van Ferraris (1777) en Popp (1879). Na 1520 valt het aantal pelgrims terug vanwege de opkomst van het protestantisme.

Of die pelgrimstochten iets opbrachten voor de pelgrims weet ik ook niet. Om dat te weten zal ik het al in 2011 verschenen boek van Bart Minnen (en co) moeten lezen maar ik weet niet of het nog verkrijgbaar is (de auteur heeft het niet meer zegt hij). Ik denk dat ik er meer over wil zien te weten te komen. De pelgrimsweg is vandaag de dag een mooie wandelweg waar je geen bedevaarders meer tegenkomt maar wel geiten, biggetjes en als ze in de buurt zijn ook erg tamme fiere konikpaarden.

De brave paarden die je op de Beninksberg tegenkomt dienen voor de begrazing. Enkele jaren geleden waren het nog Noorse Fjordenpaarden (Noorse Grazers) maar die zijn vervangen door mooie niet zo heel grote Koninkpaarden. Die horen eigenlijk tot een ras van wilde paarden dat was uitgestorven (opgegeten?) maar ze zijn heropgefokt en worden in Polen gehouden. Ze zijn bijzonder geschikt om in natuurbeheer begraasde graslanden kort te houden. Zolang je de wei niet kaal laat eten eten ze alleen gras zodat andere planten een kans krijgen zo. Ze hebben praktisch geen verzorging nodig en blijven het hele jaar buiten hoewel de boswachters wel voor een beschutting zorgen.

Rotselaar-Wezemaal – Beninksberg – Konikpaarden (en geen Noorse grazers)

Anders dan hun grote broers de opgefokte renpaarden worden koniks zelden ziek. En tenslotte – erg belangrijk als je ze laat grazen op plaatsen waar veel mensen passeren – ze zien er wel wild uit maar ze hebben een heel braaf en rustig karakter dus je hoeft er geen schrik voor te hebben. Wat dat betreft is er wel iets eigenaardigs. In het Meerdaalwoud grazen ze op het hermetisch met dubbele hekken afgesloten vroegere militaire terrein, nu natuurreservaat aan de onthaalzone de Speelberg boven Sint Joris Weert. Je kan en mag er absoluut niet bijkomen. Op de Beninksberg lopen ze zowat vrij rond hoewel ze niet echt van de berg kunnen afkomen. Als bezoeker wandel je er tussen door en wie geen schrik heeft van paarden en de dieren niet lastig valt wordt er rap vriendjes mee. Anderen blijven gewoon een beetje op afstand want de paarden trekken zich van mensen niets aan. Honden zijn op de berg niet toegelaten, ook niet aan de lijn en dat is uiteraard wel nodig want honden en paarden is zonder gespecialiseerde training geen goede combinatie. Ik hou meer van de open manier van werken op de Beninksberg dan van het afsluitingsmodel in het Meerdaalwoud. Fietsen zijn ook niet toegelaten op de berg (‘in het domein’) maar er is een MBT route helemaal rond.

Vroeg of laat vraagt de bezoeker van de Beninkberg en andere Hagelandse heuvels zich af hoe die bergen van ijzerzandsteen die daar ooit gekomen zijn. Als je op kaart kijkt zie je dat ze ongeveer evenwijdig lopen met de huidige kustlijn. Om die reden dachten de geologen tot voor kort dat het zandbanken zijn die de zich terugtrekkende Diestiaanzee zo’n vijf miljoen jaar geleden achterliet. Die banken zaten vol met glauconiet, een mineraal dat daarna oxideerde tot limoniet waardoor de zandkorrels aan elkaar gekit werden tot harde erosiebestendige  ijzerzandsteen. Met de opheffing van de bodem en de stroom van het water werd het zachtere zand tussen de zich vormende heuvelruggen in de valleien afgevoerd.

Beninksberg – Wezemaal (Rotselaar)

Die theorie is zo eenvoudig dat niet-geologen met inbegrip van natuurgidsen (met inbegrip van mijzelf) het aan het publiek kunnen uitleggen en dat ook doen. Het is jammer maar er klopt blijkbaar niets van. In het erfgoeddossier lees ik dat dankzij ‘vooruitschrijdend wetenschappelijk inzicht’ (waar horen we dat nog tegenwoordig?) er een andere verklaring is. Ik probeer het samen te vatten: de zee trok zich niet terug in westelijke richting maar naar het noord-oosten en de historische kustlijn liep niet evenwijdig aan de heuvelruggen maar stond er dwars op.  Sinds 2014 denken de geleerden dat 10-12 miljoen jaar geleden ten noorden van ons land de afwatering ging naar de diepliggende vallei van de (oer)Rijn. Met het stijgen van de zeespiegel vulden de daardoor gevormde geulen zich op met glauconiethoudend zand. Met het terugtrekken van de (Diestiaan)zee enkele miljoenen jaren later kwamen die geulen droog te liggen en verhardden zich door de hiervoor uitgelegde oxidering tot de ijzerzandsteenbanken. Latere ijstijden hebben het zachtere zand tussen de banken afgevoerd in noord-oostelijke richting en de banken zijn met de tijd en de opheffing van het land heuvels geworden met de rivierdalen ertussen. Over het gebied hebben de noordenwinden tijdens de laatste ijstijd nog een laagje vruchtbare leem gestrooid en dat is ondertussen grotendeels van de heuvels afgegleden naar de valleien. Als ik het mis heb met deze kort-door-de-bocht-samenvatting hoor ik het graag maar dit is wat ik er van begrijp.

Beninksberg – kaart Ferraris 1777
Beninksberg – Wezemaal (Rotselaar) – kaart OSM

Met deze samenvatting beëindig ik mijn eerste verkenning van alweer een mooi natuurgebied en kan ik je vooral aanbevelen om er zelf ook eens een kijkje te gaan nemen.

++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

Beninksberg – Erfgoedobjecten – Inventaris Onroerend Erfgoed

https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/305759

https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/305761

‘Den Heyligen Sant al in Brabant’, door Bart Minnen, Michel Tilleman, Pierre Van Hecke, Marike de Kroon, Frans Doperé, Ingrid Geelen, Anna Bergmans, Dirk Van Eldere, Steven Mariën, Luc Rombouts en de Kulturele Kring van Wezemaal. Uitgeverij Averbode, najaar 2011

Beninksberg | Agentschap voor Natuur en Bos

https://www.natuurenbos.be/beninksberg

https://mtbroutedatabase.be/vlaamsbrabant/rotselaar.htm

Holsbeek – Beninksberg – Parasolzwam

Trefwoorden: wezemaal, rotselaar, beninksberg, anb, natuurreservaat, geschiedenis, konik, heide, sint job,

OP STAP IN HET NATUURRESERVAAT ARONSTHOEK IN GEETBETS LANGS DE GETE

Uitgelicht
Aronsthoek – Geetbets

Het natuurgebied Aronsthoek vind je op de kaart ten noordoosten van Geetbets. Het ligt aan de oostkant tegen het riviertje de Gete aan en het is opgesplitst in twee gedeelten, een zuidelijk stuk ten zuiden van de Kasteellaan en een stuk ten noorden daarvan. Beide stukken zijn als natuurreservaat in eigendom en beheer van de afdeling Gete-Velpe van Natuurpunt. De organisatie typeert het zelf als “een gevarieerd valleilandschap met hooilanden, natte en overstroombare graasweiden, ruigten, moerassen, populierenaanplantingen en andere bossen. Dit gebied is een grootschalig natuurcomplex ingebed in de nog vrij intacte Getevallei”. Voor de wandelaar-natuurliefhebber is vooral het zuidelijk gedeelte nogal toegankelijk via een aantal paden en daar staat ook een soort van uitkijktoren hoewel je wel sportief moet zijn om daarbovenop te klimmen denk ik. Vanaf de kerk van Geetbets stap je de Dorpsstraat af tot aan de brug over de Gete en dan sta je aan het begin de veldweg langs de rivier bij een overduidelijk infobord van Natuurpunt met een mooie foto van een reiger. Je bent dan al de middeleeuwse motte van het dorp voorbijgekomen maar daar beloof ik later nog iets over te vertellen. Over die motte staat er daar ook een infobord. Op de brug staat ook een pijl naar een monumentale Ginkgo Biloba in het dorp maar die heb ik zelf nog niet gezien.

Aronsthoek – de rivier de Gete

Ik was er heel vroeg in de ochtend en op de foto’s zie je de mist boven de rivier en weiden hangen. Je komt eerst langs een maisveld dat duidelijk niet van Natuurpunt is maar dan ga je langs een stel heel grillige oude knotwilgen en weet je dat je de goede natuur-richting uitgaat. De koeien lijken nog te slapen. Terwijl de zon opgaat zie ik In de verte is een ree grazen die zich van mij niet teveel aantrekt maar uiteraard niet dichterbij komt. De oevers van de rivier zijn dicht begroeid maar aan een bruggetje naar een hek zie je een soort sluisje en de resten van wat overduidelijk ooit een watermolen moet zijn geweest. Er staat echter niets bij en ik vind er op het internet niet direct iets over maar dankzij de attente lezer en vriendelijke eigenaar Gerd Rutten weet ik ondertussen dat de molen wel degelijk in Molenechos voorkomt want het gebouw in de weide is de watermolen van Geetbets aan de Molenstraat. Aan het bruggetje moet nog ergens een inscriptie zijn maar vanwege de begroeiing heb ik die zelf nog niet gezien. Gerd heeft ondertussen de begroeiing wat opzij gehaald en me er een foto van bezorgd. Van de molensite mag ik een reportage komen maken zodra er een beetje opgeruimd is en een aantal gerestaureerde onderdelen weer op hun plek terug zijn. Dus dat heb je nog tegoed, beloofd.

Aronsthoek – bruggetje over de Gete – linksonder de inscriptie over de molen

Ik ben blijkbaar nog altijd niet echt in het reservaat want aan de linkerkant passeer ik een nog niet zo lang geleden gezette plantage van populieren. Langs de weiden staan er ook. Ze staan altijd en overal keurig op een rijtje, al die jonge bomen en toch vraag ik mij af waarom grondeigenaars ze nog altijd aanplanten. Ik neem aan dat je dat niet doet als je er geen geld van wil maken en hier in de streek staan ze in grote aantallen. Ze groeien natuurlijk snel en ik heb gelezen dat er fineer van gemaakt wordt omdat het blanke hout zo zacht is dat je met de moderne technologie de boom gewoon kan afpellen om nadien die schillen op vezelplaat te plakken. Dat kan geld opleveren maar ik heb het eigenlijk nog nergens gezien en zelf zou ik er nooit platen van willen gebruiken want als er ook maar iets van water aankomt kan je het geheel weggooien. Ik vind dat lichte splintervrije populierhout in brede planken, (dus van volwassen bomen met grote stamomtrek) wel héél erg mooi in een plafond of lambrizering of verwerkt in speelgoed maar daar wordt het in de handel niet voor gebruikt (geen vraag naar heet dat). Maken ze er misschien benzine van of dienen ze voor het brandhout? Iemand vertelt me dat ze dienen om er paletten van te maken. Wie er meer over weet mag het graag zeggen. In elk geval is de eigenaar kennelijk bang dat ze gestolen worden want het hek is ferm afgesloten. We zullen in het reservaat nog veel van dit soort bomen tegenkomen maar het is duidelijk dat ze daar moeten plaatsmaken voor een ander soort natuur en dat levert ook wel mooie foto’s op.

Aronsthoek – Geetbets – de uitkijktoren van Natuurpunt

Even verder kom ik aan de houten uitkijktoren. Als je op het kaartje kijkt zie je dat je hier twee kanten uitkan. Naar rechts is duidelijk voor de gewone wandelaar op zoek naar kilometers en een frisse neus en die alles wil leren over hagen. Rechtdoor is voor de natuurliefhebber op zoek naar de uitkijkhut aan de rivier en poel die hier ergens moet zijn en die niet bang is om Galloway-koeien tegen te komen want zelfs als ze zich in het struikgewas verschuilen is het wel heel duidelijk dat ze er zijn (ook al aan de reuk). Bovendien staat er een infobord van Natuurpunt over het hoe en het waarom van deze begrazingsmethode. Ik verken beide mogelijkheden maar ga eerst de er enigszins wild uitziende koeienruigte in om het water terug te vinden. De toren zelf laat ik over aan de wat sportievere gasten van deze wereld.

Galloways voor de begrazing

Het natuurreservaat Aronsthoek van Geetbets is meer dan 300 ha groot en volgens Natuurbeheer is in een gebied van die omvang het ‘niets doen’ de voornaamste beheersvorm. Dat niets doen lijkt me betrekkelijk want de paden worden natuurlijk regelmatig gemaaid en afrasteringen aangelegd of hersteld, er worden hagen aangeplant,  poelen worden ingericht,  populieren maken plaats voor inheemse bossen of hooilanden en die moeten dan weer regelmatig worden kort gehouden met maaien en afvoeren of door begrazing.

Om te vermijden dat de vallei op termijn zou verbossen, worden schapen, paarden of runderen ingezet. Hier en daar zie je een kudde gewone koeien en blijkbaar zijn die van een boer die voor Natuurpunt werkt. De zwarte runderen tussen de struiken en bomen zijn onmiskenbaar de beroemde Schotse Galloways uit het gelijknamige graafschap die door Natuurpunt zelf (en andere natuurorganisaties) worden ingezet als ‘grote grazer’.

Aronsthoek – galloways voor de begrazing

Hoeveel er zijn kan ik niet tellen want je ziet ze nooit allemaal tegelijk maar het is best een flink gezelschap. Het zijn robuuste dieren, een koe weegt tussen de 450 en 600 kilo en wordt 120 hoog, stieren zijn een 15tal centimeters hoger en kunnen tot 900 kilo zwaar worden. Als die in beweging komen raak je er best niet tussen denk ik. Ze hebben geen hoorns en zullen je niet zomaar aanvallen en dat is een van de redenen om hen te gebruiken in natuurgebieden waar veel bezoekers komen. Een andere reden is dat ze met hun dikke ruwe langharige buitenvacht en zachte binnenvacht perfect geïsoleerd zijn tegen regen en koude, weinig zorg nodig hebben en niet bijgevoerd hoeven te worden. Of ze met zo’n vacht tegen de hoge temperaturen van vandaag kunnen weet ik niet. Ze eten ze niet alleen gras maar ook grovere planten zoals takken, twijgen en zelfs bramen en doordat ze ook niet alles kaal grazen als ze genoeg ruimte hebben kan er bij hen in de buurt zich een hele verscheidenheid van begroeiing handhaven en dat zie ook wel op het terrein. Een koe is geslachtsrijp vanaf 1,5 jaar, na de dracht van 9 maanden wordt haar kalfje geboren dat dan al tot 30 kilo zwaar is maar heel vitaal en stevig. Moeder koe heeft geen hulp nodig bij het kalveren en hoeft niet gemolken te worden. Heel schuw zijn ze niet maar als er kalveren zijn blijf je (en je hond) best uit de buurt want het moederinstinct doet zich dan wel gelden. Hoe oud Galloways kunnen worden heb ik niet gevonden maar een gezonde koe baart in totaal 10 tot 12 kalveren. Ik denk echter niet dat er veel van ouderdom sterven want al in hun Schotse moederland werden ze honderden jaren geleden ook geselecteerd om hun lekkere vlees en sinds het begin van de 19e eeuw is Galloway-rib een bekende en gewaardeerde vleessoort bij Londense slagers. En dat is ook bij Natuurpunt nog altijd het geval meen ik te weten. Wie kent er een paar adressen om  aan dit lekkere biovlees te geraken?

Aronsthoek Geetbets – Galloway – moeder en kind aan de kijkhut

kaardenbollen

Wat hebben galloway-runderen met kaardenbollen? Ik zie die planten overal staan waar deze dieren zich aan de begrazing wijden. Maar misschien lusten ze die gewoon niet en krijgen de bollen de kans die ze anders in zo’n moerasruigte moeten missen. Maar distels houden ze volgens mij ook niet van en met al die stekels geef ik ze wel gelijk. In Wikipedia lees ik dat de grote of wilde kaardebol (dipsacus fullonum) van de familie van de kaardebollen (Dipsacaceae) van oorsprong afkomstig is uit de Maghreb in Noord-Afrika maar dat hij tegenwoordig overal voorkomt in de gematigde streken als er maar een zonnige voedselrijke plek is, liefst met een beetje kalk. Het is een tweejarige plant en wordt tot 2,5 meter hoog. In de natuur is hij van belang omdat de bloemen veel nectar bevatten en dus solitaire bijen en hommels aantrekken, de zaden worden door vogels gegeten en op die beide manieren plant hij zich ook voort. De stekelige bloemen werden in de middeleeuwen gebruikt als kam om weefsels te ruwen zodat de vezels evenwijdig kwamen te liggen om te kunnen spinnen. Of het opnieuw gedaan wordt weet ik niet, het laatste bedrijf in Zuid-Frankrijk hield er in 1985 mee op. Tussen het blad en de stengel zit een klein bekken met een beetje water en alchimisten hebben lang geprobeerd om daarmee goud te maken. Bij Natuurpunt heb ik ze dat nog niet zien doen. Datzelfde water doodt blijkbaar insectjes door ze met een zoetstof te lokken en ze dan door verdoving te verdrinken zodat ze door de plant kunnen worden opgenomen. Maar ik lees dat het blijkbaar tegen muggenlarven niet helpt want die planten zich er juist in voort. Lekker is de kaardenbol niet maar vergiftigd zal je er niet door worden. Integendeel, in de natuurgeneeskunde (China) worden de verschillende delen voor allerlei medicinale doeleinden aangeprezen, zoals het reinigen van lever en nieren, gewrichtspijnen en zelfs om de ziekte van Lyme te behandelen. Er is ook een Kleine kaardebol (Dipsacus pilosus) maar die wordt bij de kamperfoeliefamilie (Caprifoliaceae) ingedeeld. Hij moet zeldzaam zijn want staat op de Rode Lijst. Ik dacht hem nog niet gezien te hebben maar nu vind ik er toch wel een prachtige foto van (met bezoek) uit ons eigen bronbos in de Dijlevallei. Van hier gaan we naar de kijkhut en wilde omgeving.

