Uitgelicht

DE WATERMOLEN VAN ROTSELAAR – DAAR KRIJG JE ENERGIE VAN

juli 2018

Ernst Gülcher

contact: ernst.guelcher (at) telenet.be

De Watermolen van Rotselaar op de Dijle, in de erfgoedinventaris als Maalderij Van Doren vermeld, is van het turbinetype maar dat was niet altijd zo.  De oudste vermelding gaat terug tot 1217, jaar waarin Heer Arnolf II van Rotselaar sterft en zijn bezittingen nalaat aan zijn oudste zoon Arnolf III. In die tijd telt het dorp vier watermolens waaronder de onze die dan staat op het eilandje dat nu nog bestaat.

Door huwelijken komt hij in bezit van de hertogen van Aarschot; achtereenvolgens de families De Croÿ en D’Arenberg. In het Arenbergarchief in Leuven zie je de molen aan de overkant van de Dijle op een 16de -eeuwse pentekening (1544) van het Middeleeuwse Rotselaar. Het is dan een uit hout opgetrokken constructie met een vlechtwerk van leem en stro tussen de balken. Het oudste stenen gebouw, de nog bestaande molenaarswoning, dateert uit 1573. Op een mooie pre-kadastrale kaart in het Arenbergarchief waarop alle hertogelijke eigendommen in Rotselaar te zien zijn, zie je de molen staan. De muren zijn van baksteen, het dak is gedekt met natuurleien en de fundering is van plaatselijke Diestiaanse ijzerzandsteen.

De molen zelf, het nog bestaand witgekalkt gebouw met de hijsinstallatie, dateert uit 1664: hij vervangt het vakwerkgebouw dat op het moleneiland stond en dat tijdens de godsdienstoorlogen vernield is. Pas in dat jaar vindt de Spaansgezinde hertog de politieke en economische situatie terug geschikt om te investeren in de Molen van Rotselaar. Het bouwwerk wordt de op 2 na grootste molen van de Nederlanden met twee, een tijdlang zelfs drie raderen.

Er wordt niet alleen graan van boeren uit de omgeving vermalen, maar ook graan dat via de Dijle vanuit Antwerpen wordt aangevoerd. De Dijle is immers bevaarbaar voor vrachtschepen zij het dat die langs de molen via een sluis moeten passeren (als ik het goed zie op de kaart). Samen met de nieuwe molen wordt door de Brusselse bouwmeester Hanecart in 1662 ook een nieuwe sluis op de Dijle ontworpen waarvan de stenen wanden en het landhoofd nog altijd bestaan.

De watermolen van Rotselaar is het begin van de 18de eeuw al een voor die tijd groot bedrijf dat in de honderd jaar nadien gestadig groter wordt. Aanplakbiljetten van rond 1735 spreken over drie maalkoppels (‘drij paer stenen’) waarop koren, tarwe en mout gemalen wordt, dat laatste voor de plaatselijke bierbrouwerij. Na de aanleg van de Leuvense Vaart in 1752 komen de vrachtschepen voortaan rechtstreeks van Antwerpen naar Leuven en niet meer via de Dijle langs Rotselaar. Omdat alle in Antwerpen gekochte graan vanaf dan met paard en wagen uit Wijgmaal gehaald moet worden wordt in 1777 de nu nog bestaande paardenstal met knechtenverblijf gebouwd. Maar blijkbaar heeft dat geen schadelijke invloed op het molenbedrijf want enkele jaren later zijn er zelfs vier maalkoppels in plaats van drie.

Op de Ferrariskaart van 1777 staat de molen er duidelijk op. De molen werkt verder maar krijgt onder de Franse bezetting en in de periode daarna blijkbaar toch met problemen te kampen.

off Watermolen van Rotselaar – het oude heeft niet afgedaan

Rapporten van 1840 spreken over de slechte staat van de gebouwen. De molen heeft het statuut van ‘loonmolen’ wat betekent dat er alleen gemalen wordt op vraag van de boeren en blijkbaar gaat dat achteruit. Daar komt bij dat alleen inlands graan verwerkt wordt. In later tijd wordt het molenbedrijf een handelsnijverheid waarin de molenaar zelf het graan gaat kopen en de bloem aan de bakkers verkoopt.

In die vooruitstrevende zienswijze komt rond 1840 de familie Van Doren als pachter van de hertog van Arenberg op de Molen van Rotselaar en brengt deze van het ambachtelijke naar het industriële tijdperk. Bekend geworden als ‘Maalderij Van Doren’ schakelt de molen in die tijd over van het ambachtelijke naar het industriële tijdperk. Rond 1870 wordt een nieuwe schuur gebouwd langs de Molenstraat tegen de paardenstal om meer opslagruimte te scheppen.

Rond 1880 wordt de molenmachinerie, tot dan bestaand uit de vier stenen maalstoelen, uitgebreid met een paar cilindermolens. Zulke machines bevatten metalen cilinders die met een verschillende snelheid tegen elkaar indraaien. Tussen de cilinders wordt het graan geplet en uit elkaar getrokken.

In het erfgoeddossier lees ik dat deze maalmethode het “warm malen” genoemd wordt omdat door de grotere snelheid en wrijving dan bij het malen met stenen de temperatuur stijgt. Het resultaat is dat je wel snel een heel fijne witte bloem krijgt maar dat de kwaliteit daarvan iets minder is dan die bij het ‘koud malen’. 

Deze vorm van industrieel malen met cilinders is in die tijd nog een zeldzaamheid maar het maakt de molen erg bekend in de streek en de wijde omgeving want zelfs de boeren van tegen de Nederlandse grens brengen hun koren naar Rotselaar vanwege die fijne witte bloem. In het dossier lees ik ook dat de geïnstalleerde machines ondertussen niet nieuw waren maar tweedehands gekocht bij de industriële molen ‘Remy’ in Wijgmaal. Tegelijkertijd wordt ook werk gemaakt van vergaande automatisatie van het maalprocedé met ‘plansichters’, dat zijn automatisch op en neer gaande zeven om de verschillende delen van het graan te scheiden, en ‘elevatoren’, dat zijn jakobsladders waarlangs het meel in bakjes automatisch naar boven kan worden getransporteerd samen met het luiwerk dat dient om met waterkracht zware zakken op te hijsen.

off Watermolen van Rotselaar – het oude molengebouw

Tot 1902 wordt de molen nog altijd aangedreven door twee raderen groot genoeg om het verval van 2,5m. te benutten maar dan legt het provinciebestuur na grote overstromingen op de Dijle vergaande aanpassing op aan alle moleneigenaars van hun stuwen en sluizen. De hertogin van Arenberg wil de kosten niet dragen en verkoopt de molen aan haar pachter Victor van Doren. Die renoveert de stuwen, vervangt de raderen door een turbine en bouwt de hoge silo. Vanaf 1907 doet ook de elektriciteitsopwekking zijn intrede.

De watermolen van Rotselaar wordt sinds 1902 dus niet meer aangedreven door raderen maar door de in de nieuwe silo geïnstalleerd hypermoderne turbine ‘Phenix’ nr.40 van de Franse onderneming Schneider-Jacquet met een gegarandeerd rendement van 80%.

Met een debiet van 3500 liter water per seconde en een verval van 2,1m levert dat een productie op van 245 zakken elk met 100kg afgewerkt graan per 24 uur en dat is meer dan tweemaal zoveel als tevoren met de raderen.

off Watermolen van Rotselaar – het ijzeren wiel

Sinds 2007 wordt de turbine ook gebruikt om elektriciteit op te wekken door middel van een alternator. Bij een voltage van 230-240 volt kan gemiddeld 50 tot 60 kilowatt stroom geleverd worden. Die stroom is nodig om de molen van verlichting te voorzien opdat er voortaan met een drieploegenstelsel 6 op 7 dagen de klok rond kan gemalen worden. Met het surplus worden op voorstel van de molenaar – dan ook plaatselijk gemeentesecretaris – de beide bruggen over de Dijle van elektrische lantaarns voorzien, iets wat in die tijd nog nergens anders gebeurt.

De vijf verdiepingen hoge stevig gebouwde silo heeft een capaciteit van 60 ton en is een grote trechtervormige kuip die in zes compartimenten verdeeld is om de te stockeren soorten graan te bevatten. Dat wordt aangevoerd door de boeren of door de molenarbeiders. De molen is niet uitgerust om graan in bulk te lossen maar toch koopt de molenaar ook grotere partijen aan die dan door een vervoerbedrijf in zakken worden aangebracht.

off Watermolen van Rotselaar – Maalderij van Doren

De zakken worden gelijkvloers geleegd in een trechtervormige houten bak en vandaar met een ‘bakjeslift’ (elevator) naar het juiste compartiment gevoerd. Meer details over het hele maalprocedé vind je in het erfgoeddossier evenals een uitleg over alle noodzakelijke verbouwingen en over problemen die veroorzaakt worden door het trillen van de turbine. 

In de dertiger jaren wordt nog een loods bijgebouwd en een kantoorgebouw op de binnenkoer en in 1950 worden de gietijzeren schoepen van de turbine vernieuwd. Maar toch is al voor de Tweede Wereldoorlog duidelijk dat de molen met zijn verouderend machinepark en de te krappe behuizing het zal moeten afleggen tegen de grote maalderijen in het Leuvense zoals Remy in Wijgmaal, Hungaria, Van Orshoven en de Leuvense Dijlemolens. In 1968 maalt de molen voor het laatst, het maalcontingent wordt verkocht, de machines verzegeld en alle drijfriemen verwijderd. In 1973 overlijdt de laatste bewoonster en vanaf dan staat alles leeg en raakt in verval door het oprukken van de natuur en het gebruikelijke klein en groot vandalisme. Vooral dat laatste leidt tot razendsnel verval. De website van de molen toont een serie foto’s over de toestand van 1974 van de hand van fotograaf Jan de Vijver.

Vanaf 1976 dringen plaatselijke bewoners aan op bescherming als monument. Bij wijze van eerste stap kan afbraak en verkaveling van het terrein juist worden verhinderd doordat in het gewestplan de site wordt ingekleurd als natuurgebied. De eigenaar zet het geheel dan maar te koop en hoopt kennelijk nog altijd op een goede afbraakprijs want er zitten heel wat bakstenen en metalen in en op de affiche lees je dat de maalderij een massa waardevol hout en eiken balken bevat. Er komen toch geen kopers opdagen, ik vermoed omdat verkaveling tot nieuwbouw onmogelijk is geworden. 

Na tien jaar leegstand wordt op 22 juni 1983 de Molen van Rotselaar definitief beschermd als industrieel-archeologisch waardevol monument en de omgeving als dorpsgezicht. Twee jaar later slaagt de Leuvense VZW ‘TSAP’ (’t Samen Anders Proberen) er in om het geld te verzamelen om de molen aan te kopen.

De leden willen er komen wonen en werken op een soortgelijke manier zoals dat ook het geval is in de Dijlemolens in Leuven. Dit is het begin van het woon- en werkproject Molen van Rotselaar. 

Architect Rob Geys en zijn mensen gaan aan de slag om alles op te meten en plannen te maken. Omdat op verschillende plaatsen de gebouwen dreigen in te storten worden met een eerste overheidssteun in 1987 de eerste instandhoudingswerken uitgevoerd om erger te beletten. Toch is nog de algehele instorting nodig van de oude houten schuur voordat de restauratie echt kan beginnen nadat de toenmalig minister van Monumentenzorg het eerste subsidiedossier ondertekent op voorwaarde dat het aantal woonheden van 4 naar 8 zal worden gebracht.

Maar zoals dikwijls het geval is in restauratiedossiers blijkt de ligging in natuurgebied niet alleen de redding te zijn tegen verkaveling maar ook het begin van een lange en moeilijke weg om in dat gebied de nodige grote woon- en bedrijfswerken te mogen ondernemen. De molenwebsite wijdt daar maar één paragraaf aan maar ik vermoed (weet zeker) dat er toch heel wat mensen van velerlei slag en besluitvaardigheid om de vergadertafel hebben moeten zitten om samen een zeer gedetailleerd restauratie- en beheerplan te bestuderen en uiteindelijk er hun medewerking aan te geven.. 

Op de website van de Molen van Rotselaar lees je hoe na een leegstand van 10 jaar en het instorten van de antieke houten schuur in 1987 de echte restauratie begint. Over hoeveel miljoenen franken, euro’s en arbeidsuren en slapeloze nachten het in deze eerste fase allemaal gekost heeft wordt niet veel gezegd: “met eigen middelen en overheidssubsidie en over een periode van meer dan tien jaar wordt het molencomplex omgevormd tot een eigentijds woon- en werkproject waarin in 9 wooneenheden een dertigtal mensen hun plaats gevonden hebben”. 

In 1991 wordt de molenaarswoning grondig gerestaureerd door het Herselts gespecialiseerde bedrijf Memibo.

Zowel voorbereiding (zoals het opruimen en kuisen) als afwerking wordt door de eigenaars echter zelf gedaan met de hulp van dikwijls jonge vrijwilligers die daarvoor zelfs uit Letland komen afzakken. Het jaar daarna pakt het bedrijf ook de paardenstal met knechtenverblijf aan, het bakhuis en het gebouw van de turbine. Gebouw na gebouw wordt onder handen genomen en in het kader van de bewuste beslissing om oud en modern en de achtereenvolgende bouwstijlen samen te brengen wordt ook het ronde torengebouw op de binnenplaats gebouwd. 

In het licht van mijn ervaringen met restauratie- en bestemmingsproblemen bij erfgoed-monumenten, zeker als die in natuurgebied liggen waar volgens de wet niet gebouwd mag worden vind ik de watermolen van Rotselaar een wel bijzonder geslaagd project waarvan ik verwacht dat het op veel andere plaatsen navolging zal vinden.

off Watermolen van Rotselaar – gedreven

In 1994 wordt de oude turbine gedemonteerd en gereviseerd en in 1995 opnieuw ingebouwd met tandwielkast en generator. De turbine heeft een vermogen van 100PK en levert ongeveer 500.000 KWh groene stroom per jaar ofwel zoveel als het gemiddeld verbruik van zo’n 140 Vlaamse huishoudens. Om de capaciteit te bereiken wordt in 1995 ook de oude 17de -eeuwse sluis vervangen door een dubbele klepstuw met vier schuiven. Op de in 2012 nieuw aangelegde ‘bypass’ (de vistrap) wordt ook zo’n stuw gezet en daar wijd ik nog een afzonderlijke bijdrage aan. Sindsdien wordt het water opgestuwd tot op een verval van 2,40 meter (het ‘pegelpeil’) en is de molen tot een moderne elektriciteitscentrale omgebouwd.

Dat is het begin van de groene stroom coöperatie Ecopower met maatschappelijke zetel in Rotselaar waar je aandelen van kan kopen. In 2006 begint de restauratie en gedeeltelijke vernieuwing van het in 1996 gedemonteerde en in depot gezette machinepark en sinds 2010 staat alles er weer zoals vroeger: 7 cilinderwalsstoelen en 3 steenkoppels. Onder leiding van Memibo is dit immense specialistenwerk grotendeels gedaan door Fons Verbeeck uit Rotselaar en Jan Lambrechts uit Hoeselt). Voor deze fase trekt Vlaams minister Dirk Van Mechelen in 2008 een premie uit van bijna 237.000 euro. Als kers op de taart krijgt de molen in 2013 het embleem van ‘Actieve Molen’ van het Molenforum Vlaanderen.

Als ik het goed begrepen heb zou in de Watermolen van Rotselaar sinds 2010 weer zowat dezelfde hoeveelheid graan verwerkt moeten kunnen worden als in 1902 na de installering van de turbine. In die tijd staat de capaciteit op 245 zakken elk met 100kg afgewerkt graan per 24 uur of wel 24.500 kg per etmaal. Daar kan je heel wat broden mee bakken denk ik dan. In werkelijkheid wordt er echter nauwelijks gemalen en dient heel de installatie bijna uitsluitend om bezoekers te tonen hoe het er vroeger aan toeging. De molen is geen werkende maalderij maar een museum.

off Watermolen van Rotselaar – belangrijk voor de waterzuivering

Er wordt wel alle donderdagen brood gebakken in de houtoven in het bakhuis maar het meel komt van andere molens in de omgeving. Op rondleidingen wordt soms een beetje gemalen maar met een klein losstaand boerengemaal met mini molenstenen. De belangrijkste reden is dat het produktieprocedé dat duizend jaar lang beproefd en goed was, in onze tijd door specialisten in ‘Brussel’ en ‘Europa’ niet meer aanvaard wordt door de wetgeving op de voedselveiligheid. Blijkbaar gaat het vooral om de hygiëne waarbij onder meer etenswaren niet meer in een houten machinerie mogen worden verwerkt. Alleen voor puur demonstratieve doeleinden mag er bij wijze van ‘uitzondering’ gemalen worden maar dan mag het gebakken brood niet worden verkocht.

Bovendien leidt onregelmatig gebruik van de stenen en andere machines tot overdreven schoonmaakproblemen.

Ik heb dit verhaal ook al gehoord van molenaars in andere molens en als het waar is vind het geen goede zaak. Zo verspillen we menselijke inspanningen, gepassioneerde inzet, professionele kennis en ook een massa geld want je hoeft toch niet een heel machinepark volledig te restaureren als je er daarna alleen maar mag naar kijken? Tegelijkertijd zie ik toch ook wel veel molenaars malen op contract, bij monumentendagen, open deurdagen en andere gelegenheden. Volgens mij is er dus nog een uitdaging voor de toekomst: hoe kan deze molen en alle andere molens die al gerestaureerd zijn of worden, opnieuw op ambachtelijke (kleinschalig) wijze voor ons hoogwaardig dagelijks brood zorgen? Voor de rest is heel dit project natuurlijk een fantastisch verhaal. De molen produceert groene stroom en is het centrum van Ecopower. Op de website vind je alle informatie over talloze sociale en culturele  activiteiten en wat er daar allemaal zo bij komt kijken. Binnenkort is het opnieuw molenfeesten en ik denk dat het de moeite waard is om dan een bezoekje aan de molen te brengen. Ik kom hier zeker nog terug.

De Watermolen van Rotselaar speelt een zeer belangrijke rol voor de waterzuivering. De Dijle heeft in Rotselaar een stroomsnelheid van ongeveer 5 kubieke meter per seconde. Tussen Leuven en Rotselaar daalt de rivier van 12m40 naar 10m00 op een afstand van slechts enkele kilometers. In de molen merken ze dat de Leuvenaars hun rivier al eeuwenlang beschouwen als de geregelde vuilnisdienst want ze gooien er nogal wat in zoals plastic flessen, glas, blik, meubilair, matrassen, Tv’s, ijskasten en diepvriezers. Op een jaar tijd spoelen er ook meer dan 2000 dierenlijken aan van ratten, katten, honden, kippen, konijnen, schapen, geiten, kalveren en zakken met slachtafval. Twee keer haalden ze er ook al een mensenlichaam boven. Dat mag absoluut niet in de turbine komen en om het water proper te maken moet het er gewoon allemaal uitgehaald worden. Er spoelt ook veel hout aan, zowel gezaagd als met de wind in de rivier gevallen al dan niet met hulp van de oprukkende bevers maar daarmee voorziet de molen zich tenminste van gratis brandhout. En dan is er natuurlijk ook al het natuurlijk materiaal zoals takken, bladeren en kroos. Met een grote machine wordt alle dagen 500 kg zwerfvuil opgehaald en dat is alle vijf weken een container vol. Na moeizaam onderhandelen wordt die container weggehaald door en op kosten van de Vlaamse Overheid maar al het ophalen en sorteren wordt door Ecopower gedaan en betaald.

Daarnaast is er een oplossing gevonden voor de migratie van de vissen. Vissen moeten de rivier op en af kunnen en bij molens is dat een probleem als er geen omleidingskanaal ofwel een vistrap is. Naarmate ons water weer properder wordt komt er weer vis op en om die reden legt de Vlaamse Overheid (Vlaamse Milieu Maatschappij) in 2011/12 een vierhonderd meter lange waterbedding rond de molen aan ter vervanging van de eeuwenoude Leibeek die enkele decennia geleden in een buis is gestoken en dus niet meer als vistrap kan dienen. Veel molenaars – vooral op kleine waterwegen – hebben bezwaren tegen zulke vistrappen omdat al dat afgeleide water ten koste gaat van het debiet bij hun molen. De oplossing daarvoor is om aan de vistrap een stuw te plaatsen die gesloten kan worden als de molen te weinig water heeft om te kunnen werken. Het is een mooie vistrap geworden met een natuurlijk uitzicht maar naar mijn goesting is er ter hoogte van de molen zelf te veel beton en koel staal gebruikt zodat het nogal afsteekt tegen de oude gebouwen. Daar zal wel een goede reden voor zijn maar ik houd meer van het gebruik van natuurlijke materialen in zulke omstandigheden. Maar er staan ondertussen ook veel bloeiende planten en zelfs druivenstruiken tegen en dat doet ook al goed.

+++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

https://www.molenvanrotselaar.be/

+++

https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/200216

(o.m.: technische beschrijving plus inventaris van het machinepark)

+++

http://www.molenechos.org/molen.php?AdvSearch=497

(hier ook veel literatuurverwijzingen)

+++

zie ook: http://ernstguelcher.blogspot.com/ met trefwoorden, watermolen, rotselaar, erfgoed, arenberg, geschiedenis

+++

https://dirkvansintjan.wordpress.com/waarom-groen/

een rondleiding door de molen

+++

https://www.samenhuizen.be/de-molen-van-rotselaar

+++

https://www.ecopower.be/over-ecopower/onze-investeringen/kleine-waterkracht-rotselaar

off watermolen van Rotselaar – ezels zijn van alle eeuwen

Trefwoorden: watermolen, energie, elektriciteit, dijle, rotselaar, arenberg, vistrap,

Advertentie

LOVENJOEL – HET GROOT PARK SALVE MATER MET WHITEHOUSE EN HET KLEIN PARK AVE REGINA

Uitgelicht

Voorjaar 2021

Ernst Gülcher

Contact: ernst.guelcher (at) telenet.be

Lovenjoel – Whitehouse met sneeuwklokjes

Sla naar rechts af vanaf de Tiensesteenweg uit de richting Leuven ter hoogte van Lovenjoel (Bierbeek) en dan sta je enkele honderden meters verder bij de Sint Lambertus kerk aan de ingang van het vroegere domein van de familie de Spoelberch. Drie jaar geleden maakte ik hier al eens een reportage over maar nu de sneeuwklokjes in bloei staan kom ik terug. De smeedijzeren wapenschilden en andere delen van de poort aan de ingang van de dreef naar het landhuis zijn zo’n twintig jaar geleden gestolen, of de poort er zelf nog is weet ik eigenlijk niet (wie wel?),  maar de Molenbeek stroomt nog altijd in het midden van het ‘Groot Park’ zoals dat al eeuwen het geval is. Aan de rechterkant staat een hele verzameling massieve gebouwen met een torentje dat er boven uitsteekt. In 1915 schonken de erfgenamen van de adellijke familie heel dit gebied van 35 hectare aan de Katholieke Universiteit Leuven. Die verpachtte het aan de Zusters van Liefde van Gent om er de psychiatrische kliniek Salve Mater op te bouwen. De eerste gebouwen van die toen ultramoderne kliniek werd in 1927 plechtig geopend door koningin Elisabeth. Na een bewogen bestaan waarin sinds de jaren 1980 het park langzaam in verval raakt, verlaten de laatste patiënten de kliniek in 2007 en sindsdien staan de gebouwen lang grotendeels leeg (maar nooit helemaal!). In 2004 wordt maakt de universiteit duidelijk dat zij de zorg voor het domein wenst af te staan en na veel discussie wordt het park in delen opgesplitst om te verkopen. Het gebouwencomplex wordt sindsdien omgebouwd tot een residentieel park met appartementen en enkele kantoren en na jaren verbouwen is een en ander opgeleverd en in gebruik.

Lovenjoel – Groot Park – Salve Mater

Onder het torentje van de kerk van het vroegere klooster moet er nu een gedeeld privé-zwembad zijn voor de bewoners die blijkbaar met grote belangstelling intekenden op het renovatieproject. Het vallei-deel naast de Molenbeek komt rond de eeuwwisseling voor een klein deel in het bezit van Natuurpunt en voor een veel groter gedeelte – waarin ook het 18de eeuwse landhuis – in handen van Leuvenaar Bert Verlinden en zijn echtgenote Elly Kog. In 1994 is heel het Groot Park samen met het nabijgelegen kloosterpark van Ave Regina beschermd als dorpsgezicht en cultuur-historisch landschap. Dankzij die bescherming,  maar vooral door de natuurbelangstelling van de nieuwe beheerders zijn de natuurwaarden van dit stukje vallei bewaard gebleven  samen met het (gespaarde) gedeelte van de) verzameling monumentale bomen die de familie de Spoelberch in hun tijd liet aanplanten.

