Uitgelicht

De Springputten in het Meerdaalwoud – Explosief Oorlogserfgoed

Juli 2021

Ernst Gülcher

contact : ernst.guelcher (at) telenet.be

Op zoek naar het pokdaligste (!) natuurreservaat(je) in ons land? Dan kun je terecht aan de springputten in het Meerdaalwoud. Dit is oorlogserfgoed. Pak de kaart van het bos er maar even bij en zoek te voet je weg naar de kruising tussen Prosperdreef en Walendreef op het grondgebied van de gemeente Oud-Heverlee.

Vlak achter een Miradal-paaltje, een grote beuk  een picknictafel en twee metalen ‘shelters’ is het terrein bezaaid met (dikwijls diepe) putten, de een na de ander, zo ver als je kan kijken tussen de bomen en hier en daar staat er water in. Over de geschiedenis van deze merkwaardige zaak vind ik tegenwoordig niet zoveel meer en zeker niet op het internet. Gelukkig heb ik een kopie vastgekregen van een gedetailleerd verslag uit 2007 van de hand van Joseph Verbist, en wat daarin staat te lezen maakt grotendeels deel uit van wat ik hierna vertel, zij het dat je bij zijn tekst moet zijn voor veel meer details over de werkwijze.

Onmiddellijk na het staken van de vijandelijkheden groeven Britse militairen een hele serie stockeerplaatsen langs de Kromme Dreef en maakten ze een tweetal diepe putten om de obussen te doen ontploffen om er van af te geraken. Die stockeerplaatsen zijn er nog en vooral in de winter goed te zien.

Al snel werd de aanvoer te groot en nog in 1944 viel de keuze op een door de Duitsers kaalgekapt terrein ten noordoosten van de kruising van de Walendreef en de Prosperdreef in de ‘Omheining van de Vergerée’. Dat terrein was eigendom van het Ministerie van Landbouw en werd aan Defensie overgedragen. Sindsdien heet dit stuk ‘Omheining van de Put’.

Langs de noordzijde van de Walendreef werd vanaf de Naamsesteenweg een smalle spoorweg aangelegd die doorliep tot in het midden van het nieuwe vernietigingsterrein. Op het terrein werden langs beide zijden van het spoor drie putten gemaakt, waarin munitie opgestapeld en met grond overdekt werd.

Langs de Walendreef kwamen twee schuilplaatsen. Ze werden gebouwd met metalen golfplaten en bedekt met grond. Aan de dreef werden ze afgeschermd door een wand van met zand gevulde munitiekisten.

De schuilplaatsen bestaan nog steeds, de wanden ervan werden einde jaren 70 verwijderd.

De munitie werd aangevoerd op vrachtwagens die dan op de Naamsesteenweg werden overgeladen op de spoorwagonnetjes die door de ontmijners tot aan de putten werden geduwd. In de periode 1944-1945 kwamen er op verzoek van het Amerikaanse ontmijningsteam van de basissen van Beauvechain en Melsbroek twee putten bij.om niet-ontplofte Duitse bommen rond en op de vliegvelden onschadelijk te maken

Op een luchtfoto uit 1948 zijn 6 putten goed herkenbaar. Het spoortje werd al snel niet meer gebruikt omdat de aangevoerde munitie te zwaar werd om over te laden (er waren obussen bij van 500 kg) en lange wachttijden ontstonden voor het verkeer en de trams op de Naamsesteenweg.

De munitie werd tweemaal per dag tot ontploffing gebracht vanaf een plek achter een dikke boom aan de overzijde van de Prosperdreef. Blijkbaar moest je als ontmijner maar niet al te dik zijn. De ontploffingen gingen tot 12 meter diep en eenmaal per jaar werd het terrein door bulldozers geëffend. Met de spade werden nieuwe putten gegraven, op het laatste waren dat er wel zeventig, de ene al wat groter en dieper dan de andere.

Het werk was primitief en gevaarlijk. In feite is het een wonder dat er in de loop van de tijd aan de putten ‘slechts’ twee ongelukken zijn gebeurd. Op 15 januari 1946 ontplofte een zware 128mm granaat en daarbij vielen er twee doden, de soldaten Gerard Marchand en Marcel Vandermotten. Twee andere soldaten, August Berges en Fernand Carmois werden gewond. Op 29 augustus 1961 ontplofte er munitie bij het lossen van een vrachtwagen en maakte een eind aan het leven va de soldaten Armand Andries en Edmond Nuyts. Twee andere soldaten werden gewond: Louis Van Hauw en Désiré van Hove.

Om hen te gedenken staat er een monument aan de ingang van het militair Kwartier Meerdaal aan de Naamsesteenweg. Tot in 2004 stond het aan de ingang van de Walendreef maar bij de inrichting van het Ecoduct werd het verplaatst. Op het monument zijn de namen van de gedode slachtoffers gebeiteld zoals hierboven genoemd (bij J.Verbist luiden de namen een beetje anders).

Het ministerie van Defensie gebruikte dit terrein tot in de zestiger jaren. Tot in je jaren vijftig werden alle dagen grote hoeveelheden vernietigd in reeksen van twee ontploffingen, telkens op het einde van de voormiddag en de namiddag. Daarna gebeurde het nog om de twee of vier weken. Elke keer werd de Naamsesteenweg afgesloten, niet alleen voor de auto’s maar ook voor de tram. Hoeveel munitie er in totaal is vernietigd is nooit bekend gemaakt (misschien ook niet geweten) maar het moeten duizenden tonnen springstof geweest zijn.

Met het veranderen van de tijden kwamen er alsmaar meer klachten over de overlast (bij de ontploffingen rinkelden de ruiten tot in het centrum van Leuven en soms vlogen ze aan scherven) en bovendien moest er voortdurend wacht gehouden worden om dieven van lokale koper- en andere metaalverzamelaars uit het gebied weg te houden (de ‘Roemenen’ van toen).

Toen er dan ook nog grondig verschil van mening opdook tussen de diverse belanghebbende ministeries wie de aanvoerweg in het Meerdaalwoud moest onderhouden, droeg Defensie in maart 1967 het hele bijna cirkelvormige gebied met een doorsnede van ongeveer 150 meter en een oppervlakte van twee hectare over aan de overheidsdienst Waters en Bossen. De stilte in het bos keerde daarmee terug maar wat er overbleef leek in geen enkel opzicht nog op een bos.

Op een luchtfoto van 1969 ziet het springputtenterrein er uit als een maanlandschap. Op een andere foto in 1972 zie je dat er in bijna alle putten water staat en dat er hier en daar al berkjes en wilgjes beginnen te groeien terwijl een eerste plantendek de omgeving aarzelend groen begint te kleuren. Een tiental jaren trok het terrein heel wat biologen en botanici aan die tot hun verbazing ontdekten dat er in en rond de putten niet alleen heel veel soorten planten wilden groeien maar ook allerlei soorten die je elders in deze bosomgeving met zure bodem of zelfs in heel Vlaanderen niet snel zal vinden.

De oorzaak van die bijzondere begroeiing is de combinatie van water met al de uit de putten opgeworpen chemisch vervuilde leem- en kalkachtige grond. Meer details over alle inventarissen die toen zijn gemaakt vind je in het boek Miradal in het hoofdstuk ‘De Planten in de Springputten’ (pagina 216-218, geschreven door André Cresens).

Rond 1976 was de pret alweer afgelopen omdat de bomen en struiken het overnamen. Nadien werden die nog enkele keren weggekapt door vrijwilligers bij de scouts maar dat stopte in 1982 nadat bleek dat er zich in de putten hier en daar nog niet ontplofte munitie bevond. Het terrein werd afgesloten en tot officieus reservaat verklaard en sindsdien hebben de bomen en struiken het overgenomen en weten alleen de kenners nog in het  voorjaar de lentebloeiers te vinden voordat de bladeren aan de bomen komen.

Het beheerplan over het Meerdaalwoud van 2007 wijdt enkele pagina’s aan het gebied. Daarin vind je dat de putten, – ondertussen poelen geworden – erg geschikt zijn voor zeldzaam geworden amfibieën zoals salamanders: “de ‘Springputten’ vormen anno 2000 nog één van de interessantste plaatsen met zeer veel groene kikker en met de 4 salamandersoorten (kleine water-, kam-, vinpoot- en Alpenwatersalamander)”.

Maar het Meerdaalwoud bevat in die tijd ook een tamelijke groot volkje van de heel zeldzame vuursalamander en blijkbaar moet een groot deel daarvan zich in de Springputten hebben gevestigd. Ondertussen zijn we alweer 15 jaar verder en hoe de toestand nu is kan ik niet beoordelen. Na een excursie een tiental jaren geleden heb ik er niets meer over gehoord. Op zich zegt dat niets want het monitoren van zeldzame soorten (in dit geval door Natuurpunt) gebeurt om begrijpelijke reden in alle stilte en op ‘Waarnemingen’ zul je de locatie niet vinden.

Ik hoop dat een van degenen die het weten het tegendeel kunnen bevestigen maar ik vrees dat de vuursalamanders het slachtoffer geworden zijn van de gevreesde agressieve schimmelziekte Batrachochytrium salamandrivorans (Bs). Maar gezien de ontoegankelijkheid en de duisternis over en rondom de poelen denk ik ook dat de biotopwaarde voor amfibiën ook verloren is gegaan, al was het maar omdat er geen enkele open plek met een beetje zon meer is.

Na lang aandringen en veel discussie hebben bij de historische ontsluiting van het Meerdaalwoud de bosbeheerders de Springputten als te ontsluiten erfgoedrelict vrijgegeven en in de in 2013 gepubliceerde Miradalbrochure laten opnemen met bijbehorend paaltje en zelfs een paadje tussen de twee shelters.

Maar ik heb de indruk dat er niemand meer komt maar misschien is dat ook wel goed. Voor natuurliefhebbers is het een goede plek om te zien hoe een bos zich ontwikkelt tot een gemengd ‘oerbos’ als het totaal aan zichzelf wordt overgelaten. Al wat een bos te bieden heeft kun je hier vinden aan mossen, dood hout, zwammen, schimmels en voorjaarsbloeiers. Zelfs als je er in zou willen – wat niet aan te raden is want niet goed voor de natuur en wellicht nog altijd onveilig om in zo’n put af te dalen (er is echter nooit een ongeluk gebeurd) – houden al het kriskras door elkaar levende en dode hout en de bramen je wel tegen.

In de zomer wandel je er voorbij zonder iets te zien, in de winter kan je de putten tegenwoordig wel goed zien vanaf de Walendreef. En het hele jaar kan je natuurlijk je picknick opeten aan de monumentale tafel onder de al even eerbiedwaardige beuk aan de Walendreef en je de ietwat cynische vraag stellen of oorlog tussen mensen en volkeren nu wél of toch niet goed voor de natuur is. Op voorwaarde natuurlijk dat je achteraf je zakje ook graag weer meeneemt want menselijke afval in een bos heeft alleen maar slechte kanten …

+++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

+++

https://www.natuurpunt.be/pagina/vuursalamander

+++

Universiteitsbibliotheek Gent Zoekresultaten

https://lib.ugent.be › catalog

Floristische en fytosociologische studie van de “Springputten” in Meerdaalwoud. Maria Dewit Submitted in 1979 in Leuven. Dienstverlening · Dienstverlening.

+++

Hans Baeté en anderen; Miradal Erfgoed in Heverleebos en Meerdaalwoud, Davidsfonds Leuven2009, ISBN 978-90-5826-642-8

+++

Springputten Meerdaalwoud. Zeer uitgebreide tekst uit 2007 (ook met de in deze tekst vermelde foto’s) geschreven door Joseph Verbist (maar waar deze gepubliceerd werd weet ik nog niet)

bron voor beide plattegronden: artikel Joseph Verbist
https://bel-memorial.org/cities/vlaams-brabant/meerdaal/meerdaal_mon_ontmijners.htm

Trefwoorden: Meerdaalwoud, springputten, tweede wereldoorlog, munitie, natuurreservaat, defensie, erfgoed, salamander,

Advertentie

ORP-JAUCHE – LE PARADIS VAN KALKGROEVE TOT NATUURRESERVAAT

Uitgelicht

Januari 2021

Ernst Gülcher

contact: ernst.guelcher (at) telenet.be

Orp-Jauche – een vlinder in het Paradijs

Orp-Le-Grand vind je na zowat een kwartier rijden vanuit Leuven langs de E40 vanaf afrit 26. Het is samen met Orp-Le-Petit, Jauce en nog enkele dorpjes sinds 1977 deel van de fusiegemeente Orp-Jauche. Ooit was deze streek deel van het hertogdom Brabant en in de taal van die tijd stond ORP voor DORP en zoals in zoveel Brabantse dorpen bevond je in die tijd hier al in een toen al eeuwenlang grotendeels ontbost open golvend landschap met veel akkers en vierkantshoeves maar ook kerken, kloosters, kastelen, watermolens en zelfs een echte grot.

Over die rijke geschiedenis moet ik nog meer horen en zien, net als over het riviertje La Petite Gette dat dwars door het dorp kronkelt (met nog het klein vogelreservaat La Jaucière) op weg naar de Gette, de Demer en de Dijle.

In de 19de en 20ste eeuw heeft het dorp een industrieel aanzien gekregen, onder meer door de vestiging van een suikerfabriek en de aanleg van een spoorlijn

En toch kan je hier op zoek naar het paradijs. Sinds ik een jaar of wat geleden de ‘Réserve Naturelle Du Paradis’ in Orp-Jauche heb ontdekt ga ik er af en toe graag eens naar toe omdat het een bijzonder mooie plek is met als extra bijzonderheid dat het er niet meer om de paar maanden helemaal van uitzicht verandert omdat nijvere natuurinrichters er ‘iets anders’ van willen maken.

Orp-Jauche – Réserve Naturelle du Paradis – pak een krijtje uit de wal

Groot is deze voormalige industriële krijt- en mergelgroeve niet, ik denk niet meer dan zo’n 2,5 hectare.

Maar op de smalle paadjes langs de hoge steile wanden of aan het kleine meertje in de diepte ben je heel even wel erg verwijderd van de grote drukte in de rest van de wereld.

Tot 1899 was deze krater een heideachtige helling in de vallei van La Petite Gette en deel van de mooie natuur in die tijd. Op de Ferrariskaart van 1777 zie je die helling ingetekend. Maar vanaf dan werd er tot 1956 op  industriële schaal kalk uitgegraven als grondstof voor de cementindustrie en ging het er vele decennia heel wat minder paradijselijk aan toe.

Op de NGI-kaart van 1969 staat de groeve er overduidelijk op. In het dorp wordt aan bezoekers verteld dat de naam ‘Paradis’ ontstond doordat men de lijken van dode dieren in de kalk verbrandde, blijkbaar in een soort van geloof dat die dan op een goede plek in de hemel zouden belanden …. Of er ook mensen werden verbrand krijg ik niet te horen maar het zou hier dus evengoed de Hel of Vagevuur hebben kunnen heten.

Er worden door de plaatselijke jeugd nog wel stiekem vuurtjes gestookt maar de natuur heeft al lang komaf gemaakt met al dat menselijk gedoe.

Orp-le-Grand Réserve naturelle le Paradis (winters zicht op de vogelkijkhut)

Wat in de jaren zestig een stoffige witgrijze woestijn geweest moet zijn is nu prachtig bebost en vanuit de vogelkijkhut kan je het meertje bewonderen hoewel ook dat langzaam aan door de begroeiing dreigt te worden ingepalmd ware het niet dat de vrijwilligers van de Conservatoire Naturel de la Commune d’Orp-Jauche regelmatig op hun natuur-werkdagen de handen uit de mouwen steken om als die wildgroei een beetje in goede banen te leiden.

Dankzij deze vrijwilligers is de groeve nu een ‘ware oase in een regio met grootschalige landbouw’ en de beschrijvingsfiche waarmee dit paradijs officieel door het Waals Gewest wordt uitgeroepen als ‘Site de Grand Intéret Biologique’ somt op wat je er zo allemaal kunt vinden aan soorten vegetatie en uiteraard gaat het dus om alles wat het in ons klimaat wil doen op zuivere kalkgrond waaronder zeer zeldzame, zeker in de streek zelf. Daarnaast is er nog de indrukwekkende vliegende kruipende en zwemmende dierenwereld. Voor de kenners verwijs ik naar de inventaris die in de fiche is opgenomen. Om het zelf allemaal te ‘spotten’ is natuurlijk heel wat geduld nodig. Naar de twintig soorten aangetroffen mossen en korstmossen kan je wel nu al gaan zoeken en ik heb ook heel wat tongvaren gezien. In de winter is het een paradijs voor zwammen.

Voor een deskundige gids op dit erg zorgvuldig beheerde natuurreservaat kan je terecht bij de vzw ‘la Petite Jauce’ waar je je ook kan aanmelden voor de werkdagen. Er moet ook honing te verkrijgen zijn denk ik van zowel solidaire als honingbijen want er staat een bijenhotel aan de ingang en een imkershut een beetje verderop met een mooie totem erbij.

In geologische opzicht gaat het hier om de krijtbodem van een ondiepe tropisch warme zee met de respectabele ouderdom (op mensenmaat, want geologisch is het niets) van 100 miljoen jaar geleden in de periode die de geologen het ‘(Laat-)Krijt’ noemen.

Orp-Jauce – Le Petit Paradis – de wand van de groeve is nauwelijks nog te zien

Dat is de derde fase van het  ‘Secundair’ (Mesosoïcum) na het ‘Trias’  en ‘Jura’ (achtereenvolgens 250 miljoen en 210 miljoen jaar geleden).

Het materiaal bestaat uit de veelsoortige en veelkleurige samengedrukte stoffelijke kalkresten van de schelpdieren van die tijd. Onder dat krijt ligt een sokkel van vulkanisch stollingsgesteente uit het ‘Primair’ (Paleozoïcum) van 500-250 miljoen jaar geleden. In feite is die sokkel de helling van een oeroud ooit opgestuwd maar daarna afgesleten gebergte en dat maakt dat ons land ruwweg de vorm heeft van een schuine schotel met de hoge kant in het oosten en de lage kant aan het strand.

Het krijt ligt op dat gesteente en in de regio Leuven vind je dat dus diep onder de grond en wordt er drinkwater uit opgepompt terwijl het in hoog-Limburg boven de grond komt en uitgegraven is in de beroemde mergelgrotten in de heuvels rond Maastricht.

In Orp komt de kalk juist niet aan de oppervlakte maar is afgedekt door niet heel dikke lagen zand uit latere geologische tijden waarin de zee nog enkele malen terugkwam en een laagje vruchtbare leemstof dat door de wind vanuit de Noordzee werd aangevoerd in de laatste ijstijden. In de kalk zit van alles, bijvoorbeeld vuursteen en mineraal glauconiet. Klompen vuursteen of silex komen dikwijls voor in kalksteen en bestaat uit cryptokristallijn siliciumdioxide (kwarts) en veel (chemisch gebonden) water. Het is erg hard, laat zich gemakkelijk splijten maar in poedervorm kan het leiden tot stoflongen wat in een groeve uiteraard erg gevaarlijk is. Mineraal glauconiet vormt zich in ondiep warm zeewater door langzame verwering van klei tot een blauwgroen gesteente. Het wordt tot de mica’s gerekend en is perfect splijtbaar langs de kristalvlakken.

Orp-le-Grand – la reserve naturelle du Paradis – vuurstenen in de wand van krijt

Er zijn veel minerale fossielen gevonden in de groeve en de eerste mensen in deze omgeving waren de eersten om er werktuigen (en sierraden?) van te maken.

Sinds onheugelijke tijden is dit een streek met een vruchtbare bodem met krijt en splijtbare vuurstenen in de ondergrond en een riviertje in de vallei. Dat trekt mensen aan en in de regio zijn dan ook veel sporen gevonden. De archeologen weten al lang dat in de nabijheid van de kalkgroeve in het laatste deel van  het stenen tijdperk – zo’n 4000 jaar geleden – mensen gewoond hebben van de stam van de ‘Michelsbergers’.

In deelgemeente Enines is een wal opgegraven waarin men vuurstenen voorwerpen gevonden heeft en ook scherven van potten die typisch zijn voor deze cultuur. Vondsten van dit volk zijn niet zeldzaam in onze streken want er zijn ook Michelsbergersites in het Meerdaalwoud, Ottenburg en Chaumont-Gistoux.

Dichter bij de groeve is echter ook een site gevonden van de zogenoemde ‘Magdaleners’. Het Magdalénien is een cultuur die 18.000 jaar geleden begon en 8.000 jaar later eindigde met het einde van de laatste ijstijd. De mensen leefden van de jacht op grotere zoogdieren en zijn bekend door hun ‘klingen’, dat wil zeggen kleine vuurstenen voorwerpen en later ook harpoenen van ivoor. Ze leefden in tenten maar ook in grotten en hun muurschilderingen zijn te vinden in Lascaux en Altamira. In België zijn er slecht twee sites van dit volk gevonden, in Kanne (Luik) en Orp-Jauche.

Sinds 2018  wijzen archeologische vondsten echter ook op het bestaan van een 200.000 jaar geleden door de Neanderthalers begonnen vuursteennijverheid want er is in de krijtrotsen niet ver van de groeve een site gevonden die lijkt op een ‘open mijn’.

Orp-Jauche – le Paradis

Behalve stenen voorwerpen  zijn daar ook dierlijke beenderen gevonden en er wordt nog gezocht naar menselijke overblijfselen. Om meer te weten over deze vondsten kon je tot 2013 terecht in Orp in het plaatselijke museum voor archeologie maar sindsdien is dit museum overgebracht naar het Provinciaal Domein van Hélécine.

In de omgeving van Orp-Jauche kan je ook de grotten van Folx-les-Caves bezoeken en daarover heb ik al een uitvoerig verhaal op mijn blog gepost.

Het industriële verleden van deze krijtgroeve en dat in dezelfde periode van de gemeente zijn ongetwijfeld goed gedocumenteerd. Maar het internet en de vriendelijke plaatselijke toeristische dienst tonen zich terughoudend voor wie naar gegevens zoekt om antwoorden te vinden of het in die niet zo oude tijd ook een paradijs was.

In 1865 veranderde met de opening van de spoorlijn tussen Landen en Tamines het dorp in ijltempo van een historische landbouwgemeenschap in een bruisend industrieterrein. Wie waren de uitbaters van de kalkgroeve, waar kwamen ze vandaan en met wiens geld werd de uitbating gefinancierd? Waar ging al die cement naar toe? Hoeveel mensen werden hier aan het werk gezet en wat kregen ze ervoor als beloning? In de groeve staat nog één geheimzinnige grenssteen met het opschrift DM maar wat dit betekent weet ik niet.

Naast de cimenterie kwamen er fabrieken om suiker, dakpannen, bier, melk, landbouwmachines en allerlei andere metaalproducten te vervaardigen.

Orp-le-Grand – in de industrie kijk je best vooruit: hier hangt al een boor voor het geval de zee opnieuw tot hier zou stijgen

Er is ongetwijfeld geld verdiend en hard gewerkt maar het geld is niet in het dorp gebleven denk ik want nog geen honderd jaar later zijn de fabrieken bijna allemaal gesloten en de eigenaars vertrokken en is de landbouw opnieuw zowat de enige werkgever naast vrije beroepen, lokale ambtenaren, winkeliers, caféhouders, ambachten, enig toerisme en een stroom van pendelaars naar Brussel, Luik of Namen. De 11de eeuwse Romaanse kerk Saints-Martin-et-Adèle heeft al de wisselingen van de tijd doorstaan en geldt als de grootste bezienswaardigheid.

Het stadje ziet er wel nog altijd uit als een industriële site. De nostalgie is tastbaar nog lang nadat alle grootgrutters hun fabrieken gesloten of verplaatst hebben. Midden door het dorp is nu een mooie groenzone rond het voormalige station langs de vroegere spoorweg en het riviertje La Petite Gette waar je rustig kan wandelen met of zonder hond. De treinsporen zijn er nog maar met de trein raak je er niet meer. De rails zijn nu een parkachtig fiets- en wandelroute (RAVEL).

Ik denk dat het in die ‘goede oude tijd’ hier een hels lawaai moet zijn geweest met een luchtkwaliteit die je je kunt verbeelden door de heftige uitstoot van schoorsteengassen te vermengen met het roet van stoomlocomotieven en wit krijtstof uit de groeve. Misschien zijn er nog foto’s van?

Dankzij een schenking van de familie de Hemptinne aan de Sociale Dienst van Namen krijgt Orp in 1935 een sanatorium voor tuberculose-patiënten, ofwel mensen – zeker mijnwerkers – die stoflongen hebben opgedaan door het inademen van kiezelstof (silica, siliciumdioxide en kwarts) met longkanker als gevolg. Na het wegtrekken van de industrie en de uitvinding van de antibiotica wordt dit centrum in 1974 een verzorgingsthuis voor zwaar mentaal- en fysisch gehandicapten.

Orp-le-Grand – het voormalige stationsgebouw – nu het centrum in een groene zone

Orp-Jauche – la Réserve naturelle du Paradis – met de trein kom je er niet meer

In het begin van de jaren tachtig van de vorige eeuw doet de Tiense Suikerraffinaderij, dan eigenaar van de achtergelaten put, nog een ferme poging tot natuurbederf met een plan om op die plek haar bedrijfsafval te gaan storten. De tijden zijn echter veranderd en de nieuwe generatie dorpsgenoten besluit dat deze hel vermeden moet worden. Er wordt een vzw uit de grond gestampt ‘la Petite Jauce’ die er – ongetwijfeld na vele hoofdbrekens en slapeloze nachten – in slaagt om de gemeente de site te laten overnemen en er een natuurreservaat van te maken.

En zowaar, zoals in veel (alle?) oude groeves waar natuurbewuste buurtbewoners zich het lot van aantrekken wint het paradijs het op de hel want dit is het begin van het ‘Conservatoire Naturel d’Orp-Jauche’ dat bestaat uit de groeve, een achter het stationsgebouw gelegen moeraszone (reservaat La Jaucière naast de visvijver) en de brede treinstrook tussen de beiden. Dat reservaat moet ik ook nog bezoeken maar dat is voor een andere keer. De groeve is vrij toegankelijk zolang je de natuur niet stoort en op de paadjes blijft.

Mijn ervaring is dat je er zelden iemand tegenkomt tenzij je komt op een werkdag voor de beheerders. Dan worden de talrijke kalkrijke hooilandjes gemaaid,  de paden vrijgemaakt en rode kornoelje gesnoeid. Regelmatig worden ook de aanduidingsborden opgeknapt en de afval langs de vijver opgeruimd. Ik zag ook op hun werkprogramma dat de orchideeën worden vrijgemaakt. Die heb ik er nog niet gezien maar uiteraard past de orchis wel in deze biotoop.