Aronsthoek – Grote Kaardebol

De kijkhut in de dode sparren-wildernis

Op de kaart van Natuurpunt van het reservaat Aronsthoek in Geetbets staat een vogelkijkhut aangeduid aan de Gete. Er zou zelfs een grote vijver moeten zijn. Natuurpunt legt in de vallei een heel lint aan poelen om zeldzame vogels aan te trekken en om amfibieën levenskansen te bieden.  De kijkhut heb ik gemakkelijk gevonden door de rivier te volgen, hij ziet er heel degelijk uit en er staat een groot bord bij met een overzicht van de watervogels die je op de poel kan zien. Jammer genoeg is de vijver niet meer zichtbaar vanuit de hut, zelfs de rivier kan je vandaar niet meer zien vanwege de begroeiing. Het kan natuurlijk zijn dat de poel is uitgedroogd na de hitte van deze zomer want dat is in veel natuurgebieden het geval. Een moeder Galloway met kalf houdt de wacht en kijkt heel wantrouwig naar me. Na één foto is het kalf al achter de mamma verborgen. Het padje gaat verder door de wildernis en dan kom je dan toch weer langs de rivier. Wie hier vroeger ooit een bos van sparren heeft willen planten is er aan voor de moeite want ze zijn allemaal dood. Maar naaldhout hoort in deze natte vallei absoluut niet thuis en dat had de planter ook kunnen weten. Spectaculair vind ik het wel, die woestenij van dode stammen. Aan de overkant van de Gete zie ik weiden met gewone koeien van-bij-ons dus ik vermoed dat die nog niet van Natuurpunt zijn maar bij de aan de overkant gelegen Segeraethoeve horen. In ieder geval kan je er niet naar toe want er is hier geen brug over het water en alles is afgespannen met prikkeldraad om de Galloways en de fotografen uit de rivier te houden. Tussen de begroeiing verschuilen zich enkele bordjes om je de richting van het pad te wijzen. Dit is het land van voedselrijke vochtminnende planten zoals moesdistel, kattenstaart, moerasandoorn, koninginnekruid en moerasspirea.

Aronsthoek – Geetbets – de sparren overleven hier niet

Zonder begrazing kom je hier niet door maar nu gaat het wel gemakkelijk. Overal staan en liggen levende en dode bomen, ik denk toch meestal wel wilgen. Ik vermoed dat het hier in de winter wel ferm onder water kan staan maar het bufferen van water op een natuurlijke wijze is dan ook een van de bestaansredenen voor het reservaat lees ik. Aan de sleedoornstruiken hangen de bessen al te rijpen. Ik blijf nog even in deze ruige wildernis en dan trek ik naar het gewone wandelpad. Maar wie op zoek is naar ‘echte’ natuur moet wel hier zijn denk ik ….

Aronsthoek, deel van een uitgestrekt natuurlandschap in de Getevallei

Uit een folder van Natuurpunt van vijf jaar geleden pluk ik het volgende: Aronst Hoek in Geetbets is samen met Betserbroek het snelst groeiend reservaat in Oost-Brabant. In de Getevallei wordt gewerkt aan een groots natuurcomplex vol afwisseling. Samen met Het Vinne, Meertsheuvel en stroomopwaarts Doysbroek, de Getebossen, het Tiens Broek en verder de Getebeemden in Hoegaarden is dit een sluitstuk van een verbonden en samenhangend netwerk van de gewestgrens met Wallonië tot de monding in Limburg. Hoe het er nu in 2020 mee staat moet ik nog verder uitzoeken maar ondertussen is de omvang van het gebied gestegen van 225 tot meer dan 320 hectare.

Aronsthoek – Geetbets – de Gete

Het gaat dus het zeker de gewenste kant uit: “door de Afdeling Gete-Velpe wordt sinds 2001 (jaar van de eerste aankoop) met man en macht gewerkt aan de uitbouw van het uniek natuurcomplex Aronst Hoek te Geetbets. Een gevarieerd valleilandschap met hooilanden, natte en overstroombare graasweiden, ruigten, moerassen, populierenaanplantingen en andere bossen. Dit gebied is een grootschalig natuurcomplex ingebed in de nog vrij intacte Getevallei. Ideaal voor soorten als wulp, watersnip, boomvalk enz. maar ook een potentieel broedgebied voor de kwartelkoning. Al van bij het prille begin was het de ambitie van Natuurpunt Oost-Brabant om tot een aaneengesloten groot natuurcomplex in de Getevallei te komen … Natuurpunt Oost-Brabant ziet het als een grote uitdaging om de Getevallei vanaf de taalgrens in Hoegaarden, over Tienen, Linter, Zoutleeuw, Geetbets tot aan de monding in Halen als groot natuurcomplex van Europese allure te realiseren”. Hier in deze wildernis waar ik sta geniet ik van die dimensie van topnatuur van Europese allure. Ik ga hier zeker in de winter terugkomen om te zien of hoe het staat met de functie van waterberging, met andere woorden of alles onder water komt te staan. Als dat gebeurt wordt je gered door een paar onderwachte wandelbordjes langs de rivier die verhinderen dat je gewoon de Gete instapt. Toch doen de bomen hier nog ferm hun best want ik zie flinke groepen van wilgen met dikke stammen. Ik blijf hier toch nog even voordat ik het brugje over steek richting Melsterbeek.

De Gete

In Aronsthoek in de Galloway-wildernis op weg van de Gete naar de Melsterbeek wil ik nog even iets meer weten over de rivier die de vallei beheerst en er zijn naam aan geeft.

Aronsthoek – Geetbets – de Gete ter hoogte van de volgelkijkhut.

De Gete ontspringt als Grande Gette in Wallonië in Perwez. In Jodoigne is het al een flink riviertje en vandaar meandert hij van Hoegaarden door Tienen naar Budingen een eind ten noorden van het Vinne en Zoutleeuw. Tegen die tijd heeft het water zo’n 51 km afgelegd door een historisch altijd moerassige vallei. De Kleine Gete begint als La Petite Gette bij Ramilies – Folx-les-Caves  en slingert vandaar 36 km lang via Orps-Jauche, Landen en Zoutleeuw ook naar Budingen. Natuurpunt: De vallei van de Kleine Gete, ter hoogte van Zoutleeuw, bestaat uit een kleinschalig beemdenlandschap: vochtige graslanden met hout- en haagkanten worden afgewisseld door begraasde populierenkamers. De samenvloeiing van de Grote en de Kleine Gete is te bewonderen in Budingen, waar ze hun traject samen verderzetten als ‘de Gete’.  Na een loop van 12 km doorheen Geetbets, mondt de Gete uiteindelijk uit in de Demer, nabij het natuurgebied Schulensbroek te Halen.  In het zeer brede valleilandschap langsheen de Gete wisselen typische bocagelandschappen, met een grote dichtheid van kleine landschapselementen, af met ruigere natuur. Ook hier wordt de waterhuishouding sinds de Middeleeuwen via een uitgebreid netwerk van (gekanaliseerde) beken, sloten, greppels, sluisjes en dijken geregeld. De bijzondere historiek met oude kastelen en grote hoeves speelt hier een belangrijke rol waarin het natuurgebied Aronst Hoek met vandaag ca. 340ha vooraan staat. Dit deel van de vallei bestaat uit oude binnenpolders met ’s winters overstroomde graslanden, ongerepte broekbossen, uitgestrekte moerassige ruigten en rietlanden.

Aronsthoek – Geetbets

Het hele gebied was eeuwen lang te drassig en te overstromingsgevoelig om  – ondanks de aanleg van talloze leigrachten – echt te ontginnen of te bebouwen en heeft daarom veel van zijn natuurlijk karakter behouden. Wel zijn in onze tijd tal van de oude hooilanden omgezet in monotone populierenplantages. En dit nog: de woorden ‘Gete’ en ‘Gette’ betekenen zoiets als ‘gieten’ of ‘goot’ dus ik denk dat ik er maar ‘waterloop’ van maak.

Om water te bergen en zo overstromingen te vermijden

Aronsthoek in Geetbets in de vallei van de Gete heeft sinds onheuglijke tijden zijn oorspronkelijke vorm en functie kunnen behouden. Je ziet dat ik dat op de kaart Vandermaelen van 1845 maar je kan het ook zien op de Ferrariskaart van 1771 en waarschijnlijk zijn er nog oudere kaarten maar die zijn niet online: een open gebied van uitgestrekte drassige graslanden, op veel plaatsen afgezoomd met haagkanten en bomenrijen en met kleine loofbossen op de flanken van de vallei. Je kan er behoorlijk verdwalen want het gebied wordt doorsneden met waterlopen, soms zijn dat natuurlijke beken maar er zijn ook talloze leigrachten waarmee de boeren in het verleden het water hebben proberen te temmen.

Aronsthoek – Geetbets – in de wildernis

Ik heb het zelf nog niet meegemaakt maar in de winter kan heel dit landschap blijkbaar onder water komen te staan. En dat is nodig ook want anders lopen de huizen stroomafwaarts onder water. Traditioneel is het stadje Halen in dat geval een eerste slachtoffer. Ik lees dat ondanks plaatselijke buffermaatregelen in 2016 daar de omgeving nog eens onder water kwam te staan na heftige regenval.

Op deze verkenningstocht passeren we twee zijbeken van de Gete: de Graasbeek en de Melsterbeek. Tussen de beiden kijken we op de overkant van de Graasbeek naar het noorden op de Segeraethoeve. Ik ben nog niet tot daar geraakt maar van het moerassige weidegebied ten westen van die hoeve heeft Natuurpunt enige jaren geleden 48 ha kunnen aankopen van het oude domein Ter Vreundt. Op de kaart van Natuurpunt staat de hoeve aangeduid maar voor de historische benaming ‘Château de Vrunt – au Baron de Zegerarde (ruïne) moet je op Villaretkaart van 1745 kijken. En de moerassen staan overduidelijk ingetekend op de topografische kaart van nu. Het pad gaat er niet naar toe maar je ziet wel de rijen afstervende populieren in de verte. Ik laat de Galloways verder met rust  want ik kom aan het einde van hun wildernis aan een klein hekje en daarachter ligt het normale wandelpad. Naar rechts gaat terug naar de uitkijktoren.

Land van beken en zijbeken

Naar links kom je langs een mooi pad eerst de Graasbeek tegen en een eindje verder de Melsterbeek. Over beide beken schreef ik niet lang geleden een uitgebreide tekst en die kan je vinden door de bijgevoegde link te openen (https://opstapinhetlandvandedijleendedemer.home.blog/?s=graasbeek).

Aronshoek – Geetbets – brug over de Melsterbeek

 Beiden zijn zijbeken van de Gete en met zijn drieën verzorgen ze de watertoevoer in het natuurreservaat. De Graasbeek is maar een heel klein slingerend stroompje dat ik op de kaart zie beginnen als aftak van de Melsterbeek aan een zuiveringsstation een beetje ten noorden van het dorp Runkelen. Aan de Kasteellaan, dat is de autoweg die Aronsthoek in tweeën splitst, komt hij aan op de Asbeek en stroomt vandaar naar het noorden tot hij via de Melsterbeek op de Gete aankomt ten zuiden van Halen.  De Melsterbeek bevat heel wat meer water. Op de kaart zie je dat  hij een nogal ingewikkeld parcours aflegt van 35km van de bron in Jeuk in de gemeente Gingelom naar de Gete in Donk en daarbij een wijde boog rond de stad Sint Truiden maakt. Beide beken lopen een heel eind parallel met de Gete. In de 13de eeuw was de Melsterbeek blijkbaar bevaarbaar en kwam hij ten zuiden van Grazen in de Graasbeek aan. De motte in Geetbets (daarover later nog iets) diende in die tijd om tol te heffen op de langskomende schepen lees ik. In feit is een groot deel van de huidige Melsterbeek geen natuurlijke waterloop maar een lang geleden gegraven kanaal. Op oude kaarten zie je dat heel deze vallei de grens vormde tussen het wereldse Hertogdom Brabant en het religieuze Prinsbisdom Luik en de aanwezigheid van vele burchten (kastelen), donjons en versterkte hoeves herinnert daar nog aan.

Aronsthoek – Geetbets

Vlak voor de brug over de Melsterbeek sta je op die grens. Ik beloof nog een kastelentocht in de toekomst. De uitgezette Aronsthoek-wandeling komt na de brug over de Melsterbeek aan bij een natuur-onaantrekkelijk huis en een jonge eik met een bank er rond (en een groene vuilbak, knooppunt 415). Naar alle kanten ziet het vervolg er buiten het natuurreservaat nogal kaal uit en als je via het noorden de lus wil maken kom je wel langs de hoeve Segeraet waar ik het nog over zal hebben maar daarna op de autoweg en door de bebouwde kom. Ik ga daarom terug naar de uitkijktoren en naar de rivier en vertel nog iets over de mooie hagen die je op dat pad tegenkomt.

Van hagen en houtkanten

Dankzij Natuurpunt vind je in Aronsthoek langs het wandelpad opnieuw de haag- en houtkanten die eeuwenlang kenmerkend waren voor het boerenlandschap in heel Vlaanderen en er het lieflijk karakter aan gaven dat je kan zien op oude prenten en foto’s. Natuurpunt: “Reeds in 1771-1778, ten tijde van de cartograaf Graaf Ferraris, waren de groene valleistructuren heel duidelijk aanwezig. Het gebied had een open karakter, versneden door talrijke leigrachten en uitgestrekte drassige graslanden (beemden), lokaal omzoomd met haagkanten of bomenrijen.” Met de komst van grote machines is dat overal verdwenen en vervangen door grote open vlakten waarin nauwelijks nog struiken of bomen te zien zijn. Er zijn mensen die hiervan houden maar ik vind het troosteloos. Als de zon schijnt wandel je in de hitte en als de wind waait word je weggeblazen en er is nauwelijks beschutting tegen regen. En toch zijn die hagen en houtkanten van zeer groot belang, bijvoorbeeld om afstromen van water van de akkers tegen te gaan maar natuurlijk vooral als biotoop voor alle mogelijke dieren, waaronder vogels en insecten.

Aronsthoek – Geetbets – sleedoorn in de haag

 Ik blijf het vreemd vinden dat in de oude boerentijd toen alles met de hand gedaan moest worden, de hagen en de houtkanten werden onderhouden en dat in onze tijd waarin voor alles machines beschikbaar zijn,  dat werk er blijkbaar te veel aan is. Op het pad tussen de Melsterbeek en de uitkijktoren aan de Gete ervaar je hoe een mooie, structuurrijke en natuur-bevorderende haag-omzoomde veldweg er uit ziet. Als je tuin groot genoeg is kan je misschien ook zo’n strookje aanleggen of er omheen laten groeien in plaats van je te voorzien van steriele geschoren haagbeuken of coniferen. In het voorbijgaan nam ik foto’s van wilgen, vlier(bessen), sleedoorn(bessen), meidoorn(bessen, eikels, hondsrozen (bottels) en zelfs appels want dat groeit daar ook. En ongetwijfeld staat er ook linde, esdoorn, zoete kers (en ook amerikaanse vogelkers), iep, notelaar, kastanje, haagbeuk, hazelaar en spork. En je hoeft dat echt niet te planten want het groeit allemaal spontaan op. En als het hoog genoeg groeit geeft het schaduw en dan blijft je pad ook begaanbaar en hoeft niet voortdurend gemaaid en gesnoeid te worden. Hierna wandel ik terug langs de Gete en vertel nog iets over de motte van Geetbets, aan de Dorpsstraat juist buiten het reservaat. Daarna verken ik kort de noordkant van de Kasteelstraat.

De motte van Geetbets

Als er geen infoborden stonden zou ik het niet gezien hebben maar aan de bushalte vlakbij de brug is er nog een middeleeuwse ‘Motte’ in een weide. Heel opvallend is hij niet en of ik (een) mot zou krijgen als ik er dichterbij had proberen te komen heb ik niet geprobeerd om uit te vinden, maar als je goed kijkt zie je inderdaad een soort van lage heuvel die weinig fotogeniek is totdat je ontdekt dat er mooie rechte populieren rond staan.

Aronsthoek – Geetbets – de motte

Mottes vind je overal in de dorpen die op een andere manier aan een grens liggen. In Geetbets is dat de oude scheiding tussen Hertogdom Brabant en het Graafschap Loon, later het Prinsbisdom Luik. In de 13de eeuw diende deze verhoging als toevluchtsoord voor de dorpelingen in geval van dreiging maar vooral – lees ik in het erfgoeddossier – om “tol te heffen en als bescherming van de scheepvaart op de Melsterbeek, die vroeger ten zuiden van Grazen uitkwam in de Graasbeek. Rond de motte liep vroeger de Overbeek die nu nog als gracht zichtbaar is. Vermoedelijk vormde deze motte het oude leengoed Hof ten Hove, de kern waarrond de gemeente Geetbets zich gevormd heeft. Tijdens een vroege opgraving kwamen sporen van houtbouw aan het licht die mogelijk refereren aan de oprichtingsfase. Het gebouwenbestand werd waarschijnlijk vernield in de 16de eeuw en nadien niet meer hernieuwd. De motte zelf valt op door zijn hogere ligging en is in gebruik als hoogstamboomgaard. Op het neerhof lag de hoeve, die nu nog steeds als landbouwbedrijf in gebruik is en geen waardevolle bebouwing meer kent.” Op de Villaretkaart van 1745 zie je hem nog liggen als een omheinde rechthoek ten zuiden van de molen van Geetbets.