Hier en daar in het Groot Park van Salve Mater in Lovenjoel kom je pijlen tegen naar het ‘Whitehouse’ maar eigenlijk kun je het sneeuwwitte gebouw niet missen want het hele park is zo aangelegd dat je vanuit het in 1750 gebouwde landhuis ‘van Plaisanterie’ alles kunt zien. Sinds 1999 is deze voormalige buitenresidentie van de familie De Spoelberch een prachtig gerestaureerde privéwoning maar sinds 2014 ook een in heel Leuven en omstreken bekende kunstgalerij.

Lovenjoel – Groot Park – Salve Mater

Dankzij de toegewijde eigenaars is het park publiek toegankelijk op voorwaarde dat bezoekers niet al te dicht bij de woning komen, op de paadjes blijven en de bomen met rust laten. De oevers van de beek – natte lemige gronden en een aantal kalkminnende venige bronzones – zijn waarschijnlijk een tijdlang parkgazons geweest maar worden thans als soorten- en bloemrijke hooilanden beheerd zoals in de oude tijd. De bomen zijn al vele tientallen jaren beroemd. Zowel Jan-Hendrik-Jozef de Spoelberch (1766-18­38) als zijn zoon Maximiliaan-Antoon-Theodoor (1802-1873) hadden grote belangstell­ing voor dendrologie. In de loop van de 19de eeuw werden talrijke, vaak zeldzame soorten en variëteiten aangeplant, een collectievorming die tot circa 1870 intensief werd voortgezet. In 1894 wordt in het Bulletin de la Société Centrale Forestière de Belgique een gewone moerascipres (Taxodium distichum) vermeld, toen al met een stamom­trek van 308 centimeter. Die boom bevindt zich nu nog vlakbij het kasteel en de omtrek is ondanks een recente blikseminslag aangegroeid tot 463 centimeter. In die tijd worden 350 soorten ‘houtachtigen’ geteld waarvan er in 1990 nog 120 over zijn. Het Groot Park van Lovenjoel mag beschouwd worden als een van de belangrijkste dendrologische collecties van België. Op mijn foto’s van mei 2017 zie ik dat ik hier in een later seizoen moet zijn om de volle pracht van die bomen te kunnen bewonderen. Wel denk ik  dat er in de afgelopen jaren toch enkele gesneuveld zijn want er liggen boomstammen, al dan niet in stukken gezaagd. Bomen hebben van nature wel een lang leven maar toch niet voor de eeuwigheid en dus moet je er regelmatig nieuwe aanplanten.

Lovenjoel – Salve Mater – Groot Park – een monumentale beuk

Behalve enkele vazen en een ijskelder met paviljoentje trekt vooral de rond 1836 door plaatselijk smid Van Schoonbeeck vervaardigde ‘Chinese’ boogbrug over de Molenbeek de aandacht. Het is een zeer fotogeniek roestig geval dat volgens het erfgoeddossier ooit gerestaureerd zal worden maar voorlopig waag je je er beter niet op denk ik want elke stap kan er een teveel zijn. Over de betekenis van die bruggen heb ik een romantisch Chinees sprookje gevonden en dat gaat als volgt. 

De Chinese brug in het Groot Park in Lovenjoel is daar in opdracht van de kasteelheer van toen, naar ik aanneem Burggraaf Maximiliaan-Antoon-Theodoor  De Spoelberch gezet rond 1836 door plaatselijk smid Van Schoonbeeck. Zo’n brug was toen de mode die tijd in van die deftige parken en je vindt ze nog op veel plaatsen waar een beetje romantiek in de lucht hangt. In afwachting van restauratie mag je de fotogenieke maar sterk geroeste brug niet betreden en zul je het moeten doen met het Chinees sprookje over de koeherder en het weefstertje dat ik op het internet vond op een Nederlandse website (zie de link). Lang geleden dwaalde een arme herder met zijn kudde rond in een verafgelegen dal aan een bergrivier. Terwijl hij onder een dikke boom uitrustte hoorde hij stemmen van lieftallige meisjes die in de rivier aan het baden waren. Hij ging er op af en kon het niet laten om de kleren van een van de meisjes te pikken en zich daarmee achter een boom te verstoppen. Wat hij niet wist was dat hij aan het loeren was naar de zeven bloedmooie dochters van de Jadekeizer, de Heerser van de hemelen en dat hij zich meester had gemaakt van het gewaad van de jongste van de zusters die beroemd was om haar weefkunst van wolkenbrokaat voor haar vader.

Lovenjoel Groot Park – chinese brug

Na hun bad kleedden de prinsessen zich weer aan behalve de jongste want die vond haar kleren niet meer terug. Tenslotte zat ze wenend aan het water. Toen kwam de herder tevoorschijn en gaf de kleren terug op voorwaarde dat zij met hem zou trouwen. Heel netjes was die handelwijze niet maar in die tijd was in de liefde blijkbaar nog alles geoorloofd. Het weefmeisje kon niet anders dan toestemmen. De bruiloft vond  plaats en ze werden zowaar allebei heel erg gelukkig. In hun geluk vergat de herder echter om nog aan zijn koeien te denken en de prinses raakte haar weefstoel helemaal niet meer aan. Ze speelden de hele dag alleen nog maar met elkaar. Dat ging dus mis want vanuit de hemel had vader Jadekeizer alles zien gebeuren en in zijn misnoegdheid zond hij een bode naar de prinses met de opdracht voor de levering van wolkenbrokaat. Omdat zijn wens niet werd opgevolgd zette hij het bruidspaar aan de hemelse rivier met de herder aan de ene kant en het weefstertje aan de andere oever. Door de breedte van het water konden ze elkaar niet meer zien, laat staan dat ze ooit nog bij elkaar zouden kunnen komen. Hun verdriet was zo groot dat de eksters medelijden met het echtpaar kregen. Op de zevende dag van de zevende maand kwamen ze allemaal aangevlogen, legden hun vleugels over elkaar en vormden zo een lange boogbrug over de hemelse rivier. Over deze brug konden de koeherder en het weefstertje naar elkaar toekomen voor een ontmoeting halverwege op het hoogste punt: “vanaf dat moment herhaalt zich elk jaar op de avond van de zevende dag van de zevende maand hetzelfde tafereel: de eksters vormen een brug voor het liefdespaar. Op warme zomeravonden zien we aan de hemel nog de Melkweg met de hemelse rivier; aan de éne kant de koeherder en aan de andere het weefstertje.” Nu weet je waarom zo’n brug ook ‘Eksterbrug’ genoemd wordt.

Lovenjoel – Groot Park Salve Mater – de Chinese brug over de Molenbeek

Wikipedia: ‘Hoewel eksters bijna altijd als slecht worden gezien in Europa, worden de vogels in Korea aanzien als de vogel van voorspoed, een brenger van een zekere toekomst en een voorteken van geluk. Ook in China is de ekster een teken van een goed lot’. Ik hou wel van eksters. Overigens vind je deze bruggen ook in Japan.

Aan de lage en enigszins uitgeholde vorm van het landschap met een “eilandje” met een beuk er op, maar ook aan de vegetatie (riet) kan je vermoeden dat er aan de Molenbeek in het Groot Park in het verleden een vijver moet zijn geweest. Dat wordt bevestigd door de Ferrariskaart van ca 1775 (blad 112, Hougarde). Je ziet daar één grote vijver rechts van het dan gloednieuwe ‘Chateau de Sp(o)elberg, nog twee kleine vijvers er juist boven en nog enkele gebouwen zoals een hoeve een watermolen. De vijvers en de hoeve zijn er niet meer maar de molen staat er nog altijd en is zelfs in 1994 als monument beschermd onder de naam Heystmolen. Vande watermolen van Lovenjoel is al sprake in 1354. In 1747 kwam hij in het bezit van de familie de Spoelberch. Het huidige molenhuis draagt het jaartal 1749 en dat is dus waarschijnlijk het jaar waarin het gebouwd werd. De molen kwam daarna in handen van achtereenvolgens de Zusters van Liefde en de KUL. De molen bleef in bedrijf tot in 1896 om graan en boekweit te malen. Bijna een eeuw later werd hij in 1989 als bijna-bouwval verkocht aan een privépersoon die het geheel renoveerde tot woning. Als je niet weet dat dit ooit een molen was kun je het nauwelijks zien want alle inrichting en bovenslagraderen zijn verwijderd en ook de aftakking van de Molenbeek naar de molenvijver is verdwenen. Hierna steek ik over naar het ‘Klein Park’.

Jovenjoel – Groot Park Salve Mater – de oude Heystwatermolen

Vanaf het Groot Park en de kerk van Lovenjoel zie je er niets van vanwege de grote gebouwen die er voor staan maar daarachter ligt richting Tiense Steenweg nog een tamelijk groot parkgebied met de naam ‘Klein Park’. In het erfgoeddossier lees ik dat vandaag het park gedomineerd wordt ‘door het Medisch Pedagogisch Instituut Ave Regina, gelegen tussen het Hof ten Poele, later Felixhof, en de dorpskerk. Net voor de Tweede Wereldoorlog werd gestart met de bouw ervan. De instelling is uitgegroeid tot een zorg- en begeleidingscentrum voor jongeren en volwassenen. De centrale toegangsweg van de instelling loopt uit op het U-vormige Felixhof, gelegen ten oosten van de instelling.’ De familie Spoelberch kocht het dorp Lovenjoel in 1649 en hun domein strekte zich uit over het Groot Park, het Klein Park en de kerk er tussenin. In die tijd bestaat dat Klein Park met een oppervlakte van 11 hectare nog uit akkers en hooilanden en het kasteel was nog een van de vierkantshoeve Hof ten Poele afstammend landhuis met de naam ‘Château de Lovenjoul’ met een dreef naar de huidige Tiensesteenweg.  Nogmaals het erfgoeddossier: ‘Op het einde van de 18de eeuw was de aanleg zelf beperkt tot de omgeving van het kasteel: er was toen een moestuin, een grote en een kleine vijver en een boomgaard; een kleine laan verbond het kasteel met de kerk. Het park werd pas aangelegd in de periode 1807-1810  in een vroege landschappelijke stijl met een tot vijvers opgestuwde beek; een cascade met waterspuwers is nog aanwezig. Omstreeks 1860 liet de toenmalige eigenaar Felix Xavier de Spoelberch (1808-1868) belangrijke aanplantingen uitvoeren waarvan diverse oude en zeldzame bomen bleven bewaard. Ook de groentekelder die bewaard bleef ten zuidoosten van het kasteel zou gebouwd zijn door Felix de Spoelberch.

Lovenjoel – Klein Park – Felixhof

 Hij was de broer van Maximiliaan de Spoelberch, die op dat ogenblik eigenaar was van het Groot Park. Een laatste fase in de aanleg van het park dateert uit het einde van de 19de eeuw, toen het bezit was van Karel de Spoelberch; ook hij liet een generatie parkbomen aanplanten; de meest opmerkelijke realisatie uit die periode is echter de beplanting van de huidige Dreef met zwarte walnotelaars.’ Wie het park zoals ik voor een eerste keer bezoekt zal merken dat van die mooie beschrijving tegenwoordig nog nauwelijks iets te zien is. Na de nog wel statige voorhof van het kasteel wandel je langs smalle paadjes door een best wel mooi boslandschap waar behalve de Molenbeek nog wel enkele natte plekken zijn maar een vijver zal je er tevergeefs zoeken. Het kan zijn dat op moerassige plekken in het voorjaar heel wat voorjaarsbloeiers te zien zijn maar als geheel is het park vooral een vrolijk speelbos geworden met hutten en andere zelfgebouwde constructies. Wel staan er veel sneeuwklokjes in bloei. Of er nog zeldzame bomen zijn kan ik in dit seizoen niet goed zien maar er liggen wel veel dikke stammen tegen de grond.

Het fijne van het Klein Park – Ave Regina in Lovenjoel is natuurlijk dat anders dan veel voormalige kasteelparken het publiek toegankelijk is en bovendien erg rustig, ik denk vooral omdat het voor passanten niet zo duidelijk is dat er achter de grote gebouwen van het instituut en het kasteel nog een plezierige natuur-omgeving is. In het park zelf hoor je wel het geluid van de veel te drukke Tiensesteenweg die er vlak aan de noordkant langsgaat. Op de kaart zie ik dat je zonder problemen kunt doorsteken naar het Koebos van Natuurpunt aan de andere kant van de baan.

Lovenjoel – Klein Park

Aan de zuidkant zou je de Kerselarenlaan moeten kunnen oversteken om in het Bruulbos te komen maar blijkbaar gaat dat niet omdat er een pad afgesloten is en moet je eerst een eind langs de drukke baan stappen wat ik minder interessant vind. Het park is als erfgoedlandschap beschermd sinds 2004 en wordt naar ik begrijp beheerd door de eigenaars want op een bordje staat dat Ave Regina VZW de ‘verantwoordelijke uitbater’ is. Of er een beheerplan is weet ik nog niet maar kennelijk is het niet de bedoeling om het erfgoedkarakter te bewaren of in ere te herstellen. In de tijd van de familie Spoelberch zijn er heel wat bijzondere bomen aangeplant. In 1991 waren er daarvan nog een hele reeks over (zie het erfgoeddossier en de studie van Roger Deneef) waaronder een mammoetboom, een plataan, een varenbeuk, verschillende soorten beuken, een ginkgo biloba en een bonte Engelse iep maar of die er nu nog zijn heb ik nog niet kunnen ontdekken. In tegenstelling tot het Groot Park is in het Klein Park in de vorige eeuw heel wat productiebos aangelegd met Amerikaanse eiken en naaldhout. Voor de bouw van het instituut is overwogen om het neer te zetten in het park zelf. Uiteindelijk is het aan de voorkant van het kasteel Felixhof gebouwd maar om het laag gelegen terrein bouwrijp te maken zijn wel grote hoeveelheden bouwpuin aangevoerd. In 1955 werd op voorstel van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen een rij van majestueuze rode beuken ‘één der mooiste beukencomplexen van het land’ langs de Stationsstraat beschermd maar een halve eeuw later zijn ze bijna allemaal verdwenen door aantasting van de reuzenzwam.

Lovenjoel – Klein Park – Felixhof

Ik lees in het erfgoeddossier dat er een en ander aan monumentaal  ‘tuinmeubilair’ geweest moet zijn, onder meer ‘een dubbele ardui­nen drempel geflankeerd door twee stèles met elk twee waterspuwende bronzen leeuwenkoppen, een medaillon met een sierlijk bas-reliëf van brons of terra­cotta en een boogvor­mige opening onderaan’ aan de overstort van de vijver naar de Molenbeek. Daarvan zou nog het een en ander moeten over zijn maar door het gebruik van beton in onze tijd ‘zijn de oorspronkelijke vormen en materialen niet meer zichtbaar’. In het park is de enige brug over de Molenbeek die ik gezien heb een betonnen plaat die niets romantisch heeft. Als ik de houten boswachter was van wie er een beeld in het bos staat bij het ontmoetingsbord zou ik toch er voor pleiten om in de komen jaren de verwaarlozing stop te zetten en naast het aanbrengen van educatieve natuurelementen de erfgoedwaarden van het park te herwaarderen. Zo moeilijk kan dat nu toch ook weer niet zijn zou ik denken.

+++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

Over het Groot Park:

https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/300760

+++

https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/127005

+++

http://www.thewhitehousegallery.be

+++

https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/200196

(de Heystmolen)

+++

Roger Deneef ea – Historische tuinen en parken van Vlaanderen – Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap – Brussel 2004 (ISBN 90-403-0196-4) – p.67-76

Lovenjoel – Salve Mater – Groot Park – ingang van de the white house gallery – merk op het kunstobject op rechts …

Over het Klein Park:

+++

https://inventaris.onroerenderfgoed.be/themas/16557

+++

https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/300774

+++

https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/215123

+++

DENEEF R. (redactie) 2004: Historische tuinen en parken van Vlaanderen, Bierbeek, Boutersem, Glabbeek, Oud-Heverlee, M&L Cahier 9, 76-83.

Lovenjoel – Klein Park – Molenbeek

Een Chinees ekstersprookje:

http://www.ekstersenzo.nl/cultuur_sprookjes-china/

Chinees sprookje

De koeherder en het weefstertje
(Chinees sprookje, vertaald uit het Engels/Duits door Peter van Nies)

+++

https://nl.dreamstime.com/redactionele-fotografie-de-eksterbrug-image54366292

+++

http://www.ekstersenzo.nl/cultuur_sprookjes-china/

Lovenjoel – Groot Park – chinese brug
Lovenjoel – Grot Park – chinese brug

trefwoorden: Lovenjoel, Groot Park Salve Mater, Klein Park Ave Regina, Spoelberch, Whitehouse,  China, eksterbrug, Heyst, watermolen,

OP STAP IN NODEBAIS

Uitgelicht

KUNST, NATUUR EN HET GOEDE LEVEN

Ernst Gülcher

Oktober 2020 

ernst.guelcher (at) telenet.be

klik op de foto om de originele versie te zien

Version Francaise à suivre

Nodebais, in het Natuurreservaatje Le Grand Brou – hij of zij wacht op de tram

Nodebais, deel van Beauvechain en vlak over de taalgrens gelegen. Vlakbij en toch niet zo erg bekend bij Vlamingen. Misschien is dat maar goed ook want als er te veel vermoeide stedelingen van-bij-ons daar zouden willen gaan wonen denk ik dat het landelijke en artistieke karakter van dit mooie dorp wel snel in de verdrukking zou kunnen raken.  Tot nu valt het nog wel mee, je hoort er wel veel Vlaams maar dat komt toch vooral voor bij huizen die aansluiten op het behoud van het historische landelijke patrimonium met veel natuur rond de woning, respect voor een wat meer schilderachtige manier van bouwen en ook heel veel groene ruimte met dieren en bomen in de bebouwde kom.

Ik kom er echt heel graag om vanaf de vijver met reigers midden in het dorp (waar vind je dat nog?) op zoek te gaan naar het kapelletje Gosin, La Ferme d’Agbiermont, een hele reeks andere klassieke oude vierkanthoeves, het kerkje met pastorie en kapel, de watermolen, maar ook naar de tramdijk van Zwarte Jean met het mooie  gerestaureerde tramstation en het natuurreservaatje met ‘bassin d’orage’ Le Grand Brou. Nodebais ligt vlak aan de drukke Chaussée de Namur maar omdat het verscholen ligt in het valleitje van de beek waarnaar het genoemd is merk je daar niets van en ik geniet er altijd van de rustige stilte die in de dorpen aan de Vlaamse kant van de taalgrens bijna overal verloren is gegaan.

Nodebais – Max Van der Linden

Het woord ‘Node’ is blijkbaar een oud Frans woord voor ‘weide’ en in Nodebais is er nog veel weidegrond tussen de huizen en voorlopig zonder bordje ‘bouwgrond te koop’. Het woord ‘Bais’ staat natuurlijk voor het beekje dat slecht enkele honderden meters stroomopwaarts niet ver ten zuiden van het dorp uit de helling tevoorschijn komt, met een kanaaltje langs de Chemin des Soeurs naar de molenvijver stroomt en dan als een echte beek richting Ruisseau de la Néthen en het ‘bassin d’orage’ gaat.

Een beetje geschiedenis

Een beetje geschiedenis. Nodebais bestaat al in het jaar 1000 wanneer Gravin Alpaïde, de laatste heerseres over het Graafschapje Brunerode en stichtster van het chapiter van Hoegaarden al haar bezittingen in deze omgeving afstaat (met Nodebais inbegrepen) aan de abdij van Hastière (Waulsort), dat wil zeggen juist binnen het Prinsbisdom Luik. Daar zijn oorlogszuchtige moeilijkheden van gekomen tussen de heren van Luik en die van Leuven waarbij uiteindelijk heel het Brunerodegebied in handen komt van de Hertog van Brabant op een paar enclaves na zoals Hoegaarden zelf maar ook Chaumont en Beauvechain. Vandaag is Nodebais samen met Tourinnes en Hamme-Mille deel van Beauvechain. Maar op de Ferrariskaart van 1777 zie je de grenzen van die enclave en wat blijkt: Beauvechain en Tourinnes liggen er juist binnen maar Nodebais valt er net buiten (zie de afbeelding). Daaruit begrijp ik dat de Hertog van Brabant zich vanuit Leuven de wereldlijke heerschappij over Nodebais heeft toegeëigend terwijl de geestelijke overheid het in die tijd vanuit Luik/Waulsort voor het zeggen had met zetel in het plaatselijke bijgebouw van de abdij, nu de Ferme d’Agbiermont.

Nodebais (Beauvechain) – het licht gaat aan voor de paarden

De naam Nodebais wordt ook gebruikt door enkele leden van het geslacht de Tilborg die tijdens het bewind van de Hertog van Brabant Henri I in deze omgeving blijkbaar grote bezittingen hadden. In 1230 was er dan ook nog een ridder Gilbert die van Nodebais kwam. In 1371 wordt het dorp met de naam ‘Nodebeke’ vermeld op een lijst van steden die van de Hertog van Brabant een hele reeks privileges verkregen en om die te krijgen moeten de dorpelingen de hertog gesteund hebben in belangrijke economische en krijgszuchtige zaken. Als je dus bij de volgende bezoek in Nodebais langs de Ferme des Vignes door de Rue de la Justice komt, weet dan dat in de middeleeuwen daar op de driesprong misschien een eik of linde stond waaraan je op last van de Hertog van Brabant ter afschrikking kon worden opgehangen na te zijn terechtgesteld op het schavot in Leuven. Maar ik geef toe dat ik hiervoor geen enkel bewijs of getuigenis heb gevonden en op oude kaarten is ook niets te zien.

De onafhankelijke “République Royale Libre d’Oultre Nodebay”

Alles bij elkaar heeft dit alles de bewoners van dit dorp van kunstenaars niet tegengehouden om een ferm onafhankelijkheidsbewustzijn te koesteren waarbij nog in 1976 een groepje burgers op initiatief van het kunstenaarsechtpaar Kira en Claude Rahir samen met kunstenaar-vrienden zoals Max Van der Linden, Lucienne Camus en André Kersten unilateraal de onafhankelijkheid van het dorp uitroept door de oprichting van de République Royale Libre d’Oultre Nodebay’. Het moet een gezellige republiek geweest zijn met jaarlijkse feesten en een rabarberwijn met geheim recept als bindmiddel voor verdraagzaamheid tussen mensen van alle culturen en opvattingen als motto. De wapenspreuk van de republiek lees je op het dak van het huis van Kersten aan de Chemin des Soeurs: ‘Rian todi tin qu’ l’est co timps’ ofwel ‘laten we lachen nu het nog kan’. Die wapenspreuk is nog altijd overduidelijk te lezen en ik vind hem eigenlijk in onze tijd nog meer toepasselijk dan in de jaren dat hij bedacht werd.

Nodebais – hoeve Kerstens

Vandaag de dag is het in Nodebais toch wel iets gekalmeerd denk ik want het ziet er overal erg braaf uit (misschien wel iets té braaf), vooral denk ik omdat de oude generatie er ondertussen niet meer is en er ook wel veel nieuwe mensen van buitenaf in het dorp zijn komen wonen met andere gewoonten en tradities. Het valt me ook op dat er geen enkele dorpskroeg te zien is en blijkbaar ook nooit geweest is. Het is allemaal wel erg gemoedelijk, de mensen groeten je vriendelijk, kijken niet wantrouwig en geen aanstalten om de politie te roepen als je huizen en tuinen fotografeert. En dat is fijn want het dorp staat vol met fotogenieke huizen, tuinen en er zijn overal grote en kleine dikwijls aan de natuur gebonden kunstwerken te zien. Zelfs de openbare vuilbakken zijn mooi beschilderd. Op de jaarlijkse november-feesten van Saint-Martin kan je op veel adressen ook een en ander gaan bekijken.

Claude en Kera Rahir, Lucienne Camus, de bio ferme D’Evrard

Het begint al meteen in het centrum waar achter het schooltje – het vroegere gemeentehuis – een atelier staat voor het maken van nestkasten met vlak daarnaast een tuin waarin de meest merkwaardige voorwerpen zijn opgesteld.

Het schooltje zelf heeft trouwens een zijgevel met een verrassende eigentijdse architectonisch uitzicht  verrassing in de vorm van een aangebouwd trappenhuis dat helemaal met hout is afgewerkt. Ik vind het wel mooi passen bij het verder heel klassieke gebouw.

Aan de voorkant van de school is een enorme fresco gemaakt in 1995 door de schoolkinderen onder de leiding van Claude Rahir en rond het dorpscentrum tref je op vele plaatsen keramiek aan van Max Van der Linden. In de wortels van de rode beuk op het pleintje zou op initiatief van Claude Rahor een brief van de schoolkinderen aan hun nazaten verborgen zijn maar niemand weet wat er in staat (en helemaal geloven kan ik het niet want de boom is vast een stuk ouder dan 1995). Het wachten is op een lezer die er het fijne van kent.