In alle seizoenen is een bezoek de moeite waard. In de winter geniet je van spectaculaire uitzichten en in de zomer van het uitbundige groen. Trek wel goed schoeisel aan en zorg dat je in een beetje goede conditie bent want het pad is smal en er zijn steile stukjes met grote traptreden. Ik was er een keer bij sneeuw en vrieskoude en het was behoorlijk glad. Verdwalen zal je er niet want er is maar één pad en dat gaat heel de groeve rond.

Orp-Jauche – Le Paradis – kaart NGI 1969
Orp-Jauche – Le Paradis – kaart OSM

++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

http://users.skynet.be/beauchamp/Velo/BPB/Folz-les-Caves.html (enkele cijfers en feiten uit het industrieel verleden)

Orp-Jauche – Rendez-vous au Paradis, pour un petit entretien – Vlan

https://www.vlan.be/…/b9712978170z-1-article_vlan-rendez-vous…

http://www.petitejauce.be

et sur la page Facebook «Petite Jauce :

https://www.facebook.com/PetiteJauce/

Orp Jauche – Réserve naturelle le Paradis

https://www.lesoir.be/art/orp-4-000-ans-avant-jesus-christ-le-michelsberg-periode_t-19940524-Z0831R.html

https://www.rtbf.be/info/regions/detail_l-homme-de-neandertal-taillait-la-pierre-a-orp-jauche-il-y-a-200-000-ans?id=9888883

http://domainehelecine.be/fr/le-chateau/le-musee-archelogique.html

Orp-Jauche – Réserve naturelle du Paradis – ogen in de wand

Trefwoorden: Orp-le-Grand, Orp-Jauche, petit paradis, groeve, mijnwerker, geologie, kalk, natuurbeheer, natuurreservaat, erfgoed, geschiedenis, industrie, station, la petite jauche, prehistorie, magdaleners, michelsbergers,

BOVENOP DE BENINKSBERG IN WEZEMAAL (ROTSELAAR)

Uitgelicht
Beninksberg – Wezemaal (Rotselaar)

De Beninksberg in Rotselaar steekt zo’n vijftig meter uit boven de omgeving en hoewel dat natuurlijk nog niet zo erg bergachtig is heb je er prachtige uitzichten over de Wingevallei. De berg is een heel mooi voorbeeld van de voor het Hageland typische ijzerzandsteenheuvels ofwel Diestiaanheuvels. In tegenstelling tot vele soortgelijke heuvels bleef de heuvel grotendeels onbebouwd en omdat hij met de nabije omgeving sinds 1977 beschermd is als cultuurhistorisch landschap zal dat gelukkig ook wel zo blijven.

In 1991 kocht de Vlaamse overheid het grootste deel van het gebiedje aan en dat was in 1993 het begin van het 50 ha grote Vlaamse natuurreservaat Beninksberg. Er zijn een paar mogelijkheden om als voetganger de berg te verkennen en daarvoor neem je best het Klein-Vlasselaarpad dat vertrekt van de parking op de hoek van de Blauwmolenstraat – Klein-Vlasselaar, 3221 Holsbeek (zie de kaart). Tussen enkele akkers aan de voet van de berg ga je naar boven en dan rechtsaf een bijzonder mooie holle weg die al direct opvalt door de mooiste Robinia’s die ik ooit gezien heb. Je kan ook linksaf en dan kom je al snel onderlangs een heel mooi berkenbos.

Naarmate je hoger komt krijg je mooie vergezichten, in het bijzonder bij het passeren van een hele grote wijngaard. Aan het einde van de holle weg ga je links langs enkele huizen en dan even verder opnieuw links om het pad langs de andere zijde te volgen. Op de knooppuntenkaart van het wandelnetwerk Hageland staat de hele route netjes aangegeven. Op het bovenpad kan je je verwachten aan heidevelden, Konikpaarden, nog veel bos (kastanjes) maar ook aan lawaai van de autosnelweg en afdalende vliegtuigen.

Beninksberg – Wezemaal (Rotselaar)

Het meest noordelijke lage pad gaat zo vlak langs de E314 dat mijn oren er zonder oordoppen niet tegen bestand zijn zolang die weg niet helemaal overkapt wordt dus daar ga ik niet langs. Maar dat overkappen komt nog wel en dan kan men misschien een fietssnelweg juist buiten de kap leggen.

Vondsten uit het stenen tijdperk op de Beninksberg in Holsbeek wijzen op zeer oude bewoning. In de late middelleeuwen staat de berg vermeld op oude kaarten als Hellegaterberg en Burinsberg (zie Villaretkaart van 1745) en is hij bedekt met bos. Rondom de berg zijn er dan al akkers en op de berg wordt wijn verbouwd. Het is onzeker of er ooit ijzerzandsteen gewonnen werd, aan de westkant is er een plek die op een groeve lijkt maar door wie en naar wat daar gegraven werd weet men niet.

Op de Ferrariskaart van 1777 en de Vandermaelenkaart van 1854 verschijnen de namen Benninckbergh en Beeninkxberg. Na de 16de eeuw wordt naaldhout aangeplant maar op het einde van de 19de eeuw wordt dat omgezet in loofbos. In de loop van de twintigste eeuw worden enkele percelen op de berg en de zuidelijke helling in gebruik genomen als akkers maar vooral als hoogstamboomgaarden.

Beninksberg – Wezemaal (Rotselaar) – wijngaard met uitzicht

De door de zon opgewarmde kalkstenige bodem is uitermate geschikt voor de teelt van steenvruchten zoals perziken. Het hoogtepunt is na de Tweede Wereldoorlog – waarbij veel ‘nutteloos bos’ in boomgaarden wordt omgezet – maar twintig jaar later gaat het alweer achteruit vooral door de invoer van fruit uit de zuidelijke lidstaten van de dan nog Europese Gemeenschap (Europese Unie). Hier en daar werd overgeschakeld naar appels maar tegenwoordig is de commerciële fruitteelt helemaal verdwenen hoewel er nog altijd een aantal boomgaarden staan (onder andere peren).

Op de zuidhelling kom je wel een flink uit de kluiten nieuw aangelegde wijngaard tegen die je ook op afspraak kan bezoeken. De Beninksberg zelf is bedekt met loofbos (robinia, berk, tamme kastanje, zomereik) en enkele percelen naaldhout (fijnspar, douglas). De zuidelijke helling kent een eigen microklimaat en is warm en droog, hier zijn droge heidebegroeiingen en eiken-berkenbos kenmerkend. De noordelijke helling is koeler en herbergt ook vochtige heischrale graslanden. In deze tijd van het jaar (september) kwam ik bij een vorig bezoek opvallend veel parasolzwammen tegen maar dit jaar zie ik ze niet (te warm en te droog?). Zowat op het hoogste punt stuit ik op een heuse mierenhoop van rode bosmieren. Wie wil genieten van de rust en de uitzichten kan gebruik maken van de mooie banken die het ANB hier heeft gezet, zeker als de zon schijnt. Onder langs de berg loop de oude bedevaartweg die tegenwoordig het Sint Jobs pad heet.

Beninksberg – Rotselaar

De Beninksberg in Rotselaar is niet alleen een natuurgebied. Aan de ingang staat het bordje Sint-Jobs pad en over die (deels) holle weg lees ik in het erfgoeddossier dat hij eeuwenlang gebruikt is door pelgrims die van heinde en ver naar de Sint-Martinuskerk in Wezemaal kwamen om Sint-Job te vereren in de hoop om genezen te worden van de akelige geslachtsziekte die we nu kennen al syfilis. Daarvan krijg je zweren over je hele lichaam en Sint-Job staat bekend om daar wonderen tegen te kunnen doen.

De kerk staat er al in het jaar 1000 maar het heiligenbeeld in de kerk dat het onderwerp was van de devotie is vervaardigd op het einde van de 14de eeuw en uit een archiefstuk uit 1437 blijkt dat het uitgeven van door de Paus gedekte aflaten toen al flink wat inkomsten opleverde. Het aantal bedevaarders groeide gestadig in de 14de eeuw om tot een hoogtepunt te komen rond 1515. Syfilis brak als plaag uit in Napels rond 1494 en verspreidde zich vandaar over heel Europa. Dat was een gelukje voor die van Wezemaal want in 1498 werd de kerktoren in brand gestoken en dankzij een ferme lokale anti-zweren campagne kon massaal pelgrims gelokt worden met wiens offergeld de herbouw werd bekostigd. De pelgrims langs de Beninksberg kwamen uit Nederland, Engeland en Lotharingen.

Wezemaal (Rotselaar) – Beninksberg – geit in actie

Het Sint-Jobs pad staat voor het eerst op een kaart van 1657 met de eigendommen van de Abdij van Park en nadien ook op latere kaarten zoals die van Ferraris (1777) en Popp (1879). Na 1520 valt het aantal pelgrims terug vanwege de opkomst van het protestantisme.

Of die pelgrimstochten iets opbrachten voor de pelgrims weet ik ook niet. Om dat te weten zal ik het al in 2011 verschenen boek van Bart Minnen (en co) moeten lezen maar ik weet niet of het nog verkrijgbaar is (de auteur heeft het niet meer zegt hij). Ik denk dat ik er meer over wil zien te weten te komen. De pelgrimsweg is vandaag de dag een mooie wandelweg waar je geen bedevaarders meer tegenkomt maar wel geiten, biggetjes en als ze in de buurt zijn ook erg tamme fiere konikpaarden.

De brave paarden die je op de Beninksberg tegenkomt dienen voor de begrazing. Enkele jaren geleden waren het nog Noorse Fjordenpaarden (Noorse Grazers) maar die zijn vervangen door mooie niet zo heel grote Koninkpaarden. Die horen eigenlijk tot een ras van wilde paarden dat was uitgestorven (opgegeten?) maar ze zijn heropgefokt en worden in Polen gehouden. Ze zijn bijzonder geschikt om in natuurbeheer begraasde graslanden kort te houden. Zolang je de wei niet kaal laat eten eten ze alleen gras zodat andere planten een kans krijgen zo. Ze hebben praktisch geen verzorging nodig en blijven het hele jaar buiten hoewel de boswachters wel voor een beschutting zorgen.

Rotselaar-Wezemaal – Beninksberg – Konikpaarden (en geen Noorse grazers)

Anders dan hun grote broers de opgefokte renpaarden worden koniks zelden ziek. En tenslotte – erg belangrijk als je ze laat grazen op plaatsen waar veel mensen passeren – ze zien er wel wild uit maar ze hebben een heel braaf en rustig karakter dus je hoeft er geen schrik voor te hebben. Wat dat betreft is er wel iets eigenaardigs. In het Meerdaalwoud grazen ze op het hermetisch met dubbele hekken afgesloten vroegere militaire terrein, nu natuurreservaat aan de onthaalzone de Speelberg boven Sint Joris Weert. Je kan en mag er absoluut niet bijkomen. Op de Beninksberg lopen ze zowat vrij rond hoewel ze niet echt van de berg kunnen afkomen. Als bezoeker wandel je er tussen door en wie geen schrik heeft van paarden en de dieren niet lastig valt wordt er rap vriendjes mee. Anderen blijven gewoon een beetje op afstand want de paarden trekken zich van mensen niets aan. Honden zijn op de berg niet toegelaten, ook niet aan de lijn en dat is uiteraard wel nodig want honden en paarden is zonder gespecialiseerde training geen goede combinatie. Ik hou meer van de open manier van werken op de Beninksberg dan van het afsluitingsmodel in het Meerdaalwoud. Fietsen zijn ook niet toegelaten op de berg (‘in het domein’) maar er is een MBT route helemaal rond.

Vroeg of laat vraagt de bezoeker van de Beninkberg en andere Hagelandse heuvels zich af hoe die bergen van ijzerzandsteen die daar ooit gekomen zijn. Als je op kaart kijkt zie je dat ze ongeveer evenwijdig lopen met de huidige kustlijn. Om die reden dachten de geologen tot voor kort dat het zandbanken zijn die de zich terugtrekkende Diestiaanzee zo’n vijf miljoen jaar geleden achterliet. Die banken zaten vol met glauconiet, een mineraal dat daarna oxideerde tot limoniet waardoor de zandkorrels aan elkaar gekit werden tot harde erosiebestendige  ijzerzandsteen. Met de opheffing van de bodem en de stroom van het water werd het zachtere zand tussen de zich vormende heuvelruggen in de valleien afgevoerd.

Beninksberg – Wezemaal (Rotselaar)

Die theorie is zo eenvoudig dat niet-geologen met inbegrip van natuurgidsen (met inbegrip van mijzelf) het aan het publiek kunnen uitleggen en dat ook doen. Het is jammer maar er klopt blijkbaar niets van. In het erfgoeddossier lees ik dat dankzij ‘vooruitschrijdend wetenschappelijk inzicht’ (waar horen we dat nog tegenwoordig?) er een andere verklaring is. Ik probeer het samen te vatten: de zee trok zich niet terug in westelijke richting maar naar het noord-oosten en de historische kustlijn liep niet evenwijdig aan de heuvelruggen maar stond er dwars op.  Sinds 2014 denken de geleerden dat 10-12 miljoen jaar geleden ten noorden van ons land de afwatering ging naar de diepliggende vallei van de (oer)Rijn. Met het stijgen van de zeespiegel vulden de daardoor gevormde geulen zich op met glauconiethoudend zand. Met het terugtrekken van de (Diestiaan)zee enkele miljoenen jaren later kwamen die geulen droog te liggen en verhardden zich door de hiervoor uitgelegde oxidering tot de ijzerzandsteenbanken. Latere ijstijden hebben het zachtere zand tussen de banken afgevoerd in noord-oostelijke richting en de banken zijn met de tijd en de opheffing van het land heuvels geworden met de rivierdalen ertussen. Over het gebied hebben de noordenwinden tijdens de laatste ijstijd nog een laagje vruchtbare leem gestrooid en dat is ondertussen grotendeels van de heuvels afgegleden naar de valleien. Als ik het mis heb met deze kort-door-de-bocht-samenvatting hoor ik het graag maar dit is wat ik er van begrijp.

Beninksberg – kaart Ferraris 1777
Beninksberg – Wezemaal (Rotselaar) – kaart OSM

Met deze samenvatting beëindig ik mijn eerste verkenning van alweer een mooi natuurgebied en kan ik je vooral aanbevelen om er zelf ook eens een kijkje te gaan nemen.

++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

Beninksberg – Erfgoedobjecten – Inventaris Onroerend Erfgoed

https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/305759

https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/305761

‘Den Heyligen Sant al in Brabant’, door Bart Minnen, Michel Tilleman, Pierre Van Hecke, Marike de Kroon, Frans Doperé, Ingrid Geelen, Anna Bergmans, Dirk Van Eldere, Steven Mariën, Luc Rombouts en de Kulturele Kring van Wezemaal. Uitgeverij Averbode, najaar 2011

Beninksberg | Agentschap voor Natuur en Bos

https://www.natuurenbos.be/beninksberg

https://mtbroutedatabase.be/vlaamsbrabant/rotselaar.htm

Holsbeek – Beninksberg – Parasolzwam

Trefwoorden: wezemaal, rotselaar, beninksberg, anb, natuurreservaat, geschiedenis, konik, heide, sint job,

OP STAP IN HET NATUURRESERVAAT ARONSTHOEK IN GEETBETS LANGS DE GETE

Uitgelicht
Aronsthoek – Geetbets

Het natuurgebied Aronsthoek vind je op de kaart ten noordoosten van Geetbets. Het ligt aan de oostkant tegen het riviertje de Gete aan en het is opgesplitst in twee gedeelten, een zuidelijk stuk ten zuiden van de Kasteellaan en een stuk ten noorden daarvan. Beide stukken zijn als natuurreservaat in eigendom en beheer van de afdeling Gete-Velpe van Natuurpunt. De organisatie typeert het zelf als “een gevarieerd valleilandschap met hooilanden, natte en overstroombare graasweiden, ruigten, moerassen, populierenaanplantingen en andere bossen. Dit gebied is een grootschalig natuurcomplex ingebed in de nog vrij intacte Getevallei”. Voor de wandelaar-natuurliefhebber is vooral het zuidelijk gedeelte nogal toegankelijk via een aantal paden en daar staat ook een soort van uitkijktoren hoewel je wel sportief moet zijn om daarbovenop te klimmen denk ik. Vanaf de kerk van Geetbets stap je de Dorpsstraat af tot aan de brug over de Gete en dan sta je aan het begin de veldweg langs de rivier bij een overduidelijk infobord van Natuurpunt met een mooie foto van een reiger. Je bent dan al de middeleeuwse motte van het dorp voorbijgekomen maar daar beloof ik later nog iets over te vertellen. Over die motte staat er daar ook een infobord. Op de brug staat ook een pijl naar een monumentale Ginkgo Biloba in het dorp maar die heb ik zelf nog niet gezien.

Aronsthoek – de rivier de Gete

Ik was er heel vroeg in de ochtend en op de foto’s zie je de mist boven de rivier en weiden hangen. Je komt eerst langs een maisveld dat duidelijk niet van Natuurpunt is maar dan ga je langs een stel heel grillige oude knotwilgen en weet je dat je de goede natuur-richting uitgaat. De koeien lijken nog te slapen. Terwijl de zon opgaat zie ik In de verte is een ree grazen die zich van mij niet teveel aantrekt maar uiteraard niet dichterbij komt. De oevers van de rivier zijn dicht begroeid maar aan een bruggetje naar een hek zie je een soort sluisje en de resten van wat overduidelijk ooit een watermolen moet zijn geweest. Er staat echter niets bij en ik vind er op het internet niet direct iets over maar dankzij de attente lezer en vriendelijke eigenaar Gerd Rutten weet ik ondertussen dat de molen wel degelijk in Molenechos voorkomt want het gebouw in de weide is de watermolen van Geetbets aan de Molenstraat. Aan het bruggetje moet nog ergens een inscriptie zijn maar vanwege de begroeiing heb ik die zelf nog niet gezien. Gerd heeft ondertussen de begroeiing wat opzij gehaald en me er een foto van bezorgd. Van de molensite mag ik een reportage komen maken zodra er een beetje opgeruimd is en een aantal gerestaureerde onderdelen weer op hun plek terug zijn. Dus dat heb je nog tegoed, beloofd.

Aronsthoek – bruggetje over de Gete – linksonder de inscriptie over de molen

Ik ben blijkbaar nog altijd niet echt in het reservaat want aan de linkerkant passeer ik een nog niet zo lang geleden gezette plantage van populieren. Langs de weiden staan er ook. Ze staan altijd en overal keurig op een rijtje, al die jonge bomen en toch vraag ik mij af waarom grondeigenaars ze nog altijd aanplanten. Ik neem aan dat je dat niet doet als je er geen geld van wil maken en hier in de streek staan ze in grote aantallen. Ze groeien natuurlijk snel en ik heb gelezen dat er fineer van gemaakt wordt omdat het blanke hout zo zacht is dat je met de moderne technologie de boom gewoon kan afpellen om nadien die schillen op vezelplaat te plakken. Dat kan geld opleveren maar ik heb het eigenlijk nog nergens gezien en zelf zou ik er nooit platen van willen gebruiken want als er ook maar iets van water aankomt kan je het geheel weggooien. Ik vind dat lichte splintervrije populierhout in brede planken, (dus van volwassen bomen met grote stamomtrek) wel héél erg mooi in een plafond of lambrizering of verwerkt in speelgoed maar daar wordt het in de handel niet voor gebruikt (geen vraag naar heet dat). Maken ze er misschien benzine van of dienen ze voor het brandhout? Iemand vertelt me dat ze dienen om er paletten van te maken. Wie er meer over weet mag het graag zeggen. In elk geval is de eigenaar kennelijk bang dat ze gestolen worden want het hek is ferm afgesloten. We zullen in het reservaat nog veel van dit soort bomen tegenkomen maar het is duidelijk dat ze daar moeten plaatsmaken voor een ander soort natuur en dat levert ook wel mooie foto’s op.

Aronsthoek – Geetbets – de uitkijktoren van Natuurpunt

Even verder kom ik aan de houten uitkijktoren. Als je op het kaartje kijkt zie je dat je hier twee kanten uitkan. Naar rechts is duidelijk voor de gewone wandelaar op zoek naar kilometers en een frisse neus en die alles wil leren over hagen. Rechtdoor is voor de natuurliefhebber op zoek naar de uitkijkhut aan de rivier en poel die hier ergens moet zijn en die niet bang is om Galloway-koeien tegen te komen want zelfs als ze zich in het struikgewas verschuilen is het wel heel duidelijk dat ze er zijn (ook al aan de reuk). Bovendien staat er een infobord van Natuurpunt over het hoe en het waarom van deze begrazingsmethode. Ik verken beide mogelijkheden maar ga eerst de er enigszins wild uitziende koeienruigte in om het water terug te vinden. De toren zelf laat ik over aan de wat sportievere gasten van deze wereld.

Galloways voor de begrazing

Het natuurreservaat Aronsthoek van Geetbets is meer dan 300 ha groot en volgens Natuurbeheer is in een gebied van die omvang het ‘niets doen’ de voornaamste beheersvorm. Dat niets doen lijkt me betrekkelijk want de paden worden natuurlijk regelmatig gemaaid en afrasteringen aangelegd of hersteld, er worden hagen aangeplant,  poelen worden ingericht,  populieren maken plaats voor inheemse bossen of hooilanden en die moeten dan weer regelmatig worden kort gehouden met maaien en afvoeren of door begrazing.

Om te vermijden dat de vallei op termijn zou verbossen, worden schapen, paarden of runderen ingezet. Hier en daar zie je een kudde gewone koeien en blijkbaar zijn die van een boer die voor Natuurpunt werkt. De zwarte runderen tussen de struiken en bomen zijn onmiskenbaar de beroemde Schotse Galloways uit het gelijknamige graafschap die door Natuurpunt zelf (en andere natuurorganisaties) worden ingezet als ‘grote grazer’.

Aronsthoek – galloways voor de begrazing

Hoeveel er zijn kan ik niet tellen want je ziet ze nooit allemaal tegelijk maar het is best een flink gezelschap. Het zijn robuuste dieren, een koe weegt tussen de 450 en 600 kilo en wordt 120 hoog, stieren zijn een 15tal centimeters hoger en kunnen tot 900 kilo zwaar worden. Als die in beweging komen raak je er best niet tussen denk ik. Ze hebben geen hoorns en zullen je niet zomaar aanvallen en dat is een van de redenen om hen te gebruiken in natuurgebieden waar veel bezoekers komen. Een andere reden is dat ze met hun dikke ruwe langharige buitenvacht en zachte binnenvacht perfect geïsoleerd zijn tegen regen en koude, weinig zorg nodig hebben en niet bijgevoerd hoeven te worden. Of ze met zo’n vacht tegen de hoge temperaturen van vandaag kunnen weet ik niet. Ze eten ze niet alleen gras maar ook grovere planten zoals takken, twijgen en zelfs bramen en doordat ze ook niet alles kaal grazen als ze genoeg ruimte hebben kan er bij hen in de buurt zich een hele verscheidenheid van begroeiing handhaven en dat zie ook wel op het terrein. Een koe is geslachtsrijp vanaf 1,5 jaar, na de dracht van 9 maanden wordt haar kalfje geboren dat dan al tot 30 kilo zwaar is maar heel vitaal en stevig. Moeder koe heeft geen hulp nodig bij het kalveren en hoeft niet gemolken te worden. Heel schuw zijn ze niet maar als er kalveren zijn blijf je (en je hond) best uit de buurt want het moederinstinct doet zich dan wel gelden. Hoe oud Galloways kunnen worden heb ik niet gevonden maar een gezonde koe baart in totaal 10 tot 12 kalveren. Ik denk echter niet dat er veel van ouderdom sterven want al in hun Schotse moederland werden ze honderden jaren geleden ook geselecteerd om hun lekkere vlees en sinds het begin van de 19e eeuw is Galloway-rib een bekende en gewaardeerde vleessoort bij Londense slagers. En dat is ook bij Natuurpunt nog altijd het geval meen ik te weten. Wie kent er een paar adressen om  aan dit lekkere biovlees te geraken?

Aronsthoek Geetbets – Galloway – moeder en kind aan de kijkhut

kaardenbollen

Wat hebben galloway-runderen met kaardenbollen? Ik zie die planten overal staan waar deze dieren zich aan de begrazing wijden. Maar misschien lusten ze die gewoon niet en krijgen de bollen de kans die ze anders in zo’n moerasruigte moeten missen. Maar distels houden ze volgens mij ook niet van en met al die stekels geef ik ze wel gelijk. In Wikipedia lees ik dat de grote of wilde kaardebol (dipsacus fullonum) van de familie van de kaardebollen (Dipsacaceae) van oorsprong afkomstig is uit de Maghreb in Noord-Afrika maar dat hij tegenwoordig overal voorkomt in de gematigde streken als er maar een zonnige voedselrijke plek is, liefst met een beetje kalk. Het is een tweejarige plant en wordt tot 2,5 meter hoog. In de natuur is hij van belang omdat de bloemen veel nectar bevatten en dus solitaire bijen en hommels aantrekken, de zaden worden door vogels gegeten en op die beide manieren plant hij zich ook voort. De stekelige bloemen werden in de middeleeuwen gebruikt als kam om weefsels te ruwen zodat de vezels evenwijdig kwamen te liggen om te kunnen spinnen. Of het opnieuw gedaan wordt weet ik niet, het laatste bedrijf in Zuid-Frankrijk hield er in 1985 mee op. Tussen het blad en de stengel zit een klein bekken met een beetje water en alchimisten hebben lang geprobeerd om daarmee goud te maken. Bij Natuurpunt heb ik ze dat nog niet zien doen. Datzelfde water doodt blijkbaar insectjes door ze met een zoetstof te lokken en ze dan door verdoving te verdrinken zodat ze door de plant kunnen worden opgenomen. Maar ik lees dat het blijkbaar tegen muggenlarven niet helpt want die planten zich er juist in voort. Lekker is de kaardenbol niet maar vergiftigd zal je er niet door worden. Integendeel, in de natuurgeneeskunde (China) worden de verschillende delen voor allerlei medicinale doeleinden aangeprezen, zoals het reinigen van lever en nieren, gewrichtspijnen en zelfs om de ziekte van Lyme te behandelen. Er is ook een Kleine kaardebol (Dipsacus pilosus) maar die wordt bij de kamperfoeliefamilie (Caprifoliaceae) ingedeeld. Hij moet zeldzaam zijn want staat op de Rode Lijst. Ik dacht hem nog niet gezien te hebben maar nu vind ik er toch wel een prachtige foto van (met bezoek) uit ons eigen bronbos in de Dijlevallei. Van hier gaan we naar de kijkhut en wilde omgeving.

