BEAUVECHAIN – OP BEZOEK IN LA FERME DE LA GRANDE GRAYETTE

 

Ernst Gülcher

April 2021

Contact : ernst.guelcher (at) telenet.be

Beauvechain – la Ferme de la Grande Grayette aan de Rue des Anges 67. Ik heb nogal vaak last met mijn computer maar soms ben ik dankbaar omdat hij mijn geheugen veel beter weet vast te houden dan mijn verwarde hersenen.

Van deze monumentale historische vierkantshoeve helemaal op de uiterste oostrand van de gemeente Beauvechain op de grens van het voormalige oorlogsvliegveld Les Burettes (zie de link naar mijn reportage) heb ik al eens een keer uitvoerig foto’s mogen maken in november 2014 ter gelegenheid van de 52ste Fêtes de Saint Martin. Ik kwam daar terecht vanwege de magnifieke beelden-tentoonstelling van onze Leuvense Gerdi Fonk en de gedichten van Joost Tresignie uit Bierbeek.

Die foto’s zijn onder de titel ‘fluidum tussen vorm, vormeloosheid en poezie’ allemaal nog terug te vinden op Facebook (zie de link). Bij die gelegenheid heb ik ook de hoeve zelf al een beetje in beeld gebracht.

Kort geleden ben ik terug geweest om kennis maken met de bewoners van nu en ik heb gezien dat er veel veranderd is maar eigenlijk zijn de gebouwen nog helemaal hetzelfde wat ik in onze tijd van supersnelle en dikwijls stresserende veranderingen best wel eens leuk vind. Sinds enkele jaren wordt de hoeve gekoesterd door een groep van jonge mensen die er aan werken om er een paradijsje van de biologische tuinbouw van te maken en tegelijkertijd allerlei culturele activiteiten organiseren hoewel die laatste wel tijdelijk een beetje stil lijken te liggen vanwege de corona-crisis.

Een van hen, Lucia Ab Out, reageerde op mijn reportage over Tourinnes-la-Grosse met de vraag of er iemand weet wat de oorsprong en betekenis is van de naam Grayette en omdat ik hou van zulke vragen heb ik aangeboden om te helpen zoeken en tegelijkertijd nog eens werk te maken van het verhaal over de geschiedenis van deze hoeve die teruggaat tot de vroege middeleeuwen.

Op de Ferrariskaart van 1777 en de Villaretkaart van 1745 staat de hoeve aangeduid als Cense de la Graette. Op die kaarten zie je ook het grote plateau ‘les Burettes’ en de Arbre de Ermelinde aan de ‘Grand Chemin’ tussen Beauvechain en Meldert.

De hoeve maakt deel uit van de enclave van het (voormalige) Prinsbisdom Luik binnen het Hertogdom Brabant en op de kaart zie je grens op enkele honderden meters ten oosten van de hoeve. Honderd jaar later staat hij op de kaart Vandermaelen van 1846 aangeduid als ‘Ferme de la Grande Gregette’ samen met (in dezelfde straat) la ‘Ferme de la Petite Gregette’.

Op mijn vraag van gisteren naar gegevens over zijn geschiedenis hebben al enkele vrienden in Beauvechain heel behulpzaam gereageerd met als gevolg dat ik nu beschik over de pagina’s over deze hoeve in het boek ‘Les sentiers de l’histoire à Beauvechain et environs’ van Joseph Schayes.

Ik moet het allemaal nog eens goed lezen maar is waarschijnlijk dat hij er al was rond 1200 als bezit van de Abdij van Gembloux. Hij wordt voor de eerst genoemd in 1474 als ‘Cense del Gret’ (pachthof Gret). In 1720 wordt hij verkocht aan ‘Le Grand Collège de Louvain’. Zoals zoveel hoeves in de streek is hij in de jaren daarvoor grotendeels verwoest door de plunderingen van de troepen die deze streek uitkozen om er hun godsdienst- en andere oorlogen op uit te vechten.

Een lezer vertelt dat Schayes een legende aanhaalt over een ‘onderaardse gang’ van de hoeve naar een plek die volgens J.Schayes in zijn boek ‘Tourinnes Beauvechain terres d’enclave de la Principauté de Liège en Brabant’ op een oud plan (dat ik niet heb) zou zijn aangeduid als ‘La cense d’Aulne’. Op mijn kaarten vind ik dat niet maar het zou een beetje naar het zuiden zijn ter hoogte van de Ruisseau de la Néthen. Zoek er maar niet naar want die tunnel bestaat niet meer. Dit soort ‘legendes’ verwijst naar het feit dat bewoners van hoeves, kastelen en abdijen altijd nood hadden aan een geheime snelle vluchtweg in geval van nood.

De universiteit bouwt alles weer op waaronder de grote boogpoort waarop een steen is ingemetseld met het jaartal 1734. De overige gebouwen zijn ook die tijd of van later datum. Er moet een heel grote schuur geweest zijn maar die is rond 1860 afgebroken. In 1776 wordt het goed verkocht aan Jean-Guillaume van Hamme.

In de 19de eeuw staat de hoeve bekend als ‘la Ferme Nélis’. Guillaume Nélis wordt hier geboren op 18 maart 1803 en ontwikkelt zich als een van de meest geniale industriëlen van het nieuwe België als de grondlegger van het latere ‘imperium Solvay’.

Het moet een heel grote hoeve geweest zijn want in 1680 bedraagt het grondbezit 76 bunders en honderd jaar later loopt dat op tot bijna 100 bunders. Een bunder is juist iets meer dan een hectare.

Over de oorsprong van de naam weten we nog niets zeker. De hoeve ligt aan de rand van een zeer grote vlakte met een ondergrond van zand en een vruchtbare toplaag van leemstof. Dat is een uitstekende basis om granen te verbouwen en uiteraard moeten die na de oogst onder dak worden opgeslagen. Totdat er iemand komt met een betere uitleg houd ik het er op dat ‘gre(t)’ of ‘gri(et) een vroege vorm is van ‘gra(in)’. De uitgang ‘in’ wijst op ‘huis (heim) om op te slaan’ en dat is later ‘grange’ geworden. Het naamsdeel ‘ette’ wijst ook op ‘verzamelen’. Alles bij elkaar heb je dan een Graette: een plek om het graan te bewaren. Wie biedt een waarschijnlijker scenario (graag!)?

Beauvechain, la Ferme de la Grayette. Soms (dikwijls) kom ik heel onverwacht terecht op opmerkelijke zaken. Zoals gezegd staat de hoeve begin 1800 bekend als ‘la Ferme Nélis’. De boer in kwestie is in 1796 Jean-Joseph Nélis die – gehuwd met Marie Catherine Constance Van Hamme – op zeer dynamische wijze de hoeve weer tot bloei brengt, de gronden ervan aanzienlijk uitbreidt en ook la Ferme des Burettes opricht, iets verderop.

Maar het is hun vijfde kind, Guillaume Joseph Nélis die in 1803 op de hoeve geboren wordt die zich zal ontwikkelen tot – dixit Ernest Solvay in hoogst eigen persoon in 1883 – een van de meest geniale industriëlen van het nieuwe België als de grondlegger van het latere ‘imperium Solvay’.

Over hem schrijft Schayes het volgende: “Guillaume fit ses études de médecins à l’Université de Bruxelles et s’installa comme médecin à Wavre. En 1837, il entra comme communautaire dans les Papeteries de Gastuche et cette société porte le nom de ‘Mathieu Nélis et Cie’. Elle a depuis pris une expansion continue. Aimant l’entreprise, en 1863, il fut un des commanditaires-fondateurs du procédé de fabrication de la soude à l’ammoniaque dit procédé Solvay qui exigea des années de recherche avant d’arriver au stade industriel, à tel point que Ernest et Alfred Solvay et leurs parentées de même que les bailleurs de fonds les Pirmez, Nélis, Lambert furent mis à rude épreuve. Leur tenacité et leur foi dans l’avenir les récompensa. En quelques années la fortune leur sourit par la rapide expansion des usines Solvay. Déjà en 1875, Guillaume Nélis fit un don de 200.000 fr à la Commission des Hospices de Jodoigne en vue de créer ‘L’orphelinat Nélis’ également pour les orphelins de Beauvechain. Plus tard, en 1893, il fit construire un hospice à Beauvechain qu’il dota d’un capital de 120.000 fr dont l’intérêt suffisait à assurer l’entretien, mais fut insuffisant pour le tenir ouvert après la guerre 1914-18. Entretemps, il acheta quantité de terres sur la campagne de Beauvechain et racheta la ferme des Burettes …

Il fut élu représentant de l’arrondissement de Nivelles. Il habitait Virginal-Samme où il fut bourgmestre et avait son château. Il avait épousé Thérèse Kumps mais ils n’eurent pas d’enfants. Il mourut à Bruxelles le 19.4.1896 laisant une importante fortune à ses neveux et nièces. Il fonda deux bourses d’études destinées aux étudiants du Canton de Jodoigne et de préférence aux descendants de sa famille. Ce fut un homme animé de profonds sentiments”. Joseph Toirdoir voegt er in een eigen studie aan toe: “Il fut un véritable self-made man. On estime que sa fortune dépassait très largement les 3 millions de francs. A savoir 600 millions de francs d’aujourd’hui.” Zoveel geld zullen de bewoners van de hoeve vast nooit bij elkaar zien maar toch werken ze aan een bij hen passende mooie eigentijdse toekomst.

Ik keer terug naar de tijd van nu. Van de grote vierkantshoeve met bijna 100 bunders grond in de tijd van de familie Nélis staan de gebouwen nog fier overeind maar de grond die er bij hoort is nog maar twee hectares. Zoals zoveel vierkantshoeves is het duidelijk geen klassieke hoeve meer die gerund wordt door een dynamische boer, laat staan een boer van nu met enorme machines met alles wat daarbij te pas komt.

Sinds enkele jaren heeft zich hier een groep van een zestal jonge mensen gevestigd die op hun manier een geheel nieuwe duurzame herbestemming aan de hoeve willen geven maar met de opbrengst van die bestemming er tegelijkertijd ook wel geheel of gedeeltelijk van moeten kunnen rondkomen.

Omdat het nog winter was als ik er was en ook vanwege de Covid-crisis heb ik ze er zelfs tijdens mijn bezoek er nog niet echt over kunnen aanspreken en ben ik even aangewezen op wat ik er zag en wat ik op het internet vind. Het is duidelijk een project van ‘cohousing’ met bewoners die investeren in een gezamenlijk project op de hoeve, daar ook eigen projecten ontwikkelen en die daarnaast ook een (halftijds) job hebben om te kunnen overleven.

In een bericht in mei 2017 lees ik dat zij – ‘Xavier, Delphine, Vincent, Adeline, Camille et Simon (et Capucine), alias les p’tits gras’ – op zoek zijn naar iemand die aan hun project wil deelnemen. Hun project: ‘Nous vivons dans une (ancienne) ferme située à Beauvechain et nous avons un grand potager, un élevage de chèvres (et une fromagerie), une grange pour stocker du foin et organiser des fêtes, un four à pain, des ateliers, des poules, des chiens, un chat, des souris et une jolie vue sur la campagne…’.

En een beetje verder in dezelfde zin: ‘Sur les deux hectares de terrain qui entourent la ferme, une partie a été mise en culture fruitière et légumière et une autre partie servira de pâturage pour les chèvres. La Grande Grayette est avant tout un lieu d’expérimentation, de partage de connaissances et d’apprentissage autour de l’agriculture et de la réappropriation de son alimentation.’

Het bericht dateert van 3 jaar geleden en ik heb van de week kennis gemaakt met een (de?) nieuwe bewoonster. Mijn gastvrouw Lucia is helemaal uit Zuid-Italië gekomen om zich hier te vestigen. De geiten, de honden en de kat heb ik niet gezien maar wel kippen en eenden en een boomgaard. Voor de groententeelt  ligt alles gereed.

Ik denk dat de op de hoeve geboren beroemde mede-oprichter van het Solvay-imperium er zijn ogen zou bij opentrekken maar de tijden veranderen en niet iedereen is nog geïnteresseerd in dikke aandelenportefeuilles en een kasteel om je levensdagen in te besluiten.

Ik lees ook dat er op 28 september open deur dagen gepland zijn maar dat op 28 juni de boerderij ook haar deuren opent met een markt van lokale producten, een ‘repas maison’ en activiteiten voor groot en klein. Blijkbaar vinden zulke evenementen er alle jaren plaats maar gezien de Covid en ook omdat de website niet helemaal duidelijk is over het jaartal moet je wel even nakijken of het inderdaad allemaal doorgaat voordat je er heen gaat denk ik. Ik vind ook info over muzikale en andere culturele activiteiten (jazz) maar ook daar ontbreken konkrete gegevens over toekomstige evenementen vooralsnog. Ik zou zeggen, ga er nu zelf maar eens een kijkje nemen want binnenkort staan de bloemen rond de hoeve open en dan ga ik er zelf ook terug.

++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

+++

https://ernstguelcher.blogspot.com/ – trefwoorden: burettes, tourinnes

+++

http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/fiche/index?sortCol=2&sortDir=asc&start=0&nbElemPage=10&filtre=&codeInt=25005-INV-0014-02

(ferme de la Grande Grayette)

+++

Tarlier & Wauters: Retranscription: Commune de Beauvechain

http://www.echarp.be › twcjod16

 +++

PORTRAIT DE GUILLAUME NELIS SOLVAY DOIT … – LeSoir.be

https://www.lesoir.be › art

+++

Les sentiers de l’histoire à Beauvechain et environs (Joseph …

https://nl.bibliomania.be › item › les…

door Joseph SchayesPaperback / 212 bladzijden / uitgave 1990

taal (talen) : frans

uitgever : Nauwelaerts Editions Historiques

https://nl.bibliomania.be › item › les…

https://www.habitat-groupe.be/petites-annonces/divers/autres-pays-regions/recherche-personne-desireuse-de-rejoindre-le-projet-a-la-grayette/

+++

https://www.kisskissbankbank.com/fr/projects/des-chevres-pour-faire-du-fromage

+++

https://www.jazzinbelgium.com/venue/ferme-de-la-grande-grayette

+++

https://gowork.fr/grayette-les-mees

+++

https://beauvechain.blogs.sudinfo.be/archive/2019/07/17/la-grayette-en-fete-283436.html

trefwoorden: Beauvechain, Ferme de la Grande Grayette, Guillaume Nélis, Solvay,

Advertentie

OP STAP IN TOURINNES-LA-GROSSE, LUSWANDELING LANGS DE KERK, TWEE KAPELLEN EN EEN MOLEN

Voorjaar 2021

Ernst Gülcher

Contact: Ernst.Guelcher (at) telenet.be

Ter inleiding bij een mooie luswandeling in Tourinnes-la-Grosse

Tourinnes-la-Grosse – luswandeling Eglise St.Martin, Chapelle du Rond Chêne, Chapelle Saint-Corneille, Moulin Wuyts – 6km

Dit is ter inleiding van mijn verkenning van een wandeling in Beauvechain, vooral in Tourinnes-La-Grosse en Mille. Ik vertrek op de Place Saint Martin waar ik niet alleen aandacht besteed aan het plein, de kerk, het kanon, de pastorie en het cultureel en parochiaal centrum maar ook aan het er achter gelegen oude voetbalterrein, nu een speelterrein voor jongeren en een parking met nogal krachtige muurschilderingen. In de kerk bewonder je ook de keramiek van Max Vanderlinden. Vandaar neem ik de Ruelle Collin en de Ruelle Sainte Barbe naar de Chapelle du Rond Chêne. Dat is een gekasseide veldweg met grootse uitzichten over het landschap maar ook met een afslag naar een fantastisch diepe holle weg die al héél oud moet zijn en aangeeft dat in de Romeinse tijd, in de middeleeuwen en nog lang daarna de mensen hier langs passeerden en zich minder waagden in de laaggelegen en dikwijls moerassige valleien. Vanaf de kapel du Rond Chêne – ooit een oord voor de melaatsen – ga ik naar La Chapelle Saint Corneille. Dat kan via het de Rue Jules Coisman door het gehucht Mille maar ik neem een paar veldwegen door het boerenlandschap ten noorden ervan. Aan de mooi gerestaureerde kapel St.Corneille staat ook de in ruïneuze staat verkerende hoeve vierkanthoeve Vercammen. De kerk en de kapellen waar we langs komen zijn erg bekend en ik heb er al veel over geschreven (zie de links) maar eigenlijk is de aanleiding van deze tocht de voormalige watermolen Wuyts (officieel le Moulin Crèvecoeur) op de kruising tussen de Rue du Grand Brou en de Rue du Moulin vlak bij het dorp.

Tourinnes-La-Grosse – Place Saint Martin met de oude waterpomp

Die aanleiding is het verhaal van Els Coremans uit Oud-Heverlee dat haar voorouders, de molenaarsfamilie Wuyts veel molens bezaten waaronder de Moedermeulen in Gelrode, een windmolen in St.Pieters Rode, de afgebroken windmolen van Bierbeek en dus ook Le Moulin Crèvecoeur op La Néthen in Tourinnes-la-Grosse. Het was mij al opgevallen dat de stiel van molenaar voorbehouden is aan families maar het grote gebouw aan de ingang van het dorp (vlakbij de camping) had ik zelfs nog niet herkend als een voormalige watermolen en dus besteed ik er op deze wandeling ruim aandacht aan. Het is een heel mooie tocht langs oude huizen en schitterende uitzichten in het boerenland van Beauvechain met zijn twee heel kleine beken, Le Ruisseau de La Néthen en de Mille en met zijn vriendelijke bewoners want bijna iedereen die je tegenkomt is best bereid om een praatje te maken en dat is ook wel leuk hoewel ik mijn oren goed moet openzetten want het plaatselijk dialect is hier nog de leidende melodie. Op de in het album bijgevoegde kaart zie je het traject en in totaal zou het toch niet langer zijn dan 6 km. Er zijn daar veel veldwegen dus wie wil kan de tocht naar wens inkorten of langer maken.

Tourinnes-la-Grosse

Tourinnes-la-Grosse in het dal van het riviertje ‘La Nethen’ is – volgens Wikipedia – sinds 1977 een deelgemeente van Beauvechain in Waals Brabant juist over de taalgrens. In het Vlaams zou het ‘Deurne’ heten maar dat zegt natuurlijk niemand en in het Waals ‘El Grosse Tourenne’ (en wie zegt dat nog?). ‘Deurne’ zou kunnen komen van het Germaanse woord ‘thurina’:  ‘braamstruik’ of ‘doornenhaag’. ‘La Grosse’ is aan Tourinnes in de 19de eeuw toegevoegd vanwege de imposante omvang van de toren van de  ‘Eglise Saint Martin’, een van de oudste kerken in onze streek.

Tourinnes-la-Grosse – dorpsplein, kerk en scheepskanon uit de eerste wereldoorlog

Samen met Beauvechain maakt Tourinnes tot aan het einde van de 10de eeuw deel uit van het kleine graafschap Brunerode. Gravin Alpayde van Hoegaarden schenkt beide dorpen (en omgeving) aan de Luikse Bisschop Notger en zo worden zij in de middeleeuwen een enclave van het prinsbisdom Luik in het hertogdom Brabant. Dat is tegen de zin van de hertogen die ettelijke keren en soms met geweld proberen om de enclave ten eigen bate op te doeken met telkens flink wat akelige gevolgen voor de dorpelingen. In 1635 valt het Frans-Hollandse leger de streek binnen en zowat heel de rest van die eeuw is een tijdperk van grote verpaupering en vernieling als gevolg van de strijd tussen de grootmachten van die tijd (net als heel de rest van de grote omgeving trouwens, het is overal hetzelfde verhaal). Het scheepskanon  aan de kerk dateert wel van enkele eeuwen later en wie kan al vertellen waarom dat er staat? Tijdens de Franse revolutie worden ze samengevoegd tot één gemeente om vervolgens in 1841 opnieuw gescheiden te worden. De plaatselijke Eglise Saint-Martin is een van de oudste kerken in onze streken en een van de weinig die nog dateert van het Karolingische tijdperk. Het schip wordt gebouwd in de 10de eeuw en het koor omstreeks 1250. De opvallende massieve maar niet erg hoge donjon-toren is van dezelfde periode maar een precieze bouwperiode heb ik nog niet kunnen vinden (wie helpt?). Gelegen bovenop een heuvel domineren de kerk en de omliggende historische gebouwen heel de omgeving (met soms merkwaardige effecten) en als er even niet veel auto’s op het dorpsplein staan kan je gemakkelijk verbeelden te zijn verplaatst naar een eeuwenoud verleden. Ik vind het heel jammer dat de mensen hier hun auto niet op de parking achter de kerk zetten want nu is het moeilijk om stijlvolle foto’s te nemen. Tot ver in de omgeving is het dorp bekend om zijn ‘fêtes de la Saint-Martin’ die alle jaren plaatsvinden in de maand november met theater- en muziekvoorstellingen tentoonstellingen bij honderden mensen in het dorp zelf en de omliggende dorpen.

Tourinnes-la-Grosse – de hertog van Brabant?

Sinds 1946 en nog eens extra in 2002 is heel het centrum beschermd als uitzonderlijk monument en gezien de absurde bouwwoede van de mensen van nu in onze regio is dat maar goed ook. Ik begrijp dat er sinds enkele jaren heftig plaatselijk protest is tegen plannen om achter de oude ‘vicarie’ het veld voor de schapen vol te bouwen (wie weet daar meer over? Zie de link). Met de auto kun je de kerk bereiken maar te voet kom je er best langs de stenen trap die vertrekt aan het café Relais St. Martin aan de Rue de Beauvechain 56, 1320 Tourinnes-la-Grosse. Overigens is niet alles nostalgie in dit dorp, op de parkeerplaats achter de kerk vind je zeer eigentijdse muurschilderingen die – mooi of aartslelijk is een kwestie van smaak – getuigen van de kunstzinnige aanwezigheid van een erg eigentijdse generatie. En midden op het plein staat naast de oude waterpomp een voor de toekomst geplante opvolger van de door beschadiging van de wortels gesneuvelde ‘marronnier’ met een wel heel eigentijds gedicht van Julos Beaucarne.

L’Eglise Saint-Martin

De ‘Eglise Saint-Martin’ in Tourinnes-la-Grosse kan je van bijna overal zien in de vallei van het riviertje ‘la Nethen’ en hij is gemakkelijk te herkennen aan zijn wel heel dikke toren. De voordeur is in beginsel altijd open want de kerk is een ‘Eglise Ouverte’. De laatste keer dat ik kwam foto’s nemen was er juist een heel muzikaal koor aan het oefenen en er worden dikwijls concerten gegeven. Het interieur is opvallend sober en ademt om die reden een enorme rust uit. Sedert de bouw in de vroege middeleeuwen is heel de streek voortdurend geteisterd door onlusten maar de kerk heeft dat allemaal weten te overleven.

Tourinnes-la-Grosse – L’Eglise Saint-Martin


Voor zover ik kan nagaan is er alleen in 1640 een grote brand geweest waarna vooral de zijbeuken opnieuw moesten worden opgetrokken. Of bij die gelegenheid de toren ook door de arbeid van plaatselijke metselaars zijn dikke vorm gekregen heeft en sindsdien ‘la Grosse’ aan de dorpsnaam is toegevoegd is een verhaal waarvoor ik bevestiging zoek. Door de eeuwen heen zijn er wel een aantal verbouwingen en aanpassingen doorgevoerd maar in 1954 is onder leiding van Professor R. Lemaire bij een grote restauratiecampagne het gebouw opnieuw in zijn oorspronkelijke toestand gebracht. Als gevolg daarvan ziet alles er uit alsof het nog maar net gebouwd is, zeker de binnenzijde aan het imposante gewelfde metselwerk van de toren en de houten constructies in het middenschip. Achter de kerk sta je binnen de muren van de eeuwenoude begraafplaats waar alles ook zo goed als in perfecte staat wordt gehouden en het onderhoud op ecologische wijze gebeurt. De mooie brandschilderingen in de ramen staan symbool voor het feit dat Saint-Martin in zijn tijd opkomt voor de armen. Saint-Martin (Sint-Maarten) wordt rond het jaar 316 geboren in Tours waar hij later ook bisschop wordt en is een van de populairste middeleeuwse heiligen. Zijn sterf- en feestdag valt op 11 november en zijn leven staat in het teken van de liefdadigheid nadat hij als jong Romeins soldaat (de helft van) zijn mantel afstaat aan een blinde bedelaar. Als heilige is Sint-Maarten vooral belangrijk voor de boeren en zijn feestdag was vroeger de datum waarop de oogst binnengehaald moest zijn en het vee op stal ging. Op 11 november werden grote Sint-Maartensvuren ontstoken. Ironisch genoeg gaat dit gebruik terug op een Germaans feest ter ere van Wodan (maar dat geldt voor bijna alle christelijke feesten denk ik). De dorpelingen brachten dankoffers en brandden reinigende vuren om de vruchtbaarheid van het land en vee te bevorderen. Op die dag werden ganzen geslacht. Dat laatste gaat terug op de overlevering dat Saint-Martin zich niet waardig genoeg vond voor het ambt van bisschop en zich in een ganzenhok verstopte toen als zijn aanhangers hem komen ophalen om hem in Tours op de troon te doen zetelen. Maar omdat die dieren altijd veel laweit maken tegen verstoorders, werd zijn schuilplaats ontdekt en kon hij zijn roeping niet ontgaan. Ik denk niet dat ganzen zich ooit zullen laten bekeren en nederig zijn ze zeker niet, maar als je bewaking nodig hebt kan ik ze aanbevelen. Even iets rechtzetten: het kanon aan de voordeur is géén luchtafweer maar een Duits scheepskanon uit de eerste wereldoorlog dat als oorlogstrofee door Graaf de Hemricourt de Grunne aan de dorpelingen werd geschonken uit dank voor hun gastvrij onthaal tussen 1914 en -18.

Tourinnes-la-Grosse – de ‘bedelaarskist’ van Saint-Martin

Max van der Linden

Ben ik oneerbiedig door te stellen dat de echte heilige van Tourinnes la Grosse, Nodebais en de gemeente Beauvechain niet Saint-Martin is maar – naast Julos Beaucarne – Max van der Linden? Geboren in Nodebais op 1 juni 1922 op de familiehoeve d’Agbiermont en eveneens daar overleden op 25 november 1999, heeft hij met zijn persoonlijkheid en met zijn keramiek een enorm en blijvend stempel gedrukt op zowat de hele wijde omgeving. In zowat iedere kapel en kerk en in en aan talloze andere gebouwen in Beauvechain en buurgemeenten kom je zijn werken tegen en ik heb aan dit album een kaart toegevoegd met een typische ‘max-van-der-linden-wandeling’. Het eerste wat mij telkens opvalt is dat ze altijd zowel erg gedetailleerd-herkenbaar zijn als gebaseerd op de heel gewone zaken die er in het leven van mensen toe doen: het dagelijks leven op het platteland, de familie, de muziek, geboorte, huwelijk en dood, de hoop op beterschap en solidariteit en de angst voor eenzaamheid en chaotische verandering maar dat alles doordrongen van een diepe christelijke spiritualiteit die altijd weer leidt naar een onverwoestbaar optimistische kijk.

Tourinnes-la-Grosse – Max van der Linden – dit is een van mijn favoriete werken van de kunstenaar

Als mens is Max van der Linden zijn hele leven bewonderd door zijn vermogen om mensen bij elkaar te brengen en als zodanig is het logisch dat hij beschouwd wordt als de grondlegger en bezieler van de jaarlijkse Fêtes de la Saint-Martin (met in 2019 de 54ste editie). Tot in 2015 waren de meeste van zijn werken te bewonderen in zijn atelier in de Ferme D’Agbiermont maar na de verbouwing in meerdere woningen van de hoeve konden zij daar niet langer blijven en door het groot publiek bekeken worden. De VZW “Max van der Linden” die het werk beheert sloot in 2018 een overeenkomst met de gemeente Beauvechain en de plaatselijke kerkfabriek. Als gevolg daarvan zijn heel veel wereldse werken van de kunstenaar nu te zien in de zaal Vert Galant in het gemeentehuis van Beauvechain terwijl de meeste sacrale stukken te bewonderen zijn in de kerk Saint-Martin in Tourinnes la Grosse. Enkele werken zijn nog op de hoeve (zoals “La Maison de mes Amis) en niet vrij toegankelijk maar of daarvoor nog altijd een oplossing gezocht wordt weet ik niet. Er is een speciale website http://www.maxvanderlinden.be/ maar daar heb je niets aan omdat die al vele jaren op non-actief gezet is en volgens mij beter opgeheven zou worden als hij niet gedeblokkeerd kan worden. Als er iemand is die nog eens kan vertellen waar en hoe je info kan vinden over de betekenis van de afzonderlijke werken van de kunstenaar (of over het verhaal waarin ze passen), vooral die in de kerk, ben ik zeer dankbaar.

Tourinnes-la-Grosse – Rue de la Bruyère Saint-Martin

La Rue de la Bruyère

Tourinnes-La-Grosse. Om vanaf L’Eglise Saint Martin naar La Chapelle du Rond Chêne te gaan, volg ik vanaf het parochiale centrum ‘Le Beau Vignet’ (vroeger de pastorie), de begraafplaats, de beschilderde elektriciteitskast en het kruisbeeld op de hoek de kasseien van de Rue de la Bruyère Saint Martin in noordelijke richting. Op het plein staat nog de oude pomp van 1861 en ik vraag me af hoe diep die wel gaat om hier op de heuvel water op te halen. Sinds wanneer beschikt men hier over een eigentijdse waterleiding? De naam van de straat zie je op de kaart op veel plaatsen in het dorpscentrum en hij stelt me voor een raadsel want een ‘heideachtig landschap’ is hier nergens te zien maar wellicht was het hier in de oude tijd wel veel droger dan nu. In deze straat staan veel huizen op de erfgoedlijst waarvan we er op deze wandeling drie passeren. De oude ‘vicarie’ naast het kerkhof dateert uit het einde de 18e, begin 19 eeuw. Het is een statig maar een beetje vervallen gebouw, half verborgen achter zijn indrukwekkende omheiningsmuur maar er zijn grote restauratiewerken aan de gang en ik ben benieuwd wat daarvan het resultaat gaat zijn. Daarnaast staat een al even statig woonhuis, dat uit dezelfde tijd stamt en oorspronkelijk een boerderij was. Nu is het een privé-woning en kantoor en met stevige hekken afgesloten. Een beetje verderop staat een in dit dorp nogal uit de toom vallende grote begin 20ste eeuwse villa die je onmiddellijk herkent als een typisch doktershuis. Wie er nu woont weet ik niet maar het was lang de praktijk van dorpsdokter Duchesne lees ik in het erfgoeddossier. Ik kom altijd weer onder de indruk van de indrukwekkende rij monumentale bomen die aan de rechterkant staan aan de rand van de schapenweide. Ik dacht aan eiken maar een lezer zegt dat het lindes zijn.

Tourinnes-la-Grosse – Ruelle Sainte Barbe

Zoals ik al eerder verteld heb is het die wei die de projectontwikkelaars graag nog zouden willen volbouwen tegen het protest van de plaatselijke bevolking in. Zo’n project gaat inderdaad wel heel erg in tegen het landelijke erfgoedkarakter van dit dorpscentrum dus ik reken er op dat het niet doorgaat. Is er iemand die de laatste stand van zaken kan vertellen? Op de hoek van de weide slaan we rechtsaf de Ruelle Collin in en dan staan we onmiddellijk helemaal buiten de bebouwing tussen de akkers. Hierna volg ik vanaf hier de Ruelle Sainte Barbe om een heel eind verder buiten het dorp uit te komen bij la Chapelle du Rond Chêne. Dat die kapel zo ver verwijderd staat van het centrum is geen toeval maar aan dat verhaal kom ik nog toe.

Ruelle Sainte Barbe

Op deze etappe van onze verkenningstocht in Tourinnes-la-Grosse (Beauvechain) stappen we langs de Ruelle Sainte Barbe richting la Chapelle du Rond Chêne. Over die kapel kom ik nog uitgebreid te spreken. Je bent hier aan de zuidkant van het Meerdaalwoud op het plateau dat je op oude kaarten aangeduid ziet als de Keiberg (zie de link naar mijn reportage over de keiberg). Die keien zijn daar miljoenen jaren geleden achtergelaten door de grote rivieren van toen en ze bezorgen de boeren last bij het ploegen. Die boeren zijn hier tot mijn verwondering duidelijk nog van de zeer onecologische grootschalige industriële stempel want er zijn nauwelijks bomen te zien, geen enkele heg en op de akkers spelen mais, suikerbieten en aardappelen de hoofdrol. Naast de veldwegen is zelfs geen stukje groen overgelaten om te vermijden dat het slib van de akkers er op terecht komt en richting dorp vloeit.

Tourinnes-la-Grosse – een wel zeer diepe holle weg

Zeldzame planten moet je hier dus niet verwachten en of er veel soorten dieren in dit landschap kunnen overleven betwijfel ik, ook al omdat het jagersgilde in deze streken nog wel erg opvallend actief is. De weg is hier en daar hol en op één plaats is er een indrukwekkende diepte geplaveid met kasseien. Dat duidt op zeer grote ouderdom en als je op de kaart kijkt zal je zien dat in de oude tijden de verbindingen vanuit Leuven met Jodoigne en Tienen hier over dit plateau gingen. In het verhaal over de Chapelle du Rond Chêne kom ik daar nog op terug. Ik hoop dat iemand van de streek me nog eens kan vertellen waarom deze veldweg genoemd is naar de heilige Barbara van Nicomedia. Deze schone Kleinaziatische dame leefde volgens de overlevering zo rond het jaar 300. Haar heidense pappa Dioscurus sloot haar op in een toren om haar te vrijwaren tegen de jonge mannen in de omgeving. Om haar helemaal aan de openbaarheid te onttrekken kreeg ze een eigen badhuis met twee ramen. Maar omdat ze zich in het geheim tot het christendom bekeerde vroeg ze om een derde raam om de heilige drievuldigheid te eren. Haar boze vader folterde haar vanwege die bekering maar als bij wonder genazen al haar letsels in de nacht. Wikipedia: “Uiteindelijk onthoofdde hij haar eigenhandig, maar werd daarop zelf door de bliksem dodelijk getroffen”. Blijkbaar gebeurde dat op 4 december want op die datum wordt ze als heilige gevierd door een hele reeks van uitoefenaars van gevaarlijk beroepen zoals brandweerlieden, geniesoldaten en wapensmeden, infanteriesoldaten en artilleristen, mijnwerkers, dakdekkers, bouwvakkers, steenhouwers, metaalgieters, telegrafisten maar ook van boeren, beiaardiers, hoedenmakers, gevangenen, stervenden en tenslotte ook van jonge meisjes. Op onze veldweg lijkt alleen haar bescherming van boeren en andere passanten tegen bliksem en storm van mogelijk belang te zijn want in die omstandigheden kan het op dit kale plateau wel gevaarlijk zijn denk ik.

Tourinnes-la-Grosse – Ruelle Sainte Barbe


La chapelle du Rond Chêne

Vanuit Tourinnes-la Grosse ben ik via la Ruelle Sainte Barbe aangekomen bij La Chapelle Du Rond Chêne helemaal op het einde van de Rue du Coulot op de kruising met de Rue du Stocquoi in het Waalsbrabantse dorpje Mille (deel van Hamme-Mille, Beauvechain). Daar staat zowat aan de bron en waterbekken van de Ruisseau ‘Le Mille een robuust maar sober gebouwde kapel met de naam ‘Chapelle Notre Dame du Rond-Chêne’. Over die kapel heb ik al veel geschreven, de laatste keer nog maar kort geleden in mijn verhaal over de wandeling op de Keiberg en het zuiden van het Meerdaalwoud (zie de link). Voor aandachtige lezers heb ik even weinig nieuws maar toch enkele vragen. Binnen lees je dat er hier al een kapel stond in 1358 en dat in die tijd op de kruising een dikke eik (Chesne) gestaan moet hebben. Het huidige gebouw in (ooit witte maar nu vuildonkere) Gobertange kalkzandsteen in klassieke stijl dateert van 1768 en dat staat ook (met enige moeite) te lezen in een steen in de boog boven de voordeur. Niet voor niets betekent ‘le Culot’ zoveel als ‘helemaal aan de rand’ want vanaf de 15de tot de 18de eeuw mochten de elders verdreven lepralijders uit het dorp hier hun geloof komen belijden vanuit hun ‘gesloten centrum’ met de naam ‘Cortil des Lattes’ (een met een schutting omheind terreintje) dat hier ergens in de buurt was (waarschijnlijk ten noordoosten van de kapel, maar het staat niet op de topografische kaarten die ik heb). Later werd deze kapel samen met de nabijgelegen ‘Chapelle de Saint-Corneille’ een belangrijk passeerpunt voor pelgrims.

Beauvechain – la Chapelle du Rond Chêne

Ter ere van de Heilige Maagd wordt er nog altijd elke zondag in de maand mei een rozenhoedje gebeden en op 15 augustus is er een hoogmis. Het oorspronkelijke Mariabeeld is in 1978 gestolen dus wat er nu staat is een kopie. De kapel wordt duidelijk in ere gehouden door de buurtbewoners want er staan bloemen en een harmonium. Sinds 1994 is hij beschermd als monument. Waarom veel van de ruitjes al jaren lang gebroken zijn en wanneer ook de binnenkant weer eens gerestaureerd wordt en aan de buitenkant het wit van de gobertange weer tevoorschijn zal worden gehaald zal worden weet ik niet. Waar de eik naar toe is me ook een raadsel.  Er staan wel twee esdoorns en op een foto van 2014 staat er nog derde maar die is sindsdien gesneuveld. Zo’n mooie eeuwenoude kapel verdient wel een staanplaats in een kring van robuuste eiken om de al dan niet devote voorbijganger de weg te wijzen. Ik stel voor dat er twee jonge eikjes geplant worden zodat die groot zijn tegen de tijd dat de esdoorns het laten afweten. Kan er niet iemand van het dorp een initiatief in die richting nemen? Maar dan zou de kapel ook wel op en iets groter stukje eigen terrein mogen staan want zoals het nu is lijkt hij wel erg slachtoffer te zijn van de behoefte aan akkergrond.

La ferme d’Evrard

Ik blijf nog even staan aan la Chapelle du Rond Chêne in Beauvechain. Enkele honderden meters verder staat nog de in de 18de eeuw gebouwde vierkantshoeve ‘Ferme du Rond-Chêne’ maar of dat nu hetzelfde is als de vroegere ‘Ferme de Stakenborg’ die al in 1356 vernoemd wordt, moet ik nog uitvinden.

Mollendaalbos – omgeving Brise Tout en Keiberg – zicht op la Chapelle du Chêne Rond en Ferme D’Evrard

Op de kaart Vandermaelen van 1856 zie ik wel op die plek “Château Sainte Barbe” en dat verwijst ook naar een versterkte woning. De kapel ligt aan de bron van de Ruisseau de Mille op de grens tussen het Hertogdom Brabant en het Prinsbisdom Luik waarvan Beauvechain in die tijd nog altijd een kleine enclave is (Parti du Pays de Liège). Heeft de Chemin Sainte Barbe zijn naam aan het château te danken of andersom? Zoals ik al vertelde beschermt deze heilige wel de soldaten maar blijkbaar niet de smokkelaars en ik vang geruchten op dat de enclave in die tijd juist voor hen een paradijs was tenzij je betrapt werd en dan wel in de misère kon belanden. Wie meer weet over al deze raadsels mag het graag zeggen Rond de kapel vind je infoborden over het belang van de ‘arbres isolés’ op het kruispunt van holle wegen in een open boerenlandschap en over het belang van die wegen voor de natuur. En als troost voor iedereen die altijd opnieuw problemen heeft met de juiste naam (ik verwar die met de ‘Chapelle au Chêneau’ in Longueville): op die kaart staat heel uitdrukkelijk ‘Chapelle du Rond Chêsne’. Als je aan de kapel de vriendelijke herdershond (Lara) tegenkomt geef hem dan een aaitje want daar houdt hij van. Hij is helaas wel erg oud geworden en hoort en ziet niet meer zo goed. Zijn baas is Paul Evrard van de hoeve die naast de kapel staat. Paul is ver over de tachtig en altijd in voor een praatje. Hij weet alles over deze streek en ik denk dat alle akkers rond de kapel van hem zijn. Zijn hoeve zie ik pas voor het eerst op de NGI-kaart van 1969. Een laatste raadsel: op oude kaarten, voor de eerste keer op die van Vandermaelen van 1846 zie ik dat het eigenlijk de streek iets ten noorden van La Chapelle Du Rond Chêne is die ‘misère’ heet en niet het gehucht zelf. Aan de Rue Mollendaal staan op die kaart twee hoeves aangeduid als Ferme de la Petite Misère en Ferme de la Grande Misère.

Beauvechain – zicht op de Rue de Mollendaal – ferme de la petite misère en ferme de la grande misère – gezien vanuit la Chapelle du Grand Chêne

Vanaf de kapel zie je beide hoeves staan. Het is van hier een heel mooi uitzicht die kant uit want aan de Rue de Mollendael (met kasseien) is er nog geen lintbebouwing en dat is zeldzaam tegenwoordig. Er is wel een aanvraag om nieuwe stallen te mogen bouwen dus ik vrees dat er verandering op komst is. Het woord ‘misère’ tref je in Waals-Brabant dikwijls aan op plaatsen waar in de oude tijd de oogsten gemakkelijk mislukten door droogte, vorst of een teveel aan water of waar er voortdurend plunderende troepen voorbij kwamen. Toch denk ik dat ‘la Misère’ aan La Chapelle du Rond Chêne vooral slaat op de leprozenkolonie en het ‘cortil des lattes’ waarbinnen die zieken moesten blijven. Op  het infobord zie je waar dat cortil geweest moet zijn.

