Uitgelicht

DE WATERMOLEN VAN ROTSELAAR – DAAR KRIJG JE ENERGIE VAN

juli 2018

Ernst Gülcher

contact: ernst.guelcher (at) telenet.be

De Watermolen van Rotselaar op de Dijle, in de erfgoedinventaris als Maalderij Van Doren vermeld, is van het turbinetype maar dat was niet altijd zo.  De oudste vermelding gaat terug tot 1217, jaar waarin Heer Arnolf II van Rotselaar sterft en zijn bezittingen nalaat aan zijn oudste zoon Arnolf III. In die tijd telt het dorp vier watermolens waaronder de onze die dan staat op het eilandje dat nu nog bestaat.

Door huwelijken komt hij in bezit van de hertogen van Aarschot; achtereenvolgens de families De Croÿ en D’Arenberg. In het Arenbergarchief in Leuven zie je de molen aan de overkant van de Dijle op een 16de -eeuwse pentekening (1544) van het Middeleeuwse Rotselaar. Het is dan een uit hout opgetrokken constructie met een vlechtwerk van leem en stro tussen de balken. Het oudste stenen gebouw, de nog bestaande molenaarswoning, dateert uit 1573. Op een mooie pre-kadastrale kaart in het Arenbergarchief waarop alle hertogelijke eigendommen in Rotselaar te zien zijn, zie je de molen staan. De muren zijn van baksteen, het dak is gedekt met natuurleien en de fundering is van plaatselijke Diestiaanse ijzerzandsteen.

De molen zelf, het nog bestaand witgekalkt gebouw met de hijsinstallatie, dateert uit 1664: hij vervangt het vakwerkgebouw dat op het moleneiland stond en dat tijdens de godsdienstoorlogen vernield is. Pas in dat jaar vindt de Spaansgezinde hertog de politieke en economische situatie terug geschikt om te investeren in de Molen van Rotselaar. Het bouwwerk wordt de op 2 na grootste molen van de Nederlanden met twee, een tijdlang zelfs drie raderen.

Er wordt niet alleen graan van boeren uit de omgeving vermalen, maar ook graan dat via de Dijle vanuit Antwerpen wordt aangevoerd. De Dijle is immers bevaarbaar voor vrachtschepen zij het dat die langs de molen via een sluis moeten passeren (als ik het goed zie op de kaart). Samen met de nieuwe molen wordt door de Brusselse bouwmeester Hanecart in 1662 ook een nieuwe sluis op de Dijle ontworpen waarvan de stenen wanden en het landhoofd nog altijd bestaan.

De watermolen van Rotselaar is het begin van de 18de eeuw al een voor die tijd groot bedrijf dat in de honderd jaar nadien gestadig groter wordt. Aanplakbiljetten van rond 1735 spreken over drie maalkoppels (‘drij paer stenen’) waarop koren, tarwe en mout gemalen wordt, dat laatste voor de plaatselijke bierbrouwerij. Na de aanleg van de Leuvense Vaart in 1752 komen de vrachtschepen voortaan rechtstreeks van Antwerpen naar Leuven en niet meer via de Dijle langs Rotselaar. Omdat alle in Antwerpen gekochte graan vanaf dan met paard en wagen uit Wijgmaal gehaald moet worden wordt in 1777 de nu nog bestaande paardenstal met knechtenverblijf gebouwd. Maar blijkbaar heeft dat geen schadelijke invloed op het molenbedrijf want enkele jaren later zijn er zelfs vier maalkoppels in plaats van drie.

Op de Ferrariskaart van 1777 staat de molen er duidelijk op. De molen werkt verder maar krijgt onder de Franse bezetting en in de periode daarna blijkbaar toch met problemen te kampen.

off Watermolen van Rotselaar – het oude heeft niet afgedaan

Rapporten van 1840 spreken over de slechte staat van de gebouwen. De molen heeft het statuut van ‘loonmolen’ wat betekent dat er alleen gemalen wordt op vraag van de boeren en blijkbaar gaat dat achteruit. Daar komt bij dat alleen inlands graan verwerkt wordt. In later tijd wordt het molenbedrijf een handelsnijverheid waarin de molenaar zelf het graan gaat kopen en de bloem aan de bakkers verkoopt.

In die vooruitstrevende zienswijze komt rond 1840 de familie Van Doren als pachter van de hertog van Arenberg op de Molen van Rotselaar en brengt deze van het ambachtelijke naar het industriële tijdperk. Bekend geworden als ‘Maalderij Van Doren’ schakelt de molen in die tijd over van het ambachtelijke naar het industriële tijdperk. Rond 1870 wordt een nieuwe schuur gebouwd langs de Molenstraat tegen de paardenstal om meer opslagruimte te scheppen.

Rond 1880 wordt de molenmachinerie, tot dan bestaand uit de vier stenen maalstoelen, uitgebreid met een paar cilindermolens. Zulke machines bevatten metalen cilinders die met een verschillende snelheid tegen elkaar indraaien. Tussen de cilinders wordt het graan geplet en uit elkaar getrokken.

In het erfgoeddossier lees ik dat deze maalmethode het “warm malen” genoemd wordt omdat door de grotere snelheid en wrijving dan bij het malen met stenen de temperatuur stijgt. Het resultaat is dat je wel snel een heel fijne witte bloem krijgt maar dat de kwaliteit daarvan iets minder is dan die bij het ‘koud malen’. 

Deze vorm van industrieel malen met cilinders is in die tijd nog een zeldzaamheid maar het maakt de molen erg bekend in de streek en de wijde omgeving want zelfs de boeren van tegen de Nederlandse grens brengen hun koren naar Rotselaar vanwege die fijne witte bloem. In het dossier lees ik ook dat de geïnstalleerde machines ondertussen niet nieuw waren maar tweedehands gekocht bij de industriële molen ‘Remy’ in Wijgmaal. Tegelijkertijd wordt ook werk gemaakt van vergaande automatisatie van het maalprocedé met ‘plansichters’, dat zijn automatisch op en neer gaande zeven om de verschillende delen van het graan te scheiden, en ‘elevatoren’, dat zijn jakobsladders waarlangs het meel in bakjes automatisch naar boven kan worden getransporteerd samen met het luiwerk dat dient om met waterkracht zware zakken op te hijsen.

off Watermolen van Rotselaar – het oude molengebouw

Tot 1902 wordt de molen nog altijd aangedreven door twee raderen groot genoeg om het verval van 2,5m. te benutten maar dan legt het provinciebestuur na grote overstromingen op de Dijle vergaande aanpassing op aan alle moleneigenaars van hun stuwen en sluizen. De hertogin van Arenberg wil de kosten niet dragen en verkoopt de molen aan haar pachter Victor van Doren. Die renoveert de stuwen, vervangt de raderen door een turbine en bouwt de hoge silo. Vanaf 1907 doet ook de elektriciteitsopwekking zijn intrede.

De watermolen van Rotselaar wordt sinds 1902 dus niet meer aangedreven door raderen maar door de in de nieuwe silo geïnstalleerd hypermoderne turbine ‘Phenix’ nr.40 van de Franse onderneming Schneider-Jacquet met een gegarandeerd rendement van 80%.