Aronsthoek – Grote Kaardebol

De kijkhut in de dode sparren-wildernis

Op de kaart van Natuurpunt van het reservaat Aronsthoek in Geetbets staat een vogelkijkhut aangeduid aan de Gete. Er zou zelfs een grote vijver moeten zijn. Natuurpunt legt in de vallei een heel lint aan poelen om zeldzame vogels aan te trekken en om amfibieën levenskansen te bieden.  De kijkhut heb ik gemakkelijk gevonden door de rivier te volgen, hij ziet er heel degelijk uit en er staat een groot bord bij met een overzicht van de watervogels die je op de poel kan zien. Jammer genoeg is de vijver niet meer zichtbaar vanuit de hut, zelfs de rivier kan je vandaar niet meer zien vanwege de begroeiing. Het kan natuurlijk zijn dat de poel is uitgedroogd na de hitte van deze zomer want dat is in veel natuurgebieden het geval. Een moeder Galloway met kalf houdt de wacht en kijkt heel wantrouwig naar me. Na één foto is het kalf al achter de mamma verborgen. Het padje gaat verder door de wildernis en dan kom je dan toch weer langs de rivier. Wie hier vroeger ooit een bos van sparren heeft willen planten is er aan voor de moeite want ze zijn allemaal dood. Maar naaldhout hoort in deze natte vallei absoluut niet thuis en dat had de planter ook kunnen weten. Spectaculair vind ik het wel, die woestenij van dode stammen. Aan de overkant van de Gete zie ik weiden met gewone koeien van-bij-ons dus ik vermoed dat die nog niet van Natuurpunt zijn maar bij de aan de overkant gelegen Segeraethoeve horen. In ieder geval kan je er niet naar toe want er is hier geen brug over het water en alles is afgespannen met prikkeldraad om de Galloways en de fotografen uit de rivier te houden. Tussen de begroeiing verschuilen zich enkele bordjes om je de richting van het pad te wijzen. Dit is het land van voedselrijke vochtminnende planten zoals moesdistel, kattenstaart, moerasandoorn, koninginnekruid en moerasspirea.

Aronsthoek – Geetbets – de sparren overleven hier niet

Zonder begrazing kom je hier niet door maar nu gaat het wel gemakkelijk. Overal staan en liggen levende en dode bomen, ik denk toch meestal wel wilgen. Ik vermoed dat het hier in de winter wel ferm onder water kan staan maar het bufferen van water op een natuurlijke wijze is dan ook een van de bestaansredenen voor het reservaat lees ik. Aan de sleedoornstruiken hangen de bessen al te rijpen. Ik blijf nog even in deze ruige wildernis en dan trek ik naar het gewone wandelpad. Maar wie op zoek is naar ‘echte’ natuur moet wel hier zijn denk ik ….

Aronsthoek, deel van een uitgestrekt natuurlandschap in de Getevallei

Uit een folder van Natuurpunt van vijf jaar geleden pluk ik het volgende: Aronst Hoek in Geetbets is samen met Betserbroek het snelst groeiend reservaat in Oost-Brabant. In de Getevallei wordt gewerkt aan een groots natuurcomplex vol afwisseling. Samen met Het Vinne, Meertsheuvel en stroomopwaarts Doysbroek, de Getebossen, het Tiens Broek en verder de Getebeemden in Hoegaarden is dit een sluitstuk van een verbonden en samenhangend netwerk van de gewestgrens met Wallonië tot de monding in Limburg. Hoe het er nu in 2020 mee staat moet ik nog verder uitzoeken maar ondertussen is de omvang van het gebied gestegen van 225 tot meer dan 320 hectare.

Aronsthoek – Geetbets – de Gete

Het gaat dus het zeker de gewenste kant uit: “door de Afdeling Gete-Velpe wordt sinds 2001 (jaar van de eerste aankoop) met man en macht gewerkt aan de uitbouw van het uniek natuurcomplex Aronst Hoek te Geetbets. Een gevarieerd valleilandschap met hooilanden, natte en overstroombare graasweiden, ruigten, moerassen, populierenaanplantingen en andere bossen. Dit gebied is een grootschalig natuurcomplex ingebed in de nog vrij intacte Getevallei. Ideaal voor soorten als wulp, watersnip, boomvalk enz. maar ook een potentieel broedgebied voor de kwartelkoning. Al van bij het prille begin was het de ambitie van Natuurpunt Oost-Brabant om tot een aaneengesloten groot natuurcomplex in de Getevallei te komen … Natuurpunt Oost-Brabant ziet het als een grote uitdaging om de Getevallei vanaf de taalgrens in Hoegaarden, over Tienen, Linter, Zoutleeuw, Geetbets tot aan de monding in Halen als groot natuurcomplex van Europese allure te realiseren”. Hier in deze wildernis waar ik sta geniet ik van die dimensie van topnatuur van Europese allure. Ik ga hier zeker in de winter terugkomen om te zien of hoe het staat met de functie van waterberging, met andere woorden of alles onder water komt te staan. Als dat gebeurt wordt je gered door een paar onderwachte wandelbordjes langs de rivier die verhinderen dat je gewoon de Gete instapt. Toch doen de bomen hier nog ferm hun best want ik zie flinke groepen van wilgen met dikke stammen. Ik blijf hier toch nog even voordat ik het brugje over steek richting Melsterbeek.

De Gete

In Aronsthoek in de Galloway-wildernis op weg van de Gete naar de Melsterbeek wil ik nog even iets meer weten over de rivier die de vallei beheerst en er zijn naam aan geeft.

Aronsthoek – Geetbets – de Gete ter hoogte van de volgelkijkhut.

De Gete ontspringt als Grande Gette in Wallonië in Perwez. In Jodoigne is het al een flink riviertje en vandaar meandert hij van Hoegaarden door Tienen naar Budingen een eind ten noorden van het Vinne en Zoutleeuw. Tegen die tijd heeft het water zo’n 51 km afgelegd door een historisch altijd moerassige vallei. De Kleine Gete begint als La Petite Gette bij Ramilies – Folx-les-Caves  en slingert vandaar 36 km lang via Orps-Jauche, Landen en Zoutleeuw ook naar Budingen. Natuurpunt: De vallei van de Kleine Gete, ter hoogte van Zoutleeuw, bestaat uit een kleinschalig beemdenlandschap: vochtige graslanden met hout- en haagkanten worden afgewisseld door begraasde populierenkamers. De samenvloeiing van de Grote en de Kleine Gete is te bewonderen in Budingen, waar ze hun traject samen verderzetten als ‘de Gete’.  Na een loop van 12 km doorheen Geetbets, mondt de Gete uiteindelijk uit in de Demer, nabij het natuurgebied Schulensbroek te Halen.  In het zeer brede valleilandschap langsheen de Gete wisselen typische bocagelandschappen, met een grote dichtheid van kleine landschapselementen, af met ruigere natuur. Ook hier wordt de waterhuishouding sinds de Middeleeuwen via een uitgebreid netwerk van (gekanaliseerde) beken, sloten, greppels, sluisjes en dijken geregeld. De bijzondere historiek met oude kastelen en grote hoeves speelt hier een belangrijke rol waarin het natuurgebied Aronst Hoek met vandaag ca. 340ha vooraan staat. Dit deel van de vallei bestaat uit oude binnenpolders met ’s winters overstroomde graslanden, ongerepte broekbossen, uitgestrekte moerassige ruigten en rietlanden.

Aronsthoek – Geetbets

Het hele gebied was eeuwen lang te drassig en te overstromingsgevoelig om  – ondanks de aanleg van talloze leigrachten – echt te ontginnen of te bebouwen en heeft daarom veel van zijn natuurlijk karakter behouden. Wel zijn in onze tijd tal van de oude hooilanden omgezet in monotone populierenplantages. En dit nog: de woorden ‘Gete’ en ‘Gette’ betekenen zoiets als ‘gieten’ of ‘goot’ dus ik denk dat ik er maar ‘waterloop’ van maak.

Om water te bergen en zo overstromingen te vermijden

Aronsthoek in Geetbets in de vallei van de Gete heeft sinds onheuglijke tijden zijn oorspronkelijke vorm en functie kunnen behouden. Je ziet dat ik dat op de kaart Vandermaelen van 1845 maar je kan het ook zien op de Ferrariskaart van 1771 en waarschijnlijk zijn er nog oudere kaarten maar die zijn niet online: een open gebied van uitgestrekte drassige graslanden, op veel plaatsen afgezoomd met haagkanten en bomenrijen en met kleine loofbossen op de flanken van de vallei. Je kan er behoorlijk verdwalen want het gebied wordt doorsneden met waterlopen, soms zijn dat natuurlijke beken maar er zijn ook talloze leigrachten waarmee de boeren in het verleden het water hebben proberen te temmen.

Aronsthoek – Geetbets – in de wildernis

Ik heb het zelf nog niet meegemaakt maar in de winter kan heel dit landschap blijkbaar onder water komen te staan. En dat is nodig ook want anders lopen de huizen stroomafwaarts onder water. Traditioneel is het stadje Halen in dat geval een eerste slachtoffer. Ik lees dat ondanks plaatselijke buffermaatregelen in 2016 daar de omgeving nog eens onder water kwam te staan na heftige regenval.

Op deze verkenningstocht passeren we twee zijbeken van de Gete: de Graasbeek en de Melsterbeek. Tussen de beiden kijken we op de overkant van de Graasbeek naar het noorden op de Segeraethoeve. Ik ben nog niet tot daar geraakt maar van het moerassige weidegebied ten westen van die hoeve heeft Natuurpunt enige jaren geleden 48 ha kunnen aankopen van het oude domein Ter Vreundt. Op de kaart van Natuurpunt staat de hoeve aangeduid maar voor de historische benaming ‘Château de Vrunt – au Baron de Zegerarde (ruïne) moet je op Villaretkaart van 1745 kijken. En de moerassen staan overduidelijk ingetekend op de topografische kaart van nu. Het pad gaat er niet naar toe maar je ziet wel de rijen afstervende populieren in de verte. Ik laat de Galloways verder met rust  want ik kom aan het einde van hun wildernis aan een klein hekje en daarachter ligt het normale wandelpad. Naar rechts gaat terug naar de uitkijktoren.

Land van beken en zijbeken

Naar links kom je langs een mooi pad eerst de Graasbeek tegen en een eindje verder de Melsterbeek. Over beide beken schreef ik niet lang geleden een uitgebreide tekst en die kan je vinden door de bijgevoegde link te openen (https://opstapinhetlandvandedijleendedemer.home.blog/?s=graasbeek).

Aronshoek – Geetbets – brug over de Melsterbeek

 Beiden zijn zijbeken van de Gete en met zijn drieën verzorgen ze de watertoevoer in het natuurreservaat. De Graasbeek is maar een heel klein slingerend stroompje dat ik op de kaart zie beginnen als aftak van de Melsterbeek aan een zuiveringsstation een beetje ten noorden van het dorp Runkelen. Aan de Kasteellaan, dat is de autoweg die Aronsthoek in tweeën splitst, komt hij aan op de Asbeek en stroomt vandaar naar het noorden tot hij via de Melsterbeek op de Gete aankomt ten zuiden van Halen.  De Melsterbeek bevat heel wat meer water. Op de kaart zie je dat  hij een nogal ingewikkeld parcours aflegt van 35km van de bron in Jeuk in de gemeente Gingelom naar de Gete in Donk en daarbij een wijde boog rond de stad Sint Truiden maakt. Beide beken lopen een heel eind parallel met de Gete. In de 13de eeuw was de Melsterbeek blijkbaar bevaarbaar en kwam hij ten zuiden van Grazen in de Graasbeek aan. De motte in Geetbets (daarover later nog iets) diende in die tijd om tol te heffen op de langskomende schepen lees ik. In feit is een groot deel van de huidige Melsterbeek geen natuurlijke waterloop maar een lang geleden gegraven kanaal. Op oude kaarten zie je dat heel deze vallei de grens vormde tussen het wereldse Hertogdom Brabant en het religieuze Prinsbisdom Luik en de aanwezigheid van vele burchten (kastelen), donjons en versterkte hoeves herinnert daar nog aan.

Aronsthoek – Geetbets

Vlak voor de brug over de Melsterbeek sta je op die grens. Ik beloof nog een kastelentocht in de toekomst. De uitgezette Aronsthoek-wandeling komt na de brug over de Melsterbeek aan bij een natuur-onaantrekkelijk huis en een jonge eik met een bank er rond (en een groene vuilbak, knooppunt 415). Naar alle kanten ziet het vervolg er buiten het natuurreservaat nogal kaal uit en als je via het noorden de lus wil maken kom je wel langs de hoeve Segeraet waar ik het nog over zal hebben maar daarna op de autoweg en door de bebouwde kom. Ik ga daarom terug naar de uitkijktoren en naar de rivier en vertel nog iets over de mooie hagen die je op dat pad tegenkomt.

Van hagen en houtkanten

Dankzij Natuurpunt vind je in Aronsthoek langs het wandelpad opnieuw de haag- en houtkanten die eeuwenlang kenmerkend waren voor het boerenlandschap in heel Vlaanderen en er het lieflijk karakter aan gaven dat je kan zien op oude prenten en foto’s. Natuurpunt: “Reeds in 1771-1778, ten tijde van de cartograaf Graaf Ferraris, waren de groene valleistructuren heel duidelijk aanwezig. Het gebied had een open karakter, versneden door talrijke leigrachten en uitgestrekte drassige graslanden (beemden), lokaal omzoomd met haagkanten of bomenrijen.” Met de komst van grote machines is dat overal verdwenen en vervangen door grote open vlakten waarin nauwelijks nog struiken of bomen te zien zijn. Er zijn mensen die hiervan houden maar ik vind het troosteloos. Als de zon schijnt wandel je in de hitte en als de wind waait word je weggeblazen en er is nauwelijks beschutting tegen regen. En toch zijn die hagen en houtkanten van zeer groot belang, bijvoorbeeld om afstromen van water van de akkers tegen te gaan maar natuurlijk vooral als biotoop voor alle mogelijke dieren, waaronder vogels en insecten.

Aronsthoek – Geetbets – sleedoorn in de haag

 Ik blijf het vreemd vinden dat in de oude boerentijd toen alles met de hand gedaan moest worden, de hagen en de houtkanten werden onderhouden en dat in onze tijd waarin voor alles machines beschikbaar zijn,  dat werk er blijkbaar te veel aan is. Op het pad tussen de Melsterbeek en de uitkijktoren aan de Gete ervaar je hoe een mooie, structuurrijke en natuur-bevorderende haag-omzoomde veldweg er uit ziet. Als je tuin groot genoeg is kan je misschien ook zo’n strookje aanleggen of er omheen laten groeien in plaats van je te voorzien van steriele geschoren haagbeuken of coniferen. In het voorbijgaan nam ik foto’s van wilgen, vlier(bessen), sleedoorn(bessen), meidoorn(bessen, eikels, hondsrozen (bottels) en zelfs appels want dat groeit daar ook. En ongetwijfeld staat er ook linde, esdoorn, zoete kers (en ook amerikaanse vogelkers), iep, notelaar, kastanje, haagbeuk, hazelaar en spork. En je hoeft dat echt niet te planten want het groeit allemaal spontaan op. En als het hoog genoeg groeit geeft het schaduw en dan blijft je pad ook begaanbaar en hoeft niet voortdurend gemaaid en gesnoeid te worden. Hierna wandel ik terug langs de Gete en vertel nog iets over de motte van Geetbets, aan de Dorpsstraat juist buiten het reservaat. Daarna verken ik kort de noordkant van de Kasteelstraat.

De motte van Geetbets

Als er geen infoborden stonden zou ik het niet gezien hebben maar aan de bushalte vlakbij de brug is er nog een middeleeuwse ‘Motte’ in een weide. Heel opvallend is hij niet en of ik (een) mot zou krijgen als ik er dichterbij had proberen te komen heb ik niet geprobeerd om uit te vinden, maar als je goed kijkt zie je inderdaad een soort van lage heuvel die weinig fotogeniek is totdat je ontdekt dat er mooie rechte populieren rond staan.

Aronsthoek – Geetbets – de motte

Mottes vind je overal in de dorpen die op een andere manier aan een grens liggen. In Geetbets is dat de oude scheiding tussen Hertogdom Brabant en het Graafschap Loon, later het Prinsbisdom Luik. In de 13de eeuw diende deze verhoging als toevluchtsoord voor de dorpelingen in geval van dreiging maar vooral – lees ik in het erfgoeddossier – om “tol te heffen en als bescherming van de scheepvaart op de Melsterbeek, die vroeger ten zuiden van Grazen uitkwam in de Graasbeek. Rond de motte liep vroeger de Overbeek die nu nog als gracht zichtbaar is. Vermoedelijk vormde deze motte het oude leengoed Hof ten Hove, de kern waarrond de gemeente Geetbets zich gevormd heeft. Tijdens een vroege opgraving kwamen sporen van houtbouw aan het licht die mogelijk refereren aan de oprichtingsfase. Het gebouwenbestand werd waarschijnlijk vernield in de 16de eeuw en nadien niet meer hernieuwd. De motte zelf valt op door zijn hogere ligging en is in gebruik als hoogstamboomgaard. Op het neerhof lag de hoeve, die nu nog steeds als landbouwbedrijf in gebruik is en geen waardevolle bebouwing meer kent.” Op de Villaretkaart van 1745 zie je hem nog liggen als een omheinde rechthoek ten zuiden van de molen van Geetbets.

Aronsthoek – Geetbets – kerk gezien vanaf de motte aan de Gete

Het Hof ten Hove was het oudste leengoed in Geetbets en werd misschien al in de achtste eeuw gesticht. De kerk is hier vlakbij. Die dateert van eind 18de eeuw maar zijn voorganger stond er al in de 13de eeuw.

Op verkenning in Aronsthoek-noord

Hierna ga ik nog kort op verkenning in het noordelijke deel van Aronsthoek aan de overkant van de Kasteellaan tussen Geetbets en Rummen. En helemaal aan het einde gaan we dan toch nog even naar het zuiden richting André Meyvaertsbos en Segeraethoeve. Ondanks mijn voortreffelijke gids en beheerder en kenner van het natuurreservaat, Ronald Jacobs vind ik het niet gemakkelijk om over dit traject een overzichtelijke reportage te maken want het is wel een heel spannend maar niet erg overzichtelijk wandelgebied voor wie de streek niet kent. Het begint er al mee dat je op de kaart van Natuurpunt in dit gedeelte geen uitgezette wandeling zult vinden en in feite er zelfs helemaal geen paden zijn aangeduid. Gelukkig is de Open Street map iets optimistischer want daar zie je toch vanaf de Kasteellaan twee stippellijnen met naar het noorden kronkelen. De linkse daarvan volgt de westelijke oever van de Melsterbeek en de rechtse gaat aan de oostkant van de Gete. Het pad langs de Melsterbeek sluit in het noorden aan op de Leeuwbeekstraat. Het pad langs de Gete loopt dood aan de Asbeek en dan moet je gewoon terug tenzij je je weg door de wildernis weet of een beetje zuidelijker een afslagje met brugje over de rivier vindt naar een pad aan een zuiveringsstation met de naam Langveld en zou je daarlangs ook terug moeten kunnen naar de Kasteellaan. In de winter kan je in dit gebied nauwelijks terecht zonder natte voeten te krijgen en in de nazomer zie je bijna geen water vanwege het manshoge riet.

Aronsthoek – Geetbets

Maar waar je ook gaat, er zijn overal waterlopen. Behalve de drie die ik al genoemd heb zie ik ook nog de Katermansbeek en Ruelbeek op de kaart en of er water in zit of niet merk je pas op het allerlaatste ogenblik op de plek waar je er overheen zou willen. Ik begin te begrijpen waarom in de oude tijd dit grensgebied ook gevaarlijk moet zijn geweest om er te proberen doorkomen zonder gids.

Een paradijs voor vogels

De noordelijke kant van het natuurreservaat Aronsthoek is dus geen gemakkelijk gebied om je weg te vinden heb ik gemerkt. Je ziet de toren van een kerk in de verte en als je weet dat die van Geetbets is in het westen (wat ik niet wist toen ik de foto nam) dan weet je tenminste iets over je richting.

Aronsthoek – noord – Geetbets – spotterstoel staat klaar

Maar pas op, in Rummen staat er precies eenzelfde soort toren en dat is helemaal aan de oostkant. Je kan je voorstellen dat het in die tijd moeilijk was om ongemerkt en veilig over die grens tussen het Hertogdom Brabant en Prinsbisdom Luik heen te komen in dit mozaiek van rietvelden, moerassen en drassige hooilanden. Het landschap is grotendeels zo gebleven hoewel op veel plaatsen, vooral aan de rand, mais groeit en weilanden vervangen zijn door fruitplantages. Dit is uiteraard een paradijs voor alle mogelijke vogels zoals wulpen, watersnippen, reigers, bijzondere eendensoorten, wilde en kleine zwanen en kwartelkoning (is die er nu al?), insecten, amfibieën en andere dieren die het van water moeten hebben. Bij de zangvogels noemt Natuurpunt de kievit, spotvogel, zomertortel, roodborsttappuit, sprinkhaanrietzanger, blauwborst en kleine karekiet. Als toevallige bezoeker moet je wel specialist zijn om ze te horen en geduld hebben om ze daarna te zien en veel knapper dan ik om ze ook nog te fotograferen. Ergens in het gebied trof ik een stoeltje aan dat al klaarstaat voor de geduldige spotter.  Als je dan toch in quarantaine moet lijkt me dit geen slechte plek. In de winter moet je hier spectaculaire waterbeelden kunnen zien lees ik bij Natuurpunt want dan dient de vallei als natuurlijke waterberging. Behoud en herstel van dit soort landschap is uiteraard een veel betere oplossing om overstroming in dorpen te vermijden dan de aanleg van dijken en betonnen wachtbekkens maar het is blijkbaar nog altijd moeilijk om onze overdynamische  en overgetechnologiseerde ingenieurs van deze simpele waarheid te overtuigen. Maar in elk geval, op deze tocht kom ik geen beton tegen dus misschien gaan we betere tijden tegemoet.

Aronsthoek – Geetbets – een koester-kapelletje langs de Leeuwbeekstraat

een mooie kapel en een leuke bio-boerderij aan de Leeuwbeekstraat.

Aronsthoek – de noordkant. Vanaf de Melsterbeek belanden we via een aan de (strikt genomen veel te dicht langs de) rivier liggende perenboomgaard plotseling weer op een weg, de Leeuwbeekstraat. De peren zijn nog niet rijp maar gelukkig hoor ik geen geluiden van een pomp die water uit de beek oppompt. Is het waar dat plukkers in dit soort boomgaarden slechts 8 euro per uur verdienen? Tussen twee maisvelden duikt een schattig kapelletje op. Hij is duidelijk gewijd aan de Heilige Maagd maar wie hem gebouwd heeft en om welke reden kan ik op het internet niet terugvinden. Hij staat niet op de erfgoedinventaris van Geetbets en ik denk ook niet dat hij heel oud is want hij staat pas aangeduid op de NGI-kaart van 1939. Ik vind hem op een lijst van kapelletjes in Vlaanderen maar daar staat alleen dat er een grotje is. Dat is er ook en er staat een mariabeeld in. De kapel staat open, er staat een bank bij en hij is wel heel mooi onderhouden. Er moet iemand in de buurt zijn die er goed voor zorgt. Misschien is er een lezer die er meer over kan vertellen? Een klein eindje verder staan we aan een veldweg naar rechts plotseling aan een bio-boerderij. Serres, schuren, velden met groenten en bloemplanten en vriendelijke mensen die aan het werk zijn, Bio-bij-Bernd (‘hier leef je bio’ staat er op het bord) is overduidelijk een op de toekomst gericht tuinbedrijf en geen klassieke agro-industrie voor de maisteelt. Op de facebookpagina lees ik dat dit het bedrijf is van de lokale CSA (Community Supported Agriculture) bioboer Bernd Vandersmissen voor de omgeving Hasselt, Kiewit, Alken, Stokrooie, Herk-de-Stad, Heusden-Zolder en Bilzen.

Aronsthoek – Geetbets – Bio bij Bernd

Bernd en Rosette sluiten overduidelijk aan op de nieuwe trend van ‘telen voor de korte keten’ want het bedrijf staat aangeduid als organische groentenwinkel en je kan het menu bekijken en dat aan huis laten leveren of zelf afhalen. Je kan ook paketten voor groente en fruit, paddenstoelen en bloemen bestellen. Heel de regio van Midden-Limburg wordt bediend met de stad Zoutleeuw als zuidelijkste verkooppunt. Ik denk dat het hard werken is om zo’n bedrijf te houden en er van te kunnen leven maar in de toestand waarin Vlaanderen zich gebracht heeft denk ik dat dit de weg vooruit is. Hierna nemen we nog een laatste kijk in het natuurreservaat zelf aan het bos André Meyvaert en de totem voor René Coosemans en de dag daarna bezoeken we het Kasteel van Hoen (van Rummen).

De Segeraethoeve, het André Meyvaartbos en een totem voor René Coosemans

Het natuurreservaat Aronsthoek in Geetbets zou er niet zijn zonder een geduldig aankoopbeleid van Natuurpunt met het doel om al de vrijkomende puzzelstukken in het gebied aan elkaar te koppelen. Soms steken privé-kopers, dikwijls met jachtbedoelingen, een spaak in het wiel. Maar af en toe gebeuren er toch kleine mirakels waarbij grondeigenaars, meer in het bijzonder boeren, zich op de lijn van de natuur zetten.

Aronsthoek – Geetbets – langs de Melsterbeek – hoeve Segeraet in de verte

Iets ten zuiden van de Kasteellaan zie je langs de Melsterbeek de hoeve Segeraet, zo genoemd naar voormalig eigenaar, de familie Zegeraedt,  heel lang geleden ook bekend als Hof Ter Vreundt. Dat is een belangrijke historische site, lange tijd eigendom van het Oriëntenklooster, met een in 1910 afgebroken donjon. De Melsterbeek is op die plek verlegd om de watermolens te bedienen en de hooi- en graasweiden in te richten. In 2013 kon Natuurpunt 45 hectare grond rond die hoeve in eigendom verwerven. Enkele jaren geleden besloot boer-op-rust André Meyvaert om het gebied waarover hij de pacht had aan Natuurpunt in beheer te geven omdat hij vond dat de huidige landbouw de natuur kapot maakt, vooral omdat er teveel wetten zijn die de boer het leven zuur maken. De organisatie besloot in 2017 op een deel van het terrein een klimaatbos met een omvang van zeven voetbalvelden aan te leggen met alle mogelijke inheemse boom- en struiksoorten zoals zomerlinde, zomereik, esdoorn, zoete kers, ruwe iep en haagbeuk,  hazelaar, spork en hondsroos. André werkte zelf mee aan de voorbereiding van het planten van duizenden boompjes maar juist toen het echte werk moest beginnen kwam hij plotseling te overlijden. Op 12 maart 2017 werden na een plechtige inhuldiging van het nieuwe bos bijna 7000 bomen geplant met medewerking van scholen, jeugdverenigingen en andere plaatselijke natuurliefhebbers. Uit eerbetoon is het bos naar hem genoemd. Bij de inhuldiging werd ook een rustbank geplaatst en twee lindeboompjes geplant. De havik-totem – gemaakt gemaakt in de sociale werkplaats van Natuur en Landschap – is gewijd aan René Coosemans. Deze Brusselaar schonk voor zijn overlijden in 1993 een deel van zijn nalatenschap, 463.000 euro, aan Natuurpunt Oost-Brabant voor de aankoop van natuurpercelen in het Hageland. Met een deel van geld zijn de percelen rond de hoeve Segeraet ook eigendom van de organisatie geworden. De weduwe van André, Simone Bollen woont nog altijd op haar boerderij en zet het bedrijf verder zolang het gaat. Met dit hoopvolle verhaal ben ik rond met mijn eerste verkenning van dit prachtige natuurgebied en breng ik hierna nog een bezoek aan het kasteel van Hoen dat er zowat middenin ligt.

