Uitgelicht

DE WATERMOLEN VAN ROTSELAAR – DAAR KRIJG JE ENERGIE VAN

juli 2018

Ernst Gülcher

contact: ernst.guelcher (at) telenet.be

De Watermolen van Rotselaar op de Dijle, in de erfgoedinventaris als Maalderij Van Doren vermeld, is van het turbinetype maar dat was niet altijd zo.  De oudste vermelding gaat terug tot 1217, jaar waarin Heer Arnolf II van Rotselaar sterft en zijn bezittingen nalaat aan zijn oudste zoon Arnolf III. In die tijd telt het dorp vier watermolens waaronder de onze die dan staat op het eilandje dat nu nog bestaat.

Door huwelijken komt hij in bezit van de hertogen van Aarschot; achtereenvolgens de families De Croÿ en D’Arenberg. In het Arenbergarchief in Leuven zie je de molen aan de overkant van de Dijle op een 16de -eeuwse pentekening (1544) van het Middeleeuwse Rotselaar. Het is dan een uit hout opgetrokken constructie met een vlechtwerk van leem en stro tussen de balken. Het oudste stenen gebouw, de nog bestaande molenaarswoning, dateert uit 1573. Op een mooie pre-kadastrale kaart in het Arenbergarchief waarop alle hertogelijke eigendommen in Rotselaar te zien zijn, zie je de molen staan. De muren zijn van baksteen, het dak is gedekt met natuurleien en de fundering is van plaatselijke Diestiaanse ijzerzandsteen.

De molen zelf, het nog bestaand witgekalkt gebouw met de hijsinstallatie, dateert uit 1664: hij vervangt het vakwerkgebouw dat op het moleneiland stond en dat tijdens de godsdienstoorlogen vernield is. Pas in dat jaar vindt de Spaansgezinde hertog de politieke en economische situatie terug geschikt om te investeren in de Molen van Rotselaar. Het bouwwerk wordt de op 2 na grootste molen van de Nederlanden met twee, een tijdlang zelfs drie raderen.

Er wordt niet alleen graan van boeren uit de omgeving vermalen, maar ook graan dat via de Dijle vanuit Antwerpen wordt aangevoerd. De Dijle is immers bevaarbaar voor vrachtschepen zij het dat die langs de molen via een sluis moeten passeren (als ik het goed zie op de kaart). Samen met de nieuwe molen wordt door de Brusselse bouwmeester Hanecart in 1662 ook een nieuwe sluis op de Dijle ontworpen waarvan de stenen wanden en het landhoofd nog altijd bestaan.

De watermolen van Rotselaar is het begin van de 18de eeuw al een voor die tijd groot bedrijf dat in de honderd jaar nadien gestadig groter wordt. Aanplakbiljetten van rond 1735 spreken over drie maalkoppels (‘drij paer stenen’) waarop koren, tarwe en mout gemalen wordt, dat laatste voor de plaatselijke bierbrouwerij. Na de aanleg van de Leuvense Vaart in 1752 komen de vrachtschepen voortaan rechtstreeks van Antwerpen naar Leuven en niet meer via de Dijle langs Rotselaar. Omdat alle in Antwerpen gekochte graan vanaf dan met paard en wagen uit Wijgmaal gehaald moet worden wordt in 1777 de nu nog bestaande paardenstal met knechtenverblijf gebouwd. Maar blijkbaar heeft dat geen schadelijke invloed op het molenbedrijf want enkele jaren later zijn er zelfs vier maalkoppels in plaats van drie.

Op de Ferrariskaart van 1777 staat de molen er duidelijk op. De molen werkt verder maar krijgt onder de Franse bezetting en in de periode daarna blijkbaar toch met problemen te kampen.

off Watermolen van Rotselaar – het oude heeft niet afgedaan

Rapporten van 1840 spreken over de slechte staat van de gebouwen. De molen heeft het statuut van ‘loonmolen’ wat betekent dat er alleen gemalen wordt op vraag van de boeren en blijkbaar gaat dat achteruit. Daar komt bij dat alleen inlands graan verwerkt wordt. In later tijd wordt het molenbedrijf een handelsnijverheid waarin de molenaar zelf het graan gaat kopen en de bloem aan de bakkers verkoopt.

In die vooruitstrevende zienswijze komt rond 1840 de familie Van Doren als pachter van de hertog van Arenberg op de Molen van Rotselaar en brengt deze van het ambachtelijke naar het industriële tijdperk. Bekend geworden als ‘Maalderij Van Doren’ schakelt de molen in die tijd over van het ambachtelijke naar het industriële tijdperk. Rond 1870 wordt een nieuwe schuur gebouwd langs de Molenstraat tegen de paardenstal om meer opslagruimte te scheppen.