La Mille et ces inondations

Beauvechain. Om van la Chapelle du Rond-Chêne naar la Chapelle Saint-Corneille te stappen zijn er twee mogelijkheden. Neem de kaart (in het fotoalbum) er maar bij en dan zie je dat de eerste en kortste gaat langs  la Ruisseau de Mille en dan via de Rue Jules Coisman rechtstreeks naar de kapel. Langs die straat staan nog wel enkele oude boerderijen maar nieuwe huizen en de auto’s nemen het straatbeeld over en om die reden neem ik liever enkele veldwegen iets noordelijker, de Rue de Stocquoy, Rue(elle) Jules Coisman en de Ruelle Simon dwars door het akkerlandVlakbij la Chapelle du Rond Chêne sta je echter in de Rue du Culot aan een tamelijk nieuw uitziend ‘bassin d’orage’ en daar wil ik het even over hebben. Dat bekken maakt me nieuwgierig want de bron van het kleine beekje Le Mille is op deze plek dus hoe kan je daar nu al wateroverlast verwachten?

mille – bassin d’orage

In de infofolder van het Contrat de Rivière Dyle-Gette lees ik dat de naam van het gehucht en het beekje Mille afstammen van de combinatie van het oude Frankische woord ‘haima’ dat ‘woning’ betekent en het Germaanse woord ‘Melna’ dat staat voor ‘fijn zand’. Dus de mensen wonen hier op een ondergrond van fijn zand en geologisch is dat volstrekt juist want het hele plateau bestaat uit oud zeezand met een toplaag van fijne leemstof. Op de Villaretkaart van 1745 zie je dat er alleen aan de rechterkant van het stroompje enkele hoeves zijn en verder overal weiden. Boven de bron was er in die tijd nog wel een en ander aan bos. Op de kaarten van vandaag zie dat de oevers aan beide kant helemaal volgebouwd zijn en het bos is nergens meer te bekennen. Bij heftige regenval kan het water niet anders dan tussen de gekanaliseerde smalle en dikwijls gebetonneerde kanten op grote snelheid naar beneden stromen en dat doet het dan ook. Er zijn elk jaar overstromingen op de laagste punten en met de klimaatverandering hebben die eerder de neiging om te verergeren dan te verbeteren. Hier en daar zijn er nog wel plekken om het teveel aan water op natuurlijke wijze over de weiden te laten uitvloeien maar als ik de berichten goed begrijp zien de overheden als belangrijkste oplossing om op een aantal plaatsen ‘bassins d’orage’ aan te leggen en die aan de bron van de Mille is daar blijkbaar  een van de eerste van hoewel het denk ik tot 2017 geduurd heeft om plannen van 1998 te voltooien. Dergelijke bassins kosten veel om aan te leggen en stuiten bijna altijd op onteigeningsproblemen met de omwonenden. Bovendien is het niet alleen water dat meekomt bij onweer maar ook erg veel achtergelaten afval en slib van de hoger gelegen akkers. Dat slib komt ook terecht in de ondergrondse rioleringssystemen en dat zorgt voor extra moeilijkheden. De installatie waarvan ik je enkele foto’s toon is in feite bedoeld om vooral dat slib tegen te houden en moet dus ook regelmatig gereinigd worden.

zicht op Le Mille aan de Ferme de Rond Chêne

Maar als ik zie dat de hellingen van de omringende akkers overal nog zeker tien meter hoger liggen dan de beekbedding en dan ook zie hoe de akkers geploegd worden denk ik dat de strijd tegen de erosie hier nog lang niet gewonnen is.

De Keiberg

Beauvechain – Tourinnes-La-Grosse. Ik ben op weg van La Chapelle du Rond Chêne naar La Chapelle Saint-Corneille. Ik kies er voor om niet via de lintbebouwing in het gehucht Mille te gaan maar via enkele veldwegen iets noordelijker, de Rue de Stocquoy, Rue(elle) Jules Coisman en de Ruelle Simon dwars door het akkerlandEen deel van dit traject heb ik al beschreven in mijn reportage over de Keiberg en het bosreservaat ‘le Renissart’ (zie de link). Het is een (naar mijn goesting veel te) open akker-landschap dat veel aan aantrekkelijkheid voor mens en dier zou winnen als de boer van de verderop gelegen Ferme des Biches zich zou laten overhalen om groen- en bloemstroken langs het pad aan te leggen, hagen te laten groeien zoals in de oude tijd en rijen bomen zou hebben langs de randen van zijn grote percelen met hier en daar een echte hoogstamboomgaard. Ik vind het moeilijk om te begrijpen waarom moderne bedrijfsgerichte boeren van nu zoals op deze plek dat niet doen want het gaat om de aanleg van zogenoemde ‘kleine landschapselementen’ en je hoeft er zelfs helemaal niet je grootschalige aanpak voor te wijzigen naar kleinschalige biologische landbouw. Voor aanleg en onderhoud krijg je premies (nog afgezien dat er tegenwoordig heel wat natuurorganisaties zijn met vrijwilligers om een handje toe te steken). Ik vrees dat het gebruik van grote hoeveelheden insecten- en onkruidverdelgers op dit plateau wel nogal zware gevolgen heeft voor de waterkwaliteit van het kleine riviertje Le Mille waarover ik het gisteren heb gehad.

een bloempje op de Keiberg

Zeldzame planten kom je hier niet tegen maar gelukkig wel hier en daar bloempjes die erg goed tegen grote hoeveelheden stikstof kunnen en zelfs als bemesters worden gezaaid. Reeën zie je wel uit de verte (nooit dichtbij want daarvoor wordt er teveel gejaagd) maar hazen zie ik nooit meer in deze omgeving, die worden systematisch afgeschoten. Zwarte kraaien zie je hier massaal en in de zomer kan je veldleeuweriken spotten. Veel andere soorten zie ik hier niet. Mais, suikerbieten en andere veevoedergewassen zijn toonaangevend naast aardappelen en af en toe vlas. Dat laatste kleurt de akkers tijdens de bloei wel heel mooi blauw. In mijn Keiberg-reportage vertel ik ook over onze voorouders die hier woonden en werkten in het stenen tijdperk en over de meteoriet die in 1863 in deze omgeving ergens ‘op de straatstenen’ is ingeslagen. Het ging om een brok van 14,5 kilo en dat moet een flinke knal gegeven hebben. Het waren echter niet die van de Rue de Culot maar van de Chemin de Ramiers een beetje verderop richting Beauvechain.

La Chapelle Saint-Corneille

La Chapelle Saint Corneille staat op het grondgebied van Beauvechain. Maar als je niet door de mand wil vallen als vreemdeling moet je wel weten dat de mooie holle weg ‘La Ruelle de la Chapelle Saint-Cornélis’ behoort tot het gehucht Mille. Neem de kaart er even bij en dan zie je dat je er als voetganger komt vanaf het domein Valduc in Hamme-Mille of vanuit het Meerdaalwoud langs de Milsebaan langs de Ferme des Biches. Lang voor de bouw van de kapel moet hier in de Romeinse tijd de weg naar Tienen gelopen hebben die in het Meerdaalwoud bekend staat als de ‘Tiense Groef’ maar daar zie je nu niets meer van.

Mille – La Chapelle Saint-Corneille

De Milsebaan is ook zeer oud. Die gaat dwars door het Meerdaalwoud en dan langs het kerkhof en de kerk van Blanden richting Leuven waar je hem opnieuw tegenkomt als holle weg ter hoogte van het Parkveld. Langs deze weg gingen de edelen, de kooplieden en de pelgrims. Hij is een belangrijke verbinding totdat in 1757 de steenweg tussen Namen en Leuven wordt aangelegd. De kapel wordt in 1460 gebouwd door Heer Willem van Bierbeek en zijn echtgenote Elisabeth de Berchimont en is sindsdien meermaals gerenoveerd. Op de Villaretkaart van 1745 zie je hem staan maar de naam zie ik pas op de op de kaart Vandermaelen van 1854. Hij staat op de kruising met de Rue Jules Coisman (gefusilleerd vrijheidstrijder) en is gewijd aan de heilige Cornelis die het tot Paus bracht maar toch in de woelige tijden van toen in 253 aan zijn einde kwam door onthoofding of ontbering. Cornelius betekent ‘zo sterk als een hoorn’ en op het platteland wordt hij vereerd als de beschermheilige voor de grote en kleine dieren met horens maar ook tegen epilepsie (de Corneliusziekte), krampen en zenuw- en oorkwalen. In Brabant noemt de volksmond hem ook Sint Knillis en zijn gedenkdag is op 16 september. Elk jaar gaat in Mille op initiatief van alle omliggende parochies op de 4de zondag na Pasen een kleurrijke processie uit om Sint Corneille te vieren en op andere zondagen worden de deuren geopend zodat je de binnenzijde kunt bewonderen. De keramiekwerken in de kapel zijn duidelijk van de hand van eigentijds devoot kunstenaar Max van der Linden. Sinds 1990 is de kapel beschermd als monument. Aan de kapel kan je onder een enorme linde op een bankje je dagelijkse beslommeringen even opzij zetten. Of die linde ook beschermd is weet ik niet maar ik hoop van wel.

Beauvechain – Mille – Chapelle St-Corneille

Hof Ter Cammen

De gemeente Beauvechain is bekend om zijn mooie oude Brabantse vierkantshoeves. De bekendste en grootste daarvan zijn la Ferme de Grayette en de Ferme de Wahenges maar er zijn er veel meer tot in het centrum van het dorp en de verschillende deelgemeenten zoals Tourinnes-la-Grosse en Nodebais. Hoeveel er zijn in Hamme-Mille zou ik niet precies weten (wie helpt?). Een ervan staat recht tegenover la Chapelle Saint Corneille: het Hof ter Cammen. In het erfgoeddossier lees ik dat de hoeve gebouwd wordt in 1665 en dat er in 17de en 18de eeuw belangrijke verbouwingen zijn geweest. Wie hem gebouwd heeft wordt niet vermeld en over de eigenaar(s) vind ik ook niets. Het was een pachthoeve (métairie) maar waarom hij zo heet blijft duister. Werd er bier gebrouwen (het woord ‘Cammen’ wijst daarop), werd er vlas ‘gekamd’ of heeft het te maken met de manier van bouwen van de topgevel in het schuurdak (een houten ‘kamstructuur’ opgevuld met kalk)? Wie er meer over weet mag het graag zeggen. Sinds het jaar 2000 (?) is de hoeve ‘inscrit comme monument’ op de Waalse inventaris van waardenvol bouwkundig erfgoed. Maar terwijl la Chapelle Saint Corneille in  zeer goede staat verkeert is de boerderij er uiterst slecht aan toe. Blijkbaar waren de gebouwen in de 17de en 18de eeuw nog helemaal in orde en zelfs op een oude foto van 1981 ziet het hoofdgebouw er nog in redelijk goede staat uit. Ik heb lang gedacht dat er niemand meer woont maar dat is blijkbaar nog wel het geval. De troosteloze staat van de hoeve getuigt van de noodzaak om na bescherming als monument ook toe te zien op restauratie en daarvoor ook de nodige publieke middelen te verschaffen. Op een foto die ik vijf jaar geleden nam zie je dat het dak van de schuur naar beneden hangt en diezelfde foto kan je vandaag ook nemen, zij het dat alles nog verder vervallen is.

Mille – Hof Ter Cammen – de binnenkoer met de oude pomp en mesthoopplek

Daar staat tegenover dat je nog kan zien dat in vroeger tijden de mesthoop en de drinkwaterput en pomp op dergelijke hoeves zich gebroederlijk naast elkaar op de binnenplaats bevonden. Die schilderachtige maar niet erg gezonde toestand wordt meestal na eigentijdse restauratie al dan niet decoratief weggewerkt door de nieuwe eigenaars-van-nu (niet-boeren) die liever geen onhygiënische toestanden recht aan hun voordeur hebben. Van de traditionele notelaar die op dergelijke plekken werd geplant om de insecten weg te houden is op deze plek dan weer niets meer te bespeuren. Ik pleit ervoor dat de diensten verantwoordelijk voor de erfgoedbescherming wat meer initiatief zouden tonen om te vermijden dat Hof ter Cammen binnenkort alleen nog op foto’s te zien is. Misschien kan de gemeente er ook eens wat aandacht aan besteden? het zou toch wel leuk zijn als hoeve en kapel samen voor de komende generaties bewaard blijven en eventueel zelfs met een gezamenlijke bestemming. Wie heeft een oplossing?

Le moulin Crèvecoeur – Wuyts

Ik kom toe aan het laatste aandachtspunt in deze luswandeling in Tourinnes-la-Grosse en zoals beloofd gaat deze over de voormalige watermolen Crèvecoeur (Wuyts) op de kruising tussen de Rue de Grand Brou en Rue du Moulin juist aan de ingang van het dorp vanuit Hamme-Mille. Vanaf  het pleintje met de kasseien en op de Open Streep Map is de tot een smalle goot gekanaliseerde Le Ruisseau de la Néthen nauwelijks meer te zien maar dat is wel nog het geval op de NGI-kaart van 1989.

Tourinnes-la-Grosse – Moulin Wuyts

De molen zelf zie ik voor de eerste keer aangeduid op de Villaretkaart van 1745 dus die kan best heel veel ouder zijn. In de databank van Molenechos wordt hij beschreven als een bovenslagrad watermolen om koren te malen en dat betekent dat er in die tijd ter plekke een groot verval moet zijn geweest wat je op de oude kaart kan vermoeden omdat stroomopwaarts La Néthen dan al rechtgelegd is om te kunnen stuwen terwijl de beek stroomafwaarts nog in vele kronkels verder stroomt. In 1884 en 1901 werd hij nog flink vergroot. In 1907 kwam er een petroleummotor gevolgd door een armgasmoter (‘gaz pauvre’) in 1920 maar in die tijd werd er ook nog gemalen met waterkracht. Waarom hij de naam draagt van ‘moulin Crèvecoeur’ weet ik niet want bij de eigenaars-molenaars vanaf 1834 vind ik alleen de naam van de plaatselijke familie Maisin en Wuyts. Hubert Joseph Napoléon Wuyts-Sallets – molenaar te Haasrode – koopt de molen in 1932 en ik denk dat Joseph Evarist Anastasia Wuyts-Steeno vanaf 1950 de laatste molenaar was want hij wordt aangeduid als ‘molenaar te Tourinnes-la-Grosse’. Wanneer hij er mee opgehouden is weet ik niet maar sindsdien is het bovenslagrad en binnenwerk verwijderd en het grote bakstenen gebouw omgebouwd tot privéwoning met verscheidene appartementen. Als je het weet herken je het gebouw wel als een voormalige molen maar ik moet eerlijk toegeven dat ik er al vele jaren passeer en maar pas sinds kort weet dat het vroeger een molen was en wel dankzij Els Coremans, telg van een bekende molenaarsfamilie (Vertessens) die in het verleden goed bevriend was en nog is met de familie Wuyts en we samen eens een kijkje zijn gaan nemen. Dankzij een heel oude maar nog springlevende en heel vriendelijke dame in het huis tegenover de molen weten we nu dat ‘Wuyts’ in Tourinnes-La-Grosse wordt uitgesproken als ‘Wiets’ en dat hij als zodanig nog leeft in de herinnering.

Tourinnes-la-Grosse – Moulin Wuyts

Met Els ga ik binnenkort nog andere molens bezoeken je gaat er nog van horen. Le Ruisseau de la Néthen is maar heel kleine beek. Ik heb even geteld hoeveel watermolens er gebouwd zijn en ik kom tot zes (!): Sint-Joris Weert (Molens Vanden Bempt), Néthen (domein Savenel), Hamme-Mille (Les Claines), Hamme-Mille (Valduc), Tourinnes-la-Grosse (Crèvecoeur-Wuyts) en Beauvechain (Moulin de Robermont). Ze zijn er nog allemaal maar alleen die in Sint Joris Weert is nog in bedrijf. In die van Valduc zijn alle installaties er nog maar de nieuwe eigenaar houdt niet van bezoekers op zijn domein en heeft alles ferm afgesloten wat ik helemaal niet meer van deze tijd vind. De molen in Tourinnes is niet echt beschermd maar hij staat wel ‘inscrit comme monument’ in de Waalse inventaris van het waardenvol bouwkundig erfgoed. Einde van het verhaal op deze tocht.

+++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/recherche/recherche (Place Saint Martin, Rue de la Bruyère Saint-Martin, Rue de La Haye – Tourinnes-la-Grosse)

+++

http://tourinnes-lotissement.org/ NON au lotissement à côté de l’église de Tourinnes-la-Grosse tourinnes-lotissement.org (Réagissez au permis d’urbanisation introduit pour un lotissement de 17 maisons dans le coeur du village de Tourinnes-la-Grosse)!

Tourinnes-la-Grosse – L’Eglise Saint Martin in kerststemming

+++

Over de Eglise St.Martin’ met een beschrijving van het interieur:

Inventaire du patrimoine culturel immobilier

spw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/…/25005-INV-0060-02

+++

Saint-Martin : https://nl.wikipedia.org/wiki/Martinus_van_Tours

+++

Max van der Linden – Fêtes de la Saint-Martin tourinnes.be/oeuvres-max-van-der-linden-nl/?lang=nl

+++

http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/fiche/index?sortCol=2&sortDir=asc&start=0&nbElemPage=10&filtre=&codeInt=25005-INV-0126-02 (pomp)

+++

Tourinnes-la-Grosse – het dorpsplein

http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/fiche/index?sortCol=2&sortDir=asc&start=0&nbElemPage=10&filtre=&codeInt=25005-INV-0062-02 (Parochiaal centrum, Place Saint-Martin 1)

+++

http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/fiche/index?sortCol=2&sortDir=asc&start=0&nbElemPage=10&filtre=&codeInt=25005-INV-0180-01 (doktershuis Duchesne)

+++

http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/fiche/index?sortCol=2&sortDir=asc&start=0&nbElemPage=10&filtre=&codeInt=25005-INV-0181-01

(Rue de la Bruyère Saint-Martin 25)

+++

http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/fiche/index?sortCol=2&sortDir=asc&start=0&nbElemPage=10&filtre=&codeInt=25005-INV-0084-02 (ancienne vicairie, Rue de la Bruyère – Saint Martin)

+++

Tourinnes-la-Grosse – zicht op de pastorie

https://nl.wikipedia.org/wiki/Barbara_van_Nicomedi%C3%AB

+++

http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_thema/index.php/dossier/viewpdf/BC_PAT/25005-CLT-0004-01/?printpdf=true (la Chapelle du Rond Chêne)

+++

http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/fiche/index?sortCol=2&sortDir=asc&start=0&nbElemPage=10&filtre=&codeInt=25005-INV-0061-02 (la Chapelle du Rond Chêne)

+++

http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_thema/index.php/dossier/viewpdf/BC_PAT/25005-CLT-0004-01/?printpdf=true (la Chapelle du Rond Chêne)

+++

la Chapelle du Rond Chêne met de hond Lara

Pieter Evers

(intérieur de la Chapelle du Rond Chêne)

+++

+++

https://www.tijd.be/dossiers/nergens-zonder-weg/nergens-zonder-weg-in-tourinnes-la-grosse/10232185.html (ferme Evrard)

+++

La Nethen – Protégeons notre rivière ! www.crdg.eu 

+++

De Mille op de grens tussen (Hamme)Mille en Tourinnes-la-Grosse

Expropriations contre les inondations – La Libre www.lalibre.be › Régions › Brabant

+++

«Marre d’être inondés depuis vingt ans» (Beauvechain) www.lavenir.net › cnt › marre-d-etr..

+++

Beauvechain Le deuxième des trois bassins d’orage … www.lesoir.be › art › beauvechain-l…

+++

Beauvechain : “On en a marre des inondations” – DH Les … www.dhnet.be › … › Brabant wallon

+++

Mille – Hof Ter Cammen

COMMUNE DE BEAUVECHAIN www.beauvechain.be › form_pcdn_bilan_actions

+++

BEAUVECHAIN Enquête publique à Hamme-Mille Le bassin … www.lesoir.be › art › beauvechain-e…

+++

Beauvechain : “On en a marre des inondations” – DH Les … www.dhnet.be › … › Brabant wallon

++++

http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/pdf/fiche/25005-INV-0023-02?fbclid=IwAR2mPmzOT1x6xEoOAToHeUpyVA79GRrvjAqO4mM8EQ4RlVUC8Q8jHX712Tw (Chapelle Saint-Corneille)

+++

Mille – la Chapelle Saint Corneille

http://www.hesbayebrabanconne.be/sites/default/files/b2_promenade_dame_et_mlin.pdf

+++

http://walloniebelgietoerisme.be/nl/content/processie-saint-corneille

+++

https://www.destinationbw.be/fr/procession-saint-corneille-hamme-mille-1

+++

http://www.heiligen.net/heiligen/09/16/09-16-0253-cornelius.php

+++

http://spw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/pdf/fiche/25005-INV-0024-02 (hof ter cammen)

+++

Molenechos: https://www.molenechos.org/molen.php?nummer=2153 (moulin Crèvecoeur-Wuyts)

Tourinnes-la-Grosse – Le Moulin Wuyts

+++

http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/fiche/index?sortCol=2&sortDir=asc&start=0&nbElemPage=10&filtre=&codeInt=25005-INV-0194-01 (moulin Crèvecoeur-Wuyts)

+++

https://opstapinhetlandvandedijleendedemer.home.blog/2020/12/13/verkenning-over-de-keiberg-ten-zuiden-van-het-meerdaalwoud-mollendaalbos-van-la-chapelle-du-rond-chene-in-tourinnes-naar-het-bosreservaat-le-renissart-en-dan-terug-via-brise-tout-de-rachierhoeve-en-d/ +++ https://www.lpi.usra.edu/meteor/metbull.php?code=24038&fbclid=IwAR0fHkkcGz77fX2cWzoucM5zemw_csVq1jyQiZmdK0MDHe9kQb_VYpecf1w

trefwoorden :

beauvechain, tourinnes, chapelle du rond chêne, chapelle saint-corneille,  saint-martin, bierbeek, waterwandeling, brunerode, église, max van der linden, nodebais, chapelle gosin, keramiek, keiberg, mille, culot, hof ter cammen, moulin wuyts, crèvecoeur, evrard,

Tourinnes-la-Grosse – de lammeren worden al groot

LOVENJOEL – HET GROOT PARK SALVE MATER MET WHITEHOUSE EN HET KLEIN PARK AVE REGINA

Voorjaar 2021

Ernst Gülcher

Contact: ernst.guelcher (at) telenet.be

Lovenjoel – Whitehouse met sneeuwklokjes

Sla naar rechts af vanaf de Tiensesteenweg uit de richting Leuven ter hoogte van Lovenjoel (Bierbeek) en dan sta je enkele honderden meters verder bij de Sint Lambertus kerk aan de ingang van het vroegere domein van de familie de Spoelberch. Drie jaar geleden maakte ik hier al eens een reportage over maar nu de sneeuwklokjes in bloei staan kom ik terug. De smeedijzeren wapenschilden en andere delen van de poort aan de ingang van de dreef naar het landhuis zijn zo’n twintig jaar geleden gestolen, of de poort er zelf nog is weet ik eigenlijk niet (wie wel?),  maar de Molenbeek stroomt nog altijd in het midden van het ‘Groot Park’ zoals dat al eeuwen het geval is. Aan de rechterkant staat een hele verzameling massieve gebouwen met een torentje dat er boven uitsteekt. In 1915 schonken de erfgenamen van de adellijke familie heel dit gebied van 35 hectare aan de Katholieke Universiteit Leuven. Die verpachtte het aan de Zusters van Liefde van Gent om er de psychiatrische kliniek Salve Mater op te bouwen. De eerste gebouwen van die toen ultramoderne kliniek werd in 1927 plechtig geopend door koningin Elisabeth. Na een bewogen bestaan waarin sinds de jaren 1980 het park langzaam in verval raakt, verlaten de laatste patiënten de kliniek in 2007 en sindsdien staan de gebouwen lang grotendeels leeg (maar nooit helemaal!). In 2004 wordt maakt de universiteit duidelijk dat zij de zorg voor het domein wenst af te staan en na veel discussie wordt het park in delen opgesplitst om te verkopen. Het gebouwencomplex wordt sindsdien omgebouwd tot een residentieel park met appartementen en enkele kantoren en na jaren verbouwen is een en ander opgeleverd en in gebruik.

Lovenjoel – Groot Park – Salve Mater

Onder het torentje van de kerk van het vroegere klooster moet er nu een gedeeld privé-zwembad zijn voor de bewoners die blijkbaar met grote belangstelling intekenden op het renovatieproject. Het vallei-deel naast de Molenbeek komt rond de eeuwwisseling voor een klein deel in het bezit van Natuurpunt en voor een veel groter gedeelte – waarin ook het 18de eeuwse landhuis – in handen van Leuvenaar Bert Verlinden en zijn echtgenote Elly Kog. In 1994 is heel het Groot Park samen met het nabijgelegen kloosterpark van Ave Regina beschermd als dorpsgezicht en cultuur-historisch landschap. Dankzij die bescherming,  maar vooral door de natuurbelangstelling van de nieuwe beheerders zijn de natuurwaarden van dit stukje vallei bewaard gebleven  samen met het (gespaarde) gedeelte van de) verzameling monumentale bomen die de familie de Spoelberch in hun tijd liet aanplanten.

Hier en daar in het Groot Park van Salve Mater in Lovenjoel kom je pijlen tegen naar het ‘Whitehouse’ maar eigenlijk kun je het sneeuwwitte gebouw niet missen want het hele park is zo aangelegd dat je vanuit het in 1750 gebouwde landhuis ‘van Plaisanterie’ alles kunt zien. Sinds 1999 is deze voormalige buitenresidentie van de familie De Spoelberch een prachtig gerestaureerde privéwoning maar sinds 2014 ook een in heel Leuven en omstreken bekende kunstgalerij.

Lovenjoel – Groot Park – Salve Mater

Dankzij de toegewijde eigenaars is het park publiek toegankelijk op voorwaarde dat bezoekers niet al te dicht bij de woning komen, op de paadjes blijven en de bomen met rust laten. De oevers van de beek – natte lemige gronden en een aantal kalkminnende venige bronzones – zijn waarschijnlijk een tijdlang parkgazons geweest maar worden thans als soorten- en bloemrijke hooilanden beheerd zoals in de oude tijd. De bomen zijn al vele tientallen jaren beroemd. Zowel Jan-Hendrik-Jozef de Spoelberch (1766-18­38) als zijn zoon Maximiliaan-Antoon-Theodoor (1802-1873) hadden grote belangstell­ing voor dendrologie. In de loop van de 19de eeuw werden talrijke, vaak zeldzame soorten en variëteiten aangeplant, een collectievorming die tot circa 1870 intensief werd voortgezet. In 1894 wordt in het Bulletin de la Société Centrale Forestière de Belgique een gewone moerascipres (Taxodium distichum) vermeld, toen al met een stamom­trek van 308 centimeter. Die boom bevindt zich nu nog vlakbij het kasteel en de omtrek is ondanks een recente blikseminslag aangegroeid tot 463 centimeter. In die tijd worden 350 soorten ‘houtachtigen’ geteld waarvan er in 1990 nog 120 over zijn. Het Groot Park van Lovenjoel mag beschouwd worden als een van de belangrijkste dendrologische collecties van België. Op mijn foto’s van mei 2017 zie ik dat ik hier in een later seizoen moet zijn om de volle pracht van die bomen te kunnen bewonderen. Wel denk ik  dat er in de afgelopen jaren toch enkele gesneuveld zijn want er liggen boomstammen, al dan niet in stukken gezaagd. Bomen hebben van nature wel een lang leven maar toch niet voor de eeuwigheid en dus moet je er regelmatig nieuwe aanplanten.

Lovenjoel – Salve Mater – Groot Park – een monumentale beuk

Behalve enkele vazen en een ijskelder met paviljoentje trekt vooral de rond 1836 door plaatselijk smid Van Schoonbeeck vervaardigde ‘Chinese’ boogbrug over de Molenbeek de aandacht. Het is een zeer fotogeniek roestig geval dat volgens het erfgoeddossier ooit gerestaureerd zal worden maar voorlopig waag je je er beter niet op denk ik want elke stap kan er een teveel zijn. Over de betekenis van die bruggen heb ik een romantisch Chinees sprookje gevonden en dat gaat als volgt. 

De Chinese brug in het Groot Park in Lovenjoel is daar in opdracht van de kasteelheer van toen, naar ik aanneem Burggraaf Maximiliaan-Antoon-Theodoor  De Spoelberch gezet rond 1836 door plaatselijk smid Van Schoonbeeck. Zo’n brug was toen de mode die tijd in van die deftige parken en je vindt ze nog op veel plaatsen waar een beetje romantiek in de lucht hangt. In afwachting van restauratie mag je de fotogenieke maar sterk geroeste brug niet betreden en zul je het moeten doen met het Chinees sprookje over de koeherder en het weefstertje dat ik op het internet vond op een Nederlandse website (zie de link). Lang geleden dwaalde een arme herder met zijn kudde rond in een verafgelegen dal aan een bergrivier. Terwijl hij onder een dikke boom uitrustte hoorde hij stemmen van lieftallige meisjes die in de rivier aan het baden waren. Hij ging er op af en kon het niet laten om de kleren van een van de meisjes te pikken en zich daarmee achter een boom te verstoppen. Wat hij niet wist was dat hij aan het loeren was naar de zeven bloedmooie dochters van de Jadekeizer, de Heerser van de hemelen en dat hij zich meester had gemaakt van het gewaad van de jongste van de zusters die beroemd was om haar weefkunst van wolkenbrokaat voor haar vader.

Lovenjoel Groot Park – chinese brug

Na hun bad kleedden de prinsessen zich weer aan behalve de jongste want die vond haar kleren niet meer terug. Tenslotte zat ze wenend aan het water. Toen kwam de herder tevoorschijn en gaf de kleren terug op voorwaarde dat zij met hem zou trouwen. Heel netjes was die handelwijze niet maar in die tijd was in de liefde blijkbaar nog alles geoorloofd. Het weefmeisje kon niet anders dan toestemmen. De bruiloft vond  plaats en ze werden zowaar allebei heel erg gelukkig. In hun geluk vergat de herder echter om nog aan zijn koeien te denken en de prinses raakte haar weefstoel helemaal niet meer aan. Ze speelden de hele dag alleen nog maar met elkaar. Dat ging dus mis want vanuit de hemel had vader Jadekeizer alles zien gebeuren en in zijn misnoegdheid zond hij een bode naar de prinses met de opdracht voor de levering van wolkenbrokaat. Omdat zijn wens niet werd opgevolgd zette hij het bruidspaar aan de hemelse rivier met de herder aan de ene kant en het weefstertje aan de andere oever. Door de breedte van het water konden ze elkaar niet meer zien, laat staan dat ze ooit nog bij elkaar zouden kunnen komen. Hun verdriet was zo groot dat de eksters medelijden met het echtpaar kregen. Op de zevende dag van de zevende maand kwamen ze allemaal aangevlogen, legden hun vleugels over elkaar en vormden zo een lange boogbrug over de hemelse rivier. Over deze brug konden de koeherder en het weefstertje naar elkaar toekomen voor een ontmoeting halverwege op het hoogste punt: “vanaf dat moment herhaalt zich elk jaar op de avond van de zevende dag van de zevende maand hetzelfde tafereel: de eksters vormen een brug voor het liefdespaar. Op warme zomeravonden zien we aan de hemel nog de Melkweg met de hemelse rivier; aan de éne kant de koeherder en aan de andere het weefstertje.” Nu weet je waarom zo’n brug ook ‘Eksterbrug’ genoemd wordt.

Lovenjoel – Groot Park Salve Mater – de Chinese brug over de Molenbeek

Wikipedia: ‘Hoewel eksters bijna altijd als slecht worden gezien in Europa, worden de vogels in Korea aanzien als de vogel van voorspoed, een brenger van een zekere toekomst en een voorteken van geluk. Ook in China is de ekster een teken van een goed lot’. Ik hou wel van eksters. Overigens vind je deze bruggen ook in Japan.

Aan de lage en enigszins uitgeholde vorm van het landschap met een “eilandje” met een beuk er op, maar ook aan de vegetatie (riet) kan je vermoeden dat er aan de Molenbeek in het Groot Park in het verleden een vijver moet zijn geweest. Dat wordt bevestigd door de Ferrariskaart van ca 1775 (blad 112, Hougarde). Je ziet daar één grote vijver rechts van het dan gloednieuwe ‘Chateau de Sp(o)elberg, nog twee kleine vijvers er juist boven en nog enkele gebouwen zoals een hoeve een watermolen. De vijvers en de hoeve zijn er niet meer maar de molen staat er nog altijd en is zelfs in 1994 als monument beschermd onder de naam Heystmolen. Vande watermolen van Lovenjoel is al sprake in 1354. In 1747 kwam hij in het bezit van de familie de Spoelberch. Het huidige molenhuis draagt het jaartal 1749 en dat is dus waarschijnlijk het jaar waarin het gebouwd werd. De molen kwam daarna in handen van achtereenvolgens de Zusters van Liefde en de KUL. De molen bleef in bedrijf tot in 1896 om graan en boekweit te malen. Bijna een eeuw later werd hij in 1989 als bijna-bouwval verkocht aan een privépersoon die het geheel renoveerde tot woning. Als je niet weet dat dit ooit een molen was kun je het nauwelijks zien want alle inrichting en bovenslagraderen zijn verwijderd en ook de aftakking van de Molenbeek naar de molenvijver is verdwenen. Hierna steek ik over naar het ‘Klein Park’.

Jovenjoel – Groot Park Salve Mater – de oude Heystwatermolen

Vanaf het Groot Park en de kerk van Lovenjoel zie je er niets van vanwege de grote gebouwen die er voor staan maar daarachter ligt richting Tiense Steenweg nog een tamelijk groot parkgebied met de naam ‘Klein Park’. In het erfgoeddossier lees ik dat vandaag het park gedomineerd wordt ‘door het Medisch Pedagogisch Instituut Ave Regina, gelegen tussen het Hof ten Poele, later Felixhof, en de dorpskerk. Net voor de Tweede Wereldoorlog werd gestart met de bouw ervan. De instelling is uitgegroeid tot een zorg- en begeleidingscentrum voor jongeren en volwassenen. De centrale toegangsweg van de instelling loopt uit op het U-vormige Felixhof, gelegen ten oosten van de instelling.’ De familie Spoelberch kocht het dorp Lovenjoel in 1649 en hun domein strekte zich uit over het Groot Park, het Klein Park en de kerk er tussenin. In die tijd bestaat dat Klein Park met een oppervlakte van 11 hectare nog uit akkers en hooilanden en het kasteel was nog een van de vierkantshoeve Hof ten Poele afstammend landhuis met de naam ‘Château de Lovenjoul’ met een dreef naar de huidige Tiensesteenweg.  Nogmaals het erfgoeddossier: ‘Op het einde van de 18de eeuw was de aanleg zelf beperkt tot de omgeving van het kasteel: er was toen een moestuin, een grote en een kleine vijver en een boomgaard; een kleine laan verbond het kasteel met de kerk. Het park werd pas aangelegd in de periode 1807-1810  in een vroege landschappelijke stijl met een tot vijvers opgestuwde beek; een cascade met waterspuwers is nog aanwezig. Omstreeks 1860 liet de toenmalige eigenaar Felix Xavier de Spoelberch (1808-1868) belangrijke aanplantingen uitvoeren waarvan diverse oude en zeldzame bomen bleven bewaard. Ook de groentekelder die bewaard bleef ten zuidoosten van het kasteel zou gebouwd zijn door Felix de Spoelberch.

Lovenjoel – Klein Park – Felixhof

 Hij was de broer van Maximiliaan de Spoelberch, die op dat ogenblik eigenaar was van het Groot Park. Een laatste fase in de aanleg van het park dateert uit het einde van de 19de eeuw, toen het bezit was van Karel de Spoelberch; ook hij liet een generatie parkbomen aanplanten; de meest opmerkelijke realisatie uit die periode is echter de beplanting van de huidige Dreef met zwarte walnotelaars.’ Wie het park zoals ik voor een eerste keer bezoekt zal merken dat van die mooie beschrijving tegenwoordig nog nauwelijks iets te zien is. Na de nog wel statige voorhof van het kasteel wandel je langs smalle paadjes door een best wel mooi boslandschap waar behalve de Molenbeek nog wel enkele natte plekken zijn maar een vijver zal je er tevergeefs zoeken. Het kan zijn dat op moerassige plekken in het voorjaar heel wat voorjaarsbloeiers te zien zijn maar als geheel is het park vooral een vrolijk speelbos geworden met hutten en andere zelfgebouwde constructies. Wel staan er veel sneeuwklokjes in bloei. Of er nog zeldzame bomen zijn kan ik in dit seizoen niet goed zien maar er liggen wel veel dikke stammen tegen de grond.

Het fijne van het Klein Park – Ave Regina in Lovenjoel is natuurlijk dat anders dan veel voormalige kasteelparken het publiek toegankelijk is en bovendien erg rustig, ik denk vooral omdat het voor passanten niet zo duidelijk is dat er achter de grote gebouwen van het instituut en het kasteel nog een plezierige natuur-omgeving is. In het park zelf hoor je wel het geluid van de veel te drukke Tiensesteenweg die er vlak aan de noordkant langsgaat. Op de kaart zie ik dat je zonder problemen kunt doorsteken naar het Koebos van Natuurpunt aan de andere kant van de baan.

Lovenjoel – Klein Park

Aan de zuidkant zou je de Kerselarenlaan moeten kunnen oversteken om in het Bruulbos te komen maar blijkbaar gaat dat niet omdat er een pad afgesloten is en moet je eerst een eind langs de drukke baan stappen wat ik minder interessant vind. Het park is als erfgoedlandschap beschermd sinds 2004 en wordt naar ik begrijp beheerd door de eigenaars want op een bordje staat dat Ave Regina VZW de ‘verantwoordelijke uitbater’ is. Of er een beheerplan is weet ik nog niet maar kennelijk is het niet de bedoeling om het erfgoedkarakter te bewaren of in ere te herstellen. In de tijd van de familie Spoelberch zijn er heel wat bijzondere bomen aangeplant. In 1991 waren er daarvan nog een hele reeks over (zie het erfgoeddossier en de studie van Roger Deneef) waaronder een mammoetboom, een plataan, een varenbeuk, verschillende soorten beuken, een ginkgo biloba en een bonte Engelse iep maar of die er nu nog zijn heb ik nog niet kunnen ontdekken. In tegenstelling tot het Groot Park is in het Klein Park in de vorige eeuw heel wat productiebos aangelegd met Amerikaanse eiken en naaldhout. Voor de bouw van het instituut is overwogen om het neer te zetten in het park zelf. Uiteindelijk is het aan de voorkant van het kasteel Felixhof gebouwd maar om het laag gelegen terrein bouwrijp te maken zijn wel grote hoeveelheden bouwpuin aangevoerd. In 1955 werd op voorstel van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen een rij van majestueuze rode beuken ‘één der mooiste beukencomplexen van het land’ langs de Stationsstraat beschermd maar een halve eeuw later zijn ze bijna allemaal verdwenen door aantasting van de reuzenzwam.

Lovenjoel – Klein Park – Felixhof

Ik lees in het erfgoeddossier dat er een en ander aan monumentaal  ‘tuinmeubilair’ geweest moet zijn, onder meer ‘een dubbele ardui­nen drempel geflankeerd door twee stèles met elk twee waterspuwende bronzen leeuwenkoppen, een medaillon met een sierlijk bas-reliëf van brons of terra­cotta en een boogvor­mige opening onderaan’ aan de overstort van de vijver naar de Molenbeek. Daarvan zou nog het een en ander moeten over zijn maar door het gebruik van beton in onze tijd ‘zijn de oorspronkelijke vormen en materialen niet meer zichtbaar’. In het park is de enige brug over de Molenbeek die ik gezien heb een betonnen plaat die niets romantisch heeft. Als ik de houten boswachter was van wie er een beeld in het bos staat bij het ontmoetingsbord zou ik toch er voor pleiten om in de komen jaren de verwaarlozing stop te zetten en naast het aanbrengen van educatieve natuurelementen de erfgoedwaarden van het park te herwaarderen. Zo moeilijk kan dat nu toch ook weer niet zijn zou ik denken.

+++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

Over het Groot Park:

https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/300760

+++

https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/127005

+++

http://www.thewhitehousegallery.be

+++

https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/200196

(de Heystmolen)

+++

Roger Deneef ea – Historische tuinen en parken van Vlaanderen – Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap – Brussel 2004 (ISBN 90-403-0196-4) – p.67-76

Lovenjoel – Salve Mater – Groot Park – ingang van de the white house gallery – merk op het kunstobject op rechts …

Over het Klein Park:

+++

https://inventaris.onroerenderfgoed.be/themas/16557

+++

https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/300774

+++

https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/215123

+++

DENEEF R. (redactie) 2004: Historische tuinen en parken van Vlaanderen, Bierbeek, Boutersem, Glabbeek, Oud-Heverlee, M&L Cahier 9, 76-83.

Lovenjoel – Klein Park – Molenbeek

Een Chinees ekstersprookje:

http://www.ekstersenzo.nl/cultuur_sprookjes-china/

Chinees sprookje

De koeherder en het weefstertje
(Chinees sprookje, vertaald uit het Engels/Duits door Peter van Nies)

+++

https://nl.dreamstime.com/redactionele-fotografie-de-eksterbrug-image54366292

+++

http://www.ekstersenzo.nl/cultuur_sprookjes-china/

Lovenjoel – Groot Park – chinese brug
Lovenjoel – Grot Park – chinese brug

trefwoorden: Lovenjoel, Groot Park Salve Mater, Klein Park Ave Regina, Spoelberch, Whitehouse,  China, eksterbrug, Heyst, watermolen,

OP STAP IN GREZ-DOICEAU – LANGS LE TRAIN NAAR MORSAINT EN BIEZ

april 2021

Ernst Gülcher

contact: ernst.guelcher (at) telenet.be

Gréz-Doiceau – le Train

Gréz-Doiceau vormt samen met Beauvechain een heel mooi wandelgebied juist over de taalgrens aan de zuidkant van het Meerdaalwoud. En als je dan nog verder naar het zuiden gaat kom je in de streek van Chaumont-Gistoux en Jodoigne. Wie in Vlaanderen een beetje genoeg heeft van de drukte en de platgetrappelde paden in onze veel te schaarse natuurgebieden en op zoek is naar een plek om een beetje rustig van de mooie natuur en erfgoed te genieten en ook openstaat voor een ‘bonjour’ en een praatje met de erg vriendelijke bewoners, kan ik heel de streek bijzonder aanbevelen. Zoals overal in Brabant biedt de Toeristische Dienst van Gréz-Doceau een aantal wandeltrajecten aan in het centrum en in de deelgemeenten en in overleg heb ik beloofd om die eens af te stappen om foto’s te nemen en die te voorzien van een beetje meer inhoudelijk commentaar dan dat er nu bijstaat en met telkens een overzichtelijk plannetje om je de weg te wijzen.

Haal de kaart er even bij en dan zie je dat het grondgebied van deze gemeente zo’n 55 km² bestrijkt en sinds de fusie van 1977 naast het centrum bestaat uit de deelgemeenten of gehuchten Néthen, Gastuche, Archennes, Florival, Pécrot, Bossut-Gottechain, Biez, Hèze en Cocrou. Hier en daar sta je boven op het plateau maar meestal ben je op stap in de dalen van de grote en kleine rivieren en beken die allemaal op weg zijn naar La Dyle: Le Train, Le Piétrebais, Le Pisselet, Le Lembais, Le Glabais, Le Ruisseau de Hèze, maar ook Le Ruisseau de La Néthen en La Grande et la Petite Marbaise. De streek is al heel lang ontgonnen door de landbouw maar er is toch nog wel wat bos ten vinden, meestal in handen van adellijke families en om die reden dikwijls nog niet toegankelijk (dikwijls bezet door jagers): Bois de Laurensart, Bois de Beausart, Bois de Bercuit. Maar aan de noordkant sluit de gemeente aan op het Meerdaalwoud dat met uitzondering van het domein van Savenel volledig toegankelijk is.

Gréz-Doiceau – le Piétrebais

Helaas zijn de twee tramlijnen (le vicinal) door de gemeente (lijn Leuven-Jodoigne en Jodoigne-Wavre) verloren gegaan maar in de vallei van La Dyle kom je via de vier treinstations Pécrot, Florival, Archennes en Gastuche onmiddellijk in topnatuurgebied en je hebt dus echt geen auto nodig om daarvan te profiteren. Echte autostrades zijn er hier niet dus dat is ook mooi meegenomen.

Net als in Vlaanderen wordt wel veel nieuwbouw gezet en dikwijls op de mooiste hellingen. Dat veroorzaakt asfaltering van paden, de bouw van sportterreinen, het aanbrengen van schuttingen en anti-inbraakborden (‘les voisins veillent’) en het lawaai van bladblazers, bosmaaiers, maaimachines, heggescharen en kettingzagen maar anderzijds is de tuincultuur in Waals-Brabant een stuk natuurvriendelijker dan aan de andere kant van de taalgrens en het respect voor oude huizen en gevels is best wel groot.