Aronsthoek – Geetbets – kerk gezien vanaf de motte aan de Gete

Het Hof ten Hove was het oudste leengoed in Geetbets en werd misschien al in de achtste eeuw gesticht. De kerk is hier vlakbij. Die dateert van eind 18de eeuw maar zijn voorganger stond er al in de 13de eeuw.

Op verkenning in Aronsthoek-noord

Hierna ga ik nog kort op verkenning in het noordelijke deel van Aronsthoek aan de overkant van de Kasteellaan tussen Geetbets en Rummen. En helemaal aan het einde gaan we dan toch nog even naar het zuiden richting André Meyvaertsbos en Segeraethoeve. Ondanks mijn voortreffelijke gids en beheerder en kenner van het natuurreservaat, Ronald Jacobs vind ik het niet gemakkelijk om over dit traject een overzichtelijke reportage te maken want het is wel een heel spannend maar niet erg overzichtelijk wandelgebied voor wie de streek niet kent. Het begint er al mee dat je op de kaart van Natuurpunt in dit gedeelte geen uitgezette wandeling zult vinden en in feite er zelfs helemaal geen paden zijn aangeduid. Gelukkig is de Open Street map iets optimistischer want daar zie je toch vanaf de Kasteellaan twee stippellijnen met naar het noorden kronkelen. De linkse daarvan volgt de westelijke oever van de Melsterbeek en de rechtse gaat aan de oostkant van de Gete. Het pad langs de Melsterbeek sluit in het noorden aan op de Leeuwbeekstraat. Het pad langs de Gete loopt dood aan de Asbeek en dan moet je gewoon terug tenzij je je weg door de wildernis weet of een beetje zuidelijker een afslagje met brugje over de rivier vindt naar een pad aan een zuiveringsstation met de naam Langveld en zou je daarlangs ook terug moeten kunnen naar de Kasteellaan. In de winter kan je in dit gebied nauwelijks terecht zonder natte voeten te krijgen en in de nazomer zie je bijna geen water vanwege het manshoge riet.

Aronsthoek – Geetbets

Maar waar je ook gaat, er zijn overal waterlopen. Behalve de drie die ik al genoemd heb zie ik ook nog de Katermansbeek en Ruelbeek op de kaart en of er water in zit of niet merk je pas op het allerlaatste ogenblik op de plek waar je er overheen zou willen. Ik begin te begrijpen waarom in de oude tijd dit grensgebied ook gevaarlijk moet zijn geweest om er te proberen doorkomen zonder gids.

Een paradijs voor vogels

De noordelijke kant van het natuurreservaat Aronsthoek is dus geen gemakkelijk gebied om je weg te vinden heb ik gemerkt. Je ziet de toren van een kerk in de verte en als je weet dat die van Geetbets is in het westen (wat ik niet wist toen ik de foto nam) dan weet je tenminste iets over je richting.

Aronsthoek – noord – Geetbets – spotterstoel staat klaar

Maar pas op, in Rummen staat er precies eenzelfde soort toren en dat is helemaal aan de oostkant. Je kan je voorstellen dat het in die tijd moeilijk was om ongemerkt en veilig over die grens tussen het Hertogdom Brabant en Prinsbisdom Luik heen te komen in dit mozaiek van rietvelden, moerassen en drassige hooilanden. Het landschap is grotendeels zo gebleven hoewel op veel plaatsen, vooral aan de rand, mais groeit en weilanden vervangen zijn door fruitplantages. Dit is uiteraard een paradijs voor alle mogelijke vogels zoals wulpen, watersnippen, reigers, bijzondere eendensoorten, wilde en kleine zwanen en kwartelkoning (is die er nu al?), insecten, amfibieën en andere dieren die het van water moeten hebben. Bij de zangvogels noemt Natuurpunt de kievit, spotvogel, zomertortel, roodborsttappuit, sprinkhaanrietzanger, blauwborst en kleine karekiet. Als toevallige bezoeker moet je wel specialist zijn om ze te horen en geduld hebben om ze daarna te zien en veel knapper dan ik om ze ook nog te fotograferen. Ergens in het gebied trof ik een stoeltje aan dat al klaarstaat voor de geduldige spotter.  Als je dan toch in quarantaine moet lijkt me dit geen slechte plek. In de winter moet je hier spectaculaire waterbeelden kunnen zien lees ik bij Natuurpunt want dan dient de vallei als natuurlijke waterberging. Behoud en herstel van dit soort landschap is uiteraard een veel betere oplossing om overstroming in dorpen te vermijden dan de aanleg van dijken en betonnen wachtbekkens maar het is blijkbaar nog altijd moeilijk om onze overdynamische  en overgetechnologiseerde ingenieurs van deze simpele waarheid te overtuigen. Maar in elk geval, op deze tocht kom ik geen beton tegen dus misschien gaan we betere tijden tegemoet.

Aronsthoek – Geetbets – een koester-kapelletje langs de Leeuwbeekstraat

een mooie kapel en een leuke bio-boerderij aan de Leeuwbeekstraat.

Aronsthoek – de noordkant. Vanaf de Melsterbeek belanden we via een aan de (strikt genomen veel te dicht langs de) rivier liggende perenboomgaard plotseling weer op een weg, de Leeuwbeekstraat. De peren zijn nog niet rijp maar gelukkig hoor ik geen geluiden van een pomp die water uit de beek oppompt. Is het waar dat plukkers in dit soort boomgaarden slechts 8 euro per uur verdienen? Tussen twee maisvelden duikt een schattig kapelletje op. Hij is duidelijk gewijd aan de Heilige Maagd maar wie hem gebouwd heeft en om welke reden kan ik op het internet niet terugvinden. Hij staat niet op de erfgoedinventaris van Geetbets en ik denk ook niet dat hij heel oud is want hij staat pas aangeduid op de NGI-kaart van 1939. Ik vind hem op een lijst van kapelletjes in Vlaanderen maar daar staat alleen dat er een grotje is. Dat is er ook en er staat een mariabeeld in. De kapel staat open, er staat een bank bij en hij is wel heel mooi onderhouden. Er moet iemand in de buurt zijn die er goed voor zorgt. Misschien is er een lezer die er meer over kan vertellen? Een klein eindje verder staan we aan een veldweg naar rechts plotseling aan een bio-boerderij. Serres, schuren, velden met groenten en bloemplanten en vriendelijke mensen die aan het werk zijn, Bio-bij-Bernd (‘hier leef je bio’ staat er op het bord) is overduidelijk een op de toekomst gericht tuinbedrijf en geen klassieke agro-industrie voor de maisteelt. Op de facebookpagina lees ik dat dit het bedrijf is van de lokale CSA (Community Supported Agriculture) bioboer Bernd Vandersmissen voor de omgeving Hasselt, Kiewit, Alken, Stokrooie, Herk-de-Stad, Heusden-Zolder en Bilzen.

Aronsthoek – Geetbets – Bio bij Bernd

Bernd en Rosette sluiten overduidelijk aan op de nieuwe trend van ‘telen voor de korte keten’ want het bedrijf staat aangeduid als organische groentenwinkel en je kan het menu bekijken en dat aan huis laten leveren of zelf afhalen. Je kan ook paketten voor groente en fruit, paddenstoelen en bloemen bestellen. Heel de regio van Midden-Limburg wordt bediend met de stad Zoutleeuw als zuidelijkste verkooppunt. Ik denk dat het hard werken is om zo’n bedrijf te houden en er van te kunnen leven maar in de toestand waarin Vlaanderen zich gebracht heeft denk ik dat dit de weg vooruit is. Hierna nemen we nog een laatste kijk in het natuurreservaat zelf aan het bos André Meyvaert en de totem voor René Coosemans en de dag daarna bezoeken we het Kasteel van Hoen (van Rummen).

De Segeraethoeve, het André Meyvaartbos en een totem voor René Coosemans

Het natuurreservaat Aronsthoek in Geetbets zou er niet zijn zonder een geduldig aankoopbeleid van Natuurpunt met het doel om al de vrijkomende puzzelstukken in het gebied aan elkaar te koppelen. Soms steken privé-kopers, dikwijls met jachtbedoelingen, een spaak in het wiel. Maar af en toe gebeuren er toch kleine mirakels waarbij grondeigenaars, meer in het bijzonder boeren, zich op de lijn van de natuur zetten.

Aronsthoek – Geetbets – langs de Melsterbeek – hoeve Segeraet in de verte

Iets ten zuiden van de Kasteellaan zie je langs de Melsterbeek de hoeve Segeraet, zo genoemd naar voormalig eigenaar, de familie Zegeraedt,  heel lang geleden ook bekend als Hof Ter Vreundt. Dat is een belangrijke historische site, lange tijd eigendom van het Oriëntenklooster, met een in 1910 afgebroken donjon. De Melsterbeek is op die plek verlegd om de watermolens te bedienen en de hooi- en graasweiden in te richten. In 2013 kon Natuurpunt 45 hectare grond rond die hoeve in eigendom verwerven. Enkele jaren geleden besloot boer-op-rust André Meyvaert om het gebied waarover hij de pacht had aan Natuurpunt in beheer te geven omdat hij vond dat de huidige landbouw de natuur kapot maakt, vooral omdat er teveel wetten zijn die de boer het leven zuur maken. De organisatie besloot in 2017 op een deel van het terrein een klimaatbos met een omvang van zeven voetbalvelden aan te leggen met alle mogelijke inheemse boom- en struiksoorten zoals zomerlinde, zomereik, esdoorn, zoete kers, ruwe iep en haagbeuk,  hazelaar, spork en hondsroos. André werkte zelf mee aan de voorbereiding van het planten van duizenden boompjes maar juist toen het echte werk moest beginnen kwam hij plotseling te overlijden. Op 12 maart 2017 werden na een plechtige inhuldiging van het nieuwe bos bijna 7000 bomen geplant met medewerking van scholen, jeugdverenigingen en andere plaatselijke natuurliefhebbers. Uit eerbetoon is het bos naar hem genoemd. Bij de inhuldiging werd ook een rustbank geplaatst en twee lindeboompjes geplant. De havik-totem – gemaakt gemaakt in de sociale werkplaats van Natuur en Landschap – is gewijd aan René Coosemans. Deze Brusselaar schonk voor zijn overlijden in 1993 een deel van zijn nalatenschap, 463.000 euro, aan Natuurpunt Oost-Brabant voor de aankoop van natuurpercelen in het Hageland. Met een deel van geld zijn de percelen rond de hoeve Segeraet ook eigendom van de organisatie geworden. De weduwe van André, Simone Bollen woont nog altijd op haar boerderij en zet het bedrijf verder zolang het gaat. Met dit hoopvolle verhaal ben ik rond met mijn eerste verkenning van dit prachtige natuurgebied en breng ik hierna nog een bezoek aan het kasteel van Hoen dat er zowat middenin ligt.

Aronsthoek – Geetbets – de haviktotem

Aronsthoek – het kasteel van Hoen. Sommige natuurliefhebbers zijn ongetwijfeld in hun nopjes met de gevelbegroeiing van het ietwat bouwvallige ronde torentje aan de Kasteelstraat nummer 17 in Geetbets (zie de foto) maar het is helaas zowat het enige wat overblijft van het eens zo trotse kasteel waar het deel van uitmaakte. Gelukkig is er nog de kasteelhoeve die vroeger wel veel groter was maar er dankzij eigenaar Ward Vertommen toch nog altijd (of beter: opnieuw) een best wel de allure van een kasteel heeft. Torentje en hoeve zijn sinds 1995 als erfgoed-monument beschermd als gebouw maar ook als stads- of dorpsgezicht als ‘Kasteel van Rummen met omgeving’. In het erfgoeddossier lees ik dat voor de Franse revolutie Rummen deel uitmaakte van het graafschap Loon en dat in deze vruchtbare streek de welgestelde familie Hoen geleidelijk aan de eigendom en het gezag over deze omgeving verwierf. Op het einde “van de 16de eeuw was Rummen in het bezit van Guillaume Hoen de Cartiels, zoon van Henri Hoen en Anna de Horion. Zijn zoon Jean Hoen verkreeg de titel van graaf en liet in 1629 een nieuw kasteel bouwen”. Sindsdien is het niet meer ‘Hoen’ maar ‘Van Hoen’ en de wapenschilden van de familie staan tot twee keer toe ingebeiteld aan de voorkant van de hoeve met jaartal 1629 maar wat de betekenis van de afbeelding is weet ik nog niet. In de muur staat ook het jaartal 1626 ingemetseld dus dat moet tijdens de bouw gebeurd zijn. Het plaatje onder de schilden wil alleen maar zeggen dat het goed tegen brand verzekerd was op het einde van de 19de eeuw. Op een gravure van 1662 zie je hoe het geheel – kasteel en hoeve – er in zijn tijd moeten hebben uitgezien: in feite een zwaar versterkte omwalde en slechts via een brug toegankelijke waterburcht. Deze burcht brandt al in 1657 gedeeltelijk af maar wordt nadien wederopgebouwd.

Kasteel van Hoen zoals gebouwd in 1629 – oude gravure (1662) gepubliceerd in de Chorographia Sacra Brabantia van Sanderus
Aronsthoek – Geetbets – Kasteel van Hoen – prenttekening uit 1640 door Remacle Leloup

Op een pentekening van Remacle Leloup van 1740 (zie foto) maakt de versterkte allure plaats voor een residentieel karakter. De Ferrariskaart (1771) toont een site die blijk geeft van grootse plannen die waarschijnlijk niet zijn afgewerkt want na de kinderloze dood van gravin Marie-Henriette de Hoen de Cartels liet haar neef en erfgenaam Charles-François de Horion het hele bezit in Rummen aan zijn schuldeisers over. Tegen die tijd komt de Franse revolutie er aan en in die periode wordt het kasteel wegens financiële moeilijkheden verkocht aan Pierre Van den Bossche uit Tienen.

Aronsthoek – Geetbets. Het kasteel Van Hoen is na de Franse revolutie nog een eeuw blijven bestaan maar in die periode door elkaar opvolgende eigenaars toch stukje bij beetje verkleind.

Kasteel van Hoen – Geetbets-Rummen

Over die periode lees ik in het erfgoeddossier het volgende: “In 1887 geeft Wouters in zijn Géographie et histoire des Communes Belges nog een beschrijving van het kasteel, dat sindsdien is gesloopt. Enkel de zuidoostelijke hoektoren bleef als torenruïne bewaard. De vroegere omvang van het kasteel is nog steeds afleesbaar op het kadasterplan. De Primitieve kadasterkaart, opgemaakt door Boonaerts in 1827, toont een plattegrond die nauw aansluit bij de afbeelding van Leloup. Op een gravure van 1847 wordt het herenverblijf getoond met de twee hoektorens, de spietorentjes, de ophaalbrug en de slotgracht, precies zoals Leloup het meer dan honderd jaar eerder had getekend. De slotgrachten stonden nog wel geregistreerd als lustvijver (‘eau d’agrément’), maar van de parterretuin ten oosten van het kasteel bleef alleen de perceelsvorm bewaard. Het voormalige kasteel van de Hoen was toen eigendom van de weduwe van Pierre Van den Bossche uit Tienen, eigenares van bijna één derde van het grondgebied Rummen. Zij liet in 1837 de restanten van de voorburcht afbreken. Het herenverblijf werd op één hoektoren na gesloopt omstreeks 1906. De resterende hoevegebouwen werden tot in de jaren 1980 nog als hoeve uitgebaat. Een poging tot restauratie rond 1990 verzandde in een pril stadium … De toren ligt in een kleine waterplas, een restant van de vroegere omgrachting, eertijds gevoed door de Asbeek (Ruulbeek of Philippebeek) die de gemeente van oost naar west doorkruist.” Die kaart van 1827 en de gravure van 1847 heb ik niet maar op de in het grote internet beschikbare kaarten zie je het hierboven beschreven verval ook heel duidelijk (zie de foto’s).

Kasteel van Hoen – Geetbets-Rummen – kasteel van Hoen – trap naar de hemel

Ik heb geen oude foto van de site van vlak voor en na de vastgelopen restauratie in 1990 maar die mislukking had zeer goed het einde van deze droevige historie kunnen zijn als er niet een koper was opgedaagd met de nodige passie en middelen om aan het geheel een zinvolle eigentijdse herbestemming te geven. Over het werk van huidig kasteelheer Ward Vertommen ga ik het nog hebben. Er zijn echter nog twee intrigerende raadsels waarvan ik hoop dat een lezer er meer over kan vertellen: in de voormuur van de hoeve is een vrijmetselaars-ster ingemetseld (zie de foto). Wie van de bewoners dit gedaan heeft, wanneer en om welke reden is me totaal duister en ik zou het toch graag willen weten. En het tweede raadsel: is er iemand die verstand heeft van rune-achtige timmermanstekens (telmerken, paringstekens) in oude houten balken in het dakgebinte? Zie de foto.

In 1995 wordt de kasteelhoeve Van Hoen officieel beschermd als monument. Maar tegen die tijd is het gebouw al flink aan het aftakelen. In 2004 gaat het bijna in vlammen op door brandvandalisme. Het antieke meubilair wordt gestolen en het dak begint flink te lekken. Erfgoed beschermen is noodzakelijk maar het vervolgens leeg laten staan is een riskante zaak.