Rond 1880 wordt de molenmachinerie, tot dan bestaand uit de vier stenen maalstoelen, uitgebreid met een paar cilindermolens. Zulke machines bevatten metalen cilinders die met een verschillende snelheid tegen elkaar indraaien. Tussen de cilinders wordt het graan geplet en uit elkaar getrokken.

In het erfgoeddossier lees ik dat deze maalmethode het “warm malen” genoemd wordt omdat door de grotere snelheid en wrijving dan bij het malen met stenen de temperatuur stijgt. Het resultaat is dat je wel snel een heel fijne witte bloem krijgt maar dat de kwaliteit daarvan iets minder is dan die bij het ‘koud malen’. 

Deze vorm van industrieel malen met cilinders is in die tijd nog een zeldzaamheid maar het maakt de molen erg bekend in de streek en de wijde omgeving want zelfs de boeren van tegen de Nederlandse grens brengen hun koren naar Rotselaar vanwege die fijne witte bloem. In het dossier lees ik ook dat de geïnstalleerde machines ondertussen niet nieuw waren maar tweedehands gekocht bij de industriële molen ‘Remy’ in Wijgmaal. Tegelijkertijd wordt ook werk gemaakt van vergaande automatisatie van het maalprocedé met ‘plansichters’, dat zijn automatisch op en neer gaande zeven om de verschillende delen van het graan te scheiden, en ‘elevatoren’, dat zijn jakobsladders waarlangs het meel in bakjes automatisch naar boven kan worden getransporteerd samen met het luiwerk dat dient om met waterkracht zware zakken op te hijsen.

off Watermolen van Rotselaar – het oude molengebouw

Tot 1902 wordt de molen nog altijd aangedreven door twee raderen groot genoeg om het verval van 2,5m. te benutten maar dan legt het provinciebestuur na grote overstromingen op de Dijle vergaande aanpassing op aan alle moleneigenaars van hun stuwen en sluizen. De hertogin van Arenberg wil de kosten niet dragen en verkoopt de molen aan haar pachter Victor van Doren. Die renoveert de stuwen, vervangt de raderen door een turbine en bouwt de hoge silo. Vanaf 1907 doet ook de elektriciteitsopwekking zijn intrede.

De watermolen van Rotselaar wordt sinds 1902 dus niet meer aangedreven door raderen maar door de in de nieuwe silo geïnstalleerd hypermoderne turbine ‘Phenix’ nr.40 van de Franse onderneming Schneider-Jacquet met een gegarandeerd rendement van 80%.

Met een debiet van 3500 liter water per seconde en een verval van 2,1m levert dat een productie op van 245 zakken elk met 100kg afgewerkt graan per 24 uur en dat is meer dan tweemaal zoveel als tevoren met de raderen.

off Watermolen van Rotselaar – het ijzeren wiel

Sinds 2007 wordt de turbine ook gebruikt om elektriciteit op te wekken door middel van een alternator. Bij een voltage van 230-240 volt kan gemiddeld 50 tot 60 kilowatt stroom geleverd worden. Die stroom is nodig om de molen van verlichting te voorzien opdat er voortaan met een drieploegenstelsel 6 op 7 dagen de klok rond kan gemalen worden. Met het surplus worden op voorstel van de molenaar – dan ook plaatselijk gemeentesecretaris – de beide bruggen over de Dijle van elektrische lantaarns voorzien, iets wat in die tijd nog nergens anders gebeurt.

De vijf verdiepingen hoge stevig gebouwde silo heeft een capaciteit van 60 ton en is een grote trechtervormige kuip die in zes compartimenten verdeeld is om de te stockeren soorten graan te bevatten. Dat wordt aangevoerd door de boeren of door de molenarbeiders. De molen is niet uitgerust om graan in bulk te lossen maar toch koopt de molenaar ook grotere partijen aan die dan door een vervoerbedrijf in zakken worden aangebracht.

off Watermolen van Rotselaar – Maalderij van Doren

De zakken worden gelijkvloers geleegd in een trechtervormige houten bak en vandaar met een ‘bakjeslift’ (elevator) naar het juiste compartiment gevoerd. Meer details over het hele maalprocedé vind je in het erfgoeddossier evenals een uitleg over alle noodzakelijke verbouwingen en over problemen die veroorzaakt worden door het trillen van de turbine. 