In deze reportage ga ik vanaf de Place Communale in het centrum van Grez-Doiceau langs de Train met een ommetje langs het Château naar het zuiden naar het gehucht Morsaint. Daar steek ik de rivier over en maak de tamelijk steile klim naar ‘de butte’ van Biez met zijn mooie Eglie Saint Martin die je van overal in de omgeving ziet. Daarna daal ik af en steek via een smal paadje tussen de voormalige Moulin de Pir®oir en het Château opnieuw de rivier over terug naar het punt van vertrek. Deze wandeling gaat langs comfortabele paden en is maar zo’n 4 km lang maar er zit dus wel een steil stuk in. Als je dat wilt vermijden kan je ook onderlangs de kerk in Biez de Chemin de Vicinal volgen maar dan mis je de mooie vergezichten.

Grez-Doiceau – Place Communale Ernest Dubois – een monumentale linde

 We vertrekken op la Place Ernest Dubois tussen de Eglise Saint-Georges en de pastorie, beiden geklasseerd als erfgoed-monument. Als er zich iets minder auto’s zouden langs wringen op weg langs de N240 van Waver naar Jodoigne zou je hier best ook heel je vrije dag kunnen doorbrengen want zowat ieder gebouw op dit plein en in de omgeving staat op de Waalse lijst van bouwkundig en cultureel erfgoed en er zijn ook enkele café’s die er gezellig uitzien. Dat dit mooie plein niet al lang parkeervrij (en bordenvrij) gemaakt is vind ik jammer want ik zie op de kaart een publieke parking ietsje verderop. Fietsen doen ze hier kennelijk niet aan want er is er zelfs geen één te zien. Zelfs de monumentale zomerlinde op het plein is door auto’s ingesloten. Hij doet het nochtans goed denk ik maar hij staat niet op de erfgoedlijst. Of hij daar ooit geplant is als ‘vrijheidsboom’ of om welke andere reden kom ik niet te weten maar het lijkt wel eker te zijn dat hij er voor 1930 als een tijd stond.

Het monumentale neoklassieke gemeentehuis op de hoek met de Rue de jodoigne is gebouwd in 1885 met onder meer de plaatselijke ‘calcaire grésieux’. Iets verder op deze wandeling komen we nog een oude steengroeve tegen. De pastorie er naast dateert uit de 18de eeuw en de Romaanse kerk op het plein is in 1782 gebouwd door de Abdij van Valduc in Hamme-Mille als de opvolger van zijn 12de eeuwse voorganger. In de brochure van de toeristische dienst lees ik dat: ‘L’intérieur, mérite l’attention de par son maître-autel, ses stalles du XVIIe siècle, son grand Christ du XIIIe et sa chaire de vérité du XVIIe. Vous pourrez également y admirer une lignée de Sainte Anne gothique, des statues de Saint Roch et de Saint Nicolas (XVIIe) et des céramiques de Max vander Linden ainsi que de très belles boiseries et un banc de communion. Elle fut jadis le centre de pélerinage dédié à Saint Marcoul (tableau et statue)’.

Gréz-Doiceau – L’Eglise Saint-Georges

Het is het de moeite waard om een rondje om de kerk te stappen. Diep beneden je zie je de rivier stromen in een opgemetselde bedding tussen steile grauwe muren van oude nogal haveloze deels begroeide gebouwen.  Volgens de kaart Vander Maelen van 1845 kijk je hier op een molen en een brouwerij. In de directe omgeving staan er nog vier brouwerijen aangeduid. Hoeveel daarvan nog in gebruik is weet ik nog niet, om er meer van te zien moet je aan Rue Lambermont zijn maar je moet wel erg lang zijn om over de omheiningen te kijken. Het prozaische anti-overstromingsmuurtje langs de kade vertelt je dat deze problematiek een wat minder toeristisch hoofdstuk vormt in ons verhaal over Le Train. Ik kom daar nog op terug.

Ik volg even de aanwijzing van de touristische dienst: « Passez devant l’église pour déboucher dans la rue de la Barre et tournez à gauche. Au coin se trouve une maison du XVIIIe  siècle, dite maison espagnole, qui a gardé son aspect d’origine. Dans la rue de la Barre (No 7, 8, 9) se trouvent de belles maisons villageoises du XVIIIe siècle. Juste avant le pont, prenez le chemin à droite qui suit la rivière dit quai Saint Michel. Une allé d’aubépines rend cette partie du parcours très agréable. » Aan de overkant staat nog een bijzonder monumentale boom (zomerlinde) bij een heel mooi statig wit huis (Avenue Compte Jean Dumonceau 1). Even verder staat een al even monumentale treurwilg.

De rivier is op dit stuk helemaal gekanaliseerd hoewel de oevers wel afgeschuind en groen zijn. Het water is helder. Ik lees dat de waterkwaliteit varieert van ‘goed’ tot ‘slecht’ en over het algemeen ‘gemiddeld’ is. Op de door de Contrat-de Rivière-Dyle-Gette gepresenteerde kaartjes kan ik niet zien of en waar er waterzuiveringsstations zijn maar blijkbaar zijn er de laatste jaren wel op een aantal plaatsen  collectoren geplaatst om het rioolwater op te vangen. Sinds de natuurwaarden beter worden beschermd, zwemt er in toenemende mate weer vis in het water zoals donderpad, baars, stekelbaars en –  ondersteund door een programma van herintroductie – ook weer forel. Er wordt dan ook uitgebreid gevist maar zo te zien aan de borden niet zonder vergunning van de plaatselijke visautoriteiten.

Grez-Doiceau – Le Train aan de achterkant van de kerk

Speciaal voor de vissers zijn de autoriteiten in Grez-Doiceau al enkele tientallen jaren geleden begonnen met het aanleggen van rotsachtige ‘drempels’ in de rivier ter hoogte van de aansluiting van de Piétrebais op de Train en sinds 2016 worden die ook op andere stukken aangebracht met de steun van de Provincie Waals-Brabant. Wie goed kijkt zal zien dat de rotsblokken zo zijn geplaatst dat het water aan de oevers vertraagd wordt terwijl de snelstroom midden door de rivier gaat. Daarmee dienen de stenen ook als middel om erosie tegen te gaan en zorgen ze voor zuurstof in het water. Ik vind het mooi gedaan omdat het de rivier een natuurlijker uiterlijk geeft ondanks de rechtgetrokken bedding.  

Le Train in Gréz-Doiceau ziet er uit als een onschuldig riviertje maar als je even op het internet zoekt naar het verband met ‘inondation’ krijg je een waslijst van rampenmeldingen wanneer na een zwaar onweer het water weer eens in de straten staat. Een systematisch overzicht heb ik nog niet gevonden maar het is duidelijk dat na een grote ramp in het jaar 2002 (misschien ook al eerder) tot en met 2020 zowat ieder jaar en dikwijls in de zomer er groot alarm is, dramatische verhalen en foto’s gepubliceerd worden en er maatregelen en plannen worden aangekondigd om toekomstig ongemak te voorkomen.

De stenen drempels in de rivierbedding worden blijkbaar op veel plaatsen gelegd sinds 2016, ik lees dat er ook veel werk gemaakt wordt van het onderhoud van de oevers en het ruimen van slib, afval en bomen en andere obstakels die in de rivier terecht komen. Er wordt ook opgetreden tegen lieden die nog altijd hun brandstoftanks en andere vuiligheden op de rivier lozen. Daarnaast worden telkens plannen voorgesteld om opvangbekkens aan te leggen op laag gelegen plekken maar die vergen zeer grote investeringen, houden al te dikwijls geen rekening met de natuur-ecologische opvattingen van deze tijd, geven geen garantie op voldoende werking en stuiten op groot verzet van de plaatselijke bevolking, zowel natuurliefhebbers als boeren. Is dit een probleem van onze tijd of was het er al in de middeleeuwen? In de historische databank van Echarp (Tarliers en Wauters) vind ik er niets over en oudere mensen vertellen dat in hun tijd er geen overstromingen waren.

Le Train – niet altijd kalm en onschuldig

Op de Villaret-kaart van 1745 zie je Le Train en al zijn zijrivieren in talloze kronkels door de vallei gaan. Alleen op plekken waar er molens zijn is de waterloop stroomopwaarts over een korte afstand rechtgetrokken om te kunnen stuwen. Honderd jaar later is die toestand op de kaart Van Der Maelen nog altijd zo. De kronkels vertragen de stroomsnelheid en als het debiet toch te groot werd kon het teveel over de weiden en de moerassen in de vallei wegvloeien zolang dit nodig was. Op eigentijdse kaarten zie ik nog wel kronkels maar er zijn ook op veel plaatsen verdwenen doordat de bedding rechtgetrokken is, hetzij om het land te kunnen bewerken, hetzij om huizen te bouwen en wegen aan te leggen. Dit is bijvoorbeeld het geval ter hoogte van Bonlez, juist ten zuiden van het centrum van Gréz-Doiceau. Ook op de Piétrebais hebben veel kronkels plaatsgemaakt voor woningen en wegen. De Piétrebais komt in een rechte goot aan op Le Train aan de Pont d’Arcole juist voordat de rivier het stadscentrum bereikt. Het water wordt dus gewoon veel te snel afgevoerd en stropt aan de eerstvolgende ‘flessenhals’ 

Het probleem wordt verergerd door de toenemende ‘verharding’, lees nieuwbouw, asfaltering, betegeling en betonnering door huizen en wegen en door de veranderende klimaatomstandigheden (die laatste zorgen op hun beurt ook voor het tegendeel: de verdroging doordat de regen wegblijft). De oplossing lijkt toch te zijn om de vallei terug te geven aan de rivier, de bochten weer aan te leggen, de oevers af te schuinen en vooral alles te doen om de ‘natuur-van-toen’ weer te herstellen en voor die aanpak zijn er ondertussen heel wat goede voorbeelden voor wie ze weet te vinden.

Gréz-Doiceau – langs Le Train – een geit klaar voor de modeshow

Gréz-Doiceau aan Le Train. Vanuit het centrum staan we nu op le Pont d’Arcole op de plek waar het riviertje Le Piétrebais uitmondt in Le Train. De brug dankt blijkbaar zijn naam aan een inwoner van het dorp met de naam Thiry en in 1872 staat hij nog aangeduid als “le pont du Noir Trou” en dat zou betekenen dat er toen een sluisje was. Het zou de oudste brug zijn in het dorp waarlangs de oude weg tussen Jodoigne en Waver passeerde. Dat moet dan toch heel lang geleden zijn want op mijn oude kaarten (Villaret 1745) ziet het er zo niet uit (hoewel je je het oude tracé wel kan voorstellen).

De kasseien op het pleintje komen waarschijnlijk uit de nabijgelegen steengroeve richting Morsaint waar we nog zullen langskomen. Langs de Avenue Comte Jean Dumonceau kom je bij het Château van Gréz. Jean-Baptiste Dumonceau, graaf van Bergendael speelde een belangrijke rol als maarschalk van de Hollandse troepen in de tijd van Napoléon en hij en/of zijn erfgenamen waren in die tijd de eigenaars.

Het kasteel is volgens de gemeentelijke toeristische dienst “sans conteste le monument le plus important de la vallée du TrainSitué le long du Piétrebais dont les eaux alimentent ses douves le château fut habité par les seigneurs de Grez dont la première lignée pourrait remonter à la fin du Xe siècle. Le donjon trapu et garni de meurtrières est le seul vestige de l’époque féodale. Ses murs ont une épaisseur de 1,45 m à la base et il ne reçut sa toiture qu’au XVIe siècle. A côté se situe l’entrée primitive du domaine où l’on accédait par un pont-levis. Sa grande porte cochère surmontée d’une magnifique pointe de pignon à volutes de style Renaissance est remarquable. Dans la maçonnerie son gravés les armes des van den Berghe et des Liminghe. La seule tour ronde subsistante est un colombier remarquable avec 500 boulins et son échelle tournante intérieure. Le château, rectangulaire et limité à l’origine par quatre tours d’angle a subi d’importantes modifications au XIXe siècle. Il est actuellement séparé en deux habitations distinctes (propriétés privées) ».

Gréz-Doiceau – Château

Sinds de vroegste middeleeuwen was hier de burcht van zeer hooggeplaatste heersers over de omgeving en ook na de verbouwing tot het complex dat je nu ziet in de 19de eeuw is het de eigendom gebleven van voorname families. In de tiende eeuw is Grez een klein graafschap met graven waarvan er tenminste één (Werner de Greis) beroemd is geworden als een geducht strijder in de eerste kruistocht met de bestorming van de stad Jerusalem onder Godfried van Bouillon. Nadien lijkt het er op dat de hertog van Brabant de macht van de leden van dit ridder-geslacht iets heeft willen beperken door hen niet meer als ‘graaf’ te vermelden en ook door in het kader van het Charter van Kortenberg in 1372 met de burgers van het nabijgelegen dorp een pact te sluiten over een zekere zelfstandigheid. Om alles te weten over deze ingewikkelde geschiedenis verwijs ik je naar de link van Echarp onder deze bijdrage. De naam van die burcht en seigneurie in de documenten van de Hertog van Brabant  – Greis, nadien Grez – wijst er op dat er al in die tijd kalksteen-groeven waren.

Wie het nu bezit weet ik nog niet. Jammer genoeg zie je er niet veel van want de privé-bewoners van nu hebben kennelijk niet graag in hun erfgoed geïnteresseerde voorbijgangers aan of op hun terrein en hebben – zoals dikwijls het geval is – het domein omringd met een dichte begroeiing. Toen ik laatst even iets naderbij kwam om toestemming te vragen om toch een foto te maken werd ik vanuit de verte meteen bestraffend aangeroepen door een dame die juist uit haar auto stapte. Om er meer over te weten is het dus waarschijnlijk wachten op een gunstige gelegenheid zoals een open monumentendag denk ik. Of is er iemand in Gréz-Doiceau die een introductie kan bezorgen bij de kasteelbewoners?

Grez-Doiceau – Quai Michel

Vanaf de Pont d’Arcole volgen we het pad naar het zuiden richting Morsaint langs de rivier. Dankzij Thierry Spreutel weten we ondertussen dat de brug zijn naam dankt aan een buurtbewoner Thiry en dat hij nog in 1872 de naam droeg van ‘le pont du Noir Trou’. Dat zou er dan weer op wijzen dat er in die tijd nog een sluisjes was. Het is een heel mooi natuurtraject. Langs de kasseien van de Quai Saint-Michel staan mooie huisjes. Bij een ervan kijkt een geit ons nieuwsgierig aan. In de oude tijd moet hier nog een aan het kasteel toebehorende ‘fabrique des cloux’ (ijzeren nagels, later nog motoren) gestaan hebben aan een klein groevetje zie ik op de oude kaarten. De kasseien maken plaats voor een veldweg die op de kaart ‘chemin des Prés Sains’ heet. De gezonde weiden zijn nu akkers geworden maar zo te zien niet van een biologische hoeve. Jammer genoeg staat er ook een helemaal niet bij het natuurlijke landschap passende gloednieuwe megastal. Op de geploegde helling daarachter staat een groot gebouw omgeven door mooie bomen waaronder een monumentale kastanje: het vroegere hospice van Pery (zie de link naar het erfgoeddossier), nu een verzorgingscentrum voor bejaarden. Aan een brugje gaat aan de overkant het ‘Sentier de la Bar’ – dat is voor de terugweg. Onmiddellijk daarna staat verborgen achter een dichte begroeiing aan de overkant de watermolen ‘Franc Moulin’ die nu een niet toegankelijke privéwoning is. De informatie over die molen is een beetje verwarrend maar als ik het goed begrepen heb gaat het over de vroegere ban-molen van Grez die al heel oud is. Hij was voor de helft van de Hertog van Brabant en voor de andere helft van de Seigneur de Grez (Piétrebais). De huidige gebouwen van de molen zouden dateren van 1773 en later. In het erfgoeddossier vind je een mooie foto maar vanaf het pad zie je er bijna niets van.

Gréz-Doiceau – langs Le Train richting Morsaint – in de verte de voormalige watermolen

Op een van mijn foto’s zie je hem van een afstand aan de overkant van de rivier. In Molenechos vind ik de molen wel onder deze naam maar op een andere plek (Rue de la Barre) en met een er niet op lijkende foto maar het kan zijn dat er verwarring is doordat er in deze omgeving sinds de oudste tijden veel molens hebben gestaan. De rivier is hier en daar toegankelijk vanwege de plekjes met borden van de visclub. In een bosje een beetje verder zie je als ‘privé’ aangeduide vijvers en als je goed kijkt kan je al vermoeden dat het gaat om een vroegere steengroeve. Op de kaart Vandermaelen van 1846 staat deze plek aangeduid als ‘carrière des pierres à paver’. Dus waarschijnlijk zijn de kasseien op het pad nog uit die tijd. Of de stenen in de muur van de donjon van het Château uit deze groeve zijn gehaald weet ik niet maar hij moet al heel oud zijn. De productie van kasseien begon hier in het begin van de 19de eeuw en ik lees dat de groeve toen al heel lang verlaten was. Het gewonnen materiaal bestaat uit ‘quartzite gedinien’, gevormd door kalkachtige afzettingen (vissen, schelpen) in de warme zee tijdens het zeer boeiende geologisch tijdperk van het ‘devoon’ zo’n 400 miljoen jaar geleden. Nadien bedekt met dikke lagen zand zijn die afzettingen door de druk chemisch omgevormd tot rotsachtige harde kalk-houdende bleekgrijze, blauwige, soms groenachtige of witte harde zandsteen. In de oude tijd werd dit met de hand gewonnen en weggevoerd maar naarmate de groeve dieper werd moesten er paarden aan te pas komen en kon men ook het water niet meer met emmers de baas. In 1839 sloot de eigenaar een overeenkomst met de molenaar van de molen van Pirroir (of Piroir, aan de Rue de Basse Biez) om het water weg te pompen maar in 1856 was het er mee gedaan. De ondertussen alweer verdwenen (en/of gerecupereerde) kasseien van de weg tussen Waver en Jodoigne kwamen voor een groot deel van hier lees ik (details in Echarp, zie de link). Ik denk dat in die tijd het landschap er hier heel wat minder idyllisch moet hebben uitgezien dan nu en of het toen echt zo ‘gezond’ was betwijfel ik een beetje.

Gréz-Doiceau – een voormalige steengroeve langs Le Train

Boven op de helling aan de overkant zie je hoog op de heuvel de l’Eglise Saint Martin van Biez maar daar komen we nog wel. Het dal wordt breder en in de weiden staat een rij indrukwekkende wilgen. Langs de rivier grazen de koeien en paarden in de weiden. Op het einde staat op het einde van de winter een groot stuk onder water maar het pad blijft droog en is zelfs niet modderig.

Vandaar kun je rechtdoor naar het zuiden langs het heel mooie ‘Sentier de Bonlez’ maar dat valt een beetje tegen omdat je aan het einde terecht komt aan de Rue de Bonlez, een smalle maar toch beetje te drukke autoweg waar je niet meer afgeraakt tot aan het helemaal afgesloten en onzichtbare Château de Bonlez  waar je dan links kan om ook al weer tussen de auto’s terug naar Gréz-Doiceau te komen. 

Van de belangrijkste historische bezienswaardigheid in deze omgeving is helaas niets meer te zien. Ik lees in Echarp: “Ce qui est plus important et incontestable, c’est la précieuse trouvaille faite, vers 1860, au Champ de Présenne, près de Morsain, à 1,300 m. S. de l’église paroissiale, à l’est du grand chemin conduisant à Bonlez, dans un terrain appartenant à M. Rouchaux. Il y eut là, évidemment, une villa romaine. » Onder de leiding van de toenmalige eigenaar van le Château de Gréz, Graaf Du Monceau werd een zeer grote ruïne blootgelegd van 16 bij 6 meter met beschilderde muren van verscheidene kamers en zuilen en een oven. Het veld ligt aan de rechterkant van ons pad maar de ruïne heeft men achteraf maar weer begraven om de boerenactiviteit te kunnen voortzetten. Waar het precies is weet ik nog niet, zelfs vanuit de lucht is er niets te zien tussen de ploegsporen en het gras.

Grez-Doiceau – langs Le Train op weg naar Morsaint – een wal van knotwilgen

Echarp : « les nombreux débris trouvés en cette occasion servirent aux fondations des nouveaux bâtiments de la ferme Rouchaux, à Morsain; M. Du Monceau a toutefois conservé : deux grandes tuiles, de 35 c. sur 53; deux grandes dalles, de 40 c. sur 26; trois carreaux, de 22 c. de diamètre, du genre de ceux qui, par leur superposition, formaient des piliers; trois rondelles en terre cuite, dont 2 de 29 c. et 1 de 25 c. de diamètre, rondelles qui formaient des colonnettes; de larges briques épaisses de 2 c., d’autres débris de maçonnerie, le fragment de pierre meulière mentionné plus haut, neuf échantillons de peintures murales etc.». Wellicht bevinden die zich nog op het kasteel. De Ferme de Morsaint (ik denk dat het nu een manege is) staat een beetje verder op de Rue de Bonlez 6 en is ingeschreven op de Waalse inventaris van het bouwkundig erfgoed (zie de link voor de technische beschrijving). Ik heb er echter nog geen foto van.

De naam Morsaint heeft voor een keertje niets te maken met een heilige maar verwijst naar een plaatselijke chef met de naam Morc(h)e die hier rond het jaar 1000 zijn ‘heim’ ofwel ‘hain’ of huis zou hebben gehad. Hij was een van de vele ‘fiefs’ in de streek van Gréz en we weten van hem omdat rond het jaar 1000 de echtgenote van Graaf Werner van Grez verschillende huizen (manses) afstond aan de Abdij van Gembloux waarvan twee in Morceshem tegen een jaarlijkse belasting van ’10 sous de Louvain et 4 poules’. Zijn opvolgers worden opnieuw genoemd in 1530 maar dan heten ze al ‘de Morchain’, nadien vervormd tot ‘Morsain(t)’. Naar het zuiden richting Bonlez kom je in de Rue de Royenne maar waar die naam vandaan komt weet ik nog niet. Op de kaart zie je op deze plek ook de naam ‘Basse-Biez’ maar waar nu precies de grenzen zijn kan ik niet zien.

Morsaint

Op deze tocht gaan we richting (haute)-Biez en l’Eglise Saint Martin. Over Biez als dorp vind ik niet direct zo heel veel informatie. De naam betekent Berk en dat zou rond 1200 naar ‘berg’ verwijzen en niet naar de boom. Ik lees dat rond 1200 Biez nog toebehoorde aan Guillaume de Piétrebais die een vazal was van het Prinsbisdom Luik maar dat het honderd jaar later in handen kwam van Ridder Rodolphe de Greis (Grez) en het daarmee deel uitmaakte van het hertogdom Brabant. Sinds 1977 is het dorp officieel deelgemeente van de fusiegemeente Gréz-Doiceau. 

Op de Villaret-kaart van 1746 staan er nog maar heel weinig huizen op en rond de beroemde ‘butte van Biez’ en honderd jaar later zijn het er nog altijd niet veel. Ook vandaag is – anders dan in zusterdorp Hèze – de bebouwing bescheiden maar daar lijkt verandering in te komen want het is duidelijk dat de belangstelling om villa’s met uitzicht op de vallei te bouwen flink groot is. In de Rue de Beau Site zie ik plakkaten van bezorgde buurtbewoners over geplande bouwprojecten en vlak onder de historische kerk is een weelderige villa gebouwd die zowel het zicht op de kerk als dat op het dal ferm belemmert. Voor het ogenblik kan je vanaf de helling tussen de huizen nog wel in het dal kijken maar als de bebouwing toeneemt en de nieuwe bewoners hun tuinen afsluiten met hagen en schuttingen (zoals de gewoonte is)  gaat die mogelijkheid verloren. En bovendien kijk je dan vanaf de rivier niet meer op een groene natuurhelling maar op gebouwen, een aspect van landschapsverandering dat naast ontbossing en grondverharding bij het afleveren van bouwvergunningen systematisch over het hoofd gezien wordt.

Gréz-Doiceau – Biez – Rue du Beau Site

Dwars door het dorp liep vroeger de buurttram waarvan nu nog de ‘Chemin de Vicinal’ over is die ik op een afzonderlijke verkenningstocht in de verf zal zetten. In de tijd van en voorafgaand aan die tram waren de dorpsbewoners heel wat minder welgesteld dan tegenwoordig want ik lees dat rond 1852 100 van de 650 dorpelingen, onder wie de meeste leden van de plaatselijke protestantse gemeenschap wegens de armoede naar de Verenigde Staten emigreerden samen met honderden lotgenoten uit Gréz. Hun afstammelingen zouden vandaag nog in de staat Wisconsin terug te vinden zijn als deel van een actieve Belgische kolonie. Aan de ingang van de Rue Royenne staat een bordje ‘Musée 40-45’ maar waar het is weet ik nog niet en op het internet vind ik er niets over.

De Eglise Saint Martin is onbetwist het hoogtepunt van deze verkenningstocht in Biez. Neem de kaart er even bij en dan zie je dat je vanaf de honderd meter hoge heuvel (butte) uitkijkt over de gehele omgeving zoals Morsaint, le Bercuit, le Centry, Archennes, Gréz, Bossut en Cocrou. Bij helder weer zou je zelfs de zuidrand van het Meerdaalwoud moeten kunnen zien.

In het erfgoeddossier lees ik het volgende: “Bien campé au sommet de la colline, édifice de style classique construit en brique et calcaire gréseux en 1772 (soubassement, base de la tour, encadrement des baies et des trous de boulin, chaînages d’angle, corniche) et restauré à la fin du 19e siècle. Tour ouest semi-engagée entre deux annexes courbes; nef unique de deux travées, et, dans un même volume rétréci en arrondis, choeur d’une travée droite suivi d’un chevet en abside. Sacristies aux nord-est et sud-est. Remontée en 1893, tour de trois niveaux séparés par des bandeaux. Rez-de-chaussée en moellons assisés et pierre de taille, dont le noyau provient de l’église précédente. » In 2010 zijn er opnieuw uitvoerige restauratiewerken gedaan waarbij schilderingen in de linker muur  zijn blootgelegd die in de tijd van de Franse revolutie voor de veiligheid waren verborgen.

Grez-Doiceau – de Sint Maartens kerk van Biez

Sinds wanneer er hier al een kerk staat weet ik nog niet maar ik vermoed al in de 12de eeuw. De parochiale registers van Biez beginnen op 14 februari 1616 en ik begrijp dat ook de inwoners van Hèze hier de mis bijwonen maar dat die van Morsaint en andere dorpen in de omgeving officieel naar de Eglise Saint-Georges in Grez-Doiceau zouden moeten. Maar op de website www.egliseinfo.be lees ik dan weer dat de kerk nu tot de pastorale eenheid van Dion behoort. Gods wegen zijn ondoorgrondelijk en de kerkgeschiedenis is ook al niet rechtlijnig zullen we maar zeggen. Ik ben er nog niet binnen geweest want het is jammer genoeg niet een ‘Eglise Ouverte’ maar het interieur moet erg mooi zijn. Op het kerkplein binnen de muren heeft het oude kerkhof blijkbaar wel plaats moeten maken voor een parking maar de poort en de oude bomen zijn gebleven. Rond de kerk zie je nog verscheidene 18de en 19de eeuwse grafstenen, waarvan één voor Grégorius Van Dormaal, pastoor in Biez en overleden in 1789. Juist buiten het bereik van onze wandeling vind je op nr.17 in de Rue de Beau Site nog de pastorie en op nummer 12 een eveneens als erfgoed beschermde hoeve. Op nummer 30 sta je voor het vroegere 19de eeuwse  gemeentehuis en dorpsschool. Het is nu ‘la maison de quartier de la butte de Biez’ en wordt samen met de mooie boekenkast beheerd door de VZW ‘les amis de la Butte de Biez asbl’.

We zijn toe aan de laatste etappe in onze rondtocht vanuit Grez langs Le Train naar Morsaint en Biez. Ik kijk nog even bij het kruisbeeld op nummer 38 van de Rue du Beau Site. Het komt van het kerkhof in Audergem en staat hier sinds 1952 onder een vrijheidslinde.  Vanaf de kerk nemen we een heel klein hol paadje naar beneden met de naam ‘Chemin de la Bar’. Het komt beneden uit op de ‘Chemin Vicinal’, ofwel de bedding van de vroegere tram

Gréz-Doiceau – Biez – afdalng naar le Moulin du Pirroir

Even verder rechtdoor staan we op de Rue de Basse Biez recht tegenover de gebouwen van de voormalige Moulin de Pir(r)oir. De deur is potdicht want het is nu een ontoegankelijke privéwoning maar hij wordt al genoemd in het jaar 1312. In die tijd was het een korenmolen met een onderslagrad boven Le Train. De molenaar moest in die tijd een cijns betalen aan het Kapittel van Cambrai (Kamerijk) en een jaarlijkse vergoeding van 10 mudden graan aan de prior van Basse Wavre op voorwaarde dat die iedere zondag een hoogmis zou zingen. Wikipedia: In Vlaanderen was één mud gelijk aan 6 zakken (= 12 halsters = 24 veertellen = 48 meukens = 96 achtelingen = 384 pinten = 218 liter).”  In de 19de eeuw kwamen de molenaars-eigenaars van de familie Devroye. In 1934 eeuw neemt de familie Bogaerts het over. In 1829 wordt op de andere oever een hennepbreek-watermolen opgericht.

De huidige gebouwen stammen vooral uit de 19de eeuw. In 1914 wordt het gebouwencomplex vergroot. In die tijd wordt er ook elektriciteit opgewekt maar dat stopte al kort na de eerste wereldoorlog. Ik vermoed dat in die tijd ook het onderslagrad vervangen werd door een gietijzeren turbine. Die is nog aanwezig samen met een deel van de binneninstallatie. Alles zou in goede staat zijn en de molen is ‘inscrit comme monument’ op de Waalse Inventaire du Patrimoine Culturale. In 1944 is de molen nog eens vergroot maar in die tijd werd er gemalen met een elektrische motor en niet op waterkrachtDe laatste molenaar was Jean Ghislain Bogaerts en ik begrijp dat sinds 1980 de molen niet meer maalt. Het erfgoeddossier : « Dans un pré à l’ouest, vanne de régulation du ruisseau posée sur piliers de pierre bleue ». Die heb ik nog niet gezien. 

Vanaf de molen volgen we even de straatweg richting Gréz-Doiceau totdat we linksaf een klein paadje met een wel erg grote schutting kunnen volgen naar een bruggetje over de rivier waarna we naar rechts gaan terug naar het vertrekpunt. Einde van deze tocht.

off Gréz-Doiceau-Morsaint-Biez 4km

+++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

village Grez-Doiceau – Tourisme Grez-Doiceau

www.otl-grez-doiceau.be/villGrezHistoireFr.php

+++

http://www.otl-grez-doiceau.be/promFr.php (nos promenades)

+++

http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/recherche/recherche

(via zoekopdracht: alle erfgoedgebouwen op de Place Dubois) 

+++

http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/fiche/index?sortCol=2&sortDir=asc&start=0&nbElemPage=10&filtre=&codeInt=25037-INV-0038-02

Place E. Dubois 2, GREZ-DOICEAU (Grez-Doiceau) 

+++

http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/fiche/index?sortCol=2&sortDir=asc&start=0&nbElemPage=10&filtre=&codeInt=25037-INV-0206-01 (gemeentehuis)

Gréz-Doiceau – gemeentehuis en pastorie

+++

http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/fiche/index?sortCol=2&sortDir=asc&start=0&nbElemPage=10&filtre=&codeInt=25037-INV-0036-02 (l’Eglise Saint-Georges)

+++ 

http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/recherche/recherche (Rue de la Barre, Rue Henri Bruneau, Rue Fontaine, Quai Saint Michel))

+++

http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/fiche/index?sortCol=2&sortDir=asc&start=0&nbElemPage=10&filtre=&codeInt=25037-INV-0059-02

(‘Spaanse’ hoekwoning Quai Saint-Michel 6) 

+++

http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/fiche/index?sortCol=2&sortDir=asc&start=0&nbElemPage=10&filtre=&codeInt=25037-INV-0045-02

(Avenue Compte Jean Dumonceau 1 – aan de brug)

Gréz-Doiceau – Avenue Comte Jean Dumonceau

+++

http://www.crdyle-gette.be/site/etat-des-lieux-qualite/733-le-train-a-grez-doiceau.html 

+++

https://www.yumpu.com/fr/document/view/45916375/le-train-a-grez-doiceau-contrat-de-riviere-dyle-gette

 +++ 

http://www.echarp.be/twcwav20.php 

+++

Grez-Doiceau – Décision de principe du conseil pour …

www.lesoir.be › art › %2Fgrez-doic…

28 aug. 2003 — Le conseil communal de GrezDoiceau de mardi a pris la décision de principe de … Cette décision intervient un an après les terribles inondations des 27 et 28 … Ils ne concernent ni le Train, ni le Piétrebais, mais des affluents.

Grez-Doiceau – Décision de principe du conseil pour aménager trois bassins d’orage ou zones inondables

Grez-Doiceau – Le Train met een aangelegde drempel van steenblokken

+++

Se protéger contre les risques d’inondation par ruissellement …

www.grez-doiceau.be › actualites

Site de GrezDoiceau … Avec elles, revient le risque d’inondations boueuses lors des premiers orages … Check-list INONDATION (Je suis inondé, que faire ?)

00

+++ 

https://www.lalibre.be/regions/brabant/grez-doiceau-la-zone-d-immersion-temporaire-est-imminente-57548eae35702a22d80e9ae6

+++

http://sybilledecoster-bauchau.com/grez-doiceau-ma-commune/ 

+++

http://www.crdg.eu/site/index.php?option=com_content&view=article&id=733:le-train-a-grez-doiceau&catid=72:etat-des-lieux-qualite&Itemid=150

Gréz-Doiceau – Biez – brugje over Le Train

 +++

La province de Brabant wallon retire sa demande de permis …

www.rtbf.be › info › regions › detai… 

+++

La lutte contre les inondations continue à Court-Saint-Etienne …

lacapitale-brabant-wallon.sudinfo.be › …

27 jan. 2019 — les communes de GrezDoiceau et de Court-St-Etienne, les assureurs et les riverains.

+++ 

https://prezi.com/mzdajdb8bbtl/lutte-contre-les-inondations-a-grez-doiceau/

La Belgique touchée par les inondations: Les pompiers …

www.lalibre.be › belgique › la-belgi…

24 jun. 2016 — … Dans l’entité de GrezDoiceau, la chaussée de Jodoigne ainsi que les .. 

+++.

Le cours d’eau du Train pollué aux hydrocarbures à Grez …

www.rtl.be › … › Régions › Brabant

10 sep. 2020 — Cette fois, c’est le Train à Grez Doiceau qui est impacté. Une fuite s’est produite dans une ancienne citerne à mazout proche.

Gréz-Doiceeau – le Train aan de Pont d’Arcole

+++

Inondations, orages, mini-tornade: la nuit a été mouvementée …

www.lesoir.be › article › 2020-08-14

14 aug. 2020 —  Dans la région de Wavre, GrezDoiceau et Ottignies/Louvain-la-Neuve, les services de secours ont aussi …

+++

Grez-Doiceau en zone inondable (Grez-Doiceau) – Lavenir.net

www.lavenir.net › cnt

24 aug. 2010 — La Région wallonne recense les zones à risque d’inondationGrezDoiceau n’en manque pas, avec le Train.

+++ 

http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/fiche/index?sortCol=2&sortDir=asc&start=0&nbElemPage=10&filtre=&codeInt=25037-INV-0037-02

(le Château) 

+++

http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/fiche/index?sortCol=2&sortDir=asc&start=0&nbElemPage=10&filtre=&codeInt=25037-INV-0045-02

 (Avenue Comte J. Dumonceau 1, GREZ-DOICEAU (Grez-Doiceau))

Grez-Doiceau – nog een monuentale Zomerlinde aan de rue Saint Georges langs Le Train

http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/fiche/index?sortCol=2&sortDir=asc&start=0&nbElemPage=10&filtre=&codeInt=25037-INV-0047-02 (ferme) 

+++

http://www.otl-grez-doiceau.be/villGrezHistoireFr.php#:~:text=En%201209%20il%20est%20fait,*scabinor*%20de%20*gravia.

+++

http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/fiche/index?sortCol=2&sortDir=asc&start=0&nbElemPage=10&filtre=&codeInt=25037-INV-0055-02 (hospice aan de Rue des Béguinages)

Gréz-Doiceau – Rue des Béguinages – het oude hospice – de boom is een monumentale kastanje

+++

http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/fiche/index?sortCol=2&sortDir=asc&start=0&nbElemPage=10&filtre=&codeInt=25037-INV-0235-01 (watermolen ‚ Le Franc Moulin)

+++

https://www.molenechos.org/molen.php?nummer=1335

(watermolen, le Franc Moulin) 

+++ 

http://www.geolsed.ulg.ac.be/geolwal/geolwal.htm

(Une introduction à la-GEOLOGIE de la WALLONIE)

+++

https://nl.wikipedia.org/wiki/Devoon

+++

http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/fiche/index?sortCol=2&sortDir=asc&start=0&nbElemPage=10&filtre=&codeInt=25037-INV-0195-01

(Ferme de Morsaint – Rue de Bonlez 6, Gréz-Doiceau) 

+++

http://www.netradyle.be/biez.htm

Gréz-Doiceau – L’Eglise Saint-Martin – de ceder aan de kerk

+++

http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/fiche/index?sortCol=2&sortDir=asc&start=0&nbElemPage=10&filtre=&codeInt=25037-INV-0009-02

(l’Eglise Saint-Martin)

Adresse principale : Rue de l’Eglise Saint-Martin, GREZ-DOICEAU (Biez)

+++

https://www.dhnet.be/archive/l-eglise-saint-martin-restauree-51b7e648e4b0de6db99660a1

+++

https://www.egliseinfo.be/lieu/13/biez/saint-martin—biez

+++

http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/fiche/index?sortCol=2&sortDir=asc&start=0&nbElemPage=10&filtre=&codeInt=25037-INV-0131-01

(maison communale)

Biez – het oude gemeentehuis aan de Eglise Saint-Martin

+++

http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/fiche/index?sortCol=2&sortDir=asc&start=0&nbElemPage=10&filtre=&codeInt=25037-INV-0133-01

(calvaire rue du Beau site 38)

+++

https://www.molenechos.org/molen.php?nummer=705

(Moulin du Piroir, met mooie foto’s van de aan de straat onzichtbare delen)

+++

http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/fiche/index?sortCol=2&sortDir=asc&start=0&nbElemPage=10&filtre=&codeInt=25037-INV-0128-01

(moulin Pirroir)

Gréz-Doiceau – Moulin du Pirroir

Trefwoorden : Gréz-Doiceau, le Train, Morsaint, Biez, Château, moulin, l’Eglise Saint Martin, inondation, carrière, villa romain,

CHASTRE – LANGS DE ORNE NAAR MONT-SAINT-GUIBERT

Februari 2021

Ernst Gülcher

Contact: ernst.guelcher (at) telenet.be

De Orne in Mont-Saint-Guibert

Het riviertje de Orne in Waals-Brabant is volgens mij in Vlaanderen niet zo heel bekend. Omdat ik dankzij de plaatselijke natuurorganisaties hoorde dat het zo’n mooie omgeving is waarin er van alles te zien en te beleven valt ben ik er toch al een paar keer op stap geweest en heb ik de resultaten daarvan met tekst en foto’s gepost op facebook. Nu krijg je het hele verhaal op mijn internet-blog.

Op deze tocht concentreer ik me op het traject tussen Chastre, Walhain en Mont-Saint-Guibert. Tussen die gemeenten stap je over een afstand van zo’n tien kilometer vlak langs de rivier over ‘sentiers’ zonder dat je ergens in de bebouwde kom komt.

Met de ‘Ferme Rose’ in Chastre als vertrekpunt kom je dan langs achtereenvolgens le Moulin de Godeupont, le Château de Blanmont, Le Moulin Al Poudre, Het waterzuiveringsstation, Le Moulin D’Alvaux, La Tour de Sarrasins, het viaduct van de spoorlijn Brussel-Luxemburg en tenslotte aan het Domaine de Bierbais met zijn Château en Tour. Eenmaal daar aangekomen ben ik wel langs de rivier de weg teruggegaan want een echte aantrekkelijke luswandeling heb ik er niet van kunnen maken.

Langs de Orne in Walhain

Maar eerst vertel ik iets meer over de rivier zelf. Neem de kaart er graag even bij en dan zie je dat de Orne een beetje ten westen van Gembloux op het grondgebied van Corroy-le-Château ontspringt in een moerasje waar twee bronnen samenkomen precies op de grens tussen de provincies Namen en Waals-Brabant aan de Ferme de Bertinchamps.

Op het grondgebied van de fusiegemeente Chastre-Villeroux-Blanmont kronkelt hij rechtstreeks naar het noorden via Cortil-Noirmont, Chastre en Blanmont. Vervolgens buigt hij af naar het noordwesten om via Mont-Saint-Guibert en Beaurieux uit te komen in de Thyle in Court-Saint-Etienne die op zijn beurt enkele honderden meters verder in de Dyle stroomt.

Van bron tot monding is het ongeveer 18km en op dat traject wordt hij gevoed door een hele reeks zijbeken: le ruisseau de l’Joncquière, l’Ardenelle, l’Ernage, le Ry de Perbais, le Ry d’Almez, le Ry des Lovières, le Nil, le Ry de Corbais, le Ry de la Fontaine au Corbeau, la Houssière, le Ruisseau de l’Ornoy, le Ry de Beaurieux en le Ry Glorie. Al die namen vind je voortdurend terug in de straten van de omliggende dorpen. In Chastre is hij nog maar een meter breed maar stroomafwaarts groeit hij aan tot een breedte van bijna twee meter. Diep is het water volgens mij nergens.

In Blanmont is er een groot waterzuiveringsstation maar desondanks is de waterkwaliteit niet heel goed vanwege het afvalwater vanuit het groot aantal huizen dat in de nabijheid van de waterloop gebouwd is, maar vooral door problemen met de landbouw.

De meest voorkomende vissoorten zijn bermpjes (loches franches), stekelbaars (épinoches), voorns (gardons), rivierdonderpad (chabot, zeldzaam) en forel (truite fario). Vooral vanwege die laatste kom je overal langs de rivier borden tegen van de plaatselijk visclub (Les Pêcheurs de l’Orne – Pêche privée). Vissen mag je dus niet zonder vergunning maar vanwege al die vissersplekken kan je wel op veel plaatsen vlak langs het water komen.

Chastre – de Orne ter hoogte van Le Nil

Ondanks de bebouwing is het landschap langs de rivier in zeer goede staat bewaard gebleven. Toch zie ik niet veel voetpaden langs de rivier, eigenlijk vooral tussen Chastre en Mont-Saint-Guibert (Sentier de l’Orne) en in veel mindere mate in Beaurieux en aan de kant van Court-Saint-Etienne. Je komt veel historische watermolens tegen hoewel ik niet weet of er nog één echt werkt. Hier en daar zijn er bevers aan het werk en op één plaats moet je onder de spoorlijn Brussel-Luxemburg door.

De oorsprong van de naam Orne wordt verklaard door de vroegere aanwezigheid van iepen (ormes) ofwel zou teruggaan op een Keltisch woord dat ‘waterloop’ betekent.