Kasteel van Hoen – Geetbets-Rummen

Het gemeentebestuur overweegt even om de hoeve aan te kopen en als cultureel centrum in te richten maar dat gaat niet door. Plannen van eigenaar Dakimmo uit het Kempense Tielen om er een stoeterij van te maken stuiten op weerstand bij de erfgoeddiensten. De verkommering gaat verder en in 2006 vertelt Het Nieuwsblad dat de hoeve te koop staat. Dit nieuws bereikt de oren van de uit Tienen afkomstige Brugse zakenman Ward Vertommen die na de opening van een succesvolle feestzaal in Neerlanden op zoek is naar een nieuwe en ruimere locatie. Ward koopt de hoeve – maar niet de toren en de resten van de kasteelgracht – aan in 2008 en dan beginnen drie jaren van soms moeizame restauratie tot met een beetje vertraging in mei 2011 de deuren voor de eerste keer opengaan. Sindsdien adverteert de site zich op professionele wijze als een toplocatie voor al wat bedrijven en mensen van nu nodig hebben om te feesten en te vieren: “het 17de eeuwse Kasteel van Hoen (Geetbets) is een locatie die stijl en charme uitstraalt. Het poortgebouw en de tiendenschuur zijn omgetoverd tot een schitterend complex voor kleine en grote evenementen, zoals recepties, bedrijfs- of personeelsfeesten,… De mogelijkheden van dit gebouw zijn eindeloos. Het kasteel ligt omringd door weilanden en bossen, op de grens van Vlaams-Brabant en Limburg.” Meestal zal het er heel druk zijn met schoon volk denk ik maar ik nam er mijn foto’s midden in de corona-crisis op een toevallig passeermoment waarbij Ronald en ik privé werden rondgeleid door onze allervriendelijkste maar uiteraard een beetje bezorgde kasteelheer met zijn brave en speelse jonge hond als enige stervelingen in het enorme gebouw.

Aronsthoek – Geetbets – kasteel van Hoen

De site is grandioos gerestaureerd met groot respect voor het klassieke uitzicht en gebruik van originele materialen. Een mooie buitentuin en de ruime binnenplaats geven de vroegere hoeve inderdaad wel meer de allure van een kasteel dan van een boerderij die het toch eeuwenlang was. Ward moet absoluut ook een passioneel verzamelaar zijn want het interieur is aangekleed met alle mogelijke antikwiteiten van overal vandaan en van allerlei aard. Sommige vind ik heel merkwaardig zoals een enorme vergulde doodskist in de feestzaal (wie durft het deksel op te lichten?). Je moet absoluut gaan kijken in de gloednieuwe ceremoniezaal met de opgekapte bankjes. Als je de zitting naar beneden doet komen er geen ‘zondige’ taferelen tevoorschijn zoals in de kerk in Aarschot. Maar bewonder vooral de torenhoge tiendenschuur met zijn prestigieuze houten gebinte, in elkaar gestoken in eeuwen dat er nog geen bouten en nagels werden gebruikt maar alles met handgemaakte pen-gat verbindingen werd vastgemaakt. Mijn blik is aangetrokken door enkele details in dat gebinte die je als feestganger misschien niet zal opmerken. De rune-achtige tekens in enkele van die heel oude balken zie je wel vaker in erfgoed-gebouwen. Het zijn zogenaamde ‘paringstekens’ of ‘telmerken’ die de timmerlieden van vroeger aanbrachten om op de werf precies te weten hoe en waar hun loodzware balken op grote hoogte moesten worden bevestigd. Ik ontdek dat er een hele ‘taal’ van die tekens bestaat die iedere schrijnwerker moet kennen, zeker als hij/zij voor de rest ongeletterd is hetgeen in de oude tijd blijkbaar dikwijls zo was.

Kasteel van Hoen – Geetbets-Rummen – timmermanstekens in de oude balken

Is er een lezer die kan zeggen wat de tekens op mijn twee foto’s betekenen? Ik blijf nog zitten met één vraag: wat gaat er bij Ward’s buren op de duur gebeuren met die zielige toren en de als prozaïsche visvijver gebruikte kasteelgracht met kale parking en party-tent? Tip voor wie daar iets over te zeggen heeft: zou het niet beter zijn om ook dat deel van de site weer terug bij de hoeve te voegen en er een park-tuin van te maken met hagen die de contouren van het vroegere kasteel aangeven?

Met deze vraag ben ik aan het einde van deze eerste verkenning van Aronsthoek en omgeving gekomen maar zoals altijd beloof ik om er snel weer verder op zoek te gaan.

Aronsthoek – Geetbets – kaart Natuurpunt

++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

http://www.natuurpuntgetevelpe.be/aronsthoek

+++

+++

Aronst Hoek erkend als natuurreservaat | Zoutleeuw | In de …

http://www.hln.be › In de buurt › Zoutleeuw

+++

https://www.molenechos.org/molen.php?nummer=973 (molen van Geetbets)

+++

Aronsthoek – Watermolen Geetbets op de Gete

https://www.natuurpunt.be/pagina/galloway

+++

Aronst Hoek | Natuurpunt

www.natuurpunt.be › natuurgebied › aronst-hoek

+++

https://wilde-planten.nl/grote%20kaardebol.htm

+++

+++

https://www.sohf.nl/nutrient/kaardebol

+++

https://www.tuinadvies.be/plantengids/2120/dipsacus-pilosus

+++.

Wat is de betekenis van kaarden – Ensie

www.ensie.nl › betekenis › kaarden

Aronsthoek – Galloway

+++

https://opstapinhetlandvandedijleendedemer.home.blog/2020/04/23/op-stap-in-het-land-van-de-graasbeek-en-de-melsterbeek/

+++

https://www.hbvl.be/cnt/dmf20160723_02396466/in-beeld-water-stroomt-door-straten-zelk-en-zelem

+++

https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/301172

Valleien van de Grote en Kleine Gete | Inventaris Onroerend …

inventaris.onroerenderfgoed.be › erfgoedobjecten

+++

https://beeldbank.onroerenderfgoed.be/images/226560

+++

Hof ten Hove

+++

Aronsthoek – Geetbets

https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/41814

(Petrus en Paulus kerk)

+++

http://www.kapelletjesinvlaanderen.be/html/geetbets.html

+++

https://www.facebook.com/biobijbernd

+++

http://www.biobijbernd.be/

Aronsthoek – totem aan het Segeaetperceel

+++

Havik waakt over natuur in Aronst Hoek (Geetbets) – Het …

www.nieuwsblad.be › cnt › dmf20170328_02804558

+++


Natuurgebied Aronst Hoek wordt 48 hectare groter (Geetbets …

www.nieuwsblad.be › cnt › dmf20131107_00828424

https://www.nieuwsblad.be/cnt/dmf20131107_00828424

+++

https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/302577 (kasteel van Rummen) ruinetoren naast kasteel van Hoen

+++

https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/41829

+++

https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/134183

+++

Aronsthoek – Geetbets – kasteel van Hoen

Fier op de hoeve van hier – Regionaal landschap Zuid …

http://www.rlzh.be › rlzh › sites › default › files (rapport door Claudia Houben, 2019)

+++

https://www.facebook.com/kasteelvanhoen

+++

https://www.meetingvlaamsbrabant.be/nl/aanbod/kasteel-van-hoen

Kasteel van Hoen – Geetbets-Rummen

+++

https://www.nieuwsblad.be/cnt/bo3ada0

Kasteel van Hoen gaat dit weekeinde open (Geetbets) – Het …

www.nieuwsblad.be › cnt – 20 mei 2011

+++

https://www.nieuwsblad.be/cnt/gbku59e8

Kasteelhoeve zoekt bewoner – Het Nieuwsblad Mobile

www.nieuwsblad.be › cnt –24 jun. 2006

+++

Kasteelhoeve Hoen wordt feestcomplex (Geetbets) – De …

www.standaard.be › cnt Kasteelhoeve Hoen wordt feestcomplex 3 juli 2008

+++

https://www.dbnl.org/tekst/jans353hout01_01/jans353hout01_01_0005.php – telmerken in gebinten

+++

https://www.joostdevree.nl/shtmls/paringstekens.shtml

paringstekens, paringsteken – Joostdevree

http://www.joostdevree.nl › shtmls › paringstekens

Aronsthoek – Geetbets

trefwoorden: geetbets, gete, aronsthoek, natuurpunt, natuurreservaat, motte, galloway, kaardebol, kasteel van hoen, segeraethoeve, bernd & bio, erfgoed, geschiedenis,

DE VALLEI VAN DE PIETREBAIS TUSSEN CHAPELLE SAINT LAURENT EN COCROU

Uitgelicht

Van het Bois de Beausart naar Cocrou

Gottechain – Bois de Beausart – Rue de Linsmeau

Vanuit Gottechain ga je heel gemakkelijk en snel naar het zuiden naar de Ruisseau de Piétrebais, Cocrou  en het dorp waar de beek zijn naam aan ontleent. Op voorwaarde natuurlijk dat je weet hoe je door het privé-ontoegankelijke Bois de Beausart komt.

Voor voetgangers is er maar één redelijke manier. Vanaf de Ferme de Linsmeau aan de Rue de Linsmeau stap je de toegangsweg af tot aan de Chaussée de Jodoigne. Dat is een hele mooie bosweg die wel wat ontsierd wordt door het overbodig groot aantal borden met ‘entrée interdit’ in de kanten en klaarstaande jachtstoelen voor als je toch de (on)wil van de eigenaar(s) zou trotseren. Het Bois de Beausart is opgenomen in de lijst van Waalse sites ‘de grand intérêt biologique’.

In de beschrijving lees je:  » Le Bois de Beausart est un massif forestier de bonne taille occupant le versant nord de la vallée du ruisseau de Piétrebais, dans le Brabant sablo-limoneux. Il est caractérisé par d’importants affleurements de sables du Bruxellien. Les boisements sont constitués de belles chênaies-hêtraies acidophiles, principalement situées sur les versants, d’éléments d’aulnaies-frênaies alluviales, notamment dans le fond de vallée du Piétrebais, ainsi que d’importantes plantations de pins noirs et de pins sylvestres, essentiellement sur les plateaux sableux. On observe également quelques plantations de chênes rouges, de vieilles chênaies acidophiles, des fourrés de Prunus serotina ainsi que des boisements secondarisés de frênes. » De geschiedenis van het bos is nauw verbonden met die van de chateau-ferme de Beausart (zie de link naar de beschermingsfiche). Het bos is naast gepriviligieerd jachtterrein duidelijk in gebruik voor de productie van hout maar ik denk niet dat je die dikke stammen zou willen stelen hoewel ze wel uitnodigend klaarliggen. Het bos is ongeveer 140 hectare groot en wordt doorsneden door de Chaussée de Jodoigne. Op het internet vind ik nogal wat aankondigingen dat delen van het bos gesloten worden bij heftige storm.

Bois de Linsmeau – Bois de Beausart et Domaine Vignoble de Lowas

Het Bois de Beausart tussen Gottechain en Biez. De weg vanaf de Ferme de Linsmeau is vlak door het landschap gegraven maar aan de rechterkant zie ik ferme hellingen of ravijnen. Aan de linkerkant (oost) is in het bos verborgen nog een diep dal maar zover ik kan zien op de kaart gaat er geen water door of toch niet veel en niet altijd. Daarvoor moet je juist ten oosten van het kasteel zijn: daar ontspringt de Ruisseau Beausart die na een kort traject evenwijdig aan en ten zuiden van de Chaussée de Jodoigne in het dal met een diepe kloof op de Piétrebais uitmondt. Op de kaart heet die bosweg tussen de Ferme de Linsmeau en de Chaussée de Jodoigne de Rue Bruyères Marion maar wie die heer of dame was weet ik nog niet. Op de webpagina van de PCDN (Plan Communal de Dévelopement de la Nature) van Grez-Doiceau lees ik dat in de oude tijd grote delen van het brabants plateau gekoloniseerd waren door heide: “Bruyère Marion sous le Bois de Beausart, par exemple. La carte de Ferraris (1771-1778), nous montre que sous l’Ancien Régime, l’ensemble du versant qu’occupe le village de Hèze était une lande à bruyère. Il y a probablement un lien à établir avec la petite dimension de certaines anciennes fermettes du village, autrefois propriétés de paysans pauvres ou de manouvriers qui possédaient une vache ou quelques moutons promenés sur ces maigres pâturages. A Biez aussi, la lande occupait l’ensemble du versant sud de la butte. « Door de opkomst van moderne landbouwmethoden, de bosbouw (onder meer voor de steenkoolmijnen) en – meer recent en nog altijd toenemend – de verkavelingen is er van heide niets meer te bespeuren. Het Bois de Beausart is op de oude kaarten toch in zijn volle omvang aanwezig dus het zeker een zogenoemd ‘oud bos’. Langs de veldweg kom ik nog een oude helemaal volgegroeide kleine zandgroeve tegen. Vanhier steek ik de Chaussée de Jodoigne over richting (de) Piétrebais.

Domaine de Lowas en Chapelle St Sébastien en het bois de Cocrou

Cocrou – la Chapelle Saint Sébastien

Van Gottechain naar Piétrebais. Eenmaal door het Bois de Beausart ga ik verder langs de kasseien van de Rue de Linsmeau (Rue Buyère Marion). Sinds gisteren weet ik dat de wijnstokken op de helling toebehoren aan de Vignes du Domaine des Lowas. Om te weten hoe de wijngaard aan die naam komt en om de wijn te proeven zal ik er nog een bezoek moeten brengen maar ik ontdek toch al dat op de Ferrariskaart van 1777 heel deze helling de naam draagt van ‘Bois de Vignoble’ dus dat belooft veel goeds. Ik steek de Chaussée de Jodoigne snel en voorzichtig over, ga over de brug over het riviertje ‘Le Piétrebais’ en zoek en vindt een beetje verscholen tussen de huizen van Cocrou de kapel Saint Sébastien. De naam Cocrou komt van ‘Coqueroux’ en dat gaat terug tot in de twaalfde eeuw toen een familie Cokerul hier de gronden bezaten. Het gehucht is deel van het dorpje Biez en samen zijn ze allebei sinds 1977 deel van Gréz-Doiceau. De geschiedenis van Cocrou is nauw verbonden met die van Biez. De kerk van Biez is gewijd aan Saint-Martin, de Chapelle de Coqueroux heeft Saint Sébastien als patroonheilige. Op de gevel aan de oostzijde staat het jaar 1730 als oprichtingsdatum maar de fundamenten zijn waarschijnlijk veel ouder. Ik ben er nog niet binnengeweest maar er zouden keramiekwerken van Max van der Linden moeten zijn. In de zijgevel is een steen ingemetseld ter nagedachtenis van Jules Roberti De Winghe die leefde van 1887-1961 en de kapel heeft laten restaureren. De familie Roberti De Winghe is de eigenaar van de Ferme Château de Beausart. De gele bloemen zijn mooi maar het is jammer dat er zo’n lelijke lantaarnpaal voor staat en dat terwijl er een hele mooie lantaarn aan de kapel hangt waar de maan doorheen schijnt terwijl ik daar sta. Sint-Sebastiaan is de beschermheilige van onder andere de (boog-)schutters, soldaten, jagers, steenhouwers, tuiniers, kleermakers en brandweerlieden. Verder was hij een van de zes pestheiligen, kinderen kregen zijn naam om pest, lepra, zweren en andere ziektes af te weren. Zijn naamdag is 20 januari, de dag waarop hij als martelaar stierf in het jaar 288. Waarom men in Cocrou speciaal voor hem gekozen heeft weet ik nog niet maar het zeker nuttig om een heilige te hebben die van veel markten thuis is, ook al omdat de geschiedenis van Biez nogal woelig is. Van hier ga ik naar het Bois de Cocrou.

Cocrou-Biez – Chavée de la Sarte

Vanaf de Chapelle Saint Sébastien in Cocrou is het maar enkele tientallen meters stappen naar de grotendeels holle weg ‘Chavée de la Sarte’ die door het Bois de Cocrou gaat. Het woord ‘Chavée staat behalve voor ‘steegje’ voor zoiets als ‘afgekrabd’, ‘uitgegraven’ of ‘uitgehold’ en het woord ‘sarte’ betekent dat de bomen gerooid zijn dus dat er eigenlijk geen bos meer is. Op veel plaatsen kom je langs oude kleine zandgroeves dus dat klopt wel. Als je kijkt op oude kaarten zoals die van Villaret (1745) en Ferraris (1777) zie je dat er wel bos is maar (nog) minder dan vandaag. Of er in die oude tijd nog heide is kan ik niet zien, tegenwoordig is het bos omgeven met grasland en uitgestrekte akkers. Het is een hele oude weg en als je  helemaal tot aan het einde stapt kom je op nr.16 uit aan een erfgoedkapelletje uit de 19de eeuw vlak bij ‘La Ferme de la Sarte in Biez maar zover gaan we nog niet. Het Bois de Cocrou vind ik terug op de Waalse lijst van ‘Sites de Grand Intérêt Biologique (SGIB)’ met de volgende beschrijving: « Le Bois de Cocrou occupe une colline sableuse, située entre les hameaux de Cocrou et de Petit-Sart, limitée au nord par le vaste méandre du ruisseau de Piétrebais, et au sud par le plateau limoneux de Longueville. Ce bois est constituée de plantations de pins sylvestres et de pins noirs, pures ou mélangées de feuillus, de chênaies et chênaies-boulaies acidophiles, de boulaies de recolonisation et de plantations de mélèzes. On y observe également plusieurs chemins creux (chavée de la Sarte, rue de Renival), bordés de micro-falaises, ainsi que deux clairières herbeuses. Au niveau de la partie nord de la Chavée de la Sarte, présence d’un ancien front de taille d’une exploitation de sable, recolonisée par les ligneux. » Het is een heel mooi schaduwrijk bos maar ik denk dat de bescherming vooral nuttig is om historische redenen en om de bewoonde wereld op afstand te houden want je komt toch wel veel nieuwe huizen tegen.