Op de hoek van de Rue de L’Etang met de Chemin du Jacotia staat op het eerste huis ook een fresco van Rahir, in dit geval door de meester zelf gemaakt.

Nodebais – Claude Rahir

Op Max Van der Linden kom ik nog terug. Beeldhouwer Claude Rahir wordt in 1937 in Verviers geboren maar woont en werkt in Nodebais tot zijn dood in 2007. Zijn vrouw en actieve geestesgenoot Kira overleed in 2014. Hun huisje en atelier staan in de Chemin du Jacotia op nr.15 en hoewel het wel een verfje nodig heeft kun je het niet missen vanwege de Komeet Hale-Bob die op de gevel is ingeslagen.

Claude Rahir heeft de wereld een monumentaal kunstpatrimonium nagelaten in de vorm van muur mozaïeken, bas-reliëfs, beelden, tuindecor in steen maar ook monumentale muurschilderingen. Typerend voor Rahir is zijn zoektocht naar nieuwe materialen en technieken en de wil om die te integreren in datgene wat de mens al sinds de prehistorie heeft ontdekt en gebruikt. Er zijn nog alle jaren tentoonstellingen met zijn werk dat permanent te zien in vele Belgische steden maar ook in Zuid-Korea, Japan, Bolivia, Jamaica en in Guyana.

Een klein beetje eerder in dezelfde straat kom je op nr.9 al het heel schilderachtige en charmante huis en atelier van Lucienne Camus tegengekomen, bekend om haar beeldhouwwerk. Zij nam nog in 2019 deel aan de Fêtes de Saint Martin en nu de editie van 2020 is uitgesteld naar 2021 zul je wellicht bij haar moeten aankloppen om haar mooie werken van het jaar nog te zien.

De kasseien van de Chemin de Jacotia maken plaats voor een wandelpad en langs het enorm grote groene grasplein met ponies en fruitbomen (met aan de overkant het dak met de hierboven genoemde republeinse slagzin) kom je op de hoek van de Chemin du Vivier de Saint Laurent een mooi gemetseld bronnetje tegen met de mededeling ‘aqua non potable’.

Je staat aan de ingang van een er heel gewoon uitziende grote boerderij. Als toevallig voorbijganger zal je er niet snel binnengaan maar dit is de Ferme Evrard, als familiebedrijf sinds 25 jaar alom in de streek bekend voor de teelt van aardappelen. Maar in de huidige moeilijke tijden is de hoeve duidelijk een aanvullende en veelbelovende weg ingeslagen als bioboerderij voor het kweken van allerhande soorten groenten en fruit die vooral gericht zijn op de verkoop ‘direct du producteur au consommateur’, dat wil zeggen voor de ‘landbouw voor de  korte keten’ inplaats van voor de grote agro-industriële markt.

Nodebais (Beauvechain – non-potable maar toch een bronnetje midden in het dorp

In de winkel op het terrein kan je hun produkten aankopen lees ik op de zeer uitgebreide website en facebookpagina. Kortom, je komt hier dus opnieuw boeren tegen die niet klagen en zich laten doen door de agro-industrie maar die resoluut kiezen voor de toekomst van duurzame biolandbouw.

In de Rue Vivier- Saint Laurent vind je op nr. 5 nog een hoevetje uit de 18de eeuw met originele deur met lijst van witte gobertange zandsteen. Je herkent het onmiddellijk aan de mooi geschilderde brievenbus.

Domein d’Agbiermont

Neem kaart er maar even bij en dat zie je dat deze kasseiweg met de naam ‘Vieux Chemin de Namur’  inderdaad in de oude tijd – dat wil zeggen voor de bouw van de militaire basis – rechtstreeks aankwam op de huidige Chaussée de Namur

Het Domein van D’Agbiermont aan deze oude weg neemt in het dorp Nodebais een zeer speciale plaats in. De naam komt waarschijnlijk van ‘Dagobert-Mont’ wat kan wijzen op een Merovingische oorsprong ergens tussen het jaar 500 en 800. Op het domein bevinden zich zowel het landhuis als de ferme d’Agbiermont. Dat landhuis is de opvolger van een kasteel in Vlaamse nereniassancestijl  dat in het bos gebouwd werd 1853 door architect Edouard Laverne uit Leuven op vraag van Baron Maximilien Michaux. De baron was een beroemd geneesheer aan de Leuvense universiteit. In 1849 treedt hij in het huwelijk met Marie Thérèse Gosin, de dochter van de familie Gosin die op de naast het kasteel gelegen hoeve woont. Zij is de in 1907 overleden overgrootmoeder van Max Vanderlinden en de stichtster van de kleine kapel die iedereen kent als ‘La petite Chapelle Gosin’ vlak buiten het dorp. Over die kapel vertel ik hierna. Het kasteel brandt in 1945 af. Nadien  werd het grotendeels met de oorspronkelijke materialen als een grote villa terug opgebouwd. Het ligt volledig afgesloten in een park met beroemde bomen, alleen in de winter kan je er iets van zien.

Nodebais – kasteel d’Agbiermont – oude foto

Nodebais (Beauvechain) – Chateau d’Agbiermont

De boerderij wordt al vermeld in de 14de eeuw en is dan in het bezit van de Abdij van Waulsort-Hastière. Op de Ferrariskaart van 1777 heet het ‘Waulsor’. Deze periode eindigt met de Franse Revolutie hoewel er zich nadien opnieuw kloosterlingen van de orde van de Benedictijners gevestigd hebben.

De indrukwekkende gebouwen die je nu ziet dateren vooral van het midden van de 18de eeuw. De vierkantshoeve is merkwaardig door zijn ‘normale’ uitzicht aan de voorkant in de Vieux Chemin de Namur en de steile wand aan de ‘Chemin de la Petite Chapelle’ met de enorme recent gerestaureerde steunberen. De hoeve is sinds 1952 het hoofdkwartier van de familie Vanderlinden die zich in de streek vooral toelegt op de fruitteelt. De boomgaarden tref je hoog op de helling aan de overkant van de Chemin d’Agbiermont naast een recent gebouwde villa die naar ik denk het huidige centrum is van de tuinders-activiteiten van de familie en daartoe hoort sinds enkele jaren ook de productie van wijndruiven. Maar dat is voor later.

Zowel het kasteel als de hoeve zijn op de Waalse lijst van Waardevol Bouwkundig Erfgoed ingeschreven ‘comme monument’ maar toch denk ik niet dat ze echt als zodanig beschermd zijn want hij staat niet op de lijst van ‘monuments classé). In hoevere er gerestaureerd wordt kan je van de buitenkant niet zien en de foto in het beschermingsdossier van de hoeve toont niet de indrukwekkende muur met de grote peilers maar de aan de zijkant hoger gelegen toegang tot de vierkanthoeve. Die peilers zijn altijd een boeiende bron van discussie over het restaureren van oude gebouwen door de aanwending van nieuwe technieken en eigentijdse stijlen.

Tegenover de ferme D’Agbiermont staat de Ferme Delchay, een 18de vierkantshoeve die eveneens ingeschreven is als ‘monument’. Met de steun van de zeer katholieke bewoners van de Ferme d’Agbiermont werd in dit gebouw na de oprichting van de gemengde gemeenteschool aan de vijver de vrije meisjesschool voor basisonderwijs Saint Charles ingericht. De Delchay-school werd geleid door de zusters Annunciaden. Van hier ging men naar de mis in de parochiekerk via de naamtoepasselijke  ‘Chemin des Soeurs’. Om die reden heet de hoeve nog altijd ‘l’école’.

Nodebais – Ferme Delchay ‘l’Ecole’

Max Van der Linden

De oude hoeve is het geboortehuis van de internationaal erkende keramiekkunstenaar Max Van der Linden. Hij woonde en werkte er van 1922 tot aan zijn overlijden in 1999. Hij moet een uiterst vriendelijk en kleurrijke mens geweest zijn die zich vooral toelegde op religieuze kleurrijke keramiek. Zijn thema’s zijn de muziek, eenzaamheid en dood en hij inspireerde zich op het dagelijkse boerenleven in zijn dorp en de primitieve kunst. Zijn werk kan je op veel plaatsen in het dorp nog zien (in de kerk, het nabijgelegen grafkapelletje, het oorlogsmonument aan de vijver, aan vele huizen in het dorp en op evenzoveel kapellen en andere plekken in de omgeving.

Over de kunstenaar, vind je van alles (zijn persoon en werk, vrienden, les Fetes de la Saint-Martin, de VZW met zijn naam) op de aan hem gewijde website http://www.maxvanderlinden.be/. Daar staat wel al een paar jaar op dat zijn werken pas weer aan het publiek getoond zullen worden als men een goede expositieruimte gevonden heeft in het dorp. Die website is vanwege ‘hacking’ niet meer bijgewerkt maar inderdaad waren tot 2015 zijn atelier en werken nog op de hoeve te zien. Maar sindsdien is de hoeve verbouwd tot privé-appartementen waarin nog lang en naar ik denk nog steeds leden van de familie wonen. Een van hen, Stéphane Terlinden (neef van Max) is bekend door zijn prachtige keramieken en schilderijen. Let op de naamsverandering: Stéphane is de zoon van de zuster van Max. Die zuster huwde een echtgenoot met de naam Terlinden (van het kasteel in Nethen-Savenel) en zo gaan de namen Van der Linden en Terlinden harmonisch samen.

Zijn werken zijn sindsdien niet meer tentoongesteld in Nodebais, behalve dan in La petite Chapelle Gosin, maar in L’Eglise Saint Martin in Tourinnes – la Grosse wat betreft het sacrale werk en in het vroegere gemeentehuis van Beauvechain in la Salle du Vert Galant met de meer wereldlijke stukken. Zijn werken zijn zouden ook te zien zijn in het universitaire museum in Louvain-la-Neuve.

Nodebais – la Ferme d’Agbiermont – mooi of niet mooi – altijd even stevig

Ter nagedachtenis worden sinds 2015 ook ieder jaar in maart in Beauvechain het internationale Max Van der Linden muziekfestival georganiseerd

La Petite Chapelle Gosin

Helemaal aan het einde van de dorp Nodebais in Waals Brabant stuit je op de grens met de militaire luchthaven van Beauvechain aan het achterhek van het domein van d’Agbiermont op de Chemin de la Petite Chapelle op een allerliefst kapelletje waarvan de deur (bijna) altijd open is en dat helemaal versierd is met keramiekwerk.  De kapel is gewijd aan Onze-Lieve-Vrouw van Goede Bijstand, en beter bekend als de Gosin-kapel. De afbeeldingen bracht Max Van der Linden aan tussen 1950 en -65 en allemaal samen vertellen ze het verhaal van zijn overgrootmoeder Marie-Thérèse.

Wie zich verwondert dat dit kwetsbare kapelletje altijd open, staat mag bedenken dat het ferm bewaakt wordt. Het personeel van de First Wing Bevekom zorgt voor het onderhoud en het schilderwerk en om die reden staat hun insigne op de zijkant (audeo aciem = ik durf te vechten, Tacitus).

Aan beide zijden van de ingang vertellen mozaïeken je “dat in 1831 op de ferme d’Agbiermont in Nodebais, Jean Charles Gosin en zijn echtgenote hun eerste kindje verwachten. Zij doen een gelofte aan Onze Lieve-Vrouw dat zij deze kapel zullen bouwen ter erkenning van deze heuglijke gebeurtenis. Op 2 oktober komt een klein meisje ter wereld met de naam Marie Thérèse. Maar helaas, kort na de viering van deze geboorte, luiden de klokken voor de jonge moeder die door God wordt teruggeroepen. Men besluit om de kapel te bouwen maar kort daarna verlaat de vader op zijn beurt deze wereld en laat zijn kind als wees achter.

Nodebais – kapel Gosin

In 1836 legt de kleine Marie Thérese Gosin op 5-jarige leeftijd de eerste steen van deze kapel, zoals beloofd aan de koningin van de Hemel door haar ouders bij haar geboorte. Zoals we al zagen huwt zij in 1849 met kasteelheer baon Maximilien Michaux

Zij overlijdt in 1907 en laat ons deze kapel na die haar naam draagt. De benedictijner monniken die sinds de Franse revolutie verblijven op de ferme d’Agbiermont hebben deel aan de bloei op deze plaats van de cultus van Onze Lieve-Vrouw van Goede Bijstand.

Iedereen in Nodebais zal je vertellen dat Marie Thérèse Gosin de overgrootmoeder is van de verteller van dit verhaal en de maker van de mozaïeken.

En dat blijkt nog waar te zijn ook als we weten dat zijn vader Ernest een zoon is van Caroline Michaux die op haar beurt de dochter is van Ernestine Gosin. In die stamboom komt de naam Marie-Thérèse echter maar eenmaal voor als de naam van de moeder en dus niet de overgrootmoeder van de kunstenaar. Maar ondertussen kreeg ik van een aandachtige lezer een doodsprentje toegestuurd en daar staat op te lezen dat Ernestine Gosin in werkelijkheid Marie Thérèse Caroline Gosin heet en met deze kennis lijkt dit raadsel opgelost, waarvoor grote dank. Om de afstamming helemaal rond te krijgen moet je weten dat Max Van der Linden de zoon is van Ernest Van der Linden die op zijn beurt de zoon is van Caroline Michaux. Caroline is de dochter van Ernestine Gosin die op een doodsprentje Marie Thérèse Caroline Gosin genoemd wordt (en zij is dus gehuwd met Baron Maximilien Michaux).

Nodebais (Beauvechain) – kapel Gosin

Nodebais – Gosin – doodsprentje Marie Thérèse – oude foto


La Verte Voie, de vijver in het dorp

Vanaf de kapel en het monumentale achterhek van het Château d’Agbiermont volg ik de kasseien van de Chemin de la Petite Chapelle onderlangs het bosrijke kasteeldomein. Heel in de verte zie je de Chaussée de Namur en op de weiden grazen de koeien langs het begin van de Nodebais zou kunnen zijn maar hier een greppel is. Jammer genoeg zijn langs deze weg de majestueuze en schaduwgevende populieren allemaal gekapt. Je ziet de stronken nog staan en ik zou willen dat er nieuwe exemplaren zouden worden aangeplant maar de boer lijkt dat niet van plan te zijn. Bij wijze van schrale troost kan je op de zanderige helling dichtbij de kapel in de zomer het mooie zeldzame blauwe zandblauwtje aantreffen als je het verschil weet met de al even blauwe maar helemaal niet zeldzame beemdkroon die hier welig groeit.

Onderweg naar het dorp kom ik een groot bord  ‘la Verte Voie’ tegen. Op weg op Franstalige wandelpaden stuit ik dikwijls op die uitdrukking en aangezien mijn vrienden natuurgidsen me niet kunnen vertellen wat hier achter steekt heb ik het zelf maar eens opgezocht. Op de website http://www.vertevoie.be/ lees ik het volgende: « La Verte Voie est une équipe de professionnels indépendants ayant comme objectif commun l’aide à l’enfant/adolescent en difficulté et à sa famille …. Cet Espace Pluridisciplinaire a la volonté de collaborer étroitement avec les structures scolaires et médicales avoisinantes et lie, depuis sa création en 2006, des contacts avec les écoles, les centres psycho-médico-sociaux, les pédiatres et neuro-pédiatres de la région ainsi qu’avec les thérapeutes extérieurs. »

nodebais – Une mosaïque orne le muret del’ancienne maison communale(AU N°7 DE LA PLACE). Elle a étéréalisée en 1995 par les enfantsde l’école, dans le cadre d’unatelier avec le sculpteur ClaudeRahir, que vous découvrirez aufil de la promenade.

Op die website kan je alle contactadressen en activiteiten vinden en lees je ook dat er in Nodebais een consultatiebureau is aan de Rue de L’Etang in of naast het schooltje.

Daarmee ben ik terug aan de vijver. Die werd in het begin van de 19de eeuw uitgegraven om de molen van water te voorzien. Daarover ga ik het nog hebben maar eerst blijf ik even onder de prachtige platanen staan op het dorpsplein langs het water. Vanaf het bankje kan je de reiger bewonderen die er bijna altijd is en enkele meters verder is een echte Barbecue plek voor wie van het dorp is. Zoals in ieder dorp staat op het pleintje ook het oorlogsmonument maar in Nodebais is die sombere zuil gedecoreerd door Max Van der Linden en dat geeft hem een aparte allure.

Het is absoluut de moeite om rond de vijver te wandelen want aan de overzijde zijn er enkele heel mooie kunstenaarswoningen. Naast het schooltje staat opnieuw een kleine kapel. Het is een nogal onopvallend sober bakstenen neo-gotisch gebouwtje, gewijd aan Notre Dame de Lourdes en gebouwd in 1910. Jammer genoeg is het altijd gesloten en kan je nauwelijks de door Max Van der Linden gedecoreerde binnenkant zien.

Nodebais – de vijver – het vroegere reservoir voor de watermolen

De watermolen Le Doyen en de Ferme de la Brasserie

De vijver is er nog maar de molen maalt niet meer. Tussen de beiden ligt de boogbrug, gebouwd in de 19de eeuw en aan beide kanten een steen in gobertange met de naam van de brug (J.P.Doyen) en van de beek. In ‘Molenechos’ lees ik dat de Moulin Le Doyen in 1802 gebouwd werd bovenop de Nodebeek in een langwerpig gebouwtje aan de Rue de l’Etang.Met een verrekijker lees je de inscriptie op de steen in de gevel van het onopvallende gebouwtje: SIMON JOSEPH – LE DOYEN – FIT LA FOLIE – EN 1802. Mijn Franstalige vrienden kunnen me niet vertellen of de molenaar hier nu touw maakte of dwaasheden uithaalde. Ergens lees ik dat hij altijd een goed humeur had en de wapenspreuk leverde voor de in 1976 geproclameerde “République royale libre d’Oultre Nodebais”: “laten we lachen nu het nog kan”. De molen diende om graan en draft (gerst?) te malen; rond 1870 zijn er één waterrad en twee steenkoppels en staat naast de molen een brouwerij met twee stoommachines met elk een vermogen van 10 PK. Rad en binnenwerk zijn verwijderd en het geheel ziet er een beetje treurig uit.

Dat laatste kan je niet zeggen van de mooie en opvallend grote witte vierkantshoeve naast de molen die nog echt een boerderij is. In het erfgoeddossier lees ik (met een uitvoerige beschrijving) dat dit de 18de/19de eeuwse ‘Ferme de la Brasserie’ is.

 Zo’n brouwerij hoort uiteraard bij elke watermolen en werd hier ook samen met de molen in 1802 neergezet. Overal in ons land gaan die oude brouwerijen samen met de molens  weer open maar in Nodebais heb ik nog geen geluiden in die richting opgevangen.

Nodebais – alles wat er nog over is van de watermolen Doyen

Het elegante neoklassieke herenhuis met schilddak aan de overkant op nummer 12 tegenover de kerk was vroeger het woongebouw van een boerderij. Het erfgoeddossier vertelt dat de voorgevel symmetrisch opgetrokken is rond de centrale as van de ingang. In de tegel boven de deur zijn een origineel motief – een bijenkorf – en een inscriptie gehouwen met de naam van de opdrachtgever en de datum waarop het gebouw werd opgericht: ˝SIMON DOYEN / ANNO 1831˝. De familie Doyen deed kennelijk niet alleen in bier maar ook in honing tenzij die bijenkorf een andere betekenis heeft die ik nog niet ken. In hun tijd moeten de Doyens een invloedrijke familie geweest zijn in Nodebais maar zijn er nog nazaten die hier wonen en er meer over kunnen vertellen?

Nodebais – herenhuis, in 1831 gebouwd door SIMON DOYEN – Rue de l’Etang 12 – eertijds de herberg van een boerderij

Het kleine Sint Waltrudis kerkje met pastorie, kapel en kerkhof

Ik vind het jammer dat alle gebouwen in deze omgeving zo dicht en ontoegankelijk zijn want het straatje met de pastorie, de kerk, et kapelletje en het kerhof is echt van de meest charmante plekken in het dorp. De pastorie in witgekalkte baksteen en gobertange dateert uit het einde van de 17de eeuw en is sindsdien door de elkaar opvolgende pastoors telkens vergroot, verhoogd en uitgebreid en de details daarover lees je ook in het erfgoeddossier.

Vlak daarnaast en daarachter staan de neoklassieke Sint Waldetrudiskerk (opgericht in 1837 door architect Antoine Moreau, voor een beschrijving zie het erfgoeddossier). Anders dan l’Eglise de Saint Martin in Tourinnes-la-Grosse is de kerk geen ‘eglise ouverte’ en zijn de deuren dus gesloten tenzij er een plechtigheid is.

Daarentegen is het neogotische kapelletje aan de ingang van het ommuurde kerkhof wel open, toch om er binnen te kijken want zo groot is het niet. Het is rond 1900 in witte steen gebouwd door de familie Van der Linden. Aan de binnenzijde is het in onze tijd versierd door Max Van der Linden en zijn ook twee stenen aangebracht met de namen van de voornaamste familieleden.

Als de zon er op schijnt is het grote witte kruisbeeld juist voorbij de pastorie heel fotogeniek. Het werd in 1930 door de dankbare parochieleden aan hun pastoor aangeboden (en dat staat er ook op) en stond lang achter de muur van het kerkhof een beetje verscholen tussen het groen.  Sinds wanneer het naar de straat verplaatst is weet ik niet maar je kan het niet missen op je wandeling.

Nodebais – De Sint Waltrudiskerk en de pastorie

Ferme des Vignes

Nog even verder kom je kruising tussen de Rue Draye en de Chemin de la Justice.

Als je hier links gaat naar de Rue Draye kom je op je linkerhant langs de achterzijde van een zeer mooi huis met een tuin als van een klein park en een wandelpad geflankeerd met knotwilgen dat je terugvoert naar de dorpsvijver, absoluut de moeite waard!

Als je rechts gaat naar de Chemin de la Justice kom je eerst op de hoek de indrukwekkende witgekalkte vierkantshoeve ‘Des Vignes’ tegen. De deuren zijn altijd potdicht en ik denk niet dat het nog een boerderij is maar het huis met zijn opvallend grote schuur dateert uit het midden van de 18de eeuw. Het erfgoeddossier geeft een omvangrijke beschrijving maar vertelt niets over de aanwezigheid van wijngaarden in deze omgeving die er toch moeten geweest zijn.  Ik zie hier nergens wijnstruiken maar met een beetje zoeken ontdek ik de je dichtstbijzijnde wijngaard zou moeten kunnen vinden op de – hoe kan het anders –  Ferme d’Agbiermont waar Pierre Van der Linden al enkele jaren een droge witte wijn ‘Fonds des Loups’ (Rivaner, Pinot Auxerrois) bottelt. Afhankelijk van het jaar levert de oogst 1000 tot 2000 flessen op en “alles gebeurt op de boerderij: druiventeelt, oogst, bottelen en rechtstreekse verkoop. U kunt de wijn ook drinken in de Relais-Saint Martin (Tourinnes-la-Grosse) en hij is in depot in de Ferme de la Chise (Beauvechain) en de Ferme Evrard (Nodebais).” Dat is dus alweer een goede reden om Nodebais een bezoekje te brengen wanneer je in de buurt bent.

Nodebais – ferme des Vignes

De veldweg brengt je naar een splitsing waar ooit de gerechtsboom zou kunnen hebben gestaan maar omdat oude en nieuwe kaarten er niets over zeggen gaan we hier rechtsaf en komen dan via een andere veldweg zowat uit op de bocht tussen de Rue de Tourinnes en de Rue du Grand Brou.

La Réserve Naturelle Domaniale Le Grand Brou en het bassin d’orage

Hier moet je opnieuw naar rechts over een veldweg die zelfs voor niet-kenners de bedding is van de oude buurtspoorweg ofwel de Vicinal tussen Hamme-Mille en Beauvechain, bij uitbreiding tussen Tervuren en Tienen/Jodoigne. Over die buurtspoorweg kan je alles lezen op een andere plaats. In deze reportage richt ik mijn schijnwerper alleen even op het voormalige tramstation in Nodebais.

Voordat we daar zijn nemen we even kijkje in enkele opmerkelijk plaatselijke natuurprestaties. Vlak voordat je aan de achterkant van de grote camping komt sla je een onopvallend paadje in en dan sta je plotseling in het 8 ha grote natuurgebiedje ‘Le Grand Brou’ aan een houten kijkwand met zicht op een kleine vijver omgeven met een overvloed van plantengroei.