De heel mooie landelijke Waalsbrabantse gemeente Chastre aan de riviertjes de Orne en de Houssière ligt iets ten zuiden van Louvain-La-Neuve. Het heet officieel Chastre-Villeroux-Blanmont als de samenvoeging van drie historische dorpen en krijgt vanuit Vlaanderen niet zo veel bezoek denk ik hoewel je er via de E411 (afrit Corroy-le-Grand) zo naar toe rijdt en de trein er op meerdere plaatsen stopt.

Dankzij plaatselijk natuurgids Patricia Cornet (die er alles over weet) ging ik er al enkele keren verkenning en ga ik er zeker nog terugkeren want je vind hier een perfecte combinatie van natuur en erfgoed die ook door de eigentijdse bewoners wel zorgvuldig gekoesterd wordt.

Langs de Orne in Mont-Saint-Guibert – hier komt de rivier aan de brug over de Rue du Nil

De naam staat voor ’Castra’, het legerkamp uit de Romeinse tijd langs de Romeinse heirbaan die in de 1ste eeuw Bavai verbond met Keulen. Dat kamp zou zich onder het huidige treinstation hebben bevonden. De grafheuvel in Cortil-Noirmont herinnert nog aan die tijd en in Villeroux is een Romeinse villa opgegraven.

De 7de eeuw is de tijd van de Merovingers en vanaf het jaar 1100 maakt de streek deel uit van het Hertogdom Brabant en valt op geestelijk vlak onder de Abdij van Gembloux. Het administratief toezicht ligt bij Mont-Saint-Guibert maar in de praktijk wordt de heerschappij uitgeoefend door een aantal plaatselijke feodale ‘seigneurs’ (leenheren) die samen met de abdijen grote delen van de omgeving ontbossen om de gronden voor de landbouw te ontginnen.

De eerste van die seigneurs was blijkbaar ridder Libert de Chastre want die wordt genoemd in 1223 en in 1232. Zijn zoon Arnoul de Chastre wordt genoemd in 1256. In hun tijd behoorde Chastre blijkbaar bij het graafschap Walhain. Uit die tijd hebben we de kastelen, vierkantshoeves en watermolens overgehouden. Maar het is ook de tijd van de burchten en donjons (tours de Sarasins) op de grenslijn tussen het hertogdom Brabant en het Graafschap Namen.

Vanaf 1500 is de streek net als de rest van ons land het onophoudelijk strijdtoneel van plunderende krijgsmachten op doortocht. Het is een tijd van grote armoede waarbij in het begin van de 17de eeuw de gemeenschap ook geteisterd wordt door de pest.

de Orne met blokken kwartsiet van Blanmont

De Franse revolutie brengt het einde van de feodale en religieuze privileges (met ook de in beslagname en verwoesting van paleizen en kloosters) en opent de weg naar de industriële ontwikkeling in deze landelijke streek. Met de aanleg van grotere wegen en de opening in 1854 van de spoorlijn tussen Brussel en Luxemburg dwars door de gemeente wordt de horizon verbreed. Sinds 1855 is er ook een honderd jaar later afgeschafte buurtspoorweg (vicinal) tussen Incourt en Gosselies.

Op het einde van de 19de eeuw moet de streek en Chastre zelf er totaal anders hebben uitgezien dan nu vanwege de vele steengroeven die er uitgebaat worden om kasseien te leveren voor het Belgische wegennet van die tijd en waarover ik het nog zal hebben.

In 1977 worden de dorpen eindelijk verenigd in één fusiegemeente met Chastre, Villeroux, Blanmont, Cortil, Noirmont, Gentinnes en Saint-Géry als onderdelen. Sindsdien is het een rustige en zeer vreedzame plek om te wonen en duidelijk in trek bij de wat meer welgestelden in ons land.

Ik vind dat er wel veel gebouwd wordt en op de duur zal dit het landelijk zicht wel aantasten als de plaatselijke overheid daar geen stokje voor steekt.

‘La Ferme Rose’ in Chastre aan de Avenue de Castillon vlak naast het riviertje de Orne heeft haar naam te danken aan de kleur waarin ze ooit geschilderd was. Bij de restauratie is er blijkbaar fel gediscussieerd om die te behouden als onderwerp van bescherming maar zo te zien hebben de voorstanders het niet gehaald (een foto met een lik verf toont hoe het vroeger moet zijn geweest).

Chastre – La Ferme Rose – bureau de toerisme

De oorsprong gaat terug tot in het jaar 1200. De site was lang de zetel van de Heren van Walhain en van de Chevaliers de Chastre in dienst van de Hertog van Brabant. Andere namen zijn ‘Ferme de Perbais’ en ‘Ferme du Château’. Op een van de gevels op de koer van deze indrukwekkende vierkantshoeve hangt het jaartal 1688. In 1614 koopt de familie d’Onyn de boerderij. Het gemeentewapen bestaat uit twee schilden waarvan het rechtse het wapen van deze familie is (het linkse is dat van de familie Kessel, de heren van Blanmont in de 18de eeuw).

Einde 19de eeuw wordt de familie d’Udekem d’Acoz de nieuwe eigenaar met de familie Raucent als pachter. In 1953 legt een door een elektrische panne veroorzaakte brand de grote schuur in de as en die is nadien nooit meer helemaal opgebouwd. Tien jaar later komt er nog een nieuwe eigenaar die tot 1980 het boerenbedrijf voortzet maar dan koopt de gemeente de site aan om er haar administratief centrum in te vestigen. Het gebouw is beschermd als monument en van buiten haarfijn gerestaureerd, naar mijn aanvoelen zelfs een beetje op het saaie af.

Om de voorkant van de ferme Rose te fotograferen moet je er wel de niet zo fotogenieke enorme tractoren, het opslagmateriaal en een houten schuur van de gemeentelijke technische diensten bijnemen want dat staat allemaal zowat voor de ingang in het zicht. Waarom men een fortuin uitgeeft voor een middeleeuwse restauratie en er dan vervolgens de werkplaatsen pal voor zet gaat mijn begrip nogal te boven. Het getuigt wel dat niet iedereen echt overtuigd is van het nut van het bewaren van erfgoedgebouwen. In het gebouw is ook de dienst toerisme gevestigd.

Chastre – Ferme Rose – huis voor de gastarbeiders uit Vlaanderen – al wat rest van de vroegere burcht

Op de site staat nog een ietwat uit de toom vallend gebouw – het Maison des Flamands – waar blijkbaar tussen 1850 En 150 Vlaamse seizoens-landarbeiders werden gehuisvest die kwamen helpen met de suikerbieten en andere oogsten. Het was min of meer comfortabel maar wel nogal ‘hard’. In Vlaanderen stoppen we tegenwoordig zulke arbeiders in gammele caravans heb ik gemerkt want zoveel aardiger zijn we niet geworden.

Bij wijze van paradox is dit in kwartsiet van Blanmont opgetrokken maison het laatste overblijfsel van de middeleeuwse burcht van de Seigneurs van Chastre. In de oude teksten wordt het ‘Tour’ genoemd en het is na de Tour des Sarrasins het oudste gebouw in de omgeving (13de eeuw). In de 18de eeuw werd het verlaten want de Seigneurs verhuisden naar Brussel of Leuven. De pachter-boer van de kasteelhoeve was in het complex zelf gevestigd.

Dwars over de koer van de ferme Rose kom je langs de Drève des Prisonniers de Guerre en het monument voor de gesneuvelden uit de Eerste Wereldoorlog.

En vandaar gaan we naar de rivier via een heel mooie kleine amfibiepoel met een fantastische haagbeuk, een serie knotwilgen en een infobord over alles wat hier tussen de Avenue Castillon en het spoorviaduct enkele honderden meters verderop te zien is aan natuurzaken en het belang daarvan.

La Ferme Rose – langs de Orne – Mare de Chastre

Vanuit de langs denderende sneltrein tussen Brussel en Namen ga je er niets van zien maar je staat hier midden in een heel charmant natuurlandschapje waar de rivier met vele kronkels naar de dichtstbijzijnde watermolen stroomt, le Moulin du Godeupont.

Blijf even staan bij het infobord over deze ‘Mare de L’Orne’ want de gemeente maakt er werk van om hier de moerasnatuur te behouden maar ook om de voetganger de kans te geven er van te genieten. Vanaf de monumentale haagbeuk aan de kleine vijver kan je het kaarsrechte ‘Sentier du Bois’ met de knotwilgen volgen bovenlangs de rivier, je kan zelfs door de weide gaan maar dan moet je oppassen voor de stier die daar op graast (dus dat is af te raden!) maar ik ga liever zo dicht mogelijk langs het water en tussen de bomen.

Lange tijd was hier een paradijs gevestigd voor bevers met spectaculaire dammen, massa’s afgeknaagde bomen en een ferme verhoging van de waterspiegel. Volgens mij kon (kan) dat allemaal in deze omgeving helemaal geen kwaad maar vanwege protesten van een lokale boseigenaar maar vooral op aandrang van de Infrabel zijn al die dammen opgeruimd met de bewering dat ze het even verderop gelegen spoorviaduct in gevaar zouden brengen.

Bevers zijn officieel beschermde dieren maar in de praktijk stelt dat nergens heel veel voor heb ik gemerkt en worden ze bij de minste klacht uit hun woonplaatsen verdreven tenzij er burgerinitiatieven op gang komen om dat te voorkomen. Ik snap eigenlijk nooit waarom beheerders van waterlopen zich niet verdiepen in de beschikbare natuurtechnieken om bevers in bedwang te houden zonder ze te verjagen.

Chastre – haagbeuk aan de vijver achter la Ferme Rose0

Gelukkig is er ook een gloednieuw klein herbebossingsproject te zien op de helling boven het Sentier du Bois met een hele reeks van bomen-van-bij-ons.

Aan het einde kan je op links een kijkje nemen aan het witte kapelletje gewijd aan St Ghislain en Sainte Rita. Ik vind het niet op de lijst van Waardenvol Bouwkundig Erfgoed maar het dateert uit het einde 18de/begin 19de eeuw. Sainte Rita is voor de wanhopigen en St Ghislain doet wonderen om stuiptrekkingen bij kinderen te genezen.

Wij gaan echter rechts onder het spoorviaduct door, steken de Orne over en komen aan de Rue des Trois Ruisseaux bij een massief gebouw dat bekend staat als de Moulin de Godeupont (of Moulin de Blanmont want zo heet deze deelgemeente van Chastre).

Hoeveel watermolens er op dit riviertje staan moet ik nog uitvinden maar op het grondgebied van de fusiegemeente Chastre alleen al staan er blijkbaar al acht en of er behalve le Moulin Dussart op de Houssière nog een werkt weet ik niet.

De molen van Blanmont wordt voor het eerst vernoemd rond het jaar 1100 als eigendom van de abdij van abt Liethard de Gembloux. Daarna is hij de banmolen (moulin banal) van de Heren van Walhain. In 1544 bedraagt de pacht 18 karolusgulden en 18 mudden rogge. De molen diende altijd als korenmolen maar in de gezaghebbende databank van Molenechos vind ik een hoogst opmerkelijk bericht dat hij voor en in de tijd van het Franse bewind ook gebruikt zou zijn om buskruit te produceren. Van de Cercle Historique in Chastre heb ik begrepen dat deze informatie pertinent verwarrend onjuist is in die zin dat hij niet slaat op de Moulin du Godeupont maar op Le Moulin al Poudre waar we nog langs zullen komen. 

Chastre-Blanmont – Le Moulin Godeupont

De stuw is buiten gebruik en totaal overgroeid. De rivier stroomt nu ongehinderd door het stuwkanaal dat vroeger moest dienen om te vermijden dat het water te hoog zou worden opgestuwd wanneer er niet gemalen werd. Het metalen bovenslag waterrad is nog zichtbaar maar alle houten onderdelen zijn weggerot.

Het goede nieuws: al het binnenwerk – met inbegrip van de stenen maalkoppels – er nog is en zelfs gedeeltelijk gerestaureerd. Einde 19de en begin 20ste eeuw is de molen lang de eigendom van de familie d’Udekem d’Acoz. In 1930 wordt hij verkocht aan (de laatste) molenaar Ferdinand Fre(n)net. In 1946/47 is hij nog in bedrijf maar dan valt hij stil.

Op de Inventaire du patrimoine culturel immobilier staat de molen beschreven als ‘Bien inscrit comme : Monument’ maar hoeveel deze bescherming waard is ben ik niet zeker. De huidige eigenaars-bewoners Agnes en haar echtgenoot Jean-Pierre Draye-Decelle zijn geen molenaars maar hebben het gebouw wel mooi en met veel liefde opgeknapt waarbij ze de maal-installatie zelfs in hun leefruimte hebben geïntegreerd.

Het Château de Blanmont in Chastre aan de Rue du Château is samen met de Moulin du Godeupont het opmerkelijkste gebouw in dit deel van de gemeente. De oorsprong gaat terug tot in de 13de eeuw wanneer het goed de eigendom is van een zekere Jacques de Blanmont (Walhain). In de 15de eeuw wordt het Seigneurschap uitgeoefend door de familie Jupplu die ook de baas is in het nabijgelegen Noirmont.

Chastre-Blanmont – le Moulin Godeupont – het rad is enigszins overgroeid

In de databank van Echarp lees ik het volgende: ‘En 1607-1619, Blanmont appartenait à Jean de Cissel ou Kessel, dont le père en avait fait l’acquisition de la dame de Ligny. Guillaume de Kessel, qui opéra, le 16 mai 1661, le relief d’une prairie tenue à cens de la cour allodiale de Mont-Saint-Guibert, épousa Anne de Roly, fille de Charles, seigneur de Corroy-le-Grand, et fit bâtir à Blanmont « un bon et fort château », qu’il laissa à son fils, Nicolas-Joseph. Sa descendance s’étant éteinte, la seigneurie passa à une autre branche de la même famille, les Kessel de Watermael. Joseph-Guillaume, créé baron de Kessel le 20 janvier 1751, appliqua son titre sur la terre de Blanmont, qu’il laissa à son fils aîné, Joseph-Benoît-Casimir-Hyacinthe (relief du 5 juin 1779), mort en 1780. L’héritage des Kessel a été morcelé et aliéné. Blanmont, après avoir appartenu à un M. Laloux, est devenu la propriété de M. Alexandre Namèche.’ Nadien is de eigendom blijkbaar nog overgegaan naar Everaert de Velp, een naam die we hierna nog zullen tegenkomen.

Op de Ferrariskaart zie je de site heel mooi afgebeeld met veel meer gebouwen dan dat er nu staan. Daar kan je ook zien dat waar nu de spoorweg is het terrein in die tijd nog flink moerassig was: vandaar de naam van het nu kurkdroge akker-voetpad van de Moulin du Godeupont naar het kasteel – Sentier du Marais.

De gedeeltelijk bewaarde muur rond het parkdomein is gebouwd met plaatselijk gedolven kwartsiet en op de foto’s zie je wel dat er enig restauratiewerk nodig is.

Chastre – Blanmont – de afgebrokkelde muur van het Château

Het in de 19de eeuw heringerichte woonhuis stamt nog uit de Kessel-tijd maar de poort met vleugels dateert uit het midden van de 18de eeuw. Aan welke familie het wapenschild boven de poort toebehoort weet ik nog niet (wie helpt?). Vanaf 1863 stond er ook nog een suikerfabriek op het terrein met Victor Docte als directeur. Het château is ‘ingeschreven als monument’ op de Waalse inventaris van waardenvol bouwkundig erfgoed maar het is niet echt ‘geklasseerd’.

In onze tijd is het nog altijd een privé-woonst en je wandelt er dus niet zomaar naar binnen. Het is mooi en stijlvol gerestaureerd. Het park met de vijvers dat je nu ziet wordt in 1895 aangelegd door de landschapsarchitect Edouard Galoppin. De monumentale beuken, haagbeuken en kastanjes kan je van ver zien als je over de afgebrokkelde domeinmuur kijkt.

Maar om de ingang van de ijskelder te vinden moet je binnen die muur zijn. Hoe het er precies heeft uitgezien bij de aanleg heb ik nog niet uitgevonden omdat ik niet beschik over de bij de bronnen vermelde inventaris van Tarlier en Wauters maar het is duidelijk in de Engelse landschapstijl zoals in die tijd de mode was.

Op de topografische kaart van 1904 zijn geen details te zien en ook niet op de kaart van 1939. Op die beide kaarten staan geen vijvers van betekenis aangegeven wat vreemd is want op oudere kaarten zijn die er wel, zij het in heel andere (rechthoekige) vormen dan vandaag en ook gedeeltelijk op een andere plaats. Op die oude kaarten staan er ook veel meer gebouwen.

Chastre – Château de Blanmont

Een grote en een kleine vijver zie ik voor de eerste keer op de kaart van het Ministerie van Openbare werken van 1950. Die kaart geeft wel heel helder de contouren van het domein weer. Je ziet de rivier door het domein kronkelen met enkele charmante bruggetjes en de muur in Blanmonts kwartsiet.

De oude bomen zijn inderdaad wel heel indrukwekkend. Sommige beuken zijn volgens mij ooit geplant als ‘bundelbomen’, dat wil zeggen als jonge boompje zowat tegen elkaar zodat de stammen door de jaren heen tegen en in elkaar gegroeid zijn waardoor de boom er extra dik uitziet. Een aantal ervan doet het nog heel goed maar anderen vertonen toch wel ouderdomskwetsuren.

Een van kastanjes (of is het toch een haagbeuk?) is zelfs helemaal hol en dichtgemetseld met een muurtje dus ik vermoed dat hij een van de eerstvolgende zware stormen niet zal overleven. Een reusachtige beuk is kennelijk niet heel lang geleden omgevallen. Enkele robinia’s tonen ook de reusachtige knobbels die zulke bomen krijgen naarmate ze toegestaan worden om op leeftijd te komen.

De tennisbaan is al heel lang niet meer gebruikt en is eigenlijk vooral vanwege het hek er rond goed te onderscheiden van de grasweiden met brave rijpaarden. De mooi gemetselde ijskelder is ook al een hele tijd niet meer in gebruik zo te zien.

Een groot deel van het park is bebost maar aan de Rue du Château is een deel van het park ingenomen door een niet meer zo nieuwe maar toch eigentijdse villa met een eigen tuin die niet in stijl is met de rest van het park. Het herinnert me er aan dat wie gesteld is op het bewaren van te herbestemmen erfgoednatuur toch best voorzichtig is met het te verkavelen zonder erfgoed-bewarende voorwaarden.

Chastre – Château de Blanmont – de Orne op het domein met de ijskelder als inzet op deze foto

Van het Château de Blanmont naar Le Moulin Al Poudre in Hévillers aan de Orne op de grens tussen Chastre en Mont St. Guibert is niet zo heel ver. Om er te komen zijn er twee mogelijkheden.

De eerste weg passeert langs de L’Eglise Saint-Martin en dan via de Rue de L’Eglise en het Sentier de la Fesse en de Rue de Bau. Op die route kom je ook langs de mooie 19de eeuwse Villa Bauer met torentjes en op de Waalse inventaris van Waardenvol Bouwkundig Erfgoed ingeschreven als ‘monument’. Behalve de mededeling dat er achter het hek een mooi park is en een beschrijving van het niet-toegankelijke gebouw heb ik nog niet ontdekt door wie het gebouwd is en in welke historische samenhang.

De tweede gaat langs het stationnetje van Blanmont juist op de gemeentegrens met Hévillers (Mont-Saint-Guibert). De trein stopt juist ten zuiden van de Rue de Blanmont (op de kruising met de Rue de la Gare). Tot 1980 stond er daar een mooi klein stationsgebouw (http://www.garesbelges.be/blanmont.htm) maar het witte woonhuis aan de ingang van de veldweg juist over die grens aan de noordkant met de mooie vogel is volgens mij een vroeger stations-café. Waarom dat stationnetje is afgebroken begrijp ik niet goed want er is eigenlijk niets comfortabelers voor in de plaats gekomen.

Chastre-Blanmont – Hévillers – het stationnetje was aan de andere kant – dit is aan de Chemin des Carrières

Die veldweg is het Sentier du Moulin Al Poudre dus vandaar kan je het niet missen. Bij de aanleg rond het begin van de 20ste eeuw heette hij overigens Chemin des Carrières en was er een spoortje om de kasseien van de groeves naar het station te brengen. Onderweg krijg je nog een prachtig zicht op de rivier en de vallei. 

Aan het vreedzame karakter, de mooie natuur en de mooie witte kleur van het voormalige gebouw aan het Sentier du Moulin al Poudre zou je het niet zeggen maar deze etappe voert langs een deel van het dorp dat nog niet zo heel lang geleden het toneel was van grote industriële activiteit. De aanleg van de spoorlijn tussen Brussel en Namen in 1855 en daarna de opening van de belangrijke buurtspoorwegenlijn (Vicinal) tussen Incourt en Courcelles luidt een periode van industriële ontwikkeling in die deze landbouwstreek bijna een eeuw lang een totaal ander gezicht geeft.

Van de suikerfabriek die tussen 1863 en 1940 220 mensen tewerkstelde en die zowat naast het Château de Blanmont gestaan moet hebben we waarschjnlijk alleen nog oude foto’s over. Maar van de 19de eeuwse ‘carrières’ voor de ontginning van de ‘kwartsiet van Blanmont’ in het nabijgelegen rotsachtige gebiedje dat op de kaart vermeld staat als ‘Les Montagnes’ zijn voor de aandachtige toeschouwer behalve oude foto’s nog wel wat littekens te zien.

Onderlangs de rotsachtige hellingen komen hier drie riviertjes samen waarvan de Orne uiteraard de belangrijkste. De andere twee zijn de Ri des Lovières en de Nil. Over de steengroeven ga ik het nog hebben maar vandaag is de streek bezaaid met residentiële woningen. Op een van de foto’s zie je vanaf een brug aan de Rue de Bau over een diepe holle uitgehakte weg zo’n villa midden in een oude steengroeve staan (Rue de Bau nr.24, mooi te zien op de carte des travaux publics van 1950). Op diezelfde weg staat ook nog de 19de eeuwse villa Namèche, een nogal vierkant gebouw uit 1893.

Chastre – Blanmont – Rue de Bau 18 – vlilla Namèche

Le Moulin Al Poudre – aan de Orne rechts langs de spoorlijn, maar juist over de gemeentegrens tussen Chastre – Blanmont en Mont-Saint-Guibert – Hévillers wordt voor het eerst genoemd in 1608 in een proces van de Kasteelheer van Blanmont tegen de dan blijkbaar nieuwe eigenaar van de molen, de burgemeester van Mechelen(!). Waarover dat proces ging weet ik nog niet. Op de Ferrariskaart staat hij als Moulin Delval maar dat is kennelijk een vergissing want die bevindt zich nog een eindje verder stroomafwaarts aan de Tour Dalvaux.

De naam ‘Al Poudre’ zie ik voor het eerst op de kaart VanderMaelen van 1846. Rond de oorsprong van die naam hangt een waas van geheimzinnigheid. Het is een korenmolen met ingebouwd bovenslag waterrad maar in alle bronnen die ik vind staat dat hij in 1815 door de troepen van Napoleon Bonaparte gebruikt zou zijn als munitiedepot en dat om die reden de term ‘Al Poudre’ aan zijn naam werd gehangen. Bron van deze bewering is blijkbaar een in 1993 verschenen artikel in de brochure “Itinéraire d’une rivière brabançonne” uitgegeven door de Société Royale Belge de Géographie et l’Administration Communale de Chastre maar die brochure heb ik niet.

Sinds enkele jaren wordt door mensen die het kunnen weten in Chastre gezegd dat dit een slechts een populair geworden legende is waarvan de echtheid door geen enkel archiefdocument wordt aangetoond. Volgens de Cercle Historique kom de naam ‘Poudre’ komt blijkbaar al voor in 1787 en is die afkomstig vanwege het malen van eikenschors voor de leerlooierijen van Waver.

Chastre – l’Orne tussen le Moulin Godeupont en le Moulin Al Poudre

Zoals ik hierboven echter al gezegd heb in het tekstdeel over Le Moulin du Godeupont bevat de databank van Molenechos echter de volgende opmerkelijke passage met een citaat uit een document waarvan de echtheid wel lijkt vast te staan en dat in werkelijkheid betrekking heeft op Le Moulin al Poudre:

“in 1789 was de watermolen tevens ingericht als kruit- of poedermolen. Deze werd in juli van dat jaar te koop aangeboden. In de Gazette van Gend verscheen in juli 1789 niet minder dan 5 keer de volgende advertentie: ‘Men presenteert te koopen zekeren Poeder- ofte Kruyd-Molen, gelegen tot Blamont, twee meylen van Waver, bestaende in eene groote opene plaetse, welkers omloop wel bebouwd is, eenen Water-Molen met vier Steenen, eenen Polister-Molen met alle de betrekkende Gereedschappen en het Geheym tot het fabriqueeren van dit Kruyd, Pakhuizen en eene schoone Wooninge met Hof voor den Bestierder, met noch een stuk Land, daer tegen gelegen, te samen groot ontrent twee bunderen, alles ten pryze van 14000. guld. Wisselgeld. De gene die daer toe genegen zyn, konnen hun begeven by Sr. Knapen op de groote Merkt tot Brussel, woonende by Sr. Pauwels, Boekdrukker.’  Opvallend is dat het fabrieksgeheim mede werd verkocht!. Deze poedermolen werd voor 1830 verwijderd maar de korenmolen bleef in werking.”

Voor wie zich vragen stelt over ‘het geheim van de productie’  van een explosief goedje als buskruit in een historische watermolen heb ik uit een goede bron laten vertellen dat het in dit geval gaat om ‘zwart’ buskruit dat tot in de 19de eeuw bestond uit een poeder (sas) met een welbepaalde samenstelling (zeer nauwkeurig maar de details geef ik je niet) van salpeter (gewoonlijk kaliumnitraat), houtskool en zwavel,  of als zwavelloze mengeling van kaliumnitraat met houtskool.

(Chastre) Hévillers – le Moulin al Poudre

Als alle ingrediënten fijn gepoederd en vermengd zijn, heet het mengsel green powder of slangenpoeder; het mengsel verbrandt traag en laat veel residu achter. Als het mengsel nog een paar uur met een kogelmolen wordt gemalen, heet het resulterende heel fijne poeder ‘meal powder’ (letterlijk: ‘meelkruit’). Dit is zeer brandbaar en prima bruikbaar voor uitstootladingen in raketten en vuurpijlen; bovendien laat het vrij weinig tot geen residu achter. Vooral het salpeter, oorspronkelijk uit mestkelders en dergelijke gewonnen, was schaars en moest deels gewonnen worden uit ‘salpeterbedden’ van mestrijke aarde met urine rond boerderijen. De grondstoffen moeten zeer zuiver zijn en vanwege de instabiliteit van het mengsel was het er mee omgaan bijzonder gevaarlijk en werden voor het vervoer speciale troepen ingeschakeld. Op het einde van de 9de eeuw is het rookzwak buskruit ontwikkeld dat bestaat uit cellulosennitraat en glycerinenitraat en sindsdien in allerlei vormen in de hedendaagse munitie gebruikt wordt.

Het feit dat dit in het oud-Vlaams gestelde document ten onrechte is toegeschreven aan Le Moulin du Godeupont in plaats van aan Le Moulin Al Poudre kan de oorzaak zijn van het ontbreken van bewijs voor het gebruik van de laatstgenoemde molen als buskruit-producent maar het woord ‘kruyd’ met de toevoeging ‘geheim van fabricatie’ wijst toch wel sterk in deze richting en niet op kruiden (planten, specerijen) in de botanische zin. En gezien de oorlogszuchtige atmosfeer op het einde van de 18de eeuw was er zeker vraag naar explosieven. (Toegang tot de Gazette van Gend is mogelijk via de Ugent bibliotheek (https://lib.ugent.be/catalog/ser01:000289548).

Chastre – Moulin al Poudre – de spaarvijver

Of dan bijna twintig jaar later in 1815 aan de vooravond van de Slag bij Waterloo de troepen van Napoleon Le Moulin Al Poudre dan ook gebruikt hebben voor de productie of opslag van dit poeder is uiteraard nog een heel andere vraag waar ik geen antwoord op kan geven. Volgens de Cercle Historique van Chastre is dit niet het geval. Op oude kaarten zie je echter wel dat er in die tijd in de omgeving Franse troepen waren gelegerd om vandaar naar het slagveld op te trekken. En als dat inderdaad het geval was zullen die toch zeker niet anderen dan zichzelf hebben toegelaten tot de buskruit-productie in deze molen vermoed ik. Maar evenzogoed werd er in die tijd hier helemaal geen buskruit meer geproduceerd.

Om de legende dus definitief uit de wereld te helpen (als je dat zou willen, waarom eigenlijk?) lijkt me verder onderzoek nodig. Voor 1824 staat aan de overzijde van de rivier nog een olie- en hennepbreekmolen (een ‘stordoir’) maar die wordt in 1861 afgeschaft. In 1865 wordt er een brouwerij bij gebouwd en het daar geproduceerde bier is bekend geworden als de oorsprong van de ‘Vieux Temps’ van de Brasserie Grade in Mont St. Guibert. 

In 1884 wordt de molen verbouwd tot de vijf bouwlagen van vandaag en met twee metalen waterraderen. Van voor 1830 tot ver in de twintigste eeuw is het de stek van de molenaarsfamilie Everarts. De molen maalt tot in 1940.

Sinds 1953 is hij ingericht als woning en zijn de indrukwekkende moleninrichting (twee staande en vier liggende steenkoppels) en raderen jammer genoeg verwijderd. In de jaren 1970 wordt hij omgebouwd tot een centrum voor feesten, nadien zijn er appartementen gekomen en in 2007 is er nog een hypermoderne nieuwe ontvangstruimte van 300 vierkante meter aan toegevoegd.

Moulin al Poudre – Gele kornoelje

Samen met de vijver en het park er omheen is het een mooie maar wel nogal merkwaardige eigentijds gerenoveerde site. Ondanks alle verbouwingen is de molen op de Waalse Inventaris van Waardenvol Bouwkundig Erfgoed ‘inscrit comme monument’.

Het hagelwit geverfde gebouw is niet toegankelijk maar langs de achterkant zie je over de heg een (in maart bloeiende) gele kornoelje die driehonderd jaar oud zou zijn. Vanaf hier ga ik richting waterzuiveringsstation, steengroeven en de Tour des Sarrasins.

Om van de Moulin al Poudre op de grens tussen Hévillers (Mont-Saint-Guibert) en Blanmont (Chastre) naar de Tour des Sarrasins te komen kan je het pad langs de Orne nemen onderlangs spectaculaire kwartsietwanden. Vandaag volg ik echter het landelijk ‘sentier’  langs de spoorweg , de holle weg langs de Colline de Penuel en het Station d’épuration de Chastre’. Een reiger staat te slapen in de wei, verder is er niemand te zien. Onder het spoorwegviaduct daveren enkele treinen voorbij. Aan de overkant van dat viaduct gaat ook een sentier richting Château de Bierbais maar dat ziet er op de kaart niet zo aantrekkelijk uit.

Ik duik de holle weg naar rechts in  langs een bord dat me vraagt om stil te zijn. Op en achter de helling ligt de Colline de Penuel verborgen, de eigentijdse versie van een ‘heilige woestijn’ (zoals in Nethen het domein Savenel) ofwel een plek voor stilte, gebed en afzondering. Bezoekers, zowel ‘passants’ als pelgrims zijn welkom maar wel graag na voorafgaandelijke aanmelding. Op hun website lees je er alles over.

Moulin Al Poudre aan de spoorlijn Brussel – Luxemburg

De holle weg staat op de kaart aangeduid als ‘Rue du Gros Chêne’, genoemd naar de plaatselijke majestueuze zomereik. Omdat hij waarschijnlijk op een veldje juist verborgen staat achter struikgewas heb ik hem nog niet gezien.

Aan het einde van dit pad komen we terug aan de rivier op een veel prozaischer plek, le Station d’épuration de Chastre, tussen alle kastelen, molens en hoeves sinds zijn oprichting in 2008 (?) misschien toch wel een van de belangrijkste bezienswaardigheden hoewel je het bij het toeristisch aanbod niet zal vinden denk ik.

Ondanks zijn naam bevindt het station zich juist op het grondgebied van Mont-Saint-Guibert. Het moet  het huishoudelijk afval van zo’n 10.500 mensen zuiveren voordat het water op de rivier de Orne kan worden geloosd. Dat wordt aangevoerd via ondergrondse leidingen vanuit collecteurs en verzameld in een op een diepte van 7,7 m onder de installatie aangelegde gracht. De capaciteit bedraagt per dag 1890 m³ en als bij zware neerslag de aanvoer te groot is gaat het naar een bassin d’orage met een inhoud van 1050 m³. Maar als dat vol is moet het teveel met een overstort rechtstreeks naar de rivier afgevoerd worden. Of dat vaak gebeurt vertelt de brochure niet maar bij de huidige klimaatontwikkelingen is er reden voor bezorgdheid denk ik.

Iedere druppel afvalwater brengt 36 uur in het station door voordat hij naar de rivier gaat volgens een procedé dat voldoet aan de hoogste Europese normen om alle koolstofhoudende, stikstofhoudende en fosforhoudende materialen te verwijderen. Een deel van het afval wordt naderhand verwerkt tot mest en ter beschikking gesteld aan de boeren: per jaar 371 ton droge stof ofwel 82 containers.

Mont-Saint-Guibert – Station d’épuration de Chastre

De bouw en inwerkingstelling heeft ongeveer 4,6 miljoen euro gekost en vanwege de hoge natuurkwaliteit van de omgeving (natura 2000) hebben de architecten zoveel mogelijk gebruik gemaakt van de ondergrond om de installaties te verbergen en is ook bovengronds zo onopvallend mogelijk gebouwd. En ik moet toegeven dat je er inderdaad nogal weinig van ziet, ook al vanwege een alles omringend groenscherm. Er zijn bezoekmogelijkheden en maar daarvoor contacteer je best zelf de op het bord vermelde email denk ik.

Om van de Moulin al Poudre op de grens tussen Hévillers (Mont-Saint-Guibert) en Blanmont (Chastre) naar de Tour des Sarrasins te komen je ook het pad langs de Orne nemen onderlangs spectaculaire kwartsietwanden. Vanwege die wanden geniet dat traject wel mijn voorkeur, ook al omdat je dan bijna altijd vlak langs de rivier gaat.

Het eerste stuk gaat langs de buitenrand van ‘Les Montagnes’ door een gebiedje wat vroeger waarschijnlijk deel uitmaakte van de steengroeve maar waar nu een heleboel nieuwe villa’s zijn gebouwd. Het pad gaat achter de huizen langs en er tussendoor en het eerste stuk valt een beetje tegen omdat de bewoners blijkbaar niet zo graag wandelaars een blik op hun achtertuin gunnen en alles hebben afgespannen met hoge hekken en groene plastieken zeilen waar je dan maar tussendoor moet stappen.

Ik vind dat nooit erg sympathiek en zelfs een beetje verdacht maar gelukkig kom je al snel aan het begin van de Rue des Montagnes aan een bruggetje waar Le Ruisseau du Nil uitkomt op de Orne. Over Le Nil beloof ik ook nog een afzonderlijke reportage maar dan moet ik eerst nog meer weten over al die steengroeves die daar langs waren en er ook een bezoek aan hebben mogen brengen om foto’s te maken. Bovendien is er wel een pad langs Le Nil maar er zijn problemen met het recht van doorgang voor voetgangers omdat sommige privé-eigenaars ook al niet houden van wandelaars-natuurliefhebbers langs hun achtertuin en plaatselijke natuurliefhebbers-wandelaars er niet in slagen om zich voldoende te organiseren om hun rechten op te eisen.

Chastre – aan de monding van Le Nil

Waar het fabrieksachtige gebouw aan de brug voor dient weet ik nog altijd niet maar het steekt wel nogal af tegen de groene omgeving. Je bent hier nog altijd op het grondgebied van de gemeente Chastre maar niet lang meer. De Orne is hier een levendig kabbelend bergriviertje van toch al een flinke breedte zo te zien. Tussen de bomen zie je een ijzeren constructie die ooit een stuw geweest moet zijn in de richting van de Moulin d’Alvaux waar we ook nog zullen komen. Een bord van de milieumaatschappij vertelt je dat er hier een collector is voor het huishoudelijk afvalwater. Vanaf de hoge oevers heb je mooi zicht op het achterliggend landschap. In de rivier heeft een visser zich al een mooie plek gebouwd.

Van hier gaan we verder langs het kwartsiet van Blanmont. Als je heel goed op de kaart kijkt zal je zien dat we dan niet meer in Chastre of Mont-Saint-Guibert zijn maar in de gemeente Walhain.

Het kwartsiet van Blanmont in de ondergrond van Chastre en omgeving geldt met dat van Dongelberg en Opprebais (en andere plaatsen) bij kenners als de hardste steen van België. Leken (zoals ik) moeten weten dat het géén stollingsgesteente is maar tot rots gevormde zandsteen onder honderden meters dikke lagen van zand-met-silicium, afgezet door de zee van 500 miljoen jaar geleden. Samengeperst door het eigen gewicht en 100 miljoen later omhoog verticaal omhoog gewrongen door de botsing van tektonische platen tussen continenten is het van chemische samenstelling veranderd tot heldergrijze rots met dikwijls een warme bronzen of roestige kleur en andere tinten veroorzaakt door kristallen of begroeiing (zoals mos).

Chastre Walhain – oude steengroeve aan het riviertje de Orne

Bijna overal is dit ‘Massief van Brabant’ diep verborgen onder het veel later afgezet ‘Brussels zand’. Maar in de door het water uitgeslepen valleien van de Orne en bijrivieren zoals de Nil, de Ri de Lovières en de Ruisseau de Corbais komt het zichtbaar aan de oppervlakte.

Vanaf de middeleeuwen bouwen de mensen er op artisanale of ambachtelijke wijze hun forten, huizen, schuren en bruggen mee en verharden ze de plaatselijke wegen met steengruis of kasseien. In Chastre zijn nog heel oude huizen te vinden die met deze steen gebouwd zijn en bestaat ook de omheiningsmuur van het Château van Blanmont uit dit materiaal. Ook de muren van het ‘seizoen arbeidershuis’ (de laatste resten van de vroegere burcht) op de site van de Ferme Rose zijn ermee gebouwd maar volgens mij zijn de kasseien op het plein van andere oorsprong (?). Ook de onderkant van de Moulin D’Alvaux, de campinghoeve en in Mont-Saint-Guibert de Tour de Bierbais zijn met dit kwartsiet steen gebouwd.

Het meest spectaculaire voorbeeld dat ik ken staat echter juist over de gemeentegrens in Nil-Pierreux  (‘steenachtig”, Walhain) op de camping Val D’Alvaux: de ietwat spookachtige middeleeuwse ‘Tour des Sarrasins’ die daar in de middeleeuwen is gezet als schakel in het systeem van de grensverdediging in die tijd.

Walhain – Camping d’Alvaux – Tour des Sarrasins

Op die toren kom ik terug maar eerst vertel ik nog iets over de industriële ontginning van het kwartsiet in de 19de eeuw in de tijd dat de Belgische wegen voor de eerste keer bestraat worden en de kasseien hun grootste bloeitijd beleven.

Op het einde van de 18de eeuw komen op initiatief van de hoge bestuurders in ons land grootschalige initiatieven op gang om het wegennet tussen de grotere steden te bestraten met kasseien. Dat leidt in Chastre en op andere plaatsen tot de aanleg van echte groeves maar de overgang van artisanale naar grootschaliger industriële ontginning gebeurt in de 19de eeuw.

Aan het begin van die eeuw zijn in Chastre zo’n 10 groeves in bedrijf die in de daarna volgende decennia voortdurend uitgebreid worden in capaciteit en aantal. De steen wordt gebruikt om er mee te bouwen maar de echte massale ontginning loopt evenwijdig met de ‘bekasseiing’ van de provinciale wegen tussen 1840 en 1900. Om je een idee te geven, een van de grotere groeves (Molignias) produceert in 1878 35.000 kubieke meter steen waarvan een derde gedeelte kasseien en de rest grotendeels gemalen of vergruisd.

In die tijd moet zowat heel de omgeving er als een steengroeve hebben uitgezien: vandaar de naam Blanmont vanwege al dat wittige stof om nog niet te spreken van het lawaai en de stank die zo’n productie met zich meebrengt: explosieven, vallende en ratelende zware stenen, vervoer van al dat materiaal.

Chastre – Blanmont – villa in de voormalige steengroeve (Rue de Bau 24)

De grote spoorlijn levert uiteraard een competitief voordeel op maar vanuit sommige groeven worden ook privé-sporen aangelegd (zoals de Chemin des Carrières). Het plaatselijke riviertje de Nil wordt omgelegd. Wie kasseien produceert kan rekenen op ferme subsidies van de hogere overheden en dus investeert de gemeente samen met particuliere ondernemers/notabelen zoveel als ze kan in de uitbating van de groeves om er zoveel mogelijk aan te verdienen. Hoeveel arbeiders er hun dagelijks brood in verdienden en of die er ook rijk van geworden zijn is blijkbaar niet echt gekend.

Op de overgang naar de 20ste eeuw is het sprookje over en uit. De automobiel doet zijn intrede samen met het asfalt en later het beton maar  de vraag naar Blanmont-kwartsiet stort al vroeg ineen, vooral omdat de markt overspoeld wordt met meer bewerkbare kassei-soorten uit groeves in andere streken. De laatste groeve gaat dicht rond 1910, de anderen zijn dan al lang gesloten, sommigen staan onder water.

In de jaren nadien worden die gebruikt om in te zwemmen, anderen dienen als stortplaatsen. De natuur ontfermt zich snel over al dat verlaten erfgoed en in onze tijd bouwt men er villa’s in en over.

De kasseibanen die je in Chastre nog ziet zijn blijkbaar meestal niet gelegd met het kwartsiet van Blanmont maar pas al flink in de twintigste eeuw met de veel goedkopere Quenast-kasseien uit Edingen. Reden tot nadenken over de mens als wroeter en nostalgie alom maar volgens mij zijn er in Chastre niet veel die dit alles heel droevig vinden.

Moulin d’Alvaux

Aan het einde van het pad langs de rotswanden langs de Orne op weg tussen Le Moulin Al Poudre, nog juist in Mont-Saint-Guibert (Hévillers) en de Tour des Sarrasins, juist in Walhain kom je aan de monding van de Ry Corbais aan een groot gebouw recht tegenover de camping dat er uitziet als een echte fabriek. Het is nu een groothandel in geestrijke dranken maar het is de voormalige Moulin d’Alvaux.

Het indrukwekkende bakstenen gebouw is vier verdiepingen hoog. Hij wordt voor het eerst vermeld in 1505 als ban-korenmolen in de kleine plaatselijke heerlijkheid Vaux (betekenis: waar rivieren en beken samenkomen). Hij is tot na 1960 de stek van de molenaarsfamilie Demanet onder wiens beheer de molen in de jaren 1880 sterk verbouwd wordt door het grote gebouw er bij te zetten en het molenrad te vervangen door een turbine. Bij het stilleggen van de molen (wanneer precies weet ik nog niet) zijn turbine en binneninrichting verwijderd, is het gebouw ingericht met privé-appartementen en heeft er zich een drankenhandel gevestigd (Moulin d’Alvaux Covineur).