La Ferme-bio du Petit Sart

Van hier ga je vlak langs de grote en sympathieke bioboerderij ‘du Petit Sart’. In het dal van de Piétrebais kan je er ter hoogte van Cocrou niet naast kijken: aan veel velden en akkers staat een bord met “je cultive bio – Ferme du Petit Sart”. En jawel, op mijn tocht door het Bois de Coucrou langs de Chavée de la Sarte kom ik – onverwacht – de hoeve tegen, een flink uit de kluiten gewassen bio-boerderij. Soortgelijke hoeves kom ik deze streek dikwijls tegen. Als ik mis ben hoor ik het graag maar ik denk dat op het vlak van duurzame ecologische landbouw Wallonië toch wel heel wat verder gevorderd is dan weerspannig Vlaanderen met zijn almachtige Boerenbond vastgepind op de  agro-business. Van buitenaf zie ik niet veel bijzonders: houten gebouwen, machines, hooibalen, een infobord met ‘Jardin Vivant’ en een reeks opvallende bloemen.

Biez-Cocrou – la Ferme bio du Petit Sart

Vriendelijk is het duidelijk wel want aan de boom hangt een bord dat je toestemming geeft om over de privéweg te gaan (dat klinkt wel leuker dan in het Bois de Beausart!) maar ze vragen wel om je hond aan de lijn te houden want de kippen zijn niet geconfineerd en lopen dus los.  Terug thuis ontdek ik op het internet onmiddellijk dat het hier gaat om een hypermoderne energiezuinige boerderij die zich richt op de teelt van Franse limousinekoeien, allerlei landbouwgewassen (les grandes cultures)  maar ook op de tuinbouw (des légumes rares et oubliés). De hoeve is het levenswerk van Hubert del Marmol die in 2004 eerst zijn job in de chemische industrie verloor en daarna zijn vader. Hij erfde een 15tal ha grond en besloot de bocht van 360° te maken en als bio-boer te beginnen. Hubert is van opleiding agronoom-ingenieur maar moest zich zonder enige praktijkervaring en met de nodige schade en schande inwerken. Dat is hem en zijn team kennelijk wel gelukt want ondertussen is er ook de stichting Générations Bio (geleid door Carl Vandoorne) bijgekomen voor het aanbieden van educatieve en culturele projecten, krijgt hij nationale en Europese belangstelling en bezoek van leden van de koninklijke familie, haalt regelmatig de kranten en de TV en was in 2018 winnaar van een Waalse prestigieuze ‘Prix pour leDéveloppement Durable’.  Maar tegelijkertijd wordt zijn hoeve blijkbaar bedreigd door de geplande aanleg van een dam op zijn terrein om de rivier te temmen.

Cocrou – la Ferme-bio du Petit Sart. Waar de Limousine-koeien zijn weet ik niet want ik heb er geen gezien of gehoord (ze zouden van die Alpenbellen om hun nek moeten hebben lees ik). Maar het is dan ook erg warm als ik er langs kom en tijd voor mensen en dieren om beschutting te zoeken. Het is er heel stil en op de kalender (‘agenda’) op de website worden geen activiteiten aangekondigd. Ik vermoed dat de Corona-toestand daar ook wel voor iets tussen zit. Aan de rij cardoenplanten zie ik toch onmiddellijk dat het een bijzondere hoeve is. Je kan er via de Fondation Générations Bio en haar project ‘ferme couveuse’ opleidingen volgen en stages doen als tuinder (maraîcher) maar meer dan dat, de hoeve biedt onderdak en ruimte aan jonge groentetelers om het vak van bio-tuinder te leren. Zo kweekt Annick Noiset met haar leerproject ‘Le Jardin Vivant’  sinds drie jaar groenten, fruit en bloemen voor de verkoop-in-korte-keten aan restaurants en particulieren en heeft daarvoor één hectare ter beschikking op de hoeve. Ik weet niet of dit soort zaken in Vlaanderen ook bestaat maar het lijkt mij een fantastisch toekomst-concept voor de duurzame land- en tuinbouw. Op de hoeve zijn ze zich kennelijk bewust van de dringendheid van hun manier van denken en doen. Ik blijf staan bij een infobord en probeer de vellen papier te lezen die er aan hangen.

Biez-Cocrou – la Ferme bio du Petit Sart

Op de foto zie je dat twee er van het verhaal zijn van een jonge moeder (Geneviève Dorval) die in haar vreugde om haar zo gewenste en in 2018 geboren kind in een ‘lettre à mon fils’ (Léon) zich schuldig voelend worstelt met het gegeven dat de mensen van nu het leefmilieu en het klimaat zodanig naar de knoppen hebben geholpen dat er voor haar zoon die ze zo liefheeft geen toekomst meer gaat zijn. Het is een loodzware boodschap maar terwijl ik het lees is het buiten 35°, regent het al lange tijd niet meer en worden in onze steden mondmaskers gedragen om een koppige en gevaarlijke pandemie in te dijken. Ik word er in elk geval even stil van maar ik lees ook de beloften die de moeder doet om dit tij te helpen keren en het derde blad papier dat er naast hangt (zie foto).

Op weg langs de ferme-bio du Petit Sart langs de Chavée de la Sarte tussen Cocrou en Piétrebais. Zoals in veel riviervalleien waar teveel gebouwd is en door de verharding het water te snel wegstroomt, ook al vanwege het rechttrekken van de waterloop, kampt Le Train blijkbaar met periodieke overstromingen. En jawel, in 2018 kondigt Marc Bastin, gedeputeerde van de  Provincie Waals-Brabant de bouw aan van een dijk op het terrein van La Ferme-bio du Petit Sart  van 140 meter lang, 28 meter breed en 5,5 meter hoog om in geval van nood het water van de Piétrebais in een ‘bassin d’orage’ te kunnen bufferen. Op protesten van Hubert del Marmol dat dit het einde is van zowel zijn biohoeve als van de Fondation Générations antwoordt de Député laconiek dat het project in het algemeen belang is en dat hij de plicht heeft om zijn beleid daarop t ebaseren, dat zijn beslissing voortvloeit uit een advies van een door hem samengestelde groep van experten die unaniem beweren dat dit de uitgelezen plek is voor de bouw van het kunstwerk en dat hij zich niet kan bezighouden met de privébelangen van de bioboer.

Zoals de wet voorschrijft wordt echter een publieke onderzoek georganiseerd waarin bezwaren kunnen worden ingebracht. Dit brengt een massamobilisatie op gang met een druk bijgewoonde hoorzitting waarin vooral de inbreng van Jean-Pascal van Ypersele, Professor aan de UCL en ondertussen beroemd klimatoloog opvalt: “Il s’agit ici de faire un barrage qui concerne un affluent du Train qui n’apporte qu’une petite partie de l’eau qui est susceptible d’inonder Grez-Doiceau. Et donc on peut se demander d’abord pourquoi on ne prévoit pas de travaux pour prévenir les débordements du Train lui-même. D’autre part, je crois qu’il y a une sous-estimation des dégâts que ce bassin d’orage causerait aux activités de la ferme. Ce sont parmi les meilleures terres de la ferme qui sont concernées. On sait ce qui se passe quand il y a une inondation, il risque d’y avoir du mazout et d’autres déchets mélangés à l’eau.

Biez-Cocrou – op weg langs Chavée de la Sarte – cardoen

Et si cette eau polluée s’accumule sur les terres, cela risquerait de rendre les terres inutilisables pour une agriculture bio par la suite”. Hij voegt hier aan toe : “On a l’impression que le projet est présenté comme étant à prendre ou à laisser alors que les alternatives n’ont pas été étudiées, présentées, expliquées et discutées démocratiquement”. Maar zijn belangrijkste kritiek vind ik het volgende : “On nous dit que ce projet répond à l’intérêt général alors que la défense de la ferme correspondrait à la défense d’intérêts particuliers. C’est une conception très étroite de la notion d’intérêt général. Moi je suis convaincu que la ferme bio du Petit Sart répond justement au service de l’intérêt général de multiples manières. Et les pouvoirs publics doivent en tenir compte”. Mij valt op dat dit soort projecten in deze streek systematisch voorzien worden in natuurgebieden of terreinen van duurzame landbouw. Dat onderzoek is ondertussen afgesloten en sindsdien wordt het opmerkelijk stil, toch op het internet en in de media. Is het afgevoerd (dat zou publiek nieuws zijn)? Zijn er procedures aan de gang (ik lees iets over ‘advokaten’)? Zint de Provincie op andere mogelijkheden of op een beter tijdstip om het opnieuw te presenteren (dat is gebruikelijk)? Is er een lezer die het wil vertellen? Over mogelijke wateroverlast door de Piétrebais ga ik het nog hebben maar eerst ga ik langs de Chapelle Saint Laurent.

Naar het dorp Piétrebais en Chapelle Saint Laurent

Vanaf de Ferme-Bio Du Petit Sart in Biez stap ik verder rechtdoor totdat ik op de Rue de Grand Sart op een splitsing kom met een veldweg naar links. Neem de kaart er graag even bij want ik volg die veldweg recht naar het noorden totdat ik op de Rue du Beau Frêne aan het riviertje Le Piétrebais kom. Op de brug steek ik de grens tussen Biez (Grez-Doiceau) en Piétrebais (Incourt) over. Ik sla rechtsaf de Rue Marcel Louis in en sta plotseling recht voor een heuse religieuze Grot met de naam La Chapelle Saint Laurent OLV Notre Dame de Lourdes. Op het internet vind ik dat hij daar “in 1927 gebouwd is door de inwoners van Piétrebais als dank dat hun dorp gevrijwaard is gebleven van de bombardementen in W.O.II.” Er is zwaar gevochten in deze streek en de wegen van God zijn ondoorgrondelijk, zeker als het gaat om mirakels,  maar deze info lijkt een mysterie aangezien in dat jaar de Tweede wereldoorlog nog niet begonnen was en de Eerste Wereldoorlog eindigde in 1918. Is er een lezer die hier het fijne van weet? Anders hoop ik op een berichtje van de familie Wauters-Plas die vermeld staat als de toegewijde verzorger van dit mooie kunstwerk. Er is in het dorp zeker nog één andere grot, namelijk aan de kerk en het zou kunnen dat er zelfs nog een derde is maar die weet ik nog niet zijn. Hoeveel van dit soort grotten er in onze streek zijn heb ik geen idee van maar deze is onbetwist de grootste en best verzorgde die ik al tegengekomen ben. Het verwondert me dat ik hem niet als ‘erfgoedmonument’  terugvind op de Waalse lijst van het Cultureel Patrimonium.

Piétrebais – La Chapelle et grotte Saint Laurent

Zoals iedereen weet en ik ook lees in Wikipedia, is “Benadette Soubirous, alias Marie-Bernard van Lourdes (Lourdes, 7 januari 1844 – Nevers, 16 april 1879) een Franse katholieke heilige. De visioenen van Bernadette vormden de aanleiding voor het ontstaan van Lourdes als bedevaartsoord”. Haar naam staat gebeiteld op een steen in deze grot met een oproep tot boetedoening. Op 15 augustus kan je hier de mis bijwonen ter ere van de maagd Maria. Dan branden ongetwijfeld de kaarsen en kan je het Lam Gods bewonderen aan het altaar.

Piétrebais – La Chapelle Saint-Laurent. Vanaf de kapel stap ik verder de Rue Marcel Louis af. Aan de Rue de Procession ga ik links. Dat is een mooi straatje naar de kerk, de pastorie en het kerkhof. Aan de rechterkant zie ik verborgen tussen struiken alweer een mariabeeld in een soort grot. Ik lees dat dit ook al weer een Lourdesgrot is en dat hij daar voor het begin van de Eerste Wereldoorlog zou zijn gebouwd. Recht voor mij staat een mooie poort met een boog waarop aan de rechterkant een grote P staat met een pijl en links een bordje met het woord ‘secret’, een 8 en een prachtige ijzeren trekbel. Iets verder naar rechts kom ik op het pleintje aan L’Eglise Saint Laurent met daartegenover het kerkhof. De strakke neo-klassieke parochie-kerk is beschermd als monument. Hij is gebouwd in 1866 door architect Emile Coulon in opdracht van pastoor Pierre Joseph Simon. Ik kon er niet binnen dus over het interieur kan ik nog niets vertellen.Wat mij echter het meest intrigeert is het enorme burchtachtige poortgebouw dat met een muur links tegen de kerk is aangebouwd. Daarachter zie ik het dak van een huis dat niets anders dan de pastorie kan zijn maar nu dient als woonhuis. De site is beschermd als monument en volgens de beschrijving dateert het gebouw uit de 19de eeuw met een veel oudere kern. De indrukwekkende burchtmuur is blijkbaar namaak want hij wordt omschreven als ‘Porche récent construit avec des matériaux de récupératon variés’. Of de vlag op de muur met al die Brabantse leeuwen en Franse lelies ook bij die namaak hoort weet ik niet. Achter het getraliede versie loert er een ridder in volle wapenuitrusting naar mij en volgens mij is die zeker écht. Ik hoop op een plaatselijke lezer die er méér over kan vertellen. Het kan natuurlijk te maken hebben met het oude maar ingewikkelde en woelige verleden van het dorpje. De naam Piétrebais duikt voor het eerst op in de 11de eeuw als deel van Incourt. Chapelle-Saint-Laurent valt sinds 1217 onder de parochie van Lathuy als deel van Grez maar is onder het ancien régime een zelfstandige heerlijkheid in het kwartier van Brussel van het hertogdom Brabant maar wie de plaatselijke ‘heer’ was weet ik nog niet. Na de Franse invasie werd het dorp als gemeente ingedeeld bij het kanton Grez van het Département de la Dyle. Deze gemeente werd al in 1811 opgeheven en bij Piétrebais gevoegd.

Piétrebais – Chapelle Saint Laurent – de pastorie

Die samenvoeging zorgde heel de 19de eeuw voor problemen tussen de bewoners van beide dorpen met hun verschillende wortels. Die eisen zijn altijd afgewezen en sinds 1977 horen beide tot de fusiegemeente Incourt en ligt de grens met Gréz-Doiceau juist ten westen van de kerk. Saint Laurent is de patroon van de armen en bedienden en van allerlei beroepen, van rechtsgeleerden tot kroegbazen, koekenbakkers en koks. Hij is ook patroon van brandweerlieden en kolenbranders maar om te weten waarom hij altijd wordt afgebeeld met een rooster om vlees te bakken verwijs ik je naar de link over hem onder deze bijdrage want dat is een lang, ingewikkeld en hier en daar pervers grappig verhaal. Ik denk dat ze in Chapelle Saint Laurent voor hem gekozen hebben vanwege zijn krachten om ziekten te genezen zoals huidaandoeningen, reumatiek en de pest, stuk voor stuk zaken die in een riviervallei gemakkelijk voorkomen. Hierna gaan we terug de natuur in.

Via Le Chemin de Hoegaarden naar St.Josept en de Moulin de Beausart

Piétrebais – Chapelle Saint Laurent. Vanaf de kerk stap ik naar het noorden langs een mooie veldweg door het weidse maar zo goed als boomloze en jammer genoeg ook haagloze boerenlandschap. Vlak voordat ik de Chaussée de Jodoigne bereik sla ik bij een enorme linde – een echte bakenboom – linksaf in de richting van de rand van het Bois de Beausart. Op de kaart zie ik dat dit pad de naam draagt van ‘Chemin d’Hoegaarden’. In de verte – terug op het grondgebied van Gréz-Doiceau – zie ik de bosrand. In sommige bomen hangt maretak en er staat ook al weer zo’n jachtstoel. De naam intrigeert me want Hoegaarden is ver van hier maar thuis voor de computer ontdek ik dat het inderdaad gaat om het restant van een heel oude weg tussen Waver, Gréz-Doiceau en Hoegaarden in de tijd dat de doorgangswegen nog niet door de moerassige beekvalleien gingen maar over de droge hoogvlakten. Op de Ferrariskaart van 1771 zie je hem gaan dwars door het Bois de Beausart en in Cocrou aansluiten op de Chaussée de Jodoigne. En jawel, op de Atlas des Voirées Vicinales van 1840 staat het traject helder aangegeven als een officieel geregistreerde weg. Over de ontoegankelijkheid van het privé Bois de Beausart heb ik mij al enkele keren druk gemaakt maar deze Chemin d’Hoegaarden  is dus vandaag de dag een officiële publieke doorgang die de privé-eigenaar niet mag afsluiten. En samen met de Chemin de Linsmeau die ook een historische weg is door dit bos, maar dan aan de noordkant, is de Chemin d’Hoegaarden aan de zuidkant de enige mogelijkheid voor wandelaars-natuurliefhebbers om door het bos te gaan en van de bosnatuur te genieten. Dus als er ergens tegen je verwachting een toegangsweg is of wordt afgesloten is het altijd nuttig om eens op die buurtwegenkaart te kijken en de oude naam van de veldweg terug te vinden denk ik en eens wat kadastrale opzoekingen te doen. Het is een hele mooie keurig gemaaide slingerende en bij tijden diep holle bosweg.