Aronsthoek – Geetbets – de haviktotem

Aronsthoek – het kasteel van Hoen. Sommige natuurliefhebbers zijn ongetwijfeld in hun nopjes met de gevelbegroeiing van het ietwat bouwvallige ronde torentje aan de Kasteelstraat nummer 17 in Geetbets (zie de foto) maar het is helaas zowat het enige wat overblijft van het eens zo trotse kasteel waar het deel van uitmaakte. Gelukkig is er nog de kasteelhoeve die vroeger wel veel groter was maar er dankzij eigenaar Ward Vertommen toch nog altijd (of beter: opnieuw) een best wel de allure van een kasteel heeft. Torentje en hoeve zijn sinds 1995 als erfgoed-monument beschermd als gebouw maar ook als stads- of dorpsgezicht als ‘Kasteel van Rummen met omgeving’. In het erfgoeddossier lees ik dat voor de Franse revolutie Rummen deel uitmaakte van het graafschap Loon en dat in deze vruchtbare streek de welgestelde familie Hoen geleidelijk aan de eigendom en het gezag over deze omgeving verwierf. Op het einde “van de 16de eeuw was Rummen in het bezit van Guillaume Hoen de Cartiels, zoon van Henri Hoen en Anna de Horion. Zijn zoon Jean Hoen verkreeg de titel van graaf en liet in 1629 een nieuw kasteel bouwen”. Sindsdien is het niet meer ‘Hoen’ maar ‘Van Hoen’ en de wapenschilden van de familie staan tot twee keer toe ingebeiteld aan de voorkant van de hoeve met jaartal 1629 maar wat de betekenis van de afbeelding is weet ik nog niet. In de muur staat ook het jaartal 1626 ingemetseld dus dat moet tijdens de bouw gebeurd zijn. Het plaatje onder de schilden wil alleen maar zeggen dat het goed tegen brand verzekerd was op het einde van de 19de eeuw. Op een gravure van 1662 zie je hoe het geheel – kasteel en hoeve – er in zijn tijd moeten hebben uitgezien: in feite een zwaar versterkte omwalde en slechts via een brug toegankelijke waterburcht. Deze burcht brandt al in 1657 gedeeltelijk af maar wordt nadien wederopgebouwd.

Kasteel van Hoen zoals gebouwd in 1629 – oude gravure (1662) gepubliceerd in de Chorographia Sacra Brabantia van Sanderus
Aronsthoek – Geetbets – Kasteel van Hoen – prenttekening uit 1640 door Remacle Leloup

Op een pentekening van Remacle Leloup van 1740 (zie foto) maakt de versterkte allure plaats voor een residentieel karakter. De Ferrariskaart (1771) toont een site die blijk geeft van grootse plannen die waarschijnlijk niet zijn afgewerkt want na de kinderloze dood van gravin Marie-Henriette de Hoen de Cartels liet haar neef en erfgenaam Charles-François de Horion het hele bezit in Rummen aan zijn schuldeisers over. Tegen die tijd komt de Franse revolutie er aan en in die periode wordt het kasteel wegens financiële moeilijkheden verkocht aan Pierre Van den Bossche uit Tienen.

Aronsthoek – Geetbets. Het kasteel Van Hoen is na de Franse revolutie nog een eeuw blijven bestaan maar in die periode door elkaar opvolgende eigenaars toch stukje bij beetje verkleind.

Kasteel van Hoen – Geetbets-Rummen

Over die periode lees ik in het erfgoeddossier het volgende: “In 1887 geeft Wouters in zijn Géographie et histoire des Communes Belges nog een beschrijving van het kasteel, dat sindsdien is gesloopt. Enkel de zuidoostelijke hoektoren bleef als torenruïne bewaard. De vroegere omvang van het kasteel is nog steeds afleesbaar op het kadasterplan. De Primitieve kadasterkaart, opgemaakt door Boonaerts in 1827, toont een plattegrond die nauw aansluit bij de afbeelding van Leloup. Op een gravure van 1847 wordt het herenverblijf getoond met de twee hoektorens, de spietorentjes, de ophaalbrug en de slotgracht, precies zoals Leloup het meer dan honderd jaar eerder had getekend. De slotgrachten stonden nog wel geregistreerd als lustvijver (‘eau d’agrément’), maar van de parterretuin ten oosten van het kasteel bleef alleen de perceelsvorm bewaard. Het voormalige kasteel van de Hoen was toen eigendom van de weduwe van Pierre Van den Bossche uit Tienen, eigenares van bijna één derde van het grondgebied Rummen. Zij liet in 1837 de restanten van de voorburcht afbreken. Het herenverblijf werd op één hoektoren na gesloopt omstreeks 1906. De resterende hoevegebouwen werden tot in de jaren 1980 nog als hoeve uitgebaat. Een poging tot restauratie rond 1990 verzandde in een pril stadium … De toren ligt in een kleine waterplas, een restant van de vroegere omgrachting, eertijds gevoed door de Asbeek (Ruulbeek of Philippebeek) die de gemeente van oost naar west doorkruist.” Die kaart van 1827 en de gravure van 1847 heb ik niet maar op de in het grote internet beschikbare kaarten zie je het hierboven beschreven verval ook heel duidelijk (zie de foto’s).

Kasteel van Hoen – Geetbets-Rummen – kasteel van Hoen – trap naar de hemel

Ik heb geen oude foto van de site van vlak voor en na de vastgelopen restauratie in 1990 maar die mislukking had zeer goed het einde van deze droevige historie kunnen zijn als er niet een koper was opgedaagd met de nodige passie en middelen om aan het geheel een zinvolle eigentijdse herbestemming te geven. Over het werk van huidig kasteelheer Ward Vertommen ga ik het nog hebben. Er zijn echter nog twee intrigerende raadsels waarvan ik hoop dat een lezer er meer over kan vertellen: in de voormuur van de hoeve is een vrijmetselaars-ster ingemetseld (zie de foto). Wie van de bewoners dit gedaan heeft, wanneer en om welke reden is me totaal duister en ik zou het toch graag willen weten. En het tweede raadsel: is er iemand die verstand heeft van rune-achtige timmermanstekens (telmerken, paringstekens) in oude houten balken in het dakgebinte? Zie de foto.

In 1995 wordt de kasteelhoeve Van Hoen officieel beschermd als monument. Maar tegen die tijd is het gebouw al flink aan het aftakelen. In 2004 gaat het bijna in vlammen op door brandvandalisme. Het antieke meubilair wordt gestolen en het dak begint flink te lekken. Erfgoed beschermen is noodzakelijk maar het vervolgens leeg laten staan is een riskante zaak.

Kasteel van Hoen – Geetbets-Rummen

Het gemeentebestuur overweegt even om de hoeve aan te kopen en als cultureel centrum in te richten maar dat gaat niet door. Plannen van eigenaar Dakimmo uit het Kempense Tielen om er een stoeterij van te maken stuiten op weerstand bij de erfgoeddiensten. De verkommering gaat verder en in 2006 vertelt Het Nieuwsblad dat de hoeve te koop staat. Dit nieuws bereikt de oren van de uit Tienen afkomstige Brugse zakenman Ward Vertommen die na de opening van een succesvolle feestzaal in Neerlanden op zoek is naar een nieuwe en ruimere locatie. Ward koopt de hoeve – maar niet de toren en de resten van de kasteelgracht – aan in 2008 en dan beginnen drie jaren van soms moeizame restauratie tot met een beetje vertraging in mei 2011 de deuren voor de eerste keer opengaan. Sindsdien adverteert de site zich op professionele wijze als een toplocatie voor al wat bedrijven en mensen van nu nodig hebben om te feesten en te vieren: “het 17de eeuwse Kasteel van Hoen (Geetbets) is een locatie die stijl en charme uitstraalt. Het poortgebouw en de tiendenschuur zijn omgetoverd tot een schitterend complex voor kleine en grote evenementen, zoals recepties, bedrijfs- of personeelsfeesten,… De mogelijkheden van dit gebouw zijn eindeloos. Het kasteel ligt omringd door weilanden en bossen, op de grens van Vlaams-Brabant en Limburg.” Meestal zal het er heel druk zijn met schoon volk denk ik maar ik nam er mijn foto’s midden in de corona-crisis op een toevallig passeermoment waarbij Ronald en ik privé werden rondgeleid door onze allervriendelijkste maar uiteraard een beetje bezorgde kasteelheer met zijn brave en speelse jonge hond als enige stervelingen in het enorme gebouw.

Aronsthoek – Geetbets – kasteel van Hoen

De site is grandioos gerestaureerd met groot respect voor het klassieke uitzicht en gebruik van originele materialen. Een mooie buitentuin en de ruime binnenplaats geven de vroegere hoeve inderdaad wel meer de allure van een kasteel dan van een boerderij die het toch eeuwenlang was. Ward moet absoluut ook een passioneel verzamelaar zijn want het interieur is aangekleed met alle mogelijke antikwiteiten van overal vandaan en van allerlei aard. Sommige vind ik heel merkwaardig zoals een enorme vergulde doodskist in de feestzaal (wie durft het deksel op te lichten?). Je moet absoluut gaan kijken in de gloednieuwe ceremoniezaal met de opgekapte bankjes. Als je de zitting naar beneden doet komen er geen ‘zondige’ taferelen tevoorschijn zoals in de kerk in Aarschot. Maar bewonder vooral de torenhoge tiendenschuur met zijn prestigieuze houten gebinte, in elkaar gestoken in eeuwen dat er nog geen bouten en nagels werden gebruikt maar alles met handgemaakte pen-gat verbindingen werd vastgemaakt. Mijn blik is aangetrokken door enkele details in dat gebinte die je als feestganger misschien niet zal opmerken. De rune-achtige tekens in enkele van die heel oude balken zie je wel vaker in erfgoed-gebouwen. Het zijn zogenaamde ‘paringstekens’ of ‘telmerken’ die de timmerlieden van vroeger aanbrachten om op de werf precies te weten hoe en waar hun loodzware balken op grote hoogte moesten worden bevestigd. Ik ontdek dat er een hele ‘taal’ van die tekens bestaat die iedere schrijnwerker moet kennen, zeker als hij/zij voor de rest ongeletterd is hetgeen in de oude tijd blijkbaar dikwijls zo was.

Kasteel van Hoen – Geetbets-Rummen – timmermanstekens in de oude balken

Is er een lezer die kan zeggen wat de tekens op mijn twee foto’s betekenen? Ik blijf nog zitten met één vraag: wat gaat er bij Ward’s buren op de duur gebeuren met die zielige toren en de als prozaïsche visvijver gebruikte kasteelgracht met kale parking en party-tent? Tip voor wie daar iets over te zeggen heeft: zou het niet beter zijn om ook dat deel van de site weer terug bij de hoeve te voegen en er een park-tuin van te maken met hagen die de contouren van het vroegere kasteel aangeven?

Met deze vraag ben ik aan het einde van deze eerste verkenning van Aronsthoek en omgeving gekomen maar zoals altijd beloof ik om er snel weer verder op zoek te gaan.

Aronsthoek – Geetbets – kaart Natuurpunt

++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

http://www.natuurpuntgetevelpe.be/aronsthoek

+++

+++

Aronst Hoek erkend als natuurreservaat | Zoutleeuw | In de …

http://www.hln.be › In de buurt › Zoutleeuw

+++

https://www.molenechos.org/molen.php?nummer=973 (molen van Geetbets)

+++

Aronsthoek – Watermolen Geetbets op de Gete

https://www.natuurpunt.be/pagina/galloway

+++

Aronst Hoek | Natuurpunt

www.natuurpunt.be › natuurgebied › aronst-hoek

+++

https://wilde-planten.nl/grote%20kaardebol.htm

+++

+++

https://www.sohf.nl/nutrient/kaardebol

+++

https://www.tuinadvies.be/plantengids/2120/dipsacus-pilosus

+++.

Wat is de betekenis van kaarden – Ensie

www.ensie.nl › betekenis › kaarden

Aronsthoek – Galloway

+++

OP STAP IN HET LAND VAN DE GRAASBEEK EN DE MELSTERBEEK

+++

https://www.hbvl.be/cnt/dmf20160723_02396466/in-beeld-water-stroomt-door-straten-zelk-en-zelem

+++

https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/301172

Valleien van de Grote en Kleine Gete | Inventaris Onroerend …

inventaris.onroerenderfgoed.be › erfgoedobjecten

+++

https://beeldbank.onroerenderfgoed.be/images/226560

+++

Hof ten Hove

+++

Aronsthoek – Geetbets

https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/41814

(Petrus en Paulus kerk)

+++

http://www.kapelletjesinvlaanderen.be/html/geetbets.html

+++

https://www.facebook.com/biobijbernd

+++

http://www.biobijbernd.be/

Aronsthoek – totem aan het Segeaetperceel

+++

Havik waakt over natuur in Aronst Hoek (Geetbets) – Het …

www.nieuwsblad.be › cnt › dmf20170328_02804558

+++


Natuurgebied Aronst Hoek wordt 48 hectare groter (Geetbets …

www.nieuwsblad.be › cnt › dmf20131107_00828424

https://www.nieuwsblad.be/cnt/dmf20131107_00828424

+++

https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/302577 (kasteel van Rummen) ruinetoren naast kasteel van Hoen

+++

https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/41829

+++

https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/134183

+++

Aronsthoek – Geetbets – kasteel van Hoen

Fier op de hoeve van hier – Regionaal landschap Zuid …

http://www.rlzh.be › rlzh › sites › default › files (rapport door Claudia Houben, 2019)

+++

https://www.facebook.com/kasteelvanhoen

+++

https://www.meetingvlaamsbrabant.be/nl/aanbod/kasteel-van-hoen

Kasteel van Hoen – Geetbets-Rummen

+++

https://www.nieuwsblad.be/cnt/bo3ada0

Kasteel van Hoen gaat dit weekeinde open (Geetbets) – Het …

www.nieuwsblad.be › cnt – 20 mei 2011

+++

https://www.nieuwsblad.be/cnt/gbku59e8

Kasteelhoeve zoekt bewoner – Het Nieuwsblad Mobile

www.nieuwsblad.be › cnt –24 jun. 2006

+++

Kasteelhoeve Hoen wordt feestcomplex (Geetbets) – De …

www.standaard.be › cnt Kasteelhoeve Hoen wordt feestcomplex 3 juli 2008

+++

https://www.dbnl.org/tekst/jans353hout01_01/jans353hout01_01_0005.php – telmerken in gebinten

+++

https://www.joostdevree.nl/shtmls/paringstekens.shtml

paringstekens, paringsteken – Joostdevree

http://www.joostdevree.nl › shtmls › paringstekens

Aronsthoek – Geetbets

trefwoorden: geetbets, gete, aronsthoek, natuurpunt, natuurreservaat, motte, galloway, kaardebol, kasteel van hoen, segeraethoeve, bernd & bio, erfgoed, geschiedenis,

OP VERKENNING IN DASSENAARDE-ASDONK

Diest – natuurgebied Dassenaarde – in de vallei van het Zwart Water

Het natuurgebied Dassenaarde tussen Averbode, Diest en Tessenderlo  is een van de grotere gebieden die beheerd worden door Natuurpunt. In de folder van Natuurpunt-Diest lees je dat je er kan gaan wandelen via uitgezette wandelingen of via de knooppunten en dat de naam herinnert aan de dassen die er tot eind van de jaren vijftig hun burchten houden. De das is nog niet terug maar tijdens de wandeling in dit landschap zou ik denken dat we dankzij het huidige natuurbeheer dit dier wel opnieuw mogen verwachten en in elk geval staat hij al afgebeeld op de totem aan de ingang van het natuurgebied aan de Asdonkstraat 15, 3294 Diest bij het in 2017 geopende onthaal en jongerencentrum, plaatselijk alom bekend als de ‘Speelpleinwerking Dassenaarde’. Een ander goed vertrekpunt is de Kiewithoeve, Goor 12, 3980 Tessenderlo.

Alle seizoenen maar blijkbaar vooral de herfst zijn goed om dit prachtige gebied met een afwisseling van natte vallei-weiden en droge beboste heuvelruggen te bezoeken want naast een overvloed van planten en dieren passeer je ook heel wat cultuur-historisch erfgoed zoals oefenloopgraven uit de eerste wereldoorlog, een natuurboerderij met de merkwaardige middeleeuwse naam Bolhuis en het 18de eeuwse kasteeltje Groot-Asdonk gelegen in een park in Engelse landschapsstijl aan de rand van het Prinsenbos.

Diest – natuurgebied Dassenaarde – Asdonkstraat 15, Diest – de ingang

De onvoorbereide bezoeker kan even moeite hebben om de juiste afspraakplaats en ingang te vinden want op de kaart wordt de benaming ‘Asdonkstraat’ gebruikt voor een hele reeks van wegen en veldwegen en wie onvoorbereid googelt naar de Asdonkstraat 15 komt gemakkelijk uit op een adres in Tessenderlo een beetje verder naar het oosten dan hetzelfde adres in Diest. Als je geen goede (knooppunten)kaart en richtingsgevoel hebt geeft het ook verwarring tijdens je verkenningstocht. Het gebied ligt op de historische en huidige grens tussen (Vlaams) Brabant en Limburg en de Asdonk is blijkbaar geen donk maar een deel van de meest noordelijke 30 tot 35 meter hoge getuigenheuvel van het Hagenland.

De aan de westkant er naast gelegen Ekelenberg gaat tot 40 meter en aan de overkant van de vallei staat de Blaasberg boven de Demer op een hoogte van 50 meter. In de Romeinse tijd tot in de vijfde eeuw was het een tolpost aan het begin van de ‘Kempenroute’ tussen Diest en Bakel en ik vermoed dat het naamsdeel ‘as’ (een Romeinse munstuk) daaraan te danken is. Aan de zuidkant daalt die heuvel steil af naar de vallei van het Zwart Water dat westwaarts verder stroomt naar de Hulpe en dan naar de Demer. Stroomopwaarts komen aan de oostkant  de Grotebeek en de Kleinebeek op het Zwart Water uit. Op dit punt ben je officieel aan de westkant van de Vallei van de Drie Beken.

Diest – Dassenaarde – het Zwart Water aan de voet van de Asdonk – was hier al een tolbrug in de Romeinse tijd?

Die naam is een beetje verwarrend want dat gaat over de Grote Beek, de Kleine Beek en Middelste Beek en dus niet het Zwart Water. Maar de Middelste beek is eigenlijk de bovenloop van de Kleine Beek.

Pak de kaart er even bij en dan zie je dat het natuurgebied  op de grens tussen Vlaams-Brabant en Limburg ligt en begrensd wordt door het dorp Engsbergen in het noorden, Molenstede in het zuidwesten en Diest en Schaffen in het zuidoosten. Naar het noorden kom je via Tessenderlo in de Kempen, naar het zuiden zit je in het Hageland. De Asdonk is geologisch en landschappelijk gezien geen donk maar een getuigenheuvel zeggen mijn bronnen er losjesweg bij zonder verdere toelichting. Ik reken op de specialisten om me te corrigeren in mijn hierna volgende kort-door-de-bocht uitleg van wat ik begrepen heb over het verschil tussen beiden en het belang daarvan.

In onze streken is een donk een heuvel  ontstaan in het laatste gedeelte van de ijstijden zo’n 15.000 jaar geleden. Vanwege het poolklimaat was er in die tijd weinig begroeiing en stonden de rivieren in de winter droog door de vorst. Daardoor had de wind vrij spel om duinen van opgewaaid zand op te blazen aan de lijzijde van een rivierbedding. In later tijd werd de bedding opgevuld met andere door het water meegesleurde materialen en – zeker in de meanders – ook met moerassig laagveen. De donken bleven uitsteken en werden dikwijls al vroeg bebouwd. Natuurpunt beheert langs Dijle en Demer een aantal van die moerasgebieden.

Diest – Dassenaarde – koeien in de weide rond het Bolhuis

Een getuigenheuvel of Diestiaanheuvel is iets totaal anders, veel en veel ouder en van een andere samenstelling. Vlaamse getuigenheuvels zijn ontstaan tijdens het geologische tijdperk Mioceen, zo’n 23 tot 5 miljoen jaar geleden. In die tijd kwam met de stijging van de Alpen ook in ons land de bodem omhoog waardoor de banken van zand en ijzerzandsteen uit de (Diestiaanse) zee boven water kwamen te liggen. In de loop der tijden spoelde het zachte zand met de Dijle, Demer en andere rivieren tussen de harde ijzerzandsteenknollen uit en zo ontstond het Hageland. In de rivierdalen vormden zich in de tijd al dan niet moerassige zandlemige graslanden, later dikwijls ontgonnen tot vruchtbare akkers. Maar de ijzerzandsteen bleef zichtbaar als een echte steile rand langs de vallei.

De Asdonk is zo’n steilrand(je). In geologische termen wordt dit een ‘cuesta’ genoemd en in mensentermen heet dat ‘tafelberg’, een term die we allemaal kennen vanuit het Zuid-afrikaanse Kaapstad. Vanaf de Klappijstraat aan het Zwart Water en de Grote en Kleine beek zie je die rand overduidelijk liggen, zeker als je weet dat het hoogteverschil slechts een meter of tien bedraagt en je niet kijkt op een hoge rotswand maar op een glooiende helling.

De bochtige greppeltjes bovenop de Dassenaardeheuvel in het natuurgebied Dassenaarde in Diest vallen nauwelijks op in de natuur en zijn blijkbaar vooral aantrekkelijk voor mountainbikers. Dat is erg jammer want ze behoren wel degelijk tot ons nationaal oorlogserfgoed. In het erfgoeddossier lees ik dat ze door de Duitse troepen als loopgraven in de harde ijzerzandsteen aangelegd (uitgehakt) zijn bij de komst van de Fliegerbeobachter Schule West naar het in de vallei gelegen vliegveld van Schaffen in 1917.

Diest – Dassenaarde – Dassenaarde Heuvel – het hoogste punt van de Asdonk – door de mens gebruikt voor militaire doeleinden

Duitse piloten werden daar opgeleid in het herkennen van militaire infrastructuur vanuit de lucht. Het zijn dus ‘oefenloopgraven’ en ze zijn nooit echt aangevallen. Om die reden is de hoekige en bochtige structuur nog enigszins te herkennen. Die hoeken dienden om impact van exploderende bommen en handgranaten in de loopgraven te verminderen. Midden in de structuur moet nog een cirkelvormig platform staan dat mogelijk diende om luchtafweergeschut op te stellen en er zijn nog wat grote gegraven cirkels maar dat alles is moeilijk om nog te zien. Er moet ook nog een ondergrondse schuilplaats zijn maar die is onvindbaar afgesloten en wordt nergens voor gebruikt wat een beetje jammer is in de tijd dat zulke plekken worden herbestemd als overwinteringsplaats voor vleermuizen.

De totale omvang is groter en ingewikkelder dan je zo zou denken, de lengte van de loopgraaf is 150 m. en de diepte moet oorspronkelijk 1,80m geweest zijn. Tijdens de Eerste Wereldoorlog was de helling nog niet volledig bebost en hadden de soldaten zicht op Schaffen. Naar aanleiding van de 100-jarige herdenking van de Eerste Wereldoorlog in 2014 werd enig archeologisch onderzoek verricht en de beboste zone rond de loopgraaf gekapt om ze beter zichtbaar te maken. Bij die gelegenheid werden ook twee zichtassen vanuit de loopgraaf op de omgeving opengemaakt: op de zuidwestelijke flank van de heuvelrug werd het zicht op de Zwartwaterhoeve gecreëerd en in zuidoostelijke richting is de zichtas op Schaffen vrijgemaakt.

Diest -Dassenaarde – vanuit de vallei van het Zwart Water kijk je over het Bohuis op de bosrand van de Asdonk

Uit het erfgoeddossier maak ik op dat de loopgraven wel als erfgoed beschouwd worden maar officieel niet als monument beschermd zijn. Er staat een infobordje bij maar ik denk dat het in dit geval beter zou zijn om het geheel ook een beetje te restaureren en onderhouden om ze op termijn te behouden, al was het maar door periodiek de bladeren, ander natuurresten en menselijk afval er uit te halen want zoals het er nu bijligt is het nauwelijks meer herkenbaar. Vanuit de lucht zie je er in elk geval niets meer van. Om de vorm te laten zien heb ik aan de afbeeldingen de plattegrond uit het erfgoeddossier toegevoegd.

Natuurboerderij het Bolhuis is het centrale punt in het natuurgebied. De privé-bioboerderij van Kurt Sannen en zijn gezin vervult een belangrijke rol bij het beheer en de dieren die je ziet grazen worden hier in de winter op stal gehouden als dat nodig is. Op de Ferrariskaart van 1777 zie je dat er in die tijd nog praktisch geen bebouwing was in de vallei en is er van het Bolhuis ook niets te zien maar hij moet er dan toch al geweest zijn want volgens de archeologen stamt hij uit de late middeleeuwen. Ik zie de hoeve samen met het kapelleke voor de eerste keer overduidelijk op de kaart Vandermaelen van 1845. Het is een typische Kempense langgevelhoeve met funderingen van streekeigen ijzerzandsteen met muren die tot het einde van de 19de eeuw volledig uit leem bestonden. Sindsdien is er baksteen tegenop gebouwd en kan je alleen binnen nog enkele overblijfselen van de lemen muren zien. Als je er meer over wil weten kijk je maar eens op de Bolhuis-website.