In de dertiger jaren wordt nog een loods bijgebouwd en een kantoorgebouw op de binnenkoer en in 1950 worden de gietijzeren schoepen van de turbine vernieuwd. Maar toch is al voor de Tweede Wereldoorlog duidelijk dat de molen met zijn verouderend machinepark en de te krappe behuizing het zal moeten afleggen tegen de grote maalderijen in het Leuvense zoals Remy in Wijgmaal, Hungaria, Van Orshoven en de Leuvense Dijlemolens. In 1968 maalt de molen voor het laatst, het maalcontingent wordt verkocht, de machines verzegeld en alle drijfriemen verwijderd. In 1973 overlijdt de laatste bewoonster en vanaf dan staat alles leeg en raakt in verval door het oprukken van de natuur en het gebruikelijke klein en groot vandalisme. Vooral dat laatste leidt tot razendsnel verval. De website van de molen toont een serie foto’s over de toestand van 1974 van de hand van fotograaf Jan de Vijver.

Vanaf 1976 dringen plaatselijke bewoners aan op bescherming als monument. Bij wijze van eerste stap kan afbraak en verkaveling van het terrein juist worden verhinderd doordat in het gewestplan de site wordt ingekleurd als natuurgebied. De eigenaar zet het geheel dan maar te koop en hoopt kennelijk nog altijd op een goede afbraakprijs want er zitten heel wat bakstenen en metalen in en op de affiche lees je dat de maalderij een massa waardevol hout en eiken balken bevat. Er komen toch geen kopers opdagen, ik vermoed omdat verkaveling tot nieuwbouw onmogelijk is geworden. 

Na tien jaar leegstand wordt op 22 juni 1983 de Molen van Rotselaar definitief beschermd als industrieel-archeologisch waardevol monument en de omgeving als dorpsgezicht. Twee jaar later slaagt de Leuvense VZW ‘TSAP’ (’t Samen Anders Proberen) er in om het geld te verzamelen om de molen aan te kopen.

De leden willen er komen wonen en werken op een soortgelijke manier zoals dat ook het geval is in de Dijlemolens in Leuven. Dit is het begin van het woon- en werkproject Molen van Rotselaar. 

Architect Rob Geys en zijn mensen gaan aan de slag om alles op te meten en plannen te maken. Omdat op verschillende plaatsen de gebouwen dreigen in te storten worden met een eerste overheidssteun in 1987 de eerste instandhoudingswerken uitgevoerd om erger te beletten. Toch is nog de algehele instorting nodig van de oude houten schuur voordat de restauratie echt kan beginnen nadat de toenmalig minister van Monumentenzorg het eerste subsidiedossier ondertekent op voorwaarde dat het aantal woonheden van 4 naar 8 zal worden gebracht.

Maar zoals dikwijls het geval is in restauratiedossiers blijkt de ligging in natuurgebied niet alleen de redding te zijn tegen verkaveling maar ook het begin van een lange en moeilijke weg om in dat gebied de nodige grote woon- en bedrijfswerken te mogen ondernemen. De molenwebsite wijdt daar maar één paragraaf aan maar ik vermoed (weet zeker) dat er toch heel wat mensen van velerlei slag en besluitvaardigheid om de vergadertafel hebben moeten zitten om samen een zeer gedetailleerd restauratie- en beheerplan te bestuderen en uiteindelijk er hun medewerking aan te geven.. 

Op de website van de Molen van Rotselaar lees je hoe na een leegstand van 10 jaar en het instorten van de antieke houten schuur in 1987 de echte restauratie begint. Over hoeveel miljoenen franken, euro’s en arbeidsuren en slapeloze nachten het in deze eerste fase allemaal gekost heeft wordt niet veel gezegd: “met eigen middelen en overheidssubsidie en over een periode van meer dan tien jaar wordt het molencomplex omgevormd tot een eigentijds woon- en werkproject waarin in 9 wooneenheden een dertigtal mensen hun plaats gevonden hebben”. 

In 1991 wordt de molenaarswoning grondig gerestaureerd door het Herselts gespecialiseerde bedrijf Memibo.

Zowel voorbereiding (zoals het opruimen en kuisen) als afwerking wordt door de eigenaars echter zelf gedaan met de hulp van dikwijls jonge vrijwilligers die daarvoor zelfs uit Letland komen afzakken. Het jaar daarna pakt het bedrijf ook de paardenstal met knechtenverblijf aan, het bakhuis en het gebouw van de turbine. Gebouw na gebouw wordt onder handen genomen en in het kader van de bewuste beslissing om oud en modern en de achtereenvolgende bouwstijlen samen te brengen wordt ook het ronde torengebouw op de binnenplaats gebouwd. 