Gréz-Doiceau – Bois de Beausart – zuidkant – Chemin d’Hoegaarden

Aan het einde van de Chemin d’Hoegaarden door het Bois de Beausart kom ik opnieuw aan het riviertje Le Piétrebais op de weg met de naam Rue Font du Moulin. Een beetje naar rechts staat op de hoek met de Chaussée de Jodoigne alweer een kleine kapel. Met enige moeite ontdek ik dat het gaat om La Chapelle Saint Joseph, gebouwd in néo-gotische stijl in de tweede helft van de 19de eeuw en ‘inscrit comme monument’ op de Waalse Inventaire du patrimoine culturel immobilier. Maar wie hem daar heeft gebouwd en waarom zegt het erfgoeddossier niet. Ik stap de andere kant uit in de richting van de watermolen. Je zou het niet zeggen als je er voor staat maar het gaat waarschijnlijk om de ‘Moulin de Piétrebais’ die in het jaar 1182 de eigendom was van de Abdij van Aulne die ook de Ferme de Beausart bezat. Op de oude kaarten staat hij vermeld als ‘Moulin de Beausart’ maar meestal als ‘Moulin de la Chapelle de Saint-Lauren’ omdat vooral de plaatselijke dorpelingen er hun graan lieten malen. De huidige gebouwen stammen van het einde van de 18de eeuw. Van de twee bovenslagraderen is er nog een en de laatste molenaar was Vital l’Host (1925-2011). De rivier heeft ter plekke een verval van meer dan 4 meter en op de kaart van nu zie je dat er iets stroomopwaarts nog enkele vijvers zijn die ik op oude kaarten niet terugvind. De binneninstallatie is er nog en de site is beschermd als monument en als dorpsgezicht. Het gebouw is nu in gebruik als woonhuis en van de straat zie je er niet veel van maar in Molenechos staan enkele goede foto’s (zie de link). Voor wie niet van de streek is: je staat hier op het grondgebied van Gréz-Doiceau (Biez) en niet van Incourt (Piétrebais). Naast de molenkan je via het Sentier du Moulin (indien afgesloten via de nabijgelegen Rue du Grand Sart) de beek oversteken en via het Sentier des Communes en de Rue de Renival terug naar Cocrou stappen. Om vanuit het dorp naar de Chaussée de Jodoigne te stappen en aan het einde van deze wandeling te komen neem ik het Sentier du Petit Champ en langs de rivier de Rue de Cocrou.

Le Piétrebais – niet altijd een vredig stroompje

De Piétrebais in Cocrou

Zoals beloofd ga ik het nu hebben over het riviertje Le Piétrebais zelf en vooral over de overstromingsproblemen van dit er zo vredig uitziende stroompje. De Ruisseau Piétrebais ontspringt even ten oosten van de Chaussée de Namur ter hoogte van het dorpje dat naar de beek genoemd is op een plek met de naam ‘les Fosses Copettes’ op het grondgebied van de gemeente Incourt. Hij kronkelt vervolgens over een lengte van ongeveer acht kilometer naar het westen door de dorpen Piétrebais, Chapelle Saint-Laurent en Cocrou en komt in Grez in Le Train uit die op zijn beurt in Archennes samenkomt met La Dyle.

Onderweg pikt hij nog de Ruisseau Chapelle Saint-Laurent op die 2,5 kilometer naar het zuidwesten ontspringt in een ravijn tussen de oude gemeenten Roux-Miroir en Biez. Voor de meeste Vlamingen zijn dit allemaal raadselachtige namen maar hou ze toch maar even vast want we spreken hier over een bijzonder mooi natuurlandschap dat je zeker zal willen verkennen. Het woord ‘bais’ of ‘baz’ komt natuurlijk van ‘beek’ (in het oud-Germaans: ‘baka’)en volgens sommige geschiedkundigen wijst ‘Piétre’ naar een zeker ‘Peter’ of ‘Pierre’ die in oude tijden de eigenaar van de beek zou zijn geweest. Maar anderen denken dat de beek (en het dorp) genoemd zijn naar de reusachtige oeroude rotsen die midden in het dorp een nauwe kloof vormen waardoor de beek zich naar beneden perst en die bekend staat als de ‘Site des Grosses Pierres’. In de oude tijd dachten de boeren dat de kloof bewoond werd door geesten maar jammer genoeg spreken de geologen van nu dat tegen. Ik kom er nog op terug. Piétrebais is bij ons vooral bekend om zijn ‘Vogelverschrikkers-feesten’ waarbij van midden juli tot half september aan de huizen in de straten van het dorp en het nabijgelegen Happeau, Chapelle Saint-Laurent en Roux-Miroir overal vreemde poppen worden opgehangen. De traditie stamt pas uit het jaar 2000 en dient vooral om de saamhorigheid van de dorpelingen onder elkaar en met de buitenwereld te laten zien. 

Piétrebais – Site des Grosses Pierres

In 1924 beschrijft de pastoor van Piétrebais de grote rotspartij langs de beek in zijn dorp die we nu kennen als ‘les Grosses Pierres’. Ook in onze tijd is het nog altijd een merkwaardig en spectaculair beeld. Rondom de beek tref je een groen en boomrijk boerenlandschap aan maar op één punt stroomt het water door een rotpartij met de allure van een bergbeek in de Alpen. De boeren in de tijd van de pastoor dachten dat er geesten heersten in de kloof en meer nog dat de rotsen daar op geheimzinnige wijze geplaatst waren als ‘megalieten’ en dat ze bovendien ook nog als maar groter leken te worden. Deze aantrekkelijke voorstelling van zaken wordt jammer genoeg door onze eigentijdse geologen onderuitgehaald maar het wel blijft spectaculair. Als ik het al leek goed begrijp (wat niet zeker is want geologen munten niet uit door bevattelijke uitleg) is wat je ziet op deze plek het afgesleten restant van een gigantische bergketen die meer dan 500 miljoen jaar geleden wordt gevormd door een opgestuwde breuk in het supercontinent Gondwana dat in die tijd samen met supercontinent Avalonië ronddrijft op de vloeibare magma  midden in onze aardbol. Die keten staat bij ons bekend als de Caledonische sokkel of het Massief van Brabant.

Le Piétrebais

Aan deze bergketen hebben de Schotten de naam Caledonië te danken en hij loopt helemaal verder tot in de Appalachen, een middelgebergte in het oosten van Noord-Amerika. De steen is verschrikkelijk hard en in de streek van Jodoigne (waar Piétrebais toe hoort) zijn er verschillende groeves waar vroeger kasseien werden geproduceerd (Dongelberg, Opprebais). Het is echter geen stollingsgesteente (op diepte gestolde magma) maar kwartsiet, dat is tot steen in elkaar gedrukt zand met mineralen. Omdat zelfs de hardste steen door de tijd weggesleten wordt zijn er niet veel plaatsen waar je het nog aan de oppervlakte ziet maar in Piétrebais heeft het water na al die eeuwen er op een hoogte van iets meer dan honderd meter boven de zeespiegel wel een diepe kloof doorheen geslepen en als je hierover nog eens een half miljard jaar terugkomt zal die ook niet meer te zien zijn. Tegen deze eeuwigdurende natuur-achtergrond is de wispelturige en tot oorlog neigende mens natuurlijk minder als een zandkorrel en om die reden heb ik instinctief wat moeite met de gedenkplaat aan de gevallen dorpelingen in de Tweede Oorlog die men met goede bedoelingen juist op deze plek heeft opgericht maar waarvoor men kennelijk enkele rotsen heeft verwijderd. Ik denk dat de rotsen er nog lang zullen zijn nadat de mensen zichzelf door hun eigen onhandigheid uit de wereld hebben geholpen. Wat denk jij daarvan?

De Ruisseau Le Piétrebais ziet er op mooie dagen als een zo vredig stroompje uit dat het moeilijk is om je voor te stellen dat als het even flink onweert, mensen op veel plaatsen langs de beek en vooral die van Gréz-Doiceau met forse wateroverlast te maken krijgen. Maar zelfs al voordat ik zelf begrijp hoe dat komt meldt zich al een lezer die zegt dat haar huis al sinds 1980 drie keer overstroomd is.  En blijkbaar worden er al sinds die tijd plannen gesmeed om daar iets tegen te doen.

Biez-Cocrou – in de vallei van Le Piétrebais – le Moulin beausart (moulin de la chapelle)

Uit de lawine van berichten op het internet begrijp ik dat al die tijd gaat om de aanleg van twee soort zaken: ‘bassins d’orage’ , dat zijn uit te graven vijvers als betonnen opvangbekkof of des ‘zones d’expansion de crue’,  dat is de aanleg van overstromingszones door de bouw van dijken op het terrein om bij te hoge waterstand als reservoir te dienen. Een ervan moet komen in Cocrou, een andere in Piétrebais aan de Grosses-Pierres en een derde is wordt gepland een eind naar het westen ter hoogte van Happeau waar de Piétrebais ontspringt. Als ik het mis heb zal ik het graag verbeteren maar voor zover ik kan nagaan is er nog niets of weinig van gerealiseerd, vooral vanwege geruzie tussen de bevoegde overheden, de vraag wie die projecten gaat betalen maar ook de vinnige en dikwijls zeer legitieme tegenstand van de eigenaars van de te onteigenen hectares grond. Bij Cocrou staat een ‘reservoir’ aangegeven maar dat lijkt voor drinkwater te zijn. Rond 2018 is er dan nog een plan bijgekomen voor een overstromingszone rond de Moulin de Beausart op het terrein van de bioferme van Hubert del Marmol. De Piétrebais legt tussen bron en monding een afstand af van zo’n 13km in een vallei met tamelijk steile hellingen en plateaus die tot 50 meter boven de rivierloop uitstijgen. Het hoogteverschil tussen bron en monding is zo’n vijftig meter. Daaruit begrijp ik dat de stroomsnelheid best groot is en dat het debiet erg kan verschillen in tijden van droogte met ogenblikken van zware neerslag. Maar dit is de natuurlijke toestand en niet uitzonderlijk in onze streken. Op de Villaretkaart van 1745 zie je de beek gaan in talloze kronkels. Zoals je weet werkt dat sterk stroomvertragend. Er zijn dan ook nog niet veel huizen en er is veel meer bos dan nu op de hellingen. Waarschijnlijk kon in die tijd het water bij hoog debiet nog vrij uitvloeien over de weilanden, daar zijn slib lossen en gebruikten de boeren de vallei als hooilanden. Op de kaart van nu zijn die kronkels grotendeels verdwenen, de beek is bijna overal rechtgetrokken, lijkt gedeeltelijk zelfs ingebuisd. De zijbeken Ruisseau de la Chapelle en de Ri de Beausart zie je ook niet meer als waterloop op de kaart, zijn die ook ingebuisd?

Biez-Cocrou – in de vallei van Le Piétrebais

De hellingen en de vallei worden als droge weiden of zelfs akkers gebruikt waarbij ook nog heel wat bos is opgeofferd. Zelf heb ik ook gezien dat met de moderne landbouwmethoden overal de traditionele hagen verdwenen zijn en dat er diep geploegd wordt over zeer grote oppervlakten zodat de grond vatbaar wordt voor erosie. Op veel plaatsen worden in de vallei worden de vroegere veldwegen gebetonneerd, zeker in de buurt van huizen en vlak langs de rivier worden altijd nieuwe woningen gebouwd. Op mijn eigen foto’s van de beek zie ik dat de oevers op veel plaatsen veranderd zijn in rechte, soms zelfs betonnnen goten waardoor het water met topsnelheid wordt afgevoerd totdat het stropt op de eerstvolgende flessenhals. Daarbij komt dat ik lees dat de kwaliteit van het water nog altijd maar ‘matig’ is doordat de rioleringen er nog op lozen (probleem van overstorten) maar ook omdat het veel te veel mest- en andere chemische stoffen bevat, nog afgezien van het afval dat de mensen er blijkbaar graag in storten (of er in waait). Het positieve is dat al deze problemen ook uitdagingen zijn waarvan er veel op een natuur-bevorderende basis kunnen worden aangepakt. Zo is in Hamme-Mille tussen de Ruisseau de la Néthen en de Nodebais  een zeer groot ‘bassin d’orage’ gebouwd waarbij men geen beton heeft gebruikt maar het terrein heeft omgebouwd tot een nat natuurreservaat met zuiver water en rietvelden waar je nu zeldzame vogels kan gaan spotten en als je thuis komt je je huis toch droog terugvindt. Daarmee sluit ik mijn verkenning van deze mooie vallei even af maar ik neem mij voor om er snel weer terug te keren.

Vallei van de Piétrebais – Cocrou-Biez-Beausart – kaart OSM met wandelroute van 11 km

+++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

http://pcdn-grez-doiceau.be/news/a-biez-le-souvenir-des-bruyeres

De beschermde ferme-château de Beausart:http://spw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/pdf/fiche/25037-INV-0032-02

http://www.chateau-fort-manoir-chateau.eu/chateaux-brabant-wallon-chateau-de-beausart-grez-doiceau.html

http://stories.lalibre.be/inspire/numero65/index.html?fbclid=IwAR3no7q9vb15wDH16s7HNcoBZLmq2Y8ucocO5A8eoiZxK3nMjD3VresAi00

https://www.tvcom.be/generations_bio_a_la_ferme_du_petit_sart_laureate_du_prix_du_developpement_durable-22153-999-89.html

http://citoyen-grez-doiceau.be/news/projet-de-barrage-hubert-del-marmol-menace-d-expropriation-se-rejouit-des-resultats-de-l-enquete-publique

Biez-Cocrou – in de vallei van Le Piétrebais – La Chapelle Saint Joseph

https://www.rtbf.be/info/regions/brabant-wallon/detail_grez-doiceau-une-ferme-bio-menacee-par-un-bassin-d-orage-mobilisation-generale?id=10017065

http://fermebiodupetitsart.be/

https://lourdesgrotten.com/category/Waals-brabant/

https://nl.wikipedia.org/wiki/Bernadette_Soubirous

https://nl.wikipedia.org/wiki/Chapelle-Saint-Laurent

https://culturalite.be/?RepliqueGrottesNdDeLourdes

http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/pdf/fiche/25043-INV-0061-02 (l’Eglise Saint-Laurent)

off Piétrebais – Chapelle Saint Laurent

http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/fiche/index?sortCol=2&sortDir=asc&start=0&nbElemPage=10&filtre=&codeInt=25043-INV-0251-01 (de parochie links naast de kerk)

http://www.heiligen.net/heiligen/08/10/08-10-0258-laurentius.php

Inventaire du patrimoine culturel immobilier – Wallonie

lampspw.wallonie.be › dgo4 › fiche  Chapelle Saint-Joseph

http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/fiche/index?sortCol=2&sortDir=asc&start=0&nbElemPage=10&filtre=&codeInt=25037-INV-0010-02 (over de watermolen)

Moulin de Chapelle | Moulin de Beausart | Moulin de Piétrebais …

http://www.molenechos.org/molen.php?nummer=707

http://www.echarp.be/twcwav21.php

http://www.otl-grez-doiceau.be/villCocrouHistoireFr.php

Gottechain – Bois de Beausart

https://www.alliancecommunale.be/bilan

https://www.lalibre.be/regions/brabant/lutter-contre-les-inondations-51b892d4e4b0de6db9af95e3

https://grez-doiceau.ecolo.be/2018/09/01/un-projet-de-retenue-deau-de-la-province-du-brabant-wallon-sans-retenue/

Over de geologische achtergrond van de ‘site des Grosses Pierres’:

PDF]Chaumont-Gistoux – Service géologique de Wallonie

geologie.wallonie.be/files/…/40-1-2_Wavre_Chaumont.pdf

Biez- Cocrou – in de vallei van Le Piétrebais

Trefwoorden : gréz-doiceau, piétrebais, beausart, cocrou, chapelle saint laurent, grotte, overstroming, saint sébastien, ferme bio du petit sart, watermolen, grosses pierres,

OP STAP IN GOTTECHAIN

Uitgelicht

version Française: https://ernstguelcher.blogspot.com/2020/09/en-route-pour-gottechain.html

Ter inleiding

landelijk Gottechain – vlak buiten het dorp

Gottechain is vanuit Leuven niet ver. Ten zuiden van het Meerdaalwoud neem je op de splitsing met stoplichten in Hamme-Mille de weg naar Waver (N25) en niet die naar de Chaussée de Namur (N91) . Na enkele kilometers rij je het bord naar rechts naar Bossut voorbij en dan sla je  linksaf bij het bord Gottechain. Via een klein weggetje kom je enkele honderden meters verder en een bocht naar rechts aan het spitse kerktorentje dat je al zag vanuit de verte en dan ben je op de Place de Gottechain. Onthou dat kerktorentje want je gaat het op je tocht van overal zien als baken samen met de veel robuustere kerktoren van Bossut die aan de overkant van de Chaussée de Wavre staat en waar je dus niet naar toe moet.

Volgens mij is Gottechain – deelgemeente van Grez-Doiceau en zusterdorp van Bossut – zowat het meest buiten schot van de opgejaagde moderniteit gebleven landelijke dorp in Brabant en alleen al om die reden kom ik hier echt graag. Op de Ferrariskaart uit de jaren 1770 heet het hier nog Goddechins en als ik het goed begrepen heb moet dat in het lokaal spraakgebruik zoiets betekenen als ‘chez god’ oftewel ‘huis van god’ (wie weet hier meer over?).

De ‘Eglise Saint Remacle’ (met trap) is een van de bezienswaardigheden en ook het uitgangspunt voor enkele verkenningstochten in deze mooie landelijke omgeving die overigens vervuld is van geschiedenis want in deze omgeving waren prehistorische grafheuvels en zijn er belangrijke vondsten gedaan uit het Keltisch-Frankische tijdperk in onze streken na het vertrek van de Romeinen.