Met een debiet van 3500 liter water per seconde en een verval van 2,1m levert dat een productie op van 245 zakken elk met 100kg afgewerkt graan per 24 uur en dat is meer dan tweemaal zoveel als tevoren met de raderen.

off Watermolen van Rotselaar – het ijzeren wiel

Sinds 2007 wordt de turbine ook gebruikt om elektriciteit op te wekken door middel van een alternator. Bij een voltage van 230-240 volt kan gemiddeld 50 tot 60 kilowatt stroom geleverd worden. Die stroom is nodig om de molen van verlichting te voorzien opdat er voortaan met een drieploegenstelsel 6 op 7 dagen de klok rond kan gemalen worden. Met het surplus worden op voorstel van de molenaar – dan ook plaatselijk gemeentesecretaris – de beide bruggen over de Dijle van elektrische lantaarns voorzien, iets wat in die tijd nog nergens anders gebeurt.

De vijf verdiepingen hoge stevig gebouwde silo heeft een capaciteit van 60 ton en is een grote trechtervormige kuip die in zes compartimenten verdeeld is om de te stockeren soorten graan te bevatten. Dat wordt aangevoerd door de boeren of door de molenarbeiders. De molen is niet uitgerust om graan in bulk te lossen maar toch koopt de molenaar ook grotere partijen aan die dan door een vervoerbedrijf in zakken worden aangebracht.

off Watermolen van Rotselaar – Maalderij van Doren

De zakken worden gelijkvloers geleegd in een trechtervormige houten bak en vandaar met een ‘bakjeslift’ (elevator) naar het juiste compartiment gevoerd. Meer details over het hele maalprocedé vind je in het erfgoeddossier evenals een uitleg over alle noodzakelijke verbouwingen en over problemen die veroorzaakt worden door het trillen van de turbine. 

In de dertiger jaren wordt nog een loods bijgebouwd en een kantoorgebouw op de binnenkoer en in 1950 worden de gietijzeren schoepen van de turbine vernieuwd. Maar toch is al voor de Tweede Wereldoorlog duidelijk dat de molen met zijn verouderend machinepark en de te krappe behuizing het zal moeten afleggen tegen de grote maalderijen in het Leuvense zoals Remy in Wijgmaal, Hungaria, Van Orshoven en de Leuvense Dijlemolens. In 1968 maalt de molen voor het laatst, het maalcontingent wordt verkocht, de machines verzegeld en alle drijfriemen verwijderd. In 1973 overlijdt de laatste bewoonster en vanaf dan staat alles leeg en raakt in verval door het oprukken van de natuur en het gebruikelijke klein en groot vandalisme. Vooral dat laatste leidt tot razendsnel verval. De website van de molen toont een serie foto’s over de toestand van 1974 van de hand van fotograaf Jan de Vijver.

Vanaf 1976 dringen plaatselijke bewoners aan op bescherming als monument. Bij wijze van eerste stap kan afbraak en verkaveling van het terrein juist worden verhinderd doordat in het gewestplan de site wordt ingekleurd als natuurgebied. De eigenaar zet het geheel dan maar te koop en hoopt kennelijk nog altijd op een goede afbraakprijs want er zitten heel wat bakstenen en metalen in en op de affiche lees je dat de maalderij een massa waardevol hout en eiken balken bevat. Er komen toch geen kopers opdagen, ik vermoed omdat verkaveling tot nieuwbouw onmogelijk is geworden. 

Na tien jaar leegstand wordt op 22 juni 1983 de Molen van Rotselaar definitief beschermd als industrieel-archeologisch waardevol monument en de omgeving als dorpsgezicht. Twee jaar later slaagt de Leuvense VZW ‘TSAP’ (’t Samen Anders Proberen) er in om het geld te verzamelen om de molen aan te kopen.

De leden willen er komen wonen en werken op een soortgelijke manier zoals dat ook het geval is in de Dijlemolens in Leuven. Dit is het begin van het woon- en werkproject Molen van Rotselaar. 

Architect Rob Geys en zijn mensen gaan aan de slag om alles op te meten en plannen te maken. Omdat op verschillende plaatsen de gebouwen dreigen in te storten worden met een eerste overheidssteun in 1987 de eerste instandhoudingswerken uitgevoerd om erger te beletten. Toch is nog de algehele instorting nodig van de oude houten schuur voordat de restauratie echt kan beginnen nadat de toenmalig minister van Monumentenzorg het eerste subsidiedossier ondertekent op voorwaarde dat het aantal woonheden van 4 naar 8 zal worden gebracht.

Maar zoals dikwijls het geval is in restauratiedossiers blijkt de ligging in natuurgebied niet alleen de redding te zijn tegen verkaveling maar ook het begin van een lange en moeilijke weg om in dat gebied de nodige grote woon- en bedrijfswerken te mogen ondernemen. De molenwebsite wijdt daar maar één paragraaf aan maar ik vermoed (weet zeker) dat er toch heel wat mensen van velerlei slag en besluitvaardigheid om de vergadertafel hebben moeten zitten om samen een zeer gedetailleerd restauratie- en beheerplan te bestuderen en uiteindelijk er hun medewerking aan te geven.. 

Op de website van de Molen van Rotselaar lees je hoe na een leegstand van 10 jaar en het instorten van de antieke houten schuur in 1987 de echte restauratie begint. Over hoeveel miljoenen franken, euro’s en arbeidsuren en slapeloze nachten het in deze eerste fase allemaal gekost heeft wordt niet veel gezegd: “met eigen middelen en overheidssubsidie en over een periode van meer dan tien jaar wordt het molencomplex omgevormd tot een eigentijds woon- en werkproject waarin in 9 wooneenheden een dertigtal mensen hun plaats gevonden hebben”. 

In 1991 wordt de molenaarswoning grondig gerestaureerd door het Herselts gespecialiseerde bedrijf Memibo.

Zowel voorbereiding (zoals het opruimen en kuisen) als afwerking wordt door de eigenaars echter zelf gedaan met de hulp van dikwijls jonge vrijwilligers die daarvoor zelfs uit Letland komen afzakken. Het jaar daarna pakt het bedrijf ook de paardenstal met knechtenverblijf aan, het bakhuis en het gebouw van de turbine. Gebouw na gebouw wordt onder handen genomen en in het kader van de bewuste beslissing om oud en modern en de achtereenvolgende bouwstijlen samen te brengen wordt ook het ronde torengebouw op de binnenplaats gebouwd. 

In het licht van mijn ervaringen met restauratie- en bestemmingsproblemen bij erfgoed-monumenten, zeker als die in natuurgebied liggen waar volgens de wet niet gebouwd mag worden vind ik de watermolen van Rotselaar een wel bijzonder geslaagd project waarvan ik verwacht dat het op veel andere plaatsen navolging zal vinden.

off Watermolen van Rotselaar – gedreven

In 1994 wordt de oude turbine gedemonteerd en gereviseerd en in 1995 opnieuw ingebouwd met tandwielkast en generator. De turbine heeft een vermogen van 100PK en levert ongeveer 500.000 KWh groene stroom per jaar ofwel zoveel als het gemiddeld verbruik van zo’n 140 Vlaamse huishoudens. Om de capaciteit te bereiken wordt in 1995 ook de oude 17de -eeuwse sluis vervangen door een dubbele klepstuw met vier schuiven. Op de in 2012 nieuw aangelegde ‘bypass’ (de vistrap) wordt ook zo’n stuw gezet en daar wijd ik nog een afzonderlijke bijdrage aan. Sindsdien wordt het water opgestuwd tot op een verval van 2,40 meter (het ‘pegelpeil’) en is de molen tot een moderne elektriciteitscentrale omgebouwd.