Diest – Dassenaarde – het Bolhuis

Over de afkomst van de naam heerst enige geheimzinnigheid maar volgens mij heeft het alles te maken met de term ‘bolwerk’ of versterking tegen vijandelijke aanvallen. Zoals overal in grensgebied was het hier in de oude tijd dikwijls nogal onveilig en moesten de boeren zichzelf en hun vee proberen te beschermen. In de omgeving vind je de Waelenhoeve wat wijst op omwalling en de Schanshoeve. Er was ook hoeve de Mot maar die is niet tot in onze tijd geraakt. In de vallei zijn in en sinds de 80jarige oorlog een aantal verschansingen of schansen aangelegd waarvan de Schans van Dassenaarde vlak langs het Bolhuis liep en in het veld zou je er nog overblijfselen van moeten kunnen zien van bij het infobord dat Natuurpunt er bij geplaatst heeft. Op een luchtfoto zie de contouren van de schans heel duidelijk. Een archeologische nota uit 2016 (ter gelegenheid van geplande infrastructuurwerken nabij de Klappijstraat) bespreekt de schansen tamelijk uitvoerig maar vermeldt de precieze plek niet.

Maar op de kaart Vandermaelen zie je de Dassenaarde-schans zeer duidelijk staan als een met palissaden of wallen afgezet klein perceel waarbinnen in tijd van nood het vee kon worden bijeengedreven. Op diezelfde kaart zie je nog zo’n constructie een beetje verder naar het oosten met de naam Schans Maison de Campagne. Bij opgravingen zijn vondsten gedaan zoals houten palen, vermoedelijk voor een brugje en geldmunten uit die tijd.

Diest – Dassenaarde – vanuit de vallei van het Zwart Water kijk je op de bosrand van de Asdonk en op de schans

Sinds Ferraris is de streek lang opmerkelijk onbewoond gebleven maar op de kaart van nu en op het terrein zie en hoor je de bewoonde wereld toch wel oprukken, vooral vanuit het noordelijke Engsbergen (met een opvallende concentratie in het Prinsenbos) en het aan de westkant gelegen Molenstede. In het zuidoosten heeft aan de Rodestraat het vliegveld van Schaffen een flink deel van de natuur opgeslokt. Aan de Klappijstraat juist ten zuiden van het reservaat van Natuurpunt toont de kaart nog niet zoveel huizen maar vanuit de weiden zie ik er toch heel wat staan waarvan veel nieuwbouw van heel recente datum. Zo te zien is in de komende jaren de grootste bouwdruk te verwachten vanuit Engsbergen en ik lees dat het daarbij vooral gaat om villa’s van rijkere mensen die rustig willen wonen in deze bosrijke streek. Tot nu gaan drukke autowegen zoals de N127 Turnhoutsebaan en de  N174 er omheen.

Uit de literatuur begrijp ik dat door het zanderige en dikwijls erg natte karakter van de bodem het gebied niet van aard was om massaal mensen aan te trekken en dat de gronden in het verleden tot in de jaren vijftig van de vorige eeuw vooral gebruikt werden als weides en hooilanden, of kleine akkertjes op ontgonnen drogere heidevelden waarbij de nabij gelegen Abdij van Averbode ook een belangrijke rol speelde voor de visvangst in de vele vennen waarvan er nu nog slechts enkele over zijn. Toch hebben archeologen op de hogere gedeelten vondsten (grafvelden) gedaan uit het stenen tijdperk, de latere metaaltijden en nederzettingsresten uit de vroege middeleeuwen.

Diest – Dassenaarde – zicht op de vallei vanuit het Bolhuiskapelletjelletje op de Asdonk

De Romeinen gebruikten de Asdonk als tolpost en die werd tot in de 11de eeuw overgenomen door ridders in de tijd dat de Karolingische hofmeiers hierlangs reisden. Die ridders werden ook aangetrokken door de vele drinkwaterbronnen in dit gebied. Rond 1300 proberen Diestse aristocraten op de hellingen wijn te verbouwen maar die poging wordt in 1500 gestaakt wegens de tegenwerking van de natuur maar ik denk ook vanwege het onveilige karakter van deze natuurlijke grens tussen de elkaar niet goed gezinde Hertog van Brabant, de Graven van Loon en het Prinsbisdom Luik en later het begin van 80jarige oorlog.

In 1499 komt Diest samen met de Asdonk in het bezit van Graaf Engelbrecht II van Nassau en dat zal zo blijven tot het einde van de 18de eeuw. Het domein, in de omgeving van de Dassenberg, heet nog steeds Prinsenbos. Op de Ferrariskaart van 1777 is het aangeduid als  een uitgestrekt gebied met bossen, natte en droge heide, weiden, hooilanden en vennen met hier en daar brede dreven beplant met eiken of beuken, met tussenliggende akkers.

Het ontginningsproces komt echt op gang met Arnold Cox die in 1753 zo’n 80 hectare van het gebied opkoopt aan de kant van de Brabantse Hoek op de grens met Limburg. Cox was drossaard van Diest, stammend uit een aanzienlijk Maaslands geslacht.

Zijn nakomelingen, de familie van den Hove, de huidige eigenaars, stammen van hem af.

Diest – Dassenaarde Groot Asdonk – het landhuis met hoeve

Op die hoek (aan de oostkant) staat een kasteeltje met de naam Groot-Asdonk. Het werd in 1760 gebouwd als hoeve en in het begin van de 19de eeuw vergroot tot ‘huis van plaisantie’ (een buitenhuis).

Tussen 1806 en 1810 werd door Guillaume-François van den Hove om het landhuis op een oude rechthoekige kleiwinning een park in Engels-Chinese landschapsstijl van 6 ha aangelegd, een “verrukkelijk labyrint van eilandjes, landtongen, kanaaltjes, heuveltjes, uitbundig slingerende paden tussen bemoste walletjes, rododendronmassieven en enkele zeldzame soorten eik”. Op de NGI-kaart van 1939 zie je het ‘Engels Hof’ in volle glorie. Op die kaart zie je ook de rij imposante zomereiken die op de dreef tussen het gebouw en het park de grens markeren tussen de huidige provincies (Vlaams-) Brabant en Limburg en die zo oud kunnen zijn als de kasteelhoeve.

In het erfgoeddossier vind je een uitgebreide beschrijving van de gebouwen en het park waarbij gezegd wordt dat de meeste versieringen er niet meer zijn maar dat er wel een aantal bijzondere bomen staan. Het kasteelterrein en het park zijn niet afgesloten en dankzij een vriendelijke bezoeker kwam ik er achter dat de centrale dreef vrij toegankelijk.  Maar als privéwoning lokt het niet om er zomaar rond te wandelen en het Engels Hof zelf is wel verboden toegang. Vanaf de Asdonkstraat valt op dat de vijvers zowat helemaal droog liggen maar wat de reden daarvan is heb ik nog niet kunnen achterhalen. Het park is nu meer een aan zichzelf overgelaten bos dan een lusttuin. Het omliggende domein is aan de Limburgse kant (het noorden) grotendeels verkaveld maar aan de kant van Brabant (het zuiden) bijna helemaal openbaar natuurgebied geworden. Aan de Asdonkstraat staat een klein AVM kapelletje dat bekend is als afspraakplaats voor verliefden.

Diest – Dassenaarde – Asdonkstraat ter hoogte van kasteeldomein Groot Asdonk – Maria kapelletje

Dankzij vriendelijke voorbijgangers weet ik ondertussen dat de dreef van oude eiken op de bovengenoemde grens wel degelijk publiek toegankelijk is. Het landhuis is wat minder groot dan in mijn verbeelding maar het is wel een heel mooi gebouw om in te wonen denk ik. Ik hoor dat het pas weer onlangs bewoond is na een periode van leegstand en dat de nieuwe bewoners, het echtpaar Norbert Van Den Hove D’Ertsenryck nog altijd telgen van dezelfde familie zijn als in het verleden.

Het park ligt aan de andere kant van een bruggetje waarop met grote letters ‘privé-bezit – verboden toegang’ staat. Dat er geen tempeltje meer is had ik al gelezen. Rododendrons zijn nog wel te zien en ik neem aan dat de bijzondere bomen uit het erfgoeddossier zoals Rode Beuk, Amberboom, Tulpenboom, Weymouthden, Corsicaanse den, Levensboom, Zilveresdoorn en verschillende soorten eiken er ook nog staan maar tussen de wildernis kan ik ze niet onderscheiden. Langs de Eikendreef met twee rijen bomen aan beide kanten zijn veel van de eiken al gesneuveld want er staan veel beuken tussen en enkele volwassen Hollandse lindes. Aan het landhuis zelf staan de zomereiken nog wel heel mooi formidabel overeind. In enkele van de vijvers in de omgeving van het landhuis staat nog een beetje water maar blijkbaar is het peil al decennia lang dramatisch laag. Of er plannen zijn om dit stukje erfgoed op een of andere manier te herwaarderen weet ik niet. Maar met de ervaring in het kasteeldomein van Meldert (bij Hoegaarden) is er misschien voor Natuurpunt wel een uitdaging om er iets moois van te maken.

Dassenaarde Groot-Asdonk – het Engels Hof – NGI-kaart 1939

De hoeve die tegen het landhuis aan staat is altijd bewoond gebleven en was tot voor kort ook nog een echte boerderij. Ik heb begrepen dat hij binnenkort ook mooi gerestaureerd zal worden door het echtpaar dat er nu de eigenaar van is.

De onvoorbereide bezoeker geeft er zich best rekenschap van dat de grens die je hier oversteekt tegenwoordig wel heel vreedzaam is maar een beetje verwarrend. De Asdonkstraat ligt hier dus op het grondgebied van Engsbergen/Tessenderloo en even niet meer op dat van Diest/Molenstede en als je GPS dat niet weet sta je misschien wel op de verkeerde plek. Zo erg is dat niet want het bos is hier heel erg mooi en groot en met de kaart in de hand kan je er de hele dag op verkenning.

Ten noorden van de Asdonkstraat is alles verkaveld maar aan de zuidkant sta je midden in het topnatuurgebied. Ik lees dat het beheer hiervan in handen is van de Vlaamse overheid, dus van het Agentschap voor Bos en Natuur (ANB) maar uit infoborden die hier en daar staan begrijp ik dat delen ervan door Natuurpunt beheerd worden. Aan eiken bij het Engels Hof hangt een NP-bord ‘niet storen – niet betreden’ en op een hoek lijkt Natuurpunt aan het werk te zijn in en aan een droge parkgracht. Aan de straat hangt een bord “verboden jacht” dus jagers zul je hier niet tegenkomen (hoop ik). Hier gaat de tocht langs grote weiden en hooilanden met paarden, schapen en een enkele koe. Aan het einde van de Asdonkstraat ga je onder een hoogspanningskabel door en kom je aan het Goor bij de Kiewithoeve (niet te verwarren met de veel verder naar het oosten gelegen Kievithoeve aan de Meilrijk).

Op de website lees ik dat de gerestaureerde hofstee dateert van 1922 en vroeger een manege herbergde. Sindsdien is de hoeve omgebouwd tot een brasserie-restaurant.  In de winter kom je weinig volk tegen maar in de zomer is het vast heel druk. Toch denk ik dat er nog hoeve-activiteiten zijn maar misschien horen die wel bij de er vlak achter gelegen Hoeve Het Goor.

Diest Dassenaarde-Asdonk – de Kiewithoeve

Of Kiewit een plaatselijke benoeming is van Kievit weet ik niet maar het uitgestrekte weidelandschap met houtkanten rond de hoeve is wel typisch voor deze vogels. In elk geval is dit een ideale plek om deze kant van Dassenaarde/Groot-Asdonk te verkennen. Rond en ten westen van de hoeve zie ik op de kaart nog een heel aantal plekken met boeiende namen zoals de Prinsendreef, (Goor)loop, Huffelkensbeek en Bottesvijver. Op het terrein heb ik wat moeite om de waterlopen te benoemen want zowat alle weilanden zijn omgeven door greppels of diepe ferm geruimde grachten waarin het weinige water dat er in staat wel lijkt af te stromen naar het zuiden richting Grote Beek en Zwart Water. Op weg vanuit de Prinsendreef naar de Bottesvijver kom ik langs enkele grote heidevelden die kennelijk beheerd worden door het ANB want alleen met grote machines kan je daar zo’n gemillimeterde fantasieloze vlakte van maken, een echt heidegazon goed om er de golfsport op te beoefenen.  Maar een jaar later piepen de jonge berken er al weer doorheen. Ik hou van groepjes berken in een heideveld en een leuk stel schapen. We zijn in Diest en de prins van de Prinsendreef verwijst voor een keer niet naar de Prins de Merode maar naar Prins Willem van Oranje. Op enkele plaatsen kom je ook nog gebouwtjes tegen die ooit hoevetjes waren maar nu als woning of buitenverblijf dienen. Een lezer wijst er op dat er een probleem van zonevreemdheid en bouwen-zonder-vergunning is in het gebied en blijkbaar is dit vooral het geval ten zuiden van de vallei aan de kant van Schaffen.

Diest – Dassenaarde Asdonk – heidebeheer door het ANB

De Huffelkensbeek tussen de Kiewithoeve en het Bolhuis heb ik wel kunnnen vinden maar met de Bottesvijver had ik wat meer moeilijkheden. Het grote ven juist ten zuiden van de Asdonkstraat is bij nader inzien meer een ondergelopen weiland dan een echte vijver. De naam ‘Botte’ komt kennelijk in de streek wel voor maar meer heb ik daarover nog niet kunnen vinden. De vijver met die naam zie ik op de Kaart Vandermaelen van 1846 en die van Popp van 1842 juist ten noorden van de Asdonkstraat en dan staat er duidelijk nog water in. Op de kaarten staan iets naar het westen ook nog de Witte vijver en de Eendevijver aangegeven maar veel water lijkt daar dan al niet meer te zijn. Aan deze vijvers herinneren nu alleen nog de namen ‘Witte Weyerstraat’ en ‘Eendewyer’ Voetweg 164. Voetweg 135 Bottes Vijver – die men dus beter Bottes Weyer had genoemd – loopt tussen de vroegere Witte Vijver en de verdwenen Bottesvijver door. De dijkstructuren die je hier ziet zijn blijkbaar niet van de vroegere vijver maar een overblijfsel van het laatste Molensteedse zandduin, de zogenaamde ‘zandberg’ van Molenstede’ dat einde jaren zestig afgegraven is ten koste van een grote kolonie zwaluwen in de hoge zandwand.

Tussen de bomen verscholen staat ook een mooi huis maar dat komt pas voor op de topografische kaart van 1969. De vlonderpaden herinneren de bezoeker er aan dat de ondergrond hier dus nog wel steeds nat en drassig is. Het erfgoeddossier vertelt dat de vijvers en vennen aan deze kant op de heuvelachtige flank van de vallei in het verleden veelal eigendom waren van de Abdij van Averbode en in de natte heide werden gegraven en ingericht voor de visvangst omdat de abdij “die omwille van de door de kerk voorgeschreven visdagen veel vis consumeerde”.

Diest – Dassenaarde – dit is dus niet de Bottes vijver maar een ondergelopen heideveld met schapen

In de 19de eeuw verdwenen ze ten voordele van de landbouw of werden opgevuld. Het huidige natuurbeheer waarbij Natuurpunt de traditionele hooilanden en heidevelden met maaien en nabegrazing met schapen in stand houdt draagt bij tot de capaciteit van de vallei om water vast te houden en dat is wel belangrijk om de huizen in de omgeving te vrijwaren. Waar er in dit  natte broekgebied populieren stonden zijn die weggehaald en worden de oorspronkelijke bosjes van zwarte elzen hersteld. Op een infobord aan de Asdonkstraat lees ik dat je op de natte plekken allerlei zeldzaam geworden waterplanten aantreft zoals drijvende waterweegbree, waterlepeltje, kikkerbeet en waterviolier maar daarvoor zal ik in het voorjaar moeten terugkomen.

Tot slot zoom ik even in op het beheer van Natuurpunt Diest in hun natuurgebied. In april 2002 wordt het voor de eerst erkend als ‘natuurreservaat E-250 Dassenaarde’ voor een oppervlakte van zo’n 30 ha, twee jaar later wordt nog eens zo’n 10 ha erkend en begin 2018 volgt opnieuw een aanvraag tot uitbreiding maar hoe het daar mee staat weet ik niet precies. Uit de folder begrijp ik dat de afdeling nu zo’n 60 ha in beheer heeft. In het gebied treft de bezoeker een hele reeks infoborden aan en wat het beheer betreft vat ik even kort samen wat ze er zelf over zeggen:  in de vochtige venige broekdelen worden de hooilanden met houtkanten van Zwarte els en Zomereik hersteld.

Diest – Dassenaarde – Natuurpunt Diest legt een heideschraal grasland aan

Dat betekent dat de recente populierenaanplantingen plaats moeten maken opdat de dotterbloemen opnieuw kunnen groeien en bloeien. Het vergroten van de mogelijkheden om in de bodem water vast te houden is een absolute prioriteit. Poelen en greppels worden zo zuiver mogelijk gehouden. Op de drogere zandgronden worden de heide ook weer opengemaakt om meer licht te krijgen en de natuurlijke eiken-berkenbosjes hersteld. Tenminste één soortenarm bos is omgevormd tot een schraalgrasland met soorten zoals struikheide, bosbes, schapenzuring, brem, vogelpootje en zandblauwtje. Rond de open plekken worden brede houtkanten van inheemse struiken en bomen aangelegd en een oude meidoornhaag hersteld zodat deze opnieuw kan dienen als veekering. Oude zomereiken worden behouden maar Amerikaanse eiken worden geleidelijk verwijderd. Amerikaanse vogelkers wordt bestreden. Het maaibeheer mikt op alle gronden op verschraling van de bodem en om die reden zie je ook veel schapen. Om al die planten en bijbehorende dieren te zien moet ik het voorjaar terugkomen denk ik. De winter is de tijd voor de grote werken en een daarvan is van heel recente datum: sinds vorig weekend is tijdens de ‘dag van de natuur’ met een menigte van enthousiaste vrijwilligers een perceel gemengd bos met Zwarte Elzen, Berk, Zomereik, Grauwe Abeel en Es  van minstens 1625 bomen vlak bij de beek aangeplant. Deze aanplant kon volgen na de voltooiing van een groot opgezet ruimingsprogramma om de beek weer proper te maken.  Het heeft de naam meegekregen van ‘Twee-bekenbos’ omdat het gelegen is aan de samenvloeing waar de Grote en de Kleine beek zich verenigen tot het Zwart Water. Met deze hoopvolle bebossingsactie sluit ik deze eerste verkenningsreeks over het natuurgebied Dassenaarde/Groot Asdonk af maar ik ga er zeker nog terugkomen. Met dank aan Natuurpunt Diest voor alle hulp bij deze reportage!

Dassenaarde – kaart Natuurpunt

+++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

https://www.natuurpunt.be/natuurgebied/dassenaarde#edit-replace-wrapper

https://www.facebook.com/groups/110718735616709/ (natuurpunt Diest)

https://www.facebook.com/groups/267247303425535/ (natuurpunt Dassenaarde)

DST3028 – Loket | Onroerend Erfgoed

https://loket.onroerenderfgoed.be › notas › archeologienotas › bijlagen

https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/134484 (hoeve Groot-Asdonk)

Diest – Dassenaarde – de natuur wordt niet alleen beheerd met schapen maar ook met paarden

Groot Asdonk met “Engelsen Hof” | Natuurpunt

https://www.natuurpunt.be › nieuws › groot-asdonk-met-engelsen-hof-201…

http://www.verasdonck.nl/Introduction/kleine foto’s/Asdonk te Diest.pdf:

https:www.kiewithoeve.be

http:/www.bolhuis.be/

https://sites.google.com/site/schansenbrabant/home

https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/301862

link om oude en nieuwe kaarten op elkaar te leggen:

https://play.osm.be/historischekaart.html#9/51.0526/4.3616/osm

Diest – Dassenaarde – rond het Bolhuis – zin in een ezeltocht?

Trefwoorden: diest, dassenaarde, asdonk, natuurpunt, natuurgebied, natuurreservaat, erfgoed, geschiedenis, kiewit, loopgraven, bolhuis, zwart water, vallei van de drie beken, hageland, van den hove

HERFST IN HET KASTANJEBOS IN HERENT

Herent – welkom in het Kastanjebos

Het Kastanjebos van Natuurpunt ligt tussen (een beetje boven) Herent en Veltem-Beisem en om het te verkennen kun je je fiets of auto kwijt op de kleine ingangsparking aan de Lipselaan die er dwars doorheen loopt. Het is een heel mooi niet zo heel groot bos (iets minder dan 50 hectares) en je trekt best watervast schoeisel aan want nat en vochtig is het hier altijd, zeker in de herfst en winter. In het bos ontspringt de Lipsebeek die langs de noordkant richting Tildonk meandert. Vroeger moet het hier nog veel natter geweest zijn maar sinds hier in 1968 een drinkwaterwinning gevestigd werd is de waterspiegel met meer dan een meter gezakt en dat betekende het einde van het kalkrijke kwelwater.

De naam is een mysterie want er zijn veel soorten bomen maar nauwelijks kastanjes. Op de Villaretkaart van 1745 heet het ‘Bois de L’Enfer’. Op de Ferrariskaart van 1778 wordt naast Castanienbosch ook gesproken over ‘Speckbosch’ en het is hier en daar inderdaad spekglad. In die tijd was het bos wel een flink stuk groter.

Het Kastanjebos valt onder de Europese topnatuurregelgeving Natura 2000 en dat is zeker terecht sinds Natuurpunt het beheer in handen heeft. Aan de drainagegrachten kan je zien dat in het verleden hier veel pogingen zijn gedaan om aan economisch bosbeheer te doen en nog voor de laatste keer na de Tweede Wereldoorlog door de aanplant van goedkope en snelgroeiende Canada-populieren. Er staan er nog wel veel maar ze zijn kennelijk op hun einde want de omgevallen exemplaren liggen overal in het rond.

Herent – Kastanjebos

De exploitatie is vervangen door natuur ‘nulbeheer’ en overal ligt en staat stervend en dood hout in het rond bedekt met mossen en zwammen. Daartussen groeien nieuwe bomen van allerlei soorten en die worden ook al flink groot. Blijkbaar hebben de beheerders er voor gekozen om de populieren niet weg te halen maar ze aan de natuur terug te geven terwijl het nieuwe bos zich spontaan ontplooit. Ik hou heel erg van deze manier om de fouten van historisch bosbeheer te herstellen en ik denk dat het ook heel goed is voor de biodiversiteit, ook al omdat het zorgt voor stabiliteit in de natuurontwikkeling.

Rond het bos liggen mooi gemaaide hooilanden, grotendeels maar  niet allemaal in handen van Natuurpunt. In het bos wandel je op je gemak hoewel er erg weinig paden zijn. Daarbuiten vind ik de mogelijkheden beperkt omdat de bewoonde wereld (huizen, wegen) zich ferm opdringt hoewel er toch minder nieuwbouw gezet is dan ik enkele jaren geleden verwachtte vanwege de verkavelingsborden in de omgeving. Ik denk wel dat je naar het westen zowat autoloos naar de buren in de Groene Vallei kan stappen in het Silsombos maar naar de Molenbeekvallei zie ik onvoldoende voetwegen. Aan de oostkant stuit je onverbiddellijk op de Mechelsesteenweg.

Herent – Kastanjebos – fietspad tussen Veltem en Buken

Je kan wel heel mooi langs smalle en groen omrande trage wegen tot aan de steenweg, daar over steken dan bijvoorbeeld naar bioboerderij De Wakkere Akker of naar Bertembos.

Wie van stilte houdt moet wel voorbereid zijn op de zeer laag overkomende vliegtuigen die naar het nabije Zaventem afdalen.

De weg om als natuurorganisatie zoals Natuurpunt een waardenvol natuurgebied te kunnen beschermen met behulp van het ‘statuut van erkend natuurreservaat’ loopt niet over rozen. Het juiste jaartal vind ik niet direct maar in de jaren 90 (ik vermoed in 1995) krijgt het bos voor de eerste keer een officiële erkenning als natuurreservaat (het statuut van erkend natuurreservaat nr. E-109 “ Kastanjebos “). Heel veel moet de lezer zich daar niet bij voorstellen want in die tijd gaat het slechts om een oppervlakte van iets minder dan 3,5 ha.

Op 30 januari 2002 komt er een eerste uitbreiding waardoor de omvang van het reservaat ongeveer 29 ha wordt. In het ministerieel besluit lees ik dat die erkenning loopt tot 8 november 2023.

Herent – Kastanjebos – wollige bundelzwam

Op 19 november 2013 keurt Vlaams minister van Leefmilieu, Natuur en Cultuur Joke Schauvliege opnieuw een uitbreidingsbesluit goed door aan het reservaat ‘een biologisch waardevol gebied van 20 hectare dat in eigendom en beheer is van de vzw Natuurpunt’ toe te voegen. In het advies van de Minaraad van 2010 lees ik dat de “uitbreiding van het reservaatproject … belangrijk en gerechtvaardigd .. (is) ..door de aanwezigheid van Europees beschermde habitats, de biologisch waardevolle vegetaties en de goede kansen op verdere natuurontwikkeling. Het algemene streefbeeld dat met dit project beoogd wordt, lijkt congruent te zijn met de feitelijke toestand en de natuurpotenties”. Op die potentiële natuurontwikkeling en op het bijbehorende beheer kom ik nog terug (maar jammer genoeg heb ik het beheerplan niet want dat lijkt niet openbaar te zijn). Of er op dit ogenblik nieuwe aanvragen voor uitbreiding van  het reservaat in behandeling zijn heb ik niet kunnen vinden.

Om erkend te worden als natuurreservaat moet er naast geduld, doorzettingsvermogen en veel administratie wel voldaan worden aan alle mogelijke technische  voorwaarden en is er een uitgebreid beheerplan nodig.

Herent – Kastanjebos – knotwilgen in de herfstzon

Voordelen van die erkenning zijn het recht op subsidies voor natuurbevorderende activiteiten maar – zeer belangrijk – ook het recht op voorkoop als er in de omgeving percelen worden aangeboden. Zo te zien zijn er nog wel gronden in de onmiddellijke omgeving die daarvoor in aanmerking zouden kunnen komen. Naast opdringende bebouwing worden de natuurwaarden in het bos sinds 1969 vooral bedreigd door verdroging vanwege de grondwaterwinning in functie van de drinkwatervoorziening, zie hieronder.

Op oude kaarten zie je dat het Kastanjebos in Herent van nature een moerasbos is. Op de Villaretkaart van 1745 heet het ‘Bois de L’Enfer’ en dat duidt er op dat het gevaarlijk was om er in te gaan. Op de NGI-kaart van 1969 zijn grote delen ervan als moeras ingekleurd. Op verkenning valt het op dat er nu nergens water te zien is. De drainagegrachten van vroeger liggen droog en in de Lipsebeek kan je je voeten ook niet nat maken. Is er sprake van verdroging door het oppompen van grondwater voor de drinkwatervoorziening en zou het kunnen dat dit probleem verergert met de verandering van het klimaat?