Er staat op oude kaarten nog een ‘tombe’ aangegeven niet ver van de Ferme-Château de Beausart in veld het verlengde van de start- en landingsbaan van de luchtmachtbasis. Op de Villaretkaart van 1745 staat hij aangeduid als ‘Tombe de Bauvens’. Of er nog veel van te zien is denk ik niet, op een luchtfoto (Googlemaps) kan je in het veld nog een verkleuring zien.  Op deze plek hebben de archeologen in 2002 zowat het belangrijkste Merovingische grafveld van ons land opgegraven met onder meer de overblijfselen van de ‘Dame de Gréz’ en vele sieraden (zie bij de bronvermeldingen).

Gottechain – l’Eglise Saint Remacle

In de middeleeuwen waren Bossut en Gottechain nog van elkaar gescheiden dorpen en tussen de 11de en de 15de eeuw voerden verschillende adellijke seigneurs het bewind over de gronden en de dorpelingen. Toch trad al in die tijd een college van schepenen in werking met als eerste burgemeester een zekere Rengold de Bossut om een tegenwicht te bieden aan de aristocratische overheersing. In 1605 kregen de dorpelingen maar ook hun heren af te rekenen met de dodelijke pestepidemie. Rond 1644 ging het domein van Beausart dat tot dat jaar toebehoorde aan het kapittel van Nijvel over naar de Abdij van Aulne. In Gottechain was er wel een kapel maar werd pas in 1805 een parochie. De kapel Saint-Remacle werd door de autoriteiten pas in 1825 erkend.

In 1811 werden na het vertrek van de Fransen Bossut en Gottechain samen één gemeente met de naam Bossut-Gottechain en zo vind je het nog meestal op de kaart. Sinds 1977 zijn ze samen deel van de fusiegemeente Grez-Doiceau. En ik lees ook nog dat beide dorpen sinds 1907 over stromend water beschikken.

.Het dorpje zelf is zeer de moeite waard, niet alleen vanwege de groene tuinen en gevels van de huizen.maar ook door enkele mooie oude vierkantshoeven waarvan de Château Ferme de Beausart zeker de grootste is maar anderen zoals de Ferme de Linsmeau, Ferme de la Bryle (Ferme Damanet), Ferme Deltrée en de Ferme du Chapitre zeker meetellen. Maar er is ook de gloednieuwe en hypermoderne bio-boerderij La Ferme du Peuplier. Al deze boerderijen zijn privébezit en niet toegankelijk en hetzelfde geldt voor het Bois de Linsmeau. Langs de vele veldwegen en mooie holle boswegen kan je er echter toch heel mooi op verkenningstocht.

landelijk Gottechain – vlak buiten het dorp

Anders dan op andere plaatsen verrijzen er nog niet zoveel en zo snel nieuwe huizen en is het historische dorp dus min of meer bewaard gebleven. Vlak ten noorden kan je via de Ancienne Ferme du Chapître naar Guertechin en het Château la Fresnaye.

Naar het zuidoosten ga je in de richting van het Bois de Linsmeau en het Bois de Beausart met de gelijknamige Ferme-Château de Beausart, een indrukwekkende vierkantshoeve/kasteel met een grote geschiedenis, waarover in een volgende bijdrage meer. Beide bossen zijn privé maar desondanks voorzien van enkele schaarse publiek toegankelijke historische boswegen, dus je kan er hier en daar wel in en doorheen en dan kom je in Piétrebais en Cocrou. Je wandeling voert langs een heel aantal oude vierkantshoeves, door holle wegen, bos, enkele kastelen en zeer weids akkerland. In de verte verschuilt zich de luchtmachtbasis van Beauvechain en het dorpje Nodebais met de beroemde Chapelle Gosin van Max Vanderlinden. Via een veldweg kan je daar gemakkelijk naar toe maar je moet dan wel de Chaussée de Namur (N91) over . Je kunt ook de Chaussée de Wavre (N25) oversteken om naar zusterdorp Bossut te komen en verder naar Pécrot, Florival en Archennes. Kijk op de kaart voor de beste paden.

Gottechain – huis van Dr. Jacques Sténuit

Gottechain – van La Place de Gottechain langs drie kapellen OLV van Lourdes

Op verkenning in de omgeving kijk je best even rond op La Place De Gottechain. Je staat onderaan aan het einde van een met mooie kerselaars afgezoomde helling de indrukwekkende met een ijzeren hek af te sluiten trap naar de aan Saint-Remacle gewijde kerk.

Op de helling waar nu de kerk staat is er al in de zestiende eeuw een kapel, gewijd aan Saint Remacle. Bisschop Remaclus wordt geboren in 600 en is bekend doordat hij in een grot woonde en later de Abdij van Stavelot stichtte waar hij sterft op 3 september 669. Maar een eigen parochie krijgt het dorp pas in 1805. De huidige neogotische kerk wordt gebouwd tussen 1847 en 1855. Je bereikt de ingang en het om de kerk liggende kerkhof met een indrukwekkende in 1869 gebouwde trap met 43 treden die allemaal 15 cm hoog zijn. De ongeveer 300 dorpelingen van toen waren vast altijd buiten adem bij het begin van de mis maar dat droeg zeker bij tot hun nederigheid. Voor rolstoelgebruikers lijkt het mij nog altijd een hele opgave maar het is waar dat je ook langs de achterzijde met een pad aan de voordeur kan komen. Rond de kerk Rond de kerk is het oude kerkhof zeker ook de moeite waard evenals de erachter gelegen pastorietuin met majestueuze bomen en een echte grot waarvan ik mij afvraag of die ooit nog wel gebruikt wordt. Op de windwijzer van de kerk laten twee kraaien zich niet van hun slaap afhouden. De kerk is als monument beschermd en dat op het pleintje ook het geval voor de witte voormalige hoeve – nu woonhuis – op nr.1 en het monument voor de gesneuvelden.

Gottechain – achter de kerk – de grot van Saint Remacle

Op de Place de Gottechain zijn er enkele merkwaardigheden waarvan sommige een beetje raadselachtig. Achter een bemost muurtje ontdek je een al even bemoste trap. Als je die afdaalt kom je terecht in een in volstrekte duisternis gehulde onderaardse gang en dan heb je flitslicht of een zaklantaarn nodig om de graffiti te bewonderen maar ook de ijzeren deur aan het einde van die gang. Het ziet eruit als een atoomschuilkelder en dat is het ook. Wie zoiets in dit dorp niet zou verwachten moet weten dat er in deze omgeving zwaar gebombardeerd is in de Tweede Wereldoorlog om het bezit van de militaire luchtmachtbases in Beauvechain en dat deze kelder dan gebouwd is op initiatief van de gemeente Bossut-Gottechain en nog gerestaureerd is in de jaren vijftig tijdens de Koude Oorlog (met dank aan lezer Henri Briet voor deze inlichting).

Gottechain – de atoomschuilder

Aan de Rue des Déportés staan twee huizen. Het witte huisje van 1876 op nr.16 koestert de oude dag van Dr. Jacques Sténuit, een onbekende naam bij Vlamingen maar bij vele Franstaligen bekend en geëerd als een beminnelijk maar fervent voorvechter van de bescherming van de natuur in onze streken. Zelfs op hoge leeftijd staat hij vandaag nog vooraan in de strijd tegen de geplande ringweg in het Bois de Laurensart.

Aan de gevel van het plechtstatige huis op nr.10 recht tegenover de kerk hangt het beeld van Charles Borromée. Deze heilige stamt uit een aristocratisch Lombardisch geslacht. Als kardinaal-aartsbisschop van Milaan wordt hij bekend als de redacteur van de Catechismus van het Concilie van Trente in 1566 en een sterk voorstander van heldere praktische kerkregels waarin muziek en tekst elkaar ondersteunen.  Vanwege zijn opstand  tegen de toenmalige vernieuwingen in de Roomkatholieke Kerk wordt hij in het kader van de contrarevolutie gezien als een zeer behoudende figuur. Wanneer de pest uitbreekt wijdt hij zich onbevreesd aan de verzorging van de zieken. Hij sterft 4 november 1584, uitgeput door zijn eigen soberheid. Aan zijn graf gebeurt het ene wonder na het andere waardoor hij al in 1610 heilig wordt verklaard.  In het landelijke Gottechain van nu is men dat een beetje vergeten maar zijn beeld hangt dus aan de vroegere meisjesschool terwijl de jongensschool een eindje verder in dezelfde straat stond om de deugd te bewaren. Het gescheiden onderwijs is er niet meer maar voor de dichtstbijzijnde basisschool moeten de kinderen nu wel naar Bossut. Voor zover ik kan nagaan staat het gebouw niet op de Waalse inventaris van Bouwkundig Erfgoed.

school Charles Borromée

Wat mij betreft mag de gemoedelijke Place de Gottechain best verlost worden van de auto’s die er geparkeerd staan en ingericht worden als speelplaats voor grote en kleine mensen. Er is een grote bezoekers-parking een eindje verder. Ik kom hier graag om te genieten van de stilte.

Rechts van de kerktrap en het kerkhof  kom je via een hellend pad op de Rue de la Bryle. In die straat bevinden zich een heel aantal indrukwekkende hoeves die stuk voor stuk als monument met naam en beschrijving zijn ingeschreven op de Waalse ‘Inventaire du Patrimoine Culturel’. Op deze verkenningstocht ga ik mij houden aan de namen en adressen die op die officiële inventaris zijn vermeld maar ik moet er bij zeggen dat in toeristische folder van de gemeente Grez-Doiceau bij foto(s van dezelfde gebouwen heel andere namen staan en ik er maar moeizam in geslaagd ben om de daardoor veroorzaakte verwarring op te lossen.

In elk geval sla ik vanaf het kerkhof  in die Rue de La Bryle rechtsaf om met een omweg in het Bois de Linsmeau en het Bois de Beausart aan te komen.

Op de hoek sta je op nr.60 aan de ingang van de statige vierkantshoeve Charlier (zegt het erfgoeddossier). Vroeg in de ochtend staat hij  te blinken in de ochtendzon en kan ik er een min of meer geslaagde foto van maken hoewel de huiskapelkapel aan de voorgevel meestal teveel in de schaduw staat voor mijn fototoestel. Die kapel is gewijd aan Onze Lieve Vrouw van Lourdes en dateert uit de eerste helft van de 20ste eeuw en is ook als monument ingeschreven.

De hoeve is een massief complexs van bakstenen gebouwen uit de 18de en vroeg-19de eeuw waarvan vooral de grote ingangspoort met witte kalksteen (Gobertange) uit 1833 opvalt. Achter die poort bevinden zich het grote woonhuis uit 1723 en de schuur met stallingen voor de koeien en de voertuigen. Er is niemand te zien maar aan de achterkant staan enkele slaperige schapen in de weide.

Gottechain – vierkantshoeve Charlier (Tollet) met kapel achter de kerk op de hoek van de Rue la Bryle en de Rue Jacques Mornard

Even verder kom ik op nr. 79 opnieuw langs een mooi hek met koer en een ietwat somber huis. Op de erfgoedinventaris vind ik dat dit als hoeve gebouwd werd in de tweede helft van de 19de eeuw. Het uitbouwtje op rechts deed een tijdlang dienst als schooltje (Ecole de la Petite Source) maar dat is al een tijd overgebracht naar Bossut.

Op nr.83 kom ik een soortgelijke maar veel statiger hoeve tegen. Volgens het erfgoeddossier is dit de Ferme de la Bryle. Het is een gesloten vierkantshoeve uit het laatste kwart van de 19de eeuw in neoklassieke stijl.

Ik zet mijn tocht voort langs de Rue de La Bryle

Waar het beton overgaat in een bij tijden holle veldweg hangt op nr.100 er rechts een vlag aan een paal en zie je een privékapel waar je wel eens een kijkje mag nemen als je vriendelijk bent tegen de fiere eigenaar die er woont. Ook deze kapel is gewijd aan OLV de Lourdes. Er staat zelfs een spreekgestoelte bij en er worden op regelmatige tijden ook missen gehouden. Ook deze mooie kapel komt voor op de lijst van monumenten.

Gottechain – dat heb je niet in iedere tuin: een eigen familiekapel met eigen preekstoel

naar de vallei van de Lambais en naar het Bois de Linsmeau

Vanaf de kapel kan je mooi verder door de Rue de la Bryle die tegen die tijd veranderd is van een straat in een bosveldweg met mooie uitzichten op Grez-Doiceau.

Je kan ook even teruggaan en het eerste straatje naar links nemen om dan aan de Rue des Déportés opnieuw linksaf te slaan om via de Chemin des 18 Bonniers de bron in het dal van de Lambais te bereiken. 

De Ruisseau de Lambais is een nogal rechtgetrokken beek die ontspringt in een vijver in ten oosten van Gottechain en enkele honderden meters verder in Grez-Doiceau in Le Train uitmondt. Hij komt – een beetje tot mijn verbazing – voor op de lijst van ‘Sites de Grand Intérêt Bologique’. Uit de beschrijving is dat vooral vanwege de amfibieën aan de bron en omdat er in 2016 een beverdam is waargenomen. Heel veel moet je er niet bij voorstellen, vooral omdat de vijver privé en totaal afgesloten is en ook op geen enkele wijze beschermd. Je kan hem nauwelijks zien. Je hebt wel een mooi uitzicht op de gebouwen van Gréz-Doiceau en de N25 autoweg maar langs de beek kan je daar niet naar toe. De veldweg brengt je op de Rue des Campinaires die een beetje naar het noorden aansluit op de Chemin Saint-Martin.

 Er staan daar heel mooie populieren en de koeien in de weide kijken me nieuwsgierig aan maar van hen kom ik niet te weten wie de boosdoener is die aan hun afrastering een vuilzak heeft achtergelaten. Blijkbaar weet de boer het ook niet want er hangt een toepasselijk bordje aan: ‘Respectez notre planète, SVP’. Nu ik dit schrijf denk dat het ook wel door hem opgeraapt vuil kan zijn want de zak is nieuw en er komen hier tamelijk veel wandelaars voorbij.

Gottechain – respectez notre planète

Waarom de spectaculaire holle weg rechtdoor de naam van deze heilige draagt weet ik niet zeker  want de patroon van het kerkje is Saint Remacle terwijl l’Eglise Saint Martin die van Tourinnes-la-Grosse is. Maar als je verder gaat tot aan de Ferme de Linsmeau in het aan de noordkant gelegen gelijknamige bos dan denk ik dat het komt omdat die hoeve samen met het bos vroeger afhing van de abdij van Hélécine met het gebedsoord Saint-Martin. Het statige gebouw met prachtige tuin ligt verborgen aan het eind van een indrukwekkende oprijlaan. Hij dateert van 1835 en dient nu als privé-woning en niet meer als hoeve en je kan hem niet bezoeken. Op het erfgoeddossier staat hij ingeschreven als monument.

Naar de Ferme-Château de Beausart

Vanaf de Ferme de Linsmeau kan je links en dan kom je terug in het dorp. Je kan ook rechts en dan kom je via de Rue Bruyères Marion aan de Chaussée de Jodoigne en in Piétrebais of Cocrou. Maar meestal ga ik rechtdoor langs het Bois de Beausart tot aan de splitsing met de Chemin de Nodebais en de Chemin de Piétrebais aan de oprijlaan naar de achterkant van de Ferme Château de Beausart.  Deze kasteelboerderij is zeker het meest indrukwekkende gebouwencompleks van Gottechain. De grote populieren langs de oprijlaan naar de achterpoort zijn een tijdje geleden omgezaagd maar er staan wel jonge boompjes.

In de 13de eeuw werden op deze mooie plek de bomen gerooid (‘beausart’) om er een hoeve te bouwen van de Abdij van Aulne (Gozée, Henegouwen). De huidige gebouwen met binnenplaats, boerenhuis, stallingen, langschuur en wagenhuis stammen allemaal uit de tweede helft van de 18de eeuw, alleen een deel van de bijbehorende St. Gertrudis-kapel zou een eeuw ouder kunnen zijn. Het gebouw is privé en niet-toegankelijk en dat betekent dat je niet kan zien dat er aan de andere kant een van de vleugels in de 19de eeuw verbouwd is tot een neoklassiek landhuis. Om dat te zien moet je via de Rue de Beausart links om de hoeve heen wandelen tot aan de hoofdingang aan de N240 Chaussée de Jodoigne.

Volgens mij is die Rue de Beausart een gewone openbare veldweg hoewel hij kennelijk over het privédomein van de hoeve gaat. Hij staat ook op de Atlas des Voiries Vicinales van 1841 en dat betekent dat je erover mag zolang hij niet afgeschaft is. 

Gottechain – Ferme-Château de Beausart

Hij is ook niet echt afgesloten maar sinds enige tijd hebben de eigenaars zoveel afschrikwekkende borden met ‘verboden toegang’ en ‘chien méchant’ neergezet dat je als wandelaar-natuurliefhebber afgeschrikt wordt om tot aan de grote gesloten achterpoort te stappen en dan naar links te gaan. Het is wel de meest logische doorgang om van de noordkant naar de zuidkant te komen want anders moet je een heel eind omlopen.

Mijn ervaring is dat in de streek heel wat domein-eigenaren maatregelen nemen om de gewone wandelaars buiten te houden (vooral om ongestoord te kunnen jagen) maar ik vind het eigenlijk niet leuk en zeker niet eigentijds meer dat heel zo’n bos door één eigenaar  gemonopoliseerd wordt en het gewone volk dan maar het asfalt voor lief moet nemen om er rond te gaan.