Dat is het begin van de groene stroom coöperatie Ecopower met maatschappelijke zetel in Rotselaar waar je aandelen van kan kopen. In 2006 begint de restauratie en gedeeltelijke vernieuwing van het in 1996 gedemonteerde en in depot gezette machinepark en sinds 2010 staat alles er weer zoals vroeger: 7 cilinderwalsstoelen en 3 steenkoppels. Onder leiding van Memibo is dit immense specialistenwerk grotendeels gedaan door Fons Verbeeck uit Rotselaar en Jan Lambrechts uit Hoeselt). Voor deze fase trekt Vlaams minister Dirk Van Mechelen in 2008 een premie uit van bijna 237.000 euro. Als kers op de taart krijgt de molen in 2013 het embleem van ‘Actieve Molen’ van het Molenforum Vlaanderen.

Als ik het goed begrepen heb zou in de Watermolen van Rotselaar sinds 2010 weer zowat dezelfde hoeveelheid graan verwerkt moeten kunnen worden als in 1902 na de installering van de turbine. In die tijd staat de capaciteit op 245 zakken elk met 100kg afgewerkt graan per 24 uur of wel 24.500 kg per etmaal. Daar kan je heel wat broden mee bakken denk ik dan. In werkelijkheid wordt er echter nauwelijks gemalen en dient heel de installatie bijna uitsluitend om bezoekers te tonen hoe het er vroeger aan toeging. De molen is geen werkende maalderij maar een museum.

off Watermolen van Rotselaar – belangrijk voor de waterzuivering

Er wordt wel alle donderdagen brood gebakken in de houtoven in het bakhuis maar het meel komt van andere molens in de omgeving. Op rondleidingen wordt soms een beetje gemalen maar met een klein losstaand boerengemaal met mini molenstenen. De belangrijkste reden is dat het produktieprocedé dat duizend jaar lang beproefd en goed was, in onze tijd door specialisten in ‘Brussel’ en ‘Europa’ niet meer aanvaard wordt door de wetgeving op de voedselveiligheid. Blijkbaar gaat het vooral om de hygiëne waarbij onder meer etenswaren niet meer in een houten machinerie mogen worden verwerkt. Alleen voor puur demonstratieve doeleinden mag er bij wijze van ‘uitzondering’ gemalen worden maar dan mag het gebakken brood niet worden verkocht.

Bovendien leidt onregelmatig gebruik van de stenen en andere machines tot overdreven schoonmaakproblemen.

Ik heb dit verhaal ook al gehoord van molenaars in andere molens en als het waar is vind het geen goede zaak. Zo verspillen we menselijke inspanningen, gepassioneerde inzet, professionele kennis en ook een massa geld want je hoeft toch niet een heel machinepark volledig te restaureren als je er daarna alleen maar mag naar kijken? Tegelijkertijd zie ik toch ook wel veel molenaars malen op contract, bij monumentendagen, open deurdagen en andere gelegenheden. Volgens mij is er dus nog een uitdaging voor de toekomst: hoe kan deze molen en alle andere molens die al gerestaureerd zijn of worden, opnieuw op ambachtelijke (kleinschalig) wijze voor ons hoogwaardig dagelijks brood zorgen? Voor de rest is heel dit project natuurlijk een fantastisch verhaal. De molen produceert groene stroom en is het centrum van Ecopower. Op de website vind je alle informatie over talloze sociale en culturele  activiteiten en wat er daar allemaal zo bij komt kijken. Binnenkort is het opnieuw molenfeesten en ik denk dat het de moeite waard is om dan een bezoekje aan de molen te brengen. Ik kom hier zeker nog terug.

De Watermolen van Rotselaar speelt een zeer belangrijke rol voor de waterzuivering. De Dijle heeft in Rotselaar een stroomsnelheid van ongeveer 5 kubieke meter per seconde. Tussen Leuven en Rotselaar daalt de rivier van 12m40 naar 10m00 op een afstand van slechts enkele kilometers. In de molen merken ze dat de Leuvenaars hun rivier al eeuwenlang beschouwen als de geregelde vuilnisdienst want ze gooien er nogal wat in zoals plastic flessen, glas, blik, meubilair, matrassen, Tv’s, ijskasten en diepvriezers. Op een jaar tijd spoelen er ook meer dan 2000 dierenlijken aan van ratten, katten, honden, kippen, konijnen, schapen, geiten, kalveren en zakken met slachtafval. Twee keer haalden ze er ook al een mensenlichaam boven. Dat mag absoluut niet in de turbine komen en om het water proper te maken moet het er gewoon allemaal uitgehaald worden. Er spoelt ook veel hout aan, zowel gezaagd als met de wind in de rivier gevallen al dan niet met hulp van de oprukkende bevers maar daarmee voorziet de molen zich tenminste van gratis brandhout. En dan is er natuurlijk ook al het natuurlijk materiaal zoals takken, bladeren en kroos. Met een grote machine wordt alle dagen 500 kg zwerfvuil opgehaald en dat is alle vijf weken een container vol. Na moeizaam onderhandelen wordt die container weggehaald door en op kosten van de Vlaamse Overheid maar al het ophalen en sorteren wordt door Ecopower gedaan en betaald.

Daarnaast is er een oplossing gevonden voor de migratie van de vissen. Vissen moeten de rivier op en af kunnen en bij molens is dat een probleem als er geen omleidingskanaal ofwel een vistrap is. Naarmate ons water weer properder wordt komt er weer vis op en om die reden legt de Vlaamse Overheid (Vlaamse Milieu Maatschappij) in 2011/12 een vierhonderd meter lange waterbedding rond de molen aan ter vervanging van de eeuwenoude Leibeek die enkele decennia geleden in een buis is gestoken en dus niet meer als vistrap kan dienen. Veel molenaars – vooral op kleine waterwegen – hebben bezwaren tegen zulke vistrappen omdat al dat afgeleide water ten koste gaat van het debiet bij hun molen. De oplossing daarvoor is om aan de vistrap een stuw te plaatsen die gesloten kan worden als de molen te weinig water heeft om te kunnen werken. Het is een mooie vistrap geworden met een natuurlijk uitzicht maar naar mijn goesting is er ter hoogte van de molen zelf te veel beton en koel staal gebruikt zodat het nogal afsteekt tegen de oude gebouwen. Daar zal wel een goede reden voor zijn maar ik houd meer van het gebruik van natuurlijke materialen in zulke omstandigheden. Maar er staan ondertussen ook veel bloeiende planten en zelfs druivenstruiken tegen en dat doet ook al goed.