In het licht van mijn ervaringen met restauratie- en bestemmingsproblemen bij erfgoed-monumenten, zeker als die in natuurgebied liggen waar volgens de wet niet gebouwd mag worden vind ik de watermolen van Rotselaar een wel bijzonder geslaagd project waarvan ik verwacht dat het op veel andere plaatsen navolging zal vinden.

off Watermolen van Rotselaar – gedreven

In 1994 wordt de oude turbine gedemonteerd en gereviseerd en in 1995 opnieuw ingebouwd met tandwielkast en generator. De turbine heeft een vermogen van 100PK en levert ongeveer 500.000 KWh groene stroom per jaar ofwel zoveel als het gemiddeld verbruik van zo’n 140 Vlaamse huishoudens. Om de capaciteit te bereiken wordt in 1995 ook de oude 17de -eeuwse sluis vervangen door een dubbele klepstuw met vier schuiven. Op de in 2012 nieuw aangelegde ‘bypass’ (de vistrap) wordt ook zo’n stuw gezet en daar wijd ik nog een afzonderlijke bijdrage aan. Sindsdien wordt het water opgestuwd tot op een verval van 2,40 meter (het ‘pegelpeil’) en is de molen tot een moderne elektriciteitscentrale omgebouwd.

Dat is het begin van de groene stroom coöperatie Ecopower met maatschappelijke zetel in Rotselaar waar je aandelen van kan kopen. In 2006 begint de restauratie en gedeeltelijke vernieuwing van het in 1996 gedemonteerde en in depot gezette machinepark en sinds 2010 staat alles er weer zoals vroeger: 7 cilinderwalsstoelen en 3 steenkoppels. Onder leiding van Memibo is dit immense specialistenwerk grotendeels gedaan door Fons Verbeeck uit Rotselaar en Jan Lambrechts uit Hoeselt). Voor deze fase trekt Vlaams minister Dirk Van Mechelen in 2008 een premie uit van bijna 237.000 euro. Als kers op de taart krijgt de molen in 2013 het embleem van ‘Actieve Molen’ van het Molenforum Vlaanderen.

Als ik het goed begrepen heb zou in de Watermolen van Rotselaar sinds 2010 weer zowat dezelfde hoeveelheid graan verwerkt moeten kunnen worden als in 1902 na de installering van de turbine. In die tijd staat de capaciteit op 245 zakken elk met 100kg afgewerkt graan per 24 uur of wel 24.500 kg per etmaal. Daar kan je heel wat broden mee bakken denk ik dan. In werkelijkheid wordt er echter nauwelijks gemalen en dient heel de installatie bijna uitsluitend om bezoekers te tonen hoe het er vroeger aan toeging. De molen is geen werkende maalderij maar een museum.

off Watermolen van Rotselaar – belangrijk voor de waterzuivering

Er wordt wel alle donderdagen brood gebakken in de houtoven in het bakhuis maar het meel komt van andere molens in de omgeving. Op rondleidingen wordt soms een beetje gemalen maar met een klein losstaand boerengemaal met mini molenstenen. De belangrijkste reden is dat het produktieprocedé dat duizend jaar lang beproefd en goed was, in onze tijd door specialisten in ‘Brussel’ en ‘Europa’ niet meer aanvaard wordt door de wetgeving op de voedselveiligheid. Blijkbaar gaat het vooral om de hygiëne waarbij onder meer etenswaren niet meer in een houten machinerie mogen worden verwerkt. Alleen voor puur demonstratieve doeleinden mag er bij wijze van ‘uitzondering’ gemalen worden maar dan mag het gebakken brood niet worden verkocht.

Bovendien leidt onregelmatig gebruik van de stenen en andere machines tot overdreven schoonmaakproblemen.

Ik heb dit verhaal ook al gehoord van molenaars in andere molens en als het waar is vind het geen goede zaak. Zo verspillen we menselijke inspanningen, gepassioneerde inzet, professionele kennis en ook een massa geld want je hoeft toch niet een heel machinepark volledig te restaureren als je er daarna alleen maar mag naar kijken? Tegelijkertijd zie ik toch ook wel veel molenaars malen op contract, bij monumentendagen, open deurdagen en andere gelegenheden. Volgens mij is er dus nog een uitdaging voor de toekomst: hoe kan deze molen en alle andere molens die al gerestaureerd zijn of worden, opnieuw op ambachtelijke (kleinschalig) wijze voor ons hoogwaardig dagelijks brood zorgen? Voor de rest is heel dit project natuurlijk een fantastisch verhaal. De molen produceert groene stroom en is het centrum van Ecopower. Op de website vind je alle informatie over talloze sociale en culturele  activiteiten en wat er daar allemaal zo bij komt kijken. Binnenkort is het opnieuw molenfeesten en ik denk dat het de moeite waard is om dan een bezoekje aan de molen te brengen. Ik kom hier zeker nog terug.