Het oorspronkelijke molengebouw (?), de stuw en waterval zijn er nog maar die zie je van buiten slechts van een afstand. Plaatselijk is de rivier in het verleden omgeleid of gesplitst om het water naar de molen op te stuwen (la Fausse Orne) en naar het zuiden zie je op de kaart nog de contouren van de voormalige spaarvijver naast het nieuwe waterzuiveringsstation. Op de Ferrariskaart van 1777 kan je min of meer zien hoe een en ander er in die tijd uitzag door in te zoomen naar ‘Moulin Delval’.

Chastre-Walhain – Moulin d’Alvaux

Er is wel een mooie tuin aangelegd en aan de achterkant is een theater. Wat de industriële functie is geweest van het langgerekte verhoogde platform aan de zuidkant weet ik niet. Het gebouw is in heel goede staat. Op de Waalse Inventaris van Waardenvol Bouwkundig Erfgoed is het complex ‘inscrit comme monument’ maar zonder veel commentaar.

 Van hier ga ik verder langs de rivier richting Château Bierbais in Mont-Sant-Guibert. Over de middeleeuwse donjon aan het riviertje L’Orne in Walhain (Nil-Saint-Vincent-Saint-Martin) op de camping d’Alvaux met de naam Tour des Sarrasins gaat het volgende stukje.

De Tour des Sarrasins in Nil-Pierreux (Walhain) staat midden op de Camping d’Alvaux tussen de Orne en een beekje La Fausse Orne. Doe nog één stap en dan sta je plotseling in Chastre (Orne stroomopwaarts) of Mont-Saint-Guibert (stroomafwaarts). Hier sta je niet alleen zowat op het geografisch middelpunt van België maar ook terug in de 12de eeuw.

In 1199 verkoopt abdis Berthe de Nivelles aan de machtige kasteelheer Arnould (II) van Walhain een moerassig en onbebouwd stuk grond tussen rivier en beek. Deze laat daar de donjon bouwen samen met een watermolen en een schuur om er een deel van zijn familie te huisvesten. Hun afstammelingen verkopen het domein in 1472 maar waarom en aan wie verklappen mijn bronnen niet, noch wat er daarna mee gebeurd is dus wie dat weet mag het graag zeggen. De camping dateert van 1970.

Walhain – Camping d’Alvaux met de Tour des Sarrasins juist nog op rechts in net beeld. Het campinggebouw is een sterk verbouwde versie van de rond 1200 gebouwde schuur die bij de toren en de watermolen hoort

Het hoge gedeelte van de voormalige 18de/19de eeuwse hoeve met de muren in kwartsiet van Blanmont staat samen met de toren op de Waalse inventaris van Waardenvol Bouwkundig Erfgoed als ‘inscrit comme monument’ en ‘geklasseerd’. De dikke muren van de toren zijn van kwartsiet van Blanmont en kalkzandsteen van Gobertange. Er zijn vijf verdiepingen, twee open haarden, enkele vensteropeningen, schietgaten, een wc en een kelder. Van binnen zou er een trap zijn. Het dak is er niet meer en of er ooit een gracht rond is geweest is niet bekend.

Het indrukwekkende geheel is jammer genoeg vervallen hoewel het sinds 1989 beschermd is als monument. Er wonen kauwen en duiven in en in het metselwerk zie ik een boom uitsteken. Als woning zal de donjon nooit geriefelijk zijn geweest denk ik maar als burcht heeft hij al die eeuwen overleefd dankzij het opmerkelijk zorgvuldige metselwerk van die tijd.

De naam ‘Sarrasins’ is een raadsel maar het was wel de tijd van de ridderkruistochten tegen de ‘moordlustige Saracenen’ en misschien was de term dan wel een synoniem voor ‘vijanden’ in het algemeen (niets nieuws onder de zon). Overigens betekent het woord in het Frans ook zoiets als ‘koren’ of ‘boekweit’. Soortgelijke donjons in deze omgeving (Tour de Griffon in Corbais en Tour de Bierbais in Mont-Saint-Guibert) heten ook ‘Tour des Sarrasins.

Walhain – Camping D’alvaux – Tour des Sarrasins

Deze torens staan allen op de historische zuidgrens van het hertogdom Brabant en dienden om de vijandelijke Graaf van Namen tegen te houden. Volgens de legende staan ze ondergronds met elkaar in verbinding alsook met het grote kasteel in Mont-Saint-Guibert. Wie durft bewijzen dat dit niet waar is?

Van hier gaan we verder langs het sentier de l’Orne richting Mont-Saint-Guibert. Op stap langs deze rivier raak ik nogal eens in de war met de grenzen van de aan het riviertje liggende fusiegemeenten. De oprijlaan naar de Moulin Al Poudre vertrekt nog juist in Chastre-Blanmont maar het domein zelf ligt al in Mont St. Guibert-Hévillers. De Camping en le Moulin d’Alvaux met de Tour des Sarrasins liggen samen met de Ry de Corbais en le Nil op het grondgebied van Walhain.

Voor de wandelaar-natuurliefhebber die de rivier de Orne volgt van de Tour des Sarrasins naar de Tour de Bierbais geeft dat allemaal niet want je volgt gewoon het water langs het aangegeven ‘sentier de l’Orne’. Als ik het goed heb ligt dat pad tot aan de brug aan de Rue du Nil in Walhain maar de oever aan de overkant van de rivier is vanaf het einde van de camping alweer Mont-Saint-Guibert.

Als je iets meer wilt weten over de historische gebouwen waar je langs komt is het verwarrend want de erfgoeddossiers vind je voor iedere gemeente en zelfs per deelgehucht (‘unité) afzonderlijk dus dan moet je die historische grenzen op de kaart van nu goed weten te vinden. Ik heb trouwens gemerkt dat de bewoners zelfs nogal gesteld zijn op een preciese aanduiding van de plek waar ze wonen, misschien een erfenis uit de tijd van de met elkaar rivaliserende plaatselijke ‘seigneurs’?

Kwartsiet van Blanmont – Oude steengroeve boven de camping d’Alvaux in Walhain

Aan het pad achterlangs de Camping vanaf het bord ‘la Fausse Orne’ zie je tussen de bomen aan de rotswanden wel de resten van steenhakkers-activiteiten. Op de kaart staat ‘Scavées du Sart’ en ‘Bief d’Alvau’, woorden waarvan de betekenis mij niet heel duidelijk is (wie helpt?). Ik denk dat de toren gebouwd is met stenen uit deze muur en dat er sinds die tijd nog veel gewerkt is in deze groeve. Het zicht op de camping is van hier niet heel boeiend maar boven de caravans rijst de toren altijd hoog op.

Na de camping dalen we terug af naar de Orne die we volgen door een bosachtige moerasomgeving met vele vissersplekjes langs de rivier. Op veel plaatsen staan bordjes om je duidelijk te maken dat je hier niet zomaar je hengel mag uitwerpen maar om foto’s te maken tot in de rivier zijn die plekjes wel gemakkelijk.

Aan het bord Sentier de L’Orne bij de brug aan de Rue de Nil nr.53 staat een geheel overgroeide vrij grote kapel zonder enige aanduiding met een deur die zo te zien ook al lang niet meer openging. Binnenin zie je in de duisternis een donker Mariabeeld. Plaatselijke mensen wisten er niets over maar ondertussen heb ik het erfgoeddossier gevonden (de kapel staat juist in Mont-Saint-Guibert) en daar lees ik dat boven de deur van La Chapelle Notre Dame de Hal een inscriptie zou moeten zijn met het jaartal 1908 maar dat het gebouw zodanig overgroeid is dat je dat niet kan lezen.

Het bakstenen gebouwtje is ‘inscrit comme monument’ maar wie het gezet heeft en waarom staat er niet bij. Notre Dame de Hal is een heel beroemde zogenoemde ‘zwarte (maar lieflijke) madonna’. Haar bijstand wordt onder meer ingeroepen om te genezen van zeer zware ziektes.

Mont Saint Guibert – Sentier de l’Orne – la chapelle Notre Dame de Hal – aan de Rue de Nil

Aan het hekje ga je opnieuw de rivier-natuur in van Walhain en volgens het blauwe bordje ben je hier op de officiële pelgrimsweg naar Santiago de Compostela.  Het pad heet hier officieel ook le Chemin de St.Jacques de Compostelle maar ik ben er nog geen pelgrims tegengekomen.

We volgen het verder tot en na de tunnel onder de spoorweg. Gelukkig dat ze hier niet op elke grensovergang nog tol heffen zoals dat in het verleden wel gebruikelijk kan zijn geweest.

Na de tunnel onder de spoorweg komen we op de Rue du Nil waar we aan de brug ook al weer een kapelletje tegenkomen. Tegen die tijd zijn we alweer een tijdje vanuit Walhain de grens overgestoken naar Mont-Saint-Guibert. Als je op de kaart kijkt dan zie je dat de omgeving hier nogal sterk bebouwd is maar vanaf het wandelpad zie je daar niet veel van omdat de oevers blijkbaar zorgvuldig vrijgehouden worden van de verkavelingsdrift. Hier en daar gaat het aan de rand van een weide maar meestal stap je vlak langs de rivier tussen de bomen.

De rivier is hier al flink breed met stroomversnellingen maar niet diep. Er zijn even geen watermolens te zien en dat maakt dat de stroom nergens is rechtgetrokken maar gewoon zijn natuurlijke kronkels volgt. Ik vind geen berichten over overstromingen en dat valt eigenlijk ook op in vergelijking met andere rivieren en riviertjes in het stroomgebied van de Dijle en de Dyle.

De natuur wordt hier duidelijk goed in stand gehouden. Volgens Le Contrat de Rivière Dyle et Affluents – de organisatie die dit deel van het stroomgebied van de Dijle opvolgt – is de kwaliteit van het water op dit traject nog altijd maar ‘middelmatig’ maar het is wel helder en er zit duidelijk veel vis op zo te zien aan de vele vissersborden. Het valt mij ook op dat ik weinig afval in en naast de rivier zie.

De Orne – Pêche Privée

Ik slaag er echter niet in om te ontdekken of en zo ja welke stukken van deze rivier – behalve aan de bron – zijn opgenomen in het Europese natuurbeschermingsnetwerk Natura 2000 of in andere Belgische of Waalse beschermingsregimes. Maar ik geef toe dat ik moeite heb om mijn weg te vinden in de Franstalige natuurbeschermingswebsites.

De dubbele spoorwegtunnel is wel een spectaculaire doorgang en vanwege de duisternis ook een beetje geheimzinnig. Je ziet ze nauwelijks maar boven je hoofd razen de treinen voorbij op weg naar Brussel of naar Namen en Luxemburg. Van mij mogen ze, ik ben liever hier langs het water om te luisteren naar het gekabbel tussen de stenen.

Op de Rue du Nil: Terwijl de rivier onder de straat rechtdoor gaat moeten wij hier even rechtsaf om enkele honderden meters verder opnieuw een smal pad tussen de huizen naar links te nemen, nog altijd aangeduid met die blauwe bordjes van Santiago de Compostela dus het is niet moeilijk te vinden. Op de kaart is het aangeduid als ‘sentier 40’.

Het witte kapelletje aan de brug is echt zo’n typisch klein oud familieheiligdom wat in Wallonië nog overal gekoesterd wordt. In het erfgoeddossier lees ik dat de ‘potale’ is ‘inscrit comme monument’ maar verdere details ontbreken. Zoals al dit soort kapelletjes is het ferm afgesloten met ijzerwerk om diefstal tegen te gaan maar een vriendelijke dame maakt het speciaal voor mij open voor een foto van het mariabeeldje.

Aangekomen op de Rue des Tilleuls staan we aan een met bloemen versierd brugje aan de plek waar La Houssière uitkomt in de Orne. De Houssière ken je al van mijn reportage over Le Moulin Dussart in Chastre-Gentinnes. Die komt hier aan vanuit het zuiden  maar je ziet er weinig van want hij stroomt door het privé-domein van het Château de Bierbais.

Mont-Saint-Guibert – Walhain – het riviertje de L’Orne laat zich niet tegenhouden, ook niet door de spoorlijn

De Orne zelf gaat verder naar het westen via een grillig traject tussen en hier ook onder de huizen richting Beaurieux en voor de natuurliefhebber ziet het er op de kaart even niet zo aantrekkelijk uit. Op de kaart zie ik dat er wel nog een drietal zuiveringsstations zijn en ook dat er water wordt opgepompt maar er is nergens een wandelpad langs het water.

Aan de brug hangt ook een bord met de wat raadselachtige aanduiding Ry de la Fontaine aux Corbeaux. Op de kaart zie je dat die beek een 750 meter verder naar het noordoosten (richting Corbais) ontspringt in een sinds de tijd van Ferraris zo goed als helemaal  onder de huizen verdwenen Bois de Béclines, dan als een kanaaltje verder stroomt evenwijdig aan de Rue Fontaine aux Corbeaux en vervolgens onder de spoorweg door moet tot aan de (verdwenen?) ‘fontein’ waar de mensen vroeger hun water haalden. De kraaien heb ik nog niet gezien maar nu weet ik dat Corbais in deze streek misschien niet slaat op zoiets als Korbeek of Kortebeek maar op zwarte vogels.

Om spectaculaire foto’s door een avontuurlijke fotograaf te zien van het ondergrondse deel van al dit water onder de Place de la Fosse open je best de link naar http://tchorski.morkitu.org/2/drains-01.htm.

Op de Rue des Tilleuls (geen lindes of andere laanbomen te zien) kan ik je aanbevelen om even binnen te gaan in het allervriendelijkste Café des Pêcheurs. Het witte gebouw is niet als monument beschermd – ik vind het toch niet op de inventaris – wel een ander gebouw dichter tegen het centrum in dezelfde stijl waarvan gezegd wordt dat het heel typisch is voor de historische stadsbouw in deze streek.

Mont-Saint-Guibert – Café des Pêcheurs aan de Rue des Tilleuls

Op onze verkenningstocht langs de Orne tussen Chastre en Mont-Saint-Guibert zijn we aangekomen op het laatste deel van het traject. Langs een massieve muur aan de rechterkant van de Rue des Tilleuls komen we aan een brugje over het riviertje La Houssière en slaan rechtsaf naar de Rue de Bierbais. Het is een mooi straatje dwars door een groot park dat jammer genoeg aan beide kanten hermetisch afgesloten is met rechts een hoge muur en links een ferme afrastering.

Achter de muur verbergt zich het beroemde ‘Château de Bierbais’. Voordat je aan het kasteel bent kom je langs de vroegere watermolen en een bord met de geheimzinnige aanduiding ‘Pavillon de Bierbais’.

Volgens het erfgoeddossier gaat het om twee heringerichte ‘pavillons d’orangerie’ aan de binnenzijde van de achtermuur rond het domein met de resten van vroegere serres en een eigen tuin. Het dossier geeft een uitvoerige beschrijving maar van de straat zie je er niets van (wel op googlemaps-luchtfoto) en blijkbaar zijn de paviljoens in gebruik als privé-conferentie-zaaltjes en bed and breakfast.

Als je het niet weet zie je het niet maar recht voor de Donjon de Bierbais kom je langs de vroegere heerlijke banwatermolen van het Château op het riviertje La Houssière . Hij is gebouwd als een vierkantshoeve en lang geleden was hij uitgerust met twee waterraderen om graan te malen maar ook om de apparaten aan te drijven van de plaatselijke boerderijschool of schoolhoeve.

Moulin de Bierbais met de donjon op de achtergrond

Over die vroege tijd weet ik nog niets maar na 1830 werd hij uitgebaat door achtereenvolgende plaatselijke eigenaars-molenaars Deman en Everaerts. De graanwatermolen brandde af in 1889 en werd een jaar later herbouwd als ‘fabrique de vernis de pommade et de boîtes à métaux à eau”, volgens Molenechos een dozenfabriek. Een in 1897 toegevoegde houtzaagmolen wat blijkbaar niet winstgevend want vier jaar later werd hij al weer opgeheven. Sindsdien werd het gebouw lang gebruikt om er landbouwproducten op te slaan.

Het gebouw is witgekalkt en gerenoveerd maar de watertoevoer is afgesneden, het sluiswerk is er niet meer en van het metalen bovenslagrad is blijkbaar niet veel meer over. De molen is ingeschreven op de Waalse Inventaris van Waardenvol Bouwkundig erfgoed Van buiten aan de straat zie je er ook niet veel van want als privébezit met verscheidene wooneenheden is het ferm afgeschermd en ontoegankelijk. Bovendien is het huis aan de straat van recenter datum ter vervanging van de afgebroken historische schuur. Naast het ijzeren hek hangt een merkwaardige steen met het opschrift SIDONIE/D.M.DL./8 MAI/1816, misschien de naam van de eigenaar op dat ogenblik.

Aan de linkerkant zie je de rivier La Houssière gaan langs een drietal parkachtige vijvers omringd door groene gazons met in de verte een witte villa. Die vijvers zie ik voor het eerst op de topografische kaart van 1873 heel duidelijk als spaarvijver voor de watermolen maar dan zien ze er nog helemaal anders uit en het park en de rivier heten dan ‘Rau dit Feauseau’. Hij is ook nog heel duidelijk te zien op de kaart van 1989. Waarvoor dit park of liever een weide moet dienen en waarom er geen enkel openbaar pad doorheen gaat weet ik niet.

Langs de straat is er een heel grote school en verzorgingscentrum voor andersvalide jongeren en volwassen (Institut de Bierbais) en ik zou mij kunnen voorstellen dat het voor de bewoners wel leuk zou zijn om hier af en toe naar toe te mogen gaan, ook al omdat er in de omgeving volgens mij verder nauwelijks openbaar groen is.

Mont-Saint-Guibert – Rue de Bierbais – Ferme de la Michaëtte

Volgens het erfgoeddossier is de villa de voormalige ‘Ferme de la Michaëtte’. De oude hoeve staat nog achter het hoofdgebouw staan maar de heel mooi gerestaureerde hagelwitte villa dateert uit de 19de eeuw. De naam ‘La Michaëtte zou volgens Tarlier en Wauters verwijzen naar ‘Muche Hayette’ ofwel naar ‘Bois Muytsaert Haytte” dat vermeld wordt in een in het Vlaams document van 1440 (TARLIER J., WAUTERS A., 1865, Géographie et histoire des communes belges. Province de Brabant. Canton de Perwez, p. 66, 69.).

Op postkaarten van het begin van vorige eeuw is het blijkbaar in gebruik als het ‘Instituut Agricole et Horticole de Bierbais’ maar sindsdien is het als privéwoning met voorhof, zwembad en tennisbaan maar verder vind ik er geen nuttige informatie meer over.

Van de Tour des Sarrasins in Alvaux zijn we bij de andere Tour aangekomen. Waar in Mont-Saint-Guibert (Hévillers) de Orne samenkomt met La Houssière ligt achter een muur het Domaine de Bierbais. De Rue de Bierbais gaat er dwars door en langs daar kan je het een en ander zien.

De machtige Leuvense familie de Bierbeek, heerser over de gelijknamige heerlijkheid, is in de 12de eeuw samen met de abdij van Gembloux de eigenaar van zowat alle gronden in de streek van Hévillers en Mont-Saint-Guibert. Op dringend verzoek van de Hertog van Brabant bouwt de familie de donjon (de Tour de Bierbais) en kerk op de plek waar later ook het kasteel zal staan. Om het geheel compleet te maken wordt er ook de watermolen gezet.

Château de Bierbais met de donjon

De familie sterft uit op het einde van de 14de eeuw en hun domein komt in handen van de Heerlijkheid Walhain onder het bewind van de familie de Glymes die de naam de Bierbais verder blijft gebruiken. Nadien komt het in handen van de familie Everart de Velp. Om de namen van de families De Glymes,  De Bierbeek en De Velpe terug te vinden ga je best ook eens kijken in het Vlaamse Bierbeek en Opvelp.

Aan het einde van de 18de eeuw wordt het domein met alles er op en er aan verkocht aan Charles-Ernest de Man de Lennick. Die bouwt het huidige kasteel in neo-klassieke stijl dat nadien vergroot wordt en omringd met een door een muur omheind park in Engelse stijl met vijvers, watervallen, oranjerieën en paviljoenen dat er tot op de dag vandaag nog grotendeels is. Het geheel is sinds 1977 beschermd erfgoed.

Aan de donjon kan je zien hoe hij in de elkaar opvolgende eeuwen zijn huidige hoogte en vorm krijgt: onderin gebouwd met steenbrokken van kwartsiet van Blanmont uit 12de en 13de eeuw, gevolgd door een 3de verdieping in witte bakstenen in de 17de eeuw en dan nog twee verdiepingen in baksteen uit het begin van de 19de eeuw met daarboven op de torentjes.

Het kasteeldomein was sinds 1988 de woning van Prinses Stéphanie de Windish-Graetz, een zeer boeiende excentrieke afstammelinge van de keizerlijke Habsburgers en deel van onze koninklijke familie. De prinses heeft zich kosten nog moeite gespaard om het dan vervallen kasteel en bijgebouwen te restaureren om er allerlei projecten te kunnen realiseren maar heeft het dan in 1995 moeten verkopen omdat de schulden te hoog waren opgelopen.

Over die verkoop hangt een mysterie. Plannen van de prinses om er publiek seminarie- en kunstencentrum van te maken (en een opvang voor in de steek gelaten kinderen) stuiten in die jaren op zoveel plaatselijk overlast-protest van de omwonenden dat de zakenman die er blijkbaar 65 miljoen euro voor over had, van zijn project afziet, niet meer deelneemt aan de publieke verkoop en het geheel na een gedwongen veiling verkocht wordt voor 26 miljoen aan een niet nader genoemde vennootschap van een anoniem blijvende ‘zakenman of bankier in Ukkel’ die het graag ‘kocht als privéwoning voor zijn dochter’.

Mont-Saint-Guibert – Château de Bierbais

Die verkoop was een teleurstelling voor de prinses want de opbrengst dekte zelfs de uitstaande schuldenlast bij de bank Anhyp (het latere AXA) niet. Juridische pogingen van de prinses om de verkoop nietig te doen verklaren wegens ‘onder de waarde’ lopen op niets uit en tenslotte wordt ze er met een rechterlijk bevel uitgezet.

Daarna wordt het doodstil en vind ik alleen nog maar een RTBF-bericht in 2013 met een protest dat het privé-domein zelfs op monumentendag niet bezocht mag worden en dat de gemeente nooit meedoet aan open monumentendagen. Het is een raar verhaal maar het komt er toch op neer dat midden in de mooie gemeente Mont-Saint-Guibert een reusachtig historisch kasteel staat in een al even historisch park en dat niemand mag weten wie de bewoner is en wat men – na het missen van een fantastische kans op eigentijdse kunstzinnige opwaardering – op termijn met dat beschermde erfgoed zou willen doen. Ben ik de enige die dit niet meer zo eigentijds vindt? Zeg het dan maar!

Daarmee ben ik in elk geval aan het einde van deze verkenningstocht langs de Orne gekomen en heb ik het in zijn geheel op mijn webblog gepost zodat ook de niet-facebooklezers kunnen meelezen.

Chastre naar Mont-Saint-Guibert langs de Orne – deel 1 traject zuid kant Chastre – Blanmont

+++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

Over de Orne:

l’Orne (à Chastre) – Protégeons notre rivière !

www.crdg.eu › send › 132-feuillets-cours-d-eau › 395-or…

 http://www.crdg.eu/component/jdownloads/send/132-feuillets-cours-d-eau/395-orne-chastre (PDF) Le Contrat de rivière Dyle et Affluents

+++

http://biodiversite.wallonie.be/fr/2922-sources-de-l-orne.html?IDD=251661304&IDC=1881
+++

Natura 2000 en Wallonie | La biodiversité en Wallonie
natura2000.wallonie.be

.+++

Réseau Natura 2000 en vigueur – Géoportail de la Wallonie
geoportail.wallonie.be › catalogue

+++

Réseau Natura 2000 – Etat de l’environnement wallon – Wallonie
etat.environnement.wallonie.be › in…

De Orne – bevers aan het werk


over Chastre:


http://www.crdg.eu/component/jdownloads/send/132-feuillets-cours-d-eau/395-orne-chastre

+++

Chastre | Beleef Waals-Brabant

www.beleefwaalsbrabant.be/nl/chastre 

+++

http://www.chastre.be/loisirs/tourisme/decouvrir-chastre/histoire/village-de-blanmont

+++

www.chercha.be (Cercle d’histoire de Chastre)
artikelen in hun bulletin zijn dat jammer genoeg niet op het internet te vinden is

+++

http://www.echarp.be/twcper5.php (Tarlier & Wauters: Retranscription: Commune de Chastre)

+++

Chastre-Blanmont – l’Eglise Saint Martin


http://users.skynet.be/chercha/chastre/HISTOIRE.htm

+++

http://www.cheminsdurail.be/doc/fiche_balade_chs.pdf promenade vicinal de éà&!-05-19 1929Chastre)

+++

+++

+++

Chastre et Walhain
https://books.google.be/books?isbn=2870099991

Chastre – paadje tussen La Ferme Rose en Le Moulin du Godeupont

Over la Ferme Rose :

La Ferme Rose, bescherming als monument:

http://spw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/fiche/index?sortCol=2&sortDir=asc&start=0&nbElemPage=10&filtre=&codeInt=25117-INV-0003-02

+++

[PDF]PROMENADE DE LA FERME ROSE, CHASTRE la Ferme Rose …

http://www.chastre.be/loisirs/…ferme-rose…/promenade-de-la-ferme-ros…

+++ 

http://www.echarp.be/twcper5.php (Tarlier & Wauters: Retranscription: Commune de Chastre)

+++

Chastre – la Ferme Rose – linksonder nog de kleur waaraan hij zijn naam te danken heeft

Over Le Moulin du Godeupont :

Moulin de Godeupont | Moulin de Blanmont | Belgische … – Molenecho’s
www.molenechos.org/molen.php?nummer=706

+++

http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/pdf/fiche/25117-INV-0092-01

+++

http://www.journees-europeennes-des-moulins.org/recherchesites/moulin-de-godeupont/

Chastre – Moulin du Godeupont

Over het Château de Blanmont:

http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/fiche/index?sortCol=2&sortDir=asc&start=0&nbElemPage=10&filtre=&codeInt=25117-INV-0011-02
(Château de Blanmont)

+++

TARLIER et WAUTERS, Canton de perwez, p. 66.
Inventaire des parcs et jardins.

Chastre – Château Blanmont – wapenschild

Over de Villa Bauer, Villa Namèche en L’Eglise Martin:

http://spw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/pdf/fiche/25117-INV-0055-01
villa bauer: huis met de torentjes

+++

http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/fiche/index?sortCol=2&sortDir=asc&start=0&nbElemPage=10&filtre=&codeInt=25117-INV-0048-01
Rue de Bau 18 – villa Namèche

+++

https://www.chastre.be/ma-commune/autres-services/cultes/cultes/blanmont-eglise-st-martin

Chastre villa bauer (patrimoine culturelle)

Over Le Moulin Al Poudre :

Historique | Les Délices de l’Orne
www.alpoudre.com/

+++

http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/fiche/index?sortCol=2&sortDir=asc&start=0&nbElemPage=10&filtre=&codeInt=25068-INV-0047-01

+++

Moulin à Poudre | Moulin Al Poudre | Belgische … – Molenecho’s
www.molenechos.org/molen.php?AdvSearch=715

Moulin al Poudre – zicht vanuit Chastre



Over het waterzuiveringsstation en Colline de Penuel :

(la station d’épuration de Chastre)

+++

https://www.penuel.be/

(Colline de Penuel | Un lieu, un temps pour Dieu)

Chastre – van de Moulin al Poudre naar de Tour des Sarrasins – de holle weg langs de Colline du Penuel

Over het kwartsiet van Blanmont:www.chercha.be (Cercle d’histoire de Chastre)plus verwijzing naar artikelen in hun bulletin ( dat jammer genoeg niet op het internet te vinden is):La Mémoire de Chastre no.108 en 109, 2017, 3de en 4de trimestre

+++http://www.canalzoom.com/une-evocation-de-la-pierre-de-blanmont/Une évocation de la pierre de Blanmont

+++http://www.echarp.be/twcper5.phpTarlier & Wauters: Retranscription: Commune de … – echarp
+++https://nl.wikipedia.org/wiki/Kwarts
Kwarts is een vorm van siliciumdioxide, SiO2 en behoort tot de meest voorkomende mineralen op de aardkorst.

Langs de Orne – wanden van het kwartsiet van Blanmont

Over Le Moulin d’Alvaux :Moulin d’Alvaux | Belgische Molendatabase | Molenecho’swww.molenechos.org/molen.php?nummer=1170
+++

http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/fiche/index?sortCol=2&sortDir=asc&start=0&nbElemPage=10&filtre=&codeInt=25124-INV-0146-01

Walhain – Moulin d’Alvaux – hier zie je de sluis

Over de Tour des Sarrasins :spw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/…/25124-INV-0056-02(de toren)
+++
http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/fiche/index?sortCol=2&sortDir=asc&start=0&nbElemPage=10&filtre=&codeInt=25124-INV-0003-02(de schuur)
+++

https://www.interglot.nl/woordenboek/fr/nl/vertaal/sarrasin

Walhain – Camping d’Alvaux – Tour des Sarrasins

Over la Chapelle Notre-Dame du Hal :http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/fiche/index?sortCol=2&sortDir=asc&start=0&nbElemPage=10&filtre=&codeInt=25068-INV-0048-01(Chapelle Notre-Dame de Hal)

+++

https://belgique-insolite-et-occulte.blogspot.com/2015/10/les-vierges-miraculeuses-en-belgique.html (p.133-135, notre dame de hal) 

De Orne – op weg naar Santiago de Compostella vanaf la Chapelle de NotreDame du Hal

Over Mont-Saint-Guibert : La Houssière, Rue du Nil en de Rue des Tilleuls :
http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/fiche/index?sortCol=2&sortDir=asc&start=0&nbElemPage=10&filtre=&codeInt=25068-INV-0086-01potale

+++http://tchorski.morkitu.org/2/drains-01.htmover la Houssière en de Ry de la Fontaine aux Corbeaux – foto’s vanuit het water van de overdekte galerijen, gangen en viaducten

+++http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/fiche/index?sortCol=2&sortDir=asc&start=0&nbElemPage=10&filtre=&codeInt=25068-INV-0050-01(dit is niet het café des pêcheurs op nr.121 maar een soortgelijk huis op nr.5-7)

Mont-Saint-Guibert – Rue des Tilleuls – Rue de Bierbais – la Houssière

Over het domein van Bierbais, le Château, de Moulin, Ferme de la Michaëtte:
Moulin du Château | Moulin de Bierbais | Belgische Molendatabase …www.molenechos.org/molen.php?nummer=1171
+++
http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/fiche/index?sortCol=2&sortDir=asc&start=0&nbElemPage=10&filtre=&codeInt=25068-INV-0024-02(watermolen in de Rue de Bierbais)
+++25068-INV-0025-02 Rue de Bierbais 2 et 2a – Inventaire du …lampspw.wallonie.be › dgo4 › fiche – pavillons de bierbais
+++http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/fiche/index?sortCol=2&sortDir=asc&start=0&nbElemPage=10&filtre=&codeInt=25068-INV-0042-01ferme (Ferme de la Michaëtte)http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/fiche/index?codeInt=25068-INV-0036-01(geheel van het domein van Bierbais

+++

Mont-Saint-Guibert – Rue de Bierbais



QUAND UNE DESCENDANTE DES HABSBOURG S’APPRETE A …www.lesoir.be/…/quand-une-descendante-des-habsbourg-s-apprete
+++
LE CHATEAU DE BIERBAIS EST A VENDRE,AVEC SON …www.lesoir.be › art › le-chateau-de-…
+++
25,6 MILLIONS POUR UN CHATEAU BIERBAIS VENDU! – Le …www.lesoir.be › art › 25-6-millions-…

+++https://www.royalementblog.be/2019/07/la-princesse-stephanie-de-windisch.html(buitengewoon lezenswaardig verhaal over de prinses en haar kasteel)

+++

https://www.companyweb.be/bedrijf/fondation-windisch-graetz-centre-culturel-europeen/vzw/434370057

+++https://www.rtbf.be/info/article/detail?id=8083057&cat=SOCIETEJournées du Patrimoine: la commune de Mont-Saint-Guibert …+++
Everarts de Velp (Famille) – Algemeen Rijksarchiefsearch.arch.be › ead › pdf › BE-A0510_000318_0027… 

Walhain – de Orne – al een beetje met een Ardens karakter …

Trefwoorden: orne, chastre, mont-saint-guibert, blanmont, walhain, ferme rose, moulin godeupont, château blanmont, moulin al poudre, kwartsiet,  steengroeve, moulin d’alvaux, tour des sarrassins, bierbais,

OP VERKENNING ROND DE MUUR VAN SAVENEL IN NETHEN

februari 2021

Ernst Gülcher

contact: ernst.guelcher@telenet.be

https://opstapinhetlandvandedijleendedemer.home.blog/?p=2879

Néthen – Savenel – de voorpoort

Rond de muur van Savenel in het Meerdaalwoud boven Néthen. Kort geleden heb ik een uitgebreid hoofdstuk met de geschiedenis van het domein van Savenel en zijn kasteel gepost in mijn Digiboek OP STAP IN HET LAND VAN DE DEMER EN DE DIJLE. Onderaan deze bijdrage vind je de link naar achtereenvolgens de Nederlandse en de Franse versie.

Binnen de domeinmuren mag je niet komen maar je kan er wel heel mooi omheen wandelen als je tenminste over een beetje conditie beschikt want de wandeling is niet lang maar wel nogal op en af met tenminste één flink steil stuk. In dit reeksje foto’s neem ik je mee vanaf La Place de Trementines met zijn prozaisch cultureel centrum en op de hoek met de muur het mooie voormalige buurttramstationnetje, nu een klein restaurant en chocolaterie.

Vandaar gaan we even richting Hamme-Mille (pas op voor de auto’s). Aan het bruggetje over de Ruisseau de la Néthen zie je het water onder de muur doorkomen en even verder staat de muur op de rand van een tuin. In de bocht staan enkele mooie huizen en het bronnetje ‘Fontaine Saint-Jean’

Néthen – muur Savenel – de holle weg steil naar boven

Even verder gaat een weggetje linksaf de helling op met de aanduiding ‘Promenade des Murs’ en een bord ‘verboden voor moto’s’. Van hier gaat het ongedacht steil omhoog zodat je binnen de kortst mogelijke tijd op het hoogste punt ben. De muur is aan je linkerkant en daar moet je naartoe.

Als je rechts gaat breng je een bezoek aan de voormalige zandgroeve La Bruyère, nu natuurreservaat en met prachtige uitzichten op de vallei. Over de zandgroeve vind je ook een hoofdstuk in mijn Digiboek OP STAP IN HET LAND VAN DE DIJLE EN DE DEMER.

Aan de muur gekomen gaat je wandeling naar rechts maar ga toch even naar links zover als je kan (tot waar de muur steil naar beneden gaat en er een draad gespannen is). Hier heb je ook uitzicht over de vallei maar kijk je ook over de muur tot in het kasteeldomein. Tussen de bomen zie je de kasteelvijver (in de winter toch) maar verder is alles bos. Val niet van de muur naar binnen want dan kan je alleen nog langs de voorpoort naar buiten. Onder de muur heeft de vos een hol dus misschien kan je er daar onderdoor?

Nethen – Savenel – van hier gaat de muur steil naar beneden

Voor de wandeling volg je de muur tot aan de akker. De hoeve die je in de verte ziet is La Ferme des Douze Bonniers en de boer heeft wel graag dat je het pad vlak langs de muur volgt en niet rondstampt op zijn ingezaaide veld. In het verleden was het wel eens moeilijk om hier langs te gaan vanwege de overhangende struiken aan de muur, maar iedereen in Néthen die er iets van kent zal je vertellen dat wel degelijk een openbare voetweg is dus laat je niet afschrikken.

Op verkenning rond deze muur kom ik telkens weer onder de indruk van de weerbarstige kwaliteit van het metselwerk dat eeuwenlang de verwoestende krachten van mens en natuur weet te weerstaan. De stevige bakstenen, gemaakt van klei uit putten op het domein en het gebruik van kalkcement dragen hier zeker toe bij. Dat zachte cement zorgt er voor dat de muur kan bewegen zonder te breken en als er stenen uit of afvallen kan dat feitelijk gemakkelijk hersteld worden.

We hebben al gezien dat aan de kant van de zandgroeve de grond met het dennenbos opgehoopt ligt tot aan de bovenrand. Op het veld van de Ferme des Douze Bonniers zie je ook de dikke steunberen. Over de vraag of klimop zo’n muur nu verwoest of juist omhoog houdt zijn de deskundigen het nog altijd niet eens maar op de duur dringen de wortels wel teveel in de voegen en moet de vegetatie gekortwiekt worden met soms kunstzinnige effecten als gevolg.

Néthen – Savenel – langs de muur van Savenel

Hier en daar staat de muur wel een beetje scheef en langs het veld is toch één stuk nog niet lang geleden omgevallen. Ik hoop dat de eigenaars dat toch weer eens zullen laten rechtzetten en dan wel met het originele bouwmateriaal (verderop zullen we zien wat het rampzalige effect is van herstellingen met eigentijdse stenen en hard cement).

Op dit traject zijn er twee poortjes (ik dacht lang maar één maar door het snoeiwerk is het tweede poortje zichtbaar gemaakt). Het kleinste is dichtgespijkerd maar het andere is meer een officiële achteringang tot het domein die ook al voorkomt op oude kaarten. Op mijn oude foto’s is er nog een traliehek maar nu ligt dat er als oud roest naast en een wankel rasterwerkje vertelt je dat het niet de bedoeling is om er door te gaan dus dat doen we dan maar niet. Maar ook hier zou het mooi zijn om het erfgoed te restaureren vind ik.

Het Meerdaalwoud waar je op kijkt is beschermd natuurgebied maar ik heb mij laten vertellen dat de akker van de hoeve eigendom zou zijn van de kasteelheer van Savenel en het onzeker is of die daar in de toekomst geen huizen zou willen bouwen. Ik hoop dat iemand ons kan geruststellen want het zou het uitzicht van de omgeving dramatisch aantasten vind ik.

Hoog boven Néthen langs de muur van Savenel – in de verte de Ferme de Douze Bonniers

Vanaf hier kan je ook richting boshuis Het Spoor met zijn vriendelijke bewoners (paalcamping op de taalgrens!) en op verkenning in het diepste ravijn van het woud, de merkwaardigste boom en zijn geheimzinnige Warandevijver.

Op dit traject van onze Savenel-verkenning kom je vast niet veel volk tegen. Er lijkt hier nauwelijks iemand te komen want het paadje ziet er een beetje wild uit. Vanaf de poort aan de kant van La Ferme des Douze Bonniers volg je de muur tussen enkele paaltjes door. Het pad is smal, op je rechterkant is alles bos en de bomen hangen hier en daar over je pad. Kijk ook maar eens naar boven naar de hoog oprijzende woudreuzen.

Op de hoek kom je tongvaren tegen, een varensoort die in het Meerdaalwoud en overal in de natuur alleen op plekken voorkomt waar het donker en vochtig is en waar de bodem heel zuiver is. Die varens houden van oude stenen en je ziet ze dikwijls in oude waterputten.

Even de helling af en dan kom je aan de officiële achterpoort. Dit is de oudste en oorspronkelijke toegang naar het voormalig klooster en hij ligt in het verlengde van de Nethensebaan die in die tijd de officiële openbare verbinding was dwars door het Meerdaalwoud tussen Leuven en Nethen. Door de bouw van het klooster werd hij afgesloten en dat is hij jammer genoeg nu nog altijd!

Vanaf de dag van de afsluiting moest iedereen altijd een heel eind omlopen om rond dat domein in Nethen of Leuven te komen en dat was erg vervelend voor zwaarbeladen reizigers zoals marktkramers, al dan niet met paard en wagen en voor kerkgangers. Daar waren de Nethenaars indertijd erg boos over en dat gevoel is altijd een beetje overgebleven.

Néthen – savenel – achterpoort van binnen naar buiten

Als deze weg weer zou opengaan kunnen wandelaars weer langs de oorspronkelijke dreef tot in het dorp komen maar wel een beetje langs het kasteel natuurlijk maar er ook niet vlak er langs om de bewoners niet te storen. Ik pleit ervoor om bij de eigenaar van het domein aan te dringen op de wederopenstelling van deze voetgangersverbinding.

Aan de binnenkant van de poort moet nog een poortgebouw met enkele verblijfsruimtes gestaan hebben maar daar is niets meer van te zien. Vanaf hier poort volg je het pad verder ofwel klim je omhoog langs de muur en ga je bovenaan naar links om altijd langs de muur in het bos te komen. Als je dat doet kom je nog een verrassing tegen maar loop je ook een klein eindje om voor de rest van de wandeling. Via het pad kom je direct bovenaan de steile holle weg naar beneden. Op het veld staan bijna altijd sporen van everzwijnen en reeën kom je er dikwijls tegen maar ze verbergen zich graag in het hoge gras.

Wie graag zaken ontdekt klimt nu  langs de muur de helling op om die in het bos even te volgen alvorens af te dalen langs een van de mooiste holle wegen van het Meerdaalwoud. Het officiële pad gaat een klein eindje van de muur vandaan door het bos en dan kan je ook volgen, geen probleem. In de zomer groeien en bloeien hier allerlei veldkruiden en tussen het hoge gras verbergen zich bijna altijd een paar reeën.

Meerdaalwoud – muur van Savenel – de boom probeert te ontsnappen

Hoog boven langs de muur in het bos kom je allerlei geheimzinnige zaken tegen zoals zwammen, houtstructuren, een geheim teken op een boom, een andere boom die probeert te ontsnappen  maar vooral een heel oud poortje dat nergens op de kaart staat. Ik hou van poortjes, liefst als ze open staan maar dit poortje was maar even open en is nu weer potdicht.

Hoeveel poorten zijn er eigenlijk in deze muur? Iemand in Néthen zou dat toch moeten kunnen vertellen. Behalve de voorpoort en de zijpoort (met de Engelse zuilen) tel ik nog twee grotere poorten en twee kleintjes. Maar volgens mij moeten er langs de Rue de Hamme Mille nog meer zijn maar die kan je niet zien vanaf de straat. Om te weten waarvoor die poorten allemaal gediend hebben kan ik je aanbevelen om de onderstaande links te openen en het verhaal te lezen want ze hadden allemaal een specifieke betekenis voor de kloosterlingen en wie door zo’n poort naar binnen en naar buiten mocht gaan. Alles hing van de wereldlijke status maar ook van de krachtigheid van je geloof.

Op het volgende traject komen we uit op de hoek van de Nethensebaan en de holle weg naar beneden.

Recht naar het noorden kom je direct op de historische dreef met die naam die in een rechte lijn richting Leuven gaat. Zodra je in de modderplassen aan het begin staat ben je de taalgrens overgestoken en is het zaak de bandensporen te volgen van de grote machines waarmee de houtvesters de gevelde bomen weghalen.

Meerdaalwoud – Muur van Savenel – de holle weg er langs

Als je nog denkt dat het Meerdaalwoud een groot bos is, dan moet ik je een beetje teleurstellen. Van hier is het minder dan twee uur stappen naar de andere kant en dan sta je aan de autosnelweg E40 en het arboretum in Heverlee. Je bent dan ook nog aan het Zoet Water de gemeente Oud-Heverlee tegengekomen en daar is ook heel wat bos al lang verdwenen en het wordt er niet beter op met de lintbebouwing. In Heverlee ging het bos nog niet zo heel lang geleden tot aan het Heilig Hart aan de Naamsesteenweg maar veel bomen zal je aan die kant nu niet meer aantreffen.