+++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

https://www.molenvanrotselaar.be/

+++

https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/200216

(o.m.: technische beschrijving plus inventaris van het machinepark)

+++

http://www.molenechos.org/molen.php?AdvSearch=497

(hier ook veel literatuurverwijzingen)

+++

zie ook: http://ernstguelcher.blogspot.com/ met trefwoorden, watermolen, rotselaar, erfgoed, arenberg, geschiedenis

+++

https://dirkvansintjan.wordpress.com/waarom-groen/

een rondleiding door de molen

+++

https://www.samenhuizen.be/de-molen-van-rotselaar

+++

https://www.ecopower.be/over-ecopower/onze-investeringen/kleine-waterkracht-rotselaar

off watermolen van Rotselaar – ezels zijn van alle eeuwen

Trefwoorden: watermolen, energie, elektriciteit, dijle, rotselaar, arenberg, vistrap,

Advertentie

DE DOODE BEMDE – EEN NA-ZOMERSE VERKENNING

Doode Bemde – langs de Dijle in Korbeek-Dijle

De Doode Bemde in de Dijlevallei tussen Oud-Heverlee en Neerijse. Iedereen weet natuurlijk dat dit een zeer nat natuurgebied is waar ieder seizoen het vlonderpad enkele keren nauwelijks begaanbaar is omdat alles onder water staat. Zover was het vandaag nog lang niet en na de lange periode van droogte ook nauwelijks te verwachten. Maar met een sombere drizzelige motregen aangejaagd door een forse zijwind is het toch niet gemakkelijk om de uitgestrektheid van heel dit gebied op volle kracht in beeld te brengen zonder kletsnat te worden. En dat levert dus enkele foto’s in de sfeer van ‘hou het klein’ waarbij ik me vooral heb geconcentreerd op het (plaatselijk beroemde) vlonderpad en zonder er uit te glijden geprobeerd heb om eens te laten zien wat daar allemaal tussen de planken groeit (en zelfs bloeit).

Doode Bemde – vlonderpad
Doode Bemde – vlonderpad

Zelfs op een druilerige zaterdagmorgen is het hier behoorlijk druk met joggers, wandelaars en honden maar dat houdt de natuur niet tegen om toch tussen de planken door te gluren en even te poseren voor de zonderling die zo kort bij komt met iets anders dan zijn schoenzolen. Tussen het ultragroene kroos staan de eenden te slapen want de jagers zijn even met vakantie en voor de gewone mensen hoeven ze hier absoluut geen schrik te hebben. De Doode Bemde staat in deze tijd van het jaar vol met kattenstaart en andere bloemen. Enkele daarvan heb ik gevangen  maar voor de anderen zal ik toch op een wat lichter ogenblik moeten terugkomen denk ik. Binnenkort wordt het weer tijd voor het fotograferen van enkele zonsondergangen en -opgangen. In het kasteel staan alweer appartementen te koop en er zijn opvallend veel damherten. Helaas zijn die voor mij bijna onfotografeerbaar met al die hekken rond het domein.

Doode Bemde – damhert kasteel Overschie (kasteel Neerijse)

Het pad langs de Dijle vanaf de brug over de rivier in Korbeek-Dijle is een van de net iets minder bekende mogelijkheden om in het natuurreservaat de Doode Bemde te komen. Voor wie te voet of met de fiets uit Leuven komt is het wel de beste autoloze toegangsweg. Op de Ferrariskaart van 1777 staat dit deel van de vallei er keurig op met alle bochten maar ook al met rechte lijnen die ongetwijfeld leigrachten weergeven want in die tijd probeerden de boeren het water zo snel mogelijk af te voeren van hun ultranatte hooilanden. Een brug naar Oud-Heverlee was er in die tijd al wel,  op die oude kaart zie je in beginsel de wegenstructuur van vandaag met veldwegen vanaf de Sint-Anna kerk en vanuit Ophem. In dit deel van de vallei kan je vandaag nog mooi de oeverwallen langs de rivier volgen hoewel het pad grotendeels dwars door de ernaast gelegen komgrond loopt.

Doode Bemde – tussen Korbeek-Dijle en kasteel Neerijse – kaart Ferraris 1777

Wanneer de rivier overstroomt bezinken de zware zand en kiezeldeeltjes op de dijkjes en stroomt het lichter slib van klei en leem verder de vallei in. In de oude tijd benutten de boeren dit soort overstromingen om hun landje vruchtbaar te maken maar in de tijd van de chemische meststoffen is dit allemaal verloren gegaan. Die komgronden hadden en hebben nog altijd dus wel een belangrijke waterbergingsfunctie bij zware regenval. Als het water niet kan uitvloeien stroomt het razendsnel naar de dichtstbijzijnde flessenhals en vanuit de Doode Bemde is dat de stad Leuven. Maar aan de andere kant is het voor de natuurontwikkeling in het reservaat ook niet goed als de komgronden te lange perioden van het jaar onder water staan doordat in de rest van de vallei de uitvloeimogelijkheden onvoldoende worden gebruikt. Er zijn daar afspraken over heb ik begrepen in het kader van het ‘geïntegreerd waterbeleid’ maar zowel stroomopwaarts als stroomafwaarts houden de grondbezitters en overheden zich daar onvoldoende aan. In elk geval kan het stroomopwaarts van de brug in de winter spectaculair onder water staan en kan je soms zelfs de weg tussen Oud-Heverlee en Korbeek-Dijle tijdelijk niet meer volgen.

doode bemde – kikker

Maar nu in augustus ligt alles er droog bij, wellicht dan weer té droog om goed te zijn voor de natuur. Alles is mooi gemaaid maar langs de kant staan veel met spinnenwebben overdekte schermbloemen, distels en prachtig geel boerenwormkruid.  Je weet toch waarom dit zo heet? Zeldzaam is het niet echt  maar Boerenwormkruid (Tanacetum vulgare) is zowat het nuttigste kruid uit de kruidkunde. Het houdt wormen, vlooien, muggen, mieren, muizen en duivels uit je huis en uit je (groenten)tuin. Eventueel maakt het je onsterfelijk tenzij je er te veel van eet want dan ga je dood. De mensen zetten vroeger boerenwormkruid bij de doodskist tegen bederf door wormen en daar heeft het dan ook zijn naam aan te danken. Voor het zover is geniet je nog wel van  Diestse boerenwormkruidkoek samen met een glaasje reinvoar-jenever. Bij onweer gooi je een blaadje in het vuur onder het aanroepen van de Heilige Maagd Maria om de bliksem af te weren (heb ik zelf nog niet geprobeerd). De plant heeft heel mooie bloemen en in het volle zonlicht richten de bladeren zich precies plat op het zuiden om het meeste licht te vangen.

Doode Bemde – de Dijle omzoomd door Boerenwormkruid

Speciaal voor natuurgidsen: om die reden hoort boerenwormkruid bij de kompasplanten – als je verdwaald bent kun je altijd weten waar het zuiden is als je boerenwormkruid langs je weg ziet. Alleen al om die reden ben ik blij dat ik het hele jaar nog bloeiend boerenwormkruid in de Dijlevallei vind want anders raak ik daar wel snel het noorden kwijt  als weer eens mist (bijna altijd). Een ding is zeker: zet het in je tuin en koester het want rupsen, vlinders en bijen zijn er dol op. Om er alles over te weten te komen en er zelfs een recept aan over te houden surf je best eens naar een van de links onder deze tekst.

Overdag is het warm maar de nachten zijn koud en dat betekent dat de natuurfotograaf voor dag maar niet voor dauw al in de Doode Bemde staat om tussen de nevels de eerste stralen van de zon te proberen vangen. Tijd om nog eens het oudste deel van het natuurreservaat te verkennen met het vlonderpad over de brede komgrond tussen de brug aan Reigerstraat in Sint Joris Weert (of is dit nog Oud-Heverlee?) en de vogelkijkhut aan het Kasteel van Neerijse. Ik zie op de Ferrariskaart van 1777 dat er hier toen al een houten brug was. Aan het beton van nu hangt nog altijd een bord dat je er met de kano niet onder door mag maar ik weet niet of het nog geldt.