De Watermolen van Rotselaar speelt een zeer belangrijke rol voor de waterzuivering. De Dijle heeft in Rotselaar een stroomsnelheid van ongeveer 5 kubieke meter per seconde. Tussen Leuven en Rotselaar daalt de rivier van 12m40 naar 10m00 op een afstand van slechts enkele kilometers. In de molen merken ze dat de Leuvenaars hun rivier al eeuwenlang beschouwen als de geregelde vuilnisdienst want ze gooien er nogal wat in zoals plastic flessen, glas, blik, meubilair, matrassen, Tv’s, ijskasten en diepvriezers. Op een jaar tijd spoelen er ook meer dan 2000 dierenlijken aan van ratten, katten, honden, kippen, konijnen, schapen, geiten, kalveren en zakken met slachtafval. Twee keer haalden ze er ook al een mensenlichaam boven. Dat mag absoluut niet in de turbine komen en om het water proper te maken moet het er gewoon allemaal uitgehaald worden. Er spoelt ook veel hout aan, zowel gezaagd als met de wind in de rivier gevallen al dan niet met hulp van de oprukkende bevers maar daarmee voorziet de molen zich tenminste van gratis brandhout. En dan is er natuurlijk ook al het natuurlijk materiaal zoals takken, bladeren en kroos. Met een grote machine wordt alle dagen 500 kg zwerfvuil opgehaald en dat is alle vijf weken een container vol. Na moeizaam onderhandelen wordt die container weggehaald door en op kosten van de Vlaamse Overheid maar al het ophalen en sorteren wordt door Ecopower gedaan en betaald.

Daarnaast is er een oplossing gevonden voor de migratie van de vissen. Vissen moeten de rivier op en af kunnen en bij molens is dat een probleem als er geen omleidingskanaal ofwel een vistrap is. Naarmate ons water weer properder wordt komt er weer vis op en om die reden legt de Vlaamse Overheid (Vlaamse Milieu Maatschappij) in 2011/12 een vierhonderd meter lange waterbedding rond de molen aan ter vervanging van de eeuwenoude Leibeek die enkele decennia geleden in een buis is gestoken en dus niet meer als vistrap kan dienen. Veel molenaars – vooral op kleine waterwegen – hebben bezwaren tegen zulke vistrappen omdat al dat afgeleide water ten koste gaat van het debiet bij hun molen. De oplossing daarvoor is om aan de vistrap een stuw te plaatsen die gesloten kan worden als de molen te weinig water heeft om te kunnen werken. Het is een mooie vistrap geworden met een natuurlijk uitzicht maar naar mijn goesting is er ter hoogte van de molen zelf te veel beton en koel staal gebruikt zodat het nogal afsteekt tegen de oude gebouwen. Daar zal wel een goede reden voor zijn maar ik houd meer van het gebruik van natuurlijke materialen in zulke omstandigheden. Maar er staan ondertussen ook veel bloeiende planten en zelfs druivenstruiken tegen en dat doet ook al goed.

+++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

https://www.molenvanrotselaar.be/

+++

https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/200216

(o.m.: technische beschrijving plus inventaris van het machinepark)

+++

http://www.molenechos.org/molen.php?AdvSearch=497

(hier ook veel literatuurverwijzingen)

+++

zie ook: http://ernstguelcher.blogspot.com/ met trefwoorden, watermolen, rotselaar, erfgoed, arenberg, geschiedenis

+++

https://dirkvansintjan.wordpress.com/waarom-groen/

een rondleiding door de molen

+++

https://www.samenhuizen.be/de-molen-van-rotselaar

+++

https://www.ecopower.be/over-ecopower/onze-investeringen/kleine-waterkracht-rotselaar

off watermolen van Rotselaar – ezels zijn van alle eeuwen

Trefwoorden: watermolen, energie, elektriciteit, dijle, rotselaar, arenberg, vistrap,

Advertentie

BOVENOP DE BENINKSBERG IN WEZEMAAL (ROTSELAAR)

Uitgelicht
Beninksberg – Wezemaal (Rotselaar)

De Beninksberg in Rotselaar steekt zo’n vijftig meter uit boven de omgeving en hoewel dat natuurlijk nog niet zo erg bergachtig is heb je er prachtige uitzichten over de Wingevallei. De berg is een heel mooi voorbeeld van de voor het Hageland typische ijzerzandsteenheuvels ofwel Diestiaanheuvels. In tegenstelling tot vele soortgelijke heuvels bleef de heuvel grotendeels onbebouwd en omdat hij met de nabije omgeving sinds 1977 beschermd is als cultuurhistorisch landschap zal dat gelukkig ook wel zo blijven.