Je bent hier zowat op de plek waar de Nodebeek (Ruisseau de Nodebais) stroomafwaarts van de watermolen Le Doyen in de moerassige vlakte aankomt en met kleine waterstroompjes via de Ruisseau de Nethen naar de Dijle afwatert. Het slib dat de beek hier door de jaren heen afzet zorgt volgens mijn bronnen voor »une mosaïque de milieux intéressants (prairies humides, plans d’eau, roselières, fourrés, saulaies, etc.) riches d’un point de vue botanique et faunistique.

Nodebais – le Grand Brou – zicht over het water op de kijkwand

L’endroit est surtout connu pour son avifaune très diversifiée, notamment durant les migrations qui sont suivies par une station de baguage». Om die reden is dit stukje natuur dan ook sinds 2002 als ‘Réserve Naturelle Domaniale’ beschermd. Vogels komen hier zeker aan hun trekken – er zijn al meer dan 100 soorten waargenomen – en regelmatig zijn er acties om ze te ‘ringen’.

De begroeiing vind ik echter wel mooi maar veel te uitbundig om goed te zijn. Zo te zien aan de vele brandnetels, balsemienen en andere woekerplanten is dit het soort ruigte dat je krijgt als gevolg van een overdaad van voedingstoffen in het water. De nabijheid van het dorp, de camping, akkers en een er vlak naast gelegen recent wel opgeheven boomkwekerij zal daar wel de historische oorzaak van zijn. Vlak ernaast is ook nog een heel groot wachtbekken wat er op wijst dat de omgeving bij tijd en wijle wel eens helemaal onder water kan komen te staan zoals dat overal in onze streken het geval is waar beken aankomen op andere beken of op ‘flessenhalzen’.

Het in 1998 gegraven ‘bassin d’orage’ tegenover het natuurreservaat heeft een oppervlakte van maar liefst 85.305 vierkante meter en is een van de drie op het grondgebied van Beauvechain. Wat ik er interessant aan vind is dat het zo is aangelegd dat het is ingericht als een natuurlijke plek met rietvelden en niet als een kale betonnen bak en op die manier sluit het volkomen aan op het natuurreservaatje zelf. Het water moet tamelijk zuiver zijn want er komen allerlei soorten vogels voor waaronder de ijsvogel en er is ook een ‘station de baguage’ gevestigd om vogels te vangen om ze te kunnen ‘ringen’ en daarna weer vrij te laten.

Nodebais – zicht op het bassin d’Orage an de vroegere trambedding

Blijkbaar zal men in de toekomst nog meer van dergelijke systemen nodig hebben want ik lees dat ondanks de optimistische verwachtingen er toch nog altijd overstromingen voorkomen, bijvoorbeeld in Hamme-Mille en over de oevers van de Ruisseau de Néthen en de Mille. Maar als je de kaart erbij pakt zie je ook wel dat er op veel plaatsen de beken tot rechte goten herleid zijn en  de huizen veel te dicht langs het water zijn gebouwd en er lijken er altijd nog bij te komen. Als je dat combineert met de heftiger neerslag als gevolg van de klimatologische verandering dan lijken de problemen me alleen oplosbaar door meer water-ruimte te maken in de vallei maar dat valt buiten het bestek van dit verhaal.

Het station van buurtram Zwarte Jean

Van buurttramstation Nodebais vind ik nauwelijks oude foto’s. Ik vind dat merkwaardig want na het grote station in Sint Joris Weert is dat van Nodebais volgens mij het mooiste in zijn soort. Ik vind er ook weinig informatie over. Op pagina 99 van het boek van René Hallet zie je een spoorauto AR 185 in dit Nodebais en daar wordt terloops aan toegevoegd dat dit station waterbevoorrading had. In het boek van Marc Deconinck staat op p.109 en 110 een foto van de Rue de la Station en het stationsgebouw zelf. Het station « comportait, outre l’habitation dont jouissaient le préposé et sa famille, une salle d’attente qui servait également de café ainsi qu’un magasin-entrepôt où étaient stockés matériels ferroviares et marchandises. A l’époque du tramway à vapeur, la présence à proximité de la gare, comme c’était le cas à Nodebais, d’un réservoir d’eau conférait à celle-ci une relative importance ». De stationsstraat, tegenwoordig de Rue de la Liberté ziet er op de oude foto heel wat drukker uit dan tegenwoordig en op het witte huis tegenover het station – met de merkwaardige gevelsteen – staat de vermelding ‘Delhaise et Cie’.

Nodebais – station

Het stationsgebouw staat in het verlengde van de Chemin des Prés, de straat gaat nog even verder tussen de bomen en loopt dan onverbiddellijk dood op een altijd groene haag van de privétuin die over de spoorbedding is aangelegd. Om naar het allercharmantste stationnetje van Tourinnes-la-Grosse te komen moet je een beetje omlopen en van hier tot in La Bruyère is de bedding nergens meer rechtstreeks te volgen maar gelukkig nog wel via een mooi wandelparcours. Sinds 2006 is het gebouw ‘inscrit comme monument’  en dat verdient het ook ten volle. Ik ben er nog niet binnen geweest maar ik weet dat de eigenaar van het ernaast gelegen Aquiflor ook de eigenaar is van het nu als woonhuis ingerichte station en het is werkelijk onberispelijk gerestaureerd. Het moet een tijdlang helemaal wit geschilderd zijn maar al die kleur is er weer af en de bakstenen en opschriften zijn weer zichtbaar gemaakt zoals in de tijd dat het voor Zwarte Jean dienst deed. Ook het houtwerk aan de gevel en de dakgoten zien er als nieuw uit in de originele staat. Alleen staan er op de oude foto geen bomen en die zijn er nu wel en zelfs in indrukwekkende omvang. Wie hier woont moet wel een echte liefhebber zijn! Ik denk dat ik nog wel eens zal durven aanbellen om er meer over te weten te komen. Ik heb in elk geval al gehoord dat het gebouw neergezet is boven op een bron met heel zuiver water dus ik vermoed dat de vestiging van de handelszaak op deze plek niet toevallig is.

Van hier keer ik terug naar het dorpscentrum via de Le Petit Champ en de Chemin des Prés en onderweg kom ik zowaar nog een kapelletje van Max Van der Linden tegen. Maar daarmee kom ik dan toch onherroepelijk aan het einde van deze verkenning. Op de bijgevoegde kaart heb ik alle plekken aangeduid waar ik ben langsgegaan.

Nodebais – kaart OSM met aanduidingen

++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

http://www.beauvechain.eu/ma-commune/presentation/les-localites/nodebais

‘biens inscrit comme monument’ in Nodebais : (zowat alle in deze tekst genoemde gebouwen kan je hier vinden en daarom heb ik ze niet allemaal apart nog eens opgegeven):

http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/recherche/recherche

Over Claude Rahir :  http://www.clauderahir.be/  (La galerie planétaire de Claude Rahir)

Over Lucienne Camus : https://tourinnes.be/parcours/lucienne-camus-6/

Over de ferme evrard: http://ferme-evrard.be/

https://www.lesoir.be/art/republique-royale-d-oultre-nodebay-rire-pendant-qu-il-e_t-19910118-Z03HXP.html

http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/fiche/index?codeInt=25005-INV-0055-02 (château en ferme d’Agbiermont)

http://www.maxvanderlinden.org/fr/main.php?idban=2&idprinc=10

http://gw.geneanet.org/lard?lang=fr&pz=jean+charles&nz=terlinden&ocz=0&p=maximilien&n=van+der+linden

Max van der Linden – Tourinnes.be

tourinnes.be › parcours › max-van-…

https://www.lavenir.net/cnt/dmf20130724_00339335

Le « Fond des loups », cru de Nodebais – Lavenir.net

www.lavenir.net › cnt › dmf201307…

https://www.destinationbw.be/nl/ontdekken/de-terroir/wijnen-en-sterkedranken/

www.molenechos.org/molen.php?AdvSearch=6399.

http://biodiversite.wallonie.be/fr/1770-le-grand-brou.html?IDD=251660948&IDC=1881

https://www.rtbf.be/info/regions/brabant-wallon/detail_beauvechain-le-martin-pecheur-se-plait-dans-le-bassin-d-orage-de-nodebais?id=9683760

Nodebais – het schooltje

https://www.lesoir.be/art/beauvechain-le-deuxieme-des-trois-bassins-d-orage-domes_t-20010602-Z0KJE5.html

https://www.rtbf.be/info/regions/brabant-wallon/detail_beauvechain-le-martin-pecheur-se-plait-dans-le-bassin-d-orage-de-nodebais?id=9683760

https://www.dhnet.be/archive/beauvechain-presque-sauvee-des-eaux-51b86a63e4b0de6db9a4e883 – Beauvechain presque sauvée des eaux

https://www.dhnet.be/regions/brabant/beauvechain-on-en-a-marre-des-inondations-5838a7b8cd7035613076c380

http://www.hesbayebrabanconne.be/sites/default/files/b4_promenade_de_nodebay.pdf

Nodebais – aan de school kom je deze tegen

Trefwoorden: nodebais, beauvechain, d’agbiermont, van der linden, rahir, doyen, watermolen, grand brou, station, vicinal, erfgoed, geschiedenis,

DE VALLEI VAN DE PIETREBAIS TUSSEN CHAPELLE SAINT LAURENT EN COCROU

Uitgelicht

Van het Bois de Beausart naar Cocrou

Gottechain – Bois de Beausart – Rue de Linsmeau

Vanuit Gottechain ga je heel gemakkelijk en snel naar het zuiden naar de Ruisseau de Piétrebais, Cocrou  en het dorp waar de beek zijn naam aan ontleent. Op voorwaarde natuurlijk dat je weet hoe je door het privé-ontoegankelijke Bois de Beausart komt.

Voor voetgangers is er maar één redelijke manier. Vanaf de Ferme de Linsmeau aan de Rue de Linsmeau stap je de toegangsweg af tot aan de Chaussée de Jodoigne. Dat is een hele mooie bosweg die wel wat ontsierd wordt door het overbodig groot aantal borden met ‘entrée interdit’ in de kanten en klaarstaande jachtstoelen voor als je toch de (on)wil van de eigenaar(s) zou trotseren. Het Bois de Beausart is opgenomen in de lijst van Waalse sites ‘de grand intérêt biologique’.

In de beschrijving lees je:  » Le Bois de Beausart est un massif forestier de bonne taille occupant le versant nord de la vallée du ruisseau de Piétrebais, dans le Brabant sablo-limoneux. Il est caractérisé par d’importants affleurements de sables du Bruxellien. Les boisements sont constitués de belles chênaies-hêtraies acidophiles, principalement situées sur les versants, d’éléments d’aulnaies-frênaies alluviales, notamment dans le fond de vallée du Piétrebais, ainsi que d’importantes plantations de pins noirs et de pins sylvestres, essentiellement sur les plateaux sableux. On observe également quelques plantations de chênes rouges, de vieilles chênaies acidophiles, des fourrés de Prunus serotina ainsi que des boisements secondarisés de frênes. » De geschiedenis van het bos is nauw verbonden met die van de chateau-ferme de Beausart (zie de link naar de beschermingsfiche). Het bos is naast gepriviligieerd jachtterrein duidelijk in gebruik voor de productie van hout maar ik denk niet dat je die dikke stammen zou willen stelen hoewel ze wel uitnodigend klaarliggen. Het bos is ongeveer 140 hectare groot en wordt doorsneden door de Chaussée de Jodoigne. Op het internet vind ik nogal wat aankondigingen dat delen van het bos gesloten worden bij heftige storm.

Bois de Linsmeau – Bois de Beausart et Domaine Vignoble de Lowas

Het Bois de Beausart tussen Gottechain en Biez. De weg vanaf de Ferme de Linsmeau is vlak door het landschap gegraven maar aan de rechterkant zie ik ferme hellingen of ravijnen. Aan de linkerkant (oost) is in het bos verborgen nog een diep dal maar zover ik kan zien op de kaart gaat er geen water door of toch niet veel en niet altijd. Daarvoor moet je juist ten oosten van het kasteel zijn: daar ontspringt de Ruisseau Beausart die na een kort traject evenwijdig aan en ten zuiden van de Chaussée de Jodoigne in het dal met een diepe kloof op de Piétrebais uitmondt. Op de kaart heet die bosweg tussen de Ferme de Linsmeau en de Chaussée de Jodoigne de Rue Bruyères Marion maar wie die heer of dame was weet ik nog niet. Op de webpagina van de PCDN (Plan Communal de Dévelopement de la Nature) van Grez-Doiceau lees ik dat in de oude tijd grote delen van het brabants plateau gekoloniseerd waren door heide: “Bruyère Marion sous le Bois de Beausart, par exemple. La carte de Ferraris (1771-1778), nous montre que sous l’Ancien Régime, l’ensemble du versant qu’occupe le village de Hèze était une lande à bruyère. Il y a probablement un lien à établir avec la petite dimension de certaines anciennes fermettes du village, autrefois propriétés de paysans pauvres ou de manouvriers qui possédaient une vache ou quelques moutons promenés sur ces maigres pâturages. A Biez aussi, la lande occupait l’ensemble du versant sud de la butte. « Door de opkomst van moderne landbouwmethoden, de bosbouw (onder meer voor de steenkoolmijnen) en – meer recent en nog altijd toenemend – de verkavelingen is er van heide niets meer te bespeuren. Het Bois de Beausart is op de oude kaarten toch in zijn volle omvang aanwezig dus het zeker een zogenoemd ‘oud bos’. Langs de veldweg kom ik nog een oude helemaal volgegroeide kleine zandgroeve tegen. Vanhier steek ik de Chaussée de Jodoigne over richting (de) Piétrebais.

Domaine de Lowas en Chapelle St Sébastien en het bois de Cocrou

Cocrou – la Chapelle Saint Sébastien

Van Gottechain naar Piétrebais. Eenmaal door het Bois de Beausart ga ik verder langs de kasseien van de Rue de Linsmeau (Rue Buyère Marion). Sinds gisteren weet ik dat de wijnstokken op de helling toebehoren aan de Vignes du Domaine des Lowas. Om te weten hoe de wijngaard aan die naam komt en om de wijn te proeven zal ik er nog een bezoek moeten brengen maar ik ontdek toch al dat op de Ferrariskaart van 1777 heel deze helling de naam draagt van ‘Bois de Vignoble’ dus dat belooft veel goeds. Ik steek de Chaussée de Jodoigne snel en voorzichtig over, ga over de brug over het riviertje ‘Le Piétrebais’ en zoek en vindt een beetje verscholen tussen de huizen van Cocrou de kapel Saint Sébastien. De naam Cocrou komt van ‘Coqueroux’ en dat gaat terug tot in de twaalfde eeuw toen een familie Cokerul hier de gronden bezaten. Het gehucht is deel van het dorpje Biez en samen zijn ze allebei sinds 1977 deel van Gréz-Doiceau. De geschiedenis van Cocrou is nauw verbonden met die van Biez. De kerk van Biez is gewijd aan Saint-Martin, de Chapelle de Coqueroux heeft Saint Sébastien als patroonheilige. Op de gevel aan de oostzijde staat het jaar 1730 als oprichtingsdatum maar de fundamenten zijn waarschijnlijk veel ouder. Ik ben er nog niet binnengeweest maar er zouden keramiekwerken van Max van der Linden moeten zijn. In de zijgevel is een steen ingemetseld ter nagedachtenis van Jules Roberti De Winghe die leefde van 1887-1961 en de kapel heeft laten restaureren. De familie Roberti De Winghe is de eigenaar van de Ferme Château de Beausart. De gele bloemen zijn mooi maar het is jammer dat er zo’n lelijke lantaarnpaal voor staat en dat terwijl er een hele mooie lantaarn aan de kapel hangt waar de maan doorheen schijnt terwijl ik daar sta. Sint-Sebastiaan is de beschermheilige van onder andere de (boog-)schutters, soldaten, jagers, steenhouwers, tuiniers, kleermakers en brandweerlieden. Verder was hij een van de zes pestheiligen, kinderen kregen zijn naam om pest, lepra, zweren en andere ziektes af te weren. Zijn naamdag is 20 januari, de dag waarop hij als martelaar stierf in het jaar 288. Waarom men in Cocrou speciaal voor hem gekozen heeft weet ik nog niet maar het zeker nuttig om een heilige te hebben die van veel markten thuis is, ook al omdat de geschiedenis van Biez nogal woelig is. Van hier ga ik naar het Bois de Cocrou.

Cocrou-Biez – Chavée de la Sarte

Vanaf de Chapelle Saint Sébastien in Cocrou is het maar enkele tientallen meters stappen naar de grotendeels holle weg ‘Chavée de la Sarte’ die door het Bois de Cocrou gaat. Het woord ‘Chavée staat behalve voor ‘steegje’ voor zoiets als ‘afgekrabd’, ‘uitgegraven’ of ‘uitgehold’ en het woord ‘sarte’ betekent dat de bomen gerooid zijn dus dat er eigenlijk geen bos meer is. Op veel plaatsen kom je langs oude kleine zandgroeves dus dat klopt wel. Als je kijkt op oude kaarten zoals die van Villaret (1745) en Ferraris (1777) zie je dat er wel bos is maar (nog) minder dan vandaag. Of er in die oude tijd nog heide is kan ik niet zien, tegenwoordig is het bos omgeven met grasland en uitgestrekte akkers. Het is een hele oude weg en als je  helemaal tot aan het einde stapt kom je op nr.16 uit aan een erfgoedkapelletje uit de 19de eeuw vlak bij ‘La Ferme de la Sarte in Biez maar zover gaan we nog niet. Het Bois de Cocrou vind ik terug op de Waalse lijst van ‘Sites de Grand Intérêt Biologique (SGIB)’ met de volgende beschrijving: « Le Bois de Cocrou occupe une colline sableuse, située entre les hameaux de Cocrou et de Petit-Sart, limitée au nord par le vaste méandre du ruisseau de Piétrebais, et au sud par le plateau limoneux de Longueville. Ce bois est constituée de plantations de pins sylvestres et de pins noirs, pures ou mélangées de feuillus, de chênaies et chênaies-boulaies acidophiles, de boulaies de recolonisation et de plantations de mélèzes. On y observe également plusieurs chemins creux (chavée de la Sarte, rue de Renival), bordés de micro-falaises, ainsi que deux clairières herbeuses. Au niveau de la partie nord de la Chavée de la Sarte, présence d’un ancien front de taille d’une exploitation de sable, recolonisée par les ligneux. » Het is een heel mooi schaduwrijk bos maar ik denk dat de bescherming vooral nuttig is om historische redenen en om de bewoonde wereld op afstand te houden want je komt toch wel veel nieuwe huizen tegen.

La Ferme-bio du Petit Sart

Van hier ga je vlak langs de grote en sympathieke bioboerderij ‘du Petit Sart’. In het dal van de Piétrebais kan je er ter hoogte van Cocrou niet naast kijken: aan veel velden en akkers staat een bord met “je cultive bio – Ferme du Petit Sart”. En jawel, op mijn tocht door het Bois de Coucrou langs de Chavée de la Sarte kom ik – onverwacht – de hoeve tegen, een flink uit de kluiten gewassen bio-boerderij. Soortgelijke hoeves kom ik deze streek dikwijls tegen. Als ik mis ben hoor ik het graag maar ik denk dat op het vlak van duurzame ecologische landbouw Wallonië toch wel heel wat verder gevorderd is dan weerspannig Vlaanderen met zijn almachtige Boerenbond vastgepind op de  agro-business. Van buitenaf zie ik niet veel bijzonders: houten gebouwen, machines, hooibalen, een infobord met ‘Jardin Vivant’ en een reeks opvallende bloemen.

Biez-Cocrou – la Ferme bio du Petit Sart

Vriendelijk is het duidelijk wel want aan de boom hangt een bord dat je toestemming geeft om over de privéweg te gaan (dat klinkt wel leuker dan in het Bois de Beausart!) maar ze vragen wel om je hond aan de lijn te houden want de kippen zijn niet geconfineerd en lopen dus los.  Terug thuis ontdek ik op het internet onmiddellijk dat het hier gaat om een hypermoderne energiezuinige boerderij die zich richt op de teelt van Franse limousinekoeien, allerlei landbouwgewassen (les grandes cultures)  maar ook op de tuinbouw (des légumes rares et oubliés). De hoeve is het levenswerk van Hubert del Marmol die in 2004 eerst zijn job in de chemische industrie verloor en daarna zijn vader. Hij erfde een 15tal ha grond en besloot de bocht van 360° te maken en als bio-boer te beginnen. Hubert is van opleiding agronoom-ingenieur maar moest zich zonder enige praktijkervaring en met de nodige schade en schande inwerken. Dat is hem en zijn team kennelijk wel gelukt want ondertussen is er ook de stichting Générations Bio (geleid door Carl Vandoorne) bijgekomen voor het aanbieden van educatieve en culturele projecten, krijgt hij nationale en Europese belangstelling en bezoek van leden van de koninklijke familie, haalt regelmatig de kranten en de TV en was in 2018 winnaar van een Waalse prestigieuze ‘Prix pour leDéveloppement Durable’.  Maar tegelijkertijd wordt zijn hoeve blijkbaar bedreigd door de geplande aanleg van een dam op zijn terrein om de rivier te temmen.

Cocrou – la Ferme-bio du Petit Sart. Waar de Limousine-koeien zijn weet ik niet want ik heb er geen gezien of gehoord (ze zouden van die Alpenbellen om hun nek moeten hebben lees ik). Maar het is dan ook erg warm als ik er langs kom en tijd voor mensen en dieren om beschutting te zoeken. Het is er heel stil en op de kalender (‘agenda’) op de website worden geen activiteiten aangekondigd. Ik vermoed dat de Corona-toestand daar ook wel voor iets tussen zit. Aan de rij cardoenplanten zie ik toch onmiddellijk dat het een bijzondere hoeve is. Je kan er via de Fondation Générations Bio en haar project ‘ferme couveuse’ opleidingen volgen en stages doen als tuinder (maraîcher) maar meer dan dat, de hoeve biedt onderdak en ruimte aan jonge groentetelers om het vak van bio-tuinder te leren. Zo kweekt Annick Noiset met haar leerproject ‘Le Jardin Vivant’  sinds drie jaar groenten, fruit en bloemen voor de verkoop-in-korte-keten aan restaurants en particulieren en heeft daarvoor één hectare ter beschikking op de hoeve. Ik weet niet of dit soort zaken in Vlaanderen ook bestaat maar het lijkt mij een fantastisch toekomst-concept voor de duurzame land- en tuinbouw. Op de hoeve zijn ze zich kennelijk bewust van de dringendheid van hun manier van denken en doen. Ik blijf staan bij een infobord en probeer de vellen papier te lezen die er aan hangen.

Biez-Cocrou – la Ferme bio du Petit Sart

Op de foto zie je dat twee er van het verhaal zijn van een jonge moeder (Geneviève Dorval) die in haar vreugde om haar zo gewenste en in 2018 geboren kind in een ‘lettre à mon fils’ (Léon) zich schuldig voelend worstelt met het gegeven dat de mensen van nu het leefmilieu en het klimaat zodanig naar de knoppen hebben geholpen dat er voor haar zoon die ze zo liefheeft geen toekomst meer gaat zijn. Het is een loodzware boodschap maar terwijl ik het lees is het buiten 35°, regent het al lange tijd niet meer en worden in onze steden mondmaskers gedragen om een koppige en gevaarlijke pandemie in te dijken. Ik word er in elk geval even stil van maar ik lees ook de beloften die de moeder doet om dit tij te helpen keren en het derde blad papier dat er naast hangt (zie foto).

Op weg langs de ferme-bio du Petit Sart langs de Chavée de la Sarte tussen Cocrou en Piétrebais. Zoals in veel riviervalleien waar teveel gebouwd is en door de verharding het water te snel wegstroomt, ook al vanwege het rechttrekken van de waterloop, kampt Le Train blijkbaar met periodieke overstromingen. En jawel, in 2018 kondigt Marc Bastin, gedeputeerde van de  Provincie Waals-Brabant de bouw aan van een dijk op het terrein van La Ferme-bio du Petit Sart  van 140 meter lang, 28 meter breed en 5,5 meter hoog om in geval van nood het water van de Piétrebais in een ‘bassin d’orage’ te kunnen bufferen. Op protesten van Hubert del Marmol dat dit het einde is van zowel zijn biohoeve als van de Fondation Générations antwoordt de Député laconiek dat het project in het algemeen belang is en dat hij de plicht heeft om zijn beleid daarop t ebaseren, dat zijn beslissing voortvloeit uit een advies van een door hem samengestelde groep van experten die unaniem beweren dat dit de uitgelezen plek is voor de bouw van het kunstwerk en dat hij zich niet kan bezighouden met de privébelangen van de bioboer.