Doode Bemde – mist

Om de zon te zien opgaan moet ik niet te lang op de planken blijven maar rap de meest ochtendzon-fotogenieke boom opzoeken aan deze kant van het gebied en die staat een beetje verder dan de kijkhut midden in het natte lange gras. Reeën zijn er vandaag niet te zien en zelfs de reigers geven verstek. De stilte wordt verbroken door grote groepen ganzen die met luid getoeter in keurige formatie richting Leuven vliegen. In deze tijd van het jaar beginnen de vogels aan hun voorbereiding om een beetje op te schuiven voordat de winter begint hoewel die ganzen dat dan volgens mij weer niet doen want het zijn geen trekdieren (of heb ik dat mis?). Ik hoop maar dat er niet binnenkort dankzij de jagerslobby volle bak op geschoten gaat worden want er is al lawaai genoeg in de wereld en de natuur en het afschieten van ganzen is – hoewel ongetwijfeld leuk om te doen voor échte mannen en hun honden – een totaal inefficiënte methode (er zijn er veel betere). Aan de afrastering blinken de druppels en ik pik nog net een groepje kattenstaarten in de mist mee voordat de zon zich echt verheft (in deze tijd van het jaar is dat een kwestie van seconden!) en ik de warmte voel opkomen.

Doode Bemde – kattenstaart in de mist

Voor wie van stappen houdt: de Doode Bemde zowat het enige natuurgebied dat je in de lengte kan afwandelen via een pad vlak langs de rivier of toch niet ver er vandaan. Anders dan met de rest van het open water in dit deel van de Dijlevallei hebben de beheerders er voor gekozen om de rivier niet onzichtbaar af te sluiten voor passerende natuurliefhebbers zelfs als ze hun hond of fiets bij zich hebben. Voor fietsers is het pad niet erg geschikt, zeker niet voor sportievelingen die individueel of in groep vooral op zoek zijn naar een sportbeleving en minder naar de natuurwaarden van hun omgeving. Jammer genoeg kwam er juist een bende luidruchtige fiets-avonturiers voorbij dwars door het weiland en dat is natuurlijker zeker niet correct. Ruiters mogen er ook niet door en strikt genomen is het terrein ook wel veel te drassig voor paarden zeker als die er met hun berijders vrolijk koutend er bovenop in groepjes passeren zoals in het nabijgelegen Meerdaalwoud. De tijd dat ik er motorfietsen tegenkwam is gelukkig al enige jaren voorbij en ik denk dat die ook wel vast zouden komen te zitten in de ijzeren toegangshekken. Die hekken zijn – heb ik gehoord – met opzet zo stevig gemaakt om weerstand te kunnen bieden aan vernieling en diefstal.

De Dijle stroomopwaarts vanaf de brug in Korbeek-Dijle – zicht op de Doode Bemde

Af en toe zie en hoor je op de dijk een trein passeren, fluisterend als het een reizigerstrein is en met denderend gebulder als het gaat om zo’n enorme vrachttrein van bijna een kilometer lengte. Ik heb begrepen dat al sinds jaren het beheer over de spoordijk binnen het reservaat vrij is van het gebruik van onkruidverdelgers en pesticiden op voorwaarde dat de beheerders het werk zelf op zich nemen om de aangrenzende bomen kort te houden. De Doode Bemde kan je perfect bewandelen door in het station Oud-Heverlee de trein te nemen en er in Sint-Joris Weert af te stappen (en andersom natuurlijk). Om er te komen heb je absoluut geen auto nodig en dat geldt  in feite voor de hele vallei tussen Mechelen en Waver want praktisch elk stationnetje ligt vlakbij een natuurgebied.

De Doode Bemde kan je ook verkennen in het deel tussen de brug aan de Reigerstraat en het ‘Appeljee’ (het de voormalige appelfabriekje, nu de natuurwerkplaats voor de beheerders) aan de Dijle ter hoogte van Sint Joris Weert. Voor de tramdijk van Zwarte Jean trek ik een andere keer uit want daarover ik er al véél gepost en zoveel variatie is daar nu ook weer niet.

Doode Bemde – een eekhoorn op de tramdijk

Juist voor de eerste trambrug stuit ik op een eekhoorn die zo ijverig aan haar (denk ik) ontbijt bezig is dat het dier me even niet op tijd opmerkt om weg te springen voordat ik één foto genomen heb. Helemaal scherp is hij niet maar je ziet toch dat ze ongegeneerd een ongetwijfeld uiterst zeldzame plant in het reservaat aan het verorberen is (het valt mee: het is maar een gewone moesdistel en daar staan er hier veel van).

Aan de rivier staat nu een opvallend onopvallende plant in bloei tussen al de rest. Wilde Bertram met zijn witte bloempjes zie je niet zo vaak want die houdt niet van te veel voedsel, een niet propere bodem en als je hem afmaait voordat hij in het zaad staat kan je hem zelfs helemaal kwijtspelen. Lang geleden heb ik er eens een heel verhaal over bij elkaar verzameld en dat vind je als de link onder deze bijdrage opent. De wortels geven een verdovende stof af als je er op kauwt en dus werd Wilde Bertram in de kruidengeneeskunde gebruikt bij de tandarts. Maar als je de wortel opsnuift als droog poeder ga je er blijkbaar geweldig van niezen en lost al de slijm op. Een beetje in tegenstelling tot al dit tandentrekken en snuiven is het oude wijdverspreide gebruik om Wilde bertram in bruidsboeketten op te nemen omdat dit vele jaren van huwelijksgeluk zou brengen.

Doode Bemde – Wilde bertram

Ik heb nog nergens een uitleg gevonden waar deze legende vandaan komt, dus ik ben dankbaar voor wie dit kan aanvullen. Ik kwam nog een drietal deftig aangeklede paarden tegen en een hele menigte van die speciale brave Doode Bemde koeien in de mist.

Natuurpunt beheert zijn hooilanden met Schotse Galloway-runderen. De mooie bruine koeien die je in de Doode Bemde ziet grazen zijn echter van het Limousinras, afkomstig uit de  streek van Limoges, de hoofdstad van de voormalige Franse regio Limousin en het departement Haute-Vienne  in het zuidwesten van Frankrijk. De boeren houden deze koeien daar al eeuwen lang op hun uitgestrekte maar niet erg vruchtbare weiden. Ze zijn er erg op gesteld omdat ze heel gemakkelijk zelfstandig kalveren, met heel weinig tevreden en gezond zijn, weinig toezicht nodig hebben, zich goed aanpassen aan de levensomstandigheden en klimaatomstandigheden, erg rustig zijn en ook nog veel en zeer lekker vlees opleveren. Oorspronkelijk werden ze vooral gefokt om te werken – vooral om de karren met wijnvaten te trekken – maar sinds het begin van de 20ste  eeuw worden ze vooral op hun vlees geselecteerd in inmiddels meer dan 60 landen.