Hoe dan ook, vanaf La Chaussée de Jodoigne kom je aan de oprijlaan naar het indrukwekkende neoklassieke kasteelgebouw dat de toenmalige eigenaars van het domein, de familie Van Dormael-Roberti tussen 1860 en 1873  laat bouwen. Kasteel en het omliggende bos zijn volgens de beschermingsfiche nog altijd de privé-eigendom van de familie Roberti de Winghe. Om het gebouw staat een monumentaal hek en hoewel de al even indrukwekkende poort open staat ga je daar best niet door denk ik.

Aan het begin van de oprijlaan gaat er tussen twee oude arduinen palen een mooi groen bospad verder zowat evenwijdig aan de er onder liggende drukke asfaltweg. Wie dat volgt komt uit op de Rue de Cocrou, een klein stil straatje langs het riviertje de Piétrebais. Enkele honderden meters verder sla je dan op de kruising met de Rue de Bettinval rechts af, steekt de baan opnieuw over en ga de Rue Bruyères Marion in, een prachtige bosweg naar de Ferme de Linsmeau.  Het is een heel mooi traject maar jammer genoeg heeft de kasteelheer het allemaal afgesloten.

Gottechain – château de Beausart – voorzijde aan de kant van de Chaussée de Jodoigne

De gebouwen zijn als monument beschermd en de hoeve is nog altijd een echte boerderij voor zover ik kan zien.

Voor voetgangers is er maar één redelijke manier om vanaf de Ferme de Linsmeau aan de Rue de Linsmeau tot aan de  Chaussée de Jodoigne te komen: de hele mooie bosweg met de geheimzinnige naam Bruyères Marion die wel nogal ontsierd wordt door het overbodig groot aantal borden met ‘entrée interdit’ in de kanten en klaarstaande jachtstoelen voor als je toch de (on)wil van de eigenaar(s) zou trotseren. Het Bois de Beausart is opgenomen in de lijst van Waalse sites ‘de grand intérêt biologique’. In de beschrijving lees je:  » Le Bois de Beausart est un massif forestier de bonne taille occupant le versant nord de la vallée du ruisseau de Piétrebais, dans le Brabant sablo-limoneux. Il est caractérisé par d’importants affleurements de sables du Bruxellien. Les boisements sont constitués de belles chênaies-hêtraies acidophiles, principalement situées sur les versants, d’éléments d’aulnaies-frênaies alluviales, notamment dans le fond de vallée du Piétrebais, ainsi que d’importantes plantations de pins noirs et de pins sylvestres, essentiellement sur les plateaux sableux. On observe également quelques plantations de chênes rouges, de vieilles chênaies acidophiles, des fourrés de Prunus serotina ainsi que des boisements secondarisés de frênes. » De geschiedenis van het bos is nauw verbonden met die van de chateau-ferme de Beausart (zie de link naar de beschermingsfiche). Het bos is naast gepriviligieerd jachtterrein duidelijk in gebruik voor de productie van hout maar ik denk niet dat je die dikke stammen zou willen stelen hoewel ze wel uitnodigend klaarliggen. Het bos is ongeveer 140 hectare groot en wordt doorsneden door de Chaussée de Jodoigne. Op het internet vind ik nogal wat aankondigingen dat delen van het bos gesloten worden bij heftige storm.

gottechain – Bois de Beausart

Langs het maison de garde en de bakenboom naar de ferme du Peuplier

Aan de oprijlaan naar de achterpoort van de Ferme Château sta je de aan de Chemin de Nodebais. Als je die naar het noorden volgt tot aan de overkant van de Chaussée de Namur kom je in Nodebais aan het kleine kapelletje Gosin met de keramiek van Max Vanderlinden. Maar zover ga ik niet.

We staan bij een  merkwaardig neoklassiek gebouwtje met twee verdiepingen in bak- en zandsteen met en puntdak. De deur is dicht maar het lijkt alsof er nog iemand woont of dat het toch niet lang geleden nog gebruikt werd. Aan de achterzijde is een buitentoilet en aan de voorkant een arduinen nis kapel met een (nieuw) Mariabeeldje. Het is moeilijk te lezen maar op de sokkel staat “AVE Maria 1775” en op de Inventaris van Bouwkundig Erfgoed in Wallonië vind ik dat het hier gaat om het ‘maison de garde’ en zo ziet het er ook uit. Zo te zien aan de bankjes aan de binnenkant wordt het nu door een jeugdclub gebruikt en het ziet er wel gezellig uit. Zowel het gebouwtje als kapelletje zijn ingeschreven als ‘monument’ op de Waalse erfgoedlijst.

In de verte zie je eenzame boom en daar moeten we zijn. Het is kennelijk een ‘bakenboom’. Bakenbomen werden in het verleden overal gezet om de richting van een veldweg of waterloop aan te geven. Het waren dikwijls populieren of lindes en er stond even dikwijls een kapel bij. Deze boom zie ik op de kaart Vandermaelen van 1845 aangeduid als ‘arbre’ en in die tijd ging de veldweg nog niet verder naar Beausart. Dan stond er ook een kapel maar die is op de topografische kaart van 1969 verdwenen.

Gottechain – bakenboom aan de Chemin au Peuplier Pendu

Ondanks de naam van de veldweg aan de linkerkant van de boom die op de kaart is aangeduid met de naam ‘Chemin au Peuplier Pendu’ is de bakenboom geen populier maar een tamme kastanje. blijkbaar knoopt dat aan bij een kastanjetraditie want op de kaart van 1981 staat er bij het maison de garde nog een ‘gros maronnier’ aangeduid.

Le Chemin du Peuplier au Pendu.  Waarom die weg zo heet weet ik niet. Waar hij afdaalt naar het dorp is het een holle weg en daar staan vast nog wel populieren maar er hangt nergens iemand aan. Wie in deze streek hier tijdens en na de middeleeuwen de juridische macht had om zijn onderdanen op te hangen, hoe vaak dat gebeurde en voor welke vergrijpen probeer ik uit te vinden want de plaatselijke toeristische dienst is er – zoals dikwijls over dit toch veel voorkomende plekken – nogal zwijgzaam over. Een lezer heeft me wel verteld dat de galg van Nodebais zich vroeger ergens hoog aan de rand van het dorp stond en dat de veldweg zo heet omdat er zich een tijd geleden iemand zou hebben opgehangen. Maar galg noch boom zie ik aangeduid op oude kaarten.

De opvallende grote hoeve is de biologische boerderij Ferme du Peuplier. De mensen die er werken op het veld zijn heel vriendelijk en op de website lees ik dat gaat om een ‘Producteur belge de légumes bio – des champs aux marchés, nous prenons soin de l’environnement et de votre santé’. De hoeve dateert van 2011 en kweekt op een oppervlakte van 22 hectare 60 soorten groenten die op 17 plaatselijke markten worden verkocht. Hij krijgt goede recensies voor de producten en prijst zichzelf aan als een ‘entreprise à taille humain’. Bij vorige bezoeken schrok ik echter al van de omvang van de schuren en serres in dit voor de rest zo weidse traditioneel gebleven landschap.

Sinds kort steekt er ook een enorm groot woonhuis bovenuit als een soort schip  dat op zichzelf zeker door een architect ontworpen is maar nu valt de hoeve nog méér op. Wellicht is dat ook de bedoeling maar ik waag me aan een tip voor de eigenaar, ook al om weer echt aan te sluiten aan de boerentradities van ‘taille humain’ van vroeger: zet graag rond deze onderneming een ring van reusachtige populieren zodat hij voldoet aan zijn naam en ook goed ingebed wordt in het landschap. En de aanleg van een aantal hagen lijkt me ecologisch en landschappelijk eveneens aangewezen. De plaatselijke bevolking en de bezoekers zullen je dankbaar zijn denk ik.

Gottechain – Ferme du Peuplier
Gottechain – ferme du peuplier – de moderne tijd doet zijn intrede

Op de kaart zie je wel dat je de hypermoderne hoeve zowel langs voor als achter kan passeren om terug in het dorp te komen. Maar je komt onvermijdelijk aan op de Rue de la Bryle.

Van de Rue de la Bryle naar de ferme du chapitre

Ga toch zeker eens een kijkje nemen aan de vierkantshoeve Ferme Deltrée op nummer 51 want die heeft onbetwistbaar de mooiste toegangsboogpoort van heel het dorp. Typisch voor de streek zijn de lichtgrijze stenen waarmee die poort gebouwd is: ‘le Gréz gris’. In het erfgoeddossier lees ik dat hij dateert uit de 18de en de 19de eeuw en dat er op de binnenplaats nog de klassieke mesthoop en waterput zou moeten zijn. Ik zou er heel graag eens een fotobezoek brengen maar evenals de andere hoeves is ook deze een privéwoning. Deze hoeve is tegenwoordig ook bekend als de ‘Ferme Damanet’ omdat het nu het woonhuis en bedrijf woonst is van de gebroeders Henri en Thibaut Damanet met ‘prouits de la ferme’. Vierkantshoeves worden bijna altijd genoemd naar de boer die er woont maar in de loop van de eeuwen schept dat uiteraard dikwijls problemen.

Ik ga verder vanaf de ondertussen een mooie holle veldweg geworden Rue de La Bryle tot aan de  Rue de Nodebais. Aan de kruising met de Rue de la Ferme du Chapitre kom ik nog aan twee vierkantshoeves naar wie de straat genoemd is. De eerst op de hoek op nr.1  dateert uit de tweede helft van de 18de eeuw maar is sindsdien ferm verbouwd. De flink uit de kluiten gewassen vierkantshoeve op nrs. 2 tot 8 is de ferme ‘Michotte’. Die behoorde vroeger toe aan het Chapitre de Nivelles naar wie hij dan ook genoemd is. Delen ervan stammen nog uit de 17de eeuw waaronder het woonhuis in bakstenen van lichtgrijze Gréz-kalksteen met het opschrift ‘1640’ . Er is sindsdien veel verbouwd en er wonen nu vescheidene gezinnen. Beide hoeves zijn ingeschreven als ‘monument’.

Gottechain – Rue de Nodebais

Van hier ga ik verder langs de Rue de Nodebais tot aan de kruising met een andere veldweg met de opmerkelijke naam ‘Chemin de Tirlemont’. En jawel, als je op de grote kaart kijkt zie je dat je inderdaad via de chateau-ferme de Beausart uiteindelijk wel met een licht bocht naar het noorden in Tienen aankomt. Naar het westen kom je in Brussel uit. Zou deze veldweg nog uit de Romeinse tijd stammen? Op deze kruising moet je links om via de Rue du Grand Royal aan de Chaussée de Wavre en het Château de Guertechin te komen, de laatste etappe in deze verkenning.

Naar het Château de Guertechin (Fresnaye)

De wandelaar-natuurliefhebber start meestal aan de kerk in Gottechain maar je kunt echter ook eens vertrekken aan de ingang van het domein van het Château de Guertechin (ou de la Fresnaye) aan de N-25 Avenue de Centenaire iets buiten Hamme-Mille op de kruising met de Rue du Grand Royal. Vanaf de bushalte met de misleidende vermelding Geurtechin stap je de bosweg met de naam Rue de Guertechin in. Het kasteel is beschermd als monument en volgens (soms oude) foto’s staat  er een geheel van landhuisachtige gebouwen maar daarvan is absoluut niets te zien. Vanuit de lucht krijg je wel een mooi overzicht van het domein met een poortgebouw, een groot landhuis, vijvers, gazons, sierlijke hagen, een tennisbaan en een zwembad. Ergens in de 15de eeuw verhuizen de Udekems, de voorouders van onze koningin Mathilde naar Leuven en naar dit domein Guertechin dat in 1468 in handen van de familie komt en hun vaste standplaats blijft tot aan de Franse revolutie. In al die eeuwen zijn de mannelijke telgen vooral militairen in dienst van de hertogen van Brabant en de hen opvolgende heersers en hun wapenspreuk zou daarop duiden: ‘Bello et Jure senesco’ (Door oorlog en recht word ik oud). Ik geef toe dat ik die wapenspreuk niet helemaal begrijp. Tot in het begin van de 20ste eeuw blijft het erfgoed Guertechin hun eigendom maar dan gaat het over naar de familie Fresnaye. De laatste telg uit de familie Udekem die eigenaar is van het kasteel is Octavie d’Udekem de Guertechin die rond 1922 heeft overgelaten aan zijn Franz Oldenhove die in 1892 in Florival geboren werd. Daarna is het kasteel rond 1933 verkocht aan de familie Descamps onder de naam Immobilieën ‘La Fresnaye’. Dat woord komt van ‘Frêne’, een plek dus waar zich Essen bevinden. Wie er vandaag de dag woont weet ik niet, volgens de telefoongids is het adres (Chaussée de Centenaire/Wavre 17) bewoond door een firma in landbouwmaterialen maar dat kan ik nauwelijks geloven. Aan de andere kant heb ik gemerkt dat kasteeldomeinen nogal eens beheerd worden als een (familie)NV in de sector land- en/of bosbouw dus zo vreemd hoeft het niet te zijn.

Gottechain – Château Guertechin – la Fresnaye – oude prentbriefkaart

 Ik beloof hier zeker op terug te komen maar ondertussen ben je op verkenning in een vrijwel boomloos boerenlandschap dat ondanks zijn ligging tussen twee drukke snelwegen (die naar Waver en die naar Namen) rust uitademt die slechts verbroken wordt door hier daar een reusachtige landbouwmachine. In de verte zie je de luchtmachtbasis van Beauvechain en even links daarvan de kleine kapel van Gosin in Nodebais.

Als je hier de steenweg oversteekt kom je naar Bossut en vandaar weer terug naar Gottechain. Op dat traject kom je echter geen enkele boom meer tegen en daar houd ik niet zo van. Je kan ook naar het noorden en dan ben je snel in het Meerdaalwoud dat je ook in de verte ziet liggen.

gottechain – wandelkaart voor blog

++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

http://www.otl-grez-doiceau.be/villGottechainHistoireFr.php

https://parismatch.be/lifestyle/voyages/203090/tresor-wallon-lor-merovingien-de-grez-doiceau

en

https://www.google.be/maps/place/1390+Gottechain/@50.7446564,4.7412249,804a,35y,39.18t/data=!3m1!1e3!4m5!3m4!1s0x47c164b6ed27a433:0xfa25326a345c2206!8m2!3d50.75703!4d4.71574

(over het merovingische grafveld)

http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/recherche/recherche (alles wat als erfgoed is beschreven op de place de Gottechain)

http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/recherche/recherche?sortCol=2&sortDir=asc&start=0&nbElemPage=10&filtre= (alles wat als erfgoed is beschreven in de Rue de la Bryle)

(Ferme Deltrée, Rue de la Bryle 51, Gottechain)

Gottechain – Ferme Deltrée (met hond)

http://www.bizbook.be/fr/damanet-henri-et-thibaut/grez-doiceau/458623

DAMANET HENRI ET THIBAUT | Produits de la ferme | Grez …

http://www.bizbook.be › grez-doiceau  (ook Rue de la Bryle 51)

(Ferme Charlier, Rue de la Bryle 60, Gottechain)

http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/fiche/index?codeInt=25037-INV-0176-01 (kapel OLV Lourdes aan de Ferme Charlier, Rue de la Bryle 60, Gottechain

http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/fiche/index?codeInt=25037-INV-0178-01 (Ecole, Rue de la Bryle 79, Gottechain)

(Ferme de la Bryle, Rue de la Bryle 83, Gottechain)

Gottechain – ferme de la Bryle – foto erfgoeddossier

(kapel OLV van Lourdes, Rue de la Bryle 100, Gottechain)

(Ruisseau de Lambais)

gottechain – Ruisseau de Lambais

http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/recherche/recherche

(ferme de Linsmeau, Rue de Linsmeau 5, Gottechain)

Gottechain – ferme de Linsmeau

(Château-ferme de Beausart, Rue de Beausart 3, Gottechain)

De beschermde ferme-château de Beausart:

http://spw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/pdf/fiche/25037-INV-0032-02

http://www.chateau-fort-manoir-chateau.eu/chateaux-brabant-wallon-chateau-de-beausart-grez-doiceau.html

Gottechain – holle weg door het Bois de Linsmeau naar de Ferme-Château de Beausart

maison de garde, Rue de Beausart 3, Gottechain

het kapelletje, Rue de Beausart 3, Gottechain

Gottechain – Beausart – de madonna aan het wachthuisje

La ferme du Peuplier: Homepage

lafermedupeuplier.be

Producteur de légumes biologiques et vente sur les marchés.

La Ferme du Peuplier – Accueil | Facebook

fr-fr.facebook.com › … › Agriculture › Ferme

La Ferme du Peuplier, Gottechain, Brabant, Belgium. Producteur de fruits & légumes biologiques à Grez-Doiceau, Brabant Wallon, Belgique….

(Rue de la Ferme du Chapitre 1, Gottechain)

ferme (Ferme du Chapitre de Nivelles ou ferme Michotte)

(Rue de la Ferme du Chapitre 2-8 (pairs), Gottechain)

Gottechain – ferme du Chapitre

Château de Guertechain ou de la Fresnaye  (Chaussée de Wavre 17,-Gottechain)

[PDF]Promenade de Gottechain

pcdn-grez-doiceau.be/files//promenades_gottechain.pdf

Gottechain – Chemin du Peuplier du Pendu (de zon schijnt door de gebroken zijtak)

trefwoorden :

gréz-doiceau, gottechain, beausart, linsmeau, guertechin, erfgoed, geschiedenis, bryle, peuplier, borromée, saint remacle