Zoals de wet voorschrijft wordt echter een publieke onderzoek georganiseerd waarin bezwaren kunnen worden ingebracht. Dit brengt een massamobilisatie op gang met een druk bijgewoonde hoorzitting waarin vooral de inbreng van Jean-Pascal van Ypersele, Professor aan de UCL en ondertussen beroemd klimatoloog opvalt: “Il s’agit ici de faire un barrage qui concerne un affluent du Train qui n’apporte qu’une petite partie de l’eau qui est susceptible d’inonder Grez-Doiceau. Et donc on peut se demander d’abord pourquoi on ne prévoit pas de travaux pour prévenir les débordements du Train lui-même. D’autre part, je crois qu’il y a une sous-estimation des dégâts que ce bassin d’orage causerait aux activités de la ferme. Ce sont parmi les meilleures terres de la ferme qui sont concernées. On sait ce qui se passe quand il y a une inondation, il risque d’y avoir du mazout et d’autres déchets mélangés à l’eau.

Biez-Cocrou – op weg langs Chavée de la Sarte – cardoen

Et si cette eau polluée s’accumule sur les terres, cela risquerait de rendre les terres inutilisables pour une agriculture bio par la suite”. Hij voegt hier aan toe : “On a l’impression que le projet est présenté comme étant à prendre ou à laisser alors que les alternatives n’ont pas été étudiées, présentées, expliquées et discutées démocratiquement”. Maar zijn belangrijkste kritiek vind ik het volgende : “On nous dit que ce projet répond à l’intérêt général alors que la défense de la ferme correspondrait à la défense d’intérêts particuliers. C’est une conception très étroite de la notion d’intérêt général. Moi je suis convaincu que la ferme bio du Petit Sart répond justement au service de l’intérêt général de multiples manières. Et les pouvoirs publics doivent en tenir compte”. Mij valt op dat dit soort projecten in deze streek systematisch voorzien worden in natuurgebieden of terreinen van duurzame landbouw. Dat onderzoek is ondertussen afgesloten en sindsdien wordt het opmerkelijk stil, toch op het internet en in de media. Is het afgevoerd (dat zou publiek nieuws zijn)? Zijn er procedures aan de gang (ik lees iets over ‘advokaten’)? Zint de Provincie op andere mogelijkheden of op een beter tijdstip om het opnieuw te presenteren (dat is gebruikelijk)? Is er een lezer die het wil vertellen? Over mogelijke wateroverlast door de Piétrebais ga ik het nog hebben maar eerst ga ik langs de Chapelle Saint Laurent.

Naar het dorp Piétrebais en Chapelle Saint Laurent

Vanaf de Ferme-Bio Du Petit Sart in Biez stap ik verder rechtdoor totdat ik op de Rue de Grand Sart op een splitsing kom met een veldweg naar links. Neem de kaart er graag even bij want ik volg die veldweg recht naar het noorden totdat ik op de Rue du Beau Frêne aan het riviertje Le Piétrebais kom. Op de brug steek ik de grens tussen Biez (Grez-Doiceau) en Piétrebais (Incourt) over. Ik sla rechtsaf de Rue Marcel Louis in en sta plotseling recht voor een heuse religieuze Grot met de naam La Chapelle Saint Laurent OLV Notre Dame de Lourdes. Op het internet vind ik dat hij daar “in 1927 gebouwd is door de inwoners van Piétrebais als dank dat hun dorp gevrijwaard is gebleven van de bombardementen in W.O.II.” Er is zwaar gevochten in deze streek en de wegen van God zijn ondoorgrondelijk, zeker als het gaat om mirakels,  maar deze info lijkt een mysterie aangezien in dat jaar de Tweede wereldoorlog nog niet begonnen was en de Eerste Wereldoorlog eindigde in 1918. Is er een lezer die hier het fijne van weet? Anders hoop ik op een berichtje van de familie Wauters-Plas die vermeld staat als de toegewijde verzorger van dit mooie kunstwerk. Er is in het dorp zeker nog één andere grot, namelijk aan de kerk en het zou kunnen dat er zelfs nog een derde is maar die weet ik nog niet zijn. Hoeveel van dit soort grotten er in onze streek zijn heb ik geen idee van maar deze is onbetwist de grootste en best verzorgde die ik al tegengekomen ben. Het verwondert me dat ik hem niet als ‘erfgoedmonument’  terugvind op de Waalse lijst van het Cultureel Patrimonium.

Piétrebais – La Chapelle et grotte Saint Laurent

Zoals iedereen weet en ik ook lees in Wikipedia, is “Benadette Soubirous, alias Marie-Bernard van Lourdes (Lourdes, 7 januari 1844 – Nevers, 16 april 1879) een Franse katholieke heilige. De visioenen van Bernadette vormden de aanleiding voor het ontstaan van Lourdes als bedevaartsoord”. Haar naam staat gebeiteld op een steen in deze grot met een oproep tot boetedoening. Op 15 augustus kan je hier de mis bijwonen ter ere van de maagd Maria. Dan branden ongetwijfeld de kaarsen en kan je het Lam Gods bewonderen aan het altaar.

Piétrebais – La Chapelle Saint-Laurent. Vanaf de kapel stap ik verder de Rue Marcel Louis af. Aan de Rue de Procession ga ik links. Dat is een mooi straatje naar de kerk, de pastorie en het kerkhof. Aan de rechterkant zie ik verborgen tussen struiken alweer een mariabeeld in een soort grot. Ik lees dat dit ook al weer een Lourdesgrot is en dat hij daar voor het begin van de Eerste Wereldoorlog zou zijn gebouwd. Recht voor mij staat een mooie poort met een boog waarop aan de rechterkant een grote P staat met een pijl en links een bordje met het woord ‘secret’, een 8 en een prachtige ijzeren trekbel. Iets verder naar rechts kom ik op het pleintje aan L’Eglise Saint Laurent met daartegenover het kerkhof. De strakke neo-klassieke parochie-kerk is beschermd als monument. Hij is gebouwd in 1866 door architect Emile Coulon in opdracht van pastoor Pierre Joseph Simon. Ik kon er niet binnen dus over het interieur kan ik nog niets vertellen.Wat mij echter het meest intrigeert is het enorme burchtachtige poortgebouw dat met een muur links tegen de kerk is aangebouwd. Daarachter zie ik het dak van een huis dat niets anders dan de pastorie kan zijn maar nu dient als woonhuis. De site is beschermd als monument en volgens de beschrijving dateert het gebouw uit de 19de eeuw met een veel oudere kern. De indrukwekkende burchtmuur is blijkbaar namaak want hij wordt omschreven als ‘Porche récent construit avec des matériaux de récupératon variés’. Of de vlag op de muur met al die Brabantse leeuwen en Franse lelies ook bij die namaak hoort weet ik niet. Achter het getraliede versie loert er een ridder in volle wapenuitrusting naar mij en volgens mij is die zeker écht. Ik hoop op een plaatselijke lezer die er méér over kan vertellen. Het kan natuurlijk te maken hebben met het oude maar ingewikkelde en woelige verleden van het dorpje. De naam Piétrebais duikt voor het eerst op in de 11de eeuw als deel van Incourt. Chapelle-Saint-Laurent valt sinds 1217 onder de parochie van Lathuy als deel van Grez maar is onder het ancien régime een zelfstandige heerlijkheid in het kwartier van Brussel van het hertogdom Brabant maar wie de plaatselijke ‘heer’ was weet ik nog niet. Na de Franse invasie werd het dorp als gemeente ingedeeld bij het kanton Grez van het Département de la Dyle. Deze gemeente werd al in 1811 opgeheven en bij Piétrebais gevoegd.

Piétrebais – Chapelle Saint Laurent – de pastorie

Die samenvoeging zorgde heel de 19de eeuw voor problemen tussen de bewoners van beide dorpen met hun verschillende wortels. Die eisen zijn altijd afgewezen en sinds 1977 horen beide tot de fusiegemeente Incourt en ligt de grens met Gréz-Doiceau juist ten westen van de kerk. Saint Laurent is de patroon van de armen en bedienden en van allerlei beroepen, van rechtsgeleerden tot kroegbazen, koekenbakkers en koks. Hij is ook patroon van brandweerlieden en kolenbranders maar om te weten waarom hij altijd wordt afgebeeld met een rooster om vlees te bakken verwijs ik je naar de link over hem onder deze bijdrage want dat is een lang, ingewikkeld en hier en daar pervers grappig verhaal. Ik denk dat ze in Chapelle Saint Laurent voor hem gekozen hebben vanwege zijn krachten om ziekten te genezen zoals huidaandoeningen, reumatiek en de pest, stuk voor stuk zaken die in een riviervallei gemakkelijk voorkomen. Hierna gaan we terug de natuur in.

Via Le Chemin de Hoegaarden naar St.Josept en de Moulin de Beausart

Piétrebais – Chapelle Saint Laurent. Vanaf de kerk stap ik naar het noorden langs een mooie veldweg door het weidse maar zo goed als boomloze en jammer genoeg ook haagloze boerenlandschap. Vlak voordat ik de Chaussée de Jodoigne bereik sla ik bij een enorme linde – een echte bakenboom – linksaf in de richting van de rand van het Bois de Beausart. Op de kaart zie ik dat dit pad de naam draagt van ‘Chemin d’Hoegaarden’. In de verte – terug op het grondgebied van Gréz-Doiceau – zie ik de bosrand. In sommige bomen hangt maretak en er staat ook al weer zo’n jachtstoel. De naam intrigeert me want Hoegaarden is ver van hier maar thuis voor de computer ontdek ik dat het inderdaad gaat om het restant van een heel oude weg tussen Waver, Gréz-Doiceau en Hoegaarden in de tijd dat de doorgangswegen nog niet door de moerassige beekvalleien gingen maar over de droge hoogvlakten. Op de Ferrariskaart van 1771 zie je hem gaan dwars door het Bois de Beausart en in Cocrou aansluiten op de Chaussée de Jodoigne. En jawel, op de Atlas des Voirées Vicinales van 1840 staat het traject helder aangegeven als een officieel geregistreerde weg. Over de ontoegankelijkheid van het privé Bois de Beausart heb ik mij al enkele keren druk gemaakt maar deze Chemin d’Hoegaarden  is dus vandaag de dag een officiële publieke doorgang die de privé-eigenaar niet mag afsluiten. En samen met de Chemin de Linsmeau die ook een historische weg is door dit bos, maar dan aan de noordkant, is de Chemin d’Hoegaarden aan de zuidkant de enige mogelijkheid voor wandelaars-natuurliefhebbers om door het bos te gaan en van de bosnatuur te genieten. Dus als er ergens tegen je verwachting een toegangsweg is of wordt afgesloten is het altijd nuttig om eens op die buurtwegenkaart te kijken en de oude naam van de veldweg terug te vinden denk ik en eens wat kadastrale opzoekingen te doen. Het is een hele mooie keurig gemaaide slingerende en bij tijden diep holle bosweg.

Gréz-Doiceau – Bois de Beausart – zuidkant – Chemin d’Hoegaarden

Aan het einde van de Chemin d’Hoegaarden door het Bois de Beausart kom ik opnieuw aan het riviertje Le Piétrebais op de weg met de naam Rue Font du Moulin. Een beetje naar rechts staat op de hoek met de Chaussée de Jodoigne alweer een kleine kapel. Met enige moeite ontdek ik dat het gaat om La Chapelle Saint Joseph, gebouwd in néo-gotische stijl in de tweede helft van de 19de eeuw en ‘inscrit comme monument’ op de Waalse Inventaire du patrimoine culturel immobilier. Maar wie hem daar heeft gebouwd en waarom zegt het erfgoeddossier niet. Ik stap de andere kant uit in de richting van de watermolen. Je zou het niet zeggen als je er voor staat maar het gaat waarschijnlijk om de ‘Moulin de Piétrebais’ die in het jaar 1182 de eigendom was van de Abdij van Aulne die ook de Ferme de Beausart bezat. Op de oude kaarten staat hij vermeld als ‘Moulin de Beausart’ maar meestal als ‘Moulin de la Chapelle de Saint-Lauren’ omdat vooral de plaatselijke dorpelingen er hun graan lieten malen. De huidige gebouwen stammen van het einde van de 18de eeuw. Van de twee bovenslagraderen is er nog een en de laatste molenaar was Vital l’Host (1925-2011). De rivier heeft ter plekke een verval van meer dan 4 meter en op de kaart van nu zie je dat er iets stroomopwaarts nog enkele vijvers zijn die ik op oude kaarten niet terugvind. De binneninstallatie is er nog en de site is beschermd als monument en als dorpsgezicht. Het gebouw is nu in gebruik als woonhuis en van de straat zie je er niet veel van maar in Molenechos staan enkele goede foto’s (zie de link). Voor wie niet van de streek is: je staat hier op het grondgebied van Gréz-Doiceau (Biez) en niet van Incourt (Piétrebais). Naast de molenkan je via het Sentier du Moulin (indien afgesloten via de nabijgelegen Rue du Grand Sart) de beek oversteken en via het Sentier des Communes en de Rue de Renival terug naar Cocrou stappen. Om vanuit het dorp naar de Chaussée de Jodoigne te stappen en aan het einde van deze wandeling te komen neem ik het Sentier du Petit Champ en langs de rivier de Rue de Cocrou.

Le Piétrebais – niet altijd een vredig stroompje

De Piétrebais in Cocrou

Zoals beloofd ga ik het nu hebben over het riviertje Le Piétrebais zelf en vooral over de overstromingsproblemen van dit er zo vredig uitziende stroompje. De Ruisseau Piétrebais ontspringt even ten oosten van de Chaussée de Namur ter hoogte van het dorpje dat naar de beek genoemd is op een plek met de naam ‘les Fosses Copettes’ op het grondgebied van de gemeente Incourt. Hij kronkelt vervolgens over een lengte van ongeveer acht kilometer naar het westen door de dorpen Piétrebais, Chapelle Saint-Laurent en Cocrou en komt in Grez in Le Train uit die op zijn beurt in Archennes samenkomt met La Dyle.

Onderweg pikt hij nog de Ruisseau Chapelle Saint-Laurent op die 2,5 kilometer naar het zuidwesten ontspringt in een ravijn tussen de oude gemeenten Roux-Miroir en Biez. Voor de meeste Vlamingen zijn dit allemaal raadselachtige namen maar hou ze toch maar even vast want we spreken hier over een bijzonder mooi natuurlandschap dat je zeker zal willen verkennen. Het woord ‘bais’ of ‘baz’ komt natuurlijk van ‘beek’ (in het oud-Germaans: ‘baka’)en volgens sommige geschiedkundigen wijst ‘Piétre’ naar een zeker ‘Peter’ of ‘Pierre’ die in oude tijden de eigenaar van de beek zou zijn geweest. Maar anderen denken dat de beek (en het dorp) genoemd zijn naar de reusachtige oeroude rotsen die midden in het dorp een nauwe kloof vormen waardoor de beek zich naar beneden perst en die bekend staat als de ‘Site des Grosses Pierres’. In de oude tijd dachten de boeren dat de kloof bewoond werd door geesten maar jammer genoeg spreken de geologen van nu dat tegen. Ik kom er nog op terug. Piétrebais is bij ons vooral bekend om zijn ‘Vogelverschrikkers-feesten’ waarbij van midden juli tot half september aan de huizen in de straten van het dorp en het nabijgelegen Happeau, Chapelle Saint-Laurent en Roux-Miroir overal vreemde poppen worden opgehangen. De traditie stamt pas uit het jaar 2000 en dient vooral om de saamhorigheid van de dorpelingen onder elkaar en met de buitenwereld te laten zien. 

Piétrebais – Site des Grosses Pierres

In 1924 beschrijft de pastoor van Piétrebais de grote rotspartij langs de beek in zijn dorp die we nu kennen als ‘les Grosses Pierres’. Ook in onze tijd is het nog altijd een merkwaardig en spectaculair beeld. Rondom de beek tref je een groen en boomrijk boerenlandschap aan maar op één punt stroomt het water door een rotpartij met de allure van een bergbeek in de Alpen. De boeren in de tijd van de pastoor dachten dat er geesten heersten in de kloof en meer nog dat de rotsen daar op geheimzinnige wijze geplaatst waren als ‘megalieten’ en dat ze bovendien ook nog als maar groter leken te worden. Deze aantrekkelijke voorstelling van zaken wordt jammer genoeg door onze eigentijdse geologen onderuitgehaald maar het wel blijft spectaculair. Als ik het al leek goed begrijp (wat niet zeker is want geologen munten niet uit door bevattelijke uitleg) is wat je ziet op deze plek het afgesleten restant van een gigantische bergketen die meer dan 500 miljoen jaar geleden wordt gevormd door een opgestuwde breuk in het supercontinent Gondwana dat in die tijd samen met supercontinent Avalonië ronddrijft op de vloeibare magma  midden in onze aardbol. Die keten staat bij ons bekend als de Caledonische sokkel of het Massief van Brabant.

Le Piétrebais

Aan deze bergketen hebben de Schotten de naam Caledonië te danken en hij loopt helemaal verder tot in de Appalachen, een middelgebergte in het oosten van Noord-Amerika. De steen is verschrikkelijk hard en in de streek van Jodoigne (waar Piétrebais toe hoort) zijn er verschillende groeves waar vroeger kasseien werden geproduceerd (Dongelberg, Opprebais). Het is echter geen stollingsgesteente (op diepte gestolde magma) maar kwartsiet, dat is tot steen in elkaar gedrukt zand met mineralen. Omdat zelfs de hardste steen door de tijd weggesleten wordt zijn er niet veel plaatsen waar je het nog aan de oppervlakte ziet maar in Piétrebais heeft het water na al die eeuwen er op een hoogte van iets meer dan honderd meter boven de zeespiegel wel een diepe kloof doorheen geslepen en als je hierover nog eens een half miljard jaar terugkomt zal die ook niet meer te zien zijn. Tegen deze eeuwigdurende natuur-achtergrond is de wispelturige en tot oorlog neigende mens natuurlijk minder als een zandkorrel en om die reden heb ik instinctief wat moeite met de gedenkplaat aan de gevallen dorpelingen in de Tweede Oorlog die men met goede bedoelingen juist op deze plek heeft opgericht maar waarvoor men kennelijk enkele rotsen heeft verwijderd. Ik denk dat de rotsen er nog lang zullen zijn nadat de mensen zichzelf door hun eigen onhandigheid uit de wereld hebben geholpen. Wat denk jij daarvan?

De Ruisseau Le Piétrebais ziet er op mooie dagen als een zo vredig stroompje uit dat het moeilijk is om je voor te stellen dat als het even flink onweert, mensen op veel plaatsen langs de beek en vooral die van Gréz-Doiceau met forse wateroverlast te maken krijgen. Maar zelfs al voordat ik zelf begrijp hoe dat komt meldt zich al een lezer die zegt dat haar huis al sinds 1980 drie keer overstroomd is.  En blijkbaar worden er al sinds die tijd plannen gesmeed om daar iets tegen te doen.

Biez-Cocrou – in de vallei van Le Piétrebais – le Moulin beausart (moulin de la chapelle)

Uit de lawine van berichten op het internet begrijp ik dat al die tijd gaat om de aanleg van twee soort zaken: ‘bassins d’orage’ , dat zijn uit te graven vijvers als betonnen opvangbekkof of des ‘zones d’expansion de crue’,  dat is de aanleg van overstromingszones door de bouw van dijken op het terrein om bij te hoge waterstand als reservoir te dienen. Een ervan moet komen in Cocrou, een andere in Piétrebais aan de Grosses-Pierres en een derde is wordt gepland een eind naar het westen ter hoogte van Happeau waar de Piétrebais ontspringt. Als ik het mis heb zal ik het graag verbeteren maar voor zover ik kan nagaan is er nog niets of weinig van gerealiseerd, vooral vanwege geruzie tussen de bevoegde overheden, de vraag wie die projecten gaat betalen maar ook de vinnige en dikwijls zeer legitieme tegenstand van de eigenaars van de te onteigenen hectares grond. Bij Cocrou staat een ‘reservoir’ aangegeven maar dat lijkt voor drinkwater te zijn. Rond 2018 is er dan nog een plan bijgekomen voor een overstromingszone rond de Moulin de Beausart op het terrein van de bioferme van Hubert del Marmol. De Piétrebais legt tussen bron en monding een afstand af van zo’n 13km in een vallei met tamelijk steile hellingen en plateaus die tot 50 meter boven de rivierloop uitstijgen. Het hoogteverschil tussen bron en monding is zo’n vijftig meter. Daaruit begrijp ik dat de stroomsnelheid best groot is en dat het debiet erg kan verschillen in tijden van droogte met ogenblikken van zware neerslag. Maar dit is de natuurlijke toestand en niet uitzonderlijk in onze streken. Op de Villaretkaart van 1745 zie je de beek gaan in talloze kronkels. Zoals je weet werkt dat sterk stroomvertragend. Er zijn dan ook nog niet veel huizen en er is veel meer bos dan nu op de hellingen. Waarschijnlijk kon in die tijd het water bij hoog debiet nog vrij uitvloeien over de weilanden, daar zijn slib lossen en gebruikten de boeren de vallei als hooilanden. Op de kaart van nu zijn die kronkels grotendeels verdwenen, de beek is bijna overal rechtgetrokken, lijkt gedeeltelijk zelfs ingebuisd. De zijbeken Ruisseau de la Chapelle en de Ri de Beausart zie je ook niet meer als waterloop op de kaart, zijn die ook ingebuisd?

Biez-Cocrou – in de vallei van Le Piétrebais

De hellingen en de vallei worden als droge weiden of zelfs akkers gebruikt waarbij ook nog heel wat bos is opgeofferd. Zelf heb ik ook gezien dat met de moderne landbouwmethoden overal de traditionele hagen verdwenen zijn en dat er diep geploegd wordt over zeer grote oppervlakten zodat de grond vatbaar wordt voor erosie. Op veel plaatsen worden in de vallei worden de vroegere veldwegen gebetonneerd, zeker in de buurt van huizen en vlak langs de rivier worden altijd nieuwe woningen gebouwd. Op mijn eigen foto’s van de beek zie ik dat de oevers op veel plaatsen veranderd zijn in rechte, soms zelfs betonnnen goten waardoor het water met topsnelheid wordt afgevoerd totdat het stropt op de eerstvolgende flessenhals. Daarbij komt dat ik lees dat de kwaliteit van het water nog altijd maar ‘matig’ is doordat de rioleringen er nog op lozen (probleem van overstorten) maar ook omdat het veel te veel mest- en andere chemische stoffen bevat, nog afgezien van het afval dat de mensen er blijkbaar graag in storten (of er in waait). Het positieve is dat al deze problemen ook uitdagingen zijn waarvan er veel op een natuur-bevorderende basis kunnen worden aangepakt. Zo is in Hamme-Mille tussen de Ruisseau de la Néthen en de Nodebais  een zeer groot ‘bassin d’orage’ gebouwd waarbij men geen beton heeft gebruikt maar het terrein heeft omgebouwd tot een nat natuurreservaat met zuiver water en rietvelden waar je nu zeldzame vogels kan gaan spotten en als je thuis komt je je huis toch droog terugvindt. Daarmee sluit ik mijn verkenning van deze mooie vallei even af maar ik neem mij voor om er snel weer terug te keren.