Doode Bemde – 7 charolaises en 1 dwarsliggende limousin

Op internet vind je al snel dat ze vooral in de biologische veeteelt erg hoog op de agenda staan. In de Doode Bemde horen ze uiteraard prima thuis en ze zijn zo tam dat je er rustig tussen door kunt stappen zonder dat ze erg opdringerig zijn hoewel ze natuurlijk altijd wel een beetje nieuwsgierig komen kijken. Laat je dus maar niet afschrikken door hun omvang want voor runderen zijn ze tamelijk groot: een koe wordt 150-160 cm hoog en een stier 20 cm hoger. Zo’n stier kan een gewicht bereiken van rond de 1200 kilo. Ze hebben mooie hoorns die redelijk lang zijn. Als het goed is loopt er bij elke kudde een dekstier maar ik denk wel dat de stieren in de Doode Bemde niet rondlopen op weiden waar je als wandelaar op kan komen (tenzij je over een hek klimt). De koeien kalveren eenmaal per jaar en zogen hun kalfje 8-9 maanden. Ze hebben een ferm beschermingsinstinct dus val de kalfjes maar niet lastig want dan heb je prijs. In de winter zetten de boeren ze op stal als de weersomstandigheden te slecht worden. Hoeveel Limousins er in de Doode Bemde grazen en sinds wanneer weet ik nog niet dus wie dat weet mag het graag zeggen.

Doode Bemde – de Charolaisekoe poseert als fotomodel (let op haar verleidelijke blik)
Doode Bemde – de hele familie: Charolaise links en Limousin rechts

De witte (cremekleurige) koeien die je in de Doode Bemde ziet zijn volgens mij geen Limousins (hoewel ze soms zo genoemd worden) maar Charolaises. Het is een van de oudste vleesrassen ter wereld en is van oorsprong Frans uit de streek van Charolais (Saône-et Loire, land van Nievré in de Bourgogne streek). De stieren kunnen tot 1400 kilo zwaar worden, de koeien wegen tussen 700 en 900 kilo. Ze kalveren gemakkelijk, groeien snel, stellen weinig eisen aan hun omgeving en zijn bovendien heel erg rustig, zo kalm dat je op de weide tussen hen door kan stappen zonder hun aandacht te trekken, zelfs als ze hun kalfjes bij zich hebben. Veehouders zijn er erg enthousiast over en ik denk dat ze in natuurgebieden met wandelpaden ook erg op hun plaats zijn. Ik blijf koeien erg groot vinden, zeker als ze van die ferme horens hebben maar ik heb ze zonder enig probleem kunnen fotograferen in de ochtendmist en dat is ook wel eens leuk. Ondertussen vind je in de Doode Bemde ook heel veel van die gewone zwart witte koeien die de boeren houden om de graslanden af te eten. En als die het te warm hebben kan je ze zelfs in de Dijle aantreffen.Daarmee sluit ik deze zomerreeks over de Doode Bemde af.

Doode Bemde – Dijle – wij nemen een bad

++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

over de Doode Bemde: https://www.vhm.be

Voor boekenwurmen, muggenzifters, navlooiders en mierenn….:

http://ernstguelcher.blogspot.com/2013/08/boerenwormkruid-maak-jezelf-en-je.html

http://nl.wikipedia.org/wiki/Boerenwormkruid

http://wilde-planten.nl/boerenwormkruid.htm

http://www.veldbloemen.be/veldbloem-Boerenwormkruid.html

http://eten-en-drinken.infonu.nl/recepten/41914-boerenwormkruid-op-je-bord.html

http://kruidentuinen.blogspot.be/2011/01/boerenwormkruid.html

http://nl.wikipedia.org/wiki/Ganymedes_(mythologie)

Voor limousin runderen surf je best eens op het internet – ik vond eigenlijk niets dat niet vooral (dikwijls uitsluitend) de nadruk legt op hun vleeskwaliteit

Voor charolaises: http://www.charolais.nl/

http://ernstguelcher.blogspot.com/2013/07/wilde-bertram.html

Doode Bemde – kaart OSM – kaart met wandelroutes

Trefwoorden : doode bemde, dijle, natuurreservaat, vrienden van heverleebos en meerdaalwoud, koe, limousin, charolaise, boerenwormkruid, wilde bertram

BOORTMEERBEEK: PIKHAKENDONK, BOORTMEERBEEKSBROEK EN RONSDONK

Boortmeerbeek/Hever – Pikhakendonk

Het natuurreservaat Pikhakendonk in Boortmeerbeek is internationaal bekend om het plantje Grote pimpernel (Sanguisorba officinalis) dat blijkbaar alleen daar nog wil groeien en bloeien en dan ook door de plaatselijke afdeling van Natuurpunt (Boortmeerbeek) zeer speciaal gekoesterd wordt. Het bloeit nu in juli en ik post er enkele foto’s van. Maar eerst wat meer over het gebiedje zelf. Je komt er door achter de kerk van Boortmeerbeek-Hever het wandelpad te nemen met de naam Donk. Als je dan enkele wandelknooppunten volgt (26, 27, 23) kom je in het natuurgebied terecht en als je dan verder gaat kom je aan de Dijle met kasteel Hollaken aan deze kant en het dorp Rijmenam aan de andere kant van de rivier. Je ziet het er niet onmiddellijk aan (niet op de wandelkaart en maar hier en daar op het terrein) maar het woord ‘donk’ betekent dat tijdens de laatste ijstijd  zo’n 11000 jaar geleden de zich uitschurende rivier op deze plek een zandig eilandje heeft gevormd dat een beetje hoger en droger is komen te liggen dan de omgeving van natte gronden.

Boortmeerbeek – Pikhakendonk – het kan hier nat zijn

Het woord ‘pikhaken’ heeft niets te maken met de scheepvaart op die rivier maar verwijst naar het oude cultuurlandschap waarbij de boeren doornige hagen zoals mei- en sleedoorn rond hun weilanden en akkertjes aanlegden om het vee binnen of buiten te houden. Bijna overal in Vlaanderen zijn die hagen verdwenen onder eigentijdse maisakkers of door bebouwing maar waarschijnlijk vanwege al dat water is dat hier niet gebeurd en heeft Natuurpunt een gebiedje van 9 (of  meer) hectare in beheer kunnen nemen om ervoor te zorgen dat het behouden blijft zoals het er tweehonderd jaar geleden uitzag. Het Pikhakendonk is sinds 2002 ook beschermd als landschappelijk erfgoed. Het wordt doorkruist door drie beken, de Dambeek, Leibeek en Molenbeek (nu Weesbeek) die nu in de Dijle uitmonden (zie de kaart van 1939) maar die eigenlijk in die oude ijstijden de kronkelende Dijle zelf vormden terwijl daar in die periode ook de Demer nog uitkwam (of andersom?). Nu ligt de Demer bijna 9 km verderop in Werchter en is de Dijle meer een door boomloze dijken afgedekt kanaal geworden dan een rivier.

Boortmeerbeek – Pikhakendonk – de Dijle met de aan de overkant de kerk van Rijmenam

Als je er komt vanuit Leuven via de onwezenlijke Mechelsesteenweg met zijn series gelukspakhuizen en massaal verkeer begrijp je wel waarom dit rivierenlandschapje nog juist op tijd beschermd is als ‘cultuurhistorisch landschap’. Het erfgoeddossier geeft een perfecte beschrijving: “de afwisseling van bossen met kleinschalige landbouwactiviteiten en de gevarieerdheid van het onbebouwde landschap, met talrijke hagen, houtkanten en bomenrijen. Het bezit nog alle ingrediënten van het oorspronkelijke oude rivierenlandschap met onder andere dijken, verlande, afgesneden meanders, waterrijke hooi- en graasweiden, broekbosjes, naaldhoutaanplantingen en houtkanten. Deze elementen vormen één schilderachtig geheel.  De historische stabiliteit en continuïteit is bijzonder groot. Zowel qua bodemgebruik als qua veldindeling is er in de loop van de laatste 200 jaar weinig veranderd.