In 1991 kocht de Vlaamse overheid het grootste deel van het gebiedje aan en dat was in 1993 het begin van het 50 ha grote Vlaamse natuurreservaat Beninksberg. Er zijn een paar mogelijkheden om als voetganger de berg te verkennen en daarvoor neem je best het Klein-Vlasselaarpad dat vertrekt van de parking op de hoek van de Blauwmolenstraat – Klein-Vlasselaar, 3221 Holsbeek (zie de kaart). Tussen enkele akkers aan de voet van de berg ga je naar boven en dan rechtsaf een bijzonder mooie holle weg die al direct opvalt door de mooiste Robinia’s die ik ooit gezien heb. Je kan ook linksaf en dan kom je al snel onderlangs een heel mooi berkenbos.

Naarmate je hoger komt krijg je mooie vergezichten, in het bijzonder bij het passeren van een hele grote wijngaard. Aan het einde van de holle weg ga je links langs enkele huizen en dan even verder opnieuw links om het pad langs de andere zijde te volgen. Op de knooppuntenkaart van het wandelnetwerk Hageland staat de hele route netjes aangegeven. Op het bovenpad kan je je verwachten aan heidevelden, Konikpaarden, nog veel bos (kastanjes) maar ook aan lawaai van de autosnelweg en afdalende vliegtuigen.

Beninksberg – Wezemaal (Rotselaar)

Het meest noordelijke lage pad gaat zo vlak langs de E314 dat mijn oren er zonder oordoppen niet tegen bestand zijn zolang die weg niet helemaal overkapt wordt dus daar ga ik niet langs. Maar dat overkappen komt nog wel en dan kan men misschien een fietssnelweg juist buiten de kap leggen.

Vondsten uit het stenen tijdperk op de Beninksberg in Holsbeek wijzen op zeer oude bewoning. In de late middelleeuwen staat de berg vermeld op oude kaarten als Hellegaterberg en Burinsberg (zie Villaretkaart van 1745) en is hij bedekt met bos. Rondom de berg zijn er dan al akkers en op de berg wordt wijn verbouwd. Het is onzeker of er ooit ijzerzandsteen gewonnen werd, aan de westkant is er een plek die op een groeve lijkt maar door wie en naar wat daar gegraven werd weet men niet.

Op de Ferrariskaart van 1777 en de Vandermaelenkaart van 1854 verschijnen de namen Benninckbergh en Beeninkxberg. Na de 16de eeuw wordt naaldhout aangeplant maar op het einde van de 19de eeuw wordt dat omgezet in loofbos. In de loop van de twintigste eeuw worden enkele percelen op de berg en de zuidelijke helling in gebruik genomen als akkers maar vooral als hoogstamboomgaarden.

Beninksberg – Wezemaal (Rotselaar) – wijngaard met uitzicht

De door de zon opgewarmde kalkstenige bodem is uitermate geschikt voor de teelt van steenvruchten zoals perziken. Het hoogtepunt is na de Tweede Wereldoorlog – waarbij veel ‘nutteloos bos’ in boomgaarden wordt omgezet – maar twintig jaar later gaat het alweer achteruit vooral door de invoer van fruit uit de zuidelijke lidstaten van de dan nog Europese Gemeenschap (Europese Unie). Hier en daar werd overgeschakeld naar appels maar tegenwoordig is de commerciële fruitteelt helemaal verdwenen hoewel er nog altijd een aantal boomgaarden staan (onder andere peren).