Deze etappe van onze verkenningstocht rondom de muur van Savenel vind ik bijzonder spectaculair. We staan op de hoek van de muur boven de holle weg waarlangs we over een afstand van zo’n 200 meter moeten afdalen van een hoogte van 80 meter tot de volgende hoek op minder dan 50 meter boven de zeespiegel. Op mijn kaart heet alles hier Nethensebaan maar in het bos is dat uiteraard niet aangeduid (sorry stadsmensen: ik ben tégen naamsaanduidingen op paden in een bos!).

Wij gaan echter naar het westen en volgen altijd de muur. Het is een heel diepe holle weg en de stenen rijzen hoog boven je uit. De helling is zo steil dat ik altijd weer onder de indruk ben dat die muur daar al die eeuwen is blijven staan zonder in de kloof te zakken of vallen. Bovendien zie je hier ook hele reeksen woudreuzen die van de andere kant van de weg zijn omgevallen en boven op die muur hangen. Af en toe wordt er wel eens een weggehaald maar toch niet dikwijls. Hier en daar zie je een muurschildering. Is er iemand die Jozefien en Willem kent en weet of ze nog altijd van elkaar houden?

off Savenel – op de muur vereeuwigd

Het pad wordt veel gebruikt door ruiters en dat maakt dat er wel af en toe nieuw zand wordt aangevoerd waardoor het niet al te modderig is. Mountainbikers komen er natuurlijk ook door en ik heb gezien dat de helling aan de boskant meer en meer aangetast wordt doordat deze sportieve jongens het nu eenmaal nodig vinden om hoog uit het bos langs de steilste weg naar onder af te dalen met een akelige erosie en kaalslag als gevolg. Gezien het feit dat die helling nog juist op Franstalig grondgebied ligt is het de verantwoordelijkheid van de gardiens aan die kant om aan dit soort praktijken een einde te maken en ze zouden dat beter doen ook want anders gaat het bos hier binnenkort verloren.

Als het hard begint te regenen met je op dit pad een beetje oppassen want ik heb al meegemaakt dat het binnen de vijf minuten in een woeste watermassa verandert alsof al het water met modder en al uit met Meerdaalwoud hierlangs moet worden afgevoerd. Op de hoek beneden staat we opnieuw aan de rand van een veld maar als je rechtsaf gaat kom je weer in een heel mooie beetje wilde bosvallei. Wij gaan linksaf voor de volgende etappe.

We staan weer onder aan de muur van Savenel in Néthen en wel op de hoek aan het veld richting Sint joris Weert en het Meerdaalwoud. Als je hier even verder stapt vind je bij een dikke beuk een infobord met uitzicht op de muur.

Meerdaalwoud – Nethen – de muur van Savenel – de klimop staat vol bessen en de bomen plukken er van

Op de hoek zelf vind je nog stenen die misschien herinneren aan de palissade die de hertog van Arenberg van Weert tot aan de Naamsesteenweg liet zetten om de boeren te verhinderen om hun vee in zijn bos te laten grazen en omgekeerd zijn wild tegen te houden om op de weiden akkers tegoed te doen. Van die palissade is nauwelijk nog iets te zien op het terrein maar op oude kadasterkaarten staat hij aangeduid.

Het pad is rustiek en net te doen voor voetgangers en paarden maar op dit stuk  zou het voor mountainbikers verboden moeten zijn omdat het smal en modderig is en voetgangers niet kunnen uitwijken vanwege de hoge zijkanten.

Hoogtepunt van dit deel van de wandeling is uiteraard de ‘engelse poort’. Van wanneer die is en waarom die zo heet zoek je graag maar eens op in het verhaal over het domein (zie de links). De statige populierendreef komt uit op het kasteel dat je van hier niet ziet en uiteindelijk op de voorpoort die we nog zullen zien.

Binnen de poort zie je op de heuvel een nieuwgebouwde villa staan met heel vriendelijke bewoners maar die daar volgens mij toch nogal ‘zonevreemd’ gebouwd is, dat wil zeggen niet in overeenstemming met het verleden van het als erfgoed beschermde domein en met de natuur.

Savenel – La Porte Saint Pierre Engelse stijl

De poort is een van de doorgangen waarvan ik pleit dat dat die voor het voetgangerspubliek toegankelijk zou worden gemaakt om de mensen toch enig zicht op het domein te gunnen. Ik vind eigenlijk dat de volledige ontoegankelijke privatisering van zulke grote domeinen tegenwoordig niet meer zo eigentijds is en dat er hier en daar wel een publiek ‘sentier’ mag zijn, zeker als je weet dat heel dat bezit officieel geklasseerd is en de overheid en dus de belastingbetaler vast wel heeft bijgedragen aan de restauratie.

In het najaar kan je op de akker aan de zijpoort van de muur van Savenel in Néthen wel op luid gebrul en geknal stuiten want dan is het jachtseizoen en moeten de reeën op Waalse wijze (dat is met drijfjacht) geschoten en opgegeten worden. Ik vermoed dat er hier ook op everzwijnen wordt gejaagd. Het is een erg storende macho-manier van jagen maar op een bepaalde manier vind ik het veiliger dan de stille jacht door eenzame schutters vanuit hoge jachtstoelen zoals het aan Vlaamse kant gedaan wordt omdat je het van mijlen ver al hoort en dus weet dat je er niet tussen moet geraken.

Even verder kom je aan La Néthen en als je moed hebt kan je ook even aan de onderkant van de brug gaan kijken. Van hier stroomt het water rechtstreeks naar watermolen Vandenbempt in Sint Joris Weert en op de taalgrens verderop verandert de naam ter hoogte van het opgestuwde water in Molenbeek.

Het mooie kleine huis dat er naast staat zie ik voor het eerst op de topografische kaart van 1939 dus het is van relatief recente datum.

Nethen – langs de muur van Savenel – hier komt de molenbeek onder de muur vandaan

De domeinmuur is aan deze kant gerestaureerd met eigentijdse bakstenen en je ziet wel dat je zoiets beter niet doet want het doet eerder slecht dan goed.

Voor plantenspotters is deze muur trouwens wel een paradijsje want in de voegen vind je allerlei soorten varens en mossen en kostmossen die heel erg van kalk houden. Bekermossen zijn geen mossen hoewel ze daar wel op lijken maar korstmossen, dat wil zeggen een samenlevingsvorm van een wier en een schimmel.. Je herkent ze gemakkelijk aan hun vorm. De bekertjes zijn de dragertjes van de vruchtlichamen (sporen). Iedere keer dat er een druppel invalt spatten die weg en zo kunnen ze zich voortplanten.

Samen met de rendiermossen en de heidestaartje worden ze botanisch ingedeeld bij het geslacht van de Cladonia dat wel 350 soorten telt in vele soorten kleuren. Ze zijn wel tamelijk zeldzaam en een aantal ervan staat op de zogenoemde Rode Lijst van bedreigde soorten vooral omdat in onze streken de lucht niet zuiver genoeg meer is. Ze groeien op de grond, rottend hout, op daken maar ook op stenen zoals die in de muur van Savenel. Ik ben geen held in determinatie maar volgens mij groeit daar het Frietzakbekermos (Cladonia humilis): “Friet- of patatzakbekermos komt voor op de grond en op steen. De bekers zijn fijnsoredieus <korrelig> en plomp, de grondschubben groot. De overgang van steel naar beker verloopt geleidelijk en niet zo duidelijk afgescheiden als bij C. Fimbriata. Hierdoor lijkt de beker wat op een puntzak. Opvallend is de lichtere kleur van de sorediën (lichter dan het thallus). De kleur van de grondschubben <plaatjes, te vergelijken met bladeren> is groen tot grijsgroen. Ze staan altijd rechtop en ze zijn vaak bedekt met sorediën, de onderzijde is wit” (www.yavannah.nl , Bekermos herkennen (korstmos) – Leven in het duin). Kijk graag eens naar de foto en vertel me wat je er van denkt.

Savenel – bekertjesmos op de muur

Op de bodem aan de muur maar ook aan de rand van de akker groeien reuzenpaardenstaarten en ook die zie je niet vaak in onze streken. 

Néthen – de Chemin de Savenel staat op de Villaretkaart van 1745 met muur en al maar ik neem aan dat de weg er al veel eerder was. Hier stap je over de kasseien langs de muur langs de hoofdpoort van het domein met het poortgebouw en de grote zuilen. Helemaal aan het eind van de dreef zie je het kasteel met daarvoor de poort waarin nog glasresten moeten zijn ingemetseld als herinnering aan het glasatelier.

Sinds wanneer er kasseien zijn gelegd weet ik niet maar ze liggen prachtig vlak. Ik heb er nog geen foto van en er is niets meer van te zien maar in de eerste helft van de vorige eeuw reed hier buurttram Zwarte Jean tussen Néthen en Sint-Joris Weert. Het stationnetje staat op de hoek van de muur.

Heeft de kasteelheer ooit de tram genomen om naar Tervuren te rijden? In een al wat ouder maar pas recent op het internet geplaatst artikel lees ik dat dat de familie van Overbeke, de eigenaar van het kasteeldomein, op hun eigendom aan het station een wachtzaal met twee ruimten lieten neerzetten voor hun persoonlijk gebruik. Nadien werd dit gebouwtje in akkoord met de SNVC ingericht met een bar en en een kaartjesloket voor reizigers. Nog later werd het – als gevolg van de noodzaak aan paketten te kunnen opslaan – in verschillende fasen uitgebreid als woonhuis met verdieping met op de begane grond een ijzerhandel, boekhandel, café en goederenopslagplaats. Nog later diende het als het plaatselijk postkantoor. Nu is het wachten op oude foto’s denk ik om die verschillende fasen te kunnen zien (zie op facebook de pagina OP STAP MET ZWARTE JEAN TUSSEN VOSSEM EN TIENEN)..

Nethen – langs de muur van Savenel – de voorpoort

In dit stuk van de muur zijn hier en daar de steunberen mooi gerestaureerd maar er is ook een stuk omgevallen en een beetje verder is hij terug opgemetseld met stenen en cement van deze tijd en dat valt een beetje uit de toom vind ik. Tegenover de poort staat het schooltje Saint Jean Baptiste een beetje verscholen tussen de bomen maar voordat je daar langs komt passeer je de manege van het Centre Equestre de Néthen.

Ik kijk graag naar de paarden maar de manege staat wel een beetje heel erg in het zicht met moderne functionele gebouwen, altijd wel een lading afval en nog geen enkele poging om het geheel een beetje met groen af te dekken. Dat zou toch veel mooier zijn in deze grotendeels als erfgoed geklasseerde omgeving of zie ik dat verkeerd en zoveel moeite en geld kost dat nu toch ook weer niet? In het weekend kan het hier vol staan met vrolijk ruitervolk met hun auto’s en paarden en dan kan je er nauwelijks langs.

Al vlakbij het station gekomen zie je aan de kerk de historische ‘motte’ van Nethen maar die zie je beter vanaf het oude kerkhof. Het kerkhof zelf is ook een bezoek waard.

Langs de kasseibaan zijn wel grote graafwerken aan de gang, kennelijk voor et leggen van kabels en buizen. Dat zal wel weer in orde komen maar daarbij is een hele strook van bomen opgeofferd waardoor de straat een stuk minder charmant geworden is.

savenel – miradalbord met zicht op de muur

Helemaal aan het eind stuit ik nog op een raadsel want wie kan me vertellen waar het aanduidingsbordje Pissinte Ermeline op slaat? Het woord pissinte staat voor voetweg (‘sentier’) maar Sinte Ermeline en bijbehorende legende associeer ik tot nu toe met Meldert en niet met Néthen.

Op de parking hoop ik dat de gemeente de mooie berken zal behouden bij de geplande herinrichting. Wist je dat dit vroeger een zogenaamde ‘(al)gemene weide’ was (Al’ vèwâye)?

Daarmee ben ik aan het eind van deze wandeling. Aanvullingen en opmerkingen altijd welkom.

Savenel – plan du livre de Robert Van den Haute (zie de bronvermeldingen)
Savenel – Néthen – rond de muur – wandeling – kaart OSM

+++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

https://opstapinhetlandvandedijleendedemer.home.blog/?s=savenel

https://ernstguelcher.blogspot.com/2020/12/le-mur-de-savenel-le-saint-desert-de.html

Miradal, Erfgoed in Heverleebos en Meerdaalwoud – Davidsfonds/Leuven 2009

(nog verkrijgbaar bij de Vrienden van Heverleebos en Meerdaalwoud)

Robert Van den Haute – Néthen Le « Saint Désert » de Savenel – Histoire du domaine des origines à nos jours ; WAVRIENSIA, bulletin du Cercle Historique et Archéologique de Wavre et de la Région, Tome XXXIV 1985, No 1-2-3

http://amisdenethen.be/wp-content/uploads/2016/02/Le-Tram-%C3%A0-N%C3%A9then.pdf?fbclid=IwAR1SLmcIrrQkn529gXD6t0QwKPoJK3T9kCTa_I02P0JV4HRfQsXxhJRmg60 (over de vicinal)

https://veluwezoominbeeld.nl/natuurinfo/korstmossen/algemene-informatie- blabs over-korstmossen/

Nethen – de muur aan de Chemin de Savenel

Trefwoorden: meerdaalwoud, savenel, néthen, muur, wandeling,

BONLEZ-LONGUEVILLE – IN HET DAL VAN LE RUISSEAU DU GLABAIS

Januari 2021

Ernst Gülcher

contact: ernst.guelcher (at) telenet.be

Bonlez – Fort des Voiles – stroomversnelling in de Glabais

De streek rond het riviertje Le Glabais in Bonlez, Longueville en Gréz-Doiceau is uitermate geschikt om mooie natuurwandelingen te maken. Anders dan in Vlaanderen moet je er nog niet voor naar uitgezette afgezonderde en beschermde  natuurgebieden maar kan je terecht in het ‘gewone’ landschap zoals het er al eeuwen min of meer uitziet en nog niet te veel ingenomen is door huizen, wegen en andere infrastructuren. Bossen, water, hoeves en kapellen wisselen elkaar af en ieder afzonderlijk en allemaal samen vertellen ze het verhaal van hun geschiedenis sinds de vroegste tijden dat er hier mensen wonen en werken. Je komt er wel mensen tegen maar de recreatiedruk blijft tot nu toe beperkt dus je hoeft je nog niet te verwachten aan door menigten bezoekers vertrappelde paden en achtergelaten afval. De mensen die je tegenkomt zijn ook altijd heel vriendelijk en snel bereid om een praatje te maken.

Neem de kaart met de route er graag even bij. Ik laat deze wandeling beginnen aan de ingang van het dorp Longueville aan la Chapelle du Chêneau op de kruising tussen de Avenue Félix Lacourt en de Rue Roblet.

tussen Grez-Doiceau en Longueville – le Glabais – holen aan de bron

Vanaf die kapel kan je een aantal mooie verkenningstochten maken. Neem de kaart er maar bij. In feite kan je er zowat alle kanten uit, bijvoorbeeld naar Gréz-Doiceau via Hèze en Biez of een beetje meer naar het noorden naar Piètrebais en het Bois de Beausart. Met de fiets raak je gemakkelijk tot in Jodoigne (Mélin) of aan de voormalige steengroeves in Opprebais en Dongelberg. Over de meeste van die trajecten heb ik al reportages gemaakt. Toch gaat mijn voorkeur uit naar het Bois de Bonlez, La Réserve Domaniale de la Champtaine en naar het centrum van Chaumont Gistoux zelf. Mijn absolute topper is echter de vallei van le Ruisseau du Glabais en vooral de kloof in die beek tot aan zijn bron..

Op deze tocht daal ik af naar Le Ruisseau du Glabais en volg ik die stroomopwaarts door de bedding van de waterloop. Aan de bron ga ik de helling op richting Chaumont-Gistoux en door het Bois de Bonlez naar de Chemin de l’Aftia. Vandaar daal ik terug af naar de Glabais en keer via het Fort des Voiles terug naar de kapel. Dit is geen lange wandeling maar hij gaat wel flink op en af en je hebt rubberlaarzen nodig in het water van de beek.

Wie behoefte heeft aan een langere wandeling kan aan de kant van Chaumont-Gistoux ook de prehistorische Michelsberger site verkennen met zijn grafheuvels en nederzetting maar ik beschrijf die liever in een afzonderlijk hoofdstuk.

Longueville – zicht op de kerk

Eiken kunnen heel oud worden maar zijn vatbaar voor blikseminslag, zeker als ze op een hoog vrijstaand punt geplant worden naast het kapelletje dat naar hen genoemd wordt. In Longueville (Chaumont-Gistoux) zijn – net als in Beauvechain aan La Chapelle du Rond Chêne – de eiken al lang verdwenen aan La Chapelle du Chêneau (dit is de officiële naam in het erfgoeddossier!) die je vindt op een hoogte van 140 meter in de bocht juist aan de ingang van het dorp als je komt vanuit Grez-Doiceau.

Nu staan er zes monumentale esdoorns en één al even eerbiedwaardige linde. Wie die geplant heeft en wanneer moet ik nog uitvinden maar ze zijn stuk voor stuk met de kapel als monument geklasseerd als beschermd erfgoed. Volgens de Cercle Histoire de Chaumont-Gistoux is het ondertussen waarschijnlijk dat in de tijd dat de kapel gebouwd werd, hij omgeven was door eikenbossen. Op de Villaretkaart van 1745 staat de kapel er mooi op maar de bossen hebben dan al lang plaats gemaakt voor akkers. De kapel is een stevig maar sober bouwwerk met één beuk met een breedte van 6 meter en een lengte van 8 meter en opgemetseld met dikke ijzerzandstenen en lichtgekleurde Gobertange kalkstenen.

Longueville – la chapelle du Chêneau

Hij ziet er oud uit en dat is hij ook hoewel blijkbaar niemand precies weet van wanneer er een eerste kapel stond. Volgens sommigen staat er al een heiligdom in de Romeinse tijd. Volgens andere legenden hebben Keltische druïden op deze plek hun erediensten gehouden en offers gebracht aan de Noorse dondergod Thor om deze gunstig te stemmen wat betreft de bliksem en op hoop van weldoende regen. Gezien de openheid en droogheid van deze hoogvlakte is dat zelfs niet onwaarschijnlijk. Een echte kapel zou zijn gebouwd in opdracht of ter ere van Gravin Alpaïde, moeder van Karel Martel en de minnares van Pepijn van Herstal die zich rond het jaar 700 terugtrok in het klooster van Orp-le-Grand om daar in een atmosfeer van heiligheid te overlijden waarna haar stoffelijke resten in de kapel werden begraven.

Anderen beweren dat het daarbij gaat over Gravin Alpaide die de laatste heerser was over het Graafschap Brunerode en dat zij dat graafschap had gekregen van haar Pepijn om veilig te zijn voor de wraak van zijn wettige echtgenote. In die tijd was Hoegaarden de hoofdstad van dat graafschap en maakte Chaumont-Gistoux er deel van uit. Maar tenzij het gaat over een oudere en een jongere vrouwe Alpaide levert deze visie problemen op want Brunerode kwam pas in het jaar 1000 in handen van het Prinsbisdom Luik. In de kapel zouden nog de stoffelijke resten begraven zijn van de zoon die Alpaide en Pepijn samen hadden.

Longueville – La Chapelle du Chêneau

In de volksmond wordt deze legende ‘uiteraard’ gekoppeld aan een enorme goudschat die in de kapel verborgen zou zijn. In 1977 worden ter gelegenheid van de restauratie van de dan in vervallen staat verkerende kapel opgravingen verricht om die schat en andere zaken te vinden maar tevergeefs. Gezien het feit dat op dat ogenblik de vloer van de kapel al opgebroken is kan het natuurlijk zeer goed zijn dat eerdere schatzoekers hier hebben proberen hun slag te slaan. Tot zover de legenden.

La Chapelle du Chêneau in Longueville is dus al vele eeuwen een plek van heiligheid, heldhaftigheid en legendes rondom een geheimzinnige goudschat. Maar het gebouwtje dat er nu staat dateert toch pas van de 17de eeuw. Dat staat toch in het erfgoeddossier maar door wie en waarom staat er niet bij en geen van mijn andere bronnen zegt er iets over. Op oude foto’s zie je dat het dak vroeger verder naar voren uitstak en in de 19de eeuw is er een nieuwe voorgevel gezet. In 1977 wordt het geklasseerd als beschermd erfgoed maar op dat ogenblik verkeert de kapel al in een bouwvallige toestand.

Na nog twintig jaar nadenken besluit de gemeente Chaumont-Gistoux om de bijna-ruïne te restaureren en daarvoor wordt 3,5 miljoen euro uitgetrokken (is dat niet erg veel voor de restauratie van een toch maar kleine kapel?). Daarna heeft het nog enkele jaren geduurd voordat alle vergunningen en fondsen bij elkaar gesprokkeld waren maar nu staat het gebouwtje er toch prachtig bij.

Longueville (Chaumont-Gistoux) – La Chapelle du Chêneau

 Ik heb wel gezien dat er al weer nood is aan het vervangen van gebroken glas in enkele vensters heb ik gezien. Dit is een beetje een eeuwigdurend verhaal. Restauratie van erfgoed kost fortuinen en als je daarna niet plant om aan regelmatig onderhoud te doen, dan begint het verval de dag nadat je klaar denkt te zijn. Bij woonhuizen zorgen de bewoners daar noodgedwongen zelf wel voor maar bij erfgoed hebben overheidsdiensten zoals gemeentes daar dikwijls de grootst mogelijke moeite mee.

De betonnige banken die er bijgezet zijn vind ik wel totaal uit stijl (die horen meer bij een oorlogsmonument). Ik weet niet wie daarvan de bedenker is maar ik pleit er voor om ze te vervangen door meer bij de kapel aangepast meubilair met eventueel zelfs een gewone picknicktafel.

Bijna waren de bomen gesneuveld omdat gevreesd werd dat die het dak zouden kunnen beschadigen (lees ik ergens) maar gelukkig is dat niet doorgegaan, waarschijnlijk omdat ze ook beschermd zijn. Het vellen van historische bomen aan historische kapellen ter gelegenheid van de restauratie van het erfgoedgebouw uit vrees voor beschadiging door vallende takken is een probleem dat vaak voorkomt en maakt dat veel gerestaureerd erfgoed er vervolgens kaaltjes bijstaat.

Longueville – la Chapelle du Chêneau – een zicht op de hemel

Dikwijls is er ook te weinig ruimte meer rond zo’n kapel om nieuwe bomen op veilige afstand te planten en dan laat men het maar zo. Ik ben daar tegen want bij iedere historische kapel horen monumentale bomen, in het verleden ook dienend als bakenbomen en zulke bomen zijn geen gewone stukken hout maar wel degelijk eveneens te respecteren erfgoed.

Bij de restauratie is er ook gezocht naar voorwerpen (schatten) uit het verleden maar er is blijkbaar niets gevonden. De kapel is zoals een heel aantal van dit soort kapelletjes in België en Frankrijk gewijd aan ‘Notre-Dame des Affligés’, dat is zij die zich wijdt aan de bescherming van diegenen die ‘geteisterd’ worden door allerlei kwalen maar vooral mensen die lijden aan letsels aan de benen. Meer in het bijzonder zorgt zij voor de kleine kinderen die moeite hebben om te leren stappen. Of er in Longueville ook echt een processie aan gewijd wordt (zoals in Villers-la-Ville) weet ik nog niet maar er is blijkbaar wel ieder jaar begin maart een ‘kindercarnaval’ aan de kapel.

Er is toch blijkbaar dikwijls veel te doen in de omgeving van de kapel maar vanuit fotogeniek standpunt is het jammer dat er in het veld naast de kapel altijd het geraamte staat van een feesttent en als achtergrond is dat nogal storend. Bovendien moet je ook oppassen om niet omver te worden gereden door de auto’s die op hoge snelheid de bocht nemen.

Longueville – musée de l’Horlogerie

Vanaf La Chapelle du Chêneau  ga je loodrecht naar het zuiden langs de Rue du Roblet. De kerk van Longueville hou je aan je linkerkant. Op de kruising met de Chemin de la Coquière sla je rechtsaf. Op nummer 5 kom je het kleurige en ietwat religieus-sprookjesachtige gebouw tegen van het Musée de l’Horlogerie. Op afspraak kan je daar binnen om een prestigieuze verzameling van antieke en hedendaagse klokken te bewonderen en een atelier voor precisiemechaniek waar je ook je eigen antieke klok kan laten restaureren (zie de website).  Vlak na het museum ga je schuin links een mooie veldweg in en dan ben je meteen uit de bebouwing (hoewel aan de rechterkant van de straat de lintbebouwing opdringt). Volg het pad met de bosrand op links en de akkers van het Champ de la Coquière op rechts. Hoe dat al zeer oude veld aan zijn naam komt heb ik nog niet uitgevonden. Aan het einde kom je aan een mooie (voormalige) vierkantshoeve vanwaar je afdaalt tot je aan een houten pijl naar ‘Fort des Voiles’. Naar dat ‘fort’ – een voormalige viskwekerij met ooit een glasoven – gaan we later op deze verkenningstocht. Eerst volgen we linksaf het pad dat al meteen onder water staat als een echte beek met een bordje erbij ‘Le Glabais’.

Longueville – het laatste huis aan de Chemin de la Coquière voor je afdaalt naar de Glabais

Wie op zoek naar nog een echte natuurbeleving dicht-bij-huis kan ik dit traject aanbevelen maar trek je rubberlaarzen aan want je moet een beetje (soms enkeldiep) door het water.  Pak de kaart er even bij en dan zie je het waterloopje een zijbeek is van Le Train waar hij iets ten zuiden van Grez-Doiceau op uitkomt (precies op de grens met Chaumont-Gistoux). Stroomopwaarts volgt de beek de vallei tussen soms steile hellingen waar nog altijd veel bos op staat: het Bois de L’Etoile en het Bois de Bonlez ten zuiden van de beek en het Bois de Glabais aan de noordkant.

Het is allemaal heel mooi wandelgebied met een lange en eerbiedwaardige geschiedenis maar je kan pas na het Fort de Voiles vlak langs het water komen. De kloof is nog een beetje verder en daar gaan we nu in. Zelfs boven deze duistere beek geeft de zon een beetje licht. Op de bodem kleuren de stenen in het stromende water. Boven het ravijn torenen reusachtige kersenbomen uit. Om aan de kersen te raken heb je wel de brandweer nodig denk ik. Overal hangen bomen boven het water. In de zomer zien de wanden er tamelijk droog uit maar nu in de winter is het allemaal druipend nat.

Voor geologen moet dit trajectje een paradijs zijn want de bodem is bezaaid met alle mogelijke stenen en in de hier en daar loodrechte wand van zand en kiezel kan je de in de tijd gevormde lagen nog heel mooi zien.

Longueville – het pad door Le Glabais

Voor de niet gespecialiseerde natuurliefhebber zijn er de holen van dieren, de mossen en de zwammen. Behalve het geluid van stromend water is het op deze plek doodstil.

Even verder is het feest alweer afgelopen. De beek eindigt aan een buis en het pad gaat er rechts langs naar boven.

Rechts staan alweer wat huizen met geiten in de tuin. Links omhoog zie je vaag een levensgroot waterzuiveringsstation, prozaischer kan het niet. In feite moet de bron dus nog wat verder zijn en wordt al het water door de buis naar het station gevoerd. Op de kaart kan je zien dat zowat heel Longueville zijn afvalwater naar dit station loost maar in de beek merk je daar gelukkig niet veel van. Het riekt soms een beetje, drink er toch maar niet van, ik hoorde dat de toestand van het water vooral verslechtert bij overmatige neerslag omdat dan de installatie het niet aankan en het overstromingsmechanisme in werking treedt waardoor er tijdelijk ongezuiverd water doorkomt.

Chaumont – Gistoux – Longueville – in de Glabais

Door de hoge ligging (140 m.) heeft het dorp tot 1930 moeten wachten voordat de dorpelingen voor hun kraantjeswater konden aansluiten op de mooie Art-Deco watertoren van Chaumont-Gistoux. Tot die tijd putten ze hun (grond)water vanaf een diepte van 40 meter. Verder stroomafwaarts zitten er in de helling boven Le Glabais een aantal plaatsen om zuiver water op te pompen maar daar raak je zonder toestemming niet bij.

Om van hier direct terug in Longueville te geraken kan je rechtdoor de Rue du Try in of je gaat hoog langs het bospad links voor het waterzuiveringsstation. Op deze tocht wil ik echter nog een beetje verder richting Chaumont-Gistoux en daarvoor moet ik naar rechts het pad in dat mij zal brengen op het plateau met de naam La Bruyère maar ook  (intrigerend) aangeduid wordt als La Folle France.

Vanuit de kloof van de Glabais in Longueville klim ik omhoog naar het plateau van Chaumont-Gistoux om uit te komen op de hoek van de Rue Folle France. Waarop dat slaat weet ik niet want nergens is Parijs verder af dan hier denk ik met al die drassige akkers, plassen en in de zomer grazende koeien en velden met zonnebloemen.

Chaumont-Gistoux – de watertoren

Op oude kaarten heet het hier Les Bruyères en dat vertelt dat het in de oude tijd een droog heidelandschap moet zijn geweest en op de Ferrariskaart van 1777 kan je dat ook nog zien hoewel er toen ook al wel akkers waren.

Recht voor je zie je in de verte de watertoren van Chaumont-Gistoux. Dat heel mooie Art-deco gebouw dateert van 1923 en is niet lang geleden nog eens herschilderd. Het maakt deel uit van de Waalse Watermaatschappij SDWE, een intercommunale voor de watervoorziening die al in 1914 werd opgericht wat in die tijd een publieke plattelandsinvestering van heel wat visie vergde.

We gaan rechtsaf de veldweg waar je wel veel nummers en tekens ziet waar je zonder kaart niets mee bent maar die op de kaart Sentier de la Grange du Sart heet. Op diezelfde kaart zie je een eindje verderop allerlei tekens die je vertellen dat je je bevindt op een prehistorische site met grafheuvels, wallen en een nederzetting in de omgeving van de Voie d’Inchebroux en de Voix des Tombelles. Dat is voor een andere wandeling.

De échte geheimen van deze omgeving blijven echter voor de bezoeker verborgen (tenzij je een gids weet te vinden die ze weet te vinden en er iets over kan vertellen). ‘Ergens’ in het bos aan de rechterzijde staan op een hoge plek in een privébos drie ‘keibergen’ waarvan niemand weet hoe oud die zijn, wie ze heeft opgericht en waar ze voor hebben gediend.

Tussen Grez-Doiceau en Longueville – keibergen op de helling langs Le Glabais

Het enige wat zeker is dat het geen stenen zijn die de boeren van hun akkers hebben verwijderd want daarvoor liggen ze te hoog en zijn ze te duidelijk niet zomaar op elkaar gestapeld maar in een bepaalde vorm. Waarschijnlijk zijn het oude bakens. Daar ga ik ook nog wel eens een keer langs maar ik laat je er al vast een foto van zien.

En om dit verhaal compleet te maken vertel ik je ook nog dat een beetje verderop een hele reeks megalieten in een veld liggen waarvan er één recht gezet is met de naam ‘Cheval de Godde’. Maar dat is ook al weer stof voor een afzonderlijk verhaal.

Reden genoeg om hier nog dikwijls terug te komen! Ik vervolg onze tocht in de richting van het dorp Bonlez en het domein AFTIA.

Longueville-Bonlez. Met de kaart in de hand kom je vanaf Le Glabais in Longueville hoog op de rand van het dal via het Sentier de la Grange du Sart bovenlangs het Bois de Bonlez en de rand van een afgesloten privébos tot op de kruising met de Chemin de l’Aftia. Rechtdoor gaat naar de kerk van Bonlez maar wij slaan rechts af de veldweg in. Tot voor kort stonden hier nog paarden en ezels in een weide bij een leuk oud boerderijtje maar nu is heel het terrein opgegraven en ik denk dat er een sportterrein moet komen. Er is in de omgeving veel gebouwd de laatste jaren en waar mensen gaan wonen vragen die ook om eigentijdse mogelijkheden om zich te vermaken en dat gaat dikwijls ten koste van de plaatselijke natuur. Waar het woord ‘Aftia’ op slaat heb ik tot nu toe niet kunnen uitvinden. Het woord staat op een hek met ‘verboden toegang’ en daarover vertelt de Gouden Gids me dat Aftia-Services een bedrijf is dat levert aan restaurants en winkels en ook doet in vastgoed.

Bonlez – hoge bomen vangen veel wind

Voor mij niet gelaten maar wat het dan doet midden in dit mooie bos en waarom dit dan helemaal afgesloten is ontgaat me. Aan de linkerkant van de veldweg is het ‘Bois de L’Etoile’ dat toebehoort aan het Château de Bonlez. Het ziet er heel mooi uit maar je mag er ook al niet in. Over het Château en zijn eigenaars schreef ik eerder dit jaar al eens een bijdrage. Van mij mogen er in al die bossen toch wel enkele ‘sentiers’ komen waarlangs  de wandelaar ook van de natuur kan genieten. Ik vrees dat de positie van deftige mensen met geld  en jagers met geweren in deze streek nog veel te dominant is en het gaat volgens mij zelfs een beetje de verkeerde richting uit met al die afsluitingen. In afwachting van de vervulling van deze toegangs-wensdroom geniet ik toch van de mooie bomen en de vele merkwaardige houtstructuren. Op de kruising met een bordje naar links naar ‘Centre Bonlez’ aan het begin van een hele mooie holle weg gaan wij naar rechts in de richting van Ferme en het Fort des Voiles en terug naar de Ruisseau le Glabais.

Tussen de hoeve en het ‘fort’ kom je aan een paadje links over de Glabais en als je daar ingaat kan je langs de overkant van de beek stroomopwaarts een mooie holle weg volgen en dan kom je ook terug naar La Chapelle du Chêneau. Dat is voor een andere verkenningstocht.

Bonlez – la Ferme du Fort des Voiles

Aan de andere kant van dat het bruggetje zie je echter ook een pad stroomafwaarts naar links dat jammer genoeg ferm is afgesloten met grote borden ‘privé-eigendom’ en ‘natura 2000’. Achter die borden verbergt zich een fantastisch mooi stukje vallei-natuurgebied dat enige tijd geleden door een groep mensen uit de omgeving is aangekocht om het te behoeden voor commerciële bosuitbating en kaalkap door een of andere grootgrutter die onder natuurbehoud iets anders verstaat dan jij en ik. Er staat een telefoonnummer en een email bij en als je die vriendelijk genoeg contacteert mag je misschien toch binnen als je belooft om heel braaf te zijn en met een heel kleine groep te komen.

Ik sta hier even bij stil om je te vertellen waar dat geheimzinnige ‘fort des voiles’ vandaan komt. Dat heeft niets te maken met een militair bastion of met sluiers maar met een historische glasoven, een ‘four à verre’ met een watermolen waarvan de bijna onzichtbare resten zich hier diep in de vallei verbergen.

Om glas te produceren heb je immens veel hout nodig wat verklaart dat glasateliers in onze streken nogal eens gevestigd werden op plekken met veel bos. Dat is het geval op het domein van Savenel in Néthen en dat is ook zo in de vallei van Le Glabais. In beide gevallen gaat het om ambachtelijke vestigingen van protestantse families die uit Frankrijk naar hier uitgeweken zijn omdat in hun thuisland de grond voor hugenoten te heet onder de voeten werd.

Bonlez – le Glabais ter hoogte van Fort des Voiles

In de streek van Bonlez betreft dit de  glasblazersfamilie met de naam Colnet die zich hier in de 17de eeuw vestigde. In 1624 opende Jean Colnet een glasatelier in de buurt van het kasteel van Bonlez en vijf jaar later huurde hij samen met zijn echtgenote een terreintje aan de Glabais aan de overkant van de rivier waar tegenwoordig de Ferme du Fort des Voiles is.

Op dezelfde plek moet vanaf 1834 de watermolen van ene Hubert Wigy hebben gestaan om graan te malen en in die tijd en nadien waren er in Bonlez ook meerdere fabriekjes.

Via het plaatselijk dialect is ‘four à verre’ nadien verbasterd tot ‘fort des voiles’. Om dit alles nog eens goed uit te zoeken is voer voor erfgoedspecialisten maar zeker is dat zich tegenover de boerderij een overduidelijke archeologische site bevindt met ophogingen en resten van muren die zo gevormd zijn dat indertijd de loop van de Glabais er door gewijzigd kan zijn. Tegelijkertijd kom je op deze plek nog eens onder de indruk van het smalle spoor dat de rivier in de harde steenlagen heeft moeten uitslijpen om zijn weg naar beneden te zoeken. De hellingen zijn voor Belgische begrippen behoorlijk stijl en ik vermoed dat er voor geologen hier ook nog veel te vinden is. Als je dan toch eens de toestemming krijgt om het pad te volgen geniet je als natuurliefhebber geniet van het uitzicht maar ook van de majestueuze bomen, de talrijke holen en de zwammen die hier in de winter overvloedig boven de grond komen.

Bonlez – Fort des Voiles – hoog boven de vroegere watermolen in de Glabais

Op een plekje vond ik naast elkaar een Geschubde inktzwam en een Spechtinktzwam en volgens mij komt die combinatie niet dikwijls voor.

Diep beneden je baant de Glabais zich met veel bochten een weg tussen harde steenlagen. Van het vroegere glasatelier is niets meer te zien maar halverwege stuit je op de gemetselde resten van wat ooit een van de vele molens in deze omgeving moet zijn geweest.

Het eerste wat opvalt als je in Bonlez aan het einde van de Chemin du Fort des Voiles komt zijn de rijen populieren met maretakken. Ik weet niet of de traditie nog leeft maar bij mijn ouders werd met Kerst en Nieuwjaar een twijgje maretak boven de deur gehangen en dan zorgden de dames wel om er op het juiste ogenblik onder te staan om door hun geliefde gekust te worden.

In de Noorse traditie speelt de Maretak een rol als het hout in de pijlpunt die de zogenaamd onkwetsbare alom beminde god van de liefde Baldur dodelijk in het hart treft dus dat is een heel ander verhaal waarbij jaloezie de hoogste rol speelt. Maretak is een altijd groene halfparasiet met voor mensen giftige bessen die graag groeit als er een kalkachtige bodem in de buurt is en als je hem ziet weet je dat de kans op zeldzame voorjaarsbloeiers in dat gebied wel groot is.

Bonlez – Fort des Voiles met koe en maretakken in de populieren

De luxueuze villa ‘Fort des Voiles’ of ‘villa rose’ dateert van 1935 en was tot voor kort het hoofdkwartier van de pisciculture Colette die met zijn forellenpoelen in het zuivere water van de beek lang een leidende rol speelde in de Franstalige visnijverheid totdat zijn viskweek last kreeg met de toenemende regelgeving in verband met voedselveiligheid, er klachten van de concurrentie kwamen en tot overmaat van ramp de bevers gaten groeven in de dammen tussen zijn vijvers zonder dat hij daar iets tegen kon beginnen. Bovendien loost bij heftige neerslag het zuiveringsstation stroomopwaarts af en toe ongezuiverd afvalwater via zijn ‘overstort’ en dat is niet goed voor vissen en mensen. De eigenaar ging dan maar op pensioen maar ondertussen woont hij er blijkbaar ook niet meer. Bij de foto’s is er nog een van zo’n vispoel.

De villa staat op de lijst van beschermd erfgoed en dat is ook het geval voor de twee kapelletjes die er in de buurt staan. Het witte stijlvolle gebouwtje hoort bij de villa maar het andere maar ik ben vergeten waarom de familie het daar gezet heeft en het erfgoeddossier vertelt het ook niet.

De andere, een wat sombere ‘potale’ een beetje verder min of meer verborgen langs het pad dateert al uit het begin van de 19de eeuw maar wie het daar gezet heeft en om welke reden weet ik niet en het erfgoeddossier zegt daar ook al niets over niets over. Het beeldje achter het traliewerk stelt  Saint Hubert voor en dat betekent dat de kapel gezet moet zijn door een liefhebber van de jacht want daarvan is hij de patroonheilige.

Waarom hij dat is ontgaat me volkomen. Hertog Hubertus van Aquitanië was een fanatiek jager in de Ardennen. Daaraan kwam abrupt een einde na een jachtpartij op Goede Vrijdag van het jaar 683.

Bonlez – langs Le Glabais – Potale – kapelletje Saint Hubert

Dat was een zeer grote en oneerbiedige zonde in die tijd maar desondanks kwam er een groot hert op zijn pad en hij joeg het op met zijn honden. Toen het dier zich naar hem toekeerde wilde hij het neerschieten maar op dat moment verscheen er een lichtend kruis tussen het gewei en hoorde hij een stem die hem beval om naar Maastricht te gaan en zich te melden bij de plaatselijke bisschop, de heilige Lambertus. Hij volgde het bevel op en sindsdien heeft hij nooit meer gejaagd. Hij wordt afgebeeld als beschermer met een hert en een hond en ziet er inderdaad uit als een man die nooit een dier zal doodschieten maar juist om die reden kan ik niet begrijpen waarom uitgerekend de jagers hem vereren.

Wat de toekomst gaat zijn voor dit heel mooie gebiedje is onzeker want er zijn wel een aantal gebouwen gezet en er is kennelijk belangstelling om de omgeving nog verder in een manege om te vormen hoewel er op het terrein nog niet echt recente verandering te zien is. Voor zover ik weet is het hier ook wel natuurgebied dus het zou kunnen dat bouwplannen daardoor ook wel wat worden afgeremd.

Vanaf hier volgen we de weg door het Bois de Bonlez. Eerst stroomt de beek nog diep aan de linkerkant maar een eind verder komt hij plotseling echt op het pad te liggen en vandaar verloopt de tocht wat spannender maar uiteraard ook wel modderiger. Het is wel de moeite waard om even links de bedding naar beneden te volgen tot waar je in het bos een reeks grote stenen gaat zien.

Volg het pad gewoon verder. Vlak voordat je opnieuw de kloof zou binnengaan moet je linksaf om weer terug naar La Chapellu du Chêneau te komen, ons vertrekpunt voor deze luswandeling.

Bonlez-Longueville-Grez Doiceau – luswandeling dal van Le Glabais

+++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

Het beschermingsdossier van la Chapelle du Chêneau(met oude foto’s):

http://spw.wallonie.be/dgo4/site_thema/index.php/dossier/view/BC_PAT/25018-CLT-0007-01

http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/pdf/fiche/25018-INV-0055-02

FEU VERT POUR LE SITE CLASSE DE LONGUEVILLE LA … – Le Soir

www.lesoir.be/feu-vert-pour-le-site-classe-de-longueville-la-chapel.