Vallei van de Piétrebais – Cocrou-Biez-Beausart – kaart OSM met wandelroute van 11 km

+++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

http://pcdn-grez-doiceau.be/news/a-biez-le-souvenir-des-bruyeres

De beschermde ferme-château de Beausart:http://spw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/pdf/fiche/25037-INV-0032-02

http://www.chateau-fort-manoir-chateau.eu/chateaux-brabant-wallon-chateau-de-beausart-grez-doiceau.html

http://stories.lalibre.be/inspire/numero65/index.html?fbclid=IwAR3no7q9vb15wDH16s7HNcoBZLmq2Y8ucocO5A8eoiZxK3nMjD3VresAi00

https://www.tvcom.be/generations_bio_a_la_ferme_du_petit_sart_laureate_du_prix_du_developpement_durable-22153-999-89.html

http://citoyen-grez-doiceau.be/news/projet-de-barrage-hubert-del-marmol-menace-d-expropriation-se-rejouit-des-resultats-de-l-enquete-publique

Biez-Cocrou – in de vallei van Le Piétrebais – La Chapelle Saint Joseph

https://www.rtbf.be/info/regions/brabant-wallon/detail_grez-doiceau-une-ferme-bio-menacee-par-un-bassin-d-orage-mobilisation-generale?id=10017065

http://fermebiodupetitsart.be/

https://lourdesgrotten.com/category/Waals-brabant/

https://nl.wikipedia.org/wiki/Bernadette_Soubirous

https://nl.wikipedia.org/wiki/Chapelle-Saint-Laurent

https://culturalite.be/?RepliqueGrottesNdDeLourdes

http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/pdf/fiche/25043-INV-0061-02 (l’Eglise Saint-Laurent)

off Piétrebais – Chapelle Saint Laurent

http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/fiche/index?sortCol=2&sortDir=asc&start=0&nbElemPage=10&filtre=&codeInt=25043-INV-0251-01 (de parochie links naast de kerk)

http://www.heiligen.net/heiligen/08/10/08-10-0258-laurentius.php

Inventaire du patrimoine culturel immobilier – Wallonie

lampspw.wallonie.be › dgo4 › fiche  Chapelle Saint-Joseph

http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/fiche/index?sortCol=2&sortDir=asc&start=0&nbElemPage=10&filtre=&codeInt=25037-INV-0010-02 (over de watermolen)

Moulin de Chapelle | Moulin de Beausart | Moulin de Piétrebais …

http://www.molenechos.org/molen.php?nummer=707

http://www.echarp.be/twcwav21.php

http://www.otl-grez-doiceau.be/villCocrouHistoireFr.php

Gottechain – Bois de Beausart

https://www.alliancecommunale.be/bilan

https://www.lalibre.be/regions/brabant/lutter-contre-les-inondations-51b892d4e4b0de6db9af95e3

https://grez-doiceau.ecolo.be/2018/09/01/un-projet-de-retenue-deau-de-la-province-du-brabant-wallon-sans-retenue/

Over de geologische achtergrond van de ‘site des Grosses Pierres’:

PDF]Chaumont-Gistoux – Service géologique de Wallonie

geologie.wallonie.be/files/…/40-1-2_Wavre_Chaumont.pdf

Biez- Cocrou – in de vallei van Le Piétrebais

Trefwoorden : gréz-doiceau, piétrebais, beausart, cocrou, chapelle saint laurent, grotte, overstroming, saint sébastien, ferme bio du petit sart, watermolen, grosses pierres,

HET HELLEBOS IN KAMPENHOUT

Kampenhout – Hellebos – toch een klein beetje herfstzon

Het Hellebos in Kampenhout vind je op de kaart ten noorden van de N21 Haachtsesteenweg aan de zuidwestkant van het dorpscentrum. Het ligt tussen Kampenhout en Perk op het grondgebied van de deelgemeenten Kampenhout-Berg en Kampenhout-centrum. Je herkent het onmiddellijk aan de merkwaardige hoefijzervormige vorm. Het is een mooi loofbos met eeuwenoude eiken, zwarte elzen, boskersen en opmerkelijk veel volwassen essenbomen en ook nog altijd veel populieren, zowel staande als liggende exemplaren. Op de Ferrariskaart (1777) en Villaretkaart (1745) is het duidelijk te zien.

Het is via de Europese Habitat richtlijn als topnatuur beschermd als onderdeel van het Natura 2000 project ‘Valleigebied tussen Melsbroek, Kampenhout, Kortenberg en Veltem (BE2400010) ofwel de ‘Groene Vallei’. Het sluit aan op het Torfbroek dat juist ten zuiden van de Haachtsesteenweg ligt. Sinds 1996 is het als reservaat erkend met Natuurpunt Kampenhout als koesterende beheerder.

Kampenhout – Hellebos – kaart Ferraris 1777

Op de kaart zie je al direct de namen van enkele beken en leibeken die langs of door het bos stromen zoals de Molenbeek, de Veerlebeek, de Lellebeek maar eerst en vooral de Barebeek. Die ontstaat in Perk(Steenokkerzeel) en kronkelt vandaar via een ingewikkeld en dikwijls ook erg verstedelijkt parcours in een stroomgebied van zo’n 70 km naar Muizen om juist ten zuiden van het Mechels Broek op de Dijle aan te komen.

De beste ingang om het Hellebos te verkennen is aan de watermolenstraat in het gehucht Lelle aan de bijna onzichtbare restanten van een middeleeuws kasteel, het tot woonhuis gerenoveerde gebouw van een voormalige hoeve en brouwerij en het begin van de Molenbeek die echter niet meer langs de molen gaat want die staat een beetje verder aan de ingang aan de ingang van het bos.

Op al die geschiedenis kom ik nog wel terug. Tussen de ijzers van het hoefijzer zie ik het ‘Herderveld’, een naam die staat voor het dichtst bij het bos gelegen gedeelte. Het meer naar de steenweg gelegen gedeelte zie je op de NGI-kaart van 1989 en oudere kaarten als ‘Bekerveld’. Het veld wordt gedeeltelijk begraasd door de limousin-koeien van een boer op de velden van Natuurpunt maar richting Haachtsesteenweg zijn er nog de klassieke boerenakkers.

Kampenhout – Hellebos – het Herderveld

Uit opgravingen blijkt dat heel dit gebied beschouwd moet worden als een belangrijke archeologische site en dat dit met zich meebrengt dat die akkers ook tot grasland zullen worden omgevormd om niet meer te hoeven ploegen.

Als je de kaart bekijkt kan je zien dat dit bos samen het westelijk gelegen Floordambos (aan de E19) en het oostelijk gelegen  Torfbroek, Terbronnen en het Silsombos een groene slinger is in het voor de rest flink volgebouwde landschap. Die slinger is een overblijfsel van de vallei van de (Beneden/Zuidelijke) Dijle zoals die liep in het late Pleistoceen meer dan 10.000 jaar geleden tijdens de laatste ijstijd. De rivier sleep een bochtige vallei van zo’n 10 meter diep uit door tientallen miljoenen oude horizontale lagen van fijn zand, grof zand, grind en kalksteen.

Kampenhout – Hellebos – verdwaald en omgevallen

De bedding moet ooit heel breed geweest zijn en gevuld met een snelstromende enorme watermassa. Op de duur is dat alles verzand maar de meanders zijn nog altijd zichtbaar in het landschap en bekend onder de naam ‘Groene Vallei’. De hoogteverschillen zijn in het landschap voor de bezoeker niet echt goed te zien maar de Barebeek ten westen van het Hellebos ligt op een hoogte van zo’n 10 meter.

Pak de topografische kaart van 1939 er graag even bij. Dan zie je dat het Bekerveld en het Herderveld ten westen van het bos liggen tussen de beboste ‘hoefijzer-poten” op een helling tot op 21 meter juist boven het dorpje Lelle.  Aan de zuidoostkant van de Haachtsesteenweg gaat de heuvelrug nog tot boven de 30 meter met een helling aan de noordkant richting Torfbroek. Het Hellebos ligt samen met het Duistbosch en het Château de Ribeaucourt duidelijk op de gebogen helling binnen de meander en dat kan heel goed de historische verklaring zijn voor de naam: een hellend bos.

Kampenhout – Hellebos en Lelle – NGI kaart 1939 – met hoogtelijnen

Daarbij komt dat het bos naast droge plekken ook heel wat natte gedeeltes heeft en misschien waren die in de oude tijd wel wat moerassig. In onze streken wordt het woord ‘helle’ historisch ook gebruikt om moeras aan te duiden (als moeilijk en gevaarlijk toegankelijk: ‘hels’). De naam Helle zie ik voor de eerste keer op de topografische kaart van 1873 (de Helle), vervolgens op die van 1904 (de Helle Bosch) en vanaf 1939 heet het Hellebos(ch).

Dat het dorpje Lelle op oude kaarten voorkomt als ‘Lille’ verwijst naar het woord ‘little’ en duidt er op dat het in de geschiedenis een klein maar economisch en strategisch belangrijk oord was. Ik moet nog uitvinden of het dorp op een zogenoemd ‘donk’ ligt. Naar mijn mening heeft het woord Lelle dus – ondanks de geldende opvatting – niets te zien met Helle maar dat kan ik ook helemaal mis hebben. Op de geschiedenis van dorp en bos kom ik nog terug.

Kampenhout – Hellebos

De onvoorbereide bezoeker merkt het niet op maar dankzij Tine Bergmans van Natuurpunt Kampenhout en haar collega’s Walter Sevenants en Hubert Gulinck  kom ik er achter dat het Hellebos en het dorpje Lelle een eerste klas historische en archeologische site is. Onder het Herderveld en Bekerveld wijzen opgravingen uit dat hier al sinds de prehistorie mensen gewoond en gewerkt hebben.

Aan de andere kant van Lelle kom je aan de Watermolenstraat het bos in langs een oude muur die ligt aan een raadselachtig kaal veld waarop een oud verwaarloosd gebouw staat. Op de hoek staat een mooi gerenoveerd oud huis met de afdruk van een molensteen, een schenkkan en een bierpul in de gevel. Dit is ‘Herberg in de Molensteen’,  gebouwd in 1740 in lokale zandsteen. Het maakt deel uit van een in drie eigendommen gemaakte voormalige hoeve met brouwerij en herberg uit de 18de eeuw.

Kampenhout – Hellebos – niet de oude watermolen aan de Watermolenstraat maar de voormalige driedelige hoeve en brouwerij

Van het middeleeuwse kasteel op het veld zijn de muur en koetshuis na de afbraak in 1832 door de laatste eigenaar M.Dellafaille d’Huysse de enige overgebleven resten.  Op de Ferrariskaart van 1777 en op de Villaretkaart van 1745 zie je het ‘Château de Lille’ de herberg en de kasteelhoeve heel duidelijk liggen. De kasteelhoeve is er nog wel. De Romaanse kapel die op de kaart staat aangegeven is in 1909 ingestort en nadien afgebroken.

Op beide kaarten zie je het dorpje Lille (Leele) en de Molenbeek zoals die toen nog liep. Je ziet ook vijvers aan en in de buurt van het kasteel en op de Villaretkaart zie je duidelijk de ‘moulin’ ingetekend. De beek is sindsdien rechtgetrokken en een stuk verder het bos in gelegd. De vijvers zijn gedempt maar op de plaats van het huidige waterzuiveringsstation toch weer ietwat zichtbaar gemaakt.

Kampenhout – Hellebos – aan de Watermolenstraat – wat er nog rest van het kasteel van Lelle: het koetshuis en de kasteelhoeve

De watermolen dateert al van vroeg in de 14de eeuw, het huidige gebouw is uit de 17-18de eeuw en het  onderslagrad heeft gewerkt tot rond 1900. Vandaag dient het molengebouw als privéwoning en je kan hem vinden een beetje verscholen achter in de tuin op de plek waar de watermolenstraat het bos ingaat (watermolenstraat 3). Ik zal naar het Hellebos terug moeten gaan om nog veel meer over dit alles te kunnen vertellen want ik ben nog niet dicht genoeg bij het molengebouw kunnen gaan om er foto van te  maken.

De kasteelsite staat op de inventaris van waardenvol bouwkundig erfgoed maar is op geen enkele wijze beschermd. En nu vind ik toch wel een heel recente advertentie (juni 1919) waarin het veld als  ‘goed gelegen bouwgrond met historisch koetshuis’ te koop wordt aangeboden en er blijkbaar al een verkavelingsvergunning is verleend! Zo raak je je erfgoed natuurlijk wel kwijt denk ik dan ….. het zou mij verwonderen als daartegen in Kampenhout geen protest is.

Kampenhout – Hellebos

Het Hellebos is nog in volle ontwikkeling. Het behoort tot de grotere natuurgebieden en breidt zich volop uit. Halverwege 2019 slaagde Natuurpunt er in om nog eens 22 ha graslanden en oude structuurbossen aan te kopen en begin oktober zijn die door de Vlaamse regering officieel als natuurgebied erkend. Ik moet nog uitvinden over welk gebied het precies gaat (ik vind er geen aanduidingskaartje van) maar met een omvang van 100 ha in totaal is het bos nu al het grootste natuurgebied in de streek.

Natuurpunt is in elk geval van plan om een wandelpad langs de Barebeek aan te leggen en hoopt op termijn het bos uit te breiden tot 170 à 180 ha (ik denk naar het noorden in de richting van het Moorbos). Uit wat ik lees begrijp ik dat er ook nog kansen zijn op het Herderveld en het Bekerveld.

Kampenhout – Hellebos – Barebeek

Dat het Hellebos met het dorp Lelle een belangrijke archeologische site is heb ik al verteld in de tekst over het kasteel. Er is ook al veel onderzoek gedaan ten noorden en oosten van Lelle op het laaggelegen Bekerveld en het wat hogere Herderveld. Samen vormen die velden een gebied van 61 ha en hoewel de onvoorbereide bezoeker het niet zal zien zijn er daar resten gevonden van menselijke aanwezigheid vanaf de periode van de nieuwe steentijd (zij het slechts enkele verspreide vondsten), de Romeinse tijd, de Merovingische tijd en de hele periode van de Middeleeuwen.

Met behulp van een hele reeks technieken, waaronder het graven van proefsleuven hebben de archeologen in 2012 een mogelijk grafveld uit de vroege middeleeuwen ontdekt in het Bekerveld en een nederzetting en mogelijk grafveld uit de Romeinse tijd op de top en oostflank van het Herderveld. Van de Romeinsen zijn dakpannen, scherven en ‘fibulae’ (mantelspelden) gevonden maar het blijft onzeker of er ook echt een Romeinse weg over het veld liep.

Kampenhout – Het Hellebos breidt zich uit

In het onderzoeksrapport (zie de link hieronder) wordt gezegd dat “ploegdieptes dieper dan de bouwvoor (30-40cm) … vanuit archeologisch oogpunt (dienen) te worden vermeden, omdat archeologische resten zich direct onder de bouwvoor kunnen bevinden. Dit is bijvoorbeeld het geval bij de Romeinse vindplaats, waar tijdens ploegen materiaal naar boven komt. In dat kader zou akkerland omgezet kunnen worden in grasland. Voorts kunnen percelen voorgedragen worden voor bescherming bij Natuurpunt, aansluitend bij reeds door hen in beheer zijnde gebieden”.

Hoe ver het daarmee staat weet ik niet maar dat is dus goed nieuws voor Natuurpunt en ook voor de natuurliefhebber want de akkers waarover gesproken wordt zien er op dit ogenblik nog niet echt uit als biolandbouw in tegenstelling tot de biologische veeteelt die er zich vlak naast bevindt.

Kampenhout – Hellebos – aan de tonderzwammen herken je de boom

Op zowel de Ferrariskaart (1777) als de Villaretkaart (1745) zie je dat heel het bosgebied ten westen van het dorpje Lelle is ingetekend als het domein van het ‘Chateau de Perck’. Het kasteel van de graaf van Perk is een van de indrukwekkendste heerlijkheden in de omgeving van Brussel. Het kasteel kan je vanuit het Hellebos niet zien, het huidige gebouw dateert uit de 17de, 18de en 19de eeuw maar er stond al een kasteel rond het jaar 1400. Tussen 1833 en 2007 is het de eigendom van de grafelijke familie de Ribeaucourt maar thans is het overgenomen door graaf Paul de Lannoy.

90 ha weiden, bossen, gronden en vijvers rond het kasteel zijn ferm afgespannen om bezoekers te weren en ook in het Hellebos zelf zijn grote gedeelten nog altijd verboden toegang. Vroeger was het Hellebos-boscomplex nog veel groter maar in de jaren 50 en 60 zijn zowel het Duistbos als het Zonnebos aan de overkant van de Molenbeek tot woonwijken verkaveld.

Kampenhout – Hellebos – een bomput langs de Ribeaucourtdreef aan de Molenbeek en het Zonnebos

In het Hellebos is de Ribeaucourtdreef ondertussen eigendom van Natuurpunt maar het bos ten oosten ervan nog niet. In dat bosgedeelte bevinden zich een aantal zogenoemde ‘bomputten’, geslagen door Duitse  V1 raketten in de Tweede Wereldoorlog. Zulke putten zijn in natuuropzicht opzicht potentieel zeer kostbare biotopen, ook al omdat er water in staat. Jammer genoeg worden ze de door de aan de Molenbeek wonende villabewoners van het Zonnebos gebruikt om hun tuinafval en andere rotzooi te storten.

Voor de rest van dit verhaal neem je best de topografische kaart er even bij (afbeelding met de namen van de beken zoals op die kaart vermeld). Aan een ijzeren hek op het einde van de Ribeaucourtdreef gaat de Molenbeek – eigenlijk meer een kanaaltje – samen met het pad naar rechts. Evenwijdig aan het pad loopt een tweede kanaaltje zowat onder het hek door, dat is de Veerlebeek.

Kampenhout – Hellebos – kaart OSM

Naast elkaar stromen ze verder totdat enkele honderden meters verder de Veerlebeek naar links gaat en vrijwel onmiddellijk op de Barebeek uitkomt die op zijn beurt onder een smeedijzeren hek doorstroomt (de beek komt vanaf de onzichtbare kasteelvijvers). Ook dat hek is potdicht en er staat een grote houten jachtstoel bij.

Vandaar stromen Molenbeek en Barebeek strak evenwijdig naar het noorden. Het geheel ziet er erg kunstmatig uit en dat was ook de bedoeling in de tijd dat het kasteel van Perk gebouwd werd, namelijk de late 17de eeuw en vroege 18de eeuw toen alles draaide om barok, rationaliteit en sterke beheersing van de natuur.

Als in de nabije toekomst dit deel van het bos onder het beheer van Natuurpunt komt, dan is er op deze plek net zoals bijvoorbeeld in Meldertbos in Hoegaarden een uitdaging hoe je eigentijdse natuuropvattingen en adellijke erfgoedstructuren met  elkaar kan verzoenen.

Kampenhout – Hellebos – de Veerlebeek komt aan op de Barebeek

Tot zover met enkele succesverhalen over dit mooie natuurgebied. Helaas is er nog een ongemakkelijke uitdaging om het helemaal tot zijn recht te doen komen: de slipschool van de politie die tegen beter weten in nog altijd een deel van het bos bezet.

Op de NGI-kaarten vanaf 1969 zie je dat zo ongeveer 12 hectares in de noordelijke poot van het hoefijzer ingetekend als is als een militair domein met hekken, wegen en bunkers. Sinds de jaren 50-60 van de vorige eeuw is dit terrein jarenlang door het leger gebruikt als munitiedepot en oefenterrein. Eind van de vorige eeuw verloren de militairen hun belangstelling en logisch gezien had het terrein in die jaren teruggegeven moeten worden aan het bos maar die kans is gemist.

In 1996 nam de Rijkswacht (later de Federale politie) het in gebruik als slipschool. Bezwaarschriften vanwege natuurorganisaties en omwonenden tegen vergunningsaanvragen werden in die tijd genegeerd.

Tot op de dag van vandaag zorgt de school voor heel veel hinder op het vlak van licht; lawaai en uitstoot en er is een vermoeden van vervuiling van de bodem en het grondwater.

Kampenhout – Hellebos – Slipschool Federale politie – foto RingTV

Sinds 9 mei 2016 beschikt de politie zelfs niet meer over een geldige milieuvergunning maar de activiteit wordt gewoon voortgezet. Rond de jaarwisseling van 2017 op 2018 werden op het terrein zelfs een heel aantal bomen zonder vergunning gekapt.

In de huidige opvattingen over het Hellebos als waardenvol natuurgebied en in het licht van de regelgeving op de zonevreemdheid moet deze slipschool uiteraard dringend naar een andere locatie verhuizen. Maar blijkbaar staat de politie als overheidsinstelling boven de wet. Ik lees dat de gemeenteraad van Kampenhout op 25 april 2019 besliste dat het de beleidsmatig gewenste ontwikkeling voor dit gebied de omvorming naar natuurgebied is.

Maar ondertussen doet de school gewoon verder en probeert de politie opnieuw een vergunning te verkrijgen, onder meer door een ontheffing te vragen van de plicht om een milieu effect rapport (MER) te produceren.

Ik heb er geen foto’s van gemaakt maar je moet zelf maar eens gaan kijken om je ervan te overtuigen dat het voortbestaan van deze school in dit bos volstrekt misplaatst is. Hoe sneller hij vertrekt, des te beter is het voor de natuur en de natuurliefhebber.

Daarmee ben ik aan het einde van deze eerste verkenning gekomen en neem ik mij voor om in het voorjaar terug te gaan om er meer over te weten te komen.

Kampenhout – Hellebos – de Molenbeek

++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

https://www.nieuwsblad.be/cnt/dmf20191004_04643912?articlehash=00F0437F8FCD11F884A17ED234E491CB0A96FF3D9D6AF69C496B9CF2E3E426C2601C91D527C7DEB3D41013B54D49D6382D9D2E4728F47850AC355CA08FD9B206

(hellebos wordt grootste natuurgebied in regio)

https://www.ringtv.be/nieuws/uitgebreid-hellebos-één-van-de-grootste-natuurgebieden-vlaams-brabant

https://natuurpuntkampenhout.wordpress.com/natuurgebieden-2/rotbos/

https://www.natuurpunt.be/natuurgebied/torfbroek-en-hellebos

http://www.natuurpuntkampenhout.be/

Kampenhout – Zicht op het Hellebos over het Herdersveld

Klik om toegang te krijgen tot STUA023-001.pdf

Een archeologische evaluatie en waardering van een middeleeuwse site te Lelle (Berg Kampenhout)

Over het begrip ‘helle’

https://www.dbnl.org/tekst/_naa002198701_01/_naa002198701_01_0004.php

over herberg ‘in de molensteen’

https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/39877

over de watermolen – met oude foto’s

http://www.molenechos.org/molen.php?nummer=2543

over het kasteel Dellafaille

https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/39876

https://www.kampenhout.be/Van%20Steelantwandelpad

Kampenhout – Hellebos – een eikenfeestje

https://www.immoweb.be/nl/zoekertje/bouwgrond/te-koop/kampenhout/1910/id8209710

luchtfoto op googlemaps van de site

https://www.google.be/maps/place/Watermolenstraat,+1910+Kampenhout/@50.9258752,4.5237378,412a,35y,39.37t/data=!3m1!1e3!4m5!3m4!1s0x47c3e0ab7a533cfb:0xed04b91751e8bff0!8m2!3d50.9295653!4d4.5246951

over het kasteel Ribeaucourt

https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/135077

Kampenhout – Hellebos – Veerlebeek en Molenbeek evenwijdig – recht is recht

https://natuurpuntkampenhout.wordpress.com/2018/05/05/herlocatie-slipschool-is-noodzaak-voor-hellebos/

https://www.ringtv.be/nieuws/kampenhout-stapt-naar-rechter-slipschool-met-niets-orde

https://www.hln.be/in-de-buurt/kampenhout/gemeenteraad-stemt-slipschool-weg-en-wil-voluit-voor-natuur-gaan~ad0bc090/

http://docs.vlaamsparlement.be/pfile?id=1466858

Anti slipcursus in ‪Kampenhout | Resultaten in ‪Kampenhout‎

Advertentiewww.pronto.com/‎

Kampenhout – Hellebos

Trefwoorden: hellebos, kampenhout, ribeaucourt, barebeek, watermolen, archeologie, geschiedenis, lelle, slipschool, dellafaille, kasteel, natuurpunt, natuurbeheer

OP VERKENNING TUSSEN BOSSUT EN ARCHENNES

Bossut – op weg naar Archennes

Bossut en Archennes (samen met Pécrot deelgemeentes van Grez-Doiceau) zijn kleine dorpen vlak over de taalgrens iets ten zuiden van Hamme-Mille en ten westen van de N25 (naar Wavre).

Ik kom graag in Bossut voor een staptocht op het hoge landbouwplateau waar je in de vroege morgen en late avond vrij zicht hebt op de zonsopgang en -ondergang. Op koude regenachtige dagen blijf je er best weg want bomen zijn er niet veel maar op alle andere ogenblikken kan je autoloos zowat alle kanten uit om via beboste holle wegen naar Nethen in de vallei van La Néthen of naar Pécrot, Florival of Archennes in de vallei van La Dyle. Je kan ook naar zusterdorp Gottechain maar dan moet je de drukke snelweg oversteken.

Archennes – je kan er minstens twee kanten uit

Op een mooie zomeravond zijn er altijd ballonvaarders en snorvliegers actief en vooral die laatsten zijn erg fotogeniek. Snorvliegen of paramoteur is een sport waarbij je met een motortje met propeller op je rug in een stoeltje onder aan een parachute hangt. Zet de motor aan en de propeller blaast je met parachute en al de lucht in om rondjes te vliegen zolang de brandstoftank dat toestaat. Echte parapenters of deltavliegers die een bergrand nodig hebben voor een sprong in de diepte om hun parachute te laten opengaan, doen een beetje geringschattend over het snorvliegen maar ik heb begrepen dat het tamelijk gevaarlijk is en je er een echte opleiding voor moet volgen.  Het is zeker spannend maar ik vind het ook erg lawaaierig (zeker als er meerdere tegelijk boven je hoofd hangen) en ik ben blij dat ze dit nog niet overal in de Dijlevallei doen. Afgezien van die vliegers en de tractoren van de boeren is het op het plateau opvallend stil en dat is ook weleens leuk.