Op de zuidhelling kom je wel een flink uit de kluiten nieuw aangelegde wijngaard tegen die je ook op afspraak kan bezoeken. De Beninksberg zelf is bedekt met loofbos (robinia, berk, tamme kastanje, zomereik) en enkele percelen naaldhout (fijnspar, douglas). De zuidelijke helling kent een eigen microklimaat en is warm en droog, hier zijn droge heidebegroeiingen en eiken-berkenbos kenmerkend. De noordelijke helling is koeler en herbergt ook vochtige heischrale graslanden. In deze tijd van het jaar (september) kwam ik bij een vorig bezoek opvallend veel parasolzwammen tegen maar dit jaar zie ik ze niet (te warm en te droog?). Zowat op het hoogste punt stuit ik op een heuse mierenhoop van rode bosmieren. Wie wil genieten van de rust en de uitzichten kan gebruik maken van de mooie banken die het ANB hier heeft gezet, zeker als de zon schijnt. Onder langs de berg loop de oude bedevaartweg die tegenwoordig het Sint Jobs pad heet.

Beninksberg – Rotselaar

De Beninksberg in Rotselaar is niet alleen een natuurgebied. Aan de ingang staat het bordje Sint-Jobs pad en over die (deels) holle weg lees ik in het erfgoeddossier dat hij eeuwenlang gebruikt is door pelgrims die van heinde en ver naar de Sint-Martinuskerk in Wezemaal kwamen om Sint-Job te vereren in de hoop om genezen te worden van de akelige geslachtsziekte die we nu kennen al syfilis. Daarvan krijg je zweren over je hele lichaam en Sint-Job staat bekend om daar wonderen tegen te kunnen doen.

De kerk staat er al in het jaar 1000 maar het heiligenbeeld in de kerk dat het onderwerp was van de devotie is vervaardigd op het einde van de 14de eeuw en uit een archiefstuk uit 1437 blijkt dat het uitgeven van door de Paus gedekte aflaten toen al flink wat inkomsten opleverde. Het aantal bedevaarders groeide gestadig in de 14de eeuw om tot een hoogtepunt te komen rond 1515. Syfilis brak als plaag uit in Napels rond 1494 en verspreidde zich vandaar over heel Europa. Dat was een gelukje voor die van Wezemaal want in 1498 werd de kerktoren in brand gestoken en dankzij een ferme lokale anti-zweren campagne kon massaal pelgrims gelokt worden met wiens offergeld de herbouw werd bekostigd. De pelgrims langs de Beninksberg kwamen uit Nederland, Engeland en Lotharingen.

Wezemaal (Rotselaar) – Beninksberg – geit in actie

Het Sint-Jobs pad staat voor het eerst op een kaart van 1657 met de eigendommen van de Abdij van Park en nadien ook op latere kaarten zoals die van Ferraris (1777) en Popp (1879). Na 1520 valt het aantal pelgrims terug vanwege de opkomst van het protestantisme.

Of die pelgrimstochten iets opbrachten voor de pelgrims weet ik ook niet. Om dat te weten zal ik het al in 2011 verschenen boek van Bart Minnen (en co) moeten lezen maar ik weet niet of het nog verkrijgbaar is (de auteur heeft het niet meer zegt hij). Ik denk dat ik er meer over wil zien te weten te komen. De pelgrimsweg is vandaag de dag een mooie wandelweg waar je geen bedevaarders meer tegenkomt maar wel geiten, biggetjes en als ze in de buurt zijn ook erg tamme fiere konikpaarden.

De brave paarden die je op de Beninksberg tegenkomt dienen voor de begrazing. Enkele jaren geleden waren het nog Noorse Fjordenpaarden (Noorse Grazers) maar die zijn vervangen door mooie niet zo heel grote Koninkpaarden. Die horen eigenlijk tot een ras van wilde paarden dat was uitgestorven (opgegeten?) maar ze zijn heropgefokt en worden in Polen gehouden. Ze zijn bijzonder geschikt om in natuurbeheer begraasde graslanden kort te houden. Zolang je de wei niet kaal laat eten eten ze alleen gras zodat andere planten een kans krijgen zo. Ze hebben praktisch geen verzorging nodig en blijven het hele jaar buiten hoewel de boswachters wel voor een beschutting zorgen.

Rotselaar-Wezemaal – Beninksberg – Konikpaarden (en geen Noorse grazers)