+++

Cercle d’Histoire de Chaumont-Gistoux:

https://www.facebook.com/Cercle-dHistoire-de-Chaumont-Gistoux-728916607240161/

Zie ook

C. CUMPS, la Chapelle au Chêneau, Bulletin du Cercle d’Histoire de Chaumont-Gistoux, Numéro 51, 2005

Bonlez – Fort des Voiles – de viskwekerij

+++

Over Alpaide zie ook https://fr.wikipedia.org/wiki/Alpa%C3%AFde

+++

beschermd erfgoed in de chemin du fort des voiles :

+++

Bonlez – la chapelle aan Fort des Voiles


+++

Over de glasnijverheid (four à verre):

http://archives.lesoir.be/un-ancien-quartier-chaud-a-bonlez-un-coin-de-notre-memo_t-19980717-Z0FJ10.html

+++

Musée de l’Horlogerie
Chemin de la Coquière, 5
1325 Longueville
Tél. : 010/88.94.14

Site internet : http://www.pateretfils.com

+++

Yvan Capouet – La Levée de terre du Michelsberg – un monument préhistorique à Chaumont-Gistoux ; Cercle d’Histoire de Chaumon-Gistoux asbl, Janvier 2020, ISBN : 978-2-8052-0566-8

+++

groupe sentiers Chaumont-Gistoux: http://www.groupesentiers.be/

+++

https://ernstguelcher.blogspot.com/2016/12/op-verkenning-in-bonlez_11.html

+++

Bonlez – Fort des Voiles – bochten in de Glabais

Trefwoorden : longueville, erfgoed, chapelle du chêneau, alpaide, legende, graafschap brunerode, bonlez, fort des voiles, aftia, michelsberg, erfgoed, geschiedenis, glas, keiberg, saint hubert,

ORP-JAUCHE – LE PARADIS VAN KALKGROEVE TOT NATUURRESERVAAT

Januari 2021

Ernst Gülcher

contact: ernst.guelcher (at) telenet.be

Orp-Jauche – een vlinder in het Paradijs

Orp-Le-Grand vind je na zowat een kwartier rijden vanuit Leuven langs de E40 vanaf afrit 26. Het is samen met Orp-Le-Petit, Jauce en nog enkele dorpjes sinds 1977 deel van de fusiegemeente Orp-Jauche. Ooit was deze streek deel van het hertogdom Brabant en in de taal van die tijd stond ORP voor DORP en zoals in zoveel Brabantse dorpen bevond je in die tijd hier al in een toen al eeuwenlang grotendeels ontbost open golvend landschap met veel akkers en vierkantshoeves maar ook kerken, kloosters, kastelen, watermolens en zelfs een echte grot.

Over die rijke geschiedenis moet ik nog meer horen en zien, net als over het riviertje La Petite Gette dat dwars door het dorp kronkelt (met nog het klein vogelreservaat La Jaucière) op weg naar de Gette, de Demer en de Dijle.

In de 19de en 20ste eeuw heeft het dorp een industrieel aanzien gekregen, onder meer door de vestiging van een suikerfabriek en de aanleg van een spoorlijn

En toch kan je hier op zoek naar het paradijs. Sinds ik een jaar of wat geleden de ‘Réserve Naturelle Du Paradis’ in Orp-Jauche heb ontdekt ga ik er af en toe graag eens naar toe omdat het een bijzonder mooie plek is met als extra bijzonderheid dat het er niet meer om de paar maanden helemaal van uitzicht verandert omdat nijvere natuurinrichters er ‘iets anders’ van willen maken.

Orp-Jauche – Réserve Naturelle du Paradis – pak een krijtje uit de wal

Groot is deze voormalige industriële krijt- en mergelgroeve niet, ik denk niet meer dan zo’n 2,5 hectare.

Maar op de smalle paadjes langs de hoge steile wanden of aan het kleine meertje in de diepte ben je heel even wel erg verwijderd van de grote drukte in de rest van de wereld.

Tot 1899 was deze krater een heideachtige helling in de vallei van La Petite Gette en deel van de mooie natuur in die tijd. Op de Ferrariskaart van 1777 zie je die helling ingetekend. Maar vanaf dan werd er tot 1956 op  industriële schaal kalk uitgegraven als grondstof voor de cementindustrie en ging het er vele decennia heel wat minder paradijselijk aan toe.

Op de NGI-kaart van 1969 staat de groeve er overduidelijk op. In het dorp wordt aan bezoekers verteld dat de naam ‘Paradis’ ontstond doordat men de lijken van dode dieren in de kalk verbrandde, blijkbaar in een soort van geloof dat die dan op een goede plek in de hemel zouden belanden …. Of er ook mensen werden verbrand krijg ik niet te horen maar het zou hier dus evengoed de Hel of Vagevuur hebben kunnen heten.

Er worden door de plaatselijke jeugd nog wel stiekem vuurtjes gestookt maar de natuur heeft al lang komaf gemaakt met al dat menselijk gedoe.

Orp-le-Grand Réserve naturelle le Paradis (winters zicht op de vogelkijkhut)

Wat in de jaren zestig een stoffige witgrijze woestijn geweest moet zijn is nu prachtig bebost en vanuit de vogelkijkhut kan je het meertje bewonderen hoewel ook dat langzaam aan door de begroeiing dreigt te worden ingepalmd ware het niet dat de vrijwilligers van de Conservatoire Naturel de la Commune d’Orp-Jauche regelmatig op hun natuur-werkdagen de handen uit de mouwen steken om als die wildgroei een beetje in goede banen te leiden.

Dankzij deze vrijwilligers is de groeve nu een ‘ware oase in een regio met grootschalige landbouw’ en de beschrijvingsfiche waarmee dit paradijs officieel door het Waals Gewest wordt uitgeroepen als ‘Site de Grand Intéret Biologique’ somt op wat je er zo allemaal kunt vinden aan soorten vegetatie en uiteraard gaat het dus om alles wat het in ons klimaat wil doen op zuivere kalkgrond waaronder zeer zeldzame, zeker in de streek zelf. Daarnaast is er nog de indrukwekkende vliegende kruipende en zwemmende dierenwereld. Voor de kenners verwijs ik naar de inventaris die in de fiche is opgenomen. Om het zelf allemaal te ‘spotten’ is natuurlijk heel wat geduld nodig. Naar de twintig soorten aangetroffen mossen en korstmossen kan je wel nu al gaan zoeken en ik heb ook heel wat tongvaren gezien. In de winter is het een paradijs voor zwammen.

Voor een deskundige gids op dit erg zorgvuldig beheerde natuurreservaat kan je terecht bij de vzw ‘la Petite Jauce’ waar je je ook kan aanmelden voor de werkdagen. Er moet ook honing te verkrijgen zijn denk ik van zowel solidaire als honingbijen want er staat een bijenhotel aan de ingang en een imkershut een beetje verderop met een mooie totem erbij.

In geologische opzicht gaat het hier om de krijtbodem van een ondiepe tropisch warme zee met de respectabele ouderdom (op mensenmaat, want geologisch is het niets) van 100 miljoen jaar geleden in de periode die de geologen het ‘(Laat-)Krijt’ noemen.

Orp-Jauce – Le Petit Paradis – de wand van de groeve is nauwelijks nog te zien

Dat is de derde fase van het  ‘Secundair’ (Mesosoïcum) na het ‘Trias’  en ‘Jura’ (achtereenvolgens 250 miljoen en 210 miljoen jaar geleden).

Het materiaal bestaat uit de veelsoortige en veelkleurige samengedrukte stoffelijke kalkresten van de schelpdieren van die tijd. Onder dat krijt ligt een sokkel van vulkanisch stollingsgesteente uit het ‘Primair’ (Paleozoïcum) van 500-250 miljoen jaar geleden. In feite is die sokkel de helling van een oeroud ooit opgestuwd maar daarna afgesleten gebergte en dat maakt dat ons land ruwweg de vorm heeft van een schuine schotel met de hoge kant in het oosten en de lage kant aan het strand.

Het krijt ligt op dat gesteente en in de regio Leuven vind je dat dus diep onder de grond en wordt er drinkwater uit opgepompt terwijl het in hoog-Limburg boven de grond komt en uitgegraven is in de beroemde mergelgrotten in de heuvels rond Maastricht.

In Orp komt de kalk juist niet aan de oppervlakte maar is afgedekt door niet heel dikke lagen zand uit latere geologische tijden waarin de zee nog enkele malen terugkwam en een laagje vruchtbare leemstof dat door de wind vanuit de Noordzee werd aangevoerd in de laatste ijstijden. In de kalk zit van alles, bijvoorbeeld vuursteen en mineraal glauconiet. Klompen vuursteen of silex komen dikwijls voor in kalksteen en bestaat uit cryptokristallijn siliciumdioxide (kwarts) en veel (chemisch gebonden) water. Het is erg hard, laat zich gemakkelijk splijten maar in poedervorm kan het leiden tot stoflongen wat in een groeve uiteraard erg gevaarlijk is. Mineraal glauconiet vormt zich in ondiep warm zeewater door langzame verwering van klei tot een blauwgroen gesteente. Het wordt tot de mica’s gerekend en is perfect splijtbaar langs de kristalvlakken.

Orp-le-Grand – la reserve naturelle du Paradis – vuurstenen in de wand van krijt

Er zijn veel minerale fossielen gevonden in de groeve en de eerste mensen in deze omgeving waren de eersten om er werktuigen (en sierraden?) van te maken.

Sinds onheugelijke tijden is dit een streek met een vruchtbare bodem met krijt en splijtbare vuurstenen in de ondergrond en een riviertje in de vallei. Dat trekt mensen aan en in de regio zijn dan ook veel sporen gevonden. De archeologen weten al lang dat in de nabijheid van de kalkgroeve in het laatste deel van  het stenen tijdperk – zo’n 4000 jaar geleden – mensen gewoond hebben van de stam van de ‘Michelsbergers’.

In deelgemeente Enines is een wal opgegraven waarin men vuurstenen voorwerpen gevonden heeft en ook scherven van potten die typisch zijn voor deze cultuur. Vondsten van dit volk zijn niet zeldzaam in onze streken want er zijn ook Michelsbergersites in het Meerdaalwoud, Ottenburg en Chaumont-Gistoux.

Dichter bij de groeve is echter ook een site gevonden van de zogenoemde ‘Magdaleners’. Het Magdalénien is een cultuur die 18.000 jaar geleden begon en 8.000 jaar later eindigde met het einde van de laatste ijstijd. De mensen leefden van de jacht op grotere zoogdieren en zijn bekend door hun ‘klingen’, dat wil zeggen kleine vuurstenen voorwerpen en later ook harpoenen van ivoor. Ze leefden in tenten maar ook in grotten en hun muurschilderingen zijn te vinden in Lascaux en Altamira. In België zijn er slecht twee sites van dit volk gevonden, in Kanne (Luik) en Orp-Jauche.

Sinds 2018  wijzen archeologische vondsten echter ook op het bestaan van een 200.000 jaar geleden door de Neanderthalers begonnen vuursteennijverheid want er is in de krijtrotsen niet ver van de groeve een site gevonden die lijkt op een ‘open mijn’.

Orp-Jauche – le Paradis

Behalve stenen voorwerpen  zijn daar ook dierlijke beenderen gevonden en er wordt nog gezocht naar menselijke overblijfselen. Om meer te weten over deze vondsten kon je tot 2013 terecht in Orp in het plaatselijke museum voor archeologie maar sindsdien is dit museum overgebracht naar het Provinciaal Domein van Hélécine.

In de omgeving van Orp-Jauche kan je ook de grotten van Folx-les-Caves bezoeken en daarover heb ik al een uitvoerig verhaal op mijn blog gepost.

Het industriële verleden van deze krijtgroeve en dat in dezelfde periode van de gemeente zijn ongetwijfeld goed gedocumenteerd. Maar het internet en de vriendelijke plaatselijke toeristische dienst tonen zich terughoudend voor wie naar gegevens zoekt om antwoorden te vinden of het in die niet zo oude tijd ook een paradijs was.

In 1865 veranderde met de opening van de spoorlijn tussen Landen en Tamines het dorp in ijltempo van een historische landbouwgemeenschap in een bruisend industrieterrein. Wie waren de uitbaters van de kalkgroeve, waar kwamen ze vandaan en met wiens geld werd de uitbating gefinancierd? Waar ging al die cement naar toe? Hoeveel mensen werden hier aan het werk gezet en wat kregen ze ervoor als beloning? In de groeve staat nog één geheimzinnige grenssteen met het opschrift DM maar wat dit betekent weet ik niet.

Naast de cimenterie kwamen er fabrieken om suiker, dakpannen, bier, melk, landbouwmachines en allerlei andere metaalproducten te vervaardigen.

Orp-le-Grand – in de industrie kijk je best vooruit: hier hangt al een boor voor het geval de zee opnieuw tot hier zou stijgen

Er is ongetwijfeld geld verdiend en hard gewerkt maar het geld is niet in het dorp gebleven denk ik want nog geen honderd jaar later zijn de fabrieken bijna allemaal gesloten en de eigenaars vertrokken en is de landbouw opnieuw zowat de enige werkgever naast vrije beroepen, lokale ambtenaren, winkeliers, caféhouders, ambachten, enig toerisme en een stroom van pendelaars naar Brussel, Luik of Namen. De 11de eeuwse Romaanse kerk Saints-Martin-et-Adèle heeft al de wisselingen van de tijd doorstaan en geldt als de grootste bezienswaardigheid.

Het stadje ziet er wel nog altijd uit als een industriële site. De nostalgie is tastbaar nog lang nadat alle grootgrutters hun fabrieken gesloten of verplaatst hebben. Midden door het dorp is nu een mooie groenzone rond het voormalige station langs de vroegere spoorweg en het riviertje La Petite Gette waar je rustig kan wandelen met of zonder hond. De treinsporen zijn er nog maar met de trein raak je er niet meer. De rails zijn nu een parkachtig fiets- en wandelroute (RAVEL).

Ik denk dat het in die ‘goede oude tijd’ hier een hels lawaai moet zijn geweest met een luchtkwaliteit die je je kunt verbeelden door de heftige uitstoot van schoorsteengassen te vermengen met het roet van stoomlocomotieven en wit krijtstof uit de groeve. Misschien zijn er nog foto’s van?

Dankzij een schenking van de familie de Hemptinne aan de Sociale Dienst van Namen krijgt Orp in 1935 een sanatorium voor tuberculose-patiënten, ofwel mensen – zeker mijnwerkers – die stoflongen hebben opgedaan door het inademen van kiezelstof (silica, siliciumdioxide en kwarts) met longkanker als gevolg. Na het wegtrekken van de industrie en de uitvinding van de antibiotica wordt dit centrum in 1974 een verzorgingsthuis voor zwaar mentaal- en fysisch gehandicapten.

Orp-le-Grand – het voormalige stationsgebouw – nu het centrum in een groene zone

Orp-Jauche – la Réserve naturelle du Paradis – met de trein kom je er niet meer

In het begin van de jaren tachtig van de vorige eeuw doet de Tiense Suikerraffinaderij, dan eigenaar van de achtergelaten put, nog een ferme poging tot natuurbederf met een plan om op die plek haar bedrijfsafval te gaan storten. De tijden zijn echter veranderd en de nieuwe generatie dorpsgenoten besluit dat deze hel vermeden moet worden. Er wordt een vzw uit de grond gestampt ‘la Petite Jauce’ die er – ongetwijfeld na vele hoofdbrekens en slapeloze nachten – in slaagt om de gemeente de site te laten overnemen en er een natuurreservaat van te maken.

En zowaar, zoals in veel (alle?) oude groeves waar natuurbewuste buurtbewoners zich het lot van aantrekken wint het paradijs het op de hel want dit is het begin van het ‘Conservatoire Naturel d’Orp-Jauche’ dat bestaat uit de groeve, een achter het stationsgebouw gelegen moeraszone (reservaat La Jaucière naast de visvijver) en de brede treinstrook tussen de beiden. Dat reservaat moet ik ook nog bezoeken maar dat is voor een andere keer. De groeve is vrij toegankelijk zolang je de natuur niet stoort en op de paadjes blijft.

Mijn ervaring is dat je er zelden iemand tegenkomt tenzij je komt op een werkdag voor de beheerders. Dan worden de talrijke kalkrijke hooilandjes gemaaid,  de paden vrijgemaakt en rode kornoelje gesnoeid. Regelmatig worden ook de aanduidingsborden opgeknapt en de afval langs de vijver opgeruimd. Ik zag ook op hun werkprogramma dat de orchideeën worden vrijgemaakt. Die heb ik er nog niet gezien maar uiteraard past de orchis wel in deze biotoop.

In alle seizoenen is een bezoek de moeite waard. In de winter geniet je van spectaculaire uitzichten en in de zomer van het uitbundige groen. Trek wel goed schoeisel aan en zorg dat je in een beetje goede conditie bent want het pad is smal en er zijn steile stukjes met grote traptreden. Ik was er een keer bij sneeuw en vrieskoude en het was behoorlijk glad. Verdwalen zal je er niet want er is maar één pad en dat gaat heel de groeve rond.

Orp-Jauche – Le Paradis – kaart NGI 1969
Orp-Jauche – Le Paradis – kaart OSM

++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

http://users.skynet.be/beauchamp/Velo/BPB/Folz-les-Caves.html (enkele cijfers en feiten uit het industrieel verleden)

Orp-Jauche – Rendez-vous au Paradis, pour un petit entretien – Vlan

https://www.vlan.be/…/b9712978170z-1-article_vlan-rendez-vous&#8230;

http://www.petitejauce.be

et sur la page Facebook «Petite Jauce :

https://www.facebook.com/PetiteJauce/

Orp Jauche – Réserve naturelle le Paradis

https://www.lesoir.be/art/orp-4-000-ans-avant-jesus-christ-le-michelsberg-periode_t-19940524-Z0831R.html

https://www.rtbf.be/info/regions/detail_l-homme-de-neandertal-taillait-la-pierre-a-orp-jauche-il-y-a-200-000-ans?id=9888883

http://domainehelecine.be/fr/le-chateau/le-musee-archelogique.html

Orp-Jauche – Réserve naturelle du Paradis – ogen in de wand

Trefwoorden: Orp-le-Grand, Orp-Jauche, petit paradis, groeve, mijnwerker, geologie, kalk, natuurbeheer, natuurreservaat, erfgoed, geschiedenis, industrie, station, la petite jauche, prehistorie, magdaleners, michelsbergers,

DE GROTTEN VAN FOLX LES CAVES IN ORP-JAUCHE

januari 2021

Ernst Gülcher

contact: ernst.guelcher@telenet.be

Folx-les-Caves – klaar voor het ‘bal souterrain’

De grotten van Folx-les-Caves in Orp-Jauche. Zonder het bezoek aan de voormalige krijt- en mergelgroeve en nu natuurreservaatje Le Paradis een beetje noordelijker in deze gemeente zou ik er nog altijd misschien niet van gehoord hebben. Merkwaardig genoeg roepen deze grotten voor de nu gepensioneerde schoolkinderen uit het Leuvense een herinnering op aan daguitstappen naar de streek van Jodoigne met de basisschool in hun tijd van toen maar dat is dus wel lang geleden. In die tijd waren de grotten een echte toeristische attractie en in 1965 werden er zelfs opnamen gemaakt voor de jeugdserie ‘Johan en de Alverman’ in een regie van Bert Struys.

Lokaal worden de grotten aangeduid met ‘Puits aux Grottes’ en het is een labyrint van ondergrondse gangen die ooit door mensenhanden zijn uitgehouwen in de zachte mergelachtige ondergrond tot op een diepte van 18 meter. Er loopt zelf een beekje door dat verderop uitmondt in het riviertje La Petite Gette. Dat beekje heb ik nog niet gezien want het bevindt zich in een niet toegankelijk deel van het gangenstelsel dat aangeduid staat als de ‘Caves Bodart’. De ingang naar het toegankelijke deel, de ‘Caves Racourt’ bereik je langs een steile trap vanaf de Rue Auguste Baccus, op voorwaarde dat de eigenaar voor jou het hek openmaakt en de lampen aansteekt want anders wordt het een beetje té avontuurlijk denk ik.

Folx-les-Caves

Eenmaal binnen sta je inderdaad in een ijskoude reusachtige kelderachtige ruimte met een vlakke vloer waar overal rond massieve kolommen gangen gehouwen zijn en waar je zonder gids binnen de kortst mogelijke tijd kan verdwalen. Wat onmiddellijk opvalt is het kunstige patroon van groeven in de wanden en de afbeeldingen die op veel plaatsen in het zachte materiaal zijn uitgehakt om niet te spreken van de vele opschriften en namen die vroegere bezoekers in de mergel (‘marne’ zeggen ze hier) hebben achtergelaten. Wie heeft dit gemaakt, wanneer en waarom en door wie is dit allemaal gebruikt?

Hoe oud de grotten in Folx-les-Caves zijn weten de geleerden nog altijd niet. Op de ‘Villaret-kaart’ van 1745 zie je op deze plek de aanduiding ‘carrières de marne’. In die tijd maar alle eeuwen voordien dient de krijtachtige mergel voor de boeren om hun grond minder zuur en dus vruchtbaarder te maken. Tegelijkertijd wordt het gedolven om het in ovens tot ‘chaux’ te verwerken, oftewel tot kalk als grondstof voor het oude kalkcement. Om die reden is heel de streek op veel plaatsen bezaaid met ondergrondse gangenstelsels die men soms nog weet zijn of die ontdekt worden door boringen of – erger – instortingen van de zachtstenen bovenlaag.

grotten van Folx-les-Caves – een menselijk spoor in de wand

Het kan zijn dat onze voorouders in het stenen tijdperk hier al aan het graven waren en dat de Romeinen en hun nazaten de werken hebben verdergezet zodat de grotten altijd maar groter werden. Met uitvinden van zowel de kunstmest als het harde Portlandcement raken de nijverheid in onbruik en worden de grotten verlaten en lang niet meer gebruikt tenzij als schuilplaats voor mensen op de vlucht en in tijden van oorlog en daar zijn ook nog verhalen over te vertellen. In onze tijd worden opnieuw pogingen gedaan om ze uit te baten.

Daarbij is het goed om te weten dat zulke grotten zich onder verschillende eigendommen uitstrekken waarvan de eigenaren dus alleen maar beschikken over en verantwoordelijk zijn voor het eigen deel. Dit is van belang bij instortingen maar ook voor de verdeling van de activiteiten. Zo is het grottenstel van Folx-Les-Caves in tweeën gedeeld door een muur op de scheidingslijn. In het diepere en spannender gedeelte ‘Bodart’ was tot 2006 de Hoegaardse brouwer Pierre Celis de eigenaar met het doel om er zijn bier te laten ‘champagniseren’.  Uiteindelijk wordt zijn grottenbier in Watou gebrouwen en rijpt het in de grotten in Kanne. De site is nu eigendom van de Provincie Waals-Brabant. Of dat betekent dat hij op de duur wordt opengesteld heb ik nog niet gehoord. Over de champignons in de grotten bij buurman Racourt ga ik het nog hebben.

Folx-les-Caves – de grotten Racourt – een haardplaats zonder schoorsteen

Na het wegvallen van de mergelwinning dienen de grotten van Folx-les-Caves in Orp-Jauche vanaf 1886 om er op ambachtelijke wijze champignons te kweken. De bedrijvigheid beleeft zijn hoogtepunt tussen de twee wereldoorlogen vooral vanwege de overvloed van goedkope paardenmest uit het leger en de goedkope arbeid. In 1975 valt het doek (niet meer rendabel ? teveel concurrentie ?). In de grot Racourt is er nog iets van te zien en ik vermoed dat de ruïnes aan de straat er ook nog een overblijfsel van zijn.

Eigenaar Maurice Racourt stelt zijn domein open voor het toerisme en onder zijn enthousiaste leiding hebben veel bezoekers de grotten leren kennen. Na zijn overlijden in 2009 gaat de deur dicht om een jaar later weer geopend te worden door zijn broer Paul en nicht Monique. Maar ondanks de publiciteit en ook een mooie website is de fut er blijkbaar toch uit want er verschijnen herhaaldelijk verhalen in de plaatselijke pers dat de grotten van Folx-les-Caves te koop zijn.

Wie geïnteresseerd is en er 350.000 euro voor over heeft kan er de advertenties sinds 2016 op nalezen en met het warme zomerweer van de laatste jaren is het misschien wel een opportuniteit. Het mooie onthaal van vroeger is vrijwel stilgevallen en in verval geraakt en je kan de grot alleen nog bezoeken na speciale afspraak.

Folx-les-Caves – grotten Racourt – de slapende madonna?

Over de toekomst wordt weinig in het openbaar gezegd maar blijkbaar zou de Waalse overheid (de provincie?) belangstelling hebben. Maar op het internet vind ik geen enkele aanwijzing dat sinds 2017 er enige beweging zit in het dossier. Ik denk dat het een goed idee zou zijn om beide grotten Bodart en Racourt weer bij elkaar te brengen in één groot publiek toegankelijk project.

Aan die van het dorp Folx-les-Caves zal het alvast niet liggen want die hebben in 1985 ‘La Confrérie des Champignons de Folx-les-Caves’ opgericht om de culinaire traditie voor de bereiding van in de oven gebakken champignons in witte ham weer tot leven te brengen (open de link voor het streekrecept, het ziet er erg lekker uit). Het kleine maar springlevende gezelschap komt ieder jaar in juni samen voor een plechtigheid in de grotten en een diner in het dorp.

Of er nog ondergrondse danspartijen georganiseerd worden weet ik niet maar de dansvloer in de grot Racourt herinnert de bezoeker aan het feit dat met Pinksteren de dorpelingen hier tot 1910 en nadien tussen 1952 en 1989 hun ‘bal-souterrain’ hielden dus waarom zouden ze ook deze traditie niet voortzetten? Hierna heb ik het nog over de bandiet Colon die hier een schuilplaats vond en over de sculpturen die door andere schuilplaatszoekers zijn achtergelaten.

Het dorpje Folx-les-Caves behoorde ooit tot de meierij Geest-Gérompont in het hertogdom Brabant als heerlijkheid van het kapittel van Sint-Dionysius van Luik. Vanaf 1245 begint de Abdij van Villers meer  gronden in het dorp te verwerven.

Folx-les-Caves – de vos Tinlo

Dat de grotten in die tijd gebruikt worden om mergel te delven is waarschijnlijk want het plaatsje heet dan ‘Foul’ hetgeen in later tijd via vele variaties ‘Folx’ geworden is maar volgens de kenners afgeleid is van ‘Fossa’, Latijn voor ‘groeve’ of ‘gracht’.

Tijdens de Slag bij Ramillies in 1706 worden in het dorp zware vernielingen aangericht en bij die gelegenheid bewijzen de grotten hun nut als schuilplaats voor de geteisterde bevolking. Die toestand herhaalt zich tijdens de Franse bezetting op het einde van de 18de eeuw, tussen 1793 tot 1797 moeten vooral de religieuzen in de streek zich verbergen en daar heeft de grot Bodart twee uitgehakte altaren aan overgehouden. Nog in de 18de eeuw weet een plaatselijke straatrover in de grotten een tijd lang aan zijn vervolgers te ontsnappen vooral omdat ze dan moeilijk toegankelijk zijn en half onder water staan. Dat verhaal komt nog.

De talrijke inscripties en soms nogal kunstige sculpturen dateren voor het grootste deel uit de eerste helft van de 20ste eeuw waaronder een Venus, een borstbeeld van koning Albert I, een giraffe, een vos en een hert. Dat laatste wordt toegeschreven aan een Canadese soldaat die in 1918 in de grot Racourt verblijft. Sinds 1993 is de site als monument beschermd.

Folx-les-Caves – het Canadese grottenhert meer in detail

In 1965 worden er opnamen gemaakt voor de jeugdserie ‘Johan en de Alverman’ in een regie van Bert Struys en dankzij Steven Duyver kan je die nog eens bewonderen door de volgende link te openen: https://www.youtube.com/watch?v=BYzQjGZcKcE. Nu volgt nog het verhaal van Colon en de foto’s van het grootste geheim dat de grot Racourt in zijn duisternis verbergt.

Aan de ingang van de grotten van Folx-les-Caves staat een borstbeeld met het opschrift ‘Fiesse à Colon’. Pierre Colon is nu de plaatselijke held maar in de 18de eeuw is deze flinke bandiet de schrik van alle reizigers met geld en goederen die door het Bois des Caves moeten passeren. Graaf de Berlaimont, de Heer van Jauche beveelt zijn dienaren de geheimzinnige schurk op te pakken maar zelfs nadat hij herkend is door enkele slachtoffers verdwijnt hij na iedere aanslag op geheimzinnige wijze als bij toverslag.

Grotten van Folx-les-Caves – Fiesse à Colon

Tenslotte wordt ontdekt dat zijn huis gelegen is bovenop een ingang die naar de grotten leidt. Die staan in die tijd half onder water en ergens in het donker heeft Colon zich een schuilplaats gemaakt waar hij met zijn bootje bij kan of zich bij onraad naar een andere plek kan verplaatsen. Eenmaal verborgen komt zijn toegewijde echtgenote hem stiekem eten brengen. Tenslotte pakken ze hem toch en sluiten hem op in het kasteel van Jauche. Zijn vrouw mag hem op een pinksterdag bezoeken en brengt een koek mee met een vijl er in. De dag daarna is de kerker leeg en de Graaf ontvangt een briefje met de tekst “Si vous voulez élever des pigions (“Colon” en Wallon), il vous faudra un meilleur pigeonnier”.

Dat briefje wordt door sceptici naar de prullenbak verwezen want Colon kon niet schrijven maar voor de rest gaan de aanslagen en berovingen gewoon verder. In 1769 wordt hij opnieuw opgepakt en samen met zijn vrouw na een kort proces opgehangen op de plek van zijn misdaad en met zijn buit worden de kosten gedekt. Alle kooplieden in de streek vieren dagenlang feest maar de dorpelingen maken van de misdadiger een grootmoedige held die alleen de rijke mensen beroofde maar de armen met rust liet en zelfs met hen deelde.

Nu is hij de Robin Hood van Folx-les-Caves en sinds 1988  wordt ter zijner ere (en van zijn vrouw denk ik) en tot groot genoegen van iedereen in het dorp (ook de handelaars) ieder eerste weekend van oktober het ‘Fiesse à Colon’ ingericht met veel te eten en te drinken maar ook andere aktiviteiten.

Folx-les-Caves – muurschildering
Grotten van Folx-les-Caves – muurschilderingen


Of het bij een van die gelegenheden is of op een andere keer weet ik nog niet maar in een verborgen en onverlichte smalle gang van de grot Racourt vind je op de muur geheimzinnige muurschilderingen die doen denken aan die in de prehistorische grotten van Lascaux in Frankrijk. Onze gids fluistert me toe dat deze lang geleden gemaakt zijn door de kinderen van het dorp. Het is knap gedaan en als je over tweeduizend jaar terugkomt laat je je dan toch niet wijsmaken dat Colon ook nog een kunstschilder was uit de prehistorie.

Einde van dit hoofdstuk. Welke goede geest bezorgt ons nu een intro in de geheime grot van Folx-les-Caves met de naam Bodart?

Folx-les-Caves – kaart OSM

++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

http://www.folx-les-caves.com/ en https://www.facebook.com/folxlescaves/

Folx-Les-Caves Les grottes – Atelier de Généalogie de Orp-Jauche

https://sites.google.com/…folx-les-caves/folx-les-caves-les-grottes

Les souterrains de Folx les Caves – Tchorski

tchorski.morkitu.org/3/8888.htm

https://www.chouettemag.be/chroniques/josephtordoir.html

http://www.fiesseacolon.be/

https://www.facebook.com/groups/11282954995/about/

https://nl.wikipedia.org/wiki/Slag_bij_Ramillies

Folx-les-Caves – de dag dat alles inzakt ben je hier beter weg ….

zie ook : http://ernstguelcher.blogspot.com/ met trefwoorden: folx-les-caves, orp-jauche, mergel, grot, erfgoed, geologie, colon, lascaux, muurschildering,

OP STAP IN HET LAND VAN DE GOBERTANGE – OP VERKENNING IN MELIN EN SAINT REMY GEEST

Januari 2021 

Ernst Gülcher

contact: ernst.guelcher@telenet.be

Mélin – Eglise Notre Dame de Visitation

Het dorpje Mélin vlak over de taalgrens vind je op de kaart een klein beetje ten noorden van de Chaussée de Wavre tussen de luchtmacht basis Beauvechain en Jodoigne. Je kan het niet missen want het rijst als een rots van witte gobertange-kalksteen op uit een zee van akkers. Als de zon zijn licht laat schijnen op ‘L’église Notre-Dame de la Visitation’  en de enorme vierkantshoeve La Hesserée kan je je al goed voorstellen dat het dorp sinds september 2020 officieel is uitgeroepen als ‘het mooiste dorp van Wallonië’. Om het daarmee wel of niet eens te zijn moet je er natuurlijk naar toe. Zeker is dat zeer veel en ook gewone huizen gebouwd zijn met de plaatselijk gedolven gobertange en dat is uniek.

Hoewel ik op het internet een overvloed vind aan toeristische aanbevelingen met een wijnfeest, een tuinfeest, ambachtelijke tentoonstellingen en fietstochten, krijg ik toch de indruk dat het in Vlaanderen niet erg gekend is want veel toeristen ben ik er nog niet tegengekomen. Op het mooie dorpspleintje met mooie lantaarns rond het oorlogsmonument staat zelfs geen op de dorpelingen zelf gerichte winkel en slechts één café. Het kleine Atelier Mélin (niet in gobertangesteen) ging blijkbaar open in juli 2020 als een culturele boerenbistro en ontmoetingsplaats voor dorpelingen en bezoekers. Ik zag lovende opmerkingen voorbijkomen maar ik ben er nog niet binnen geweest.

Saint Remy Geest – de Gobertange

Van mij mag het massatoerisme hier wel wegblijven want erg groot is het dorp niet en mijn ervaring leert dat een overmaat van op vermaak gerichte bezoekers al snel leidt tot een verstikkende verzadiging die het historisch en landelijk karakter van zo’n plek naar de knoppen helpt. Zo te zien aan de huizen en hoeves hebben de inwoners ook niet echt aanvullende inkomsten nodig. Ik vind niet uit hoeveel inwoners deze deelgemeente van Jodoigne heeft maar ik denk ergens tussen de duizend en tweeduizend maar van het beperkt aantal gebouwen in het dorp zijn er maar liefst 115 openomen op de Waalse lijst van het Waardenvol Bouwkundig Erfgoed. Ik denk wel dat er in onze tijd veel nieuwe huizen bijkomen dus ik hoop dat er een lezer is die over het inwonersgetal iets meer weet (dank!).

De nogal afgesloten poel in het dorp onder de historische Ferme Blondeau (Ferme du Tilleul) is volgens de kaart een van de bronnen van de Ruisseau de Gobertange, een bijna droogstaand en aan de bron ingebuisd waterloopje dat een beetje naar het noordoosten zo’n 2,2 km verder tussen Saint-Remy Geest en Zétrud-Lumay uitmondt in la Grande Gette (Grote Gete) richting Hoegaarden. Een andere bron is iets naar het zuiden in het dorp in een wei aan de al even historische Ferme de Risbais (Rue des Beaux Prés 4).

Mélin – Ferme de Risbais

Mélin maakte lang deel uit van het Graafschap Leuven, later het Hertogdom Brabant, werd dikwijls geplunderd en verwoest tijdens de godsdienstoorlogen en had tussen 1568 en 1576 zelfs een protestantse seigneur, Thierry Bouton. Volgens sommigen verwijst de naam Mélin naar het feit dat het vroeger een plek was waar rechtszittingen werden gehouden ofwel ‘mâls’ (Mallum) en in het Vlaams wordt het dorp daarom – door sommigen nogal koppig – Malen genoemd hoewel ik niet denk dat er nog maar iemand uit de streek is die deze naam gebruikt.

Aan die oude tijd herinneren in Mélin nog zijn ‘Arbre de la Justice’ op het ‘Champ de Justice’. Neem de kaart er even bij en dan zie je dat je van de Ferme de Wahenge in Beauvechain aan de zuidkant van de rand van het ‘Bois en Haut’ op een splitsing komt met paden naar ‘Maison du Bois’ naar het zuiden (Sart-Mélin) en door het bos terug naar L’Ecluse in het noorden. Mijn aandacht wordt echter getrokken door een aanduiding ‘Champ de la Justice’ recht naar het oosten richting Mélin. Bij zo’n term hoort een ‘arbre’ en jawel, op een wat oudere kaart, die van 1873 staat er een ‘arbre de la justice’ en als je dan toch bezig bent met kaarten zie je hem ook op de kaart van Ferraris van 1777 (Arbre de la Justice de Mellain).

van de Ferme de Wahenge naar de Arbre de la Justice in Mélin

Ook zonder die bij je te hebben zie je hem al uitsteken in het verder zo goed als haag- en boomloze landschap vanaf de veldweg door de akker vlak na het bos als een baken voor de reiziger dus je kan het niet missen. Naarmate je dichterbij komt worden de contouren steeds duidelijker en tenslotte sta je er onder op de kruising tussen de Rue de Sclimpré en de Chemin des Hoegardiers. Zoals gebruikelijk bij een eeuwenoude alleenstaande bakenboom ziet hij er zo grillig en grimmig uit als het maar kan met takken die naar alle kanten uitsteken en sporen van blikseminslagen op verscheidene plaatsen. In de top hangt een grote maretak. Alleen lindes overleven zo’n groeiplek en deze wordt al in 1873 beschreven door Tarlier en Wauters  in hun boek ‘Géographie et histoire des communes belges’ als een ‘Tilleul (Tilia europaea) …. Appelé du pendu’.

Volgens een andere bron ‘Il a ombragé la potence et abrité les colonies de corbeaux chargés de dépecer les cadavres des condamnés balancés au bout de la corde.(…)A Mélin, de ces arbres élus comme divinités, chez les Gaulois et les Germains, appropriées ensuite par la religion chrétienne pour chasser les anciens cultes, le tilleul de la ‘Justice’ est le seul arbre qui reste (…).’ (Mélin, son histoire, ses légendes, ses vieilles pierres,T1-A.Lefevre). Hoe oud deze boom is weet ik niet en hoeveel mensen er in hebben gehangen en wie het recht had over de ‘haute justice’ in de streek en tot wanneer daar ben ik ook nog niet helemaal achter.

Mélin Ferme Blondeau – Ferme du Tilleul

Over de geschiedenis van Mélin maak ik even gebruik van een tweetal bronnen (zie de link). Het dorp Mélin ontstond in een zeer oude tijd, op de plaats waar het pad van Jodoigne naar Leuven de rivier de Gobertange kruist. Dankzij zijn ligging op het vruchtbare leemplateau heeft het dorp een zeer rijke geschiedenis.  In 1834 werden twee skeletten uit de Merovingische periode gevonden. Tegen het jaar 800 worden op initiatief van de Abdij van Kornelimünster bij Aken grote delen van het plateau tot zover als Hoegaarden ontbost en omgevormd voor de landbouw. Op wereldlijk vlak wordt vanaf 953 het dorp Mélin als gevolg van de splitsing van Lotharingen deel van het Graafschap Leuven. In 1219 staat de Akense Abdij een deel van de omgeving af aan de Abdij van Ramée in Jodoigne die dan al een domein bezit in Sart-Mélin. In 1284 verkopen de graven van Leuven – sinds 1106 de hertogen van Brabant – het dorp Mélin met alles er op en er aan – met inbegrip van alle niveaus van rechtspraak – aan Gerard van Luxemburg die in ruil afstand doet van het hertogdom Limburg.

Vanaf dan is de streek van Mélin een leen waarvan de eigendom van generatie tot generatie overerft van de ene grote familie naar de andere tot aan de Franse Revolutie. Tussen 1349 en 1351 woedde de zwarte pest in het dorp.

Mélin – Atelier Mélin

Van 1568 tot 1576 heeft Mélin zwaar te lijden van de godsdienstoorlogen, vooral omdat Thierry Bouton, de Seigneur  van die tijd zich tot het protestantse geloof bekeert. De kerk en de Curie worden afgebrand. De eeuw daarna wordt het dorp gedecimeerd als gevolg van de oorlogen van de Franse Koning Lodewijk XIV. Daaraan komt een einde met het verdrag van La Barrière van 1715 waarbij al onze gewesten onder Oostenrijkse heerschappij worden gebracht. Wat volgt is een periode van vrede, bloei en heropbouw die ten einde komt in 1793 met de komst van de Fransen.

Al die tijd tot op heden wordt het dorp en de streek gekenmerkt door de landbouw met grote akkers, pachtovereenkomsten en vierkantshoeves. Maar daarnaast komt ook de mijnbouw tot bloei met de uitbating van de Gobertange kalksteen. In een gebied van ongeveer 2500 hectare tussen Mélin en Saint-Remy Geest ontstaan talloze groeves en wie daar alles over wil weten, schaft zich best het in 2019 uitgebrachte boek ‘La Pierre de Gobertange’ aan van Joseph Tordoir en zijn team (zie de link).

Ik had graag nog wat meer willen vertellen over de eigentijdse geschiedenis na de komst van de industriële revolutie, de landbouwhervormingen als gevolg van de massaproductie, de concurrentie van de ‘Franse steen’, de wereldoorlogen, de uittocht naar de Verenigde Staten, de aanleg van de grote wegen en de betekenis van de ‘vicinal’ voor het dorp maar dat zal moeten wachten.

Place Mélin

Mélin is zeker een mooi dorp. De witheid van de gobertangesteen waarmee de huizen gebouwd zijn draagt daaraan natuurlijk bij. Uit wat ik lees en zie op oude foto’s was dat in het verleden helemaal niet het geval en waren de huizen en hoeves ook niet zo mooi gerestaureerd. Blijkbaar is het vooral door de komst van nieuwe bewoners in onze eigen tijd die met hun geld en behoefte aan decoratie het uiterlijk van het dorp hebben opgekrikt tot wat je nu ziet.

Met Gobertangesteen zijn overal in Europa fantastische werken tot stand gebracht maar het verhaal van de groeves in deze streek en hun arbeiders is niet uitsluitend een successtory.

Feit is dat de steen in de streek al door de Romeinen werd ontgonnen als bouwmateriaal voor villa’s en kasseien maar ook voor decoratie, vooral omdat het ondanks zijn hardheid relatief gemakkelijk te bewerken is. Sinds de middeleeuwen wordt de steen gebruikt voor kerkelijke en wereldlijke gebouwen van aanzien en vanwege deze enorme vraag is heel de streek bezaaid met ondergrondse en bovengrondse groeves. Gobertange wordt met de hand gewonnen en op oude foto’s zie je wel dat dit een kwestie van vaardigheid is maar ook van gevaar en stof voor de werklieden die tegen een schaarse beloning in de nauwe putten tot 15 meter diep moesten zwoegen om de steen uit te breken en aan de oppervlakte te brengen.

De Franse revolutie veroorzaakt een eerste crisis door het ineenstorten van de markt van prestigieuze gebouwen zoals kloosters en paleizen. Nadien herstelt de sector zich wel maar door de opkomst van de industriële revolutie komen de eigenaars van de betrekkelijk kleine en arbeidsintensieve groeves in de streek onder druk te staan met veel faillissementen tot gevolg waarbij kleinere groeves worden opgeslorpt door de grotere.

Mélin – ook de gewone huizen zijn in gobertange

Naar ik begrijp is het vooral de concurrentie van ‘Franse Steen’ die problemen veroorzaakt. Met de aanleg van spoorwegen wordt die vanuit Frankrijk op grote schaal ingevoerd – onder meer uit de streek van Lyon –  aan goedkopere prijzen en die heeft ook het natuur-voordeel dat het in veel grotere brokken kan bewerkt worden dan de steen uit de ondergrond van Jodoigne.