De naam Bossut in deze bijdrage verwijst natuurlijk niet naar de alom bekende doelman van SV Zulte Waregem maar naar Bossut-Gottechain. Op de Ferrariskaart van 1770 en de Villaretkaart van 1745 staat het als gehucht aangegeven samen met Goddechins en Peerot. Op die oude kaarten staan in het centrum (Place de Bossut) de kerk, een ‘château’ en een ‘arbre’ ingetekend maar die laatste is er niet meer.  In 1811 wordt het een zelfstandige gemeente maar sinds 1977 is het als Bossut-Gottechain een deelgemeente van Grez-Doiceau. Ik kom er heel graag omdat het nog altijd een klein en zeer groen en rustig dorp is temidden van weidse akkers en velden, met veel rustieke huizen en vierkantshoeves waarvan sommige nog als boerderij in gebruik zijn en andere tegenwoordig dienst doen om paarden te houden. Er zijn wel veel nieuwe huizen (met auto’s) bijgekomen en ik denk dat dit zal toenemen nu de bijna onberijdbare Avenue Fernand Labby (genoemd naar de verzetsstrijder in WO1) kort geleden van een vlakke betonnen laag voorzien is om goed te kunnen dienen als sluipweg voor doorgaand verkeer en als fietssnelweg over het plateau.

Bossut – de kerktoren is van ver zichtbaar

Naar mijn smaak staan er veel te weinig bomen op het plateau (en dat ondanks de naam van het dorp: Bossut) maar het voordeel daarvan is dat je de kerktoren van het dorp van kilometers ver ziet oprijzen als een baken om pelgrims en andere verdwaalden de goede richting te wijzen. De 19de eeuwse kerk ‘Notre-Dame de l’Assomption’ is beroemd om zijn orgel. De pastorie achter de kerk dateert van 1782 en is nog altijd een klooster sinds in 1970 de benedictijner zusters uit de abdij van Rixensart zich er gevestigd hebben.

Naast de kerk kom je aan de ‘Ferme du Seigneur’, de oude en nog altijd in gebruik zijnde kasteelhoeve van de familie Amezaga, de heren van Bossut waarvan de gebouwen dateren tussen de 16de en 18de eeuw. In hun tijd is Bossut deel van het Hertogdom Brabant en komt het recht van de ‘hoge justitie’ (de doodstraf) toe aan de Hertog. Op het kerkhof kom je tot ver buiten de streek beroemde namen tegen zoals ‘Oldenhove de Guertechin’ en ‘Dudekem de Guertechin’ maar ook de laatste abdis van de Abdij van Florival.

Bossut – la Ferme du Seigneur

Op de hoek van de Place Bossut tegenover de kerk staat ook nog een groot en vierkant 19de eeuws neoklassiek gebouw in de stijl van Loois XIII. Als ‘Château Deprez’ staat het op de lijst van de door het Waals Gewest als monument beschermde gebouwen in het dorp. Het ziet er erg gesloten uit maar aan de achterzijde stuit je op een hoog smeedijzeren hek tussen massieve stenen pilaren. Door de spijlen kijk je op een prachtige tuin en een volledig vernieuwd bijgebouw met een achthoekig leistenen torentje dat er al vele jaren nogal in heel slechte staat bijstaat.

Vanuit Bossut gaat vanaf de Avenue Jules Gathy een smal en hol voetpad met de naam ‘Trou du Chiens’ door de velden naar de Rue du Grand Royal. Officieel bekend als ‘voetweg 33’ kan je hierlangs verder langs de ‘Vieux Chemin de Louvain’ naar Nethen (en verder naar Leuven, dat belooft!). Het is een oud pad dat in 2007 opnieuw is opengemaakt door de Plan Communal de Développement de la Nature (PCDN) van Grez-Doiceau en 2018 en 2019 door plaatselijke vrijwilligers van Le Groupe Sentiers des Amis du Parc de la Dyle helemaal opgeruimd is en voorzien van een nieuwe beplanting met inheemse bomen en struiken. Uit de beschrijving begrijp ik dat dit pad deel uitmaakt van een netwerk van regionale intergemeentelijke voetwegen dus ik denk dat ik dit nog eens grondig ga verkennen (met of zonder hond).

Bossut – le Trou des Chiens als een lint in het landschap – op de achtergrond het Meerdaalwoud

Vanaf de kruising kan je rechtsaf naar Hamme-Mille richting Ferme du Grand Royal en Ferme du Petit Royal. ‘Royal’ is een oud Waals woord voor bont maar dat wordt op deze hoeves niet meer gemaakt denk ik. Vlak aan de kruising staat een heel mooi langwerpig huis waarvan ik ondertussen gehoord heb dat het een gewone privé-woning is maar dan toch wel een bijzondere (Rue du Grand Royal 1).

Vanaf hier keer ik terug naar de kruising tussen de Avenue Fernand Labby en de Rue des Meuniers. Voor zover ik kan nagaan stond hier nooit een windmolen maar heeft deze veldweg zijn naam te danken aan de boeren die vroeger langs hier hun graan naar de watermolen aan de Dijle in Florival brachten. Nu grazen er koeien in de velden en die lijken er niets over te weten. Voor ons ligt een brede veldweg die in Archennes na de passage van een reusachtige groeve, brede hagen en een oud waterstation uitkomt op de Rue de la Hocaille.

Bossut – Rue du Grand Royal 1 – maar wie kan ons iets vertellen over dit huis ?

Voor wie dat niet wist komen we nu in het land van de familie Bauchau, waarover hierna nog meer.

Al in de tijd van Ferraris (1777) is het plateau een open boerenlandschap met akkers en weiden. Pas op de rand van de vallei boven Archennes begint het bos. Hocaille zou zoiets kunnen betekenen als ‘beboste plek’ maar het blijft gissen. Langs de veldweg zijn jonge platanen aangeplant en grote hagen. Dat zie je niet dikwijls. De bossen aan de rechterkant zijn de eigendom van de familie Bauchau die zijn zetel heeft op het kasteel van Archennes. Het is privé en je mag er niet in hoewel er wel een pad afslaat richting Florival. Jachtstoelen en andere constructies maken duidelijk waarom.

Aan de linkerkant was de steile helling tot 1962 ook bos maar nu kijk je er op een immense put.

Archennes – bois de Hocaille – een eigentijdse jachthut

Uit wat ik lees begrijp ik dat de Bauchau’s in dat jaar samen met enkele andere perceelseigenaars in een groot project zijn gestapt om dat deel van hun bos om te zetten in een zandgroeve voor de produktie van beton. De  uitbating van de groeve wordt in handen gegeven van de NV Readymix Belgium met sociale zetel in Hasselt en filiaal van de Britse multinational Ready Mixed Concrete (RMC). De vraag naar beton is groot en de zandgroeve wordt enkele malen uitgebreid totdat hij rond 1992 met een oppervlakte van 11 hectare aan de perceelsgrenzen komt en vergunningen nodig heeft om verder te mogen uitbreiden. Die vergunningen komen er uiteindelijk niet, naar ik begrijp vooral vanwege felle protesten in de omgeving.

De betoncentrale werkt nog voort tot 2004 (met zand aangevoerd uit de groeve in Chaumont-Gistoux) maar dan worden de 15 werknemers aan de deur gezet, het hek gaat op slot en alles wordt stil. De woestijnvlakte met zijn steile wanden van zandsteen wordt vervolgens ontdekt door alle mogelijke planten en dieren die het van dit soort biotoop moeten hebben zoals oeverzwaluwen, allerhande roofvogels en heidevegetaties maar omdat op de bodem hier en daar water staat ook door natuursoorten die gedijen in ‘zones humides’. Enkele jaren later wordt het gebiedje door de Waalse overheid geregistreerd als een ‘Site de Grand Interêt Biologique’ en worden pogingen gedaan om de toegankelijkheid ervan een beetje te verhogen zodat natuurliefhebbers ook van het spektakel zouden kunnen genieten.

tussen Bossut en Archennes – de zandgroeve

Dat stuit op politieke tegenstand omdat de eigenaars, onder wie de leden van de invloedrijke familie Bauchau er hun jaarlijkse privé jachtpartijen willen (blijven) houden zonder dat pottenkijkers voor hun voeten lopen. En zo is de toestand nog steeds. De groeve groeit ondertussen snel dicht en de natuurwaarden verminderen naarmate de bebossing toeneemt. Ik vermoed dat er voor de natuurliefhebbers in Grez-Doiceau nog een mooie uitdaging wacht.

Het dorpje Archennes (deelgemeente van Grez-Doiceau) in Waals-Brabant wordt in Vlaanderen stug nog altijd ‘Eerken’ genoemd zoals het luidde in 1225 in het Brabants van die tijd. Daardoor heb je grote kans om het te missen als je er moet uitstappen vanaf de trein tussen Leuven en Wavre en dat is jammer want er staat een mooie kerk en een prachtig kasteel met park, maar bovenal is het de plek waar het riviertje Le Train uitmondt in de Dijle (La Dyle). De naam – in lang vervlogen tijden ‘Archenna’, ’Erkene’, ‘Erchene’ – heeft niets met eiken te maken maar betekent ‘dijk’ of ‘waterloop’ en dat heeft natuurlijk alles te maken met de rivier Le Train die hier zeer snel stroomt en een hoge waterstand kan bereiken.

Bossut – op weg naar Archennes – koeien in de weide

Op de Ferrariskaart van 1777 heet de rivier ‘La Trine’. De naam van de rivier zou lang geleden afgeleid kunnen zijn van het Oudfranse woord ‘trahiner’ (in het Latijn ‘trahere’) dat ‘trekken’ of ‘snel met zich meeslepen’ betekent. Dat onze eigentijdse trein van datzelfde woord afstamt maakt in dat geval van Archennes een uniek (?) dorp met twee totaal verschillende ‘trains’.

Het dorp heeft een oude en zeer woelige geschiedenis die teruggaat tot in de Romeinse tijd maar vandaag de dag gaat er nogal rustig aan toe zo te zien. Voor de Tweede Wereldoorlog telde het dorp zo’n 600 inwoners, sindsdien zijn dat er tweemaal zoveel. In die tijd waren de mensen nog boeren of gingen werken bij Tudor in Florival. Het leven moet rustig maar intens geweest zijn met 7 of 8 café’s (met danszaal), een fanfare, een brouwerij (Brune Archennoise), twee watermolens, een houtzagerij, verscheidene winkels, een slagerij en een hoefsmid. Daar is niet veel meer van over maar er is wel de heel mooie parochiekerk, de lagere school en verscheidene verenigingen waaronder een voor de ‘feesten van Archennes’.

de kerk van Archennes

Archennes kende vele ‘heren’ onder wie tot voor kort de familie Oldenhove (de voorgangers van Tudor, met kasteel in Florival) en sinds 1899 de in het koloniale Kongo schatrijk geworden familie Bauchau op het kasteel met privépark in Archennes die zowat alle gronden in de omgeving in handen heeft. Sybille de Coster Bauchau was tot 2018 de burgemeester van Grez-Doiceau (waaronder Archennes ressorteert) en speelt een belangrijke rol in de Waalse politiek.

Het statige gebouw aan de Rue des Moulins met de naam ‘Maison de Coullemont’ met een heel mooi parkje met monumentale bomen er achter dankt het dorp aan een legaat in 1890 van  baron Charles Florentin Joseph Ghislain de Coullemont, d’Ailly en Tupigny  voor de oprichting van een verzorgingscentrum voor bejaarden. Dankzij Thierry Spreutel kan ik nu ook wat meer vertellen over de plaatselijke rol van de familie Coullemont. De baron werd geboren in Mons op 21 april 1792. Hij is bekend als Brussels zakenman en burgemeester van Sint Ulriks Kapelle (in de buurt van Dilbeek). Franz-Bernard Oldenhove werd geboren in Aurich (Duitsland) op 10 februari 1794. Hij wordt raadgevend rechter in Antwerpen, doet zaken in de katoen en verhuist naar Brussel. Beide mannen zijn tijdgenoten en zullen het heel hun leven samen goed kunnen vinden.

Le Train à Archennes

 In 1834 koopt Franz-Bernard Oldenhove de katoenfabriek op de plaats van de voormalige abdij van Florival. Hij verhuist met zijn gezin naar Florival maar woont af en toe ook in Sint Ulriks Kapelle.

Baron Charles de Coullemont sterft op 25 januari 1876. Hij is ongehuwd en laat geen kinderen na. Zijn testament over zijn kolossaal vermogen bepaalt dat indien op 21 mei 1877 de paus Pontius Pius zijn 50ste verjaardag zal vieren als bisschop, hij (de baron) een som 500.000 Belgische frank legateert om in een Belgische landelijke gemeente een door religieuzen te besturen verzorgingscentrum op te richten voor oude en arbeidsongeschikte werklieden van beide geslachten en dat de uitvoerders van het testament zullen bepalen in welke gemeente het verzorgingscentrum zal komen.

De heer Auguste Oldenhove (zoon van Franz-Bernhard) en Meester Lecroux (advocaat) zijn de uitvoerders van het testament en bepalen in augustus 1877 dat het verzorgingscentrum in Archennes zal komen. Franz-Bernard Oldenhove sterft op 27 februari 1880 in Florival.

Archennes – Hospice de Coullemont

Omdat het Vaticaan 13 jaar lang weigert om het geld vrij te maken wordt de eerste steen echter pas gelegd op 28 augustus 1890. De inhuldiging vindt plaats op 21 april 1892. Als eerbetoon aan Baron de Coullemont laat de familie Oldenhove de Sint-Bernardkapel (aan het station) in Florival restaureren en wordt het wapenschild van het geslacht Coullemont daar gegraveerd. Sinds 1984 herbergt het kasteel de Sociale Dienst van Grez-Doiceau. In de sobere inkomhal vertellen zes marmeren platen je het hele verhaal. Daar staat ook een zwarte piano een zware kerkklok met inscriptie waarvan ik de betekenis nog zoek.

 Het gebouw is ook al sinds 1980 de hoofdzetel van de natuurvereniging Les Amis du Parc de la Dyle. Die kent iedereen als de VZW die het Parc Naturel de la Dyle ondersteunt met als doel om een landelijk en agrarisch gebied te beschermen dat rijk is aan vijvers, beekjes, rietvelden, vogels en ook rijk is aan landschappen met een bijzondere waarde op het vlak van natuur, architectuur, geschiedenis, cultuur en erfgoed. De voorzitter van de vereniging Dr.Jacques Sténuit is veruit de bekendste voorvechter voor natuurbehoud in heel Franstalig België.

Archennes – Hospice de Coullemont met de molen Wierinckx

Het parkje is twee hectare groot en er staan een heel aantal opmerkelijke oude bomen, een bijenhotel en enkele mooi gekleurde speeltoestellen voor kleine kinderen. Ik vind het heel wat sympathieker dan het ferm afgesloten kasteel en park dat er vlak naast staat maar misschien kan een deel van dat uitgestrekte domein ook nog eens opengesteld worden voor de gewone mensen van Archennes en omgeving die graag ook wandelen in de groene natuur en om te genieten van mooie oude bomen ? Eerlijk gezegd vind ik het niet meer zo eigentijds dat één rijke familie zowat alle gronden in en rond een klein dorp in handen heeft en dat alles als strikt privé en ontoegankelijk gebied beschouwt. Bovendien is mij niet duidelijk wat de positieve bijdrage van de familie is voor de dorpsgemeenschap want daar blijkt nergens iets van.

Archennes ligt niet voor niets aan de rivier Le Train. Na enig opzoekingswerk besluit ik dat op het grondgebied van het dorp drie watermolens moeten zijn geweest waarvan geen er vandaag nog bedrijvig is. De eerste en oudste is de Moulin de Florival tussen de voormalige abdij en de al even voormalige Accumulateurs Tudor maar die is sinds 1928 verdwenen (hoewel er nog een deel van het gebouw zou kunnen zijn volgens een foto in het erfgoeddossier). De tweede vind ik in de plaatselijke berichtgeving terug onder de naam ‘Moulin Baudot’.

Archennes – le Moulin Baudot

Die naam is gebruikelijk in de streek maar in de databank ‘Molenechos’ vind ik alleen een uitleg over de Moulin de Pavé (Grand Moulin d’Archennes) aan de Chaussee de Wavre 162 en lees ik dat tussen 1896 en 1919 de molen eigendom was van molenaar Victor-Coston Baudet (dat moet dus zijn: Baudot) en dat het sindsdien een privéwoning is. Op dat adres staat aan de rivier inderdaad een oud leegstaand bakstenen gebouwtje dat er als een molen uitziet.

 De derde molen is ‘le Moulin Wierinckx’ aan de Rue des Moulins vlak in het centrum achter de basisschool Sainte Elisabeth. Het grote bakstenen gebouw is in 1863 neergezet door plaatselijk schrijnwerker en molenaar Fabry Pierre Charles om met behulp van een turbine (dus geen waterrad) graan te malen. Daarna werken er verscheidene molenaars van wie leden van de familie Stas tussen 1901 en 1932. In dat jaar neemt de familie Wierinckx het roer over en dat duurt tot 1979 met Joseph Wierinckx als laatste molenaar. In dat jaar wordt de site opgekocht door de SA ‘Blomme et Cie’ en in 1982 doorverkocht aan de ‘Etablissements J.M.Gilles et Cie’.

Archennes – de voormalige watermolen Wierinckx

De molen wordt stilgelegd, de turbine verwijderd evenals de hele binneninstallatie en het gebouw wordt omgebouwd tot sociale (?) woningen waarbij ook de rivier een beetje verplaatst wordt. Ik begrijp (vaagjes) dat dit zelfs in die tijd dit tot een beetje plaatselijk ongenoegen moet hebben geleid. In elk geval besluit Molenechos dat deze ombouw ‘spijtig’ is en dat ben ik met het vakblad eens.

Gedane zaken zijn moeilijk om te keren (het kàn wel en gebeurt ook op veel molensites!) maar voor bijna hetzelfde geld had men de moleninstallatie als zodanig kunnen sparen en restaureren en dan had Archennes naast enkele woningen nu beschikt over een eersteklas toeristische erfgoed-attractie en elektriciteitscentrale en dat is toch ook wel wat waard. Het zij zo en langs Le Train lijken de bevers er zich niets van aan te trekken. Dankzij de vissers is er een smal spoortje maar er zitten wel grote gaten in.

Archennes – in de Train gesukkeld

Vanuit Archennes kom je als voetganger snel terug naar Bossut via een hele mooie holle weg getooid met de naam ‘Hezidelle’. ‘Delle’ betekent natuurlijk ‘dal’ (beter gezegd: een droogdal dus een vallei waar geen beek meer afloopt). Het woorddeel ‘Hezi’ verwijst – tenzij iemand iets beters weet – naar het Oudfranse woord ‘hési’ en/of het Oudnederlandse woord ‘hees’ en dat staat voor ‘heester’ ofwel struik of struikgewas. Dit wijst er op dat in de tijd van het hertogdom Brabant deze vallei begroeid was met lage struiken. Een andere bron vertelt dat ‘hees’ staat voor  ‘gemengd berken-beukenbos op droge grond’ en dat kan ook kloppen. De westelijke kant van het dalletje (die met het sportterrein) is namelijk door de Waalse overheid erkend als  ‘Site de Grand Intérêt Biologique (SGIB)’onder de naam ‘Lande de l’Hézidelle’.

Op deze helling van droog Brusseliaans zand zou in oude tijden veel heide geweest zijn maar die is grotendeels verdwenen door latere spontane en aangeplante (met uitheemse bomen) bebossing. Op de Ferrariskaart van 1777 is alles nog heide, op latere kaarten wordt het stilaan bos. Op die Ferrariskaart is de oostelijke helft al in beslag genomen door akkers en kan je ook zien waar tweehonderd jaar later het sportterrein zal komen. Op die kaart valt me ook op dat veel van de huizen aan de Rue de Florival er ook al staan. Maar in die tijd was de herberg Hézidelle (aan de Avenue Félix Lacourt in Grez-doiceau) er nog niet denk ik.

van Archennes naar Bossut – Bois de la Hocaille – holle weg

In de holle weg zie je heel wat holen van kleine en grotere dieren. Het bos aan weerszijde is eigendom van de familie Bauchau en (dus?) verboden toegang. Op het plateau is er geen bos meer te zien en doet de droogte kennelijk schade aan de enkele bomen die nog langs de veldweg staan. Ik hoor tot mijn verdriet dat de beroemde pelgrims-veldiep aan de Rue de la Malaise ook dood zou zijn na en mogelijks vanwege de recente vernieuwing van de Avenue Fernand Labby. Volgens mij moeten we naast bossen dringend nieuwe baken- en laanbomen beginnen aanplanten want zo kan het niet verder.

Vlak voordat je Bossut bereikt kom je nog langs een merkwaardige eigentijdse nagebouwd privé kasteeldomein met verscheidene opgepoetste villa’s, mooie tuinen, fanatiek geschoren hagen en grote toegangshekken die wel open staan maar toch uitstralen dat je er niet in mag. Iedere keer dat ik hier langskom vraag ik mij af hoe het er hier over zo’n tweehonderd jaar zal uitzien als er een beetje ‘patina’ op zit.

Bossut-Archennes – luswandeling

++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

De geschiedenis van Bossut:

http://www.otl-grez-doiceau.be/villBossutPatrimoineFr.php

http://www.otl-grez-doiceau.be/villBossutHistoirePrintFr.html

http://www.netradyle.be/bossut.htm

De kerk en de omgeving zijn sinds 1989 beschermd als ‘patrimoine culturelle’ :

Archennes – Kaart Ferraris 1777 – Archennes en l‘Hézidelle

Over het kerkorgel:

https://www.routeyou.com/nl-be/location/toppoi/47310535/bezienswaardigheden-in-bossut-gottechain

over Chateau Deprez

http://lampspw.wallonie.be/…/index.php/fiche/index…

Over snorvliegen:

http://www.paramotorfederatie.be/

http://pcdn-grez-doiceau.be/news/le-trou-des-chiens-un-chemin-qui-reprend-vie

Klik om toegang te krijgen tot grez-info-ndeg28.pdf

Bossut – kerk en klooster

639 – Sablière de la Hocaille | Rechercher un site intéressant ou …

biodiversite.wallonie.be/fr/639-sabliere-de-la-hocaille.html?…

http://www.otl-grez-doiceau.be/villArchenHistoireFr.php?fbclid=IwAR2CkR2nmSEx_epHryC-nTyPzD0O-p0IcuT4kxPWf995oxX8am9wzmJScLk

https://www.lesoir.be/art/%252Fgrez-doiceau-les-bauchau-regnent-sur-archennes-depuis_t-20041202-Z0Q1FN.html

molen abdij Florival

http://www.molenechos.org/verdwenen/molen.php?nummer=6365

molen Baudot

http://www.molenechos.org/molen.php?nummer=1041

molen Wierincks

http://www.molenechos.org/molen.php?nummer=702

http://www.cpas.grez-doiceau.be/

van Bossut naar Archennes – herfstluchten boven een huizenloos landschap – dit vind je niet meer in Vlaanderen denk ik …..

https://nl.wikipedia.org/wiki/Philippe_de_Coullemont_de_Waterleet

http://pcdn-grez-doiceau.be/news/les-arbres-remarquables-de-grez-doiceau

http://www.belgonatura.be/amisduparcdeladyle.html

hesi en hees:

https://www.encyclo.nl/begrip/hees

zonsondergang op het plateau van Bossut

Trefwoorden : bossut, archennes, natuur, erfgoed, bauchau, coullemont, le train, baudot, wierinckx, hocaille, hezidelle, watermolen

LA FERME EN LE MOULIN DE BEAURIEUX IN COURT-SAINT-ETIENNE

Court-Saint-Etienne – Ferme de Beaurieux

De Brabantse vierkantshoeve La Ferme Seigneuriale de Beaurieux (of Ferme de la Baillerie) aan de Rue Saussale in Court-Saint-Etienne is volgens mij erg bekend in Wallonië bij iedereen die graag eens een feest geeft. Dankzij Le Patrimoine Stephanois en de heel vriendelijke uitleg van mevrouw Vanderstock, de trotse eigenares van de hoeve ben ik er nu al iets meer over te weten gekomen en kan ik je zelfs enkele foto’s van de feestzaal in de enorme vroegere langschuur laten zien. Je bereikt de hoeve vanaf de afrit Court-Saint-Etienne/Beaurieux op de N25. Aan de Rue du Moulin steek je het riviertje L’Orne over en honderd meter verder ben je er. Je komt er ook vanaf het treinstation van Mont Saint Guibert maar dat is wel verder. De hoeve zelf ligt officieel aan nog een kleinere beek, de Ri De Beaurieux. De naam betekent zoiets als ‘mooie plek langs de rivier’ en dat is het blijkbaar al in het jaar 1000 want in die tijd heet het Belriu wat sindsdien langzaam Beaurieux geworden is.