Boortmeerbeek – Pikhakendonk – idylle tussen koe en ooievaar

De weilanden die met populieren werden beplant zijn relatief gering in aantal en, behalve in het akkergedeelte, zijn alle hagen die op de Ferrariskaart worden weergegeven nog aanwezig, vaak in de vorm van oude, uitgegroeide meidoornhagen, soms vermengd met wegedoorn. Van bijzonder belang zijn de oude stroomgeulen die nog gedeeltelijk met de huidige gemeente- en provinciegrenzen samenvallen en die vermoedelijk de laatmiddeleeuwse hoofdbedding van de Dijle aangeven.” De buizerd in de populier vertelt me dat dit ook betekent dat het goed leven is voor allerlei soorten planten en dieren en de ooievaars geven hem gelijk op voorwaarde dat er koeien in de buurt zijn.

Zo te zien aan de vlonderpaden in het Pikhakendonk in Boortmeerbeek zal je hier grote delen van het jaar wel laarzen nodig hebben om er door te geraken (op een kaart kan je zien dat je je in overstromingsgebied bevindt).

Boortmeerbeek/Hever – Pikhakendonk – de Grote Pimpernel kan voorkomen in overstromingsgebieden

Maar nu ziet alles er toch heel droog uit en ook in de beken staat nauwelijks water. Of dit een probleem gaat worden zullen we wel merken maar het is zeker niet goed voor de variatie van planten op de natte  hooilanden die Natuurpunt hier probeert te behouden of te verkrijgen. Om de hagen in bloei te zien moet je hier in de lente terugkomen en ook voor de meeste bloemen. Tussen de doornen vinden veel zangvogels een welkome schuilplaats maar om die te fotograferen moet je én geduld én de juiste apparatuur hebben. Nu in juli is er duidelijk al veel gehooid maar waar er ruigten zijn (op een terrein van Natuurpunt wordt nooit alles tegelijk afgemaaid) zoemt het van de vlinders, hommels en andere insecten en macrofotografen geraken daar niet aan voorbij. Ik lees dat het maaien wordt gedaan door boeren met wie Natuurpunt gebruiksovereenkomsten afsluit over het wanneer en het hoe van het maaien en ook over de begrazing. Ik begrijp dat de boer van de Donkhoeve met Natuurpunt samenwerkt.

Boortmeerbeek/Hever – de Donkhoeve aan de ingang van het Pikhakendonk – zou van 1696 zijn – is hij nu wel of niet beschermd als onroerend erfgoed?

Het is een mooie oude langschuurhoeve die er blijkbaar al stond in 1696 (hij staat op de Ferrariskaart van 1700). Ik vind hem tot mijn verbazing wel terug op de inventaris van zonevreemde (!) woningen maar niet op die van waardevol erfgoed en lees ook dat hij niet beschermd is. Hier en daar staan er koeien en ook als je ze niet ziet is het wel duidelijk dat ze er al een tijdje zijn en niet alleen aan het getrappel. Met dit warme weer kan je die ook in de beek aantreffen zo te zien aan de drassige sporen. Ik vermoed dat er ook wel gewerkt wordt met schapen. Een infobord vertelt dat in het kader van het Sigmaplan binnenkort het zowat laatst overgebleven volkje van Kamsalamanders uit het Zennegat naar de poelen in het Pikhakendonk zullen moeten verhuizen. Of dat goed nieuws is weet ik eigenlijk niet want zo gemakkelijk laten de waterdraken zich niet verhuizen heb ik begrepen. Maar Natuurpunt doet er in elk geval alles aan om de overlevingskansen zo groot mogelijk te maken, onder meer door het graven van bijkomende poelen. Voorlopig zullen we het nog moeten doen met de gewone salamandersoorten en de alomtegenwoordige kikkers en padden.

Boortmeerbeek/Hever – Pikhakendonk – de Grote Pimpernel in bloei
Boortmeerbeek/Hever – Pikhakendonk – de Grote Pimpernel

In hun natuurreservaat Pikhakendonk beheren de vrijwilligers van  Natuurpunt enkele hooilandjes heel gericht op het in stand houden van de Grote pimpernel. Voor wie gewend is aan orchideeën is dat een tamelijk onopvallend plantje en als er geen bordje bij zou staan in het reservaat zou je het als bezoeker-wandelaar zelfs niet opmerken tijdens de bloeitijd die valt van juni tot september. Grote Pimpernel (Sanguisorba officinalis) behoort tot de familie van de rozen (Rosaceae) hoewel ik in de verste verte niet zou weten in welk opzicht het op een roos lijkt. Het is een plantje met kale stengels die vanuit een kruipende wortelstok tussen de 30 en 100cm hoog worden. De bloempjes zijn donkerbruin en onopvallend. Vanuit de verte lijken ze nog het meest op zo’n klein paaseitje. De blaadjes van de wortelstok vallen nog het meeste op met hun langwerpige gezaagde vorm en hun blauwgroene kleur aan de onderkant. De naam komt van het Latijnse piperinus (peperkorrels) naar de vorm van de vruchten. Sanguisorba betekent bloedzuigkruid (sanguis = bloed en sorbere=slurpen) en dat slaat op het vroegere gebruik als bloedstelpend middel.

Boortmeerbeek/Hever – Pikhakendonk – geringde slechtvalk

Vandaar ook de toevoeging officinalis wat de aanduiding is voor een plant met geneeskrachtige eigenschappen. Ik lees dat de boeren vroeger dachten dat koeien die deze plant eten daarna rode melk zouden geven maar hoe ze op dat zonderlinge gedacht kwamen staat er niet bij. Waar de Vlaamse naam vandaan komt weet ik nog niet (wie wel?). Zo te zien aan de vele tuinadvertenties is het helemaal geen moeilijke plant om te kweken. Hij stelt op zich weinig eisen aan de bodem, kan heel wat hebben op het vlak van voedseltoevoer, laat zich gemakkelijk bestuiven door allerlei insecten en zaait zich gemakkelijk uit met de wind. Maar in Vlaanderen is hij toch heel zeldzaam omdat wij als mensen er in geslaagd zijn om de belangrijkste biotoop voor deze plant naar de knoppen te helpen en dat zijn de vochtige periodiek overstromingsgevoelige lemige of zandlemige graslanden die vroeger de uiterwaarden van onze rivieren vormden maar nu overal door de landbouw of huizenbouw zijn ingepalmd. Daarbij komt dat in het hooi- en natuurbeheer deze plant geen baat heeft bij het gebruikelijke maaibeheer (met inbegrip van begrazing) want daar kan hij niet tegen.