Herent – Kastanjebos – drinkwaterwinning verlaagt het grondwaterpeil

Sinds 1969 pompt de Watergroep in het Kastanjebos grondwater op voor de drinkwatervoorziening in de streek van Haacht. Sinds oktober 1988 beschikt de maatschappij over een milieuvergunning om per dag 4.800 kubieke meter op te pompen aan een gemiddeld jaardebiet van 1.752.000 kubieke meter per jaar. Daarvoor zijn 6 putten geslagen in de ‘freatische’ ondergrond van Brusseliaans zand met een diepte van 30 tot 40 meter. Dat is veel water en het lijkt diep en veilig maar het wil gewoon zeggen dat die massa niet van onder een waterondoordringende laag wordt weggepompt en het dus in wezen gaat om een winning van oppervlaktewater.

Als gevolg daarvan is in de loop van de jaren  daardoor de grondwaterspiegel al structureel gedaald met 1 meter. Omdat de vergunning begin 2019 verliep vroeg de maatschappij een hervergunning aan voor een jaardebiet van 1.200.000 kubieke meter en 3.300 kubieke meter per dag met de mogelijkheid in piekperiodes toch tot 4.800 kubieke meter per dag te mogen oppompen op voorwaarde dat na zulke piekperiodes bij wijze van ‘milderende maatregel’ (waaronder ook ‘monitoring’) een ‘rustperiode’ wordt ingelast waarin teruggekeerd wordt naar 3.300 kubieke meter.

Herent – Kastanjebos – geen water in de Lipsebeek

Als ik het goed begrijp is die vergunning ondertussen goedgekeurd en gaat het oppompen onverminderd verder (hoewel ik begrijp dat de massa opgepompt water wel ver blijft onder het maximaal vergunde debiet).

Een van de belangrijkste redenen dat Kastanjebos deel is van het Europese natuuurproject Natura 2000 en valt onder de Habitatrichtlijn is juist omdat het nog een van de weinige plekken in Vlaanderen is waar kalkrijk kwelwater naar boven komt waardoor zeer zeldzaam geworden plantensoorten zich hier nog kunnen handhaven. Nu dat kwelwater er niet meer is wordt de kalkvoorraad ook niet meer aangevuld en omdat de natuur zich altijd aanpast kan het niet anders dan dat op de duur het bos en de omringende hooilanden van karakter gaan veranderen waarbij ondanks het zorgvuldig en afgewogen natuurbeheer het aantal ‘banale’ planten zal toenemen ten opzichte van de zeldzame soorten.

Ik vermoed dat de beheerders zich hier ernstig zorgen over maken maar ik vind nog geen studies in de een of andere richting. Het blijft afwachten en ‘al bij al blijft het een vochtig tot nat bos met de eigenschappen van een essen-eikenbos’. Vraag is uiteraard ook wat de gevolgen kunnen zijn als de perioden van droogte als gevolg van de klimaatverandering zich blijken te bestendigen.

Herent – Kastanjebos – mos in bloei

Het bos is in de erfgoed – landschapsatlas van 2001 opgenomen als ‘ankerplaats’ die ‘aansluit bij de zogenaamde fossiele Vlaamse vallei’. Over die vallei vertelde ik al iets in de bijdrage in deze blog over het Hellebos in Kampenhout.  Op de kaart kan je de meanders nog zien als een groene slinger tussen het Floordambos in het westen en het Kastanjebos in het  oosten. Hier liep in het late Pleistoceen meer dan 10.000 jaar geleden in de laatste ijstijd de brede bedding van de woeste (Beneden/Zuidelijke) Dijle. De rivier sleet zich zo’n 10 meter diep  door tientallen miljoenen oude horizontale lagen van fijn zeezand, grof zand, grind en kalksteen. In de loop van de tijd raakte de bedding verstopt door zijn eigen erosie aangevuld met aangewaaid leemstof dat door de regen vanaf de helling werd aangevoerd.

Heel de streek is ferm volgebouwd maar een deel van de valleibossen en velden is overgebleven en sindsdien beschermd onder de Europese Habitatrichtlijn als onderdeel van het Natura 2000 project ‘Valleigebied tussen Melsbroek, Kampenhout, Kortenberg en Veltem (BE2400010) ofwel de ‘Groene Vallei’.

Van de hoogteverschillen zal je als bezoeker niet veel zien denk ik. In het rond het bos gaan de hoogtelijnen tussen 20 en 30 meter. In het zuiden kan je wel het veel hoger gelegen Bertembos (tot op 90 meter) zien met de radiomast op 75 meter. Dat is de ‘steilrand’ die de overgang is tussen het heuvelachtige Brabants leemplateau en de vlakke zandleemstreek van Laag België.

De bosbodem in het Kastanjebos bevat dus veel zand en leem en is vooral in de winter en voorjaar erg drassig. Het bos is een relict van het grote bosgebied, waarvan tot in de 19de eeuw ook het Silsombos en het Kareelbos deel uitmaakten.

Herent – Kastanjebos – geef me de vijf (wollige bundelzwam?)

In de 19de eeuw is het versnipperd doordat het middelste deel gerooid werd. Na 1900 werden aan de rand van de twee delen bos nog percelen bos gerooid en omgezet in weiland of bebouwd. Dwars door het bos loopt wel de erg drukke betonbaan tussen Winksele en Buken en een veel minder druk baantje (geheel of gedeeltelijk fietspad) van Veltem naar Buken.

Rond het bos liggen akkers die blijkbaar al van zeer oude datum zijn. Op de Ferrariskaart is er een ontginning met de raadselachtige aanduiding ‘Cse Waelenhoeck’. Wie kan iets meer vertellen over de Walen die hier gewoond en gewerkt hebben? Aan de oostkant ligt de Sint-Benedictushoeve. Het landschap is erg afwisselend en het bos zelf is van hoge bio-ecologische waarde omdat het al erg oud is. Het bos heeft – ook vanwege de kalk en het zuivere water – een waardenvolle voorjaarsflora. In de hooilanden kom je in het najaar de bloeiende herfsttijloos tegen.

In dit gebied beheert Natuurpunt zowel een aantal bospercelen als een aantal ‘soortenrijke’ hooilanden. Zoals overal in Vlaanderen stonden het natte bos en weiden enkele jaren geleden nog vol met na de Tweede Wereldoorlog aangeplante populieren en hoewel je er in het bos nog veel ziet staan zijn ze van de hooilanden weggehaald om plaats te maken voor een rijke flora en fauna. Om de bloemenpracht op die hooilanden te zien moet je het gebied uiteraard in het voorjaar en in de zomer bezoeken.

Herent – Kastanjebos – het woord is aan de kenners van paddenstoelen ….

Naast margrieten, zompvergeetmenietjes en boterbloemen komen dan ook pinksterbloemen, echte koekoeksbloemen, ratelaar, bosorchis en zowaar knolsteenbreek tevoorschijn. In het najaar bloeit de herfsttijloos (Colchicum autumnale) maar tot mijn schande moet ik bekennen dat ik daar tot nu toe nog geen foto van heb kunnen maken maar gelukkig heeft NP Herent me er toch een bezorgd. Om die graslanden niet te laten verruigen wordt er meerdere keren per jaar gehooid. Zoals altijd bij Natuurpunt kan je daaraan meewerken op de werkdagen voor vrijwilligers (zie facebookpagina van Natuurpunt Herent).

Herent – Kastanjebos – Herfsttijloos – foto Jos Vanden Eede (NP Herent)

Ik lees dat er daarnaast zwarte ouessantschapen worden ingezet. Dat zijn hele kleine schapen die van oorsprong uit Bretagne komen. Bij mijn bezoek heb ik die toch niet gezien maar blijkbaar staan ze op een andere weide. Op de foto’s zie je witte schapen samen op de weide met een hele troep vrolijke bruin-zwarte gehoornde Belgische hertegeiten.

Tussen de bomen geldt het ‘nulbeheer’ dat zich beperkt tot het af en toe weghalen van uitheemse bomen en het kappen van hakhout.

Herent – Kastanjebos – geiten en schapen samen om het hooiland kort de winter in te grazen

Tenzij bomen op het pad dreigen te vallen wordt er niet gezaagd en niet opgeruimd en dat kan je echt wel zien want overal ligt het dood hout in het rond met inbegrip van dikke omgevallen populieren. Een lezer stuurt me merkwaardig genoeg een foto van een ‘geringde’ tamme kastanjeboom. Een boom wordt geringd om hem te laten doodgaan. Of kastanje een boomsoort ‘van hier‘ is, is voer voor heftige discussie maar in dit bos horen er toch wel een paar te staan vind ik. Ondertussen hoor ik vanuit Natuurpunt Herent dat het geen kastanje is maar een geringde Amerikaanse eik.

Voor kenners van zwammen is het bos een paradijs want dit geeft kansen aan zeldzame soorten zoals de zalmzwam, schubbige oesterzwam, oranjerode hertenzwam, grootporiehoutzwam, kleverige knolamaniet en witte berkenboleet.

Hierbij kom ik aan het einde van deze verkenningsreeks over het Kastanjebos in Herent. Ik ga hier zeker in het voorjaar terugkomen en ook de omgeving verder verkennen, beloofd.

++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

https://www.natuurpunt-herent.be/beheerwerken

https://www.natuurpunt.be/natuurgebied/kastanjebos#

https://www.facebook.com/npherent/

https://www.minaraad.be/themas/biodiversiteit/aanvraag-tot-erkenning-van-uitbreiding-van-het-erkend-natuurreservaat-e-109-kastanjebos-te-herent

Over de grondwaterwinning, een zeer uitvoerige studie om de hevergunningsaanvraag te onderbouwen:

[PDF]

project-mer grondwaterwinning – LNE.be

https://mer.lne.be › merdatabank › uploads › merkennis4312

Herent – Kastanjebos – bomen op je pad

https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/135096

Bron     : Ankerplaats ‘Kastanjebos’. Landschapsatlas, A20039, Agentschap Onroerend Erfgoed, Brussel.
Auteurs :  Agentschap Onroerend Erfgoed
Datum  : 2001

Kastanjebos — Landschapsatlas 2001 2001 documentation

onroerenderfgoed.github.io › ankerplaatsen

link naar nieuwe en oude kaarten om die over elkaar te leggen:

https://play.osm.be/historischekaart.html#9/51.0526/4.3616/osm

Herent – Kastanjebos – ydille van berken

Trefwoorden: herent, kastanjebos, waterwinnng, natura 2000, natuurreservaat, natuurbeheer, natuurpunt, erfgoed

LA CHAMPTAINE – DE VOORMALIGE ZANDGROEVE IN CHAUMONT-GISTOUX

Chaumont-Gistoux – La Champtaine

De voormalige zandgroeve La Champtaine vlak achter het Centre Sportif André Docquier in Chaumont-Gistoux (stroomgebied van Le Train – Ry du Pré Delcourt)

De voormalige zandgroeve La Champtaine schuin achter het Centre Sportif André Docquier in Chaumont-Gistoux (stroomgebied van Le Train – Ry du Pré Delcourt is een van die kleine natuurparels waarvan je er vlak over de taalgrens ten zuiden van het Meerdaalwoud zoveel hebt en die je vanuit Vlaanderen toch niet gemakkelijk zal vinden.

Op de Ferrariskaart van 1777 noch op de Villaretkaart van 1745 staat het woord Champtaine vermeld maar je ziet wel precies waar de zandgroeve eeuwen later zal komen. Het gebiedje bestaat dan nog uit heidevelden (‘des landes de bruyère’) zowat midden tussen de Ferme de Gentissart (in het noordoosten) en Chaumont-Gistoux (naar het zuiden). Op de topografische kaart van het Nationaal Geografisch Instituut (Wavre – Chaumont-Gistoux 40/1-2) en op de online OSM-kaart vind je het natuurreservaat juist op de steile noordelijke helling van het dal van de Ry du Pré Delcourt – een zijriviertje van Le Train – ten zuiden van het daarboven op het plateau gelegen Bois du Sart.

Chaumont-Gistoux – Reserve naturelle de la Champtaine zoals je de toekomstige ligging al kunt zien op de kaart Villaret van 1745

Sinds de jaren negentig van de vorige eeuw staat de groeve bekend als de Réserve naturelle de la Champtaine’, een ‘Site de Grand Intérêt Biologique’,  beschermd en te beheren volgens Europese regelgeving (Natura 2000),  maar nog niet lang geleden stond hier een heuvel van mooi geel zand uit te tijd dat de zee tot hier kwam, zo’n 50 miljoen jaar geleden (en nadien nog enkele keren). In 1964 begon men hem weg te graven om er de autosnelweg tussen Brussel en Namen mee aan te leggen. In 1976 – dus slecht 12 jaar later – stopte men daarmee en wat overbleef was een hoge steile rand van rotsen van roodbruine ijzerzandsteen, een immense vlakte van kalkhoudend zand bedekt met stenen en verschillende kleine meertjes waar de uitgraving het niveau van de grondwaterspiegel bereikt.

Na de stopzetting van de graafwerken wordt de kale wildernis, alles bij elkaar zo’n 12,5 hectare,  door de gemeente Chaumont-Gistoux jaren lang gebruikt voor plaatselijke recreatie en om afval te storten. Er wort een hockeyclub op gevestigd met clubhuis en watervoorziening. Van die club is nu alleen nog een metalen buis met deksel over.

Chaumont-Gistoux – zandgroeve La Champtaine – rotsen van zandsteen

Met de toename van het natuurbewustzijn verschuift de aandacht naar de bijzondere planten en dieren die zich op deze geologisch uiterst boeiende plek kunnen vestigen als de mensen ze niet verdrijven, onder andere de oehoe (Bubo bubo), een van de grootste uilen ter wereld en erg zeldzaam. Voor een volledige lijst klik je best eens op de link naar het reservaat onder deze tekst.

Sinds het gebied beschermd is mag je er als natuurliefhebber nog alleen in als je op het officiële pad blijft, niets verstoort (ook geen lawaai maakt) en vooral ver weg blijft van de door steile zandpistes omgeven rotsen. De klimdrift van plaatselijke avontuurzoekers is een van de grootste bedreigingen omdat het geweldig veel erosie veroorzaakt (alles komt naar beneden).

Chaumont-Gistoux – zandgroeve la Champtaine

Tegen de rotsen zie je nog veel voetsporen omhooggaan ondanks het klimverbod. Het goede nieuws is dat ik geen sporen zag van motocrossers en kwatsen en die doen toch dikwijls het meeste kwaad.

De natuurwaarde van de site wordt naast erosie ook bedreigd door spontane herbebossing door gebrek aan onderhoud en door het opdringen van invasieve woekerplanten zoals de Japanse duizendknoop, vooral – zoals zo dikwijls – op de vroegere stortplaatsen.

Ik lees dat sinds het natuurbeheer is ingevoerd, het de bedoeling is om het heide landschap opnieuw in ere te herstellen en wat betreft andere planten zich te richten op alles wat wil groeien op de zogenoemde ‘schrale graslanden’. Dat vraagt een bodem die zo onvruchtbaar is dat voedsel vragende planten geen kans krijgen om te beginnen woekeren waardoor allerlei zeldzaam geworden planten opnieuw de kans krijgen.

In de winter zie je daar natuurlijk niet veel van maar tot voor kort kwam er van die beheerdoelstelling nog niet veel terecht.

Chaumont-Gistoux – la Champtaine – zandgroeve – een meertje op het laagste punt

De bodem van de zandgroeve is nu een grote grasvlakte die volgens mij voor het begin van de winter niet meer gemaaid is (wat ieder jaar zou moeten gebeuren om goed te zijn) en ziet er niet erg onderhouden uit. Tegen de wanden groeien grote bomen en dood bemost hout ligt overal in het rond. Vanwege de dichte begroeiing, ook met bramen en andere struiken, is er nauwelijks nog zand te zien.  De wanden van de groeve zijn bijna volledig uit het zicht verdwenen.

Het heeft lang geduurd voordat de diensten voor Bos en Natuur in Namen en Nijvel het eens zijn geworden over een beheerplan maar blijkbaar komt daar nu verandering in en niet zo’n beetje. Bij mijn laatste bezoek in september 2019 vertelde de boswachter dat binnenkort het hele gebied volledig ontbost zal worden en de humus afgeschrapt om het zand weer aan de oppervlakte te brengen.

Blijkbaar worden natuurinrichtingsprojecten in Wallonië al even grootschalig aangepakt als in Vlaanderen en ik vraag mij af of zo’n totale herschepping in een woestijn nu echt wel nodig is want op veel plekken staan bomen toch echt wel op hun plaats, al was het maar om erosie te voorkomen.

Chaumont-Gistoux – la Champtaine – zandgroeve – de grote leegte

Bovendien denk ik dat de dierenwereld in de groeve wel even in paniek zal geraken want het zal er niet zacht aan toegaan. De Japanse Duizendknoop gaat men proberen kwijt te raken door die plant met hazelaar ‘in het donker’ te zetten in de hoop dat de exoot dat niet overleeft.

Al bij al is het een indrukwekkende natuursite waar je zeker wel eens een voorzichtig kijkje kan gaan nemen.

De zandgroeve La Champtaine is niet echt een oord voor wandelaars. Die kunnen zich echter aan beide kanten van de groeve uitleven op enkele paden die speciaal voor hen opengehouden worden en bebakend zijn als ‘sentiers’ door de zeer actieve plaatselijke natuurwandelgroep.

Op de kruising van de Avenue Ronvau en la Rue de Champtaine ga je het ‘Sentier du Vicinal Courcelles-Incourt’ in. Als onderdeel van het historische uitgebreide Belgische net van buurtspoorwegen wordt deze lijn geopend in 1900.

Chaumont-Gistoux – Zandgroeve La Champtaine

Een halve eeuw dient hij om zand en stenen te vervoeren maar ook om dagtoeristen uit Brussel naar hier te brengen.

Het ‘Sentier du Vicinal Courcelles-Incourt’ in Chaumont-Gistoux aan de zandgroeve La Champtaine herinnert aan de oude maar niet altijd goede tijd dat goederen lang onderweg mochten zijn maar ook dat reizigers er heel wat uren en ongemak voor moesten over hebben om van en naar hun bestemming te gaan. In afwachting van meer gegevens kan ik je vertellen dat lijn 933 Incourt-Courcelles (trajet 324, Capital 78) dateert van rond het jaar 1900. Op een afstand van ca 50 kilometer doet de stoomtram met alle mogelijke bochten de volgende haltes aan: Incourt – Opprebais – Sart-Risbart – Chaumont-Gistoux – Corroy-Le-Grand – Corbais – Chastre-Villeroux – Gentinnes – Mellery – Thilly – Marbais – Wagnelée – Mellet – Gosselies – Courcelles. De aanleg kost 4.785.877 francs. In 1906 rijden er dagelijks 10 trams in beide richtingen met een snelheid van zo’n 25 km per uur. In 1915 wordt alles verwoest door de Duitse troepen maar eind 1921 opnieuw geopend. De locomotief trekt 5 tot 6 open ‘voitures’ voor de reizigers en maximaal 7 ‘wagons’ met ‘marchandise’. In de winter moet een Godin-kolenkacheltje voor wat warmte zorgen.

Chaumont-Gistoux – la Champtaine – de wateraanvoer van vroeger (mischien om de hockeyers van water te voorzien en er zou dan hier ook een clublokaal gestaan hebben)

Zowat alles wordt vervoerd: zand, marmer, vee en veevoer, bakstenen, kunstmest, landbouwgereedschap, textiel, melkmachines, brieven, kasseien, steenkool, suikerbieten, karrewielen, meubelen, militair materieel, aas om vissen te vangen en zelfs menselijke stoffelijke overschotten op weg naar hun laatste rustplaats. De remmen worden met de hand bediend.

Vanaf 1936 nemen krachtiger dieselvoertuigen het over van de stoom maar de lijn is nooit geëlektrificeerd. Met de opkomst van de veel flexibeler autobus, de vrachtwagens en de personenauto’s raken de buurtspoorwegen vanaf 1950 in verval. Tien jaar later is het gedaan maar ik lees dat er tot op heden geen rechtstreekse TEC-autobus is die alle haltes op het vroegere tramtraject bedient. Voor de dorpelingen dient de tram vooral om naar het werk in de stad te gaan of om of andere belangrijke zaken te regelen waar ze zich voor moesten verplaatsen.

Chaumont-Gistoux – bergmeertje aan de Vicinal Courcelles-Incourt

Voor de stedelingen is de tram echter vooral een mogelijkheid om zon- en feestdagen in Chaumont-Gistoux de natuur te bezoeken en aan toerisme te doen. Op foto’s van begin 1900 zie je badgasten op de ‘plage’ aan de vijvers in de vallei van de Ronvau (Avenue de Ronvau, tegenover het huidige sportcentrum) en tegen 1930 zijn er zelfs tramvoertuigen ingericht als echte rijdende kampeerwagons. Die recreatie duurt nog tot na 1950 maar waarom sindsdien daar niets meer van over is en de vijvers als privégebied afgesloten zijn weet ik niet goed. Wie meer weet over de ‘Vicinal’ mag het graag zeggen.

 In 1960 wordt de tramlijn afgeschaft en voor het grootste deel verkocht aan particulieren, meestal boeren die de resten in hun akkers vlak ploegden zodat je er weinig meer van ziet. Op het stuk naast de zandgroeve (die dus pas open gaat als de tramlijn al jaren opgedoekt is) heeft de gemeente echter een paar kilometer van het tracé opgekocht en er een comfortabel wandelpad van gemaakt.

Chaumont-Gistoux – la Champtaine – zandgroeve – natuurkunst

Het pad vertrekt vanaf het voormalig stationsgebouwtje op de kruising dat gemakkelijk te herkennen is.

Na een honderdtal meter komt er een afslag op rechts met bord ‘Sentier des Menhirs’. Hoe intrigerend dat ook is, in dit geval stap je gewoon rechtdoor. Op links is het allemaal privébos op de steile buitenhellingen van de groeve. Rechts passeer je een bankje met een gedicht.  Daarna stuit je In het dalletje aan de linkerkant op een wondermooi ‘berg’meertje waar de plaatselijke beek ooit is afgedamd, waarschijnlijk om er op te vissen. Als je over die dam gaat kan je omhoog langs een steil weggetje naar de bosrand en krijg je een nog mooier zicht op het water. Volg toch maar verder het spoorlijnpad en de beek.

In het voorjaar staat het hier vol lentebloeiers maar nu in de winter moet je het doen met de spiegeling van het water, het overal rondslingerende dode hout en overvloedige mostapijten. Helemaal aan het eind loopt het pad zogenaamd dood bij enkele grote stenen in een put aan de rand van de akker. Die stenen zouden prehistorische menhirs geweest kunnen zijn maar dat is erg onzeker.

Van hier kan je verder richting noord naar la Ferme de Gentissart via een niet-officieel pad en vandaar terug naar de groeve. Je kan ook een wat meer officiël pad naar het zuid-westen nemen en dan kom je alsnog uit bij de menhir met de naam ‘le Cheval de Godde’. Vandaar keer je met de hulp van het bijgevoegde kaartje terug naar de groeve.

Chaumont-Gistoux – La Champtaine – luswandeling ferme de Gentissart en Cheval de Godde

++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

over de Vicinal:

Klik om toegang te krijgen tot Wavriensia-2013_4.pdf

Voor uitgebreide informatie met foto’s zie het boek ‘De Wavre à Jodoigne, Balade Nostalgie et Passion’, geschreven door Frederic Georges en gepubliceerd in oktober 2014 (niet te vinden op internet en waarschijnlijk alleen nog te vinden in bibliotheken)

Wandeling:

Raadpleeg deze website : www.groupesentiers.be/

Link om oude en nieuwe kaarten op elkaar te leggen:

https://play.osm.be/historischekaart.html#9/51.0526/4.3616/osm

Chaumont-Gistoux – la Champtaine – steenkunst

trefwoorden: chaumont gistoux, zandgroeve, la champtaine, natuurreservaat, buurtspoorweg, geschiedenis, erfgoed

DE DOODE BEMDE – EEN NA-ZOMERSE VERKENNING

Doode Bemde – langs de Dijle in Korbeek-Dijle

De Doode Bemde in de Dijlevallei tussen Oud-Heverlee en Neerijse. Iedereen weet natuurlijk dat dit een zeer nat natuurgebied is waar ieder seizoen het vlonderpad enkele keren nauwelijks begaanbaar is omdat alles onder water staat. Zover was het vandaag nog lang niet en na de lange periode van droogte ook nauwelijks te verwachten. Maar met een sombere drizzelige motregen aangejaagd door een forse zijwind is het toch niet gemakkelijk om de uitgestrektheid van heel dit gebied op volle kracht in beeld te brengen zonder kletsnat te worden. En dat levert dus enkele foto’s in de sfeer van ‘hou het klein’ waarbij ik me vooral heb geconcentreerd op het (plaatselijk beroemde) vlonderpad en zonder er uit te glijden geprobeerd heb om eens te laten zien wat daar allemaal tussen de planken groeit (en zelfs bloeit).

Doode Bemde – vlonderpad
Doode Bemde – vlonderpad

Zelfs op een druilerige zaterdagmorgen is het hier behoorlijk druk met joggers, wandelaars en honden maar dat houdt de natuur niet tegen om toch tussen de planken door te gluren en even te poseren voor de zonderling die zo kort bij komt met iets anders dan zijn schoenzolen. Tussen het ultragroene kroos staan de eenden te slapen want de jagers zijn even met vakantie en voor de gewone mensen hoeven ze hier absoluut geen schrik te hebben. De Doode Bemde staat in deze tijd van het jaar vol met kattenstaart en andere bloemen. Enkele daarvan heb ik gevangen  maar voor de anderen zal ik toch op een wat lichter ogenblik moeten terugkomen denk ik. Binnenkort wordt het weer tijd voor het fotograferen van enkele zonsondergangen en -opgangen. In het kasteel staan alweer appartementen te koop en er zijn opvallend veel damherten. Helaas zijn die voor mij bijna onfotografeerbaar met al die hekken rond het domein.

Doode Bemde – damhert kasteel Overschie (kasteel Neerijse)

Het pad langs de Dijle vanaf de brug over de rivier in Korbeek-Dijle is een van de net iets minder bekende mogelijkheden om in het natuurreservaat de Doode Bemde te komen. Voor wie te voet of met de fiets uit Leuven komt is het wel de beste autoloze toegangsweg. Op de Ferrariskaart van 1777 staat dit deel van de vallei er keurig op met alle bochten maar ook al met rechte lijnen die ongetwijfeld leigrachten weergeven want in die tijd probeerden de boeren het water zo snel mogelijk af te voeren van hun ultranatte hooilanden. Een brug naar Oud-Heverlee was er in die tijd al wel,  op die oude kaart zie je in beginsel de wegenstructuur van vandaag met veldwegen vanaf de Sint-Anna kerk en vanuit Ophem. In dit deel van de vallei kan je vandaag nog mooi de oeverwallen langs de rivier volgen hoewel het pad grotendeels dwars door de ernaast gelegen komgrond loopt.