Court-Saint-Etienne – Ry de Beaurieux op weg naar de Orne

Ik heb begrepen dat er in die tijd hier al een boerderij en zelfs een kasteel in de omgeving gestaan moeten hebben maar de huidige gebouwen dateren uit de 18de en 19de eeuw (met oudste delen van 1721) en zijn het resultaat van de samenvoeging van twee boerenhuizen tot één geheel rond een binnenkoer die niet vierkant is omdat die twee huizen niet recht tegenover elkaar stonden. Hoeveel hoeken er nu precies zijn ben ik vergeten te tellen maar volgens het beschermingsdossier zijn het er vijf. Op de Ferrariskaart van 1777 zie je de gebouwen staan. Het is dan nog geen ‘gesloten’ hoeve want de mooie toegangspoort dateert van later datum. Sinds 1988 is de buitenkant van de hoeve (daken en gevels) als monument beschermd. Tot 1994 doen de gebouwen dienst als boerderij maar sinds in 1993 de familie Vanderstock de hoeve aankochten hebben zij het complex met veel zorg omgebouwd tot een plezante erfgoedplek waar je alle soorten grotere en kleinere evenementen kunt organiseren.

Court-Saint-Etienne – Ferme de Beaurieux – Ferraris 1777

De omgeving is nog altijd mooi: er staat nog een hele oude vierkantshoeve aan de overkant van de straat waarvan ik de naam nog moet ontdekken, even verderop is er een nog werkende watermolen en sinds het jaar 1000 zijn er nog wel heel wat huizen gebouwd. Op het pleintje staat een volwassen zomerlinde geplant in 1930 ter ere van België’s onafhankelijkheid een eeuw eerder. De autosnelweg is vlakbij maar op deze plek hoor je hem niet omdat het dorpje wat lager in het dal ligt.

De hoeve blikt terug op een eeuwenoude geschiedenis. Rond het jaar 1040 koopt Abt Olbert van de Abdij van Gembloux in het gehucht Beaurieux 6 percelen, een brouwerij en een deel van de watermolen. In die tijd eeuw wordt het dorp bestuurd door een ‘Seigneur’ met een kasteel op de plek waar het riviertje de Orne samenkomt met de beek Glory (een beetje meer naar het westen) aan de overzijde van de N25.

Court-Saint-Etienne – ferme de Beaurieux – hollandse herdenkingslinde

Dat kasteel is er niet meer maar zijn bewoner moet belangrijk geweest zijn want hij bezat het recht op lage, middelste en hoge rechtsuitoefening. Hij kon een leger bijeenroepen en iemand de doodstraf aandoen. Dit is niet alleen de oorsprong van de ‘Arbre de Justice’ in Court-Saint-Etienne maar ook het begin van het stadje als zodanig. Op het hogere niveau maakt in die tijd heel de streek deel uit van het zuidelijk deel van het Hertogdom Brabant, niet ver van de grens met het Graafschap Namen. Om die grens werden heel wat conflicten uitgevochten en de heren waren geen lieverdjes. Op het einde van de 11de eeuw verklaart Guillaume de Beaurieux de oorlog aan de juist aan de overkant van de grens gelegen Abdij van Gembloux, ik neem aan om de eerdere aankopen van Abt Olbert teniet te doen. Hij zet zich aan het hoofd van zijn legertje en steekt de kerk van Dion le Mont (deel van Chaumont-Gistoux) en een aan de abdij toebehorende ‘ferme seigneuriale’ in brand.  

Court-Saint-Etienne – Ferme de Beaurieux

Zo ging dat in de ‘goede oude tijd’ van toen en het verklaart de aanwezigheid van burchten, donjons maar ook de verregaande versterkingen in de bouw van hoeves zoals de Ferme de Beaurieux want ook de boer moest aanvallen en banditisme kunnen doorstaan. In die tijd behoort een deel het grondgebied in de omgeving van Beaurieux nog toe aan de Abdij van Villers. Na de dood van de laatste heer van Beaurieux wordt het plaatselijk gezag over het gehucht en de boerderij gedeeld tussen de Heren van Walhain en die van Ottignies. Sinds 1504 is hier de woonplaats van de hoge juridische en militaire autoriteiten, in het Frans ‘les baillies’, vandaar dat de hoeve ook ‘Ferme de la Baillerie’ genoemd wordt. Die verblijven er echter maar zelden en nooit lang en de hoeve wordt uitgebaat door elkaar opvolgende boerenfamilies.

Court-Saint-Etienne – Ferme de Beaurieux

In 1721 wordt de eerste steen gelegd van de gebouwen die we vandaag zien. Deze periode wordt in 1786 afgesloten met het uitbreken van de Franse Revolutie. Met de komst van de Fransen worden kerken en kloosters gesloten en moeten de religieuzen de vlucht nemen. In het verhaal over de geschiedenis van de hoeve lees ik dat de monniken van Villers-la-Ville er op hun vlucht langskwamen ‘’sur des chevaux qu’ils excitaient en les frappant au moyen de grandes croix en fer. Ils étaient si gros, qu’à peine l’on apercevait leurs montures sous eux’’. Nadat de stofwolken van hun vlucht waren neergedaald diende de bakoven van de boerderij een tijdlang om gelovigen te dopen en om nonnen onderdak te verlenen onder wie ‘Mère Agnes’, de laatste abdis van het Cisterciencerklooster d’Argenton-Lez-Gembloux met haar nicht, zuster Ida en om de dorpelingen in de juiste leer te onderwijzen. Om naar de mis te gaan gebruikten ze een sluipweg naar Court-Saint-Etienne (el pissint des béguines Piret).

Court-Saint-Etienne – Beaurieux – Ferme Blance

In de nabijgelegen Ferme Blanche – nu een Steinerschool maar in die tijd een hoeve met de naam ‘Ferme de la Quenique’, snijdt in 1804 een door tuberculose aangetaste man uit hout van de Ferme Beaurieux het houten christusbeeld dat vandaag de dag nog te zien is in de kerk van Beaurieux. Na het vertrek van de Fransen wordt de hoeve uitgebaat door achtereenvolgende boerenfamilies. Merk op dat het daarbij gaat om meer dan 140 hectare, een hoeveelheid land waarvan de boer van nu alleen nog kan dromen. Toch moeten het moeilijke tijden geweest zijn want de streek wordt getroffen door een cholera-epidemie. Om die te bezweren roepen de boeren van de ferme de Beaurieux de hulp in van Sint Jozef en dat zou verklaren waarom in de omgeving die naam nog altijd opvallend veel voorkomt.

Court-Saint-Etienne – Ferme de Beaurieux

In de periode voor Wereldoorlog II is de uitbating in handen van de boerenfamilie Vandersmissen. In die tijd staat de boerderij bekend om de kwaliteit van het daar gebakken brood en de inhoud van de wijnkelder maar ook om de diervriendelijke wijze waarmee de boer omgaat met zijn vee en zelfs zijn fokstier min of meer vrij mag rondlopen. Na de oorlog gaat de boerderij opnieuw in andere handen over en einde 1993 is het gedaan met de boerenactiviteiten. Op dat ogenblik is de hoeve al vijf jaar als monument beschermd maar verkeert in vervallen staat met restauratiekosten die voor een boer waarschijnlijk niet te betalen zijn.

Op de website van de hoeve vind je een uitgebreide uitleg over de uitgekiende manier waarop de hoeve gebouwd is en waarvoor alles moest dienen. Oorspronkelijk waren er aan de buitenkant geen vensters om inbraak tegen te gaan. De kleine venstertjes die er nu zijn dateren van onze tijd en dienen vooral om de stallen te kunnen verluchten.

Court-Saint-Etienne – de dakconstructie van de langschuur

Aan de binnenkant staan er tralies voor de vensters. De ingangspoort is zo gebouwd dat de boerenkar na het binnenrijden na een rondje om de mesthoop (nu een gazon) weer kan buitenrijden. De kar kan ook rechtstreeks de grote langschuur in rijden door een poort in de voorgevel en weer naar buiten door een poort in de achtergevel. Alle poorten hebben dikke houten deuren om tegen wind en inbrekers te kunnen en ze zijn ook erg hoog zodat zelfs de hoogste lading ongehinderd naar binnen kan. De daken waren oorspronkelijk van stro. De enorme lange schuur moest dienen voor alle belangrijke landbouwactiviteiten, zowel om de graanoogst binnen te halen en te verwerken als om de koeien te kunnen stallen (de paarden hadden hun eigen stal). Kleine ronde venstertjes (oculi) zorgen voor de verluchting en ook voor het binnen- en buitenlaten van vogels. Ankers in de puntgevels vertonen het jaartal 1721.

Court-Saint-Etienne – Ferme de Beaurieux – hier stonden vroeger de koeien

De hoge stenen pilaren dienen om de dakconstructie te ondersteunen en werden bij de bouw met opzet niet symmetrisch geplaatst om de karren zoveel mogelijk manoevreerruimte te verschaffen. De schuine balken in het dak boven die pilaren zijn dubbel versterkt. De buitenmuren zijn versterkt met steunberen. In feite vertelt de constructie dat er een probleem is van instabiliteit en dat de muren eigenlijk niet dik genoeg zijn gebouwd en niet zwaar genoeg zijn gefundeerd om een houten dak van deze omvang op langere termijn te schragen. Ik denk ook wel dat de huidige dakpannen als bedekking heel wat zwaarder zijn dan het gedroogde hooi dat in de oude tijd werd gebruikt. Bij de restauratie heeft dit heel wat denkwerk opgeleverd om het oorspronkelijk uitzicht te behouden maar de stevigheid en stabiliteit met eigentijdse technologie te verbeteren. De vloer was altijd van steen maar de mooie stenen die je nu ziet, liggen vast op een dikke laag van beton heb ik begrepen. In 1993 stond de schuur nog vol koeien maar dat is vandaag de dag nauwelijks meer voor te stellen. Zo te zien aan de inrichting van nu moet het gebouw nog altijd bestand zijn tegen ferm gedaver tot laat in de vroege uurtjes.

Court-Saint-Etienne – Moulin de Beaurieux

Op het riviertje de Orne vlak bij la Ferme de Beaurieux staat een nog werkende watermolen! In het verleden heeft er juist aan de overzijde van de N25 ook nog een watermolen gestaan en in de omgeving moet er ook nog een windmolen geweest zijn maar die beiden behoren nu tot de categorie ‘verdwenen molens’. Zoals overal in Brabant is er op deze plek al sprake van een watermolen in het begin van de 14de eeuw want in 1312 zou er een gebouwd zijn met een  verval van 1m65 wat tamelijk veel is. Het gebouw dat je nu ziet is in 1837 gebouwd door de weduwe van Antoine Denise Pecqueur met vergunning van de Bestendige Deputatie van de Provincie Brabant op 18/5/1837. Het ‘gevlucht’’ is een metalen onderslagrad met houten schoepen en het moet dienen om graan te malen. Wie er in de vroege jaren de scepter zwaaide weet ik niet.  Van 1861 tot 1916 is de molen in handen van de molenaarsfamilie Dussart en om die reden staat hij ook bekend als ‘Moulin Dussart’. Of deze familie banden heeft met de Moulin Dussart in Chastre-Gentinnes weet ik niet maar het lijkt me waarschijnlijk.

Court-Saint-Etienne – Bieaurieux – le Moulin

Daarna volgen de molenaars van andere families elkaar op. In 1972 is de molen nog in werking hoewel tegen die tijd de drijfkracht vooral wordt opgewekt door een motor en niet meer door het schoepenrad. In 2004 wordt het schoepenrad hersteld en de schoepen vernieuwd en volgens mij is dan het hout vervangen door ijzer. Het rad staat ferm te draaien en je zou hier wel ‘een klap van de molen’ kunnen krijgen als je er te dicht bij komt. De binneninstallatie zou nog aanwezig zijn maar het rad dient tegenwoordig om elektriciteit op te wekken. Het gebouw is gerestaureerd in 2012 door de privéeigenaar en bewoner en hoewel mooi gedaan vind ik dat het als een modern uitziend woonhuis voor een tijdje iets van zijn authentieke karakter verloren heeft (zie ook oude foto’s op Molenechos). Typisch voor het gebouw is het ‘wolfsdak’, dat is een zadeldak met twee steil afgeschuinde vlakken (wolfseinden) aan de korte zijden (de puntgevels). De molen is niet beschermd als waardenvol bouwkundig erfgoed dus wat volgende eigenaars er mee gaan doen weet je dan nooit. Hij zou te bezichtigen zijn ‘op afspraak’ maar hoe je die maakt weet ik niet, misschien gewoon eens vriendelijk aanbellen? Met deze suggestie rond ik deze reeks over Beaurieux af met de vaste bedoeling om binnenkort terug te komen.

++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

https://www.fermedebeaurieux.be

http://www.fermedebeaurieux.be/wp-content/uploads/2016/02/histoire_beaurieux.pdf gedetailleerde beschrijving en mooie tekeningen)

https://www.facebook.com/FermedeBeaurieux

[PDF]

Inventaire du patrimoine culturel immobilier

https://spw.wallonie.be › fiche › 25023-INV-0016-02

http://www.molenechos.org/molen.php?nummer=1266

Court-Saint-Etienne – Ferme de Beaurieux

Trefwoorden : Ferme de Beaurieux, Moulin de Beaurieux, geschiedenis, erfgoed, l’Orne, vierkantshoeve, watermolen, Court Saint-Etienne

LUBBEEK – OP VERKENNING IN NATUURRESERVAAT DE SPICHT

Lubbeek – Op weg naar de Spicht

Natuurreservaat De Spicht in Lubbeek. Over Lubbeek wordt veel gesproken tegenwoordig maar pas sinds kort weet ik dat Natuurpunt in die gemeente een heel mooi en tamelijk groot natuurgebied beheert met de naam ‘De Spicht’. Je bent hier in het Hageland in de vallei van de plaatselijke ‘Molenbeek’ en als je de kaart er bij neemt (zie de afbeelding) zie je dat die beek de bron en bovenloop is van het riviertje de Winge dat van hier naar het noordwesten stroomt om ver na het Troostembergbos en het Kasteel van Horst bij Werchter in de Demer uit te komen (pas op: de Wingebeek ontspringt ten zuiden van Kiezegem in Tielt-Winge en wordt officieel ook als bovenloop beschouwd).

Je komt er door vanaf de Sint Martinus kerk of vanaf de parking aan het reusachtige compleks van ‘politiekantoor-gemeentehuis-sportterrein een klein paadje te volgen naar de ‘Oude Molen’ aan de Broekstraat, een voormalige windmolen zonder kap en wieken, maar waarvan de ronde muren nog stevig recht staan (wacht daar nog een uitdaging?). Na een weide met enkele vriendelijke paarden sta je ineens aan een gloednieuw glazen huis met vrolijk blaffende honden en ga je aan een maisakker bij een infobordje van Natuurpunt een paadje het broekbos in naar een nogal hoog, spekglad mooi bemost knuppelpad dat met zijn lengte van 200 meter (zegt gids Kristof de Cupere) wel het een van de langsten van Vlaanderen zal zijn. De ‘bedding’ van het pad ligt helemaal droog dus er is plaats voor de voetganger maar ik denk dat het hier in de winter onbegaanbaar nat en glad kan zijn.

Lubbeek – de Spicht – na regen komt zonneschijn

Zijpaadjes zijn er niet maar hier en daar kan je zien dat er hooilandjes achter de bomen zijn maar om er te komen moet je wel een zeer drassig leigrachtje oversteken. Aan het begin van knuppelpad is in het hakhout en de bramen een ‘motte’ verborgen. In de oude tijd was dat een opgeworpen heuvel waar de mensen zich op konden terugtrekken in geval van nood. Deze motte stamt uit de middeleeuwen en staat op de oude kaarten aangegeven als ‘Stakenborg’.

De vallei van de Winge bestaat uit vruchtbare leemgrond en is om die reden al duizenden jaren bewoond. In Lubbeek liep vlak langs de Spicht de Gallisch-Romeinse Heirbaan tussen Elewijt en Tienen en op de helling van de vallei zijn resten van een nederzetting gevonden. De oudste dorpskern van het dorp ligt in het natuurreservaat zelf, een motte  uit de vroege middeleeuwen en een bijbehorende watermolen die op het einde van de 13de eeuw gebouwd is. De eerste is er nog, de tweede niet meer. De motte behoorde eerst toe aan de familie Hove en vanaf de 16de eeuw aan de familie Stakenborg.

Lubbeek – De Spicht – zicht op de Motte vanaf het vlonderpad
Lubbeek – De Spicht – kaart Ferraris 1770

Al die tijd diende hij als laatste toevlucht (misschien met een toren) versterkt met palen ‘staken’. Er om heen lag de hoeve, weiland met knotwilgen, een watergracht  en een vijver gevoed door bronwater. Op de oude kaarten staat hij aangegeven (soms als ‘tombe’). In 1887 graaft een boer een deel van de motte af om de vijver te dempen en het terrein vlak te maken. Wat overblijft is een heuveltje van 37 meter in doorsnede en 3 meter hoog. Vanaf de 19de eeuw worden populieren en hakhoutbos aangeplant en als je er nu nog iets van wil zien vanaf het vlonderpad moet je wel precies weten waar hij is. Natuurpunt is van plan hem weer een beetje vrij te maken en dat lijkt mij een fantastisch natuurinrichtingsproject om in te dienen bij het Regionaal Landschap Noord-Hageland. En als ze dat dan toch doen kan wellicht meteen de poel weer opengemaakt worden en de inhoud terug op de Motte worden gelegd. Op die manier doe je misschien tegelijkertijd aan de restauratie van middeleeuws erfgoed en de kweek van kamsalamanders en waterplanten in dit hoogst natuurwaardenvolle kalkmoeras. Om die kamsalamanders daar te krijgen zou er wel een uitzet-project nodig zijn want uit zichzelf raken die niet tot daar.

Lubbeek – De Spicht – veelbelovend kalkmoeras in de Molenbroek (hier zak je dus echt in weg!)
Lubbeek – de Spicht – deel Molenbroek – kalkmoeras met gefaseerd maaibeheer

De watermolen – ook ‘pismolen’ genoemd vanwege zijn klein debiet – was een graanwatermolen met onderslagrad op de Winge/Molenbeek. Ik dacht eerst dat hij sinds 1291 ongeveer op de plek stond waar nu het brugje over de beek is aan het einde van het vlonderpad (in het Molenbroek, de straat heet daar Molendries). Maar volgens mensen die het kunnen weten lag was hij vlak te noorden van de vijver die je op de Ferrariskaart ziet. Dit is dus aan de ingang van het deelgebied Spicht (zie de kaart van Natuurpunt). Hij was eigendom van de Abdij van Park en werd verpacht voor 8 mudden rogge per jaar aan de familie Hove (of een andere pachter, is voor mij niet duidelijk uit de literatuur maar er moeten oorkonden zijn met de juiste vermeldingen). Er zou overigens ook een windmolen moeten hebben gestaan.

In de beschrijving van de Stakenborgwandeling (2012) en die van de Centrumwandeling (2010) lees ik dat de naam en functie van de Stakenborg wellicht te vergelijken is met die van de ‘Cortil des Lattes’ naast de kapel Au Rond Chêne in Tourinnes la Grosse (Beauvechain): namelijk een afgesloten leprozerie aan een kruispunt van belangrijke wegen. Dit heb ik al eens eerder gehoord (zie de links) en het is de moeite waard om dat verder te onderzoeken maar het erfgoeddossier zegt er niets over (eerder tegengesteld). Het kan best kloppen maar een Stakenborg op een motte is niet hetzelfde als een Cortil des Lattes in de weide. Een borg dient om vijanden buiten te houden met staken (tenzij je borg wilt zien als ‘opbergen’) en een cortil is een omheining om mensen of dieren binnen te houden. Melaatsen mochten niet vrij rondlopen in het dorp en moesten in hun eigen kapel naar de misviering. Wel is het zo dat melaatsenkolonies dikwijls werden opgericht op kruispunten van belangrijke wegen zodat de melaatsen konden bedelen en de reizigers hun zonden konden afkopen door een beetje geld te geven. Dit is allemaal voer voor de geschiedkundigen denk ik.

Lubbeek – de Spicht (Natuurpunt) – brugje over de Molenbeek – stond hier ooit de ‘pis’molen?
Lubbeek – De Spicht – Molenbeek/Winge – brugje waar misschien in de middeleeuwen de watermolen stond

Natuurreservaat De Spicht in Lubbeek. De naam komt nergens voor op oude kaarten dus zelfs in onze eigen tijd geven de mensen – in dit geval die van Natuurpunt – namen aan gebiedjes die betrekking hebben op de natuurlijke toestand van de plek die ze beheren. Spicht kom niet van Specht (er zijn zwarte spechten in De Spicht) maar van spichtig en dat betekent ‘lang en dun’. Een Spicht kan een onbeleefde aanduiding zijn voor een wat te slanke dame maar in Lubbeek staat het voor een bundel van dunne takken die bij elkaar gebonden in de slootjes gestapeld worden om droog over het water te komen. Ten noorden van De Spicht is er een straat tussen de N2 Staatsbaan en de Wauwerdries die zo heet dus het gebruik moet al oud zijn.

Het natuurgebied zit vol met oude drainage grachtjes en – zeker als je nog geen bevers hebt –  is dat dus een heel goede manier om met kleine dammetjes het water te beletten te snel uit af te vloeien. Hout onder water vergaat niet snel (zolang er geen zuurstof aan kan) en het is gemakkelijk en goedkoop om aan te vullen. Dat de Spicht zo moerassig is komt niet alleen door de beek en dat is maar goed ook want er zijn nog te veel huishoudens in de omgeving onvoldoende aangesloten op riolering. Het is vooral het propere kwelwater dat opborrelt uit de kalkachtige ondergrond dat maakt dat je in het gebied op de duur dezelfde natuurwaarden kan verwachten als in het Torfbroek.

Lubbeek – De Spicht – een spicht overdwars de sloot in de jungle – in de winter staat hier dus veel water
Lubbeek – De Spicht – het vlonderpad

Natuurpunt deelt de Spicht op in drie deelgebieden: het Molenbroek, de Spicht en het Goorbroek (de naam is veelzeggend). In het eerste zijn veel populieren gerooid en het bestaat nu uit broekbossen met kalkmoeras, afgewisseld met hooilanden. Het tweede bestaat vooral uit rietland langs de beek met open waterpartijen en bulten pluimzegge en werd ook een historisch waardenvol laagveenmoeras hersteld. Het derde ligt een beetje verderop naar het noordwesten op de flank van de heuvel en door het opborrelende kalkrijke kwelwater is er daar een ‘hangveen’ ontstaan. Ik heb het nog niet gezien en je hebt er ook een gids voor nodig want het is niet toegankelijk.

Ook de andere delen zijn alleen te zien vanaf het vlonderpad of onder begeleiding van een gids. De drie delen zijn nog niet met elkaar verbonden en om van Molenbroek naar deelgebied de Spicht te komen moet je vanaf het Vlonderpad bij de herdenkingslinde voor Paul Vanoyenbrugge linksaf een eind langs de smalle Molendries met snelrijdende auto’s en grote nieuwe huizen.

Maar misschien kan er nog eens een smal voetwegje tussen de beek en de baan gemaakt worden? Op de website van Natuurpunt-Lubbeek vind je alle wandelmogelijkheden en ik kom binnenkort terug om die uit te proberen, ook om te weten of ze voldoende autovrij en onverhard zijn om echt van de natuur te kunnen genieten.

Lubbeek – De Spicht – wandelkaart Natuurpunt
Lubbeek – De Spicht – de Specht is medebeheerder van de Spicht

++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

Landschapskrant: Natuur, landschap en erfgoed in Lubbeek – een leidraad voor een gegidste wandeling” – Kristof de Cupere; avondcursus Natuurgids in Leuven, 2017-2018 (verkrijgbaar via Natuurpunt Lubbeek)

http://www.natuurpuntlubbeek.be/

https://www.natuurpunt.be/natuurgebied/de-spicht

www.molenechos.org/verdwenen/molen.php?nummer=6522

https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/300247

https://nl.wikiloc.com/routes-wandelen/stakenborgwandeling-2356788 (2012)

http://nl.wikiloc.com/wikiloc/view.do?id=1361022 (centrumwandeling 2010)

J.Halflants, J.Ryckeboer en G.Vanzavelberg – Prehistorie, Romeinse Tijd en vroege middeleeuwen in Lubbeek, Lubbeek: Heemkundige Kring Libbeke vzw, 2006 (over de Motte) (geciteerd door Kristof De Cupere in zijn ‘landschapswandeling’)

off Lubbeek – De Spicht – een hakhoutstoof als biodiversiteitsbiotoop

Trefwoorden: lubbeek, de spicht, erfgoed, watermolen, motte, wandeltip, natuurpunt, kalkmoeras