Boortmeerbeek/Hever – Pikhakendonk – de schapen houden de wacht

Dus waar hij nog voor komt moet de Grote pimpernel heel zorgvuldig beheerd worden en dat betekent dus héél vroeg maaien voordat hij omkomt en daarna pas héél laat (of niet) maaien als hij helemaal is uitgebloeid. In Vlaams-Brabant komt de plant alleen voor in natuurgebieden van Natuurpunt in Zemst en in Boortmeerbeek. Er hoort ook nog een exclusief vlindertje bij, het Pimpernelblauwtje maar ik denk niet dat je dat zomaar zal kunnen tegenkomen. Voor het verhaal van de rupsen en de mieren verwijs ik je naar het infobord in het reservaat.

Het Boortmeerbeeksbroek en het Ronsdonk liggen ten oosten van het Pikhakendonk  juist aan de andere kant van de Rijmenamsebaan in de vallei tussen het treinstation van Boortmeerbeek en de rivier de Dijle. Net zoals het Pikhakendonk zijn het gebieden met natte weilanden, akkers, broekbossen en enkele zandige plekken die wat hoger liggen in het overigens vlakke land.

Boortmeerbeek – Pikhakendonk – de Leibeek

Het is een waterrijk gebied, met veel sloten, beken en poelen. Net als het Pikhakendonk is het helemaal ingekleurd als overstromingsgevoelig en in de info van beheerder Natuurpunt afdeling Boortmeerbeek lees ik dat het in sommige periodes van het jaar niet toegankelijk is zonder laarzen.

Nu in het midden van de zomer en in de huidige periode van uitzonderlijke (?) droogte is er ook hier weinig water te zien. Als je niet bang bent voor brandnetels, distels, muggen en teken kan je er op sandalen doorheen op voorwaarde dat je op de aangegeven paden blijft. In vergelijking met het Pikhakendonk kom je hier vooral bos tegen en wat minder open weidelandschap.

Boortbeerbeek – Boortmeerbeeksbroek – kattestaart in bloei

Volgens Natuurpunt gaat het vooral om historische hakhoutbossen met inlandse boomsoorten zoals Es, Eik, Wilg en Zwarte els maar ik zie ook nog wel veel populieren, berken, kastanjes en esdoorn in het rond staan en hier en daar zelfs sparrenbosjes maar dan vooral op de plekken waar een privé-eigenaar het nog voor het zeggen heeft. Hoeveel hectare van het gebied door Natuurpunt beheerd wordt weet ik nog niet precies (ik denk een 20tal) maar zo te zien aan het aantal klassieke maisakkers denk ik dat het vooral gaat om de paar hooilanden tussen de bomen en het bos zelf. Dat wordt beheerd zoals het hoort voor hakhout door om de 5 tot 7 jaar een perceel uit te dunnen en te verjongen. Vroeger werd dat gedaan voor het brandhout en tegenwoordig om de biodiversiteit te vergroten. Overal zie je hakhoutstoven en op ieder perceel mogen ook enkele bomen groot en oud worden. Door dat dunnen blijft er voldoende licht in het bos komen om ervoor te zorgen dat het bewaard blijft als biotoop voor voorjaarsbloeiers, vlinders, insecten, vleermuizen en zangvogels. Je kan er ook reeën tegenkomen en vast ook vossen en hazen, konijnen en eekhoorns.

off Boortmeerbeek – Boortmeerbeeksbroek – de zon breekt door de ochtendnevel

Het Boortmeerbeeksbroek is zo’n twintig jaar geleden door Natuurpunt aangekocht – vooral met steun van privé-sponsors en enkele bedrijven – en blijkbaar was het niet gemakkelijk zo’n 17 ha grond vast te krijgen in dit door veel privé-eigenaars met kleine percelen gedomineerde gebiedje. Nadien zijn ook in het nabijgelegen Ronsdonk een aantal percelen onder natuurbeheer gekomen. Nog altijd is veel van het terrein in handen van privé-eigenaars en dat zie je aan de gesloten hekken en de borden ‘privé-jachtgebied’. Volgens Natuurpunt verwijst de naam Ronsdonk ‘naar een golvend weidelandschap met meer dan één zandige heuvel’ maar hoe dat taalkundig in elkaar zit weet ik nog niet. Heel heuvelachtig vind ik de omgeving toch niet, eerder nogal vlak maar misschien is het reliëf in de winter beter zichtbaar. Het is wel een afwisselend cultuurlandschap met bos, weiden en akkers, doorsneden met beken en hier daar enkele poelen (jammer genoeg afgesloten want privé met tuinhuis). Voor de orchideën zal ik volgend jaar moeten terugkomen maar overal staan schermbloemen, distels en kattenstaarten in bloei en dat geeft best veel kleur.

Boortmeerbeek – Boortmeersbroek en Ronsdonk – vroeg in de morgen

Geniet vooral van de rijen knotwilgen in de weilanden. Zulke bomenrijen waren nog niet lang geleden typisch in landelijk Vlaanderen en op veel plaatsen worden ze met de hulp van vrijwilligers opnieuw in ere hersteld. Ze geven niet alleen schaduw aan de dieren in de weide maar zijn ook de thuisbasis voor insecten, planten, vogels, mossen en korstmossen. De weilanden zijn nu gemaaid en als je er gaat wandelen kijk dan uit naar koeien want als je die ziet zijn er waarschijnlijk ook ooievaars in de buurt. Het is er rustig en mooi wandelen maar er zijn niet zo heel veel paden en veel variatie is er dus niet bij, zeker als je absoluut niet tussen auto’s wilt stappen (er zijn twee bebakende wandelingen: Pikhakendonkwandelpad en Ronsdonkwandelpad maar ik ben niet zeker of die helemaal autovrij zijn). Wel kan je doorsteken naar het Pikhakendonk en dat geeft mogelijkheden tot grotere lussen, ook naar de Dijle (zie de wandelkaart). De beste methode om het gebiedje goed te leren kennen is door mee te doen met de natuurwerkdagen en daarvoor kan je terecht op de website van Natuurpunt Boortmeerbeek.

Boortmeerbeek – Boortmeerbeeksbroek en Ronsdonk

++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

https://www.natuurpunt.be/natuurgebied/boortmeerbeeks-broek

https://www.natuurpuntboortmeerbeek.be/beheer-boortmeerbeeks-broek

https://www.natuurpunt.be/natuurgebied/pikhakendonk

https://www.natuurpuntboortmeerbeek.be/

https://inventaris.onroerenderfgoed.be/aanduidingsobjecten/172

https://www.toerismevlaamsbrabant.be/producten/wandelen/drie-torenwandeling/

https://wilde-planten.nl/grote%20pimpernel.htm

https://www.ecopedia.be/planten/grote-pimpernel

https://waarnemingen.be/species/7409/

https://www.boortmeerbeek.be/gemeentelijk-ruimtelijk-structuurplan-tekstenbundelpdf

Boeren worden landschapsbouwers (Boortmeerbeek) – Gazet van …https://www.gva.be/cnt/aid982633/boeren-worden-landschapsbouwers

https://play.osm.be/historischekaart.html#9/51.0526/4.3616/osm

(om kaarten op elkaar te leggen)

Boortmeerbeek – Boortmeerbeeksbroek, Ronsdonk en Pikhakendonk – wandeling 9 km (kaart OSM)

Trefwoorden: boortmeerbeek, pikhakendonk, boortmeerbeeksbroek, ronsdonk, dijle, donkhoeve, natuurpunt, erfgoed, natuurreservaat, wandeltip