In de 19de eeuw telt Mélin nog een vijftigtal gobertange-bedrijven. Halverwege die eeuw is er een ware uittocht van steenhouwers naar de VS, met name naar Chicago om daar aan de wederopbouw na een enorme stadsbrand mee te helpen. Het einde van de 19de en het begin van de 20ste eeuw brengt sociale spanningen maar ook de concurrentie van moderne niet-natuurlijke bouwmaterialen zoals beton.  In 1947 zijn er nog maar zes ‘putten’ en in onze eigen tijd is er nog maar één bovengrondse groeve actief, de ‘Carrière de Gobertange’ van de in 1998 gevormde (familiale) S.A. Bernard Pierrot en Fils aan de Rue du Hussompont. Op het terrein van de vroegere Ferme Binard – de vierkantshoeve wordt gerestaureerd – legt de onderneming zich toe op de productie van stenen voor de restauratie van oude gebouwen, met name ook voor het vervaardigen van beeldhouwwerken en andere kunstzinnige toepassingen. Op foto’s en vanuit de lucht ziet de groeve er indrukwekkend en diep uit maar ik hoop nog op een intro om hem eens te bezoeken voor een reportage. Maar ondertussen is de belangstelling voor Gobertange-steen aan een ferme opleving toe dus het ziet er naar uit dat er een nieuwe glorietijd aanbreekt. Bovendien zie ik berichten dat delen van de groeve een bijzondere aantrekkingskracht uitoefenen op allerlei zeldzame kalkminnende planten en dat zou ik ook weleens willen zien.

Mélin – Carrière de Gobertange – ferme Binard

Van alle bezienswaardigheden is de dorpskerk ongetwijfeld de bekendste, al was het maar omdat je het statige gebouw al van ver op zijn heuvel kan zien staan. Je raakt zeker onder de indruk als je voor de poort onder aan de trappen staat en hem ziet oprijzen tussen de muren van het er omheen gelegen kerkhof en de opvallende Lourdesgrot aan de linkerkant. Op het bordje aan de ingang lees je (met wat aanvulling) dat de parochiekerk ‘Notre Dame de la Visitation’ samen met de pastorie en ‘la Cense du Seigneur’ (dat is nu de ernaast gelegen Ferme de Risbais) het hart was van het vroegere leengoed Mélin. Het huidige gebouw in baksteen en met een toren in Gobertange is de opvolger van de kerk die beschouwd werd als een van de mooiste in de omgeving die hier stond totdat hij in 1543 in brand gestoken werd door de plaatselijke Seigneur die zich tot het protestants geloof had bekeerd.

In de 17de eeuw werd op kosten van de cistercienzerabdijen van Ramée en Florival – in die tijd de kerkelijke gezagsdragers – een nieuwe kerk gebouwd. Deze raakte in verval en werd in tussen 1771 en 1780 en opgevolgd door de huidige neoklassieke kerk zoals ontworpen door de Franse (?) architect Jaumotte. Bij de bouw speelden de bewoners en vooral de boeren een grote rol doordat zij de arbeid en de bouwmaterialen aanleverden.

Mélin – L’Eglise Notre Dame de Visitation


In de eeuwen daarna werd hij verscheidene malen vergroot en gerestaureerd. De wijzerplaten werden nog in 2005 vernieuwd. Hij is sinds ingeschreven als monument en in het dossier vind je een beschrijving van de binnen- en buitenkant.

Zoals veel kerken in Wallonië is het een ‘Eglise Ouverte’ en kan je er op je gemak binnengaan om het interieur te bewonderen. Daarbij valt vooral het Renaissance orgel op dat al dateert uit 1616 en dus veel ouder is dan de kerk en een van de oudste orgels in Waals Brabant. In 1990 is het instrument afzonderlijk als monument beschermd.  In het portaal vind je de namen van de vijftig pastoors die elkaar sinds 1290 zijn opgevolgd. Boven het altaar hangt een schilderij op hout van Léon Herbot uit 1874. Het mooi bewerkte eikenhouten kerkmeubilair is volgens de stijl van Lodewijk XV.

Mélin – Eglise Notre Dame de la Visitation – interieur

De Lourdesgrot is van recenter datum en op het kerkhof vind je graven van de plaatselijke steenhouwers. Buiten zie je aan de trappen een goed voorbeeld van kasseien van Gobertange. De statige pastorie die links naast de kerkstaat dateert uit de eerste helft van de 18de eeuw en is eveneens als monument geklasseerd hoewel hij zijn originele functie verloren heeft en als privéwoning dient.

Ik kan je aanraden ook een kijkje te nemen op het kerkhof en in de kleine maar mooie Lourdesgrot aan de ingang. Mensen van nu zijn het een beetje vergeten maar een Lourdesgrot of Mariagrot is een kopie van de grot van Massabielle bij de Franse stad Lourdes, waar op 11 februari 1858 Maria zou zijn verschenen aan Bernadette Soubirous. Wikipedia: “Er zijn in vele landen kopieën gebouwd voor de verering van Onze Lieve Vrouwe van Lourdes, vooral nadat het Vaticaan in 1907 aan deze verschijning de dag 11 februari in de liturgische kalender heeft verbonden. Het gaat om nabootsingen van wat zich bij de grot zou hebben afgespeeld. In de grot kan een altaar geplaatst zijn. Schuin boven de grot (voor de kijker rechts) bevindt zich een nis met daarin een wit Mariabeeld met een blauwe sjerp en een rozenkrans. Voor de grot staat een beeld van een omhoog kijkende, knielende Bernadette in gebed. Zo’n Lourdesgrot staat er in combinatie met een kapel of kerk.”

Mélin – kerk – Lourdesgrot

De grot in Mélin lijkt vast niet op het Franse origineel al was het maar omdat het altaar en het biddende meisje ontbreken, maar is wel bijzonder omdat hij helemaal gebouwd is in Gobertangesteen. Waarom precies en door wie hij in het begin van de twintigste eeuw is opgericht kan ik niet direct uitvinden – bij de plaatselijke bezienswaardigheden wordt de grot niet of nauwelijks vermeld laat staan beschreven – en of hij vandaag de dag nog dikwijls bezocht wordt waag ik te betwijfelen want de kaartjes aan de muur hangen er al een tijd zo te zien. Toch wordt hij goed verzorgd.  Dergelijke grotten houden dikwijls verband met gebeurtenissen in de Eerste Wereldoorlog maar de grafsteen op de grond herinnert niet aan burgemeester Joseph Jamar die door de Duitsers bij hun intocht 8 augustus 1914  aan de deur van zijn woning aan Rue du Bois (de Ferme Blondeau of Tilleul) werd gefusilleerd, maar aan pastoor Noberth Joseph Janmart, geboren in 1802 en overleden in 1883.

off Mélin – kerk – Kerkhof Mélin – graftombe in gobertange van een steenhouwer (familie Glaude)

Op het kerkhof herinneren verscheidene grafzerken aan het verleden, bijvoorbeeld dat in Gobertangesteen  van een ‘tailleur’ van de familie Glaude  of anderen zoals dat van de familie Parys waar de afbeeldingen van werktuigen in de zerk zijn afgebeeld.

Van de vele vierkantshoeves in Mélin is de Ferme de Hesserée ongetwijfeld de meest in het oog vallende, vooral omdat hij een beetje buiten het dorp staat op de invalsweg vanaf de Chaussée de Wavre. Of het nog altijd een echte boerderij is betwijfel ik sterk want op het internet prijzen de eigenaars hun domein uitsluitend aan als ‘un endroit idéal et calme pour vos fêtes privées et événements professionnels’ en ook als je voor de indrukwekkende poort staat is er geen enkel teken van boerenactiviteiten. Het complexs is wel heel mooi gerestaureerd. In feite ziet een en ander er nogal gesloten uit (met een bord: ‘verboden toegang’) en de website is ook niet recent aangevuld.

Van de straat kan je het niet zien maar op foto’s en op de kaart zie je nog twee vijvers achter een bosje die duidelijk een bron zijn van de Ruisseau de Gobertange. Er moeten er in de oude tijd nog meer geweest zijn. De geschiedenis van de hoeve gaat blijkbaar terug tot in de 13de eeuw en het moet altijd een grote ‘ferme signeuriale’ geweest zijn.

Mélin – Ferme de la Hesserée

Begin 1700 verandert ze van pachter en beschikt dan over ongeveer 50 ha akkers en weiden. Als deel van de ‘Cense de Mélin’  wordt de hoeve in de loop van de eeuwen aangeduid als ‘Hasserie’, ‘Heyserie’ en nog andere variaties. Tegenover de hoeve moet in de 18de eeuw nog een brouwerij gestaan hebben maar die is nergens meer te zien. De Donjon met poort dateert nog uit de 15de – 16de eeuw maar de schuur en het woonhuis zijn achtereenvolgens in het begin en het einde van de 18de eeuw gebouwd. Niet zichtbaar van de straat moeten er ook nog enkele eigentijdse gebouwen zijn maar zelfs op de luchtfoto zie ik die niet. Het geheel is ‘inscrit comme monument’ op de Waalse lijst van Waardenvol Bouwkundig erfgoed en het dossier bevat de gebruikelijke puur technische beschrijving zonder enige geschiedkundige duiding. Bij de foto’s post ik er ook een van La Ferme Fortemps aan de Place de Mélin met de link naar het erfgoeddossier.

In de bocht van de Rue de la Croix Ste-Barbe bevindt zich op nummer 8 nog een uitermate statige woning. Tot mijn verrassing vind ik deze niet terug op de officiële erfgoedlijst.

Mélin – Ferme de Fortemps

Het kleine kapelletje in Gobertangesteen en gewijd aan Ste Barbe aan de Rue de la Croix de Sainte Barbe is het voorportaal van het er achter gelegen Champs des Fosses.  In vroeger dagen kwamen de steenhouwers hier dagelijks voorbij op weg naar hun steengroeven in dit boomloze en naar mijn goesting veel te troosteloze kale landschap. In het boek over de Gobertange door Joseph Tordoir lees ik (p.305) dat Sainte-Barbe de patroonheilige is voor de architecten, de werkmannen in de bouw, de metselaars, de meubelmakers, mijnwerkers, de brandweerlieden, de kanonniers en vergelijkbare meestal gevaarlijke beroepen. In haar eigen tijd was het zijn van vrouw al een gevaarlijk beroep  want ze werd door haar vader onthoofd omdat ze niet wilde trouwen met de koningszoon die hij voor haar op het oog had. Pa werd na zijn daad wel gestraft met de dood door een blikseminslag.  Ste Barbe biedt bescherming tegen blikseminslag en onweer, brand, straffeloosheid, sterven zonder confessie en plotselinge dood. Haar feest wordt op 4 december gevierd. In Mélin werd dat georganiseerd door de Société Sainte Barbe waarvan zowel de patroons als de werklieden lid waren met een mis en bloemen aan de voet van de kapel.

La chapelle Ste Barbe

Het kapelletje stond er al in 1718 maar werd rond 1890 vernield door dronken arbeiders. Na heropbouw werd de kapel opnieuw vernield door enkele Duitse soldaten tijdens de Eerste Wereldoorlog. Het huidige bouwwerk werd in 1973 op ongeveer dezelfde plek door steenhouwer Albert Pierre, in Mélin geboren maar woonachtig in Jodoigne. Wees er voorzichtig mee want ik vind het niet terug op de erfgoedlijst dus het is niet beschermd, toch niet op wereldlijk vlak en omdat de groeves ondertussen gesloten zijn en de oudste generatie steenhouwers ook ten einde loopt is het niet zeker dat iemand het nog eens zou heropbouwen vrees ik. Het vogeltje op de kapel bleef net lang genoeg zitten voor mijn fototoestel en enkele andere foto’s laten ook een stukje van de omgeving zien.

Niet ver hier vandaan kom je op de hoek van de Rue de Gobertange met de Rue de la Cloche nog langs La Chapelle Sainte Marie Madeleine. Het gebouwtje in laat-gotische stijl staat op een kleine heuvel tegen een groene achtergrond maar het huis er naast staat er iets te dicht tegen aan. Het dateert uit de 15de en 16de eeuw en werd in 1856 gerestaureerd. Daarna verviel het langzaam tot een ruïne en dat werd pas in 1973 afgestopt door wederopbouw. Sinds 1982 is het beschermd als monument.

Mélin – een statige woning aan de Rue de la Croix Ste Barbe 8 – niet vermeld op de erfgoedlijst

Mélin is zeker een heel mooi dorp, vooral door de eenheid van het bouwmateriaal (bijna overal mooi gepoetste Gobertange-kalksteen), de verzorgde schikking van de huizen rond een dorpspleintje, de kerk en zijn centrale ligging, de statige vierkantshoeves en de mooie tuinen en – niet in het minst – de afwezigheid van een zich snel uitbreidende volgebouwde omgeving in alle denkbare stijlen en modes. Op het internet zie je wel dat de plaatselijke toeristische diensten heel erg hun best doen om het dorp op te waarderen als een toeristische trekpleister in de hoop en verwachting dat er bezoekers van alle kanten op af komen. Of dat zo’n goed idee is weet ik niet, mijn ervaring met historische authentieke dorpjes is dat je al snel een toeloop krijgt van op vertier beluste stedelingen en dan kan dat karakter snel verloren gaan, zeker als de commerciële sector er zich van meester maakt.

Voorlopig is het dorp in historisch opzicht eigenlijk een openlucht-museum maar dan een zonder enige poging tot uitleg over verleden en heden en auto’s op alle plekken waar je een foto zou willen nemen. In vergelijking met naburige dorpen zoals Beauvechain, Tourinnes-La-Grosse, Nodebais en Gottechain is het er even stil maar het mist het aan levendigheid, zelfs voor de eigen bewoners denk ik. Je kan er geen krant kopen, er is geen echt dorpscafé, geen winkeltje, zelfs geen bakker, geen café-terras en ik zie geen aankondigingen voor activiteiten.

Mélin – dorpslandbouw

In de vierkantshoeves en andere huizen wonen geen boeren meer maar mensen die ofwel conferentie-activiteiten aanbieden ofwel voor hun werk op en neer pendelen naar Jodoigne en verder. Hier en daar is er uiting van kunst maar erg uitbundig ziet het er niet uit. De mensen zijn vriendelijk maar toch zeker erg gesteld op hun privé zo te zien aan de borden verboden toegang op zowat elke plek waar je wat dichterbij zou kunnen komen of naar binnen kijken. Begrijpelijk want niet alle bezoekers zijn even braaf en het is ook hinderlijk om voortdurend nieuwsgierige mensen voor je venster te hebben. De plaatselijke fontein is afgesloten en rond de dorpsvijver staat een afrastering.

Zelf heb ik problemen met de landschappelijke omgeving. Het dorp is een rotsachtig eiland in een oceaan van agro-industriële bedrijvigheid. Het was altijd een landbouwland maar het moderne boerenbedrijf heeft al zijn charme verloren en de boeren in deze streek geven daar kennelijk ook niet meer om. Er zijn nergens hof- of andere dieren te zien (behalve enkele rijpaarden en honden), de veldwegen zijn kaal, zelfs als ze hol zijn. Hagen zijn er niet en de dichtstbijzijnde monumentale boom buiten het dorp lijkt wel die eenzame ‘Arbre de Justice’ te zijn en dan ben je al halverwege L’Ecluse. Voor fietsers kan dat plezierig zijn maar voor veel wandelaars en zeker voor vakantiegangers is zo’n landschap uiterst onaantrekkelijk, zeker bij slechter weer. Ik heb één hoeve gezien die groenten en vruchten aanbiedt van ‘boer tot verbruiker’ maar zelfs die lijkt niet afgestemd te zijn op de herinrichting van de natuur er rond.

Mélin – zicht over het Champ des Fosses

Misschien dat men eens kan gaan kijken op het plateau tussen Pécrot en Bossut waar de laatste tijd heel wat inspanningen zijn gedaan om het landschap zowel aantrekkelijker als bio-diverser te maken? Of men kan eens gaan kijken tussen Beauvechain en Hoegaarden waar er in het landbouwgebied verschillende prachtige natuurgebieden zijn zoal de Jordaan en het Rosdel. Nu trek ik nog even naar Sart-Mélin een beetje verderop.

Vanaf de kerk kom je aan Rue des Beaux Prés (nr.60) nog een klein kapelletje tegen op een veldje met bomen en een bankje. Er staat van alles op dat maar moeilijk leesbaar is maar in het erfgoeddossier lees je dat gaat om La Chapelle Notre Dame du Bâti die opgericht werd in 1652 door pastoor Antoine Beauclef uit Mélin en gerestaureerd is in 1919. De opschriften luiden als volgt: “nostre dame/de la paix/concorde/et repos/1652 » en « ch.rebatie par Jules Paul  …. 1919 ». De kapel is gesloten maar het altaar is versierd met keramiek van Max Van der Linden.

Mélin – La Chapelle du Bâti

Vanaf deze kapel maar ook vanaf de andere kant op weg vanuit Leuven naar Mélin of Jodoigne kom je vlak na de afslag naar de luchtmachtbasis van Beauvechain aan de afslag naar Sart-Mélin een heel grote vierkantshoeve tegen en als je goed kijkt zie je ook een kleine kapel. De hoeve is de Ferme D’Awans, ook wel bekend als Sart le Couvert, en is genoemd naar de familie die hem liet bouwen in de tweede helft van de 18de eeuw in de periode dat zij de laatste seigneurs waren van L’Ecluse en in Mélin een zevental ‘bunders’ goederen bezaten zoals La Cense de Sart (of Sartage). Hun wapenschild is samen met het jaartal 1754 aangebracht boven de ingangspoort. Op de Ferrariskaart van 1777 zie je hem staan maar nog niet op de Villaretkaart van 1745. In die tijd stond er blijkbaar ook een boomgaard rond. Hij valt op door het hele grote woonhuis (corps de logis) maar ook door de statige toegangsdreef. Op aandringen van de familie Michotte-De Boeckont die sinds honderd jaar de eigenaar is, werd de hoeve in 2017 als monument geklasseerd en eigentijds gerestaureerd. Dat wil zeggen dat de stallingen in gebruik blijven voor de landbouw maar dat enkele vleugels een publieke herbestemming krijgen als feestzaal en als ‘gîte de la ferme’ om ook uit de kosten te geraken. In oktober van dit jaar waren er een paar concerten.

Sart-Mélin – Ferme d’Awans

Ik denk wel dat de werken nog aan de gang zijn want aan de achterzijde staat de binnenkoer nog vol met machines, vrachtwagen en materialen heb ik gezien.

Aan de kapel lees je dat  la Chapelle Saint-Antoine meer dan vier eeuwen oud is en dat hij zou zijn gebouwd in de nabijheid van een vroegere gesloten leprozenkolonie. Wat dat betreft is hij dus te vergelijken met La Chapelle du Rond-Chêne in Tourinnes-la-Grosse want de melaatsen mochten niet in het dorp komen maar kregen wel de mogelijkheid om in hun onderhoud te voorzien door te bedelen langs de grote wegen waar de voor hen bestemde kapelletjes werden neergezet. Er zou ook een klein kerkhof geweest zijn. Het achterste deel, het koor, is in Gotische stijl en in baksteen en dateert nog uit de 16de eeuw, het voorste gedeelte in Gobertangesteen in barokke stijl is volgens het opschrift boven de poort ingewijd in 1724. Het gebouwtje is samen met de naaste omgeving ook als monument geklasseerd. Die bescherming is denkelijk ook nodig om te voorkomen dat de recente eigentijdse lintbebouwing langs de Rue du Sart en de Rue Saint-Antoine zich verder doorzet.

Sart – Mélin – kapel St.Antoine

Als je het niet weet zal het je niet opvallen maar hier vlak in de buurt kwam tot in de jaren vijftig de buurttram ‘Zwarte Jean’ vanuit Beauvechain-La Bruyère de Chaussée de Wavre oprijden richting Jodoigne. Stukken van die bedding zijn bij lage avondzon nog te zien langs de Rue de la Grande Lecke en ik vermoed dat het sterk gerestaureerde gebouw aan de Chaussée de Wavre nr.562 (foto googlemaps) het voormalige stationsgebouw is met een stelplaats aan de straatkant (zie NGI kaart 1939).

Sart – Mélin – kapel St.Antoine

Van Mélin en Gobertange is het niet ver naar Saint Remy Geest. Je ziet de kerktoren al van verre boven het landschap uitsteken en om het meest typische deel van het dorp te verkennen moet je daar ook naar toe. Op de kaart maar ook op het terrein zie je onmiddellijk dat het gebouwd is op de scheidingslijn tussen in het westen het hoge plateau van het Champs des Fosses en het Champ du Grand Arbre en aan de oostkant de vallei van het riviertje de Grande Gette. Op dat plateau zal je nauwelijks nog een boom aantreffen en van de oude gobertange-groeves (fosses) heb ik niets meer teruggevonden want de boeren hebben dat volgens mij allemaal hardnekkig omgeploegd. De westkant ziet er veel lieflijker uit, ook al omdat er aan die kant nog een hele reeks beekjes te zien zijn zoals de Ruisseau de la Fontaine, le Chebais en niet te vergeten de Ruisseau de Gobertange.

Het naamsdeel ‘Geest’ (hoe je dat uitspreekt in het Frans of Waals is me een raadsel) zie je op andere plaatsen staan in Saint Marie Geest, Saint Jean’s Geest en Mont le Geest en ik begrijp dat dit de historische aanduiding is voor de rivier de Gete en niets te maken heeft met de heiligen in de andere naamsdelen.

In de omgeving zijn er Romeinse grafheuvels aangetroffen op een plek met de naam Champ du Tombe maar ik vind noch het veld noch de heuvels terug. De geschiedenis van het dorp zelf gaat terug tot het jaar 1000. In die tijd hoort het toe aan het Graafschap Leuven maar in 1034 wordt het overgedragen aan het Prinsbisdom Luik en vervolgens in leen gegeven aan de benedictijner Abdij de Saint-Laurent, ook in Luik.

Mélin – een landelijke gemeente

Het noordoostelijke deel van het dorp waar we nu nog Le Moulin de Genville aantreffen wordt in het midden van de 12de eeuw door de broers Arnoul en Jean de Geest afgestaan aan de Abdij de Saint Nicaise in Reims. De broers dragen ook hun bezittingen in Hamme-(Mille) over en sindsdien heet die kant van het Meerdaalwoud het ‘plateau van Nicaise’ (zie mijn hoofdstuk over dat plateau).

In 1278 is het dorp  kennelijk weer van kamp veranderd want Hertog Henrik I van Brabant bevrijdt de dorpelingen van  hun ‘servitudes’ (onderhorigheden) in ruil voor een jaarlijks te betalen belasting. In 1657 komt het Genville-dorpsdeel in het bezit van Seigneur De Lantwijck en in dezelfde eeuw wordt Saint-Remy een zelfstandig leen met het statuut van Graafschap. Tijdens de Franse bezetting worden beide dorpsdelen toegevoegd aan het kanton Jodoigne.

De meeste huizen en hoeves zijn gebouwd met de plaatselijk gewonnen typische Gobertange kalksteen. De kerk is gebouwd in 1768 en domineert de hele omgeving. De straatjes en huizen rondom zijn mooi bewaard gebleven zoals ze een eeuw geleden of langer geleden werden gebouwd behalve dat er nu uiteraard geen steenhouwers meer wonen zoals vroeger en de huidige bewoners hun auto’s zowat aan de deur van iedere bezienswaardigheid parkeren wat het maken van een mooi foto mij wel dikwijls hindert. Het oude centrum van het dorp is veel kleiner dan dat van Mélin en aan de buitenkant wordt er veel gebouwd maar jammer genoeg niet meer in gobertange. Echte vierkantshoeves van omvang heb ik er nog niet (of niet meer) gezien, wel moderne betonnen stallen zonder enige charme.

Mélin-Gobertange – La Chapelle Marie Madeleine

Het dorp Saint Remy Geest ging in 1034 van het Graafschap Leuven met kerk en al over naar het Prinsbisdom Luik en kwam onder het gezag van de Luikse Abbaye Saint-Laurent die pastoor mocht benoemen en de opbrengsten inde maar daartegenover ook moest instaan voor het onderhoud. Later keerde het dorp terug naar het Hertogdom Brabant maar de abdij behield het geestelijk gezag. In de 18de eeuw raakte het gebouw zodanig in verval dat men besloot om een nieuwe kerk te bouwen. Dat gaf heel wat problemen met de plaatselijke bevolking over de bouwplannen, met name over de hoogte van de toren en wie daarvoor moest betalen.

Na een proces en vonnis voor de Raad van Brabant in 1760 kwam het tot een akkoord en op basis van de plannen van architect Bovesse kwam het huidige gebouw tot stand in 1768, ruim maar sober gebouwd zonder echt aan een bepaalde stijl te beantwoorden maar wel helemaal in Gobertange kalksteen. Ook het interieur is heel sober maar best de moeite waard om er een kijkje te nemen hoewel ik niet denk dat deze kerk een ‘Eglise Ouverte’ is en de deuren dus niet altijd open zijn.

Saint Remy Geest kerk

In de kerkhofmuur van het mooi verzorgde kerkhofje is een wapenschild afgebeeld. Het erfgoeddossier zegt er niets over maar als je goed kijkt zie je dat het een eerbetoon is aan Martin Toussaint Lamormainy, pastoor van Saint Remy-Geest, geboren in 1665 in Amonines en overleden in Saint Remy-Geest op 23 okober 1750 op 85jarige leeftijd. Het schild is getooid met een hostiekelk die de functie van de pastoor symboliseert, en met wijnranken en korenaren die herinneren aan de miswijn en de hostie (met dank aan Julien Debos).

Het gebouw heeft een heel mooi ingang met een trap, een ijzeren hek en een vloer in Gobertange-kasseien. Op het pleintje staan de gedenkstenen voor de gesneuvelden in de wereldoorlogen tegen de kerkmuur opgesteld maar die kunnen wel een poetsbeurt gebruiken vind ik. Dat men nu uitgerekend op deze fotogenieke plek een rode brievenbus heeft opgehangen vind ik wel jammer.

Saint Remy Geest – wapenschild van de pastoor aan de muur van het kerkhof

Dankzij haar hoge ligging, omvang en witte uitstraling kan je de hele omgeving op je gemak verkennen want van overal is de kerk zichtbaar als een waarlijk baken in het landschap.

Saint Rémy, beter bekend als Remigius van Reims zou in het jaar 458 op 18 jarige leeftijd verkozen zijn tot bisschop. Veertig jaar later zou hij op kerstdag 496 de Frankische koning Clovis gedoopt hebben samen met diens zusters en drieduizend Frankische krijgslieden. Dankzij deze daad wordt hij afgebeeld met een duif met een flesje in de snavel. Als ‘Apostel der Franken’ speelde hij een vooraanstaande rol in de kerk van die tijd maar aan welk wonder hij zijn statuut van Heilige van het Roomse Rijk te danken heeft weet ik nog niet.

Saint Rémy Geest. Je kan er heel mooi wandelen met een topervaring van natuur en (gobertange)erfgoed  maar je kan er ook helemaal de mist ingaan op een vreugdeloos boom- en haagloos landbouwplateau op modderige veldwegen tussen kale akkers. Het dorp weerspiegelt de perfecte spanning tussen authenticiteit en eigentijdse manieren om daar onaangepast mee om te gaan. De spanningslijn ligt op de Chemin des Carriers, de autoweg die het dorp in twee helften deelt. Met die weg is niets mis, de meeste huizen zijn in gobertange bewaard gebleven, de straat is smal met hier en daar nog de aloude kasseien en auto’s kunnen er slechts langzaam en met mondesjesmaat door.

Saint Remy Geest

Maar aan de noordkant sta je aan de Rue de la Pépinière direct buiten het dorp waar ijverig eigentijdse huizen en villa’s gebouwd zijn/worden in alle materialen maar gobertange is daar niet meer bij. Die hebben nog tuinen maar onmiddellijk daarachter beginnen er reeksen veldwegen die allemaal toegankelijk zijn maar waar ik het landschap volstrekt onaantrekkelijk vind tenzij als piste voor sportieve wielertoeristen. Als fotograaf toon je graag het mooie maar ik vind dat wat-niet-mooi-is ook zijn plaats heeft, al was het maar om een opening te maken naar mogelijkheden om er iets aan te doen.

Het boerenleven is altijd een moeizaam bestaan geweest maar ik zie absoluut niet in waarom de natuur het slachtoffer moet worden van onecologische eonomische opvattingen die ondertussen ook al weer totaal achterhaald zijn. De natuur op dit plateau heeft bomen, struiken, hagen, begroeide holle wegen, groenstroken en dieren nodig en natuurlijk ook het buiten gebruik stellen van het massaal rondstrooien van chemische produkten. In ieder geval, wie – zoals de gemeente Jodoigne – toeristen wil lokken naar deze mooie streek met mooie dorpen en vierkantshoeves doet er beter aan om iets aan de natuur op dit plateau te doen want van stenen alleen wil een mens niet leven.

Mélin – zicht op het Champ des Fosses vanuit Saint Remy Geest

Genoeg kritiek, de zuidkant van het dorp, dat wil zeggen de vallei van de Gobertange, de Chebais en La Grande Gette vind ik een absolute aanrader en vanaf het smalle straatje ‘Basse Voie’ aan de westkant achter het kerkpleintje heb je er een heel mooi zicht op.

Je kan ook naar het noordoosten met een klein paadje heel mooi naar de voormalig Moulin de Genville en vandaar naar het riviertje la Grande Gette en Saint Marie Geest en vandaar terug naar het dorp. Als je hem weet te vinden kom je dan ook nog door een nogal rustieke diepe holle weg. Ik ben daar toch al één hoeve tegengekomen met een aanbod van ‘vente directe de producteur au consommateur’.

Saint Remy Geest. Gobertangesteen wordt niet dikwijls meer gebruikt om er muren mee te metselen maar zowel in Mélin als Saint Remy Geest zie je dat het toch nog wel gebeurt. Ik toon nog wel foto’s van helemaal nieuw gebouwde huizen maar eerst verken ik vanaf de kerk even de Rue Basse Voie. Het is een klein straatje naar het westen op de rand van de vallei van Le Ruisseau Le Chebais. Op de kaarten van Ferraris (1777) en Villaret (1745) zie je het aangeduid en zelfs de meeste huizen lijken er dan al te zijn. In die tijd liep het blijkbaar verder tot in Gobertange maar jammer genoeg loopt het tegenwoordig dood op een privéwoning en dat is wel jammer want daardoor kan je niet rondwandelen maar moet je gewoon terug.

Saint Remy Geest – Rue Basse Voie

Het straatje is absoluut de moeite waard want je kijkt overal ver uit over het dal en bovendien zijn de meeste huizen langs de straat ingeschreven als monument op de Waalse erfgoedinventaris, hetzij als ‘ferme’, dan wel als ‘habitation’ en dat kan je ook wel zien. Zoals overal wonen er vast geen boeren en steenhouwers meer binnen de gobertangemuren maar toch hebben de meeste huizen ondanks hun ferme restauratie nog hun basis-structuur behouden ondanks de eigentijdse soms wat uitbundige decoraties. Voor zover ik kan nagaan op de erfgoedlijst dateren ze (bijna) allemaal uit de 18de of het begin van de 19de eeuw met verbouwingen in het begin van de 20ste eeuw. Jammer genoeg vind ik helemaal geen informatie over de bewoners van vroeger of oude prenten. Zoals altijd bevatten de Franstalige erfgoeddossiers uitsluitend een technische beschrijving van het gebouw maar zonder bijkomende historische informatie om het geheel te verlevendigen ben ik daar eigenlijk niet veel mee.

Heel toeristisch ziet de straat er nog niet uit maar ik zie dat er wel een bread- and breakfast is (Maison de la Pierre op nr.9), een antiquair (op nr.11) en een software-zaak (op nr.10). Wie het charmante prieeltje aan het einde van de straat gebouwd heeft weet ik niet maar ik denk dat het van recenter datum is. Het is helemaal opgetrokken in gobertangesteen en overgroeid met klimop maar het is duidelijk niet de bedoeling dat je het hekje opendoet om van onder het dak op de vallei te kijken. Een stapel stenen op een perceeltje wijst er op dat er nog wel bouwplannen zijn.

Saint Remy Geest – Rue Basse Voie

Vanaf de kerk van Saint Remy-Geest volg je even de Rue de Basse Hollande richting richting Ruisseau de Gobertange (zegt het bord aan de molen, Chebais heet de beek op de kaart) en dan kom je via de Rue d’Ecole op een allercharmanst paadje vlak boven de beek dat je rechtstreeks brengt naar Le Moulin de Genville. De watermolen staat aangeduid op de Villaretkaart van 1745 maar hij dateert al van voor 1278 als banmolen van de Hertog van Brabant voor de bewoners van de streek tot aan de Ferme de Wahenges in l’Ecluse. Die hoeve was eigendom van de Abdij van Averbode en werd door hertoging Johanna van Brabant van de ban vrijgesteld.

De molen werd lang gepacht door de Seigneurs van Mélin maar rond 1577 werd de site verlaten nadat de installatie door oorlogsgeweld vernield was. Nadien werd hij hersteld op last van Dame Eléonore de Cordova, vrouwe van Mélin en door haar overgedragen aan de Spaanse regering die op haart beurt de site in 1650 verkocht aan de Seigneur van Jodoigne. Kort na 1731 werd de molen herbouwd tot een ‘dubbelmolen’: een oliemolen op de ene oever en een hennepbreekmolen op de andere. In 1852 worden beiden afgebroken en 1854 vervangen door een enkele korenmolen. De molenaars sinds de 19de eeuw zijn van de families Goes, Lesage en sinds 1879 Davidts. Rémy Davidts is de laatste molenaar tot de stopzetting in 1947. In 1978 werd de site beschermd samen met de omgeving ook als dorpsgezicht als monument.

Saint Remy Geest – Le Moulin de Genville

Eigenaar-architect Henri Lust liet het gebouw herstellen evenals het metalen bovenslagrad met houten schoepen onder een afdak. Sinds 2015 is de heer Bouriez de eigenaar.

Van buiten zie je niet veel van de installatie, ook al omdat een en ander hermetisch afgeschermd is met manshoge hagen, maar vanaf het waterbekken zou er een verval moeten zijn van 3,91 meter naar de beek. Maar om de waterval ‘aan te zetten’ moet het water dan wel over de sluis en over het rad worden geleid. Dat zou in beginsel moeten kunnen want heel de installatie is er nog maar de bedding van de beek bevat slechts heel weinig water. Om er meer over te vertellen zou ik er toch eerst eens dichterbij moeten kunnen kijken, misschien komt die gelegenheid nog wel. Aan de overkant van de straat is een zuiveringsstation en een heel klein natuurgebiedje waar ik nog niet geweest ben.

Van Le Moulin de Genville ga ik richting Sainte Marie Geest. Je kan het niet missen want de toren van de grote Sint Petrus Kerk steekt overal boven uit. De kerk wordt vermeld als bezienswaardigheid maar ik ben nog niet verder geraakt dan aan de brug over La Grande Gette waarnaar het dorp genoemd is. Anders dan de andere beken in de omgeving is de Gete hier al bijna een echt riviertje.

Sainte Marie Geest – zicht op de kerk

Op de kruising tussen de Rue Sainte Geneviève (verlengde van de Rue du Moulin de Genville) met de Rue Saint Marie vertelt de kaart me dat er van hier een mooie holle weg naar het zuid(westen) gaat met de naam ‘Haut Chemin’ en die moet ik hebben om terug in Saint Remy Geest te komen. Diep tussen de uitgestrekte akkers aan beide kanten volg ik een nogal modderig traject hellingopwaart dat kennelijk nogal in trek is bij plaatselijke motobendes maar vandaag komen er mij toch maar twee achterop.

Eenmaal aangeland op het weidse plateau draai ik mij om en ziet in de verte zowaar de kerktoren van Hoegaarden uitsteken met op de horizon ook de hoogbouw in Tienen. Voor mij doemen de buitenwijken van Jodoigne op en dichterbij het Bois Chebais. Maar aan de rechterkant zie ik de kerktoren van Saint Remy Geest en omdat ik daar naar toe wil, sla ik scherp rechtsaf de Rue Basse Hollande in. De naam Basse Hollande komt enkele keren voor in Wallonië maar waar het op slaat in dit heuvelachtige landschap weet ik niet. Blijkbaar is het genoemd naar een wijkje van gobertangehuizen aan de ingang van het dorp maar erg Hollands zien die er ook niet uit. Wel zie je hier huizen die heel recent nog met deze kalksteen gebouwd zijn.

Saint Remy Geest – holle weg

Voordat ik daar ben kom ik nog langs een hoeve met een bord waarop staat dat het hier ‘la Ferme du Bois Basset’ heet en dat je hier rechtstreeks je verse groenten, aardappelen en vleeswaren kan aankopen. De openingsuren staan er bij. De sector ‘vente directe de la ferme’ is in Waals Brabant aan een grote opmars toe en duidt dikwijls op de aanwezigheid van een hoeve in biocultuur. Deze hoeve is nog niet zover maar rekent zichzelf tot de ‘agriculture raisonnée’, dat wil zeggen een landbouwmethode die zich in het kader van de duurzame landbouw richt op het respect voor het welzijn van het dier, het milieu en de gezondheid en aan de hand van welbepaalde criteria zo weinig mogelijk gebruik maakt van chemische produkten bij het kweken. Op hun facebookpagina, in het filmpje en op het internet kan je alle bijzonderheden vinden en ook iets over de spanningen tussen de beide categorieën van landbouw. In elk geval denk ik dat ze heel lekker vers rundsvlees aanbieden want ze kweken Franse Limousine-koeien en die worden ook in veel natuurgebieden ingezet. En daarmee kom ik al weer aan het eind van deze reportage maar ik kom hier vast wel weer snel terug.

Saint Remy Geest – kerk

++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

bronnen Mélin en Sart Mélin

http://www.echarp.be/twcjod17.php

Commune de Mélin-sur-Gobertange – echarp

http://www.echarp.be › twcjod17

+++

http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/recherche/recherche

Inventaire du Patrimoine Immobillier Wallone – Mélin (entité de la Commune de Jodoigne)

+++

(L’Eglise Notre Dame de Visitation)

+++

(ferme de la Hesserée)

Saint Remy Geest – zicht op Hoegaarden en Tienen

+++

(Cense du Seigneur, Ferme de Risbais)

+++

(Ferme Blondeau (Tilleul, Malevé))

+++


AtelierMélin Cafe in Mélin, Brabant, Belgium – Facebook

www.facebook.com › … › Restaurant 

+++

https://www.villagemelin.be/promenades/

+++

https://www.villagemelin.be/historique/#:~:text=provient%20du%20verbe%20%22essarter%22%20qui,int%C3%A9gr%C3%A9%20au%20comt%C3%A9%20de%20Louvain.&text=De%201568%20%C3%A0%201576%2C%20M%C3%A9lin,adh%C3%A9rera%20%C3%A0%20la%20religion%20r%C3%A9form%C3%A9e.
Mélin, son histoire – Site de villagemelin ! – Village Mélin

Mélin, de paarden worden uitgelaten

+++

https://culturalite.be/?ArbreDitDuPendu

Arbre de Justice – Gal Culturalité

culturalite.be › ArbreDitDuPendu

 +++

https://fr.wikipedia.org/wiki/Abbaye_de_Kornelim%C3%BCnster

Abbaye de Kornelimünster — Wikipédia

fr.wikipedia.org › wiki › Abbaye_d…

L’abbaye de Kornelimünster, également appelée abbaye Saint-Corneille sur Inde, près d’Aix-la-Chapelle (Allemagne) était une abbaye d’Empire de 814 à 1804

+++

Abdij van Kornelimünster – Wikipedia

nl.wikipedia.org › wiki › Abdij_van_Kornelimünster

Deze plaats in de buurt van Aken heette oorspronkelijk Inda, naar het riviertje de Inde dat erlangs liep. Het klooster werd in 817 ingewijd

Mélin – la Ferme au Pic du Vent

+++

Abdij van La Ramée – Voorstelling – Abbaye de La Ramée

www.ramee.be › Presentation

+++ 

(de pastorie)

Melin – Eglise Notre Dame de Visitation – kerktoren en pastorie

+++

Jodoigne (Mélin) * 26/9/8 – https://lourdesgrotten.wordpress.com

lourdesgrotten.com › 2008/09/26 › jodoigne-melin-26-…

+++

https://nl.wikipedia.org/wiki/Lourdesgrot

+++

https://www.facebook.com/fermedelahesseree/

+++

http://fermedelahesseree.be/

+++

(Ferme de la Hesserée)

Mélin – Ferme de la Hesserée

+++

(Ferme Fortemps – Place de Mélin) 

+++

Chapelle Notre-Dame du Bati

+++

La ferme d’Awans est classée (Jodoigne) – Lavenir.net

www.lavenir.net › cnt › la-ferme-d-… 

+++

Inventaire du patrimoine immobilier culturel – Wallonie

lampspw.wallonie.be › fiche › 25048-INV-0435-02

(Ferme d’Awans)

langs de Gobertange

+++

Ferme d’Awans | archis-paralleles

www.architecturesparalleles.com › f…

+++

Ferme d’Awans by Les Festivals de Wallonie – issuu

issuu.com › docs › ferme_d_awans…

http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/pdf/fiche/25048-INV-0321-02

+++

http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/fiche/index?codeInt=25048-INV-0275-02

(la Chapelle Sainte Marie Madeleine)

+++

J.Tordoir et autres – La Pierre de Gobertange – Deuxième Edition, Revue, Completé et Actualisée, 2019 La Gobertange, un Pierre, des Hommes, ASBL, D/2019/14.758/01

+++

les tailleurs de pierre de Gobertange

https://www.sonuma.be/archive/ce-pays-est-a-vous-du-15061968

Saint Remy Geest – vind je mij mooi?

Bronnen Saint Remy Geest

http://www.echarp.be/twcjod18.php

Saint Remy Geest

+++

Adresse principale : Rue de la Cense Bivort 1 (en face), Jodoigne – Saint-Remy-Geest

+++

http://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_ipic/index.php/recherche/recherche

(Rue Basse Voie)

+++

https://lamaisonenpierre.be/nl/gallerie-de-photos/

Saint Remy Geest – La maison en Pierre

+++

43https://www.hours.be/grenier-urbain/jodoigne/1
Grenier Urbain Saint-Remy-Geest (Jodoigne) Opening hours …
 

+++

https://www.goudengids.be/bedrijf/Jodoigne/L10794164/GHOZ-SOFTWARE/
GHOZ-SOFTWARE, Saint-Remy-Geest (Jodoigne) – Tel …

www.goudengids.be › bedrijf › GHOZ-SOFTWARE 

+++

https://www.routeyou.com/fr-be/location/walk/47408107/saint-remy-geest-a-pied-resume-de-toutes-les-itineraires-a-pied

+++

https://www.molenechos.org/molen.php?nummer=734

Saint Remy Geest – Le Moulin de Genville

+++

Moulin Genville

+++

https://www.geo.fr/environnement/quest-ce-que-lagriculture-raisonnee-193889
Qu’est-ce que l’agriculture raisonnée ? – Geo.fr

www.geo.fr › Environnement

+++

https://www.tvcom.be/video/info/economie/la-ferme-du-bois-basset-de-l-elevage-limousin-au-maraichage-_26698_89.html
La ferme du Bois Basset, de l’élevage limousin au maraîchage

www.tvcom.be › info › economie 

+++

https://www.facebook.com/lafermeduboisbasset/

La ferme du Bois Basset – Accueil | Facebook

fr-fr.facebook.com › … › Ferme

Mélin – kaart OSM
Saint Remy Geest – kaart OSM
Sart-Mélin – kaart OSM

Trefwoorden : mélin, saint remy-geest, gobertange, hesserée, moulin de genville, chapelle st.antoine, awans, arbre de justice, basse voie, église, chapelle, lourdes, saint barbe, basset, erfgoed, geschiedenis,