Doode Bemde – tussen Korbeek-Dijle en kasteel Neerijse – kaart Ferraris 1777

Wanneer de rivier overstroomt bezinken de zware zand en kiezeldeeltjes op de dijkjes en stroomt het lichter slib van klei en leem verder de vallei in. In de oude tijd benutten de boeren dit soort overstromingen om hun landje vruchtbaar te maken maar in de tijd van de chemische meststoffen is dit allemaal verloren gegaan. Die komgronden hadden en hebben nog altijd dus wel een belangrijke waterbergingsfunctie bij zware regenval. Als het water niet kan uitvloeien stroomt het razendsnel naar de dichtstbijzijnde flessenhals en vanuit de Doode Bemde is dat de stad Leuven. Maar aan de andere kant is het voor de natuurontwikkeling in het reservaat ook niet goed als de komgronden te lange perioden van het jaar onder water staan doordat in de rest van de vallei de uitvloeimogelijkheden onvoldoende worden gebruikt. Er zijn daar afspraken over heb ik begrepen in het kader van het ‘geïntegreerd waterbeleid’ maar zowel stroomopwaarts als stroomafwaarts houden de grondbezitters en overheden zich daar onvoldoende aan. In elk geval kan het stroomopwaarts van de brug in de winter spectaculair onder water staan en kan je soms zelfs de weg tussen Oud-Heverlee en Korbeek-Dijle tijdelijk niet meer volgen.

doode bemde – kikker

Maar nu in augustus ligt alles er droog bij, wellicht dan weer té droog om goed te zijn voor de natuur. Alles is mooi gemaaid maar langs de kant staan veel met spinnenwebben overdekte schermbloemen, distels en prachtig geel boerenwormkruid.  Je weet toch waarom dit zo heet? Zeldzaam is het niet echt  maar Boerenwormkruid (Tanacetum vulgare) is zowat het nuttigste kruid uit de kruidkunde. Het houdt wormen, vlooien, muggen, mieren, muizen en duivels uit je huis en uit je (groenten)tuin. Eventueel maakt het je onsterfelijk tenzij je er te veel van eet want dan ga je dood. De mensen zetten vroeger boerenwormkruid bij de doodskist tegen bederf door wormen en daar heeft het dan ook zijn naam aan te danken. Voor het zover is geniet je nog wel van  Diestse boerenwormkruidkoek samen met een glaasje reinvoar-jenever. Bij onweer gooi je een blaadje in het vuur onder het aanroepen van de Heilige Maagd Maria om de bliksem af te weren (heb ik zelf nog niet geprobeerd). De plant heeft heel mooie bloemen en in het volle zonlicht richten de bladeren zich precies plat op het zuiden om het meeste licht te vangen.

Doode Bemde – de Dijle omzoomd door Boerenwormkruid

Speciaal voor natuurgidsen: om die reden hoort boerenwormkruid bij de kompasplanten – als je verdwaald bent kun je altijd weten waar het zuiden is als je boerenwormkruid langs je weg ziet. Alleen al om die reden ben ik blij dat ik het hele jaar nog bloeiend boerenwormkruid in de Dijlevallei vind want anders raak ik daar wel snel het noorden kwijt  als weer eens mist (bijna altijd). Een ding is zeker: zet het in je tuin en koester het want rupsen, vlinders en bijen zijn er dol op. Om er alles over te weten te komen en er zelfs een recept aan over te houden surf je best eens naar een van de links onder deze tekst.

Overdag is het warm maar de nachten zijn koud en dat betekent dat de natuurfotograaf voor dag maar niet voor dauw al in de Doode Bemde staat om tussen de nevels de eerste stralen van de zon te proberen vangen. Tijd om nog eens het oudste deel van het natuurreservaat te verkennen met het vlonderpad over de brede komgrond tussen de brug aan Reigerstraat in Sint Joris Weert (of is dit nog Oud-Heverlee?) en de vogelkijkhut aan het Kasteel van Neerijse. Ik zie op de Ferrariskaart van 1777 dat er hier toen al een houten brug was. Aan het beton van nu hangt nog altijd een bord dat je er met de kano niet onder door mag maar ik weet niet of het nog geldt.

Doode Bemde – mist

Om de zon te zien opgaan moet ik niet te lang op de planken blijven maar rap de meest ochtendzon-fotogenieke boom opzoeken aan deze kant van het gebied en die staat een beetje verder dan de kijkhut midden in het natte lange gras. Reeën zijn er vandaag niet te zien en zelfs de reigers geven verstek. De stilte wordt verbroken door grote groepen ganzen die met luid getoeter in keurige formatie richting Leuven vliegen. In deze tijd van het jaar beginnen de vogels aan hun voorbereiding om een beetje op te schuiven voordat de winter begint hoewel die ganzen dat dan volgens mij weer niet doen want het zijn geen trekdieren (of heb ik dat mis?). Ik hoop maar dat er niet binnenkort dankzij de jagerslobby volle bak op geschoten gaat worden want er is al lawaai genoeg in de wereld en de natuur en het afschieten van ganzen is – hoewel ongetwijfeld leuk om te doen voor échte mannen en hun honden – een totaal inefficiënte methode (er zijn er veel betere). Aan de afrastering blinken de druppels en ik pik nog net een groepje kattenstaarten in de mist mee voordat de zon zich echt verheft (in deze tijd van het jaar is dat een kwestie van seconden!) en ik de warmte voel opkomen.

Doode Bemde – kattenstaart in de mist

Voor wie van stappen houdt: de Doode Bemde zowat het enige natuurgebied dat je in de lengte kan afwandelen via een pad vlak langs de rivier of toch niet ver er vandaan. Anders dan met de rest van het open water in dit deel van de Dijlevallei hebben de beheerders er voor gekozen om de rivier niet onzichtbaar af te sluiten voor passerende natuurliefhebbers zelfs als ze hun hond of fiets bij zich hebben. Voor fietsers is het pad niet erg geschikt, zeker niet voor sportievelingen die individueel of in groep vooral op zoek zijn naar een sportbeleving en minder naar de natuurwaarden van hun omgeving. Jammer genoeg kwam er juist een bende luidruchtige fiets-avonturiers voorbij dwars door het weiland en dat is natuurlijker zeker niet correct. Ruiters mogen er ook niet door en strikt genomen is het terrein ook wel veel te drassig voor paarden zeker als die er met hun berijders vrolijk koutend er bovenop in groepjes passeren zoals in het nabijgelegen Meerdaalwoud. De tijd dat ik er motorfietsen tegenkwam is gelukkig al enige jaren voorbij en ik denk dat die ook wel vast zouden komen te zitten in de ijzeren toegangshekken. Die hekken zijn – heb ik gehoord – met opzet zo stevig gemaakt om weerstand te kunnen bieden aan vernieling en diefstal.

De Dijle stroomopwaarts vanaf de brug in Korbeek-Dijle – zicht op de Doode Bemde

Af en toe zie en hoor je op de dijk een trein passeren, fluisterend als het een reizigerstrein is en met denderend gebulder als het gaat om zo’n enorme vrachttrein van bijna een kilometer lengte. Ik heb begrepen dat al sinds jaren het beheer over de spoordijk binnen het reservaat vrij is van het gebruik van onkruidverdelgers en pesticiden op voorwaarde dat de beheerders het werk zelf op zich nemen om de aangrenzende bomen kort te houden. De Doode Bemde kan je perfect bewandelen door in het station Oud-Heverlee de trein te nemen en er in Sint-Joris Weert af te stappen (en andersom natuurlijk). Om er te komen heb je absoluut geen auto nodig en dat geldt  in feite voor de hele vallei tussen Mechelen en Waver want praktisch elk stationnetje ligt vlakbij een natuurgebied.

De Doode Bemde kan je ook verkennen in het deel tussen de brug aan de Reigerstraat en het ‘Appeljee’ (het de voormalige appelfabriekje, nu de natuurwerkplaats voor de beheerders) aan de Dijle ter hoogte van Sint Joris Weert. Voor de tramdijk van Zwarte Jean trek ik een andere keer uit want daarover ik er al véél gepost en zoveel variatie is daar nu ook weer niet.

Doode Bemde – een eekhoorn op de tramdijk

Juist voor de eerste trambrug stuit ik op een eekhoorn die zo ijverig aan haar (denk ik) ontbijt bezig is dat het dier me even niet op tijd opmerkt om weg te springen voordat ik één foto genomen heb. Helemaal scherp is hij niet maar je ziet toch dat ze ongegeneerd een ongetwijfeld uiterst zeldzame plant in het reservaat aan het verorberen is (het valt mee: het is maar een gewone moesdistel en daar staan er hier veel van).

Aan de rivier staat nu een opvallend onopvallende plant in bloei tussen al de rest. Wilde Bertram met zijn witte bloempjes zie je niet zo vaak want die houdt niet van te veel voedsel, een niet propere bodem en als je hem afmaait voordat hij in het zaad staat kan je hem zelfs helemaal kwijtspelen. Lang geleden heb ik er eens een heel verhaal over bij elkaar verzameld en dat vind je als de link onder deze bijdrage opent. De wortels geven een verdovende stof af als je er op kauwt en dus werd Wilde Bertram in de kruidengeneeskunde gebruikt bij de tandarts. Maar als je de wortel opsnuift als droog poeder ga je er blijkbaar geweldig van niezen en lost al de slijm op. Een beetje in tegenstelling tot al dit tandentrekken en snuiven is het oude wijdverspreide gebruik om Wilde bertram in bruidsboeketten op te nemen omdat dit vele jaren van huwelijksgeluk zou brengen.

Doode Bemde – Wilde bertram

Ik heb nog nergens een uitleg gevonden waar deze legende vandaan komt, dus ik ben dankbaar voor wie dit kan aanvullen. Ik kwam nog een drietal deftig aangeklede paarden tegen en een hele menigte van die speciale brave Doode Bemde koeien in de mist.

Natuurpunt beheert zijn hooilanden met Schotse Galloway-runderen. De mooie bruine koeien die je in de Doode Bemde ziet grazen zijn echter van het Limousinras, afkomstig uit de  streek van Limoges, de hoofdstad van de voormalige Franse regio Limousin en het departement Haute-Vienne  in het zuidwesten van Frankrijk. De boeren houden deze koeien daar al eeuwen lang op hun uitgestrekte maar niet erg vruchtbare weiden. Ze zijn er erg op gesteld omdat ze heel gemakkelijk zelfstandig kalveren, met heel weinig tevreden en gezond zijn, weinig toezicht nodig hebben, zich goed aanpassen aan de levensomstandigheden en klimaatomstandigheden, erg rustig zijn en ook nog veel en zeer lekker vlees opleveren. Oorspronkelijk werden ze vooral gefokt om te werken – vooral om de karren met wijnvaten te trekken – maar sinds het begin van de 20ste  eeuw worden ze vooral op hun vlees geselecteerd in inmiddels meer dan 60 landen.

Doode Bemde – 7 charolaises en 1 dwarsliggende limousin

Op internet vind je al snel dat ze vooral in de biologische veeteelt erg hoog op de agenda staan. In de Doode Bemde horen ze uiteraard prima thuis en ze zijn zo tam dat je er rustig tussen door kunt stappen zonder dat ze erg opdringerig zijn hoewel ze natuurlijk altijd wel een beetje nieuwsgierig komen kijken. Laat je dus maar niet afschrikken door hun omvang want voor runderen zijn ze tamelijk groot: een koe wordt 150-160 cm hoog en een stier 20 cm hoger. Zo’n stier kan een gewicht bereiken van rond de 1200 kilo. Ze hebben mooie hoorns die redelijk lang zijn. Als het goed is loopt er bij elke kudde een dekstier maar ik denk wel dat de stieren in de Doode Bemde niet rondlopen op weiden waar je als wandelaar op kan komen (tenzij je over een hek klimt). De koeien kalveren eenmaal per jaar en zogen hun kalfje 8-9 maanden. Ze hebben een ferm beschermingsinstinct dus val de kalfjes maar niet lastig want dan heb je prijs. In de winter zetten de boeren ze op stal als de weersomstandigheden te slecht worden. Hoeveel Limousins er in de Doode Bemde grazen en sinds wanneer weet ik nog niet dus wie dat weet mag het graag zeggen.

Doode Bemde – de Charolaisekoe poseert als fotomodel (let op haar verleidelijke blik)
Doode Bemde – de hele familie: Charolaise links en Limousin rechts

De witte (cremekleurige) koeien die je in de Doode Bemde ziet zijn volgens mij geen Limousins (hoewel ze soms zo genoemd worden) maar Charolaises. Het is een van de oudste vleesrassen ter wereld en is van oorsprong Frans uit de streek van Charolais (Saône-et Loire, land van Nievré in de Bourgogne streek). De stieren kunnen tot 1400 kilo zwaar worden, de koeien wegen tussen 700 en 900 kilo. Ze kalveren gemakkelijk, groeien snel, stellen weinig eisen aan hun omgeving en zijn bovendien heel erg rustig, zo kalm dat je op de weide tussen hen door kan stappen zonder hun aandacht te trekken, zelfs als ze hun kalfjes bij zich hebben. Veehouders zijn er erg enthousiast over en ik denk dat ze in natuurgebieden met wandelpaden ook erg op hun plaats zijn. Ik blijf koeien erg groot vinden, zeker als ze van die ferme horens hebben maar ik heb ze zonder enig probleem kunnen fotograferen in de ochtendmist en dat is ook wel eens leuk. Ondertussen vind je in de Doode Bemde ook heel veel van die gewone zwart witte koeien die de boeren houden om de graslanden af te eten. En als die het te warm hebben kan je ze zelfs in de Dijle aantreffen.Daarmee sluit ik deze zomerreeks over de Doode Bemde af.

Doode Bemde – Dijle – wij nemen een bad

++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

over de Doode Bemde: https://www.vhm.be

Voor boekenwurmen, muggenzifters, navlooiders en mierenn….:

http://ernstguelcher.blogspot.com/2013/08/boerenwormkruid-maak-jezelf-en-je.html

http://nl.wikipedia.org/wiki/Boerenwormkruid

http://wilde-planten.nl/boerenwormkruid.htm

http://www.veldbloemen.be/veldbloem-Boerenwormkruid.html

http://eten-en-drinken.infonu.nl/recepten/41914-boerenwormkruid-op-je-bord.html

http://kruidentuinen.blogspot.be/2011/01/boerenwormkruid.html

http://nl.wikipedia.org/wiki/Ganymedes_(mythologie)

Voor limousin runderen surf je best eens op het internet – ik vond eigenlijk niets dat niet vooral (dikwijls uitsluitend) de nadruk legt op hun vleeskwaliteit

Voor charolaises: http://www.charolais.nl/

http://ernstguelcher.blogspot.com/2013/07/wilde-bertram.html

Doode Bemde – kaart OSM – kaart met wandelroutes

Trefwoorden : doode bemde, dijle, natuurreservaat, vrienden van heverleebos en meerdaalwoud, koe, limousin, charolaise, boerenwormkruid, wilde bertram

BOORTMEERBEEK: PIKHAKENDONK, BOORTMEERBEEKSBROEK EN RONSDONK

Boortmeerbeek/Hever – Pikhakendonk

Het natuurreservaat Pikhakendonk in Boortmeerbeek is internationaal bekend om het plantje Grote pimpernel (Sanguisorba officinalis) dat blijkbaar alleen daar nog wil groeien en bloeien en dan ook door de plaatselijke afdeling van Natuurpunt (Boortmeerbeek) zeer speciaal gekoesterd wordt. Het bloeit nu in juli en ik post er enkele foto’s van. Maar eerst wat meer over het gebiedje zelf. Je komt er door achter de kerk van Boortmeerbeek-Hever het wandelpad te nemen met de naam Donk. Als je dan enkele wandelknooppunten volgt (26, 27, 23) kom je in het natuurgebied terecht en als je dan verder gaat kom je aan de Dijle met kasteel Hollaken aan deze kant en het dorp Rijmenam aan de andere kant van de rivier. Je ziet het er niet onmiddellijk aan (niet op de wandelkaart en maar hier en daar op het terrein) maar het woord ‘donk’ betekent dat tijdens de laatste ijstijd  zo’n 11000 jaar geleden de zich uitschurende rivier op deze plek een zandig eilandje heeft gevormd dat een beetje hoger en droger is komen te liggen dan de omgeving van natte gronden.

Boortmeerbeek – Pikhakendonk – het kan hier nat zijn

Het woord ‘pikhaken’ heeft niets te maken met de scheepvaart op die rivier maar verwijst naar het oude cultuurlandschap waarbij de boeren doornige hagen zoals mei- en sleedoorn rond hun weilanden en akkertjes aanlegden om het vee binnen of buiten te houden. Bijna overal in Vlaanderen zijn die hagen verdwenen onder eigentijdse maisakkers of door bebouwing maar waarschijnlijk vanwege al dat water is dat hier niet gebeurd en heeft Natuurpunt een gebiedje van 9 (of  meer) hectare in beheer kunnen nemen om ervoor te zorgen dat het behouden blijft zoals het er tweehonderd jaar geleden uitzag. Het Pikhakendonk is sinds 2002 ook beschermd als landschappelijk erfgoed. Het wordt doorkruist door drie beken, de Dambeek, Leibeek en Molenbeek (nu Weesbeek) die nu in de Dijle uitmonden (zie de kaart van 1939) maar die eigenlijk in die oude ijstijden de kronkelende Dijle zelf vormden terwijl daar in die periode ook de Demer nog uitkwam (of andersom?). Nu ligt de Demer bijna 9 km verderop in Werchter en is de Dijle meer een door boomloze dijken afgedekt kanaal geworden dan een rivier.

Boortmeerbeek – Pikhakendonk – de Dijle met de aan de overkant de kerk van Rijmenam

Als je er komt vanuit Leuven via de onwezenlijke Mechelsesteenweg met zijn series gelukspakhuizen en massaal verkeer begrijp je wel waarom dit rivierenlandschapje nog juist op tijd beschermd is als ‘cultuurhistorisch landschap’. Het erfgoeddossier geeft een perfecte beschrijving: “de afwisseling van bossen met kleinschalige landbouwactiviteiten en de gevarieerdheid van het onbebouwde landschap, met talrijke hagen, houtkanten en bomenrijen. Het bezit nog alle ingrediënten van het oorspronkelijke oude rivierenlandschap met onder andere dijken, verlande, afgesneden meanders, waterrijke hooi- en graasweiden, broekbosjes, naaldhoutaanplantingen en houtkanten. Deze elementen vormen één schilderachtig geheel.  De historische stabiliteit en continuïteit is bijzonder groot. Zowel qua bodemgebruik als qua veldindeling is er in de loop van de laatste 200 jaar weinig veranderd.

Boortmeerbeek – Pikhakendonk – idylle tussen koe en ooievaar

De weilanden die met populieren werden beplant zijn relatief gering in aantal en, behalve in het akkergedeelte, zijn alle hagen die op de Ferrariskaart worden weergegeven nog aanwezig, vaak in de vorm van oude, uitgegroeide meidoornhagen, soms vermengd met wegedoorn. Van bijzonder belang zijn de oude stroomgeulen die nog gedeeltelijk met de huidige gemeente- en provinciegrenzen samenvallen en die vermoedelijk de laatmiddeleeuwse hoofdbedding van de Dijle aangeven.” De buizerd in de populier vertelt me dat dit ook betekent dat het goed leven is voor allerlei soorten planten en dieren en de ooievaars geven hem gelijk op voorwaarde dat er koeien in de buurt zijn.

Zo te zien aan de vlonderpaden in het Pikhakendonk in Boortmeerbeek zal je hier grote delen van het jaar wel laarzen nodig hebben om er door te geraken (op een kaart kan je zien dat je je in overstromingsgebied bevindt).

Boortmeerbeek/Hever – Pikhakendonk – de Grote Pimpernel kan voorkomen in overstromingsgebieden

Maar nu ziet alles er toch heel droog uit en ook in de beken staat nauwelijks water. Of dit een probleem gaat worden zullen we wel merken maar het is zeker niet goed voor de variatie van planten op de natte  hooilanden die Natuurpunt hier probeert te behouden of te verkrijgen. Om de hagen in bloei te zien moet je hier in de lente terugkomen en ook voor de meeste bloemen. Tussen de doornen vinden veel zangvogels een welkome schuilplaats maar om die te fotograferen moet je én geduld én de juiste apparatuur hebben. Nu in juli is er duidelijk al veel gehooid maar waar er ruigten zijn (op een terrein van Natuurpunt wordt nooit alles tegelijk afgemaaid) zoemt het van de vlinders, hommels en andere insecten en macrofotografen geraken daar niet aan voorbij. Ik lees dat het maaien wordt gedaan door boeren met wie Natuurpunt gebruiksovereenkomsten afsluit over het wanneer en het hoe van het maaien en ook over de begrazing. Ik begrijp dat de boer van de Donkhoeve met Natuurpunt samenwerkt.

Boortmeerbeek/Hever – de Donkhoeve aan de ingang van het Pikhakendonk – zou van 1696 zijn – is hij nu wel of niet beschermd als onroerend erfgoed?

Het is een mooie oude langschuurhoeve die er blijkbaar al stond in 1696 (hij staat op de Ferrariskaart van 1700). Ik vind hem tot mijn verbazing wel terug op de inventaris van zonevreemde (!) woningen maar niet op die van waardevol erfgoed en lees ook dat hij niet beschermd is. Hier en daar staan er koeien en ook als je ze niet ziet is het wel duidelijk dat ze er al een tijdje zijn en niet alleen aan het getrappel. Met dit warme weer kan je die ook in de beek aantreffen zo te zien aan de drassige sporen. Ik vermoed dat er ook wel gewerkt wordt met schapen. Een infobord vertelt dat in het kader van het Sigmaplan binnenkort het zowat laatst overgebleven volkje van Kamsalamanders uit het Zennegat naar de poelen in het Pikhakendonk zullen moeten verhuizen. Of dat goed nieuws is weet ik eigenlijk niet want zo gemakkelijk laten de waterdraken zich niet verhuizen heb ik begrepen. Maar Natuurpunt doet er in elk geval alles aan om de overlevingskansen zo groot mogelijk te maken, onder meer door het graven van bijkomende poelen. Voorlopig zullen we het nog moeten doen met de gewone salamandersoorten en de alomtegenwoordige kikkers en padden.

Boortmeerbeek/Hever – Pikhakendonk – de Grote Pimpernel in bloei
Boortmeerbeek/Hever – Pikhakendonk – de Grote Pimpernel

In hun natuurreservaat Pikhakendonk beheren de vrijwilligers van  Natuurpunt enkele hooilandjes heel gericht op het in stand houden van de Grote pimpernel. Voor wie gewend is aan orchideeën is dat een tamelijk onopvallend plantje en als er geen bordje bij zou staan in het reservaat zou je het als bezoeker-wandelaar zelfs niet opmerken tijdens de bloeitijd die valt van juni tot september. Grote Pimpernel (Sanguisorba officinalis) behoort tot de familie van de rozen (Rosaceae) hoewel ik in de verste verte niet zou weten in welk opzicht het op een roos lijkt. Het is een plantje met kale stengels die vanuit een kruipende wortelstok tussen de 30 en 100cm hoog worden. De bloempjes zijn donkerbruin en onopvallend. Vanuit de verte lijken ze nog het meest op zo’n klein paaseitje. De blaadjes van de wortelstok vallen nog het meeste op met hun langwerpige gezaagde vorm en hun blauwgroene kleur aan de onderkant. De naam komt van het Latijnse piperinus (peperkorrels) naar de vorm van de vruchten. Sanguisorba betekent bloedzuigkruid (sanguis = bloed en sorbere=slurpen) en dat slaat op het vroegere gebruik als bloedstelpend middel.

Boortmeerbeek/Hever – Pikhakendonk – geringde slechtvalk

Vandaar ook de toevoeging officinalis wat de aanduiding is voor een plant met geneeskrachtige eigenschappen. Ik lees dat de boeren vroeger dachten dat koeien die deze plant eten daarna rode melk zouden geven maar hoe ze op dat zonderlinge gedacht kwamen staat er niet bij. Waar de Vlaamse naam vandaan komt weet ik nog niet (wie wel?). Zo te zien aan de vele tuinadvertenties is het helemaal geen moeilijke plant om te kweken. Hij stelt op zich weinig eisen aan de bodem, kan heel wat hebben op het vlak van voedseltoevoer, laat zich gemakkelijk bestuiven door allerlei insecten en zaait zich gemakkelijk uit met de wind. Maar in Vlaanderen is hij toch heel zeldzaam omdat wij als mensen er in geslaagd zijn om de belangrijkste biotoop voor deze plant naar de knoppen te helpen en dat zijn de vochtige periodiek overstromingsgevoelige lemige of zandlemige graslanden die vroeger de uiterwaarden van onze rivieren vormden maar nu overal door de landbouw of huizenbouw zijn ingepalmd. Daarbij komt dat in het hooi- en natuurbeheer deze plant geen baat heeft bij het gebruikelijke maaibeheer (met inbegrip van begrazing) want daar kan hij niet tegen.

Boortmeerbeek/Hever – Pikhakendonk – de schapen houden de wacht

Dus waar hij nog voor komt moet de Grote pimpernel heel zorgvuldig beheerd worden en dat betekent dus héél vroeg maaien voordat hij omkomt en daarna pas héél laat (of niet) maaien als hij helemaal is uitgebloeid. In Vlaams-Brabant komt de plant alleen voor in natuurgebieden van Natuurpunt in Zemst en in Boortmeerbeek. Er hoort ook nog een exclusief vlindertje bij, het Pimpernelblauwtje maar ik denk niet dat je dat zomaar zal kunnen tegenkomen. Voor het verhaal van de rupsen en de mieren verwijs ik je naar het infobord in het reservaat.

Het Boortmeerbeeksbroek en het Ronsdonk liggen ten oosten van het Pikhakendonk  juist aan de andere kant van de Rijmenamsebaan in de vallei tussen het treinstation van Boortmeerbeek en de rivier de Dijle. Net zoals het Pikhakendonk zijn het gebieden met natte weilanden, akkers, broekbossen en enkele zandige plekken die wat hoger liggen in het overigens vlakke land.

Boortmeerbeek – Pikhakendonk – de Leibeek

Het is een waterrijk gebied, met veel sloten, beken en poelen. Net als het Pikhakendonk is het helemaal ingekleurd als overstromingsgevoelig en in de info van beheerder Natuurpunt afdeling Boortmeerbeek lees ik dat het in sommige periodes van het jaar niet toegankelijk is zonder laarzen.

Nu in het midden van de zomer en in de huidige periode van uitzonderlijke (?) droogte is er ook hier weinig water te zien. Als je niet bang bent voor brandnetels, distels, muggen en teken kan je er op sandalen doorheen op voorwaarde dat je op de aangegeven paden blijft. In vergelijking met het Pikhakendonk kom je hier vooral bos tegen en wat minder open weidelandschap.