Anders dan hun grote broers de opgefokte renpaarden worden koniks zelden ziek. En tenslotte – erg belangrijk als je ze laat grazen op plaatsen waar veel mensen passeren – ze zien er wel wild uit maar ze hebben een heel braaf en rustig karakter dus je hoeft er geen schrik voor te hebben. Wat dat betreft is er wel iets eigenaardigs. In het Meerdaalwoud grazen ze op het hermetisch met dubbele hekken afgesloten vroegere militaire terrein, nu natuurreservaat aan de onthaalzone de Speelberg boven Sint Joris Weert. Je kan en mag er absoluut niet bijkomen. Op de Beninksberg lopen ze zowat vrij rond hoewel ze niet echt van de berg kunnen afkomen. Als bezoeker wandel je er tussen door en wie geen schrik heeft van paarden en de dieren niet lastig valt wordt er rap vriendjes mee. Anderen blijven gewoon een beetje op afstand want de paarden trekken zich van mensen niets aan. Honden zijn op de berg niet toegelaten, ook niet aan de lijn en dat is uiteraard wel nodig want honden en paarden is zonder gespecialiseerde training geen goede combinatie. Ik hou meer van de open manier van werken op de Beninksberg dan van het afsluitingsmodel in het Meerdaalwoud. Fietsen zijn ook niet toegelaten op de berg (‘in het domein’) maar er is een MBT route helemaal rond.

Vroeg of laat vraagt de bezoeker van de Beninkberg en andere Hagelandse heuvels zich af hoe die bergen van ijzerzandsteen die daar ooit gekomen zijn. Als je op kaart kijkt zie je dat ze ongeveer evenwijdig lopen met de huidige kustlijn. Om die reden dachten de geologen tot voor kort dat het zandbanken zijn die de zich terugtrekkende Diestiaanzee zo’n vijf miljoen jaar geleden achterliet. Die banken zaten vol met glauconiet, een mineraal dat daarna oxideerde tot limoniet waardoor de zandkorrels aan elkaar gekit werden tot harde erosiebestendige  ijzerzandsteen. Met de opheffing van de bodem en de stroom van het water werd het zachtere zand tussen de zich vormende heuvelruggen in de valleien afgevoerd.

Beninksberg – Wezemaal (Rotselaar)

Die theorie is zo eenvoudig dat niet-geologen met inbegrip van natuurgidsen (met inbegrip van mijzelf) het aan het publiek kunnen uitleggen en dat ook doen. Het is jammer maar er klopt blijkbaar niets van. In het erfgoeddossier lees ik dat dankzij ‘vooruitschrijdend wetenschappelijk inzicht’ (waar horen we dat nog tegenwoordig?) er een andere verklaring is. Ik probeer het samen te vatten: de zee trok zich niet terug in westelijke richting maar naar het noord-oosten en de historische kustlijn liep niet evenwijdig aan de heuvelruggen maar stond er dwars op.  Sinds 2014 denken de geleerden dat 10-12 miljoen jaar geleden ten noorden van ons land de afwatering ging naar de diepliggende vallei van de (oer)Rijn. Met het stijgen van de zeespiegel vulden de daardoor gevormde geulen zich op met glauconiethoudend zand. Met het terugtrekken van de (Diestiaan)zee enkele miljoenen jaren later kwamen die geulen droog te liggen en verhardden zich door de hiervoor uitgelegde oxidering tot de ijzerzandsteenbanken. Latere ijstijden hebben het zachtere zand tussen de banken afgevoerd in noord-oostelijke richting en de banken zijn met de tijd en de opheffing van het land heuvels geworden met de rivierdalen ertussen. Over het gebied hebben de noordenwinden tijdens de laatste ijstijd nog een laagje vruchtbare leem gestrooid en dat is ondertussen grotendeels van de heuvels afgegleden naar de valleien. Als ik het mis heb met deze kort-door-de-bocht-samenvatting hoor ik het graag maar dit is wat ik er van begrijp.

Beninksberg – kaart Ferraris 1777
Beninksberg – Wezemaal (Rotselaar) – kaart OSM

Met deze samenvatting beëindig ik mijn eerste verkenning van alweer een mooi natuurgebied en kan ik je vooral aanbevelen om er zelf ook eens een kijkje te gaan nemen.

++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

Beninksberg – Erfgoedobjecten – Inventaris Onroerend Erfgoed

https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/305759

https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/305761

‘Den Heyligen Sant al in Brabant’, door Bart Minnen, Michel Tilleman, Pierre Van Hecke, Marike de Kroon, Frans Doperé, Ingrid Geelen, Anna Bergmans, Dirk Van Eldere, Steven Mariën, Luc Rombouts en de Kulturele Kring van Wezemaal. Uitgeverij Averbode, najaar 2011

Beninksberg | Agentschap voor Natuur en Bos

https://www.natuurenbos.be/beninksberg

https://mtbroutedatabase.be/vlaamsbrabant/rotselaar.htm

Holsbeek – Beninksberg – Parasolzwam

Trefwoorden: wezemaal, rotselaar, beninksberg, anb, natuurreservaat, geschiedenis, konik, heide, sint job,