Boortbeerbeek – Boortmeerbeeksbroek – kattestaart in bloei

Volgens Natuurpunt gaat het vooral om historische hakhoutbossen met inlandse boomsoorten zoals Es, Eik, Wilg en Zwarte els maar ik zie ook nog wel veel populieren, berken, kastanjes en esdoorn in het rond staan en hier en daar zelfs sparrenbosjes maar dan vooral op de plekken waar een privé-eigenaar het nog voor het zeggen heeft. Hoeveel hectare van het gebied door Natuurpunt beheerd wordt weet ik nog niet precies (ik denk een 20tal) maar zo te zien aan het aantal klassieke maisakkers denk ik dat het vooral gaat om de paar hooilanden tussen de bomen en het bos zelf. Dat wordt beheerd zoals het hoort voor hakhout door om de 5 tot 7 jaar een perceel uit te dunnen en te verjongen. Vroeger werd dat gedaan voor het brandhout en tegenwoordig om de biodiversiteit te vergroten. Overal zie je hakhoutstoven en op ieder perceel mogen ook enkele bomen groot en oud worden. Door dat dunnen blijft er voldoende licht in het bos komen om ervoor te zorgen dat het bewaard blijft als biotoop voor voorjaarsbloeiers, vlinders, insecten, vleermuizen en zangvogels. Je kan er ook reeën tegenkomen en vast ook vossen en hazen, konijnen en eekhoorns.

off Boortmeerbeek – Boortmeerbeeksbroek – de zon breekt door de ochtendnevel

Het Boortmeerbeeksbroek is zo’n twintig jaar geleden door Natuurpunt aangekocht – vooral met steun van privé-sponsors en enkele bedrijven – en blijkbaar was het niet gemakkelijk zo’n 17 ha grond vast te krijgen in dit door veel privé-eigenaars met kleine percelen gedomineerde gebiedje. Nadien zijn ook in het nabijgelegen Ronsdonk een aantal percelen onder natuurbeheer gekomen. Nog altijd is veel van het terrein in handen van privé-eigenaars en dat zie je aan de gesloten hekken en de borden ‘privé-jachtgebied’. Volgens Natuurpunt verwijst de naam Ronsdonk ‘naar een golvend weidelandschap met meer dan één zandige heuvel’ maar hoe dat taalkundig in elkaar zit weet ik nog niet. Heel heuvelachtig vind ik de omgeving toch niet, eerder nogal vlak maar misschien is het reliëf in de winter beter zichtbaar. Het is wel een afwisselend cultuurlandschap met bos, weiden en akkers, doorsneden met beken en hier daar enkele poelen (jammer genoeg afgesloten want privé met tuinhuis). Voor de orchideën zal ik volgend jaar moeten terugkomen maar overal staan schermbloemen, distels en kattenstaarten in bloei en dat geeft best veel kleur.

Boortmeerbeek – Boortmeersbroek en Ronsdonk – vroeg in de morgen

Geniet vooral van de rijen knotwilgen in de weilanden. Zulke bomenrijen waren nog niet lang geleden typisch in landelijk Vlaanderen en op veel plaatsen worden ze met de hulp van vrijwilligers opnieuw in ere hersteld. Ze geven niet alleen schaduw aan de dieren in de weide maar zijn ook de thuisbasis voor insecten, planten, vogels, mossen en korstmossen. De weilanden zijn nu gemaaid en als je er gaat wandelen kijk dan uit naar koeien want als je die ziet zijn er waarschijnlijk ook ooievaars in de buurt. Het is er rustig en mooi wandelen maar er zijn niet zo heel veel paden en veel variatie is er dus niet bij, zeker als je absoluut niet tussen auto’s wilt stappen (er zijn twee bebakende wandelingen: Pikhakendonkwandelpad en Ronsdonkwandelpad maar ik ben niet zeker of die helemaal autovrij zijn). Wel kan je doorsteken naar het Pikhakendonk en dat geeft mogelijkheden tot grotere lussen, ook naar de Dijle (zie de wandelkaart). De beste methode om het gebiedje goed te leren kennen is door mee te doen met de natuurwerkdagen en daarvoor kan je terecht op de website van Natuurpunt Boortmeerbeek.

Boortmeerbeek – Boortmeerbeeksbroek en Ronsdonk

++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

https://www.natuurpunt.be/natuurgebied/boortmeerbeeks-broek

https://www.natuurpuntboortmeerbeek.be/beheer-boortmeerbeeks-broek

https://www.natuurpunt.be/natuurgebied/pikhakendonk

https://www.natuurpuntboortmeerbeek.be/

https://inventaris.onroerenderfgoed.be/aanduidingsobjecten/172

https://www.toerismevlaamsbrabant.be/producten/wandelen/drie-torenwandeling/

https://wilde-planten.nl/grote%20pimpernel.htm

https://www.ecopedia.be/planten/grote-pimpernel

https://waarnemingen.be/species/7409/

https://www.boortmeerbeek.be/gemeentelijk-ruimtelijk-structuurplan-tekstenbundelpdf

Boeren worden landschapsbouwers (Boortmeerbeek) – Gazet van …https://www.gva.be/cnt/aid982633/boeren-worden-landschapsbouwers

https://play.osm.be/historischekaart.html#9/51.0526/4.3616/osm

(om kaarten op elkaar te leggen)

Boortmeerbeek – Boortmeerbeeksbroek, Ronsdonk en Pikhakendonk – wandeling 9 km (kaart OSM)

Trefwoorden: boortmeerbeek, pikhakendonk, boortmeerbeeksbroek, ronsdonk, dijle, donkhoeve, natuurpunt, erfgoed, natuurreservaat, wandeltip

KAMPENHOUT, OP VERKENNING IN HET TORFBROEK

Kampenhout – Torfbroek – bijenorchis

Het Torfbroek in Kampenhout staat bij natuurkenners en -fotografen internationaal bekend als een (hét) paradijs voor orchideeën en andere in Vlaanderen zeldzaam geworden planten maar ik denk dat er toch maar weinigen die de geschiedenis van dit gebied kennen en zich er rekenschap van geven hoe weinig het gescheeld heeft of het zou er vandaag helemaal niet meer zijn. De naam stamt uit de middeleeuwen. In het erfgoeddossier lees ik dat de inwoners van Berch (Berg) in 1248 het vruchtgebruik over het Turfbroek (dan nog met de naam ‘Laar’) krijgen van Hertog Hendrik III. Het gebied is in die tijd een vrijgoed van de Hertogen van Brabant. In ruil voor een pachtsom en militaire hulp mogen ze er turf steken, vissen, vee weiden, hooien, riet snijden en brandhout kappen. Alleen jagen mogen ze niet want dat blijft het privilege van de adel. Om ruzies te voorkomen en beslechten, vooral bij het turfsteken, wordt een ‘Torfmeyer’ aangesteld die, naast vele andere bevoegdheden, ook verantwoordelijk is voor de verdeling van de vis als eenmaal per jaar op het feest van Sint-Pieter op 29 juni de vijvers worden leeggehaald door de dammen te openen. Op de Villaretkaart van 1745 komt de naam niet voor maar op de Ferrariskaart van 1770 staat het aangegeven als ‘Dorfbroeckbos’. In die tijd is het hele gebied bebost en zie je op die laatste kaart de in 1601 gegraven ‘Moergracht’, drie grote putten en enkele ontsluitingswegen.

Kampenhout – Torfbroek en Hellebos – kaart Ferraris 1770

Honderd jaar later zie je op de Vandermaelenkaart van 1846 en op de NGI kaart van 1873 de naam ‘Torf Broek’ en ‘Turfbroek’. De tijd van het turfsteken is dan echter al lang voorbij om tot aan het einde van de 18de en het begin van 19de eeuw plaats te maken voor de vlasteelt.  Op de drogere gronden in de omgeving en na het graven van drainagegrachten ook op de natte delen, kweken de boeren vlas en dat wordt ‘geroot’ in die putten zodat door het water de vezels kunnen vrijkomen om er textiel van te maken. Op de grasstrook naast de Moergracht wordt het lijnwaad gebleekt. De beemden worden gehooid en het elzenbos als hakhout ‘geoogst’.  Er worden meer drainagegrachten en vijvers gegraven en een regelmatiger wegenpatroon aangelegd. Het blijft blijkbaar toch een moeilijke opgave om het moerassige gebied in ontginning te houden want verlanding van de wateroppervlakten gaat erg snel en het hout groeit niet al te best in al die nattigheid. Maar de natuur heeft er blijkbaar baat bij want in de tweede helft van de 19de eeuw wordt het gebied door de botanisten ‘ontdekt’ vanwege zijn uitzonderlijke rijkdom aan plantensoorten.

Kampenhout – Torfbroek – zo’n braaf paard!

Het Torfbroek dankt zijn topnatuur potentieel aan het feit dat het geologisch deel uitmaakt van een uitgestrekte en voor onze streken unieke fossiele moerasvallei die gevoed wordt door zeer kalkrijk grond- en kwelwater. Op de bodemkaart maar ook wel op de wat oudere gewone topografische kaarten (waar nog niet alles bebouwd is) kan je het oost-west verloop en de structuur van die vallei nog zien. In heel oude tijden liep hier de Dijle die ten noorden van Vilvoorde in de Zenne uitmondde en stroomopwaarts in het verlengde lag van de “ancienne vallée du Zwarte Beek” of “oer-Demer”. Als ik het goed begrijp gaat het in feite gaat over wat we nu de ‘Groene Vallei’ noemen tussen Vilvoorde en Werchter. In de loop van de tijd is die vallei dichtgeslibt met een tamelijk dunne laag afzettingen (minder dan 2,5 meter ‘oud-alluvium’) waarin ook grotere en kleine hoeveelheden voedselarm maar kalkrijk ijzerhoudend ‘Brusseliaan’ zeezand voorkomen.

Kampenhout – Torfbroek – kalkkranswier
Kampenhout – Torfbroek – natuurkunst in het water

Vandaag de dag watert het westelijk deel van de vallei via een aantal kleinere beken af naar het Zenne-bekken en het oostelijk gedeelte naar de Dijle. Het Torfbroek behoort volgens het erfgoeddossier kwa afwatering tot het oostelijk gedeelte (via Weesbeek/Molenbeek) maar ik situeer het kwa ligging meer in het centrum. De natuur wordt sterk bepaald door al dat kalkrijke water dat – ondergronds en soms van ver en lang onderweg – in het gebied terecht komt en zorgt voor een stabiel en hoog waterpeil, maar ook door het laagveen dat zich gevormd heeft in de moerassen of zich nog vormt in de trilvenen met plantenresten die eerder zurig of neutraal van aard zijn. Daar komt nog bij dat wat er aan fosfaten door het water wordt aangevoerd door het ijzer wordt neergeslagen. Je moet al wat meer weten van scheikunde dan ik om dit allemaal te kunnen duiden maar het komt er op neer dat de oorspronkelijke vallei tot halverwege de 19de eeuw een bijna oneindige biodiversiteit moet hebben gekend omdat zowat alle soorten planten van onze streken er kunnen gedijen behalve juist de soorten die het moeten hebben van een grote voedselrijkdom en door hun neiging tot woekeren al de concurrenten verdrijven (zoals bramen en brandnetels).

Kampenhout – Torfbroek – feestje van Knoopkruid en Gewone margriet

In 1862 wordt hierover uitvoerig bericht in het bulletin van de dan pas gestichte ‘Société Royale de Botanique de Belgique’ waarvan de leden in aantallen vanuit Brussel naar deze streek afzakken om de planten te bestuderen en voor hun herbaria mee te nemen. Die belangstelling is blijven bestaan in het begin van de twintigste eeuw en uit die tijd stammen zeer uitgebreide lijsten van wat men er aantrof maar ook de pleidooien om dit aards paradijs te behouden en niet prijs te geven aan de ‘vooruitgang’. Wat volgt is een surrealistisch verhaal over de kwasi totale onomkeerbare verwoesting van dit paradijs in de vorm van grote plannen om er tegen beter weten en protesten in alles te vergraven, luxe-wijken op te bouwen, er afval op te storten en oorlogsschade aan te richten. Het erfgoeddossier spreekt over een ‘blijspel’ maar ik vind het eerder een ‘drama’ waarover onze grootouders zich best wat meer hadden mogen schamen.

Kampenhout – Torfbroek – dit is geen hommelorchis

Rond 1820 worden de meeste moerasbossen in het Torfbroek gekapt en begint het graven van vijvers en grachten met oog op de drooglegging van het gebied. Rond 1860 zijn die vijvers alweer verland en zit er geen vis meer op. De houtwaarde van het Elzenbos wordt als armoedig beschouwd, de vlasteelt gaat verloren en daarmee ook het onderhoud van het terrein. In 1896 probeert de gemeente Schaarbeek het voor de lokale gemeenschap totaal onnuttig geworden gebied voor een prikje op te kopen om er een stort aan te leggen maar dat wordt dankzij de Brusselse lobby van botanici nog net vermeden. De Eerste Wereldoorlog maakt opnieuw een einde aan wat er in de omtrek aan bos is en ondertussen wordt de grond rond het Torfbroek omgezet van hooiland in akkers. Maar tegen die tijd komen er ook grote bouwplannen aan. Om een goed begrip te krijgen van die plannen neem je best de kaart er even bij en dan zie je dat het (natuurreservaat) Torfbroek, het ‘landgoed Ter bronnen’ en daartussen de het domein ‘Les Eaux Vives’ (thans domein Zoet Water) historisch één geheel vormen van 130ha. Op die kaart zie je ook op rechts ‘(Edouard) Van Bellinghenlaan’. Deze verkavelings-ambitieuze telg uit een Kampenhouts geslacht van notarissen is de centrale figuur achter de verkoop door de gemeente Berg (dan nog een klein dorp in financiële moeilijkheden) in 1928 van heel dit gebied aan de onder zijn controle staande ‘Compagnie immobilière de Campenhout et extensions’.

Kampenhout – Torfbroekboeketje

Naar ontwerp van tuinarchitect Aguste Delvaux gaat hij aan de slag om het gebied samen met het Kampenhouts gemeentebos om te vormen tot een elitaire ‘cité-jardin’ met prestigieuze en iets minder prestigieuze woontypes, recreatiemogelijkheden, parkachtige aanplantingen en grote vijvers. Voor de boeiende details van het opmerkelijk en leerzaam stedenbouwkundig project ‘Les Aux Vives’ verwijs ik naar het erfgoeddossier. De grootste bouwkundige werken in dit project worden voorzien en in gewijzigde vorm gerealiseerd aan de oostkant van de Neerstraat en laat ik hier verder even buiten beschouwing. Het terrein van het huidige natuurreservaat – het gedeelte ‘Berg’ ten westen van de Neerstraat –  moest worden omgevormd tot een gigantisch recreatieplek met tennisvelden, twee vijvers, een om te zwemmen, een andere om met bootjes te varen, een eilandje en een uitgestrekt zonnestrand (plage) aansluitend op gazons en een hotel met garage. Een derde vijver moest dienen voor de vissers. Tussen de twee vijvers wordt een 300m lange strook gereserveerd om 400 (! we zijn in het jaar 1930) auto’s te parkeren en die bereikbaar is vanaf de huidige Visserijlaan. Aan de noordzijde van de visvijver wordt een café voorzien. Op de NGI-kaart van 1939 staan de vijvers er nog niet op (ze moeten er toen al geweest zijn) maar op die van 1969 zie je duidelijk hun omvang.

Kampenhout – Torfbroek – NGI-kaart 1969

Dat uiteindelijk zo’n 50ha van het westelijke gedeelte van het Torfbroek in Kampenhout de grootse interbellum-plannen hebben overleefd is in eerste instantie vooral te danken aan de vooroorlogse crisis en de wereldoorlog die er op volgt. De bouwpromotoren krijgen al vrij direct problemen om de financiële middelen bij elkaar te verzamelen om de nodige structuurwerken op het toch wel erg natte terrein tot een goed einde te brengen. Tegelijkertijd krijgen ze moeite om de beleggers en bouwers over te halen om te investeren in de percelen en met name om de bouwverplichtingen op verkochte percelen na te komen. Er wordt wel een en ander gebouwd maar een aantal partners haken of beginnen zelf eigen verkavelingsplannen te maken met als gevolg een cascade van onderlinge conflicten, scheldpartijen en beschuldigingen. In het erfgoeddossier lees ik dat vanaf de aanvang van het project pogingen zijn gedaan door de natuurorganisaties van die tijd om het hele gebied te doen beschermen. Het oudste stuk in het dossier van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen (KCML) dateert van 26 juni waarin de Brusselse amateursvereniging ‘Le Jardin d’Agrément’ wijst op de geplande ontwatering van ‘Le fond de Berg’. In mei 1933 stuurt de KMCL een inspecteur op pad na brieven van de ‘Fédération Nationale Pour la Défense de la Nature’ maar met negatief resultaat want deze oordeelt dat de drainagewerken al onherstelbare schade hebben aangericht. De werken gaan rustig verder, de vijvers worden gegraven en de bodem wordt overdekt met een laag meestal voedselrijk leem. Tijdens de oorlog gebruiken achtereenvolgens Duitse, Engelse en Belgische troepen het terrein en worden hier en daar tijdelijke akers aangelegd.

Kampenhout – Torfbroek – feestje van Knoopkruid en Gewone margriet

Ondanks dat blijft de plantenrijkdom altijd weer de belangstelling van inventariserende botanisten trekken. Na de oorlog ligt de bedrijvigheid blijkbaar lange tijd stil. Het gebied van het huidige reservaat wordt grotendeels aan zijn lot overgelaten. Grote delen ervan worden af en toe gemaaid en het maaisel onder andere gebruikt om witloof af te dekken. Aan de zuidkant worden enkele buitenverblijven opgetrokken en sommige weiden worden door paarden begraasd. Veel erger is dat op enkele plaatsen aan de zuid- en westrand van het gebied wordt gestort, onder andere zwaar met asbest van vliegtuigremmen (Sabena) vervuild puin van de luchthaven van Zaventem. In 1962 oordeelt de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen nog maar eens dat “gezien de voortdurende verkaveling”, noch het Bergse Torfbroek noch het (oostelijk gelegen) domein Ter Bronnen nog voldoende belang hebben om voor bescherming als landschap in aanmerking te komen. Sindsdien staan – met de zegen van diverse uitgaven van het gewestplan – ten oosten van de Neerstraat overal villa’s. In het westelijke Torfbroek zelf blijft het bij de aanleg van de Torfbroeklaan en de aanzet tot de met witte paardenkastanjes beplante dreef die de Visserijlaan zou moeten worden. Maar dan keert het tij. In 1970 wordt een nieuw verkavelingsplan ingediend maar zowaar door het toenmalige bestuur van Stedenbouw verworpen.

Kampenhout – Torfbroek – land van water en moerasbegroeiing

In 1970 komt er een einde aan het verkavelingsdrama van het Torfbroek in Kampenhout. In het dan op tafel liggende voorontwerp van gewestplan wordt het Torfbroek aangeduid als ‘natuurpark’ en ‘te behouden landschap en site’. Enkele jaren later wordt nog 18 ha van het huidige Torfbroek aangekocht door de toenmalige ‘randfederatie Zaventem’ om er een centrum voor passieve recreatie van te maken. Maar omdat dat soort federaties worden afgeschaft komt het gebied in handen van de fusiegemeente Kampenhout. En dan volgt een historisch ogenblik: op 1 januari 1977 sluit de gemeente een contract af met Belgische Natuur- en Vogelreservaten, de voorloper van Natuurpunt waarbij de VZW het gebied voor een periode van 30 jaar in beheer krijgt. Vier jaar later, in 1981 wordt het Torfbroek het eerste officieel erkende natuurgebied van ons land.

Kampenhout – Torfbroek – als je dit ziet zit je goed

Sindsdien worden kosten nog moeite gespaard om met de hulp van vele handen en met grote deskundigheid de sporen van het recente verleden uit te wissen en het gebiedje zijn historisch uitzicht en natuurwaarden terug te geven. In het in februari 2018 goedgekeurde natuurinrichtingsplan wordt het Torfbroek als volgt aangeprezen: “grote open waterplassen en een kleinschalige perceelsstructuur van vroegere beemden vormen een fraai landschappelijk geheel.  Het gebied herbergt een aantal unieke vegetaties van zeldzame hooilanden (o.m. blauwgraslanden), trilvenen en kalkmoeras, rietvelden en open water (o.m kranswiervegetaties). Voor verschillende plantensoorten is dit gebied de laatste groeiplaats in Vlaanderen”. Volgens het erfgoeddossier groeien er niet minder dan 48 soorten uit de ‘Rode Lijst’ en worden dankzij het zorgvuldig beheer een aantal verdwenen soorten terugverwacht zoals Kleine waterweegbree, Platte bies, Tweehuizige zegge een enkele mossen. Als je er gaat wandelen laat je dus best je hond en je picknick even thuis denk ik. Er is trouwens een heel mooi wandelpad hoewel het op sommige plekken wel tropisch drassig-wilde allures heeft. Sinds 1996 is het Torfbroek ook beschermd als erfgoed-landschap.

Kampenhout – Torfbroek – Bijenorchis

Het Torfbroek in Kampenhout. Natuurherstel en natuurherinrichting tot bevordering van de biodiversiteit staan centraal sinds in 1967 de voorgangers van  Natuurpunt het beheer overnamen en nog meer sinds de officiële erkenning als natuurreservaat in 1981 en de daarop volgende integrering in het Europees ecologisch netwerk Natura 2000. Wat de vorige generatie kapot maakt, moeten de mensen van nu mee zien te leven en besluiten of het haalbaar is om er iets beters van te maken. In eerste instantie heeft dat een uitgebreide studie opgeleverd naar de toestand van de natuur en het water in het gebied. In 2008 worden de bodem en het slib in de vijvers onderzocht op vervuiling. In 2015 worden opnieuw studies gemaakt over de mogelijkheden maar ook over de ‘knelpunten’ van die vijvers. In maart 2017 geeft de Vlaamse overheid groen licht aan een voorstel voor natuurinrichting. Dat voorstel is ingediend door de Vlaamse Landmaatschappij samen met het Agentschap Natuur en Bos, Natuurpunt, de gemeente Kampenhout en ‘enkele burgers met een groot hart voor natuur’. Een jaar later, februari 2018 volgt de officiële goedkeuring en kan er aan begonnen worden.

Kampenhout – Torfbroek – kunst van moeraszegge (?)

Er hangt een prijskaartje aan van 2.359.000 Euro en voor dat geld moet er in 2018 en 2019 heel wat gebeuren zoals uitbaggering van de vijvers; het verwijderen van terreinophogingen, constructies en verhardingen; het herstel van het vroegere systeem van grachten; de sanering van voormalige storten en omvorming van één daarvan tot trilveen. Er zullen nieuwe paden worden aangelegd om met lichte machines het arbeidsinsentieve maaibeheer van de moerassen te vergemakkelijken. Er moet een beheergebouwtje gezet worden dat ook dient als bezoekerscentrum. Daarnaast komen er nog recreatieve voorzieningen zoals een ook voor rolstoelgebruikers toegankelijk knuppelpad en vogelkijkwand.

Kampenhout – Torfbroek – waar de Rode klaver wedijvert met de orchis in de schoonheidswedstrijd

Het Torfbroek in Kampenhout. Halverwege 2019 zijn de werken in het kader van het goedgekeurde natuurinrichtingsplan al duidelijk zichtbaar. Op het parkinkje is een loods verdwenen. Op de plek waar bomen stonden bovenop het Sabena-stort is geen bos meer te zien. Er staan verscheidene grote hekken die je vertellen dat het hier nu een werf is en dus verboden toegang. Om het wandelpad te nemen is een omleiding voorzien. Maar de hekken staan open,  de werf lijkt verlaten en het pad gaat er met een recent spoor duidelijk dwars door. Onze gids vertelt dat de werken vertraging oplopen vanwege de asbest die is aangetroffen afkomstig van de remmen van vliegtuigen en dat die eerst door gespecialiseerde bedrijven moet worden verwijderd. In het reservaat zelf staat de grote vijver er een beetje treurig bij, er is nauwelijks nog water te zien tussen al dat oude en nieuwe riet dus daar moeten de echte werken ook nog beginnen. Het goede nieuws is dat de orchideeën zich van al dat mensengedoe niet veel aantrekken. De bosorchis en de gevlekte orchis staan overal in het rond, voor de muggenorchis is het nog net iets te vroeg maar op sommige plekken struikel je zowat over de bijenorchissen en daartussen staan heel wat planten waar de kenners zich aan kunnen verlekkeren.

Kampenhout – kunst van een zeer zeldzame soort bies (?)

Aan de oostkant heeft Natuurpunt het beheer over enkele akkers kunnen overnemen en als weide ingezaaid en je ziet meteen de verandering in vergelijking met de graanakkers die er tegenaan liggen. Wel liggen de nieuwe weiden nog tegen een klassieke graanakker aan. Tussen de halmen staan massa’s klaprozen maar het vestigt nog eens de aandacht op de noodzaak om het gebiedje vrij te houden van de instroom van vervuild en voedselrijk water, al was het maar om voldoende bufferzones te voorzien tussen de graslanden de buitenwereld.  Onze gids is bezorgd over de plannen om de luchthaven te vergroten waardoor de landingsbaan nog dichter naar het reservaat zal komen. Zijn bezorgdheid gaat niet over het voortdurende gebulder van de overkomende toestellen (ik snap niet hoe mensen hier kunnen wonen!) maar over de mogelijkheid dat die werken veel grondwater zullen vragen en daardoor het waterpeil in het Torfbroek zullen aantasten. De luchthavenautoriteiten zijn blijkbaar wel bereid om dat waterverlies te compenseren door van elders water terug de bodem in te pompen maar in dat geval zal dat wel gewoon rivierwater zijn en niet het zuivere kalkrijke ijzerhoudende water dat het reservaat nodig heeft om te overleven. Er volgen dus nog spannende tijden en ik neem mij voor om binnenkort terug te komen naar dit hele mooie natuurgebiedje met de lange geschiedenis.

Kampenhout – Torfbroek – tip voor de mug: instappen en wegwezen

++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/134080

De ondergang en wederopstanding van het Torfbroek te BergKampenhoutRoger Deneef(auteur), Jan Wouters (auteur). M&L, Jrg. 17 (1998) nr. 5, p. 32-54

https://www.natuurpunt.be/natuurgebied/torfbroek-en-hellebos

https://www.vlm.be/nl/nieuws/Pages/natuurinrichting-Torfbroek-goedgekeurd.aspx

Kampenhout – Torfbroek – valeriaan in tegenlicht

trefwoorden: wandeltip, kampenhout, berg, vervuiling, torfbroek, natuurreservaat, natuurpunt, geschiedenis, erfgoed